|
|
|
| | | | | |
Vierde lezing. De Patriotten en Simon Stijl
Strikt genomen - en zonder dat ik daarmede iets onaangenaams wil
zeggen betreffende het toilet van iemand onzer - zijn wij in geen kostuum,
geschikt om ter stadhouderlijke audientie te gaan. Doch de aandacht van Prins
Willem V is op dit oogenblik zoo zeer met andere en ernstiger dingen bezig -
nog een paar uren, en hij zal den vaderlandschen grond voor altoos hebben
verlaten - dat de Vorst zich weinig bekreunen zal om de kleur of snede van ons
gewaad. Bovendien, het is Zondagmorgen, na kerktijd: al prijken wij dus in geen
hoofschen dos, wij hebben toch ons beste pakje aan en zien er voor ons doen
knap en fatsoenlijk uit.
Die weemoedige afscheids-audientie op het oude Hof, door
Prins Willem V des morgens
vóór zijn vertrek - Zondag den 18den Januarij - aan
enkele staatsligchamen en aan de vrienden van zijn huis gegeven, is mij
voorgekomen geen ongeschikt oogenblik te zijn, om uwe aandacht op 's Prinsen
persoon te vestigen. Verkwikkelijk of hartverheffend, als het aanbreken van den
dageraad, is het schouwspel niet zoozeer, doch het mist geenszins te eenemaal
die waardigheid en statigheid waardoor het gezigt der ondergaande zon ons
pleegt te boeijen.
De eerste maal dat wij Prins Willem V dezen winter, op | | | |
onze leesavonden, ontmoetten, vonden wij hem, als zuigeling gezeten op de knie
van mevrouw Onno van Haren. Daarna herinnerden wij ons een klein voorval uit
zijnen vijfjarigen leeftijd: eene warme dorstige wandeling door de bosschen van
het Oranjewoud in Friesland, die hij veertig jaren later nog niet vergeten was.
Toen vernamen wij iets van de niet zeer stichtelijke wijze waarop en van de
niet zeer edele bedoelingen waarmede hij door den Hertog van Brunswijk
opgevoed, en in de praktische levenswijsheid werd ingewijd.
1 Sedert is hij meerderjarig,
stadhouder, echtgenoot, vader, ja in weêrwil van zijne nog geene
zevenenveertig jaren, reeds sedert een poos grootvader geworden. Zullen wij hem
op al deze wegen volgen? ons bestek gedoogt het niet. Wij hebben uitsluitend
van de laatste jaren zijner regering te spreken. Wat meer is, wij moeten
hoofdzakelijk kennis nemen van zijne misslagen. Niet omdat wij voornemens zijn
zijne nagedachtenis te bezwaren, maar omdat niemand anders bij magte is te
verklaren hoe 's Prinsen vertrek in '95 voor de patriottenpartij eene oorzaak
van zoo groote blijdschap wezen kon. Doch juist omdat naar alle gedachten mijne
voorstelling van den laatsten der Stadhouders u geen hoogen dunk van zijne
persoonlijkheid zal inboezemen, wensch ik u vooraf aan twee zeer vertrouwbare
getuignissen te zijnen gunste te herinneren.
Het eene daarvan is afkomstig van
Willem van Haren en heeft betrekking op 's
Prinsen aanleg als kind en knaap. ‘Le jeune prince,’ dus schreef
Van Haren aan een zijner vrienden, een vreemdeling - en de brief waarin dit
voorkomt is geschreven bij het leven van Prinses Anna, toen derhalve de jonge
Prins hoogstens tien of elf jaren oud kon zijn - ‘le jeune prince est
d'une bonne santé et doué de beaucoup d'esprit; et ce qui
vraisemblablement sera très-heureux pour lui et pour la
république, c'est qu'il se tourne du côté du
sérieux. Je n'ai jamais vu un pareil enfant; et je n'y connais rien s'il
n'en vient pas quelque chose d'extraordinaire. Comme vous savez que je ne suis
pas flatteur, je suis sûr que vous | | | | ajouterez foi à
mes paroles, n'y ayant rien qui ne soit dans l'exactitude de la
vérité.’
1 Dit was werkelijk, naar het eenstemmig getuigenis van alle
onpartijdige geschiedschrijvers, toen hij nog naauwlijks aan den ingang zijner
loopbaan stond, hetgeen Willem V voor de toekomst beloofde. - Hooren wij thans
Bilderdijk, die den Prins van nabij gekend en belangeloos gediend heeft.
Het voorrecht u van God geschonken,
O Vorst! voorbeeld'loos goed te zijn,
Heeft nimmer schooner uitgeblonken,
(Wie ook met weidsche titels pronken)
Dan in Oranjes Antonijn...
dus zong Bilderdijk den vorst te Londen, in het tweede jaar zijner
ballingschap, toe. Doch dit berijmd en eenigzins hoogdravend getuigenis van den
jare '96 is niet hetgeen ik bedoelde. De dichter en de vorst waren toen beiden
in ballingschap; en het kan zijn dat door de poëzie van het ongeluk
destijds in Bilderdijk's oog op 's Prinsen beeld een al te gunstig licht viel.
Ik bedoel veeleer de hulde in proza, te vinden in Bilderdijk's brieven aan
Jeronimo de Vries; de hulde van het jaar
1806, toen Willem V sedert eenige maanden overleden, Bilderdijk inmiddels in
het vaderland teruggekeerd, en aan het hof van Koning Lodewijk met meer dan
gewone minzaamheid ontvangen was - de gelukkigste periode van 's dichters
leven. ‘Hij was,’ schrijft Bilderdijk aangaande den kortelings te
Brunswijk in het vreemde land ontslapen Stadhouder van weleer, ‘hij was
in den grond van zijn hart een braaf man, hij was een welmeenend vorst, en zeer
verlicht verstand; maar die, van zijne aankomst aan de regering af, zichzelven
de handen gebonden zag. Hij heeft nooit anders kunnen handelen dan de
imperieuse noodzakelijkheid van het oogenblik medebragt. Altijd heeft hij
voorzien dat de zaak zou eindigen, zoo als zij inderdaad geëindigd is.
Waar hij minder naauw van geweten geweest, hij had zich kunnen redden; maar hij
was daartoe te gemoedelijk | | | | een christen. Niemand zal hem ooit aan
de nakomelingschap doen kennen als hij was; want aan weinigen, onbegrijpelijk
weinigen, kon hij zich in zijne geheele grootheid (dat is bloot en naakt van
ziel) toonen. Zijne gebreken waren weinig, inderdaad zeer weinig. Godsdienstig,
weldadig, regtschapen, vriend van alle deugden, en opregt liefhebber van zijn
vaderland, voegde hij eene menigte kundigheden, die niemand bij hem vermoeden
zou, bij een zeer gezond oordeel; maar hem ontbrak dat vertrouwen in
zichzelven, dat in een Vorst, aan het hoofd van een Staat geplaatst, noodig is;
en hij gevoelde dat hij niet was, wat hij wenschte en gevoelde te hebben kunnen
zijn. Vandaar duizend maatregelen ten halven, wanneer hij, zijn eigen begrip
mistrouwende, en rondom hem verdeeldheid van begrippen bevindende, de
verschillende opiniën wilde vereenigen, die somtijds onvereenigbaar waren,
en waar tusschen men kiezen, niet dobberen moest. En dit deed hem bij zijne
dienaren en vrienden (te onregt, en omdat men geen doorzigt genoeg had) van
gebrek aan karakter beschuldigen, en hen hem ten halve getrouw zijn, en meestal
op twee beenen hinken.... Doch waar loop ik heen? Ik wilde u zeggen dat ik den
goeden vorst in mijn hart liefhad en echter geen goed lijkdicht op hem wist te
maken. Ziedaar 't al.’
1
Blijkt uit deze woorden van Bilderdijk, dat Willem van Haren een
ziener was, toen hij omtrent den jongen Prins ‘iets buitengewoons’
profeteerde: ‘Je n'y connais rien, s'il n'en vient pas quelque chose
d'extraordinaire?’ Neen; had Bilderdijk regt, dan zag Van Haren kwalijk;
doch uit het getuigenis van eerstgenoemde spreekt eerbied, billijkheid,
sympathie, en daarom willen wij, onder den indruk dier woorden, de
audiëntiezaal binnentreden.
De zaal is eivol; dankbaarheid, gehechtheid, pligtgevoel,
nieuwsgierigheid, alles heeft medegewerkt om velen uit de hofstad herwaarts te
lokken of te drijven. Daar openen zich de deuren van 's Vorsten kabinet, en,
vergezeld van zijne beide zonen, Prins Willem (naderhand Koning Willem I) en | | | | Prins Frederik (die
reeds in '99 in Italië omkwam), vertoont zich
Willem V op den drempel. Zijne kleine
vleezige gestalte heeft niets merkwaardigs, en het éénige in hem
dat ontzag inboezemt is de uitdrukking van kommer en droefheid, die over zijn
gelaat ligt uitgespreid. - De Prinses vertrokken; reeds ingescheept met haar
schoondochter, en met den kleinen Prins, op eene visscherspink; reeds, met dit
koude winterweder, dobberend op de barre zee - het gansche staatsbestuur met
instorting bedreigd, der ontbinding nabij - het land overstroomd met de
legerscharen van een zegepralend vijand - geen tijding uit Parijs; geen
antwoord op de vredesvoorslagen van
Repelaer en
Brantsen -Pichegru te Utrecht - Amsterdam tot de overgave bereid -
geen steun bij het leger; geen veerkracht bij de Staten-Generaal - de beide
Prinsen reeds door hun vader uit hunne hooge kommando's ontslagen - de
vader-zelf reeds sedert den vorigen avond, toen hij afscheid was gaan nemen van
de Generaliteit en van de Staten van Holland, een magteloos gebleken Stadhouder
- daarbij, op veler gelaat in dit oogenblik de teekenen van smart of deernis
over zijnen toestand... Voorwaar, er was niet ééne reden, waarom
Prins Willem V dien morgen anders als treurig zou hebben gezien.
Beurt om beurt worden de onderscheiden personen, de onderscheiden
deputatiën bij hem toegelaten. Daar nadert ook eene Commissie uit
Holland's Staten:Huydecoper van Maarsseveen,
burgemeester van Amsterdam, voert het woord. De Staten, bij monde van dien
Heer, betuigen aan den Prins hun ‘hartgrondig leedwezen’ over den
‘kommervollen toestand’ van het ‘lieve Vaderland’ en
van ‘het Vorstelijk Huis.’ Zij billijken 's Prinsen voorgenomen
vertrek, spreken den wensch uit dat zijne afwezigheid slechts kort moge duren,
en bevelen inmiddels Zijne Hoogheid en Hoogstdeszelfs Vorstelijk Huis
‘aan het gunstig geleide en de bijzondere protectie der Hemelsche
Voorzienigheid.’ De Prins liet in zijn antwoord (dat goed was, want aan
vaardigheid in het spreken haperde het hem zoo min als weleer zijnen vader)
deze merkwaardige woorden invloeijen: ‘Denkt nooit dat ik trachten zal om
te eenigen tijde, door middelen van geweld, wederom in het | | | |
Vaderland terug te komen, gelijk weleer de Pretendent in Engeland deed.’
Of en hoe Willem V in het jaar '99, bij de landing der Engelschen en Russen in
Noord-Holland, aan dit voornemen getrouw gebleven is, zullen wij later zien.
Genoeg: deze waren zijne woorden tot Huydecoper; en niet lang daarna kwamen de
rijtuigen voor, en trokken de drie Prinsen, van eenige kamerheeren en
adjudanten en bedienden vergezeld, naar Scheveningen. Reeds den volgenden
morgen stapte het vorstelijk gezelschap behouden te Harwich aan den engelschen
wal.
1
Niet zonder statigheid, zeiden wij, ging de stadhouderlijke zon in
Nederland onder. Doch zelfs al voegen wij er thans ter opheldering bij dat het
eene Januarijzon, eene ondergaande winterzon was, zonder levenwekkend vermogen,
zonder iets dat naar kracht of veerkracht zweemde - en dit stemt ieder
gereedelijk toe - dan nog zou hiermede de bittere vijandschap, zoo algemeen
door Willem V in het vaderland opgewekt, niet verklaard zijn; en om te
begrijpen hoe, bij voorbeeld, de patriotsche Comités Revolutionnair van
dienzelfden tijd, in eene door hen overal verspreide Circulaire Missive,
zonder dadelijken waanzin, ja wat meer is, met de volkomen instemming van zeer
velen onder de verstandigen, aan de toen in het bestuur zittende Regenten van
Steden en Provinciën, woordelijk aldus schrijven konden: ‘Wij willen
niet afzijn om U en Uwe mede-regenten bij dezen op het ernstigste te vermanen
om de zaak des geweldenaars, den verachtelijken Willem den Vijfden, te laten
varen; als ook die van zijne bloeddorstige en wraakzuchtige Vrouw, van zijne
door opgeblazen trots verblinde Zoonen, en van zijnen nog snooderen Aanhang,
den verfoeijelijken Van de Spiegel en den
schijnheiligen deugniet
Van Alphen’
2 - om dit te begrijpen,
zelfs al trekt men de volle som van hetgeen daarin van tijdgeest en partijzucht
komt, er naar behooren af, is meer noodig dan alleen maar een meewarige blik in
de vorstelijke audientiezaal, op den Zondagmorgen, vóór het
vertrek.
| | | |
Zeker, er bestaat niet ééne reden om te
gelooven dat
Hieronymus van Alphen, de beroemde
stichtelijke en kinderdichter, een ‘schijnheilige deugniet’ is
geweest. Doch Van Alphen was sedert Juni '93 Thesaurier-Generaal der Unie, dat
is te zeggen Minister der Nederlandsche Finantiën. Hij werd dus beschouwd
als de man op wiens voorstel, ten behoeve van den insgelijks in '93 aan
Frankrijk verklaarden oorlog, zulke ontzaggelijke sommen, op voor de schatkist
zoo nadeelige voorwaarden , herhaaldelijk waren opgenomen. En teregt zag
men hem daarvoor aan; want de Inleiding of Voorafspraak der zoogenaamde
Generale Petitie en Staat van Oorlog, door den Stadhouder namens den
Raad van State bij Hunne Hoog Mogenden ingediend, zoowel die van '94 als die
van '93, was door Van Alphen gesteld.
1 - Wat den Raadpensionaris Van de Spiegel betreft, deze
verdiende vast niet de ‘verfoeijelijke’ te worden bijgenaamd.
Daartoe was onder anderen zijn oordeel over Willem V veel te onafhankelijk. Men
weet van hem, dat hij zich aan den Griffier Fagel beklaagd heeft over hetgeen
hij noemde ‘de weinige directie’, van den Prins; die, zeide hij,
‘zijne dagen doorbrengt met gehoor te verleenen, en de groote zaken
verzuimt om zich enkel met kleine bezig te houden.’ Ja, men kent een nog
vrijmoediger getuigenis van den Raadpensionaris. Te weten, deze uitval van hem
omtrent den Stadhouder: ‘Het is al een zeer raar heer; en degenen die
zich verbeelden dat hij geen systema heeft, zooals vele menschen denken,
bedriegen zich zeer. Hij heeft wel degelijk een systema, maar het is een
systema van verwarring en désorder. Zijne politiek is, om de dingen
zooveel in de war te helpen, als het maar doenlijk is.’
2 Hadden
de Patriotten geweten dat Van de Spiegel aldus over Willem V dacht, zij zouden
zich omtrent zijne persoonlijkheid van eene minder forsche kwalificatie hebben
bediend.
Doch wat wisten zij van hem? zij die iedere voortzetting van
| | | | den oorlog tegen Frankrijk als eene onmiddellijke vernedering van
hunne eigen zaak beschouwden? - Nadat de veldtogt tegen het Fransche leger
onder Dumouriez in het voorjaar van '93 tamelijk gunstig voor ons en voor onze
bondgenooten was afgeloopen (in het voorbij gaan: Dumouriez had eene
Proclamatie aan onze landgenooten uitgevaardigd, om hen tot onderwerping te
vermanen, en in Van Alphen's naamloos antwoord op dat stuk, welk antwoord
gedagteekend was ‘Uit ons bidvertrek,’
1 kwam ook deze frase, ach! wel eene frase voor: ‘Bur-Generaal!
Gij behoeft ja voor ons op onszelf niet te vreezen; zelfs nemen wij u niet
kwalijk dat gij ons veracht: wat toch zijn wij in vergelijking met de legers
van Oostenrijk en Pruissen, welke gij onlangs verjaagd hebt? Doch vreest voor
dien God welken wij eeren, en voor dien Bijbel op welken wij steunen’)
toen dan de veldtogt tegen Dumouriez, in bondgenootschap met Oostenrijk,
Engeland en Pruissen, tamelijk gunstig was afgeloopen, rustte men zich hier
tegen het jaar '94 op nieuw ten strijde, en het butget van oorlog (door Van
Alphen gelijk wij weten, van eene inleiding voorzien) liep boven de 13
millioen. Korte jaren geleden had er eene buitengewone heffing van 4 pCt. van
der ingezetenen bezittingen plaats gehad; thans kwam daarbij eene zoogenaamde
‘Liberale Gift’ van 2 pCt., met vrijstelling alleen van hen wier
bezittingen geen ƒ 2500 bedroegen. Terzelfder tijd negotiëerden de Staten
van Holland een som van 12 millioen ten behoeve der Oost-Indische Compagnie,
die anders bankroet zou hebben gemaakt. De intrest dier nieuwe leening was
gering: slechts 2½ pCt.; doch men loofde premiën uit wier
gezamenlijk bedrag de inlegsom met 36 tonnen gouds te boven ging.
Om tot Van de Spiegel terug te keeren: den 19den April
'94, toen Oostenrijks bijstand dreigde te zullen vernaauwen; toen ook Pruissen
zijn woord niet hield, terwijl daarentegen Engeland den oorlog met kracht
verlangde door te zetten, teekende Van de Spiegel, als Raadpensionaris van
Holland, zonder één der andere provinciën afzonderlijk, ja
zelfs zonder de Algemeene | | | | Staten te raadplegen, geheel
alléén dus (op den Griffier Fagel na), eene overeenkomst waarbij
de Koning van Pruissen, de eigen broeder van onze Prinses, zich verbond om
tegen betaling van 50,000 pond sterling in de maand, met bijvoeging van 300,000
pond, om het leger op de been, en van nog 100,000 om het weder afgedankt te
krijgen - men bemerkt, de Koning van Pruissen was wel te koop, maar niet te
krijg - aan Engeland en Holland te leveren, en zulks voor de nog overschietende
maanden van het jaar '94, een leger van 62,400 man. Bij eene afzonderlijke
overeenkomst met Engeland werd bepaald dat Hollands aandeel in dien oorlogskas
4½ millioen zou bedragen. En wanneer men nu in aanmerking neemt dat door
dit pruissisch leger bijna niets werd uitgevoerd, terwijl de engelsche troepen
onder den Hertog van York, gedurende hun verblijf hier te lande, door gebrek
aan krijgstucht een onnoemelijken overlast aan de ingezetenen veroorzaakten,
dan zal men (mede-gerekend de sympathie der patriotten voor de zegepraal der
fransche wapenen) niet onnatuurlijk vinden dat een Raadpensionaris, die zulke
willekeurige en kostbare traktaten sloot, in kwaden reuk bij hen stond.
En dit alles geschiedde met medeweten van den Prins, op aansporing
der Prinses, onder den bijval des Erfprinsen en van diens broeder: twee jonge
dappere vorsten, die niet liever verlangden dan in den kamp tegen Frankrijk
hunnen strijdlust bot te vieren en lauweren te plukken. Was het vreemd dat
Willem V er zijne populariteit bij inschoot? Zelfs de predikanten, vroeger zulk
een getrouwe steun van het Oranjehuis, verlieten zijne zijde. Velen onder hen,
dit weten wij, waren reeds vóór '87 tegen hem ingenomen en deden
mede aan de burgervrijkorpsen. Meer dan één misschien volgde
reeds toen het voorbeeld van den helvoetschen predikant Huigens, die achter een
drietal trommen, in de vorm van een spreekgestoelte, de dienst verrigtte in het
zoogenaamd Vliegend Legertje.
1 Doch
al naarmate het jaar '95 naderde, breidde de antipathie der predikanten zich in
ruimer kringen uit. De Bede- en Dankstonden | | | | gedurende den
franschen oorlog werden over het algemeen flaauw behartigd. In zulk een biduur,
te Haarlem, sprak een hervormd predikant een gansch uur lang over
den minst loffelijken trek uit het leven van Koning David, vergat de
armenkollekte aan te bevelen, en vergat ook in zijn nagebed - want de tijd was
verstreken - den nood des vaderlands.
1 Veldpredikers
waren niet te bekomen: de classicale besturen moesten van regeringswege worden
aangeschreven, om elk op hunne beurt een predikant van beneden de 60 jaren voor
de dienst bij het leger beschikbaar te stellen. In April '93 was de beurt aan
de Classis van Utrecht: geen der leden gevoelde roeping; zelfs
niet, of vooral niet, toen er als lokaas eenige gouden Rijders op de tafel
waren geworpen. Gelukkig hoorde men nog te goeder ure van een student in de
theologie die bereid was: in allerijl maakte men hem proponent en zond hem naar
het leger.
2 - Het baatte niet of de
goede Van Alphen, den 8sten Maart daaraanvolgend, den Prins op diens
verjaardag al toezong:
Gij leeft! Schep moed in God! Ten spijt van die U haten,
Heeft Neerlands Oppervorst noch U, noch ons verlaten.
Zijt sterk! uw arm, den Staat en Godsdienst toegewijd,
Geev' heil aan 't biddend volk, en zege na den strijd...
3
het baatte niet: de Prins was niet sterk, het volk bad niet, en de
voorgangers in den gebede smeekten niet langer om uitkomst voor Oranje.
De fransche gezantschapssekretaris
Bérenger schreef in Augustus '84,
kort nadat de Prins zedelijk genoodzaakt was geworden zijn voormaligen voogd
(Hertog Lodewijk) van het hof te verwijderen, schreef aan den franschen
Minister van Buitenlandsche zaken; ‘Le Stadhouder a la contenance d'un
jeune homme, qui vient d'être débarrassé d'un gouverneur
incommode.’ De prins was toen 36 jaar oud. In November van genoemd jaar
schreef Bérenger: ‘Pour vour donner, monseigneur, une juste
idée de la situation de ce prince, il suf- | | | | fira de dire
qu'il se défie de sa femme et qu'il craint qu'elle ne le supplante. Ce
qu'il y a de plus fâcheux, c'est que cette crainte paraît
très-fondée. Le parti de Mad. la Princesse, absolument distinct
et très-séparé d'intérêt de celui de M. le
Stadhouder (et d'ailleurs favorisé par l'influence prussienne) improuve
sa conduite et murmure contre lui.’ Dit pruttelen evenwel, dit gemurmel
der ontevredenheid in den boezem van de Pruissische partij der Prinses, hield
op wanneer, gelijk in April '94, de Prins met den Koning van Pruissen de eene
of andere voor dezen Vorst niet onwinstgevende overeenkomst sloot. Doch voegen
wij aan het aangevoerde nog één getuigenis toe; insgelijks in het
fransch gesteld, doch afkomstig van een Nederlander en prinsgezinde. Het is
gedagteekend van April '88: ‘Doué d'une mémoire
très-heureuse, il est peut-être l'homme en Hollande qui sait le
mieux l'histoire de toute l'Europe, et qui a le mieux étudié la
Constitution de son pays. Connaissant son fort, il aime à étaler
son savoir et à parler sur ces objets; il y est porté d'ailleurs
peut-être plus par habitude que par inclination. Son éducation a
été calquée sur l'instruction en théorie et sur la
représentation. Le duc Louis de Brunswic l'éloignait du travail,
faisait tout, et le Stadhouder signait. De là cette coutume, ce besoin,
de parler d'affaires, de faire consister toute son influence
stadhoudérienne dans un étalage fastidieux d'audiences de 5, 6, 7
heures, de noyer dans des phrases insignifiantes des objets
très-réels, de faire des propositions à perte de vue, qui
souvent portent l'empreinte du raisonnement le plus juste, quelquefois
même du génie; enfin, de là ce défaut cardinal de ne
rien résoudre, de ne rien lire, de ne rien répondre, de ne rien
signer, de ne rien finir; mais foujours de faire le Stadhouder en
théorie, et jamais en pratique.’
1
Trekken wij dit een en ander nu te zamen: 's Prinsen fouten van
karakter en van bestuur, dan zullen wij niet onmogelijk bereid zijn de
uitspraak te onderteekenen, waarmede Dr. van Woensel weleer zijn kort maar
belangrijk opstelletje | | | | over Hetgeen Willem de Vde
niet gedaan heeft meende te moeten besluiten.
1 En zal ik mijn hart regtuit spreken, dan geloof ik, dat Dr. van
Woensel's oordeel over Willem V eenigzins mag beschouwd worden als het laatste
woord over dien laatsten onzer Stadhouders. Door hetgeen hij niet gedaan heeft
is Willem V, in waarheid, de auteur geweest van al het ongeluk onzes
vaderlands. Toen hij in '87 de hulp van 20,000 Pruissen inriep, nam Willem V
God tot getuige dat bloedvergieten en geweld zijn lust niet was. Toen hij in
Januarij '95 afscheid nam van de Staten, God tot getuige, dat hij naar zijn
beste vermogen het vaderland had gediend. Toen hij in Februarij van datzelfde
jaar, bij den aanvang der londensche ballingschap, Suriname en de Kaap zoo goed
als aan de Engelschen in handen speelde, God tot getuige, dat dit zonder boos
oogmerk geschiedde, maar alleen omdat hij de Engelschen nog altoos als zijne
bondgenooten aanmerkte. En toen hij eindelijk in '99 in de landing van het
engelsch-russisch leger bewilligde en aan de bevelhebbers van dat leger (eene
krijgsmagt van 40,000 man) een lijvig pak proklamaties aan zijne voormalige
onderdanen mede gaf, nam hij wederom God tot getuige, dat zijne bedoeling was,
de elenden van den oorlog te voorkomen. - Het is waar, Willem V is door de
nieuwe hoofden der Bataafsche Republiek (althans met woorden) zeer hard
behandeld; de representanten
Hahn en
Gevers, La
Pierre en
Pieter Paulus, hebben een meedogenloos
rapport uitgebragt aangaande zijne handelwijs met Suriname en de Kaap; de
hoogleeraren Valckenaer en Bavius Voorda hebben over dit rapport een
regtsgeleerd advies gegeven, waarin Willem V niet wordt gespaard. Het is ook
waar, dat men tot handhaving van zijn karakter en bedoelingen, omtrent dezen
vorst hetzelfde zeggen kan, wat eene engelsche schrijfster van Lodewijk den
XVIden gezegd heeft: ‘Overal elders als op een troon, ware hij
geëerd en gelukkig | | | | geweest; doch bij alle deugden van den
privaat persoon bezat hij er niet ééne van die, waardoor men
Koning is.’
1 Doch daar staat tegenover, dat een
vorst in geen geval, allerminst in moeijelijke omstandigheden, volstaan kan met
te zeggen: Indien ik een gewoon burger ware, zou er nu niets op mij zijn aan te
merken. Er zijn oogenblikken in het leven van een staatshoofd, waarin dit
Eminent Hoofd niet slechts den naam van God, maar zijne eigen daden tot getuige
moet kunnen nemen van de zuiverheid zijner bedoelingen. De mensch en christen
in hem wordt geregtvaardigd door zijn geloof; de vorst, alleen door zijne
werken. En wij vernamen uit den mond van onbevooroordeelde en niet
onwelwillende tijdgenooten, hoe pover het met de werken en daden van onzen
Stadhouder gesteld was. ‘Hij heeft in de hand gehad ons eene goede
constitutie te geven,’ zegt
Dr. Van Woensel, ‘en heeft het niet
gedaan.’ Werkelijk, indien Willem V slechts den noodigen zedelijken moed
bezeten had, om zich los te maken van de vernederende voogdij, waaronder onze
regenten-partij hem plaatste; indien hij zich van het despotisme der oligarchen
slechts met volkomen eerlijkheid op de demokratie beroepen en daarbij aan onze
natie de schande gespaard had van zich door eene partij gehuurde en uit 's
lands kas betaalde Pruissen te laten ringelooren - hij zou het land gered en
zich in de harten zijner onderdanen eene onvergankelijke eerzuil hebben
opgerigt. Wij hoorden, hoe kalmpjes de Staten van Holland hem lieten trekken,
en met welk eene klappermansbede burgemeester
Huydecoper hem goede reis naar Engeland
wenschte, hem aanbevelend ‘aan het gunstig geleide en de bijzondere
protectie der Hemelsche Voorzienigheid.’ Daarover thans te juichen zou
zeker onzerzijds geringe edelmoedigheid verraden; doch wij mogen veilig zeggen:
Het was goed dat hij ging, en eer te laat dan te vroeg. Mijns inziens althans,
ware het
Willem V wel geweest indien hij na zijn
vertrek uit 's Hage naar
Nijmegen in den zomer van '87, liever dan
partij te trekken van de looze streken der Prinses | | | | en de hulp aan
te nemen van zijnen Koninklijken zwager, de eer aan zich had gehouden, den
stadhouderlijken zetel er aan gegeven had, en nimmer naar de hofstad ware
teruggekeerd.
En nu zou ik overeenkomstig mijne belofte in de tweede plaats
behooren te spreken over het fransche Carmognolenleger, dat in Januarij '95,
onmiddellijk na het vertrek van den Prins, in alle voorname steden van Utrecht
en Holland, onder Pichegru zijnen intogt hield. Doch hetgeen ik daarvan te
zeggen heb, knoopt zich zoo onmiddellijk vast aan de geschiedenis van den
pruissischen inval van '87, aan die van het aandeel der Prinses daarin, aan die
der gevolgen daarvan voor de partij der patriotten, dat ik best doe eenvoudig
voort te gaan met verhalen. - Wat is de reden dat de fransche wapenen hier te
lande in '95, nergens den minsten tegenstand hebben ontmoet? Deze, dat ten
gevolge van 's Prinsen coup d'état van '87, duizenden van hollandsche
uitgewekenen, naar Frankrijk gevlugt, aldaar eene revolutionnaire kern hebben
gevormd, eene hartader met honderd vertakkingen in het moederland, een
steunpunt voor de krijgsoperatie der fransche republiek. En de reden dat zelfs
de weldenkendsten onder de patriotten geene zwarigheid maakten de hulp der
Franschen te aanvaarden, geen landverraad zagen in het toelaten, begunstigen,
inroepen bijna, dier vreemde wapenen? Deze, dat zij zich als even zoovele
slagtoffers van 's Prinsen landverraad beschouwden, door hem weêrloos aan
de Pruissen overgeleverd, met pruissische kanonnen beschoten, in pruissische
gevangenissen tot dwangarbeid veroordeeld, met pruissisch geweld in de boete
geslagen of uit het land gejaagd; en dat in hunne oogen derhalve het inroepen
der Franschen enkel eene daad van geoorloofde zelfverdediging was. De reden,
eindelijk, dat in de Circulaire Missive van het Comité voor den opstand
niet slechts van den ‘verachtelijken Willem den Vden’
maar ook van zijne ‘bloeddorstige en wraakzuchtige Vrouwe’
gesproken werd, welke was zij? Zij was, dat men de prinses aanmerkte, als de
voorname bewerkster van de komst en geweldenarijen der Pruissen; hare beruchte
reis van Nijmegen over Gouda naar 's Hage, als een te voren overgelegd stuk,
ten einde zich te laten beleedigen; en dus ook de naar aanleiding | | | |
dier geprovoceerde aanranding door den koning van Pruissen gevraagde en weldra
genomen satisfactie, als het werk eener gewetenlooze en heerschzuchtige
intrigante.
De Prinses! Er bestaan uit de jaren 1818 en '20, van de hand van
Feith, die, in 1816, tot Ridder van den Nederlandschen Leeuw benoemd was, een
paar gedichten ter eere dier vorstin, toen gewoonlijk bijgenaamd de
Prinses-Douairière (Willem V overleed te Brunswijk den 9den
April 1806). Het eerste dier verzen is de opdragt aan Hare Hoogheid van den
bundel Verlustiging van mijnen Ouderdom. Daarin komt voor van:
'k Eerbiedig met ontzag de Moeder van mijn Koning,
Maar 'k wij' den wierook thans aan Staat of Aanzien niet.
Aan wie wordt dan nu 's dichters wierook toegebragt? Hij
vervolgt:
Der groote Vrouw alleen, wie 't Noodlot niets ontrukte;
Die, bij zijn felsten wrok nog boven vrees en hoop,
Altijd zichzelf genoeg, waar heel Europa bukte,
Een koninklijke ziel vertoonde aan 't slaafsch Euroop.
Feith, weleer in '95 een voorganger onder de verloren zonen der
democratie, doch met alle wijzen en verstandigen in den lande, na de
restauratie en hare reactie in het Oranje-vaderhuis teruggekeerd, werd uit
erkentelijkheid voor deze opdragt, door de prinses-douairière met een
stel porceleinen vazen begiftigd, beschilderd met bloemkransen, waaronder hier
en daar een takje vergeet-mij-niet. Ook ontving hij, toen en later, eenige
eigenhandige brieven van haar. En dat er nu voortaan op deze wereld voor den
‘goeden
Feith’, zooals Bilderdijk hem eenmaal noemde, geen andere brieven, geene
andere porceleinen vazen meer bestonden als die zekere, dit bleek toen de
Prinses in het jaar '20 overleed en Feith een lijkdicht op haar vervaardigde;
het andere vers straks genoemd: ‘Ik staar,’ roept hij daar uit:
| | | |
Ik staar met weemoed op 't geschenk van uwe hand,
En - om de Vazen schijnt een droeve nacht verrezen.
Ik lees de brieven, van uw gunst mij 't onderpand,
En tranen vloeijen langs mijn kaken onder 't lezen.
En ach! als dan mijn oog uw naam daar schittren ziet
In eenen bloemkrans, met Vergeet-mij-niet doorweven,
Dan snik ik overluid: ‘Vorstin! 'k vergeet u niet,
Uw naam staat in mijn hart voor de eeuwigheid
geschreven!’
Nu zal ik niet beweren, dat de oude prinses door een geest van
boosaardigheid gedreven werd, toen zij den achtenswaardigen Feith door hare
brieven en geschenken in verzoeking bragt, aldus op zijn ouden dag voor hofnar
te spelen. Al was zij eene Duitsche van afkomst, zij behoefde daarom de
‘Schadenfreude’ niet mede ten huwelijk te hebben gebragt. Doch dat
zij, na 1813, gezeten in hare vertrekken op het haarlemsch Paviljoen, of
wandelend door de lanen der Haarlemmerhout, niet wel eens gemeesmuild heeft om
de algemeene nederlandsche Keezenbekeering, en om de diepe buigingen, die het
voormalig patriottendom na de restauratie in proza en poëzie voor haar
maakte - voor haar, het overal nagejouwd en uitgekreten Willemijntje van
voorheen! - ook dat zal ik mij onthouden te beweren.
Zeker is, dat de Keezen-dichters van het jaar '87 geheel anders over
haar dachten, en van haar spraken, als Feith naderhand deed.
Simon Stijl, die in zijnen jongelingstijd,
eenige blijspelen schreef (gelijk hij trouwens zijn gansche leven door, in het
openbaar en in den stille, arbeidde voor het tooneel), schreef in genoemd jaar
'87, volle 56 jaren oud, en geenszins derhalve in jeugdigen overmoed, naar
aanleiding van den staatsgreep der prinses, nogmaals een blijspel, waarvan
reeds de titel (De Torenbouw van het vlek Brikkekriks in het landschap
Batrachia) doet vermoeden, dat de persoon van Hare Hoogheid, en in het
gemeen de toenmalige gebeurtenissen van den dag, in dat tooneelstuk, op weinig
of geene barmhartigheid van oordeel zullen kunnen rekenen. - Een weinig later
zullen wij Simon Stijl nogmaals ten tooneele zien verschijnen; en wel in de
Nationale Vergadering van '96, als | | | | lid en president der Commissie
van Constitutie. Doch ik vraag verlof reeds thans een enkel woord over hem te
mogen zeggen, niet zoozeer over den staatsman in hem, als wel over den mensch
en den letterkundige.
Gelijk de zwerver
Pieter van Woensel, zoo was ook de
hokvaste Simon Stijl medicus en ongehuwd. De fraaije buste van hem, onlangs
door den voortreffelijken heer Royer vervaardigd en dezer dagen
1 te
Harlingen aan Stijl's nagedachtenis toegewijd, vertoont een
deftigen, vleezigen fantasie-kop uit de achttiende eeuw; een kop, om zoo te
zeggen, met mantel en bef, met pruik en onderkin. Minder deftig ziet er de
teekening uit in rood krijt, door Stijl zelven vervaardigd, en waarop hij
prijkt met slaapmuts en borstrok.
Stijl's letterkundige reputatie, gelijk men weet, rust hoofdzakelijk
op twee proza-schriften: het Leven van den tooneelspeler en graveur
Jan Punt en vooral de Opkomst en Bloei der Vereenigde
Nederlanden, eene studie over onze vaderlandsche geschiedenis meer dan zulk
eene geschiedenis zelve; een boek, thans overschaduwd door dat van
Motley, doch dat niettemin geruimen tijd na den dood des
schrijvers, inzonderheid in de zuidelijke provinciën (tijdens onze
vereeniging met België), als lees- en leerboek zeer populair is geweest en
aanmerkelijken invloed heeft uitgeoefend. Over hetgeen Stijl omtrent den
eersten druk van dit werk (dien van '72) heeft moeten hooren van den jeugdigen
en veelbelovenden
Pieter Paulus; desgelijks omtrent zijn
Leven van Punt uit den welbespraakten mond van den akteur
Corver, en eindelijk reeds vroeger omtrent
zijn treurspel De Mityleners van de zijde der
Vaderlandsche Letteroefeningen - over de aanvallen, naar
aanleiding dezer geschriften door hem verduurd, en voor hetgeen hij daarop bij
onderscheidene gelegenheden antwoordde, zeg ik, zou een afzonderlijk en niet
onbelangrijk studietje te leveren zijn. - Als tooneeldichter staat Stijl
aanmerkelijk lager dan
Onno van Haren, zijn frieschen land- en
ouderen tijdgenoot; met wien men hem onwillekeurig vergelijkt. Om nu van zijne
| | | | treurspelen niet te spreken ( Heraclea,
Agnes, De Mityleners,) en ook van zijne andere
blijspelen niet (Krispijn Filosoof,
De Vrijer naar de Kunst, De Belagchelijke
Minnenijd) - de conceptie van zijn straksgenoemd blijspel
De Torenbouw is in vergelijking van die van
Pietje en Agnietje bijster zwak. Zijne scherts is rond,
soms ruw, doch zonder diepte van gedachte. Doch zoo hij de oorspronkelijkheid,
de frischheid, de naieveteit, de vlugt en den rijkdom van Van Haren mist, hij
bezit, in poëzie, zoowel als in proza, eene gemeenzaamheid met de geheimen
der taal, eene vastheid en gelijkmatigheid van uitdrukking, waardoor hij naast
Onno in het oogloopend gunstig afsteekt. Wie de jonge dame geweest is, die in
Simon Stijl's dichterlijke nalatenschap den naam van Laura draagt, en of deze
Laura werkelijk haar eenmaal aan onzen dichter gegeven woord naderhand
trouweloos gebroken heeft, weet ik niet. Doch zeker is, dat de meeste zijner
jeugdige minnedichten (waaronder enkele bevallige en geestige) zijn ingegeven
door een gevoel van teleurgestelde liefde. Opkomende misanthropie en muurvaste
celibaatgeloften gaan daarmede hand aan hand. Eene goedige (niet
hartstogtelijke) soort van bitterheid behoort tot de kenmerkende eigenschappen
van Stijl's mengelpoëzie. Daarbij is hij een zeer warm anti-klerikaal; en,
ofschoon doopsgezind van afkomst, waren zelfs de zachte banden van dit
genootschap hem nog te knellend.
Wie 't Onze Vader bidt en volgt de Tien geboden,
Heeft Luther noch Kalvijn, noch Menno-zelfs van noden:
dus was zijne niet oneigenaardige leus. In het karakter van den
predikant Guichelheil (een der hoofdpersonen van De Torenbouw) laat hij
aan zijne antipathie tegen de protestantsche geestelijkheid der achttiende eeuw
den vrijen teugel. - Ofschoon Stijl vele en groote kundigheden bezat, koesterde
hij omtrent de geleerden van beroep den gewonen afkeer der begaafde
dilettanten:
Met veel geleerde lui is 't lastig om te gaan,
Omdat zij, buiten hun Arabisch, niets verstaan.
| | | |
Hij was misanthroop in theorie:
't Is een Verrader, die het menschdom niet bemint:
Maar ook een Blindeman die 't niet belach'lijk vindt;
doch praktische menschenschuwheid lag niet in zijnen aard. Slechts
twijfel ik of zijn ideaal van comfort en gezelligheid ons over het algemeen wel
bevallen zou:
Een frissche pijp in de eene, en 't glaasje in de andre hand,
Met zoete praters, op een winteravond-uurtje,
In een bekwaam vertrek, en bij een luchtig vuurtje,
Terwijl de Noordewind ons van de straten bant -
Ik weet geen grond zoo diep die dan niet is te peilen,
'k Wou wel op die manier rondom de wereld zeilen.
Men bemerkt, onze dichter kon Laura en hare gezellinnen, bij die
reis om de wereld, des noods missen. - Een lofredenaar van den ouden tijd was
hij niet, was hij nooit, zelfs niet als grijsaard: getuige zijn
Vredezang bij den aanvang der negentiende eeuw,
verschenen in 1801, toen de dichter reeds 70 jaren telde. Doch blijkens zijn
vijfregelig puntdichtje, getiteld De Vorige Eeuw en aldus luidend:
Wij lagchen om de vorige eeuw:
Zoo spot men met een dooden leeuw.
Hoe zal de volgende eeuw, helaas!
Niet spotten met den dooden haas...
blijkens dit versje is Simon Stijl zonder
groote illusiën omtrent de toekomst ten grave gedaald.
Stijl moge dan als dichter beneden zijn landsman Van Haren, als
prozaschrijver beneden zijn kollega Van Woensel staan (deze laatste had ook
meer van de wijde wereld gezien en had minder op met ‘een frissche pijp
in de eene en 't glaasje in de andre hand’), - hij was een kunstkenner,
geenszins van schoonheidsgevoel misdeeld, iemand die blijkens zijne Opkomst
en Bloei de in ons vaderland altoos eenigzins zeldzame gave | | | |
bezat van hetgeen de Franschen noemen ‘faire un livre.’ Men heeft
hem dezer dagen te Harlingen zeer onverdiend belagchelijk gemaakt; en wel door
op de regterzijde van het voetstuk waarop zijn borstbeeld rust, dit vierregelig
bijschrift te beitelen:
Zie 't beeld van Doctor Stijl! Waar mag zijn geest nu spelen?
Men weet wel, wandelaar! dat gij 't niet gissen kunt.
Maar zoo hem 't spooken wordt vergund,
Dan spookt hij door Europe op alle Treurtooneelen.
Stijl heeft met dit versje op zichzelven (want de bewuste vier
regels zijn van hem) hoogst waarschijnlijk niets meer bedoeld dan eene volkomen
onschuldige en schertsende zinspeling op zijnen hartstogt voor het
liefhebberijtooneel - die groot was. Doch gelijk het bijschrift daar nu
uitgehouwen staat in marmer, predikt het eene dwaze snorkerij. Laat ons hopen
dat het weldra door een ander vervangen zal worden. Mag ik deze vlugtige schets
met nog één trek voltooijen, zoo voeg ik bij het gezegde dat
Simon Stijl, gelijk aan een verstandig
medicus betaamt, eene uitmuntende constitutie en krachtige spijsverteering had.
Dr. Ottema, van Leeuwarden, die bij de onthulling van het borstbeeld de
feestrede uitsprak, verhaalde bij die gelegenheid aan het slot zijner oratie,
toen haar toon zich begon te verheffen, dat er den 2den Junij 1802,
ter eere van den vrede van Amiens, behalve een diner en souper op het
harlingsch Raadhuis, ook in het Heerenlogement aldaar ‘een prachtig
diner’ en ‘niet minder prachtig souper’ gehouden is: het
souper 's avonds, het diner 's middags, omstreeks half twee. Simon Stijl, dus
zeide de redenaar, Simon Stijl, die aan beide maaltijden deelnam en bij die
gelegenheid een koppel verzen leverde, een Vreugdezang en een
Feestgalm, ‘overleefde nog slechts twee jaren dezen ook voor hem
zoo heugelijken feestdag’.... Nog slechts twee jaren? Ondankbare
redenaar! Verwonderen wij ons veeleer, dat de gansche stad Harlingen destijds,
met inbegrip van Simon Stijl, niet binnen veertien dagen aan eene indigestie
uitstierf.
Wanneer nu in het herhaaldelijk door mij genoemd blijspel
| | | |
De Torenbouw tot hiertoe ongedrukt gebleven, doch waarvan
eene vriendelijke hand mij inzage gunde; wanneer daarin, behalve den reeds
vermelden Ds. Guichelheil, behalve zekeren Dokter Ristortus, behalve een
vijftal schepenen, uitmakend het gemeentebestuur van Brikkekiks (een plaatsnaam
die niet onduidelijk aan een land van moerassen en kikvorschen herinnert), door
Simon Stijl ook en hoofdzakelijk (met nog meer andere personen) ten tooneele
worden gevoerd: Mijnheer de Schout Krabbekwaad, die nu en dan een woordje
fransch spreekt, en zijne echtgenoot Mevrouw Krabbekwaad, die eene geboren
freule Habstenoer is, en aan wie bij tusschenpoozen eene en andere duitsche
uitdrukking ontsnapt, dan is dit echtpaar, waarvan de vrouw den man de baas is
en de man zijn troost in de wijnflesch zoekt, niet anders als eene charge van
den Prins en de Prinses, omstreeks den tijd der contra-revolutie van '87. De
satire is ruw, is grof; doch wie eenigzins thuis is in de pamfletten- en
dagbladen-litteratuur van dien tijd, weet ook dat zij eenvoudig uitdrukt,
hetgeen alle patriotten destijds meenden en, wanneer zij onder elkander over
den Stadhouder en diens huiselijk leven spraken, ook tamelijk luid tot elkander
zeiden. - In het eerste bedrijf verlangt Mevrouw Krabbekwaad, buiten de
tegenwoordigheid van haren echtgenoot, een onderhoud te hebben met den
predikant. Zij verlangt met dezen te raadplegen over het verstoren van zekere
aangevangen torenbouw, een vernietigingswerk waartoe zij voornemens is aan
haren broeder, den Vrij-heer Habstenoer, minstens 18000 ambachtslieden ter leen
te vragen. ‘Mijnheer Krabbekwaad,’ zoo zegt zij daarom tot den
schout, haren echtgenoot, ‘het wordt tijd dat gij de brieven onderteekent
die Stotterzot’ (zoo heet de Kamerdienaar-Sekretaris) ‘op mijn last
geschreven heeft, zij zullen’ (hier ziet zij op haar horloge) ‘nu
wel in gereedheid zijn.’ - De schout antwoordt: ‘Mevrouw
Habstenoer, of Krabbekwaad, tout comme il vous plaira, 't is wat te vroeg: mijn
handen beven nog.’ - Mevrouw herneemt op straffen toon: ‘Denk aan
uw pligt.’ De nadruk waarmede Mevrouw dit zegt, is van dien aard, dat
Mijnheer Krabbekwaad, alhoewel schoor- | | | | voetend, vertrekt; en onder
het heengaan tusschen de tanden mompelt: ‘Dat wijf, dat wijf! en 't is of
er de drommel mee speelt, ik durf haar toch niet onder de oogen zien.’
Vergelijk hiermede de veel fatsoenlijker bewoordingen van den franschen
gezantschapssekretaris: ‘M. le Stadhouder se défie de sa femme et
craint qu'elle ne le supplante; ce qu'il y a de plus fâcheux, c'est que
cette crainte paraît très-fondée’, en gij wordt, in
weerwil der verscheidenheid van vormen, getroffen door de volkomen
overeenstemming van beide traditiën - de eene uit den Haag overgebriefd
naar Parijs, de andere te Harlingen in de eenzaamheid op het papier gebragt en
hoogstens aan een kleinen kring van vertrouwden medegedeeld. - Nu een ander
tooneel, ditmaal uit het tweede bedrijf. Wij zijn ten huize van Mevrouw
Fijnepijn, eene jonge rijke weduwe aan wie Ds. Guichelheil een weinig het hof
maakt, en zij aan hem. (Gij bemerkt, hier zijn wij en plein Tartuffe). Wij
treffen er den predikant, den dokter, en ook een advokaat of staatsman aan.
Daar komt, te midden van het gesprek dezer heeren onderling, Stotterzot de
kamer ingestoven. Hij is doodelijk ontsteld. De vrouw des huizes biedt hem tot
restauratie een glas bourgonje aan; doch hij geeft, Duitscher van afkomst die
hij is, de voorkeur aan een Keulenaartje. Na nog een tweede Keulenaartje is hij
genoegzaam van den schrik hersteld, om met afgebroken woorden te kunnen
verhalen, dat aan Mevrouw Krabbekwaad een groot ongeluk is overkomen.
‘Wat is er gebeurd?’ vraagt de advokaat. ‘Is mevrouw
geïnsulteerd?’ Stotterzot antwoordt: ‘Insultirt, arrestirt,
lieber Herrn! ihr haben 's recht.’ ‘Mevrouw Krabbekwaad?’
vraagt Dr. Ristortus vol verbazing. ‘ Geboren Habstenoer!’ vraagt,
niet minder verbaasd, Ds. Guichelheil er bij. ‘Das ist,’ herneemt
Stotterzot, ‘das ist der grouwel! Das Krabbekwaad allein werdte gar
nichts sein: aber das heiliges Habstenoer-haalt mich ter Deibel!’ Hierop
wendt de jonge weduwe zich tot den predikant en vraagt hem aan het oor:
‘Zou mevrouw Krabbekwaad dat gezocht hebben?’ De dominee antwoordt,
insgelijks in vertrouwen: ‘Betje! Gij hebt eer van dien inval.’ -
Die inval van mevrouw Fijnepijn nu (en hier- | | | | mede stappen wij van
Simon Stijl en van zijn blijspel af) moet bijna aan een ieder invallen, die de
Vaderlandsche Geschiedenissen van '87 leest. Volgens de waarschijnlijkste
berigten is het plan van de reis der prinses uitgedacht geworden door den heer
Stamfort of Standfort, gouverneur der jonge prinsen, en de gansche onderneming
was op deze berekening gegrond: ‘Laat men haar door, dan komt er eene
omwenteling ten haren voordeele; weert men haar feitelijk, dan wordt het een
point d'honneur voor haar koninklijken broeder zich de zaak aan te
trekken.’
1 Nu kan men tot verklaring van dit gedrag der Prinses van Oranje
meer dan ééne verzachtende omstandigheid bijbrengen. Het was
grievend voor haar, kan men zeggen, dat sedert den engelschen oorlog van '81
alle provinciën der Unie schenen te hebben zamengezworen om den
Stadhouder, haren echtgenoot, in zijne grondwettige regten (die ook eenmaal de
regten van haar oudsten zoon behoorden te zijn) op allerhande wijzen te
verkorten; dat men hem eerst den rang van Kapitein-Generaal des
bondgenootschappelijken legers; en vervolgens ook het kommando over de troepen
der hofstad afhandig had gemaakt. Men kan er bijvoegen: het was hard voor het
stadhouderlijk gezin den Haag welstaanshalve te moeten verlaten en de wijk te
nemen naar Nijmegen, naar het, altoos nog minder dan Holland, ontrouwe
Gelderland. Doch laat de billijkheid ons regtvaardigheidsgevoel niet
verschalken. Dat de Regentenpartij aan 's Prinsen waardigheden tornde, was
ongrondwettig; doch dat zij daarin slaagde, was het natuurlijk gevolg van 's
Prinsen gebrek aan zedelijken moed en derhalve zijn eigen schuld. En buitendien
- weinig tooneelen wekken zulk een diepen weerzin als het schouwspel eener
vorstin met niet meer dan middelmatige geestvermogens, die onderstaat eene
politieke rol te spelen. Behalve dat dit leelijk staat, is het ook immoreel.
Mij dunkt, dat Prinses Wilhelmina, toen zij in '95 genoodzaakt werd naar
Engeland te vlugten, niet meer dan haar verdiende loon heeft gehad.
Eigenzinnige vrouwen met kleingeestige hartstogten voegen op geen troon. Zij
zijn de | | | | magt waarover zij beschikken, den hoogen rang dien zij
bekleeden, de gelegenheid die haar gegeven is om goed te doen, onwaardig. Dat
de Prinses van Oranje (gelijk ook blijkt uit de omstandigheid dat hare
postpaarden vooruit en met ophef waren besteld geworden), dat zij is uitgegaan
om zich te laten beleedigen, en dat zij van die aldus uitgelokte beleediging
partij heeft getrokken om aan haren broeder een voorwendsel tot interventie te
verschaffen; dat zij over de staten van haren echtgenoot de grootste schande
heeft gebragt, die over een onafhankelijk volk te brengen is (uitheemsch
geweld); dat zij niet geschroomd heeft, om onder de hoede van een pruissisch
leger, wederom bezit te komen nemen van haar paleis in de residentiestad - is
een dier daden waardoor te allen tijde vorsten en vorstinnen hunne regten
hebben verspeeld en hunne populariteit verbeurd. De chronique scandaleuse van
het hof der Prinses is beneden onze aandacht. Doch welke nieuwe misslagen onze
republikeinen na '95 ook mogen begaan, wat zij ook mogen hebben toegebragt om
den val des lands te voltooijen, dit schijnt vast te staan, dat indien Willem V
geacht moet worden de auteur van al onze eerste ongelukken te zijn geweest,
Prinses Wilhelmina in dit auteurschap van den Stadhouder ruimschoots haar
aandeel heeft gehad.
Laat mij kort zijn omtrent de geweldenarijen, in weerwil van den
geringen tegenstand, dien het alom behalve te Amsterdam ontmoette, door het
pruissisch leger gedurende den korten tijd van zijn verblijf hier te lande
gepleegd. ‘Plundering, roof, en diefstal,’ dus beweerde in '95
Adriaan Loosjes, ‘met alles wat de
menschelijke natuur en de burgerlijke vrijheid vernedert, vergezelden de
pruissische benden. Van den woesten soldaat af tot het legerhoofd, den Hertog
van Brunswijk, toe’ (dus gaat hij voort), ‘was dieverij hun
kenmerk; zelfs, als het rooven gold, hunne zoogenaamde vrienden niet
sparende.’ En hij besluit: ‘Een handvol Pruissen, die bijna zonder
eenigen tegenstand als vrienden binnentrok, bestal Nederland.’ Aan deze
forsche uitdrukkingen herkent men ligt den hartstogt der voormaals onderdrukte
partij. Toch schijnt de overdrijving hier minder sterk te zijn dan men
verwachten zou. ‘Deux enseignes,’ zoo leest men in
den franschen tekst van het verhaal der pruissische kampagne door een
pruissisch officier, ‘deux enseig- | | | | nes de l'armée prussienne, ayant
voulu emprunter à une vieille veuve cent mille florins, et cela d'une
manière un peu illégale, furent traduits devant un conseil de
guerre, et l'on demanda leur cassation.’
1 Of de geëischte cassatie ook werkelijk gevolgd is, wordt niet
gemeld; ook niet, of die ‘vieille veuve’ niet bijgeval eene
prinsgezinde was, en evenmin, of dit een op zich zelf staand geval is geweest,
of niet. Doch hooren wij een vaderlandsch geschiedschrijver, bij uitnemendheid
prinsgezind (Van der Aa): ‘De schrik en verwarring, door den snellen
voortgang der van alle kanten naderende Pruissen veroorzaakt, gaat alle
verbeelding te boven. De angst, waarmede velen huis en have in den loop lieten,
elders een goed heenkomen zoekende, gaf aan den behoeftigen soldaat de
gelegenheid om alles wat hem aanstond of van eenige waarde scheen, ondanks het
gegeven verbod, te rooven.’ Doch dit was het ergste niet. Den
1sten October werd te Amsterdamhevig en bloedig
gestreden; menig Pruis vond er den dood; menig Patriot werd daar door midden
geschoten met de kogels der Prinses: zoo wreekte zich deze vorstin, met
overvloed van kruitdamp, over de tabakswolken, die haar in de boerenwoning bij
de Goejanverwellesluis door eenige lompe vrijkorporisten in het aangezigt waren
geblazen. Eene groote menigte verdedigers der hoofdstad werd gevangen genomen
en onder militair geleide naar Wezel vervoerd, ‘waar zij’, dus
luidt wederom het berigt van den prinsgezinden geschiedschrijver, ‘in de
walgelijkste gevangenissen opgesloten, en naauwelijks van het noodig voedsel
tot onderhoud van het leven verzorgd werden.’
2 Zijn
toppunt bereikte dit geweld in deze bijzonderheid: Onder de gewapende
Patriotten die te Amsterdam en elders den Pruissen in handen vielen, bevonden
zich ook een aantal min of meer volwassen knapen uit onderscheiden Godshuizen:
afhangelingen derhalve, die op bevel, of met oogluiking der Regenten dier
gestichten, deel | | | | genomen hadden aan den nutteloozen en wanhopigen
tegenstand. Deze weesjongens (waaronder met name een aantal haarlemsche) werden
voor een deel bij strafbataljons in vestingsteden ingelijfd, voor een deel mede
naar Wezel vervoerd. Men heeft die jongens niet op vrije voeten kunnen krijgen,
als tegen betaling van 70 à 80 dukaten per hoofd, door vermogende lieden
bijeengebragt: een soort van bloedprijs, die óf gevloeid is in de
schatkist van den Koning van Pruissen, óf de grondslagen heeft gelegd
van den partikulieren spaarpot van enkele pruissische officieren, eigenmagtig
daarin handelend.
1 - ‘Tout
cela n'est dû qu'à vous, monsieur:’ dus zeide de Hertog van
Brunswijk-Luneburg tot onzen Bilderdijk, toen deze hem, na de inneming van
Amsterdam, met den goeden uitslag van dat bloedig dagwerk op het Damplein geluk
wenschte; en Bilderdijk-zelf heeft in een zijner eigen levensbeschrijvingen dit
woord van den Hertog opgeteekend. En waarom zou hij, dien wij de vorige reis
als den herdershond van het stadhouderschap leerden kennen, in verband met
zijne bijzondere opvatting van het goddelijk regt der vorsten, zich ongaarne
hebben begroet gezien, als jagershond van den Koning van Pruissen? Waaruit
natuurlijk niet volgt dat hij de pruissische knevelarijen in alle
bijzonderheden heeft goedgekeurd; evenmin als de prins of de prinses
aansprakelijk behoeven gesteld te worden voor alle bijkomstigheden en gevolgen
der pruissische interventie. Het Hof van Holland, dit vernamen wij, maakte
onderscheid tusschen overtredingen ‘uit ijver voor het zoogegenaamd
patriottisme,’ en overtredingen ‘uit zèle voor het huis van
Oranje.’ Zoo deden ook andere regtbanken en overheden. Doch de uitkomst
was niettemin dat de stadhouder en zijne gemalin zich bij deze gelegenheid den
onverzoenlijken haat van tien duizenden onder hunne landgenooten op den hals
haalden.
De sprinkhaan, die, bij dichte wolken,
Op de Oosterlanden neêrgestort,
Van over 't wijd der waterkolken
Verwoesting dreigt aan gansche Volken, -
Schiet hier in aantal zelfs te kort.
| | | |
Te kort bij hen, wier woeste hoopen,
Op 's Afgronds blazing opgestaan,
Met dierbaar Koningsbloed bedropen,
Na eigen Vaderland te sloopen,
Geheel Euroop verdelgen gaan.
Verwaten monsters, schrik der aarde,
Die de eeuwig duistre gruwelpoel
Tot 's aardrijks fellen geessel baarde
En voor het laatst der tijden spaarde:
Ontbloot van menschheid en gevoel!
Zoo schilderde Bilderdijk, in '93, het fransche republikeinenleger
van den generaal Dumouriez. Of de pruisische soldaten, aan wie hijzelf den weg
naar Amsterdam wees, nu wel zooveel beter van ‘menschheid en
gevoel’ voorzien waren als de fransche Carmagnolen is twijfelachtig. Doch
de fraaije vergelijking der oostersche sprinkhaanwolken was ook van toepassing
op het leger van '95, het leger van Pichegru. ‘Fransche legioenen,’
zegt Loosjes ‘uit meer dan honderdduizend man bestaande, overstroomden,
na een langdurigen, bloedigen veldtogt, uitgehongerd, verkleumd, en bijna
naakt, deze gewesten.’ Die naaktheid was in Loosjes' schatting een
eeretitel; én in zichzelve, én in verband met hetgeen volgt:
‘Van den schamelsten Carmagnool tot den eersten Veldoverste toe, was
edelmoedigheid, vriendelijkheid, en eerlijkheid, hun kenmerk. Vijanden van
plundering en roof, verheven boven den diefstal, gewoon aan het harde
oorlogsleven, kwamen zij ons verlossen; ons, jazelfs de vijanden van ons en hun
stelsel, tegen allen onwilligen overlast, als menschen, beschermen. Zij traden
onze huizen in, maar als vrienden die elkander lang gekend hadden. Zij aten en
dronken met ons als broeders door de natuur. En hoe weinigen onzer voelden
ongerustheid, schoon een onbekende Franschman den eersten nacht in hun huis
doorbragt.’ Het is duidelijker dan ooit: al naarmate men de menschen en
dingen van dien tijd door den oranje-bril van
Bilderdijk of door het patriotten-kijkglas
van Loosjes beziet, behooren ze tot de orde van Ahriman of van Ormuzd, tot die
van Gabriël of van Lucifer. De waar- | | | | heid is geweest: dat het
fransche leger ons onnoemelijke schatten heeft gekost; dat het fransche
gemeenebest het onze als een vampyr heeft uitgezogen; dat geen menschelijkheid
of edelmoedigheid, maar heb- en heerschzucht de schreden der fransche
republikeinen herwaarts hebben geleid. Zij is geweest: dat wij, de Franschen
inhalenden, om met
Dr. van Woensel te spreken, het
trojaansche paard (een bij uitnemendheid dampig en kolderig dier) hebben
ingehaald. Doch het is óók waar, dat de fransche generaals en
hunne Carmagnolen zich in '93 uitmuntend hebben gedragen; dat zij ons wel geld,
schrikkelijk veel geld, maar geen druppel bloeds hebben gekost; en dat hunne
honderdduizenden minder kwaad bij ons hebben uitgerigt dan de tweemaal
tienduizend Pruissen van het jaar '87. Die Carmagnolen waren geen soldaten van
beroep, en ook naauwelijks als soldaten gekleed, maar behoorden tot hetgeen men
in Frankrijk, sedert de groote omwenteling aldaar aan het eind der vorige eeuw,
‘le Peuple’ noemt. Voor weinige jaren hoorde ik te Leiden, waar hij
in een kosthuis, bijna in armoede, aan de tering stierf, den franschen
republikein, socialist en balling, Charles Lagrange, een man die in '48 met
meer dan 400.000 stemmen tot lid der Volksvertegenwoordiging gekozen werd,
terwijl hij zich met de magere hand over den langen en vóór den
tijd vergrijsden knevel streek, tusschen twee drooge hoestbuijen in, met
heesche stem, en met dien eigenaardigen glimlach, die een familietrek der
teleurgestelde fransche demokraten schijnt (althans ook te Genève
ontmoette ik in '49 een aantal zulke mannen), telkens herhalen:
‘Voyez-vous, monsieur, le peuple est bon; le peuple est bon.’ En
dan volgde, in tegenstelling daarmede, eene reeks van leelijke bijnamen aan het
adres van
Napoleon III, die ik mij wel wachten zal
hier te herhalen. Die aangeboren ‘goedheid’ nu, wier zedelijk
gehalte luttel is, en die bij hen gepaard ging met onstuimige en barbaarsche
woestheid op het slagveld, schijnen de fransche Carmagnolen herwaarts te hebben
medegebragt. Wat Bilderdijk in '93 van hun zong: dat de ‘eeuwig duistere
gruwelpoel der hel ze tot 's aardrijks geessel had gebaard,’ | | | |
heeft zich hier te lande niet bevestigd, en ze schenen zoo weinig onhandelbaar
dat een man als Prof. Heringa geen zins wanhoopte of er zouden mettertijd
geschikte protestanten van te maken zijn.
Nog één terugblik op dat vreedzaam tooneel, en ik zal
geëindigd hebben. Waarom miste die omwenteling bij ons schier alle poezie?
waarom was zij bij ons niet grootsch gelijk in Frankrijk? Best gevoelt men dit,
wanneer men bij den guillotine-gang van
Lodewijk XVI aan dat zekere woord van
Willem V denkt: ‘Ik wil alles wagen om Holland te verlossen, maar alleen
het schavot waag ik niet.’
Haperde het Willem V aan persoonlijken moed? Niet waarschijnlijk; de
Prinsen van Oranje hadden dien altoos. De Patriotten hebben kwalijk gehandeld
met onder elkander te meesmuilen over 's Prinsen vertrek naar Engeland in eene
visscherspink; en zij hadden zich niet vrolijk moeten maken over de
omstandigheid dat 's lands Admiraal-Generaal op deze wijze zijne eerste zeereis
deed en golfziek werd. Ik zal ook niet zeggen, dat men den Stadhouder volkomen
regt laat wedervaren, wanneer men hem zich enkel denkt, gelijk hij ons, op het
tijdstip van zijn vertrek, door een zijners levensbeschrijvers wordt
voorgesteld: gezeten op de schouders van een sterk gespierden Scheveninger en
aldus, om den reeds hooggestegen vloed, naar boord gedragen. Niet dat dit
tafereel alle symbolische waarde voor ons mist (arme Prins, hij had bij het
stijgen van den revolutievloed, toen het water aan de lippen kwam, wel
allermeest noodig gehad, te kunnen rusten op de breede schouders van het
krachtigst deel der natie), doch het beeld is niettemin gebrekkig; en men zou
zich even goed den veerkrachtigen Napoleon op den rug van zulk een Scheveninger
denken kunnen. Wij zijn dus niet geregtigd des Stadhouders schrik voor het
schavot aan gemis van karakter toe te schrijven. Maar wel mogen wij zeggen: dat
Willem V, wiens goede hoedanigheden alligt niet minder waren, dan die van
Frankrijks Koning, dat hij niettemin eene zoo weinig dichterlijke figuur in
onze vaderlandsche geschiedenis is, komt hiervan dat hij niet als Lodewijk XVI
eene martelaarskroon heeft gedragen; hiervan, dat hij niet | | | | in
eigen persoon ten zoenoffer heeft gestrekt voor de zonden der eeuwen. - En deze
zelfde opmerking uitbreidend tot onze gansche omwenteling van '95, mogen wij er
bijvoegen: Aan zooveel declamatie, pseudo-natuur, ploertige vrijheid en
gelijkheid en broederschap, als waarmede de opkomst der democratie alom gepaard
ging, kon alleen de bloeddoop der guillotine die hoogere wijding geven, waarin
al het belagchelijke en onpraktische onderging, waardoor al het edele en
grootsche bovenkwam. Aan de pruissische invasie-zelf, van hoevele
ongeregtigheden ook vergezeld, ontbrak de noodige ernst; haar mantel was niet
bloedig genoeg om al het proza en de vele kleingeestigheden der revolutie bij
ons mede te bedekken.
|
1[Studie over de Van Harens in deel VI der
Litterarische Fantasien. ]
1Dr. Halbertsma, Fragmenten, p.
190.
1 Brieven, II, p. 97, 98.
1Van der Aa, Leven, IV, 439
vgg.
1Van Alphen, Dichtwerken (1839) III, p.
LXXIX vgg.
2Nijhoff. Bijdragen X, 167.
1Bilderdijk, Geschiedenis, XII, 235
vgg.
1Van der Aa, Leven, IV, 87.
1Nijhoff, Bijdragen X, 167,
168.
1‘Eene goede Constitutie behelst al 't
goede 't geen eene natie genieten kan. Deze ons te bezorgen heeft de
Ex-Stadhouder in de hand gehad. Dit niet gedaan hebbende, beschouw ik hem als
den auteur van al 't ongeluk mijns vaderlands.’ Lantaarn van
1798.
1Julia Kavanagh, Women in France, p. 183
(Nijhoff, Bijdr. X, 167).
1Bilderdijk, Geschiedenis, XII,
206.
1Bilderdijk, Geschiedenis, XII,
205.
|
|