|
|
|
| | | | | |
Tweede lezing. De school van Bellamy.
Men heeft mij gevraagd waarom ik, de eerste reis, verzwegen heb, dat
Bellamy gestorven is aan de gevolgen van een half pennemes, in een oogenblik
van brooddronken krachtsontwikkeling bij ongeluk door hem ingeslikt. Men heeft
willen weten of ikzelf welligt, als bewonderaar van
Bellamy en in overdragtelijken zin, met de
andere helft van dat pennemes in mijne maag heb gezeten en er verlegen mede ben
geweest. Laat mij u mogen zeggen dat mijne onbedrevenheid in de anatomie en
physiologie oorzaak geweest is van zekere onbevattelijkheid: want ik wil gaarne
gelooven, maar kan mij niet voorstellen, dat iemand in den loop van het jaar
'82 een stuk ijzer of staal doorslikt en eerst in het jaar '86, minstens drie
en een half jaar daarna, aan de gevolgen sterft. Ik meende dus van Bellamy's
baldadigheden - waar nog aan toe te voegen ware geweest dat hij met utrechtsche
kermis wel eens de hand heeft gehad in het afbreken van de eene of andere
wafelkraam - genoeg te hebben gezegd. Ik had u op zijn breeden rug gewezen, had
u zijne vuisten vertoond, en vond niet noodig u nog daarenboven zijne tanden te
laten zien. Dat ik niet uit louter eigenzinnigheid aldus spreek, zal blijken.
Want indien men mij gevraagd had: waarom hebt gij verzwegen dat Bellamy aan het
rhumatiek gestorven is; | | | | en dat eene barre reis naar en
van Vlissingen, omstreeks kerstmis van het jaar '85, de eerste
aanleiding is geweest tot zijnen dood? waarom inzonderheid hebt gij ons niets
van Francina verteld, en ons in den waan laten verkeeren dat dit meisje eene
minstens even poëtische figuur is geweest als Bellamy-zelf? - dan zou ik
gaarne - gelijk ik doe bij dezen - schuld bekend en u beleden hebben dat ik met
dit proza, en inzonderheid met jufvrouw Fransje, zoodanig in het naauw gezeten
heb, dat ik uit aangeboren onhandigheid geen middel wist - want ik meende ook
dat mijne eigen Voorlezingen aan zekere eischen van vorm moesten beantwoorden,
waartegen ik niet straffeloos zondigen kon - geen middel om tevens op Bellamy's
persoonlijkheid het mijns inziens ten volle verdiende licht te laten vallen, en
nogtans reeds bij de eerste gelegenheid de beste, alle mogelijke schaduwen in
rekening te brengen. Vergeeft mij dit onvermogen: de nadere gelegenheid waarop
ik oordeelde te moeten wachten, is thans gekomen.
Zedelijkheid en poëzie zijn met onverbrekelijke banden
aaneengesnoerd. Doch hoe komt het dat de onzedelijke zelfmoord van
Willem van Haren dichterlijk is,
dichterlijk van weemoed en betrekkelijke zielegrootheid, terwijl Bellamy's
alleen roekelooze daad - laat ons aannemen dat hij doordat halve pennemes zijn
uiteinde zoo niet veroorzaakt, dan toch de smarten van den jongsten strijd
noodeloos vermeerderd heeft - ons naauwlijks kan herinnerd worden of er rijst
een glimlach op onze lippen? Vanwaar het onderscheid tusschen dat pennemes en
dat poedertje?
1 En indien Bellamy aan de
jicht of aan het podagra gestorven is, waarom staan wij dan zooveel minder
gaarne bij zijn sterfbed, dan bij dat van Onno, den adem uitblazend met
Adeleide's hand tusschen de zijne? - Dit komt, wat Willem betreft, omdat over
al wat tragisch is, ook dan | | | | nog wanneer ons geweten
‘schuldig’ zegt, een waas van schoonheid ligt, terwijl wij
tegenover de brooddronkenheid, ofschoon wij haar niet onzedelijk keuren, enkel
minachting of onverschilligheid gevoelen. Het komt, omdat de poëzie der
dingen niet enkel in het weldadige of reine dat hun eigen is, maar tevens ligt
in het grootsche hunner evenredigheden. En wat Onno betreft - het onderscheid
waarvan wij spreken schuilt, voor mij althans, hoofdzakelijk bij Adeleide. Door
hetgeen hij voor deze vrouw gevoeld en nu en dan van haar gezegd heeft; door de
teederheid die nog altoos beeft in de enkele strofen waarin hij van of tot haar
spreekt, verschijnt deze hartstogtelijke, deze onbuigzame, deze satirieke, deze
onteerde man, althans - ik herhaal het - voor mijne verbeelding, in een
zoodanig licht van poëzie, dat
Shakespeare, dunkt mij, een tweede
Hamlet van hem zou hebben kunnen maken, terwijl daarentegen, wanneer wij
nagaan, ik zeg niet hoe onwaardig maar hoe onbeduidend - met al hare schoonheid
- het voorwerp van
Zelandus' genegenheden was, de liefde van
Bellamy voor zijne Francina ons alléén doet uitroepen: o dichter,
hoe kwaamt gij zoo blind! Groot is de plaats door Francina in Bellamy's
dichterlijke nalatenschap ingenomen; bescheiden het hoekje dat Adeleide in die
van Onno beslaat. Doch de uitwerking hierdoor op ons teweeg gebragt, staat
juist in de omgekeerde reden tot hetgeen men verwacht zou hebben.
Francina was de dochter van een koopvaardijkaptein; een man van
eenig vermogen, die te Vlissingen met vrouw en kinderen van zijne
vermoeijenissen is komen uitrusten. Eerst heeft zij van Bellamy niets willen
weten; althans zij heeft geheel vrijwillig hare hand aan iemand anders
geschonken. Doch in de bruidsdagen zelve, en toen alles voor het jonge paar
reeds in gereedheid was gebragt, stierf onverwachts de bruidegom. En eerst
daarna gaf Francina in stilte aan onzen dichter haar woord. Is daarin iets
bepaald verkeerds? Niets hoegenaamd. Ook is het volstrekt niet immoreel dat
Francina 78 jaren oud is geworden: zelfs de vurigste minnares staat aan zulke
ongevallen bloot; en indien | | | | Henriette
Amélie van Haren, de aangebedene van
Mirabeau, omstreeks haar vijftigste jaar
op het Deurzenhofje te Amsterdam, onder een neepjeskapje gestorven
is, kon Francina Bane wel tachtig wezen toen zij te
Goes, in de armen van twee bedaagden nichtjes, rustig ontsliep.
Francina heeft weleer verklaard dat het haar ‘niet onmogelijk’ zou
zijn geweest, na Bellamy nog iemand anders lief te hebben, mits geen
alledaagsche man: hagchelijke bereidwilligheid, wanneer men in aanmerking neemt
hoe talrijk in ons vaderland de niet-alledaagsche mannen zijn. Reeds op haar
dertigste jaar was Francina, in het huisgezin van den haarlemschen
Adriaan Loosjes, bij wien zij dikwijls
kwam logeeren, bekend onder den naam van ‘Tante Fransje.’ In den
zomer van 1790 heeft Loosjes haar met den beurtman van Rotterdam
naar Vlissingen begeleid; bij welke gelegenheid zij op de zeeuwsche stroomen
vreeselijk zeeziek werd, ‘gedurig piepte over het deinen en over de
akeligheid’ - tekstueel, - en, wat noch lief noch verstandig was -
‘verschrikkelijk schrolde op den schipper.’ Te Vlissingen
aangekomen, bragt Loosjes een avondje door bij Francina's moeder - haar vader
leefde toen niet meer, - waarbij ook Bellamy's moeder tegenwoordig was; en
Loosjes schijnt van dit partijtje den indruk ontvangen te hebben dat Fransje
‘zeer veel bedrillen’ had, dat zij, ‘over haar moeder
heenzat’ en in het gemeen, dat zij ‘verbaasd goverde,’ zoodat
er ‘nog al eens gekrieuwd werd.’ Uit den éénigen
brief van haar zelve mij bekend - te vinden in Ockerse's
Gedenkzuil - ontvangt men een ietwat fijner indruk. De
brief - geschreven in antwoord op het verzoek om eenige bijdragen uit Bellamy's
correspondentie met haar, tot opluistering dier Gedenkzuil - is gerigt
aan mevrouw Kleyn, Ockerse's zuster, en men leest daar: ‘Gij kendet
Bellamy, lieve mevrouw, en weet wat ik in hem verloren heb.’ Dit gaat.
Doch reeds aanstonds volgt er: ‘De brieven van mijnen dierbaren weder in
te zien, dit is mij onmogelijk. Ik heb dat, op verzoek, voor een jaar of drie
gedaan’ - Bellamy was toen reeds sedert dertig jaren overleden; -
‘maar Hemel! in geen twaalf dagen ben ik op mijn verhaal geweest. Ik was
met mijn ziel geheel in het | | | | verledene teruggekeerd; en, was ik
niet voor eenigen tijd naar eene mijner vriendinnen gegaan, ik geloof dat het
geheel fout met mij zoude zijn uitgeloopen.’ Nogmaals vraag ik u: Is er
in dit alles iets onbetamelijks? iets dat onbestaanbaar ware met het leven
eener wel zwakke doch niettemin achtenswaardige vrouw? Maar ach, die welgetelde
‘twaalf dagen!’ ach, dat bezoek bij de vriendin. Neen, Goethe's
Frederike behoefde niet uit logeren te gaan om weder ‘op haar
verhaal’ te komen; en nooit, des houd ik mij overtuigd, is
Abélard's Héloïse - tenzij dan uit vrome zelfverloochening -
bevreesd geweest, ‘de brieven van haren dierbaren weder in te
zien.’
Wat, daarentegen, in onderscheiding van dit proza, wat is en blijft
in Bellamy's persoonlijkheid poëtisch? Het is het kontrast van zijne
afkomst en zijnen roem, van zijne opvoeding en zijne gaven, van de lengte
zijner gebrekkige voorbereiding en de snelheid zijner eindelijke ontwikkeling,
van de laagte waarop hij stond, nog bij zijne komst aan de Akademie, en de
hoogte waartoe hij zich in drie jaren tijds verhief, van zijne ligchamelijke
kracht en de aandoenlijkheid van zijn gemoed, van zijne vrolijkheid en zijne
droefgeestigheid, van het kritische in zijnen geest en het produktieve in zijn
talent - eindelijk, van die schijnbare volheid des levens en dat vaste
voorgevoel van den dood. Ware hij niet op zijn negen en twintigste jaar
weggenomen geworden, er zou uit hem een van onze oorspronkelijkste en
klassiekste dichters zijn gegroeid, mits hij, op later leeftijd, evenals
Staring, van de verzen zijner jeugd alleen
diegenen in leven had gelaten wier kunstwaarde onbetwistbaar was en is; mits
hij geen dorpspredikant ware geworden, maar bij voorkeur redakteur van een
solide letterkundig tijdschrift; mits hij, zooals wij allen behooren te doen,
gereageerd had tegen de zwakke zijden van zijn karakter en talent, bovenal -
het spijt mij dat ik het zeggen moet - mits hij niet getrouwd ware met
‘Tante Fransje.’ Doch niet-alleen staat hij thans, in weêrwil
van zijn vroegen dood en onvolledigen arbeid, vóóraan in de rei
van onze nieuwere dichters en dagteekent van zijne ‘manier’ eene
afzonderlijke periode in de geschiedenis onzer litteratuur; maar ten gevolge
| | | | mede van zijn ontijdig sterven, eenerzijds zoo betreurenswaardig
uit het oogpunt der dichterlijke kunst, wordt het dichterlijke in zijne
persoonlijkheid nog daarenboven vermeerderd met dien zekeren trek van
onvervalschte melancholie, dien wij niet kunnen nalaten mede te rekenen onder
de adelbrieven der menschelijke natuur. Het tragische, zeiden wij, is uit
zijnen aard poëtisch: die treurige wanklank nu, die ons zoo dikwijls op
deze wereld in de ooren klinkt en die wij aanduiden door het eene woord
‘vroeggestorven,’ ook die wanklank is eene tragedie. Vanwaar dat
wanneer bijvoorbeeld dokter
Simon Stijl - een der zeer verdienstelijke
letterkundigen, waarover wij binnen kort zullen te spreken hebben - wanneer
Simon Stijl, in 1804, ongehuwd en 73 jaren oud, te Harlingen sterft, wij dit
volstrekt niet dichterlijk vinden? Is het omdat wij geen eerbied genoeg hebben
voor den dood, onder welken vorm hij zich ook openbare? of omdat wij, uit
kleingeestigheid, geene oogen hebben voor de mogelijke poëzie ook van een
leven dat bij de wereld ‘het leven van een ouden vrijer’ heet?
Neen, maar omdat de poëzie van zulk een leven, hoe beminnelijk ook in
allerlei andere opzigten, nooit kan gelegen zijn in het tijdstip waarop het
wordt afgebroken; en omdat oud te sterven mede behoort tot die zeer
prozaïsche cirkels waarin zoovele dingen hier op aarde rondloopen. En
waarom is de dood van
Lublink den Jongen, in weêrwil dat
ook hij in hoogen ouderdom stierf, wel poëtisch? Omdat Lublink de Jonge,
mede een der letterkundigen die onmiddellijk tot ons kader behooren, gedurende
de laatste twintig jaren van zijn leven volslagen blind is geweest.
Harlingen ligt niet zoo heel ver van
Wolvega, en zoo komen wij van Simon Stijl weder op
Onno van Haren terug. Van Haren en Bellamy
- de grijsaard en de jongeling, de edelman en de plebejer, de voormalige
ambassadeur en de toekomstige proponent, de belezene en de bijna ongeletterde,
de zanger der antieke en die der moderne vrijheid, de oranjeman en de patriot,
de dichter die alleen om de gedachte geeft en hij wiens grootste verdienste in
zijne vormen ligt, de dichter die niet éénen Duitscher kende, en
hij die door zijne | | | | utrechtsche vrienden bijna uitsluitend naar de
Duitschers werd verwezen: had ik u niet te voren gewaarschuwd dat Onno's beeld
u juist om zijne ongelijkheid met dat van
Bellamy zou worden voorgesteld, gij zoudt
mij om zulk eene zamenvoeging teregt van bizarrerie beschuldigen. Doch wat is
het geval? Ik wenschte, ten einde u zonder omhaal van aesthetische dogmatiek
een denkbeeld te geven van hetgeen ik - ik zal niet zeggen in mijne
eenvoudigheid, maar binnen de welligt zeer enge grenzen van mijn persoonlijk
inzigt - onder poëzie versta; ik wenschte u, te dien einde den dubbelen
stok te laten zien waarmede ik voornemens ben, in vervolg van tijd, niet zoo
zeer andere poëten te slaan, als wel ze beurt om beurt te meten. Of
mishaagt u het beeld van den stok en geeft gij de voorkeur aan dat van den
passer? Ik huldig uwe kieschheid en onderwerp mij. Nu dan, gelijk er aan een
passer twee beenen zijn, zoo heb ik ook gemeend - en het valsch vernuft waartoe
ik hier verval, komt voor rekening van uw eigen kieschheid - gemeend dat het
zoo geheel verschillend talent van mijn twee echte dichters uit het einde der
achttiende eeuw mij tot maatstaf zou kunnen verstrekken bij de beoordeeling van
andere talenten uit den onmiddellijk daarop gevolgden tijd, en dat die maatstaf
even onpartijdig als onontbeerlijk, door zijne verscheidenheid zelve mij
behoeden zou voor die eenzijdigheden en onregtvaardigheden waartoe een
beoordeelaar zoo ligt vervalt. Is waarachtigheid de eerste en voornaamste
voorwaarde van alle poëzie, wij kunnen aan Bellamy en Van Haren zien voor
hoe oneindig afwisselende, schijnbaar tegenstrijdige schakering het
echt-dichterlijke vatbaar is. Ben ik, om de dogmatiek te vermijden en tot
bevordering der aanschouwelijkheid, ben ik vervallen tot aanhalen van
historische bijzonderheden, en wilt gij mij niet danken voor hetgeen ik u tot
hiertoe gaf, dankt mij ten minste voor hetgeen ik u spaarde. Welligt zal het
eenigen tijd duren voor het juiste oogenblik gekomen is om uit Onno van Haren
te putten en anderen aan hem te meten. Daarentegen zullen wij reeds thans
gelegenheid vinden Bellamy's talent te doen uitkomen. Wij keeren dus naar
Amsterdam en naar December | | | | '94 terug, gaan in den
namiddag eerst een bezoek afleggen bij den dichter en boekhandelaar Uylenbroek en richten later onze schreden naar Felix, waar
Prof. Van Swinden feliciter nog altoos in
de katheder staat.
De winkel van Uylenbroek is gelegen in de Nes, op den hoek van de
Heremietensteeg: thans [1860] wordt er in datzelfde huis een mandemakersaffaire
gedreven. In vroeger jaren, vóór Uylenbroek, vond diens patroon
in dezen winkel een eerlijk en nuttig bestaan; doch sedert geruimen tijd drijft
Uylenbroek in persoon, gehuwd met zijns meesters (Klippink's) weduwe, de zaken
alhier voor eigen rekening. Schitterend is deze sociale positie in de oogen der
wereld niet: doch wel in de oogen van Uylenbroek-zelf, wiens ontwikkeling (uit
armoede) een aanvang nam op de banken der amsterdamsche stadsschool, en die
zich thans ziet opgeklommen tot den rang van een welgesteld burger. Laat ons
den winkel, die klein en somber is, doorgaan, en begeven wij ons naar de ruime
zijkamer. Het brood en de koffij, het bitterfleschje en de lange pijpen, de
kring van onbezette stoelen om de tafel, alles kondigt aan dat hier gezelschap
wordt verwacht. En werkelijk had Uylenbroek jaren achtereen de gewoonte op
gezette tijden zekere ‘letterkundige namiddagjes’ te zijnen huize
aan te leggen, waar de meeste Amsterdamsche dichters van dien tijd zich gaarne
lieten vinden, of ook wel den vreemdeling medebragten, die tijdelijk in hunne
poorte was. In het jaar '88 had Uylenbroek een aanvang gemaakt met de uitgaaf
van een soort van poëtisch jaarboekje - de zoogenaamde Kleine
Dichterlijke Handschriften, - dat twintig jaar heeft bestaan; en
bijna al degenen die daarin bijdragen geleverd hebben, met nog sommige andere
daarenboven -
Helmers en
Loots,
Fokke en Barbaz,
Bilderdijk en
Kinker, Hoffham en
Vereul - kwamen òf geregeld bij
Uylenbroek aan huis, om tezamen over kunst en poëzie te praten, òf
stonden - zooals Bilderdijk, die sedert '83 als
advokaat te 's Hage praktiseerde, gelijk van '88 tot '93 ook
Kinker deed, - geregeld met hem in
briefwisseling; òf zonden hem - zooals
Hoffham, die in Duitschland woonde - hunne
gedichten uit de verte toe.
| | | |
Op het tijdstip dat wij hem bezoeken, is Uylenbroek
reeds zevenenvijftig jaren oud. Keurig op zijne kleeding, wordt men daarin het
meest getroffen door zekeren langen grijslakenschen poederjas. De uitdrukking
van zijn gelaat is gedistingeerd, in den zin der achttiende eeuw, en men
beweert dat weinigen op het tooneel beter dan hij den persoon van Lodewijk XV
zouden hebben voorgesteld. Als dichter - een dichter van den tweeden rang -
heeft hij vooral voor den schouwburg gewerkt; en er bestaan van hem niet minder
dan vierentwintig treur-, tooneel- en blijspelen, sommige oorspronkelijk, de
meesten uit het fransch vertaald. Onder zijne epigrammen is er een waarvan
Bilderdijk gezegd heeft: ‘Ik weet op idee noch versifikatie zelfs het
minst niet te vitten.’ En ik noem hier met opzet Bilderdijk's naam, omdat
diens brieven aan Uylenbroek - waarvan een vijftigtal zijn gedrukt en
uitgegeven - niet alleen bewijzen dat deze dichterlijke boekverkooper een man
van een vertrouwd karakter was, maar dat een tijdgenoot als Bilderdijk ook
waarde hechtte aan zijne kritiek. In de laatste dier brieven - uit Brunswijk,
1803 - schrijft Bilderdijk hem: ‘Gij weet welk een prijs ik altijd op uw
oordeel gesteld heb.’ Dit deden ook alle straksgenoemde dichters zonder
onderscheid, waarbij ik ook nog Tollens had kunnen voegen, die in een
onuitgegeven lierzang van '98 - Tollens was toen achttien jaren oud - in zeer
gebrekkige verzen Uylenbroek's lof, en inzonderheid dien van zijne
tooneelpoëzie, heeft gezongen.
Doch laat mij u uit Bilderdijk's brieven één staaltje
moge mededeelen van het vertrouwen dat hij in Uylenbroek stelde. Ik bedoel niet
die twee sombere brieven van Februarij en Maart '95, waarin Bilderdijk
verklaart dat de omwenteling hem ƒ 34,000 heeft gekost, en hij zich aan
Uylenbroek aanbeveelt voor vertaalwerk. Evenmin bedoel ik dien vroolijken brief
van '81 uit Leijden, waarin Bilderdijk - toen nog student - Uylenbroek's hulp
verlangt bij de zamenstelling van een versje, dat niet van hemzelf mogt komen
en bestemd was voor eene Leydsche jonge dame, ‘om wier wille’ - dus
schrijft hij aan Uylenbroek - ‘ik reeds in duel geweest | | | | ben
en thans een proces heb.’ Doch ik heb vooral het oog op dien straks
genoemden brief van 1803, uit Brunswijk waarin Bilderdijk zich ook uitlaat over
zijn tweede huwlijk. ‘'t Kost mij,’ zegt hij daar, ‘een zaak
op te halen, die mij oneindig ter harte gegaan heeft. Maar ik moet u echter
melden, dat ik in Engeland, even vóór mijn vertrek aldaar
hertrouwd ben.’ Dus luidt de gedrukte brief, in Messcherts verzameling.
Doch in het manuscript leest men er dezen tusschenzin bij: ‘Na de begane
trouwloosheid van mijne eerste vrouw en de ontslaking van den huwelijksband,
die ons Hollandsen recht zoowel als de Apostel daarin stelt.’ Dat
Bilderdijk zijnen vriend met zulke drogredenen afscheept, bewijst zeker niet
dat hij in alle dingen een even hoogen dunk van Uylenbroek's doorzicht
koesterde, doch niettemin is, zoo ik mij niet bedrieg, onder alle zijne
vrienden Uylenbroek de eenige geweest aan wien hij ooit over die teedere zaak
heeft geschreven.
Vreest intusschen niet, dat ik omtrent alle gasten die Uylenbroek op
den bewusten namiddag bij zich aan huis wachtende was, even uitvoerig zal zijn
als omtrent den gastheer. Gelieft alleen acht te geven op de gelukkige
schakeering van maatschappelijke toestanden, wier middenpunt onze boekhandelaar
en diens zijkamer is. Die stoelen - ze zullen zoo aanstonds bezet worden door
mannen die elkander welligt op geen andere plaats zullen ontmoeten als hier. De
advokaat Kinker, onafhankelijk zonder rijk te zijn, zal plaats nemen naastFokke Simonsz., den armen drommel met de ondeugende
vrouw;Abraham Louis Barbaz, het boekhoudertje, zal
komen te zitten naast Mr. Abraham Vereul, den jongen
chef van het niet onvermogend west-indisch handelshuis; en alleen tusschen
Loots en Helmers, de twee zwagers, beide tot den deftigen handel- en
burgerstand behoorend, en ook als zoodanig toongevers in de damesvergaderingen
van Felix - waar zij hunne verzen voordragen - heerscht overeenkomst van stand
in de maatschappij en van dagelijkschen arbeid. Doch laat mij u ook iets van de
werkzaamheid dier onderscheiden schrijvers en dichters zeggen, want sommigen
onder hen staan nog eerst aan het begin hunner loopbaan, en wij moeten
| | | | zorg dragen dat onze voorstelling van hetgeen zij later werden,
zich niet verwarre met hetgeen zij thans eerst aanvangen te zijn.
Wat Kinker aangaat, hij heeft, sedert zijn vertrek uit Amsterdam
naar 's Hage, in '88 een einde gemaakt aan dien ondeugenden Post van
den Helicon, waarin hij aan Feith het
vuur zoo nabij aan de schenen lei. Doch kort na zijn terugkomst te Amsterdam in
'93 is hij alweder aan een ander weekblaadje - de Arke Noachs -
begonnen. Evenals de Kleine Dichterlijke Handschriften, zoo was ook de
Arke Noachs het werk van een niet zeer uitgebreiden amsterdamschen
vriendenkring; waartoe ook Helmers en anderen behoorden, doch waarvan Kinker en
Anton Reinhard Falck de ziel waren. De
Arke Noachs heeft gelijk de Post van den Helikon slechts
één jaar geleefd; zij werd toen voor een korte poos vervangen
door
Sem, Cham en Jafet , bijna geheel en al
het werk van Kinker-alleen. Althans Falck had toen reeds in gezelschap van den
franschen officier of ambtenaar die in den winter van '95 bij zijnen vader
gehuisvest was, dien zekeren tocht naar Parijs ondernomen, waarvan hij drie
maanden later terugkwam, zoo volkomen genezen van republiek en
republikeinendom, dat hij zich na dien tijd, tot aan 1813, nooit met onze
openbare zaken bemoeid, en altoos tot de partij der anti-gemeenebestgezinde
reactie heeft behoord.
Wat zal ik u zeggen van
Loots en
Helmers? Vergenoegen wij ons met kennis te
nemen van Bilderdijk's oordeel over hen, uit dezen tijd. ‘Uw kunstvriend
Helmers,’ schreef Bilderdijk in het jaar '90 aan Uylenbroek, ‘wiens
dichterlijk genie alle aanmoediging verdient, heeft een recht op mijn
dankzegging voor zijn Socrates; wees zoo goed, hem van mijn dankbaarheid
en achting te verzekeren, en - meent ge dat het hem genoegen zal doen - voeg er
gerust bij dat ik veel, zeer veel schoons in zijn werk vinde, dat hij den
regten smaak heeft, en dien toch behoude!’ En in een brief van '91 aan
denzelfden: ‘Ik heb het vierde stukje’ - der Dichterlijke
Handschriften - ‘met genoegen gelezen; vooral 't dichtstuk de
Onbestendigheid van den heer Helmers daarin - wien ge deswegens vrij een
compliment van mij maken moogt - en ook | | | |
de Storm van
Loots. En twee zulke stukken zijn genoeg om een bundeltje als dit te
soutineren.’ - Doch ik moet u waarschuwen dat indien wij dien
Storm van Loots, dien Socrates van Helmers - door Witsen Geysbeek in 1815 ten tweede male in het licht
gezonden - thans gingen lezen, ons oordeel zich in dat van Bilderdijk
moeijelijk zou kunnen vinden, om reden dat Bilderdijk's smaak - gelijk ook
zijne lofspraken op Uylenbroek's verzen somtijds getuigen - toen nog niet vast
genoeg was om in allen deele als rigtsnoer voor de nakomelingschap te kunnen
dienen.
Doch laat ons daarom geene geringe denkbeelden koesteren van Loots
of Helmers. Zij waren inmiddels vier jaren ouder geworden - Loots dertig,
Helmers zevenentwintig - en voor de toekomst beloofden zij werkelijk veel.
Abraham Vereul, die nog pas even vijfentwintig jaren telt, staat in
dezen kring bekend als een hartstogtelijk bewonderaar van Bellamy, te wiens
eere hij in het jaar '90 eene zeer opgewonden lofrede uitsprak en liet drukken.
Hij is een West-Indier van geboorte, op zevenjarigen leeftijd hier in het land
gekomen, en welligt dat de herinnering aan de savanna's, gevoegd bij zijne
jonge jaren, oorzaak is van eene bloemrijkheid en weelderigheid en
hartstogtelijkheid die niet altoos als sieraden van zijnen stijl kunnen worden
aangemerkt. Hoewel alle personen in dezen kring tot de partij der patriotten
behooren, en Kinker daaronder ongetwijfeld de scherpzinnigste is, is Vereul
zeker de warmste.
Schenkt, bid ik u, voor eenige oogenblikken uwe aandacht aan Fokke
Simonsz, dezen kleinen onzindelijken man van veertig jaren. Aan de ernstige en
droefgeestige trekken van zijn gelaat zou men niet ligt den letterkundigen
grappenmaker herkennen, die, met zijne huisbakken geestigheden, met zijn
plat-amsterdamsch accent, twintig jaren lang, als spreker in Felix of op het
Nut, de zeer luidruchtige maar ook tevens eenigszins logge hilariteit van zijn
publiek wist gaande te maken. En toch is hij wel degelijk dezelfde man.
Dikwijls, in later tijd, te arm om papier en pennen te koopen tot zamenstelling
zijner komische vertoogen, onder duizend ongelukken gebukt, einde- | | | | lijk,
onder het Keizerrijk, door de fransche politie gearresteerd en op
water en brood gezet, is hij het niettemin die, als de clown van Dickens,
ontelbare malen des avonds, de lever heeft doen schudden van lieden die, in den
loop van den dag voordeeliger zaken gedaan en beter gedineerd hadden dan hij. -
In zijn Moderne Helikon - het eenige van Fokke's humoristische
geschriften dat van vóór '95 dagteekent-laat hij zich door Apollo
in den droom een klein fleschje met attisch zout vertoonen, dat ergens op eene
plank in een hoekje staat. ‘Daarboven?’ vraagt hij aan den
dichtgod, ‘dat fleschje waar al die stof op ligt?’
‘Ja,’ antwoordt Apollo; ‘we hebben het zoo zelden noodig dat
we er niet aan denken om het schoon te maken, en ik heb niet graag dat de
meiden er aan komen; ik ben altijd bang dat zij het breken zullen. Ik moet het
ook zeer zorgvuldig gesloten houden; en nog is het wel tot op de helft
vervlogen. Eerst placht Thalia het te bewaren, maar sedert dat ze grof zout
begon te gebruiken, heb ik het maar in bewaring genomen.’ Dus laat Fokke
den modernen Febus redeneren; doch hij bemerkt niet - en ziedaar zijn
hoofdgebrek - dat deze redenatie-zelve, in stede van met attisch,
allernadrukkelijkst met grof zout besprenkeld is. En zoo is het met al zijne
komische vertoogen; in sommige andere nog veel bepaalder dan hier, want de
Moderne Helikon - de eersteling van zijn humor - is op ver na de minste
der broederen niet. Fokke was ‘boertig’ - een woord dat in de wieg
schijnt gelegd om te rijmen op ‘ploertig’; doch men heeft hem te
menigmaal voor niet meer dan een litterarischen Bamberg aangezien. Hij was niet
slechts een polygraaf in den zin van Sjaalman - al schonkt gij mij tien minuten
extra, ik zou u de volledige lijst zijner geschriften niet kunnen opnoemen -
hij was ook een polyhistor. Hij wist, zegt men, onnoemelijk veel, en had zich
in de jaren van zijn boekverkooper- en uitgeverschap - van '82, geloof ik, tot
'94 - eene zeer merkwaardige hoeveelheid kundigheden eigen gemaakt. Doch
vergelijk hem te dezen aanzien niet met Bilderdijk. Er bestaat een
geloofwaardig lijstje van vijfendertig hoofd- en bijvakken waarin Bilderdijk,
tijdens zijne bruns- | | | | wijksche ballingschap, bereid was onderwijs te
geven en voor een deel werkelijk gaf, vijfendertig die zich laten herleiden tot
de vijf faculteiten van ons hooger onderwijs met de zijtakken die daaraan vast
zijn. Ook Fokke Simonsz. zou, met eenige inspanning, tot iets dergelijks in
staat zijn geweest. Doch hij miste gansch en al dien genialen blik die
Bilderdijk onderscheidde en waardoor deze werkelijk diensten aan de wetenschap
bewees; ook dan nog wanneer zijne zaakkennis te kort schoot. Hiernaar zal men
in de geschriften van Fokke Simonsz. vruchteloos zoeken. Er is geest in, maar
beötische geest. Er is wetenschap in, maar zelden of nooit uit de eerste
hand. Er is wijsgeerig nadenken in; doch zonder dat men bij hem de sfeer dier
plattelandswijsbegeerte, die in groote steden zoo weinig geeft, ergens met
nadruk te boven komt. Evenwel verdient hij onze sympathie: want hij was arm en
ongelukkig; onze hoogachting: want hij was rein van wandel; onze navolging:
want hij heeft met noeste vlijt al zijne levensdagen besteed aan het verzamelen
van kennis. Laat ons hem bovendien gelukwenschen met de aanstaande omwenteling
van '95: zij zal hem een postje bezorgen aan de stedelijke secretarie.
Eindelijk de reden dat ik u Abraham Louis Barbaz voorstel - met
Vereul den jongsten, met Fokke Simonsz., den armsten en burgelijksten van het
gezelschap - is niet dat hij lid van de Wale Kerk of een bij uitnemendheid
veelbelovend dichter is. ‘De Barbassen,’ zoo schreef in 1809
Helmers aan
Tollens, ‘kunnen hunne eeuwige
rijmen voortzetten, niemand wil ze meer voor dichters erkennen.’ Ik
geloof dat de dichterlijke roeping van Barbaz reeds in 1794 - vijftien jaren
voor de zaak aan Helmers openbaar werd - kwestieus mogt heeten. Ook was van
zijne productiviteit in later jaren nog weinig te bespeuren, op het oogenblik
waarvan wij spreken. Een dichtstuk op den vrede, eenige fabelen geplaatst in de
Handschriften, een paar uit het Fransch vertaalde treurspelen en
één oorspronkelijk blijspel: meer heeft hij tot hiertoe niet
laten drukken. Zijn bloeitijd is eerst later gekomen, omstreeks 1806, toen hij
de tooneelkritiek beoefende en Amstels Schouwburg schreef, een
weekblaadje dat indertijd iederen Vrijdag of Zatur- | | | | dagmorgen
uitkwam en ijverig gelezen werd. Doch laat ons niet vergeten dat Barbaz
geruimen tijd de dichterlijke Mentor van Tollens is geweest, dat hij het was
die aan Tollens leerde hoe men in hollandsche verzen de hiaten moet vermijden -
eene bijzonderheid die in '98 aan dezen jongen dichter nog niet regt helder was
- en dat Nederland derhalve, voor zoover het de muze van Tollens waardeert, ook
aan Barbaz eenige verpligting heeft. Bovendien - want ook het oog wil iets
hebben - Barbaz verdient onze aandacht om de excentriciteit van zijn kostuum.
Dit is niet kostbaar! Kostbare kleederen zouden dezen armen poëet, die met
kantoorwerk bij twee of drie patroons zijn onderhoud verdiende, niet geleken
hebben. Doch zijn toilet is niettemin veelverwig; bestaande uit een korten
geelnankingschen broek, zwarte wollen kousen, gebloemd vest met uitpuilenden
jabot, en een olijfkleurigen rok. Voorwaar eene vreemde kleedij, en die bij
Uylenbroek's deftigen poederjas wonderlijk afsteekt.
Wie ontbraken aan dezen kring? In de allereerste plaats voorzeker
Bilderdijk; de ijverigste van allen in het ondersteunen der
Handschriften, en die met Kinker, in dichterlijke vaardigheid en talent,
ver boven de overigen uitstak. Doch ik wilde van andere, nog ongenoemde
afwezigen spreken; van een drie- of viertal gansch en al vergeten dichters, die
wel geen van allen op den voorgrond verdienen te staan, maar daarom toch in
eene beschouwing als de onze niet mogen worden overgeslagen.
Drie daarvan -
Antony van der Woordt,
Jan Willem van Sonsbeeck en
Pieter Johannes Heron - drie Zeeuwen, drie
vereerders en navolgers van
Bellamy, alle drie in den bloeijenden
leeftijd van naauwlijks vijf en twintig jaren gestorven, verdienen elk voor een
oogenblik onze aandacht. - Van Heron, den zoon van een middelburgsch
zilversmit, doch die in het Atheneum aldaar in de regten studeerde, bestaat
geen andere dichterlijke nalatenschap als eene kleine bundel getiteld
Letterkransje, waarvan de voorrede op 's dichters ziekbed - weldra zijn
sterfbed - geschreven werd. Dat sommige der in dien bundel bijeenverzamelde
stukjes ook in | | | | de Dichterlijke Handschriften voorkomen,
bewijst dat Heron in betrekking heeft gestaan tot Uylenbroek. - Van der Woordt
was op den dag waarvan wij spreken reeds sedert drie maanden overleden (vier en
twintig September '94,) en wel te Amsterdam-zelf, waar hij zich als jong
advokaat had nedergezet. Ook van hem bezit men niet meer dan een handvol
verzen, en wel uitsluitend rijmlooze, die eerst alleen voor zijne nagelaten
vrienden gedrukt en vele jaren daarna, tot tweemalen toe, voor het algemeen
zijn uitgegeven: door Witsen Geysbeek in 1829, door Wenckebach in 1843. -
Sonsbeeck eindelijk, die insgelijks in de regten studeerde en korte jaren na de
revolutie als secretaris van Middelburg overleed, heeft insgelijks
niet meer dan één klein bundeltje nagelaten; versjes die in '92
en '93 voor vrienden gedrukt, en eerst in 1818, verscheidene jaren na 's
dichters dood, publiek gemaakt werden.
De vierde der afwezigen,
Hoffham - Otto Christiaan Frederik - zou
als tegenhanger kunnen dienen van dien hollandschen officier,
1 onlangs overleden; en van wien ik de
vorige reis verhaalde dat hij met goed gevolg de duitsche poëzie beoefend
heeft. Hoffham verkeerde in het tegenovergesteld geval: hij was een Duitscher
van geboorte niet alleen, die eerst op zijn tiende jaar naar Holland kwam, maar
hij heeft, alles en alles, geen twintig jaren in ons vaderland gewoond. Ook was
hij geen officier, maar aandeelhouder in een Amsterdamsen koopmanshuis. Al
zijne hollandsche geschriften, zoo in proza en poëzie - ook hij behoorde
onder de ijverige medewerkers aan de Handschriften - zijn in
Duitschland zamengesteld, niet ver van Berlijn, waar hij in '78 een landgoed
kocht en in '99 overleed. Men kent van hem...
Doch neen - het verdriet u vast evenzeer als mij op deze wijze voort
te gaan. Wat wij van Hoffham, van Van der Woordt, van Heron, van Van Sonsbeeck
noodig hebben te weten, kunnen wij veel gemakkelijker vernemen uit den eigen
mond van hen die op dit oogenblik bij Uylenbroek verga- | | | | derd zijn.
Hun broodje is genuttigd, hun kopje koffij georberd, hunne pijpen zijn gestopt
- waarom zouden wij niet luisteren naar hunne gesprekken.
Uylenbroek wordt door Fokke Simonsz., die een warm patriot is,
aangevallen over zijne drukke briefwisseling met Bilderdijk, den
Oranje-advocaat. ‘Ja, Uylenspiegeltje,’ zegt Fokke - en gij bemerkt
reeds aanstonds aan dezen bijnaam dat Fokke's geestigheden niet altoos van de
fijnste soort zijn - ‘je moogt zeggen wat je wilt, die correspondentie is
niet pluis.’ - ‘Op mijn woord,’ antwoordt de aangevallene,
‘ik heb nog nooit - en dit was waar - met Bilderdijk één
syllabe over politiek gewisseld; noch hij met mij. Ik ben zijn uitgever en hij
vraagt mij nu en dan mijn oordeel, dat is al.’ - ‘Die uitgevers,
die uitgevers,’ zegt Barbaz ‘zien ze kans om twee heeren te dienen,
dan laten ze 't niet na: den Oranje-klant en den Kees. Doch, wacht maar; de
Franschen, als ze komen, zullen u wel mores leeren.’ - ‘Hier aan
huis geen politiek,’ roept Kinker, die weinig op had met Barbaz en reeds
het plan had gevormd om van zeker treurspel, door Barbaz vertaald -
Ericia, of de Vestaalsche Maagd - eerlang eene parodie te
schrijven. ‘Ook zegge niemand kwaad van Bilderdijk; hij is een
onverbeterlijke Oranje-klant, maar van litteratuur en poëzie weet hij meer
af dan iemand onzer.’ - Dit meende Kinker destijds in opregtheid,
blijkens de opdracht van zijn drama de Graaf van Rots, waarin hij tot
Bilderdijk zegt, zich verontschuldigend over de gebreken van dit
tooneelstuk:
Dan gij - die meer naar 't zaad dan naar de vruchten ziet,
En die mij niet vergeefs de waarheid kunt doen hooren,
Vrees niet wanneer ik dwaal mij in mijn waan te storen.
U smeek ik 't ongeveinsd. Naar andren hoor ik niet.
‘Ondertusschen,’ zegt Uylenbroek, ‘al wordt hier
niet gepolitiseerd, de politiek is niettemin oorzaak dat mijne cantate op Prof.
Nieuwland, inplaats van gezongen op de muziek van Rulofs, dezen avond eenvoudig
door mij zal moeten worden voorgelezen.’ - ‘Dat is uw eigen
schuld,’ zegt Kinker. | | | | ‘Mijne Heeren van den Geregte
hebben groot gelijk gehad, toen zij die uitvoering interdiceerden. Felix
behoorde nooit iets anders te zijn als eene wetenschappelijke inrigting, tevens
aan de fraaie kunsten gewijd, doch gijlieden maakt er een politiek broeinest
van.’ - Loots, Helmers en Vereul, die met Felix dweepten en van deze
maatschappij geen kwaad wilden hooren, protesteerden tegen Kinker's uitval.
Doch zijne beschuldiging, die voor de onafhankelijkheid zijner inzigten pleitte
- ook in de politiek - was in het minst niet uit de lucht gegrepen. Felix was
werkelijk, in die dagen, een patriotten-club; de verzamelplaats van al de
beschaafdsten onder de amsterdamsche republikeinen. Getuige dat vrijheidsfeest,
kort na de omwenteling - den elfden Februarij '95 - in Felix gevierd; waarbij
Vereul een zeer idealistische redevoering uitsprak Over de gelijkheid der
Menschen, aan wier slot - als ware Felix Meritis eene soort van Staatsmacht
- zoowel de fransche Hoofdofficieren als de Provisionele Representanten van het
volk van Amsterdam, elk in hunne moedertaal, de eene in het fransch, de andere
in het hollandsch, door den redenaar deels werden bedankt voor hunnen magtigen
bijstand tot vestiging der nieuwe orde van zaken, deels aangemoedigd om met
ijver voort te gaan op den ingeslagen weg.
Doch Barbaz, die slechts van tijd tot tijd, evenals Fokke en nog
veel schoorvoetender dan deze, in het fatsoenlijke Felix werd getolereerd -
terwijl integendeel Helmers en Loots, toen en later, aldaar een eerste viool
speelden of, met de heeren dichters gesproken, de hoogste snaren tokkelden -
Barbaz sprak liever en hoorde liever over iets anders spreken. Hij vroeg daarom
aan Vereul, wat die foliant beduidde waarmede deze, bras dessus bras dessous -
Barbaz was van de Fransche gemeente - de kamer binnengekomen was. - Vereul werd
boos om de minachtende benaming van foliant; doch Uylenbroek, wiens uitspraak
als man van het vak werd ingeroepen, gaf Barbaz gelijk en verklaarde dat een
boekwerk van het formaat, als dat waarmede Vereul gewapend was, al is het nog
zoo dun, werkelijk in den boekhandel klein- | | | | folio wordt genoemd.
Doch de reden van Vereul's misnoegen school dieper. Hij had deze
Gedichten van Anthony van der Woordt - dus luidde den
titel - naauwelijks veertien dagen geleden van diens zuster ten geschenke
ontvangen; had Van der Woordt persoonlijk gekend, was evenals meer andere jonge
mannen van dien tijd - Simons, Wenckebach, Kantelaar - gefascineerd geworden
door Van der Woordt's persoonlijkheid; was nog pas drie maanden geleden
tegenwoordig geweest bij Van der Woordt's begrafenis; wist dat Van der Woordt
reeds op zijn zestiende jaar bevriend en in korrespondentie was geweest met
Bellamy, - en kon daarom moeijelijk verdragen dat er, hoe onschuldig dan ook,
om iets dat Van der Woordt betrof gelagchen werd. - Op
Kinker na, had geen der anderen den pas
gestorven dichter - die na zijne promotie te Leiden slechts twee
of drie jaren in groote afzondering te Amsterdam gewoond had - persoonlijk
gekend; en dus zou Vereul, ware Kinker niet tegenwoordig geweest, door den
gloed zijner welsprekendheid zonder moeite in Uylenbroek's kring de overtuiging
- of althans de meening - hebben gevestigd dat Van der Woordt's twintig of
vijfentwintig nagelaten gedichten werkelijk als even zoovele pronkjuweelen
moesten worden aangemerkt. Doch thans had hij te doen met iemand die meer
verstand en meer smaak had dan hij.
‘Neen,’ zei Kinker, nadat
Vereul geruimen tijd met zooveel vuur
overVan der Woordt had gesproken, dat
Helmers enLoots
zichzelven reeds beschuldigden een jeugdig genie miskend te hebben, ‘neen
Vereul, gij vergist u. Dat zijn geen fraaije verzen. Niet omdat ze niet rijmen;
want wie - om van Bellamy niet te spreken - wie
Van Alphen's kinderversjes gelezen heeft,
en wie zich herinnert van ‘Wij zaten laatst bij Saartje, onze oude goede
baker,’ weet dat het mogelijk is om nu en dan een rijmloos Hollandsch
vers te maken dat minstens even welluidend verdiend te heeten als de fraaist
rijmende van Bilderdijk. Bovendien,’ voegde hij er met een glimlach bij,
‘ik heb in mijne eigen Minderjarige Zangster - stormachtiger
gedachtenis - zelf aan de rijmlooze verzen druk meegedaan. Zoo ook Bilderdijk in zijne | | | |
Verlustiging, en
Hoffham in zijne Slaapdichten. Wanneer ik dus zeg dat aan Van der
Woordt's gedichten alle hoogere poëtische waarde ontbreekt, dan spreek ik
niet uit vooroordeel tegen den vorm.’ - Hierop kwam Vereul, in eerster
instantie, met een gansche schaar autoriteiten voor den dag: ‘Gij hebt,
niet waar? in uw studententijd te Utrecht, Jan Hinlópen gekend?’ -
‘Dat heb ik,’ zei Kinker, ‘en veel met hem op gehad
ook.’ - ‘Welnu, na de lezing van Van der Woordt's gedichten heeft
Hinlópen gezegd dat hij ze gelezen had met eene soort van heilige
verrukking; dat het hem speet tegelijk met Van der Woordt geleefd en hem niet
gekend te hebben; dat hij in lang bij eene poëtische lektuur zulk een
reinen wellust niet smaakte, en dat de nasmaak hem nog lang zou heugen. Het
zijn zijne eigen woorden’.
1 - Kinker
wachtte of er nog meer zou komen. Het kwam. - ‘Gij hebt
Kantelaar gekend’ - Kantelaar, die
predikant te Almelo was geweest, doch in '87 na de revolutie zijn
ontslag genomen had en zich te Amsterdam was komen vestigen, bleef daar tot '92
en vertrok toen naar Kampen - ‘welnu,’ ging Vereul
voort, ‘Kantelaar is hier te Amsterdam zeer bevriend geweest met Van der
Woordt; hij heeft na diens dood met Wenckebach over
hem gekorrespondeerd; heeft zijn oordeel over Van der Woordt's verzen aan
Wenckebach medegedeeld en hem geschreven: dat volgens hem het dichterlijk
gevoel in deze stukken niet genoeg kan geroemd worden, dat de denkbeelden waar,
grootsch en edel zijn, en dat er op eenige kleinigheden na, niet
één denkbeeld in gevonden wordt, dat aan eenige aanmerking
onderhevig zou zijn. Het zijn wederom zijne eigen woorden. En zulk een oordeel,
van iemand als Kantelaar, die redakteur is geweest van de
Vaderlandsche Bibliotheek, en die nu met
Feith de Bijdragen voor de
fraaije Kunsten en Wetenschappen uitgeeft, heeft in mijn oog groote
waarde.’ - Kinker meesmuilt bij het hooren van den naam van Feith; doch
geeft verder geene teekenen van leven. - ‘Gij kent
Adam Simons,’ gaat Mr. Abraham Vereul al pleitend voort, en gij kent dus
| | | | ook het vers dat hij op Van der Woordt gemaakt heeft:
Geweld en onrecht moest hem vreezen,
Gehard in foltering en pijn;
Bestemd om legerhoofd te wezen
En redder van een volk te zijn.
- ‘Dat vers van den jongen Simons is mij niet onbekend,’
antwoordt eindelijk Kinker, ‘en ik ken ook de
beide slotregels, van:
En Nederland moet altijd weten
Dat hij een held en dichter was.
‘Doch ik wil u eens wat zeggen: die held en dichter, met zijn
geniaal voorkomen en zijne zwaarmoedige Werther-stemming, heeft u, en Simons,
en Kantelaar, en Wenckebach, en zichzelven ook, bij den neus gehad. Geef mij
dat boek eens aan, dan zal ik u wijzen aan welke ziekte Van der Woordt
gestorven is,’ - Vereul geeft hem het boek en Kinker leest:
Ha! dat voor mij geen blijdschap op aarde zij:
Dat mijne gangen immer door distels zijn;
Zoo slechts wen nacht des doods mijn oog dekt,
Niet de gedachtnis mijns naams voorbij ga.
Neen, mijner vrienden sombere treurigheid
Zal mijner schim nog eens ten genoegen zijn:
O op mijn graf zal droefheid wonen:
Liederen zullen mijn naam bewaren.
‘Weet gij het nu?’ gaat Kinker voort. ‘Van der
Woordt is overleden aan de onsterfelijkheidsziekte. Dit mannetje verging van
eerzucht; en hij heeft rust noch duur gehad - om met Simons te spreken - of
Nederland moest altoos weten dat hij een held en dichter was. Doch hij was even
geschikt om legerhoofd te wezen of redder van een volk te zijn, als gij of ik.
Ik spreek niet tegen dat
Bellamy in '85 omtrent Van der Woordt
gunstige gedachten gekoesterd heeft. Doch wat heeft Bellamy hem geschreven? dat
hij nooit eene goede | | | | gedachte moest opofferen aan een rijmklank,
maar liever wachten tot hij het regte woord vond; dat de stukjes die hij
destijds maakte niet onaardig waren, maar dat hij zich moest toeleggen zuiver
Hollandsch te schrijven. Meer niet. En ik die Bellamy beter gekend heb dan gij,
Vereul, zeg u dat noch Van der Woordt, noch Heron, noch Van Sonsbeeck, ja zelfs
Hoffham niet, in éénen adem met hem verdienen genoemd te
worden.’ - ‘Spreek geen kwaad van Heron,’ zegt Uylenbroek;
‘ik heb pas twee versjes van hem ontvangen voor de Handschriften.
Het zijn wederom geen meesterstukken, maar ik vind ze toch regt eenvoudig en
natuurlijk; en indien Heron blijft leven zal hij een van onze beste dichters
worden. Het is een jongen vol aanleg en talent.’ - Hetgeen Uylenbroek
gehoopt had, namelijk eene afleiding te geven aan den stroom van Kinker's
kritiek, bleef uit.- ‘Aanleg en talent,’ zei Kinker, niet te vreden
dat hij Vereul in het vaarwater had gezeten, ‘aanleg en talent heeft
Sonsbeeck ook. Dat heeft hij verleden maand getoond, in de gehoorzaal te
Leiden, met zijne redevoering over
Nieuwland. Het is heel knap voor een
student, in acht dagen tijds zulk een stuk te maken, en nog knapper vind ik
David van Lennep, die binnen denzelfden
tijd met zijne latijnsche elegie gereed was. Doch men moest niet beweren dat
Sonsbeeck een dichter is.’ - ‘Men zegt toch,’ begon Vereul
alweder, ‘dat Sonsbeeck zich naar Bellamy heeft gevormd, en ik weet
positief dat hij bezig is uit Bellamy's brieven eene monografie over hem zamen
te stellen.’ - Vereul kon dit zeer goed weten, en de verzameling dier
brieven, door Sonsbeeck bijeengebragt, is nog altijd in wezen. -
‘Welnu,’ antwoordde Kinker, ‘ik zal probeeren u een versje op
te zeggen dat Sonsbeeck verleden jaar voor zijne ouders gemaakt heeft; dan kunt
gij zelf oordeelen:
Dierbre Vader! dierbre moeder!
Trouwe leidsters mijner jeugd!
Die mij vroeg de schoonheid leerdet
Van de wijsheid, van de deugd!
| | | |
Wijl gij de oorsprong van mijn leven,
En van mijne zangen zijt;
Zijn u deze kleine zangen
Opdat, zoo de wil des hemels,
Mij slechts weinig jaren gaf,
En in de eerste vaag mijns levens
Mij deed dalen in het graf;
Dit gezang nog zou getuigen,
Dat mijn hart steeds had gebrand
Voor den vrede, voor mijne ouders
En voor de eer van 't Vaderland.
De meesten hadden voor de gebreken van dit versje, en in het gemeen
van deze soort van poëzie, geene ooren. Vereul hield vol dat het een
stukje in den trant van Bellamy was, en herinnerde dat Sonsbeeck's bundeltje
beoordeeld moest worden naar te twee regels uit Bellamy, die er het motto van
uitmaakten. Helmers merkte niet op hoe onpoëtisch de tweede strofe met
wijl en de derde met opdat begon. Loots, ofschoon anders flink genoeg, gevoelde
niet dat ‘dalen in het graf’ de kiem van een straatliedje inhield.
1 Barbaz en Fokke hadden geen
oordeel. Uylenbroek kwam alweder voor den dag met: ‘Jamaar, het is toch
zoo eenvoudig en natuurlijk.’ Zoodat Kinker met zijne kritiek alleen
stond. Doch dit was meer dan hij verdragen kon.
‘Eenvoudig en natuurlijk,’ riep hij, ‘is alles
goed en wel. Doch om waarlijk kunsteloos te wezen, moet men juist een
kunstenaar zijn. Bellamy was dit; en hij mogt daarom zeggen:
Een ander ga mijn zang in trotscher kunst te boven,
Hij overtreft mij toch in ronde opregtheid niet.
Doch dit zijn van die dingen die men niet mag napraten | | | |
tot verontschuldiging van eigen onvermogen; en Sonsbeeck had geen regt om deze
twee regels van Bellamy tot motto te kiezen. Neen, dan zijn Hoffham en
Nieuwland een beteren weg uitgegaan.’ - ‘Pas op,’ viel Vereul
hem in de rede; ‘zeg niet te veel goeds van Nieuwland; anders komt gij in
tegenspraak met u zelven en zult uw vroeger oordeel moeten terugnemen.’ -
‘Dat zal ik niet,’ was het antwoord; ‘hetgeen ik vijf jaren
geleden van Nieuwland's verzen gezegd heb, zeg ik nog. Maar dit neemt niet weg
dat Nieuwland altoos een echt-dichterlijken aanleg heeft gehad.’ - Dit
zag op eene niet zeer malsche recensie van Nieuwland's gedichten in den altoos
onzachtmoedigen Post van den Helikon; van welk
tijdschrift Vereul, toen hij nog niet wist wie de redakteur was, eenmaal zeide:
‘Het wordt door de drie Furiën geschreven.... indien namelijk de
Furiën geest hebben.’ Doch wij mogen tot ons leedwezen niet langer
op deze wijze voortgaan. Wij laten dus de vrienden in Uylenbroek's woning den
namiddag verder op hunne wijze doorbrengen. Slechts trekken wij van Kinker's
laatste woorden voor ons oogmerk partij, en zullen trachten hetgeen hij van
Bellamy, van Hoffham, en inzonderheid van Nieuwland zeide, eenigszins nader te
adstruëren.
Wil men zich van Nieuwland's karakter, inzonderheid van het
beminnelijke daarin, eene juiste voorstelling vormen, zoo leze men niet de
redevoering van den amsterdamschen dokter Michell, den 2den December
'94 ter eere van Nieuwland gehouden in het genootschap Concordia et
Libertate. Vooreerst toch is die oratie zeer onbehagelijk van vorm en
stijl, inzonderheid op het gebied der oratorische beeldspraak. In plaats van
eenvoudig te zeggen: ‘De onverwachte tijding van Nieuwlands dood trof mij
zóó diep dat ik zelfs niet schreijen kon,’ zegt
Dr. Michell: ‘De tranen zelve, die
mijn beklemd hart lucht moesten geven, stremden in hare
afscheidingsbuizen.’ Doch wat erger is, door overmaat van bandeloozen lof
wordt
Nieuwland bij dezen redenaar eene
karikatuur. Hij noemt hem ‘eenen jongeling die misschien zijns gelijken,
maar nooit voortreffelijker evenbeeld op dezen aardbol gehad heeft; een kind
| | | | der Natuur, dat zelfs Rousseau met de
maatschappij zou verzoend hebben, en wiens beter in die maatschappij nooit
gebloeid heeft of ooit bloeijen zal.’ Meer naar het leven geteekend, en
veel treffender, schijnt mij dit gezegde van Abraham de Vries, die Nieuwland
persoonlijk gekend heeft en diens nagelaten gedichten uitgaf: ‘Hij wien
het geluk mogt te beurt vallen in den kring der natuurgenooten, met welke hij
hier op aarde in betrekking kwam, een wezen te ontmoeten en onder zijne
vrienden te tellen zóó voortreffelijk en zóó
beminnelijk als Nieuwland, zal niet ligt gevaar loopen ooit één
oogenblik te twijfelen aan den adel der menschheid of aan onze bestemming voor
een meer verheven bestaan.’ Indien er iets is dat ik aan Nieuwland
benijd, het zou allereerst dit zijn dat hij slechts behoefde te leven, en te
zijn die hij was, om zijne vrienden te bevestigen in hun geloof aan eene
hoogere wereldorde. - In den vijfden zang der Hollandsche
Natie spreekt Helmers den vroeggestorven Nieuwland aldus toe:
‘Pascal van Nederland! hoe zou ik u vergeten?’ Deze vergelijking is
in zoover juist dat beide, Nieuwland en
Pascal, reeds als knapen goede mathematici
waren. Doch overigens is er in den levenslustigen en blijmoedigen Nieuwland
niets hoegenaamd, of althans zeer weinig, dat aan den somberen Pascal
herinnert, gelijk aan den anderen kant de zoo aantrekkelijke diepte van Pascal,
den christen-wijsgeer, bij Nieuwland ten éénemale wordt gemist.
Over het gemeen dunkt mij dat Nieuwland veel grooter overeenkomst had met
Vauvenargues dan met Pascal.
Wat Nieuwland's dichterlijk genie betreft - ik zal de aanmerkingen,
door Kinker daaromtrent in zijn tijdschrift gemaakt, hier niet in den breede
herhalen. Wat Kinker van den Orion zegt: dat Nieuwland met dit vers
‘zijn beste brood voor 't venster’ heeft geplaatst, is in
zóóver waar dat na dit schoon gedicht, dat den bundel opent,
verder niets oorspronkelijks wordt aangetroffen dat er ook slechts in de verte
mede kan vergeleken worden. Van de beide slotregels, waarin de dichter aan
zijne Verbeelding gebiedt dat zij zich niet langer verdiepe in de beschouwing
van den ondoorgrondelijken starrenhemel:
| | | |
Verbeelding, daal! verlaat die heemlen,
Eer mijn geschapen geest bezwijkt!
van die regels zegt Kinker: ‘En daar zendt de dichter ons nu
mede naar huis.’ Wederom is deze grief in zóóver billijk
dat een gedicht op den sterrehemel niet eindigen kan met het denkbeeld
‘verbijstering’ zonder dat ook de lezer eindige met zelf eenigzins
verbijsterd te wezen. Dit is de reden dat
Van Alphen mij toeschijnt beter geslaagd
te zijn dan Nieuwland. Wanneer toch Van Alphen het laatste gedeelte zijner
beroemde Cantate aldus opent:
Zou 't Christendom zich niet verblijden
Wanneer zijn oog de starren ziet?
Daar staan de grenzen van het lijden:
De starbewoners weenen niet!
dan bevolkt hij zijne starren; dan komt er leven, menschelijk leven
in die ‘sterrenstelsels’ die bij Nieuwland niets anders doen als
‘weemlen.’ Zeker, het is zoo men wil een bewijs van groot vermogen
dat de starren ons het hoofd doen duizelen; maar indien zij niet tevens de
kracht bezitten ons gemoed te troosten, blijft die andere zegepraal toch altoos
een schrale triomf.
Er is in Nieuwland's Orion iets dat mij meer aantrekt dan het
vers als vers. Mag ik u vragen, kent gij de kinderversjes van
Jan Luyken? Herinnert gij u het eerste
daarvan, onder het opschrift Het kindje geboren?
't Onnoozel schaapje, zonder gal,
Dat zonder zijn begrip geboren,
Komt kijken in het Jammerdal,
Weet weinig wat hem staat beschoren.
Brengt hij der 't zieltje zalig af,
Zoo vaart hij met geluk in 't graf.
Dit versje, en evenzoo al de andere die te zamen het bundeltje
's Menschen Begin, Midden en Einde uitmaken,
kende Nieuwland reeds op zijn derde jaar van buiten. Welnu, vergelijk deze
borstbeklemmende levensbeschouwing van Jan Luyken, | | | | waarbij het
gansche rijke menschelijke leven zich oplost in de ééne kunst
‘van er het zieltje zalig af te brengen’ - eene opvatting die bijna
letterlijk met den paplepel aan Nieuwland werd ingegeven - vergelijk haar met
den even hoogen als vrijen blik dien hij in zijn Orion om zich
heenslaat, en gij zult de magtige vaart zijner ontwikkeling bewonderen; gij
zult hem in den geest geluk wenschen dat hij nog zoo in tijds uit Jan Luyken's
gevangenis werd verlost. - Niet dat Nieuwland reeds op zijn derde jaar zoovele
versjes van buiten kende, maar dat hij op zijn zesde, zevende, achtste jaar,
zelf zulke inderdaad verdienstelijke versjes maakte - dit is het wat steeds de
grootste verbazing wekken zal. Zijn Davids rouwklagt over Saul en
Jonathan, op achtjarigen leeftijd vervaardigd, is werkelijk een
fraai gedichtje:
O Jacob! hef een lijkzang aan!
Gij zaagt den roem uws volks vergaan,
Uwe eedle helden zijn verslagen....
Kinker had niet behooren te twijfelen, of dit versje wel wezenlijk
het werk was van een achtjarigen knaap. De meeste van Nieuwland's manuscripten
zijn nog altoos aanwezig; en wie wil kan zich met eigen oogen overtuigen dat
zij werkelijk met eene kinderhand geschreven zijn. Het vroegste dat mij onder
de oogen kwam, is een gedicht op den brand der Amsterdamsche komedie in Mei
'72: de jonge dichter was toen zeven en een half jaar oud, en het schrift is
dat van een in de kalligrafie nog zeer ongeoefenden knaap. - Doch Nieuwland
heeft ook andere en betere verzen gemaakt. Daaronder staan vooraan zijne
vertalingen uit het Grieksch en Latijn; waartoe ook dat overschoone
Duifje van Anakreon behoort, dat in alle bloemlezingen van hollandsche
poëzie te vinden is. Minder bekend zijn de volgende zeven regels uit
Virgilius; eene vergelijking aan het leven
der paarden ontleend, tot kenschetsing der geestdrift waarmede Turnus den lang
begeerden strijd aanvaardde:
Dus rent een moedig ros, den muffen stal ontvlugt,
Nu eindlijk los en vrij, in de open frissche lucht
| | | |
Ter ruime weiden in, daar 't paarden zaam ziet
scholen;
Of naar een stroom, daar 't vaak, vermoeid van om te dolen,
Te wedde pleeg te gaan, hij heeten zomertijd,
En steekt het hoofd omhoog, en hinnikt wijd en zijd,
En schudt, van hals en nek, de dartelende manen.
Dit is meesterlijk vertaald. En ik doe u bij dezen opmerken, welk
een niet minder meesterlijk gebruik
Bilderdijk, aan het slot zijner Zucht
naar het Vaderland - waarmede hij den Hemel bedoelt, - van deze zelfde
vergelijking gemaakt heeft, haar toepassend op onze blijde verwachting eener
betere wereld aan gene zijde van het graf:
Vrolijk juicht het moede ros,
Als het van zijn handen los,
Zaâl en akkerspan ontheven,
Bij het zinken van den dag
Vrij zijn leden rekken mag
o Dan schudt het hals en lijf
Van den harden arbeid stijf;
Springt en huppelt, speelt en dartelt;
Wentelt door het malsche kruid;
Hinnikt het genoegen uit,
Dat geheel zijn borst doorspartelt.
Op dit laatste woord na - ‘doorspartelt’ in den zin van
‘doortintelt’ - wint Bilderdijk het in zangerigheid van Nieuwland.
Doch ook Nieuwland's vertaling dunkt mij bijzonder welgeslaagd; en het komt mij
voor dat Nieuwland, op dit gebied der overzetting uit het Grieksch en het
Latijn, buitengewoon gelukkig is geweest. - Doch gedenken wij ook met liefde
aan zijne meer intieme poëzie, aan die vrolijke gedichtjes van hem ter
eere van zijn meisje - De Droom, Nieuwjaarsgift aan den
nachtwacht, en aan dat schoone rouwvers vol edele tranen:
Ter gedachtenis van mijne echtgenoote. Tevens vraag ik
bij deze gelegenheid verlof eene opmerking en eene vergelijking te mogen maken.
Er zijn namelijk, zoo | | | | schijnt mij, zeer schoone verzen wier
dichterlijke waarde toch eigenlijk alleen hierin gelegen is, dat zij in
welsprekende bewoordingen - te welsprekender omdat zij gesteund worden door
maat en rijm - zekeren algemeen-menschelijken gemoedstoestand uitdrukken.
Daaronder behoort Borger's gedicht Aan mijn kind, en
evenzoo Nieuwland's vers Ter gedachtenis van mijne
echtgenoote. Ik kan mij niets welsprekenders, niets aandoenlijkers
denken dan de laatste van deze vier regels:
Wie Nieuwland's naam, na menig vlugtig jaar,
Herdenkt of hoort, zal dit ook tevens weten:
‘Hij werd bemind door Anna Pruyssenaar,
Verloor haar vroeg, en heeft haar nooit vergeten.’
Dit metrum, en deze manier van zeggen, hebben
Borger naderhand zoo kennelijk
geïnspireerd, dat zijn straks genoemd vers, dunkt mij, eene soort van
navolging van Nieuwland heeten moet. Doch om tot de zaak te komen: dat schoone
gedicht van Nieuwland aan zijne vroeg gestorven vrouw behoort niet tot de
eigenlijk gezegde orde der poëzie, en wel daarom niet, omdat de indirecte
opvatting der dingen tevens de alleen poëtische, en Nieuwland's dichtstuk
daarentegen niet meer is dan eene louter subjectieve uitboezeming. En ten einde
dit beweren zoo goed mogelijk te vertolken, zal ik mijne meening door een wel
is waar gebrekkig voorbeeld duidelijk trachten te maken.
Herhaaldelijk noemde ik dezen avond den naam van
Hoffham, een dichter en schrijver van
middelbare doch deugdelijke grootte. Hoffham was eensdeels comicus; en het
beste wat hij op dit gebied geleverd heeft, is een blijspel, waarin hij de
liefhebberij-tooneelen van zijnen tijd niet onaardig, maar wel wat ruw,
persifleert. De titel luidt: Al stond er de galg op! of de verijdelde
tooneelcomparitie. Voorts maakte hij goede epigrammen, waarvan ik
er in het voorbijgaan, niet omdat het zoo fraai, maar vooral omdat het zoo kort
is, een zal aanhalen:
| | | |
aan n.n. op zijn treurspel.
Indien ge uw treurspel bij den thermometer houdt:
(1ste Bedrijf - 2e Bedrijf - 3e
Bedrijf - 4e Bedrijf - 5e Bedrijf.)
De held is koel - wordt warm - wordt heet - wordt lauw - is koud.
Doch de merkwaardigste zijde van Hoffham's talent dunkt mij zijne
bedrevenheid in het mystificeren. Lees zijn gedicht Aan
Niemand, zijn kluchtspel De Broek - eene
parodie van den mythe van het Gulden Vlies , bestemd om te dienen als
voorspel bij de tragedie van Medea - lees inzonderheid
zijn prozawerk Proeve eener Theorie der Nederduitsche Poëzij
, en gij zult weldra bemerken, dat de schrijver u beet heeft; maar beet
met smaak en gratie. Zeer amusant is eene recensie van deze Proeve in
den Kunst- en Letterbode van het jaar '91. De schrijver
dier aankondiging weet kennelijk niet hoe hij het met Hoffham heeft.
‘Indien wij bij gissing iets durven opgeven,’ dus besluit hij,
‘komt het ons nog waarschijnlijkst voor dat het bijzonder oogmerk van dit
boek geweest is: een hekelschrift op het gros onzer Rijmelaars en
Prulledichters, onder eene ironische voorstelling of aanprijzing van hetgeen
men, volgens het beloop hunner broddelstukken, voor poëzie zou moeten
houden.’Arme Hoffham! - waarlijk, zijn boek was veel te aardig, om door
zulk een botten criticus begrepen te worden. Doch laat ons hopen dat hij bij al
zijnen geest ook dien bezat, die noodig is om zonder boos humeur de
onbevattelijkheid van een recensent te verdragen.
Het bundeltje verzen van hem dat ik thans inzonderheid op het oog
heb, is het zelfde waarvan wij Kinker zooeven hoorden spreken: de
Slaapdichten. In den Poëtischen
Spectator heeft Bellamy van dit bundeltje eene kritiek geleverd die
ik niet prijzen zal. Niet omdat zij naar mijn oordeel niet gunstig genoeg is -
want ik behoef u niet te zeggen dat eene verzameling van tweeëndertig
gedichtjes op hetzelfde onderwerp ‘de slaap’, van tweeëndertig
versjes ter eere van Hypnus, menschelijker wijze noodwendig voor een deel uit
kleiner of grooter prulletjes bestaan moet. Doch ik keur in Bellamy af, dat hij
niet, prijzend en lakend, met juister blik en vaster hand heeft aangewezen,
| | | | welke stukjes in deze kleine collectie waarlijk deugen, welke
niet. Ik zal u met geen dorre inhoudsopgave van den bundel lastig vallen, maar
aanstonds eene keuze doen van twee stukjes waarvan ik hoop dat zij ook door u
dienstig zullen bevonden worden voor ons oogmerk.
mahomet.
- anekdote -
Hoe groot, o Mahomet, zijt ge in mijne oogen,
Door de eedle daad, voorwaar te min bekend;
Daar gij, verpligt om tempelwaarts te treden,
Terwijl uw kat op uwen mantel sliep,
De breede mouw, waarop zij vrolijk rustte,
Veel liever van den purpren mantel sneedt,
Dan in zijn sluimren 't zoete dier te storen!
Gezochte en eindelijk verkregen rust
Aan 't rustend voorwerp gul te doen genieten,
Haar te beveilgen, en met eigen schaê
Haar te verlengen; o dit is een offer
Waarvoor de hoogste deugd slechts vatbaar is!
1
praktikale filosofie.
Parmenides ontkende de beweging:
Diogenes, om hem te wederleggen,
Sprak niet één woord, maar rees van zijnen
zetel,
En wandelde slechts voor hem heen en weder.
Doch filosoof Diogenes, op zijn beurt,
Verviel in dwaling tot het andere uiterst',
En loogchende de rust: wat grooter dwaling!
Zoo hij nog leefde, mij de rust ontkende,
Ook ik zou zwijgend zijn systeem weerleggen:
Ik zou alleenlijk voor zijne oogen slapen.
2
| | | |
Dat deze versjes uit de school van Bellamy afkomstig
zijn, behoeft geene nadere aanwijzing. Al had
Hoffham zelf niet ergens in zijne
Slaapdichten gezegd: ‘Wanneer ik in
Zelandus, Mijn liev'ling zit te
lezen,’ wij zouden ook zonder dat den Utrechtschen toon aanstonds
herkennen. Doch hetgeen ik u hoofdzakelijk wilde doen opmerken is, dat terwijl
Nieuwland's vers Ter gedachtenis van mijne echtgenoote eenvoudig tot de
klasse der uitboezemingen behoort, gelijk ook zijn Orion meer eene
astronomische beschouwing dan een dichterlijk kunstwerk verdient te heeten,
Hoffham daarentegen, omdat hij eene - zoo men wil - onbeduidende gedachte - de
lof van den slaap - heeft weten te objectiveren, van ter zijde aan te grijpen,
in een lijstje te zetten, en in één woord te brengen onder een
vorm waarmede zijne persoonlijkheid alleen in zóóver te maken had
als hij zelf dit wilde, zich meer kunstenaar en daardoor beter dichter getoond
heeft. Gelijk trouwens Nieuwland zelf doet, in die twee gedichtjes aan zijn
meisje die ik reeds in het voorbijgaan genoemd heb: de
Droom en Nieuwjaarsgift aan den Nachtwacht.
Het zou mij geene moeite kosten u aan te toonen dat en waarom, te zamen met een
zeker aantal uitmuntende vertalingen, deze twee versjes - uit het oogpunt der
dichterlijke kunst - de twee beste zijn die Nieuwland ooit gemaakt heeft. Doch
aangezien ze beide tot het gebied der zoogenaamde erotische poëzie
behooren, zeg ik te dezer gelegenheid liever iets algemeens over de wijze
waarop dit genre beoefend is geworden eenerzijds doorNieuwland en
Bellamy, anderzijds doorBilderdijk en
Kinker.
Aan Bilderdijk's minnedichtjes ontbreekt een trek waardoor Kinker
uitmunt: de vrolijkheid, de juichende glimlach. Daarentegen wint Bilderdijk het
van Kinker ten aanzien der versificatie. Beiden beoefenden dit genre vaak in
rijmlooze verzen, doch terwijl Kinker daarin bij Bellamy achter staat, worden
die van Bilderdijk nauwlijks door de beste metrische verzen van
Goethe - bijvoorbeeld diens
Römische Elegien - overtroffen. Overigens zijn èn
Bilderdijk èn Kinker hartstogtelijk, dartel, en in den onbetamelijken
zin des woords ‘voluptueus.’ Bilderdijk schreef aan Uylenbroek
omtrent Kinker's Minderjarige
| | | |
Zangster: ‘Dat
meisje wordt mondig en zal mettertijd meêpraten.’ In geheel anderen
zin dan Bilderdijk hiermede bedoelde, zou ik meenen dat Kinker's
‘meisje’ niet noodig had mondig te worden en dat hare inspiraties
meestentijds eene zeer bedenkelijke meerderjarigheid verraden. Doch Kinker zou
met hetzelfde regt van Bilderdijk's verzen ter eere der Ingetogenheid
hebben kunnen zeggen: ‘Toon mij uw geloof uit uwe werken.’
Daarentegen hebben Bellamy en Nieuwland dit met elkander gemeen dat
zij volmaakt onschuldig zijn. Een der zeer weinige niet aanstootelijke versjes
in Kinker's Minderjarige Zangster - hetzelfde waarop Bilderdijk een
weerklank schreef - is eene navolging van Bellamy. Nieuwland is Bellamy in
zoover vooruit dat men bij hem die hinderlijke, bijna zeide ik die
afschuwelijke namen van Damon en Fillis niet vindt. Hij noemt zijn meisje
eenvoudig bij haren doopnaam; ofschoon het jammer is dat bij het diminutief van
dien naam de klemtoon op de middelste lettergreep komt te vallen; zooals in het
versje van den Nachtwacht:
Nachtwacht! gij, die Amstels straten
Veilig houdt van roof en moord;
Doch uw zingen wel moogt laten,
Daar ge Annaatjes rust meê stoort;
'k Weet wel wat de wensch beteekent
Dien gij ons op heden biedt:
Vriend! ik heb 't al uitgerekend,
't Is om 't fooitjen, anders niet.
Bellamy heeft het gebrek dat hij zijn meisje te dikwijls en te lang
achter elkander kust. Dit doet Nieuwland niet; doch wanneer deze, in de rol van
nog onverhoord minnaar, aan zijne schoone zegt:
Ik geef nogtans de hoop niet op,
Door tranen 't steenen hart te breken:
Men ziet wel door een waterdrop,
Die telkens valt, een kei doorweeken;
| | | |
dan weet ik niet of hier de scherts niet ontaard is in
iets dat naar onbeleefdheid zweemt. Nieuwland is breedsprakig: de versjes
waarover ik handel zijn elk meer dan veertig vierregelige strofen lang. Het
zijn echte schilderijtjes, doch de lijst is te breed voor het doek. Bellamy is
meestal spoedig gereed: in twee of drie sprongen heeft hij zijne gedachte
ingehaald en voor gij het vermoedt staat zij afgedrukt in uwe ziel. Bellamy's
trant heeft iets vreemds, iets fantastisch, die van Nieuwland is zoo nationaal
mogelijk. Nieuwland's erotische muze gelijkt een Noord-Hollandsch landmeisje,
frisch van kleur en in het minst niet gepinceerd. Die van Bellamy herinnert aan
de bevallige vrouwenkopjes van Greuze, zijnen tijdgenoot. Nieuwland's versjes
zijn somtijds niet meer dan rijmpjes, gelijk jonge vriendinnen ze elkander op
Sint-Nikolaas-avond toezenden. Die van Bellamy zijn in den regel overdacht en
hebben een vorm. Nieuwland's ader is weldra uitgeput: zijne verbeelding is
spoedig aan een eind. Daarentegen weet Bellamy dezelfde gedachte, tot drie- of
viermalen toe, onder eene nieuwe gedaante te brengen en den lezer niettemin te
verrassen. Kortom, hetgeen Bilderdijk aangaande Bellamy aan
Uylenbroek schrijft: ‘Bellamy had
een goeden trant van versificatie voor dit soort van dichtstukjes,’
ditzelfde, indien men namelijk onder ‘een goeden trant’ den
hoogsten trap van volkomenheid in eenig genre verstaat, dit zelfde zou ik, in
Bilderdijk's geest, van Nieuwland niet kunnen zeggen.
In eene door hem gehouden redevoering Over de betrekkelijke
waarde der verschillende takken van menschelijke kennis en kunst - want tot
zijne letterkundige nalatenschap behooren ook een vier- of vijftal diergelijke
redevoeringen of verhandelingen - heeft Nieuwland enkele zijner denkbeelden
over poëzie deels aangestipt, deels ontwikkeld. ‘De ondervinding van
alle tijden en van alle volken schijnt te leeren,’ zoo zegt hij daar,
‘dat de dichtkunde, of liever de dichterlijke genie, bij geene natie
langer dan gedurende zeker bepaald tijdperk in eenen hoogen graad gebloeid
heeft; en wel meest in dat tijdperk toen de natie uit eenen natuurlijken of
toevalligen staat van ruwheid tot eenen meer beschaafden | | | | over
gegaan, doch echter nog niet tot het toppunt van cultuur geklommen was. Voor
natiën, die reeds den hoogsten trap van beschaafdheid bereikt hebben,
blijft niet veel overig dan de schatten die zij bezitten te beschouwen en te
genieten.’ - Er is, vertrouw ik, niemand, die niet aanstonds gevoelt hoe
groot de begripsverwarring is waartoe Nieuwland hier vervalt, en ik behoef
zijne ketterijen niet afzonderlijk te wederleggen. Mogen de schimmen van
Schiller en
Goethe, van
mevrouw De Staël en Chateaubriand en
Bernardin de Saint-Pierre, de schimmen van
Byron en
Moore, de schim van
Walter Scott, de schim van
Bilderdijk, ze hem vergeven! Doch wij
begrijpen thans, hoe Nieuwland de Voorrede van den eenigen dichtbundel die door
hemzelf werd uitgegeven op deze wijze besluiten kon: ‘Ik biede dus mijnen
kleinen bundel, die voorzeker nimmer door een tweeden gevolgd zal worden, den
kundigen beminnaren der dichtkunde aan; met deze ernstige bede dat zij eenige
toegevendheid willen gebruiken met de voortbrengselen mijner vroege jaren in
eene kunst die nimmer een gedeelte mijner hoofdbezigheden uitmaakte. Amsterdam,
20 Mei 1788.’ - Geruimen tijd heb ik moeite gehad mij voor te stellen hoe
iemand, reeds op zijn vierentwintigste jaar, zeggen kon: ‘Ik geef nu
eenige verzen uit, doch deze eerste bundel zal ook tevens de laatste
zijn;’ zeggen kon, ‘de beoefening der poëzie heeft nimmer
onder mijne hoofdbezigheden behoord.’ Is dan de poëzie eene
bezigheid? Kan een dichter van te voren zeggen, dat zijne muze voortaan niet
meer vaardig over hem zal worden? Weten wij niet van een dichter die zelfs na
vijfentwintig jaren weder ‘aanving de hand aan de cither te slaan’?
Doch wij vernemen het: voor Nieuwland had de poëzie geene toekomst als die
van ‘kunstige navolging:’ aandoeningen des gemoeds, door anderen
reeds naar waarheid afgemaald, met frissche verwen op nieuw te schilderen, vond
hij ‘moeijelijk’; en hoe gecompliceerder onze maatschappelijke
toestand wordt, meende hij, des te onvoordeeliger staan de kansen des dichters.
Vandaar niet onmogelijk - en met deze opmerking stappen wij van het onderwerp
af - vandaar dat Nieuwland zijn dichterlijk talent,
dat bovendien reeds niet zeer | | | | krachtig was, naderhand heeft laten
ondergaan in rijmende knipbriefjes en andere gelegenheidsversjes. Het schijnt
dat zijne jonge vrouw, door eene zeer verklaarbare, doch tevens niet
onberispelijke zucht, om met hem te schitteren, bovendien een verkeerden
invloed op zijn poëtischen aanleg heeft uitgeoefend. Althans, hij is ten
slotte een ‘gezelschapsdichter’ geworden; en had hij, in '92, dat
schoone vers Ter gedachtenis van mijne echtgenoot niet geschreven, hij
zou, na zijne vertalingen uit het grieksch en latijn, na zijne minnedichtjes,
na zijnen Orion, werkelijk niets meer hebben voortgebragt dat waardig
ware om tot een tweeden bundel te worden bijeenverzameld.
Hoe weinig plaats, niet waar? besloegen in het gesprek ten huize van
Uylenbroek, bij den aanvang door ons afgeluisterd, de staatkundige
omstandigheden van den dag! Geen woord bijna over de berigten uit het fransche
leger; schier niets waaruit men zou hebben opgemaakt dat eene omwenteling op
handen was. Doch was dit in zekeren zin niet natuurlijk? Is niet alzoo het
menschelijk leven, dat men zich bezighoudt, de een met zijne zaken, de ander
met zijne studie, op het oogenblik zelf dat de gewigtigste gebeurtenissen
ophanden zijn? Eén ding is zeker: blijkens hetgeen dit tijdvak in zake
van bellettrie heeft opgeleverd, is destijds de litteratuur, buiten de politiek
om, haren gang gegaan. Bilderdijk gaf onderwijl zijne
Bloemtjens, zijne Geuzen, zijnen
Edipus, zijnen Elius uit. Kinker
kritiseerde, en maakte drama's. Bellamy en Nieuwland zongen ieder van hun
meisje,
Uylenbroek en
Barbaz vertaalden fransche treurspelen.
Fokke bragt een bezoek op den Modernen
Helikon en schreef rustig voort aan de elf deelen van zijnen Catechismus
der kunsten en wetenschappen; terwijl intusschen zijn broeder Jan eene
Geschiedenis der achttiende eeuw onder handen had, en misschien reeds
bezig was aan zijn vervolg op het Vaderlandsch Woordenboek vanKok.
De beide Vereul's, zoowel Abraham, dien wij leerden kennen, | | | | als
zijn tijdgenoot en bloedverwant Jan Jacob, hielden redevoeringen, schreven
prijsverzen, stelden tooneelstukjes op.
Helmers en
Loots, welk aandeel ze toen en later ook
mogen gehad hebben in den gang der politiek, leefden niettemin voor de
poëzie. Zoodat het vast geene onhistorische onderstelling is, indien wij
aannemen dat zelfs niet meer dan drie weken voor de omwenteling tot stand kwam
en de Bataafsche Republiek gevestigd werd, een litterarisch kringetje zoo
rustig bijeen kon zijn, als wij het onze bij Uylenbroek aantroffen en gestemd
vonden.
Doch met dat al, dat zelfde kringetje leefde in den Keezentijd,
bestond grootendeels, zoo niet uitsluitend uit min of meer ijverige Keezen,
rekende op den aanstaanden triomf der Keezenpartij, en kan ons derhalve niet
euvel duiden dat wij, bij het verlaten hunner vergaderplaats en van
Uylenbroek's winkel, onszelven afvragen: Welke voorstelling hebben wij ons te
vormen van een Kees uit de dagen der Bataafsche Republiek? - In antwoord op die
vraag zou ik u eene uitvoerige lijst van schakeringen en eigennamen kunnen
overleggen. Er waren destijds Keezen, die men tegenwoordig roode republikeinen
noemen zou: gelijkValckenaer,
Wiselius, en vooral
Pieter Vreede. Voorts gematigde Keezen:
zooals
Schimmelpenninck enVan
der Palm, mannen met groote talenten en niet zonder eerzucht. Voorts
Keezen die allermeest van doortastende maatregelen hielden en nimmer
terugdeinsden voor een Coup d'État: dus waren de geïmproviseerde
militairen,
dokter Kraijenhoffen de voormalige
advokaat Daendels. Ook onder de
burgerklasse vond men velen die teregt of te onregt meenden dat hun eene plaats
in het staatsbestuur toekwam: Adriaan Loosjes was
zulk een Kees. Doch bovendien waren er nog eene menigte andere Keezen, aan wie
men alleen daarom dien naam geven kan omdat zij vijanden waren van oude
misbruiken en voorstanders van nieuwe begrippen; en van deze talrijke klasse,
waartoe bijna zonder uitzondering - indien men het gros der predikanten en
hunne volgers niet mederekent - alle beschaafde en geletterde mannen van dien
tijd behoorden, zoowel onder de roomschgezinden als onder de protestanten, van
die partij | | | | dunkt mij prof. Van Swinden,
wiens naam wij heden avond nog in het geheel niet hebben genoemd, een waardig
vertegenwoordiger. Het is u bekend waar en op welk uur wij hem vinden kunnen:
in datzelfde Felix waar hij niet minder dan 105 malen in zijn leven het woord
heeft gevoerd.
Was hij dan zulk een bijzonder goed redenaar? Neen, maar hij wist
voor de vuist twee uren, en langer, aan één stuk over eenig
populair-wetenschappelijk onderwerp te spreken zonder ooit te vervelen. Thans
evenwel draagt hij eene geschreven redevoering, eene lijkrede, voor; en ten
einde ons een denkbeeld te kunnen maken van zijn redenaarstalent, luisteren wij
in het voorbijgaan zijne inleiding af. Het is eene plaats uit Cicero's boek
Over de vriendschap, die hij met veel takt gekozen, bijna woordelijk
vertaald, en toepasselijk gemaakt heeft op Nieuwland, zijn leerling, zijn
vriend, bijna zijn broeder en zijn zoon tegelijk. Het is dan aldus dat Laelius
bij
Cicero over Scipio, en dat Van Swinden
over Nieuwland spreekt:
‘Ik ben diep getroffen door het verscheiden van een vriend,
1 zooals ik geloof
dat er nimmer een zijn zal, zooals ik kan verzekeren dat er nimmer een geweest
is; maar ik tracht mij zelven te troosten, en wel vooral hiermede: dat mijnen
vriend geen onheil is overkomen. - Wie immers zal twijfelen of het is Hem
voortreffelijk gegaan? want, tenzij hij gevorderd had onsterfelijk te zijn - en
dit begeerde hij geenszins - heeft hij niet alles bekomen wat eenen man
geoorloofd is te wenschen? - Hij, die de groote verwachting welke zijne
medeburgers, reeds toen Hij een kind was, van Hem hadden opgevat, naarmate Hij
in jaren vorderde, met eenen onbegrijpelijken moed heeft overtroffen. - Hij,
die nimmer naar het hoogste ambt gestaan heeft, en echter tweemaal tot hetzelve
is aangesteld: eens in zijne eerste jeugd, andermaal in rijper jaren, doch
bijna te laat voor het algemeen welzijn. - En wat zal ik zeggen van de
zachtheid zijner | | | | zeden? van zijn eerbied voor zijne Moeder? zijne
goedheid voor de zijnen, zijne regtvaardigheid jegens allen? - Dit alles is u
bekend. - En hoe dierbaar hij aan de maatschappij geweest is, heeft de
algemeene rouw, door zijnen dood veroorzaakt, genoeg bewezen. Wat baat zouden
hem dan eenige jaren meerder hebben aangebragt? De ouderdom, valt zij al eens
niet lastig, beneemt toch dien aangenamen zwier, daar Hij nog in was. - Zijn
leven is dan, door zijn lot en door zijne glorie, zoodanig geweest, dat er
niets kon bijkomen.- Waarlijk, het is met Hem voortreffelijk afgeloopen. Maar,
helaas, minder gelukkig met mij. Wat was immers natuurlijker dan dat ik, die
eerder in de wereld gekomen ben, er ook eerder ware uitgegaan? - De herinnering
echter van onze vriendschap geeft mij dit genot, dat ik geacht kan worden
gelukkig geleefd te hebben om dat ik met Hem geleefd heb: met Hem, met wien ik
gemeenschappelijke bezigheden had, en dit vooral - waarin geheel de kracht der
vriendschap bestaat - de grootste overeenkomst van neigingen, van
letteroefeningen, van gevoelens.’
Voor het overige is deze lijkrede van
Van Swinden op Nieuwland wel veel minder
schoon dan die op
Van de Perre, in het jaar '90 door Van der
Palm te Middelburg gehouden, doch zij verdient niettemin om hare groote
natuurlijkheid en buigzaamheid van periodenbouw eene eervolle plaats in de
rangen van het nieuwere proza.
Uit Van Swinden's geschriften zou ik geen kans zien u iets omtrent
zijne staatkundige gevoelens te leeren. Alleen blijkt uit twee feiten dat hij
een naauwgezet republikein was. Hieruit vooreerst dat hij nooit, noch uit de
hand van Koning Lodewijk, noch uit die van Koning Willem
I, een ridderkruis heeft willen aannemen. Ten andere hieruit, dat hij in
weerwil van zijne professorale bezigheden te Amsterdam, van 20 Juni 1800 tot 15
September 1801, enkel uit pligtgevoel lid van het staatsbewind te 's Hage
geweest is. Toen Koning Lodewijk in 1805 zijne eerste audiëntie gaf te
Amsterdam verlangde de groot-ceremoniemeester dat de hoofden der onderscheiden
kommissiën hem vooraf eene kopij zouden | | | | toezenden van hunne
voorgenomen aanspraak. Van Swinden liet antwoorden: ‘dat de Voorzitter
van Hoogleeraren der Doorluchtige School te Amsterdamniet, even
als een scholier, een opstel ter verbetering kon zenden; maar dat hij aan den
Koning zeggen zou wat hem pligtmatig en betamelijk dacht.’ Voeg hierbij
hetgeen Hendrik Harmen Klijn in zijn Lofdicht
van hem zegt:
Hij was of 't licht, de troost, of 't heil van elk gezin;
De blijdschap trad met hem het woelig leven in -
en gij krijgt den indruk van een man die, bij zijn grooten roem als
geleerde, bij zijn schranderheid als natuurkundige - Klijn zegt van hem, niet
ondichterlijk:
Hij wenkte - wat Natuur hield in haar schoot verholen,
Daagde op, en ging ter rei. -
een man die aan meer dan gewone beminnelijkheid als privaat persoon
zekere oud-republikeinsche fierheid van karakter paarde. Gij bemerkt: dit is
niet de type door Van der Palm vertegenwoordigd.
|
1‘Sikke,’ zeide Willem van Haren den
4 den Julij 1768, na den maaltijd, tot zijnen hofmeester
Sikke Ludinga, ‘Sikke, geef mij
dat poedertje eens aan, dat daar in de kast ligt.’ Sikke bragt het
poedertje, hetwelk zijn heer met een theelepeltje in een glas wijn omroerde en
vervolgens opdronk. Een uur daarna was hij niet meer: hij zat dood in zijn
stoel aan tafel. - Halbertsma, Naoogst.
1[Seijffardt, dichter
van die Geusen, over wien in verband met O.Z. van Haren's gedicht in de
vorige lezing gesproken was.]
1Wenckebach, p. 147, 149.
1[De gegispte uitdrukking kwam inderdaad voor in
een omstreeks 1860 welbekend straatliedje.]
1Aanhef van Van Swinden's Lijkrede op
Nieuwland. Cicero, De Amicitia cap. 3, 4.
|
|