Litterarische fantasien en kritieken. Deel 23


auteur: Cd. Busken Huet


bron: Cd. Busken Huet, Litterarische Fantasien en Kritieken (drie en twintigste deel), H.D. Tjeenk Willink, Haarlem, z.j.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 108]

Julius Stinde.

I

Sedert Fritz Reuter maakte geen duitsch fantasieschrijver zulk een opgang, als nu onlangs Julius Stinde. In minder dan één jaar beleefde de Frau-Buchholzreeks meer dan twintig, meer dan dertig uitgaven. Prins Bismarck in persoon juichte mede, en vereerde den schrijver zijn compliment. 1

En wie is Frau Buchholz?

Dit met weinig woorden te zeggen, valt zoo gemakkelijk niet, allerminst voor een vreemdeling. Zelfs een gewoon Duitscher moet er tegen opzien. Men behoort er een geboren Berlijner voor te zijn.

Ik overdrijf maar weinig, wanneer ik betuig, dat Reuter's platduitsch vaak lichter te verstaan is, dan het berlijnsch van Stinde. Hier reikt noch kennis der taal van Lessing toe, noch kennis der taal van Von Scheffel. De grens der woordenboeken wordt voelbaar. Het is eene soort van moederlijke en gemoedelijke duitsche dievetaal voor berlijnsch huiselijk gebruik.

En Frau Buchholz?

Een kind van zijn tijd noem ik den schrijver onzer dagen, die voor het schilderen eener nationaliteit zijne keus op eene

[p. 109]

huismoeder vestigt. Hij laat recht wedervaren aan eene neiging zijner eeuw. De vrouwelijke emancipatie zit in de lucht, en wij moeten blijde zijn, dat wij geen russische nihiliste te zien krijgen. Julius Stinde is niet alleen een man van geest, maar ook een man van het ware midden. Hij weet maat te houden.

Of hoe ware u te moede geweest, indien hij op de openbare markt een stoel of eene tafel beklommen, en onder kwakzalvers-trompetgeschal u toegeroepen had: Aanmerkt hoe Duitschland sedert 1870 tot het besef zijner magt ontwaakte, hoe Berlijn van eene provinciestad eene wereldstad met meer dan een millioen inwoners werd, hoe groot en goed keizer Wilhelm en dat prins Bismarck zijn profeet is!?

Nu hij daarentegen (want dit alles lag hem op het hart, en het moest er af), nu hij het u laat zien in den spiegel der verbazing, der naieve zelfvoldoening, der beminnelijke vaderlandsliefde van eene derde, nu vermaakt hij u. Gij waardeert het opnieuw in den schrijver, dat hij zichzelf dus in bedwang heeft, en met welgevallen bemerkt gij, dat zijne humane satire een uitgeslapene verraadt. Dat het niet al goud is wat blinkt, niemand weet het beter dan hij.

Maar wie is Frau Buchholz?

Het is u bekend, dat de Berlijners bij de andere Duitschers voor onopgevoed volkje en eenigszins voor lomperds doorgaan. Voor onhartelijke lomperds, voeg ik er bij. Er is daarover te Hamburg en te Dresden, te Stuttgart en te Munchen, maar één stem. Niemand betwist Berlijn het regt, zich de hoofdstad der intelligentie te noemen. Maar die beroemde professoren waarover men er struikelt; die fraaije militairen welke het over hun eigen sabels doen; waar komen zij vandaan? Slechts bij uitzondering zag Berlijn hen geboren worden, en de minsten werden met Spreewater gedoopt. De echte Berlijner, luidt het harde vonnis, is noch welgemaakt, noch welbespraakt, noch welgemanierd, en draagt maar zelden een welgeplaatst hart met zich om.

Van die miskenning heeft, uit erkentelijkheid voor het gul onthaal, dat Berlijn den elders geborene bereidde, Julius Stinde zijne aangenomen vaderstad willen wreken; en op die

[p. 110]

wijs is, met inbegrip van hetgeen ik reeds noemde, Frau Buchholz ontstaan, de onsterfelijke Frau Buchholz.

Verbeeld u eene berlijnsche Tante de Harde uit de tweede helft der 19de eeuw, maar twintig of vijf-en-twintig jaren jonger dan Daatje Leevend's vriendin, en behept met twee huwbare dochters. Hoewel zij haar man, die in sokken en geweven onderbroeken doet, eene warme genegenheid is blijven toedragen en niemand haar Karl eene stroobreedte in den weg mag leggen, het uithuwelijken dier twee mooie jonge meisjes beschouwt zij niettemin als hare eigenlijke levenstaak. Hier hengelt men naar schoonzoons, zou een geschikt opschrift boven de deur harer woning in de Landsbergerstrasse zijn.

Maar zij hengelt met eene onbeschaamdheid van zoo goedaardige soort; zij bemint hare kinderen zoo opregt; zij beschouwt het als zulk eene heilige taak, het nieuwe duitsche vaderland voor ontvolking te behoeden; bovenal, bij de pinken zonder wedergade, spreekt en schrijft zij zulk eene pittoreske taal, dat men onder het lezen haar alles vergeeft.

Spreekt en schrijft, zeg ik met opzet, want met uitzondering van enkele tusschenvoegsels van den auteur, is steeds Frau Buchholz aan het woord, en zij alleen. Hare brieven zijn het die men leest, hare bijdragen voor eene berlijnsche courant, hare reisherinneringen. Zoolang zij spreekt verflaauwt uwe belangstelling geen oogenblik.

Emmi was aan den man, en er behoefde alleen nog voor Betti gezorgd te worden. Doch niemand meene dat dit eene kleinigheid was! Betti was de oudste, men had haar reeds eenmaal bedankt, en met hare tweede liefde vlotte het niet. Waar bleef de jonge Felix?

‘Eindelijk en ten laatste’, verhaalt de bekommerde moeder, ‘kwam er antwoord op die vraag in de gedaante van een briefje van Herr Marx, die mij om een onderhoud vroeg. Herr Marx, herinnert gij u, is zijn boezemvriend. Ik bescheidde hem tegen den volgenden Vrijdag, omdat Betti dan op visite moest, en met klokslag van zessen zat ik in de aan-kante kamer hem op te wachten. “Maak de voorafspraak kort”, verzocht ik, en bood, tot opwekking der levensgees-

[p. 111]

ten, hem een glas portwijn aan, want de jonge man zag er uit alsof hij daaraan behoefte had. “Gij kunt zonder omwegen spreken, op het ergste ben ik voorbereid.” - “Ik breng goede tijding”, zeide hij. - “Dan maar terstond er mede voor den dag.”’

De zaak was, stotterde Herr Marx, dat Herr Felix niets liever verlangde dan Betti ten huwelijk te vragen, en dit sedert lang gedaan zou hebben, ware het niet dat hij, vóór zijne kennismaking met haar, zich vertuid had aan eene jonge Berlijnsche uit de volksklasse, die hem niet wilde loslaten. Medea had gedreigd schandaal te zullen maken tot in de kerk toe, indien Jason eene andere durfde trouwen. Daarom was Felix Berlijn ontvlugt, en had hij door zijne afwezigheid Betti in den waan gebragt, dat zijne vroegere beleefdheden maar coquetteren geweest was.

Herr Marx zweeg een oogenblik, en Frau Buchholz riep uit: ‘Berlin, Berlin! was machst Du aus den Menschen! Und solche Geschichten nennen Sie gute Nachricht? Ich danke!’

Maar wanneer zij verneemt, dat de Ariadne van het publiek bal intusschen met een handwerksman getrouwd en Herr Felix vrij is, dan komt zij tot andere gedachten en gaat haar man roepen, den voortreffelijken Karl. Hij zegt: ‘Wie zonder zonde is, werpe op Herr Felix den eersten steen!’ - ‘Ik wil hopen, Karl, dat gij mede moogt werpen!’ antwoordt zij.

Karl lacht en zegt tot Herr Marx: ‘Kom morgen om bescheid, of Herr Felix nog altijd door Betti bemind wordt’. - Maar dit vindt de moeder onbetamelijk of onvoorzigtig. ‘Herhaal uw bezoek niet,’ zegt zij tot Herr Marx, ‘dit zou Betti's argwaan wekken; maar, staat deze roode hyacinth morgen voor het tweede venster aan de straat, dan is er hoop.’

Zoo gebeurt het inderdaad, niet meer en niet minder dan indien de eerzame Betti eene Dame aux Camélias geweest ware. De gelukkige moeder verhaalt aandoenlijk omstandig, hoe zij, bij het gerepareerd worden van het gebroken hart harer dochter, met goed gevolg zelf de behulpzame hand bood:

‘Nadat Herr Marx vertrokken was en mijn Karl mij gezel-

[p. 112]

schap gehouden had bij de thee, ging hij nog een uurtje zu Biere, en ik bleef Betti zitten opwachten. Spoedig verscheen zij, en was best te spreken. Zij had de vriendinnen hare Kerstvertelling voorgelezen, die algemeen in den smaak gevallen was. Alleen had Amanda Külecke gezegd: “Kind, ge hadt er meer liefdesgeschiedenissen doorheen moeten vlechten, gelukkige of ongelukkige, dat doet er niet toe.” - Mijn hart begon te kloppen, en uitvorschend vroeg ik Betti: “Zoudt ge dat inderdaad niet eens beproeven?” - “Eene gelukkige liefde schilderen?” antwoordde zij weemoedig, “ik kan toch niet met tranen schrijven!” - Maar ik liet den draad mijner gedachten niet los, en, al klopte mijn hart hoe langer hoe sterker, zoodat de woorden er bijna niet uit wilden, ik zeide: “Ge zoudt bij voorbeeeld het geval kunnen nemen van twee jongelui, die elkander liefhebben zonder dat het noch van de eene, noch van de andere zijde tot een bekentenis gekomen is. Hij, onderstel ik, gaat op reis. In den vreemde wil hij geld gaan verdienen, en eerst terugkomen wanneer hij genoeg meent te hebben. Zij, onderwijl, vergeet hem.” - “Vergeet hem?” vroeg Betti, met groote oogen mij aanstarend, “maar dan heeft zij hem nooit liefgehad!”

“Dus hebt gij Herr Felix nog altijd lief? Maar weet gij om welke reden hij heengegaan is?” liet ik onbesuisd mij ontvallen. Eene congestie naar het hoofd zou mij op dat oogenblik dienstig geweest zijn, want ik voorzag, dat Betti buiten zichzelf geraken zou. Maar zij bleef rustig, en fluisterde naauwelijks hoorbaar:

“Ik geloof dat hij mij te min vond.”

Met de handen had ik mij aan de sofa geklemd, want ik moest mij aan iets vasthouden. Allengs ontsloten zich nu mijne vingers weder en ik schepte adem. “Betti”, zeide ik, “wees zoo goed en zet de roode hyacinth voor het andere venster. Zoo digtbij ruikt zij te sterk.”

Betti deed wat ik haar vroeg, en ik wist nu dat zij vergeven en vergeten zou, indien haar te eeniger tijd iets ter oore kwam. Ook prees ik in gedachte de wijsheid van mijn Karl, die alles geweten en niets aan de groote klok

[p. 113]

gehangen had. Want hoe ligt vergaloppeert zich een mensch!

“Is er bezoek geweest van avond, dat u in de aan-kante kamer zit?” vroeg Betti.

“Iemand is met papa over zaken komen praten”, antwoordde ik op den onverschilligst mogelijken toon.

Daarna keuvelden wij over allerlei, dat onze koude kleederen niet raakte; maar Betsy vermeed, zich uit te laten of zij al dan niet weder aan de schrijverij zou gaan doen, en ik, ik paste op, dat ik mij niet verpraatte. Eindelijk kwam Klaas Grootevaak ons poeder van droomen in de oogen strooijen, en wij gingen naar bed. Nu, de hyacinth stond waar zij staan moest.’

Tot opheldering dient dat Betti, in hare wanhoop, zich reeds voorgenomen had in den dienst der Heilige Katharina te treden, en, hetzij als gouvernante, hetzij als schrijfster of als schilderes, bij eventuëel overlijden van vader en moeder, zich onafhankelijk te maken. Vandaar die ten gehoore gebragte Kerstvertelling. Het was Betti's eerste proef van hetgeen hare moeder das Schriftstellern noemde.

Helaas, met Betti's aanleg voor de letteren stond het eveneens geschapen als met haar aanleg voor de kunst en Emmi's aanleg voor de muziek. Lieve jonge vrouwen en aanvallige jonge moeders te worden, - dit was de eenige aangeboren neiging der meisjes. Emmi debuteert eerlang met tweelingen.

In Maart 1884 zou, ter eere van prins Bismarck's 70sten verjaardag, door de berlijnsche studenten en burgers een vermaarde fakkeloptogt gehouden worden; en Frau Buchholz stond, met haar Karl en hare Betti, onder de menigte.

Karl, verhaalt zij, geraakte door het schouwspel in vuur:

‘“Seht um Euch”, begann mein Karl lebhaft wieder das Gespräch. “Die Zeit, in der wir leben, ist so gross, das wir sie kaum zu fassen vermögen. Die Jugend von heute erwächst in einem anderen Deutschland als wir. Es ist nicht mehr das arme Vaterland, dass sein Sohn um so tiefer beklagen musste, je inniger er es liebte.”

“Schade, dass wir keinen haben”, sagte ich achtlos.

“Wir müssen uns mit Schwiegersöhnen behelfen”, neckte mich mein Karl.

[p. 114]

Um den Eindruck zu verwischen, den diese Aeusserung auf Betti ausüben konnte, erwiderte ich ablenkend:

“Töchter thun schliesslich ganz dasselbe!”’

Deze plaats is een der sleutels van het boek.

Voor het kweeken van een nieuw geslacht dat, te rekenen van 1900, zich aan Duitschlands ontluikende grootheid het hart zal kunnen ophalen, zijn jonge Duitsche mannen noodig. Maar die mannen, wat zouden zij aanvangen, indien er geen jonge Duitsche vrouwen waren? Frau Buchholz verkondigt eene onsterfelijke en levenwekkende waarheid: ‘Töchter thun schliesslich ganz dasselbe.’

II

Er is de Germania van het Niederwald, en er is Frau Buchholz van Berlijn. De eerste een reusachtig standbeeld, monumentaal gedrapeerd; de laatste eene statuette in het vrouwelijk modegewaad van 1885. Een chignon, een pouff, en al hetgeen verder tot het toilet eener welgestelde burgerdame van middelbaren leeftijd behoort, wier man een bloeijenden kousenhandel drijft. Wat echter uitdrukking, bewegelijkheid, in één woord karakter betreft, geloof ik, dat de statuette het wint; - ook al zegt Frau Buchholz van zichzelf, dat zij ietwat vleezig en ietwat kort of, gelijk zij het noemt, etwas untersetzlich veranlagt is.

Er kan niet aan getwijfeld worden, dat Dr. Stinde's bedoeling geweest is in deze berlijnsche type de hedendaagsche duitsche beschaving te teekenen. De nieuwe Germania geeft hij ons; Germania, gezien door een omgekeerden tooneelkijker, met het kleine glas naar voren. Vandaar zijne waardering, en vandaar zijne satire.

Het werk vloeit over van trekken, die ons den duitschen landaard doen liefkrijgen, lief om de hartelijkheid die den grond van zijn wezen uitmaakt. Het leven, dat ons geschilderd wordt, is in den beminnelijksten zin van het woord een natuur-, en vóór alles een familieleven. Met somtijds aandoenlijke trouw hangen de leden van hetzelfde gezin elkander aan; nemen in hunne genegenheid andere huisgezinnen

[p. 115]

op, die met hen tot denzelfden kring van vrienden behooren; en gevoelen zich zamen omstrengeld door den band van één hartstogt voor het groote duitsche vaderland.

Bij veel fijnheid is er óók veel en nòg meer warmte in deze teekening van een algemeen bestaan, waarbij eene natie den achtergrond vormt, de vriendschap en de bloedverwantschap het middenvak innemen, en uit dit laatste de bijzondere personen naar voren treden. De schrijver heeft een vasten grond van medegevoel onder de voeten. Nooit zullen zijne landgenooten, ook dan niet wanneer hij hunne kleingeestigheden in het licht stelt, hem kunnen verwijten, dat hij hen niet bemint. Geen andere muze is hem zoo vreemd als de hooghartigheid, welke, bij het berispen van nationale fouten, haar uitgangspunt neemt in een verwijtend cosmopolitisch ideaal.

Ik geloof niet, dat Stinde met voorbedachten rade, of uit berekening, deze gunstige stelling gekozen heeft. Veeleer ontvangt men den indruk, dat hij is zooals hij zich geeft, en hij, bij het ontvouwen van het sympathiek karakter, dat hij heeft aangenomen, de natuur te baat heeft. Maar dit is zeker dat hij zijne stad- en landgenooten niet spaart, en er door hem, van de genegenheid die hij weet in te boezemen, een ruim gebruik wordt gemaakt voor het handhaven van de regten der kritiek.

‘Ik hoop,’ schreef prins Bismarck den auteur, ‘dat de dagen van Frau Buchholz vooreerst niet verkort zullen worden door het verdriet, dat zij aan Frau Bergfeldt beleeft, en haar voortbestaan u gelegenheid geven zal door vroolijke schilderingen ons nog menigmaal te vermaken.’

Niets vermakelijker inderdaad, maar ook niets kleinsteedscher, dan het antagonisme van Frau Buchholz en Frau Bergfeldt. Moest dáárom de oorlog van 1870 gevoerd, en Berlijn eene wereldstad worden? Zoo concurreeren, zoo krieuwen, zoo vangen elkander vliegen af en brengen elkander steken onder water toe, twee moeders van volwassen dochters op één dorp. Wat zeg ik? Het huis Buchholz en het huis Bergfeldt doen aan twee loopen denken, waarin twee vijandige klokhennen, ieder de vleugels bewegend tot bescherming van

[p. 116]

eigen kroost, kakelend op- en nederschrijden. Het geestige in het leven der kippen wordt door Frau Buchholz niet overtroffen. Zij zelf behoort tot de orde van het pluimgedierte.

Reist zij naar Italië, vergezeld door haar man en haar broeder, dan komt haar natuurlijk verstand luimig in verzet tegen de pedanterie van kunstbeoordeelaars en kunsthistorieschrijvers. Voor de schoonheid van het landschap, voor het karakteristieke in de menschen, heeft zij een geopend oog en een deelnemend hart. Buchholzens in Italien is een kostelijk geschrift, benijdenswaardig en beschamend vrolijk; dubbel vrolijk wanneer men het met sommige italiaansche reisverhalen mijner kennis vergelijkt. Het wekt de herinnering van Alphonse Daudet's Tartarin, den held van Tarascon, die een togt naar Algerië ondernam, en in den waan verkeerde Shangai bezocht te hebben.

Doch Julius Stinde gevoelt zeer goed, dat zoolang Berlijn voortgaat slechts de heugenis van Tarascon te verlevendigen, de stad met hare één millioen inwoners nog maar eene provinciestad is, en eene grootsprekende provençaalsche provinciestad daarenboven. Zijne Frau Buchholz blijft een gansje, eene vrouwelijke Pieter Spa met krachtiger elbogen. Zij geniet van het comfort der sleeping-cars, tusschen Berlijn en Munchen, met de gulzigheid eener misdeelde: ‘Der Länge nach im Bett liegen, und dennoch nach Italien zu kommen - dies ist förmlich überirdisch.’ Met in het geheel niet metropolitaansche waardigheid lept zij uit de cognacflesch. Van de italiaansche vrouwen wekken het meest de waschvrouwen hare belangstelling. Ziet zij op straat, te Napels of te Genua, polypen braden en door den kleinen man verslonden worden, zij denkt aan het meer bevoorregt volk te Berlijn, met zijne worst en zijn bier: ‘Ueberall die Tausende von Menschen, und jeder ist vergnügt und trinkt sein Bier. Wenn man auch nicht immer weiss, was in der Wurst ist, so viel steht sicher fest: Polyp is nicht darin!’

Er wordt te Berlijn eene Nationale Nijverheids-Tentoonstelling gehouden, en Frau Buchholz zou Frau Buchholz niet zijn, indien zij de gelegenheid verzuimde een kijkje van dit vaderlandsch vredefeest te nemen. Zij en hare dochters,

[p. 117]

haar man, haar broeder, een vriend van den huize die op de voordragt staat als schoonzoon te worden aangehecht, - en corps gaan zij er heen. Veel verrukt hen, veel bewonderen, veel prijzen zij. Zelfs prijzen de heeren zoo uitbundig de likeuren en de bieren - van welke gratis geproefd mag worden - dat zij eene verheuging aankrijgen. ‘Onkel Fritz’ gaat aan een tentoongesteld kamer-orgel een koraal zitten spelen, en bij ‘mijn Karl’ komt met het bier ook de barmhartigheid boven. Hij houdt met luider stem eene toespraak, en verdiept zich in meewarige beschouwingen over de menschelijke lotsbestemming in het algemeen. Er vormt zich eene groep verbaasde omstanders. De menschen beginnen zich af vragen wat dit spektakel beduidt. Wij wanen eene kermis ten platten lande bij te wonen. De stedelingen zijn dorpelingen geworden, en gedragen zich als boeren.

Met hare geknakte Betti begeeft Frau Buchholz zich naar eene badinrigting in den omtrek van Berlijn, ten einde het meisje wat afleiding te bezorgen. Het geknakt-zijn van Betti moet verstaan worden naar den geest, niet naar het uitwendige; want het in de liefde teleurgesteld meisje is juist in den laatsten tijd sehr zugenommen. In het mollige te vallen is een vaste trek der Buchholzen, moeder en dochters.

De badplaats is die waar het grafteeken van Alexander Von Humboldt zich bevindt; en, ondanks het ontraden van broeder Fritz, zullen Frau Buchholz en Betti zich de lange eenzame dagen trachten te korten door het lezen van den Kosmos. Frau Wilhelmina ontkent a priori de mogelijkheid, dat de inhoud van een gedrukt boek boven hare bevatting zou kunnen gaan. Boeken zijn boeken, beweert zij, en hetgeen zwart op wit staat, kan door een ieder begrepen worden.

Maar de proef valt niet mede. Noch de moeder, opgevoed met den franschen slag van dertig of veertig jaren geleden, noch de dochter, voortgekomen uit het middelbaar-onderwijs voor meisjes, peilen den Kosmos. Humboldt blijft voor haar de uitvinder der kleine aardgloben, die in de salons van den berlijnschen middenstand op de schoorsteenmantels prijken.

Een andermaal wordt, steeds met het doel Betti te verstrooijen, het schilderen ter hand genomen. Ging het vroeger

[p. 118]

niet met de letteren, later niet met de natuurlijke historie of de cosmographie, men zal het thans met de kunst beproeven. Want de arme Betti moet tot iederen prijs verstrooid worden.

Germania is in beginsel tegen het celibaat gekant, weten wij. Meisjes, luidt een hoofdartikel harer grondwet, meisjes zijn geboren om bemind te worden. Kunnen zij van te voren zich niet verbinden, zonen het aanzijn te zullen schenken, dan voor het minst nogmaals meisjes. In elk geval moeten zij verpast. Haar kwijnen, zoo die toeleg mislukt, verdient de hoogste bezorgdheid in te boezemen.

‘Mijn Karl’ heeft in de bus geblazen en, tot versiering der provisiekamer, eene nieuwe kleerkast aangeschaft. Stoot u niet aan dit bij eenvoegen van heterogene begrippen. De provisiekamer eener berlijnsche woning is tegelijk de plaats waar de vrouw van den huize de japonnen en de mantels van het gezin bewaart. Zoo wordt het salon beurtelings de ‘aan-kante’ en de ‘berlijnsche’ kamer genoemd. In de wandeling: die gute Stube.

De nieuwe kast is smaller dan de oude was, zoodat een gedeelte van den kalen muur te voorschijn komt. Want uit zuinigheid was achter de oude kast geen behangselpapier geplakt.

Nu zal Betti, bijgestaan door hare moeder, haar talent als decoratie-schilderes ten toon spreiden. Het dienstmeisje wordt met een stuk behangsel naar den verfkooper gestuurd, en de fabrikant mengt naar dit monster de kleuren.

Betti tijgt aan het werk, maar kan zich niet voldoen. Het brok behangsel was nieuw, en de daarnaar gemengde kleuren zijn te levendig. Zij schreeuwen met de vaalheid van het verschotene.

Weder naar den verfkooper gezonden, en fletscher kleuren gevraagd. Betti van nieuws op de ladder of de trap, en beproefd de ontbrekende strook bij te schilderen. Het blijft broddelwerk. Wanneer zij van boven aan den rand begint, dan legt Betti het rood er zoo dik op, dat het in stralen af- en op het jak der dienstbode druipt.

‘Fraulein’, zegt haar de verfkooper, als zij den volgenden

[p. 119]

dag de rekening komt voldoen, ‘geloof mij, de kunst is een ondankbaar vak. Met handelen in verf valt meer te verdienen dan met schilderen.’ En Betti laat het schilderen varen.

Al hetgeen in den kring van Frau Buchholz aan de wetenschap, de kunst, de letteren, de poëzie raakt, blijft zich in den kring van kostschool-oefeningen bewegen en komt daar niet uit. De vereering-zelf welke er het genie ten deel valt, doet met het genie medelijden krijgen. Wanneer Emmi trouwen gaat met dokter Wrenzchen, en de vriendinnen van het leeskransje, dat aan het beoefenen der duitsche dichtkunst gewijd was, haar eene gedachtenis vereeren zullen, dan valt de keus op eene kleine buste van Schiller. Arme Schiller! Door zijne bronzen haren is een groene lauwerkrans gevlochten, en aan de voorzijde van het zwartmarmeren voetstuk heeft de zich noemende kunsthandelaar - een thermometer bevestigd.

O land van Schiller en van Goethe, roept men uit, land van Herder en van Wieland, van Uhland en van Heine, in welke philisterwereld zijt gij verkeerd? Waar hebt gij die slechte manieren vandaan, die botheid, die smakeloosheid? Zijn dit uwe mannen, uwe vrouwen, uwe dochters? Verstaan uwe jongelingen geen andere kunst dan sigaren te rooken en bier te drinken, of te roeijen en kaart te spelen?

Doch wie meent dat deze aanmerkingen Julius Stinde treffen, die vergist zich. Niets integendeel is (ik aarzel niet het woord te bezigen) bewonderenswaardiger, dan het talent waarmede de schrijver zijn onderwerp redt, en over de platheid van het berlijnsch leven zulk een sluijer van welwillende scherts werpt, dat wij smaak gaan vinden in zijn helden en hart krijgen voor zijne heldin.

Het is geen geringe zaak de letterkunde van een groot land met nieuwe beelden te verrijken, en het aanzijn te geven aan een dier typen, welke gezegd kunnen worden een volksbewustzijn te dragen.

Die lof komt den heer Stinde eerlijk toe.

Zijne Frau Buchholz is een levend wezen. Zij is het niet minder door hare domheid, dan door haar vernuft; niet minder door de verfoeilijke spijzen en dranken die zij haren

[p. 120]

gasten voorzet, dan door de kwinkslagen waarmede zij den maaltijd kruidt; niet minder door de wanbeschaving welke zij hare Bildung noemt, dan door de humane gevoelens welke, na iedere verduistering van haar beter-ik, weder bij haar boven en te voorschijn komen.

Het pleit ook voor het Duitsch publiek, dat het deze nationale karakterstudie met zooveel welgevallen heeft ontvangen. Alleen een krachtig en levenslustig volk, gezond van harte, kan met een goed humeur verdragen op zulke wijs tentoongesteld te worden.

 

1885.