|
|
|
| | | | | |
Vijfde lezing. Van Woensel en Loosjes.
‘Gelijk de wakk're Haan tot kraaijen is genegen,
Zoo laat u, Jonge Jeugd, tot onderwijs bewegen:’
dus luidt het rijmpje, het telkens wederkeerend rijmpje, onder het
onveranderlijk vignet tegenover den titel van elk der vijf jaargangen van Dr.
Van Woensel's Lantaarn; welk vignet, in fiksche houtsnede, den omtrek
voorstelt van een fikschen haan, zwaar van sporen, gepluimstaart, en, hoewel
met open oog, luidkeels kraaijend, - hetgeen, gelijk wij weten, regtstreeks
indruischt tegen de gegevens der natuurlijke historie, zoowel als tegen de
overlevering der kinderkamer.
Lust het u, mag ik vragen, dezen avond nogmaals iets van
Dr. Van Woensel te vernemen? Het zal ons
niet van ons onderwerp afbrengen. Na onze vluchtige beschouwing van den
vaderlandschen toestand kort vóór en bij het uitbreken zelf der
revolutie, de vorige reis, zal de achtergrond onzer studie ditmaal behooren te
zijn zamengesteld uit een eerste tafereel ontleend aan het staatkundig leven
van den tijd die onmiddellijk op de laatste stadhouderlijke dagen volgde: den
vroegsten tijd van het Bataafsche Gemeenebest. Daartoe zullen wij niet alleen
in meer dan ééne politieke vergaderzaal hebben binnen te dringen;
maar wij zullen daarbij ook aanstonds de op- | | | | merking hebben te
maken dat (met uitzondering der Eerste Nationale Conventie, de rij van wier
zittingen den 1sten Maart van het jaar '96 geopend, en in Augustus
van het jaar daaraanvolgend gesloten werd) aan deze staatkundige vergaderingen
der Bataafsche Republiek, zoo algemeene als gewestelijke, veelszins dat
karakter van waardigheid, van veerkracht, van ernstige inspanning tot
werkzaamheid, en daardoor ook, gelijk van zelf spreekt, de vlugt van
parlementaire welsprekendheid ontbroken heeft, waardoor de genoemde Conventie
van '96 zich vaak zoo gunstig onderscheidde. Welnu, indien gij gedoogt dat Dr.
Van Woensel's haan bij de opening van dit nieuw tooneel wederom een enkel
oogenblik voor u kraaije, dan zult gij vernemen, of zult althans bij benadering
kunnen opmaken, tot welk geleuter in den vorm, welk gebazel ten aanzien der
behandelde zaken, tot welk getreuzel bij de afdoening daarvan, slechts al te
vaak de gebrekkige zamenstelling van ons democratisch bestuur en het gemis van
éénheid en verscheidenheid bij de werking van het staatsorganisme
destijds aanleiding gaf.
In zijn Lantaarn van het jaar 1800 verplaatst ons Van Woensel
in het staatje Lucca, in de buurt van Toskane, en doet ons eene zitting
bijwonen van den luccaschen Senaat. Het quasi-historisch verhaal van het bij
die gelegenheid voorgevallene is een fantasietje op het volgend thema,
getrokken uit Dupaty's Lettres sur l'Italie (voor het eerst uitgekomen
in 1788): ‘Gisteren bleef de senaat van Lucca vergaderd, van vijf ure na
den middag tot vier ure in den ochtend. Wat was er gaande? Afscheid te geven
aan een sergeant.’ Een thema, niet waar? gelijk men er heden ten dage
meer dan één zou kunnen ontleenen aan een ruim zoo vermakelijk
boek als de nu verouderde brieven van Dupaty over Italie, ik meen la
Grèce Contemporaine van Edmond About. - ‘Extract uit de
registers van den senaat van Lucca, 1 April 1785. President, signor Houtteman.
De secretaris doet het gewoon gebed: ‘Heere! Heere! bewaar ons voor
nutteloos redetwisten, voor beuzelen, voor dagdieven. Amen!’ De president
laat de Notulen resumeren. Signor Queetbeterik | | | | zegt in deze
resumtie verscheiden notabele fouten te hebben ontdekt, die hij niet denkt te
releveren daar de vergadering zich gaat onledig houden met zaken van de hoogste
aangelegenheid; recommanderende aan den Commies Notularis voor 't toekomende
meer oplettendheid. - Wordt gelezen het request van Spadassino, sergeant in
dienst van deze republiek, inhoudend een verzoek tenderend om na eene
twaalfjarige dienst daaruit te worden ontslagen, behoudens zijn half pensioen
en de vrijheid te mogen hebben, om eene epaulette te mogen dragen, ter keuze
van deze Hooge Vergadering, 't zij op den rechter, 't zij op den linker
schouder, of waar deze Hooge Vergadering zulks in hare wijsheid zal goedvinden
te statueren.’ Verscheiden leden te gelijk vragen het woord. ‘De
president institueert appel nominaal, waaruit met eene meerderheid van vier
stemmen blijkt dat signor Babbelarini het eerst spreken zal.’ De
discussie (ik deel u dit gedeelte alleen bij uittreksel mede) vangt aan. Vele
spitsvindigheden worden te berde gebragt. Signor Spreeuwini laat zich
ontvallen: ‘men kan epauletten maken die van geene stoffage zijn.’
‘Dat is onmogelijk! geen hakatoire uitdrukkingen,’ zoo roepen
onderscheiden leden met den president aan het hoofd. Anderen verzoeken te mogen
weten ‘waar dat goed geen stoffage gefabriceerd wordt.’ ‘Zoo
men verkiest den requestrant epauletten te akkorderen die van geen stoffage
zijn,’ herneemt Spreeuwini en houdt voet bij stuk, ‘zoo heeft men
alleen noodig ze hem op den schouder te laten teekenen met krijt.’ -
‘De vergadering snuit zich den neus en neemt een snuifje.’ - Er
worden drie commissiën benoemd om de drie leden van Spadassino's verzoek
(1o om ontslag uit den dienst, 2o om half pensioen,
3o om vrijheid tot het dragen van een epaulet) elk afzonderlijk te
onderzoeken en de vergadering daarop te dienen, niet van consideratie en
advies, want een der senatoren acht het bij elkander voegen van deze twee eene
ergerlijke begripsverwarring, maar alleen van consideratie. De commissiën,
na eene poos, in de vergadering zijnde teruggekeerd, ‘spreken de
Rapporteurs in orde van de poincten van het request.’ | | | | Na
een breede woordenwisseling vol digressies (over de aanmatiging der militairen
die beweren dat zij Lucca, terwijl integendeel Lucca, waaraan zij hunne soldij
danken, hen dient; over het ongeval overkomen aan den broeder eens senators,
wiens vrouw bezweken was aan de gevolgen van een schrik door een ruw
hoofdofficier haar aangejaagd), wordt geconcludeerd: ‘1o dat
aan den sergeant Spadassino de gevraagde demissie zal worden verleend, met de
clausule van gedurende den tijd van zes jaren verantwoordelijk te blijven voor
zijne administratie der compagniespenningen;’ 2o dat in het
tweede lid van zijn verzoek (‘half pensioen’) niet zal worden
getreden, op grond dat de constitutie des lands wel van heele, maar nergens van
halve pensioenen gewaagt; en 3o dat aan genoemden sergeant, conform,
niet het advies, maar conform de consideratie der aangestelde commissarissen,
‘uit 's lands kas zal worden toegestaan voor twee duiten krijt, ten einde
zichzelven eene epaulet van geen stoffagie te maken.’ -Nu wil de
president de vergadering sluiten, ‘tenzij een van de leden nog iets te
proponeren had.’ Een persoon die tot hiertoe had gezwegen, en in wiens
gevoelens men zonder moeite zekeren graad van bloedverwantschap met de eigen
meeningen van Dr. Van Woensel herkent, signor Contadini, vraagt of neemt daarop
het woord: ‘Een oogenblik! Niemand is er in dezen Senaat die niet
opgemerkt heeft mijne bestendige stilzwijgendheid. En inderdaad, signori! door
de vrije keuze der Luccaners geroepen van mijn kool en aardappelen, waarvan ik
verstand hebbe’.... ‘Zijt niet zoo nederig’, valt signor
Spreeuwini hem in de rede. ‘De kennis van kool is niet onverschillig;
want schoon men er hier zelden van spreekt, laat men niet na ze dikwijls te
verkoopen.’
Deze woordspeling (te dik zou ik zeggen, voor het oog van den naald
der aesthetiek; en hij heeft er meer zoo, ook wanneer hij zelf spreekt), deze
al te gemakkelijke woordspeling, stond bij van Woensel in goeden reuk; en dit
bewijst zeker niet, dat zijne neuszenuwen op elk punt even fijn waren. Zoo ziet
men, op den voorgrond der uitmuntend | | | | geteekende karikatuurplaat
van het Trojaansche Paard, en dit kan er beter door, een man loopen achter een
kruiwagen, volgeladen met evengemelde wintergroente. Uit 's koopmans roependen
mond vliegen de woorden: ‘kool, kool, kool,’ en wanneer men het
losse blaadje oplicht, waarop de kruiwagen staat afgebeeld, leest men
daaronder: ‘Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap.’ Op den achtergrond
dier zelfde plaat verheft zich eene tribune, opgerigt tegen een der huizen om
het marktplein; een man des volks, met een papier in de hand ten opschrift
voerend: ‘de Regten van den Mensch,’ apostrofeert van die tribune
de zaamgestroomde menigte; links van hem, op de leuning der tribune, zit een
aapje neergehurkt, met een vrijheidshoedje bovenop de punt van een stokje
tusschen de voorpooten geklemd; rechts van den redenaar, insgelijks op de
balustrade zit een kakketoe, uit wier geopenden snavel de karakteristieke
papegaaijenspreuk voorkomt: ‘Regten, lorretje!’ Ik geloof dat Van
Woensel deze hagchelijke soort van aardigheden steeds had moeten teekenen,
nooit beschrijven. - Signor Contadini herneemt: ‘Door de keuze der
Luccaners geroepen van mijn kool en aardappelen waarvan ik verstand heb, tot
het regeren van het land waarvan ik geen verstand heb, of 't moest dan zijn om
het te beploegen, dacht ik die keuze de meeste eer aan te doen met het minste
te spreken. Dan, daar ik door de ondervinding leere dat men eene gekheid kan
doen zonder belagchelijk te worden, wil ik mij niet onderscheiden van een
éénigen mijner ambtgenooten... Ik bidde, ik smeeke, ik bezweere
u, hetgeen ik ga zeggen, en 't geen u zal mishagen (wat mij mishaagt),
niet te wijten aan bedilzucht maar aan liefde voor den Staat... Mijne moeder
(hoe zou die vrouw opzien, zoo zij nog leefde en haren Klaas hier zag zitten!),
mijne moeder had een porceleinkas ter ordinaire grootte, van vier planken....
en daarin waren gehuisvest 96 schotels. De vrouw was kraakzindelijk. Eens, ('t
was op een tijd dat men 't overal druk had met uithalen) kwam het haar in het
hoofd om klakkelings 24 schoonmaaksters aan te nemen, alleen om die
porceleinkas op te | | | | redderen (voor elke 4 porceleinen schotels 1
schoonmaakster); en ziet! de helft van 't porcelein raakte aan stukken.... Gij
lacht, signori? Verbeeld u eens dat Lucca de porceleinkas en wij de
schoonmaaksters zijn! Meent gijlieden niet dat 't veel gelds aan den Staat, en
niet minder omslags aan de zaken bespaard zou zijn, indien drievierden van ons
naar huis en aan dát werk gingen, waartoe hunne opvoeding hen bestemde?
Meent gijlieden niet dat zulks profijtelijker wezen zou dan te arbeiden aan het
fabriceren van scheurpapier voor de nakomelingschap? Ei, wat spreek ik van
nakomelingschap! Ondervindt gijlieden niet de vernedering, reeds bij levendigen
lijve, uwe staatspapieren een prooi te zien der komenij-winkels? Eilieve,
signori! zendt een van uwe kinderen om een pond kaas, en 't is tien tegen
één dat gij die kaas zult krijgen gewikkeld in eene van uwe
resolutiën’... ‘'t ls tien tegen één dat
Contadini een Jansenist is!’ buldert, op het vernemen dezer honende taal,
signor Bulderini, de anderen bulderen mede; men wil Contadini laten arresteren;
men eischt dat zijne credentialen worden nagezien, men raast en tiert.
Middelerwijl (en hiermede eindigt plotseling Van Woensel's extract uit het
dagverhaal der Senaats-vergaderingen van Lucca), middelerwijl zit de arme
Contadini zich de ooren te krabben en roept met eene bevende stemme:
‘Vader, wat heb ik begonnen!’
Is dit laster of eerlijke satire? en wanneer ik Amurath-Effendi, in
Turksch gewaad en met gebogen houding; gelijk hij doet op het plaatje tegenover
den titel, aan de Bataafsche Republiek, voorgesteld onder de gedaante van een
hollandsch burgerman met muilen aan de voeten en een slaapmuts op het hoofd,
wanneer ik hem aan dien groven type van den hoogmoedig lusteloozen en niets
uitvoerenden bataafschen democraat een exemplaar der Lantaarn voor 1800
zie aanbieden, is er dan waarheid in het woordje ‘waarheid’
buitenop de bovenzijde van het duodecimo boekje geschreven? Amurath's beeldje
op die titelplaat is te klein, te gebogen, ik kan de trekken van het gelaat
naauwlijks onderscheiden; daarenboven is het door den opgeheven arm voor een
deel onzigtbaar; ik zie er, in verband met de geheele houding, alleen
spottenden | | | | deemoed uit spreken. Nemen wij daarom onze toevlugt
tot het octavo-portret, blijkbaar geen fantasie-portret, tien jaren vroeger
vervaardigd, toen Van Woensel even in de veertig was, en te vinden
vóór het eerste deel zijner Reize door Turkije en Rusland.
Verwijderen wij in gedachte dat russisch kostuum, nemen wij hem die bonte
karpoetsmuts van het hoofd, en lezen wij het onderschrift (een woord uit den
Prediker): ‘Ik heb geleerd dat niets beter is dan zich te verblijden en
goed te doen.’ Welken ligchaamsbouw doet dit kleine hoofd en doen deze
smalle schouders vermoeden? eene gestalte van naauwlijks middelbare lengte; een
tenger en welgemaakt postuurtje. En wat teekent die smalle zwarte opwaarts
gebogen knevel? wat beteekenen die ronde kin, die gesloten lippen, die kloeke
neus, die kleine donkere oogen? Gelaatstrekken zijn bedriegelijk, doch de
karakteristieke minder dan de fraaije. En zoo lees ik op Van Woensel's
aangezicht, eerstens, meer finesse nog dan in zijne geschriften doorstraalt;
waaruit ik opmaak dat hij als schrijver niet altoos regt heeft laten wedervaren
aan zijnen aanleg, en dat het fabrieken van eigennamen als signor Babbelarini,
signor Queetbeteric, en meer andere geestigheden van deze soort geacht moeten
worden beneden de waardigheid van zijn talent en natuur te zijn geweest. Hij
ziet er voor zulke dingen veel te fatsoenlijk uit. Doch ten anderen zoek ik
vruchteloos op dit gelaat naar een zweem van boosaardigheid of aanleg tot
verraad. Indien dit de type van den mannelijken lasteraar is, dan ware het voor
de verkwikking onzer oogen te wenschen dat vele mannen in ons Vaderland tot de
klasse der lasteraars behoorden. Ik schrijf dus Van Woensel's gebetenheid op de
Bataafsche Republiek, die intusschen bij hem gepaard ging met een
stelselmatigen en geduchten afkeer van het stadhouderschap, niet toe aan den
een of anderen boozen trek van zijn karakter. Evenals Van der Palm, dunkt mij,
doch met meer moed (want nooit zou Van der Palm te bewegen zijn geweest een
boekje te schrijven, waarop door de politie aanmerking kon worden gemaakt), was
ook Van Woensel eene aristokratische natuur. Misschien waardeerde hij niet
genoeg als staatkundige, de weldadige hervormingen die wij aan de | | | |
revolutie te danken hadden - misschien. Doch zeker is, dat hem als man van
fatsoen walgde van het janhagelachtig karakter onzer volksregering, vrucht
onzer vrije en al te vrije verkiezingen. Hij keurde dus in de Bataafsche dingen
hetzelfde af dat wij daarin behooren af te keuren: eene domme gelijkheidszucht,
die den oneindigen rijkdom der menschelijke natuur miskende, die daardoor uit
de zamenleving al het bonte, het gekleurde, het schilderachtige bande, en het
leven in plaats van genoegelijk, integendeel schrikkelijk vervelend maakte; en
daarbij eene vrijheidstheorie die aan het staatkundig dogmatisme dezelfde
plaats inruimde als voorheen aan het kerkelijke. Vrijheid, Gelijkheid,
Broederschap, de Regten van den Mensch; het zooveelste jaar der Bataafsche
Republiek; niet hij die den geest dezer leerstukken, ook bij verschil van
opvatting en toepassing, het ernstigst en met de meeste opregtheid beleefde,
maar hij was de beste burger, die de letter dezer politieke bijbelteksten het
menigvuldigst in den mond had. En Van Woensel was onder onze vrijzinnigen de
eenige niet, die zich hieraan stootte, het bespottelijke er van gevoelde, en
inzonderheid doorzag welk nadeel de naauwe verbindtenis met Frankrijk, en de
slaafsche navolging van alles wat fransch heette, aan onze zooveel kleiner en
afhankelijker republiek noodwendig berokkenen moest. Hij teekende voor de
Lantaarn van '98 een sloepje met een dikken kabel bevestigd aan een
kolossaal en slingerend en halfontredderd fregat. Op den oever der woelige zee
staat eene Nederlandsche Maagd, en bij het roer van het sloepje een mannetje
met een goudsche pijp in den mond: niemand kon zich dus in den zin der satire
vergissen. Doch reeds in April '95, twee volle jaren vroeger, durfde Prof.
Heringa laten drukken: ‘Waarlijk, de Franschen zelven moeten met onze
aperij lagchen!’
Doch wat beijver ik mij Van Woensel vóór te spreken?
Al moest zijn stukje over den Luccaschen Senaat, wat ik niet geloof, gehouden
worden voor eene personaliteit, met name voor een persiflage van het
Gewestelijk Bestuur der voormalige provincie Holland, dan nog zou men uit de
nagelaten papieren van Adriaan Loosjes, die geruimen tijd lid en meer- | | | | malen
president van dat bestuur geweest is, kunnen bewijzen dat Van Woensel niet
verder is gegaan, dan te allen tijde de aard der ‘Charge’ medebragt
en toeliet.
Adriaan Loosjes! Behoef ik, na al hetgeen
hij onderscheiden gelegenheden aangaande dezen merkwaardigen man reeds
stuksgewijs te uwer kennis kwam, nog wel uitdrukkelijk te zeggen, dat er in
denzelfden persoon, meer dan één Adriaan Loosjes, in ons
vaderland is geweest? Er was eenmaal in later tijd, een Loosjes, bij wiens
betrekkelijk vroegtijdig afsterven (hij overleed in 1818, slechts 57 jaren oud)
het Amsterdamsch Letteroefenend Genootschap onder de zinspreuk
‘Openhartigheid, Vertrouwen, en Stilzwijgendheid’ geenszins
stilzweeg, maar integendeel de volgende hulde uitboezemde:
Dat Duitschland Lafontaine roeme!
Dat Engeland zijn Richardson,
Zijn Fielding onnavolgbaar noeme:
Men laat Germanje en Albion
Zich op dien eedlen trits verheffen!
Schoon wij hun stouten geest beseffen,
En hulde doen aan hun verstand -
ik moet u waarschuwen, dat de lierzang hier plotseling daalt en
bijna kreupelrijm wordt:
De naam van Loosjes blijv' gestadig
Voor al wat smaak bemint weldadig
En 't pronkjuweel van Nederland!
Deze Loosjes was dezelfde van wien een ‘ongenoemd
dichter’ in den Kunst- en Letterbode - het tijdschrift door hem
opgerigt, en waarvan hij 30 jaren redacteur en uitgever was - na zijnen dood
zeide, dat het erkentelijk gemoed van den tijdgenoot hem geen nieuw bedachte
titels, maar liever een eernaam geven moest reeds uitgevonden door het
voorgeslacht; en wel:
Den vadernaam, aan Cats met zooveel rechts gegeven;
| | | |
eene propositie die evenwel geen verderen voortgang
heeft gehad. En gelukkig, dunkt mij, want hemel, indien wij bij Vader
Maerlant, Vader
Cats, Vader
Feith, Vader
Tollens, nu ook nog Vader Loosjes hadden, dan zou de vreemdeling zich ten laatste
gaan inbeelden, dat een ‘vaderlief’ toch eigenlijk het geschiktst
symbool voor onze letterkunde ware. - De Loosjes, die in 1818 overleed, is ook
dezelfde van wien
Jacob Vosmaer (de geestige auteur van
Meester Maarten Vroeg) in beter verzen zong (hem
was Adriaan Loosjes vooral de moralist geweest):
Want klonk de snaar, die nu ontspannen hangt,
't Gold steeds den lof der vaderlandsche zeden;
Zij leerde ons, fier het juk met voeten treden,
Waar vreemde dwang sints eeuwen ons in prangt.
En welken ‘vreemden dwang’ bedoelde Jacob Vosmaer?
Geen vreemden dwang, de vrucht van 't bloedig zwaard,
Of 't kunstig net van Britsche en Fransche listen,
Gesponnen aan de onzaalge burgertwisten -
Maar harder dwang, die heel 't gemoed ontaardt;
Die 't knellend juk van vreemde taal en zeên,
Waarin wij, dwaas, onze eigen halzen bogen,
Ons op lag, en ons oog benam 't vermogen
Om rond te zien waar onze voeten treên.
En die Loosjes die, volgens Jacob Vosmaer, omdat hij zulk eene bij
uitstek nationale persoonlijkheid was, zooveel heeft bijgedragen, om ons
nationaliteitsgevoel te verlevendigen, is ook wederom dezelfde, van wien de
haarlemsche rector
Hofman Peerlkamp, naderhand hoogleeraar in
de oude litteratuur te Leiden, in latijnsch nederduitsch, doch
overigens in dat uitmuntend proza, waarvan onze klassieke filologen (met
Prof. Geel aan het hoofd) onder ons de
goede overlevering bleven bewaren, getuigd heeft: ‘Gelijk wij zeggen dat
de zon ‘ondergaat’ niettegenstaande zij onbewegelijk is, zoo kan
ook het ‘sterven’ van eenen Loosjes niet in de | | | | gewone
beteekenis worden opgevat.’ Getuigd heeft: ‘Gelijk Socrates eens
zeide dat de hoofdinhoud van alle echte wijsgeerte in dit ééne
vers van Homerus was opgesloten: ‘Beschouw wat goeds en kwaads er
binnen'shuis geschiedt,’ zoo zocht Loosjes ook dáár het
goede aan te kweeken, het kwade uit te roeijen.’ En wederom:
‘Erasmus eens gevraagd zijnde, welke schrijver hij voornamelijk volgde om
zijn latijnschen stijl te vormen, antwoordde:
Erasmus. Loosjes volgde zichzelven
ook.’ En eindelijk: ‘Indien ik den braven man voor ulieden te
weinig naar waarde geprezen heb, schrijft het daaraan toe dat ik hem niet beter
gekend heb. Indien ik hem in de oogen van anderen te veel geprezen heb, deze
moeten dat niet aan mij maar aan henzelven wijten. Want zij hebben hem niet
genoeg gekend.’ - Er is in één woord een zededichter en
zederomanschrijver Adriaan Loosjes geweest; een die, toen wij den heer
Van Lennep en
mevrouw Bosboom nog niet bezaten, en toen
in navolging van
Walter Scott, de historische roman nog
niet in alle landen van Europa die buitengewone vaart van later had genomen, te
onzent als bij proefneming, schepper van een nieuw genre was; en die wel voor
een deel slechts voortging in het spoor hem door de damesWolff en
Deken gewezen, doch in zoover een geheel
nieuwen weg volgde, dat hij niet als zij bij uitsluiting putte uit den
maatschappelijken toestand van den dag, maar hoofdzakelijk en bij voorkeur uit
dien van vroeger tijd. Een Loosjes die in zijne dertig deelen vaderlandsche
romans meer heeft nagelaten, dan alleen maar een monument van zijn vlijt en
breedsprakigheid. - Doch behalve dien Loosjes den Tweeden, ook al een tot
inkeer gekomen Patriot, een ontkeesden Kees, van wien een jonger tijdgenoot in
1839 schrijven kon: ‘Met al het vuur der jeugd schaarde hij zich (in
zijne jongelingsjaren) aan de zijde dergenen die, om het betere te verwerven,
het goede verwierpen, naar de liefelijke vleitaal des franschen vogelaars
luisterden; en terwijl zij het vaderland ten val hielpen brengen, zichzelven
patriotten noemden. Hem, gelijk zoovele, verleidde het tooverlicht waarin het
oprijzend gemeenebest aan de overzijde des Oceaans | | | | (Amerika) zich
vertoonde en waar door het tot navolging uitlokte’
1 - behalve dien Tweeden, is er ook een Loosjes de Eerste geweest;
een radikale demokraat; een die in '96 de vrije verkiezingen wilde uitgestrekt
hebben tot aan de bedeelden inkluis; die reeds in '85, toen hij nog eerst 24
jaren telde een (volstrekt niet treurig), staatkundig treurspel uitgaf:
Capellen tot den Poll (de aanvoerder van onze republikeinen); in '86 een
staatkundig tooneelspel, dat eenigzins naar een treurspel geleek: Gevaarts
en Gijzelaar (de hoofden onzer staatsgezinde partij); een die reeds toen in
zijne Voorrede aan het publiek berichtte: ‘Wij hebben in 's lands
verschillen onze partij gekozen’; een die, wanneer hij daar bijvoegde:
‘Gekozen, zoo wij hopen, met eenige reden en bezadigdheid; ja wij
vertrouwen dat zelfs een bestrijder onzer patriotsche gevoelens, indien hij ons
anders regt laat weervaren, ons de vlek van doldriftige ongematigdheid niet zat
kunnen aanwrijven,’ daarmede toonde dat zijn thermometer der menschelijke
driften anders was ingedeeld als de onze; een, kortom, die in '95 gortige
liedjes maakte op het vertrek van Prins Willem V naar Engeland, de
Marseillaise in het hollandsch vertaalde, en eene Nederlandsche
Carmagnole zamenstelde. En deze Loosjes is het, die in Januarij '98,
gelijk daarvoor en daarna, eerst lid en president is geweest van Hollands
‘Provinciaal Bestuur,’ toen, (nadat dit bestuur was opgeheven) van
het ‘Intermediair Administratief Bestuur van het voormalig Hollandsch
Gewest.’
‘Loosjes dacht niet alleen gelijk hij schreef, maar schreef
ook gelijk hij dacht. In zijn gelaat, in zijn oog, in zijne houding, in zijne
spraak, in zijne uitdrukking, in zijne kleeding, nergens had hij iets
terughoudends, iets geheimzinnigs, iets gemaakts, iets verborgens, iets
bedekts, iets vreemds:’ wij behooren, dunkt mij, deze karakteristiek van
den hoogleeraar Peerlkamp te onderschrijven. Doch wij behoeven daarom niet te
verzwijgen dat zulk eene opene natuur, door hare rondheid-zelve, en omdat zij
niet gebreideld werd door den zachten | | | | band eener fijne beschaving,
gevaar liep tot al de gebreken harer deugden en daarmede tot ruwheid en
onbehouwenheid te vervallen. Dit onbeschaafde in hem weet ik niet beter te
omschrijven dan door (met zijne eigene woorden) het reiscostuum te teekenen
waarin hij in gezelschap van Tante Fransje (Bellamy's ‘Fillis’) des zomers van het jaar
'90 met den beurtman naar Vlissingen voer, en u te herinneren
waarin bij de aankomst aldaar zijn eerste werk bestond: ‘Ik had een baard
als een smous, den (gekleurden) doek van Neef den Oost-Indischvaêr om,
mijn witte slaapmuts op, en de bril op den neus. Op 't schip liet ik mij kappen
en scheren; en omtrent half drie zette ik voet aan wal, en spanseerde met Tante
Frans naar haar moeder.’ - ‘Dis-moi ce que tu manges,’ zegt
Brillat-Savarin, ‘dis-moi ce que tu manges, je te dirai qui tu es.’
‘Daar dobberden wij,’ zegt Loosjes, sprekend van den vroegen morgen
vóór hij 's namiddags te Vlissingen aan wal stapte, daar
dobberden wij op de Noordzee, en Tante Frans (nog altoos niet van de deining
bekomen) zat te kijken of zij brandnetels at; maar ik gebruikte eenige
varkenskarbonaden met brood, en dronk 3/4 flesch wijn toe; hebbende ik, tot
groote verwondering van Fransje, geen den minsten hinder van zeeziekte.’
En toen hij in den strengen winter van '99, op zekeren Zondag in Januarij, 's
morgens vroeg van den Haag naar Delft gewandeld was,
daar een rijtuig genomen en zich naar Rotterdam had laten brengen, waar hij een
kijkje begeerde te nemen van de kermisvreugde op de toegevrozen Maas, schreef
hij den volgenden dag uit 's Hage: ‘'s Namiddags ten 2 ure kwam ik te
Rotterdam; daar lag ik aan bij Vis (een rotterdamsch
boekhandelaar). Hij had juist gedaan met eten, maar had nog wat worst
overgehouden, die ik, binnen weinige oogenblikken, opsnapte.’ Die trek
naar worst nu, en die zoo smakelijk genuttigde varkenskarbonaden van daareven -
die zin voor hartige spijzen, symbool eener hartige natuur, ook dit moet, dunkt
mij, bij eene eenigszins volledige kenschetsing van Loosjes' persoonlijkheid in
rekening worden gebragt. Want eerst op dezen achtergrond komt de | | | |
minnedichter in hem, de schrijver der Flora Harlemica, de patriot, de
volksredenaar, de vaderlandsche zanger en tooneeldichter, komt al hetgeen hij
vóór het jaar 1800 gedaan en geschreven heeft, in zijne volle
natuurlijkheid uit.
Welke waren Loosjes' gedachten, toen hij voor de eerste maal naar
den Haag afgevaardigd en aldaar aangekomen was? ‘Daar zit ik dan,’
schrijft hij, ‘in de volheid van mijne majesteit, als een toekomend lid
van Hollands Provinciaal bestuur, zeker op een der vermaaklijkste plaatsen van
den Haag. Ik ben gelogeerd in het Keizershof op den korten
Vijverberg, op een bovenkamer of kamertje, dat een fraai uitzigt heeft over den
Vijver. Terwijl ik zit te schrijven, zie ik de zwanen daarin heen en weder
zwemmen. Eén heeft er wel wat van haar oude bazin Willemijntje; althans,
zij draait haar hals heel trotsch naar de hoogte. Als Vader Cats, in mijne
situatie, dit gezien had, zou hij er misschien dit rijmpje op gemaakt
hebben:
Leert hieruit, zwakke mensch, als gij dit gadeslaat,
Hoe leelijk aan den mensch verwaande hoogmoed staat.’
Deze waren, den 4den April van het jaar '97, de
middaggepeinzen van Adriaan Loosjes. Zou men uit dat quasi-Catsiaansche rijmpje
niet opmaken dat Cats alleen daarom zoo populair is hier te lande, omdat de
zwakke zijden van zijn talent aan rijmelaars zulk een geschikt voorwendsel
verschaffen, om zich in te beelden, dat zij dichters zijn? Doch laat ons der
waarheid hulde doen: die twee verzen zijn misschien de leelijkste die ooit uit
Loosjes' dichtpen vloeiden.
Belangrijker taak dan om naar de zwanen in den Haagschen vijver te
kijken wachtte Loosjes in den aanvang van het jaar daaraanvolgend. Den
22sten Januarij van het jaar '98 hadden Pieter
Vreede en de zijnen, uitmakend de partij der ultrademokraten, met meer
stoutheid van hand dan vastheid van wil of schranderheid van hoofd, een einde
gemaakt aan het kwijnend leven der dusgenaamde Tweede Nationale Vergadering;
hadden deze Nationale, met uitsluiting van een goed aantal leden (die op het
Huis ten Bosch in verzekerde bewaring | | | | gesteld, doch niet
mishandeld werden: zelfs onze ‘rooden’ van dien tijd haakten naar
geen bloed) omgeschapen in eene Constituerende; hadden zich door deze
Constituante, bij wie de souvereiniteit geacht werd te berusten, doen
aanstellen tot leden van het Uitvoerend Bewind (vijf in getal), en werden in
deze hoedanigheid den 25sten Januarij in den eed genomen en
geïnstalleerd: te rekenen van welken dag er voor het huis van Pieter
Vreede, vroeger leidsch industriëel, thans voorzitter van de hoogste
uitvoerende magt, twee schildwachten-fuseliers en twee man te paard
figureerden, terwijl op het Plein (waar thans het standbeeld van
Willem den Zwijger staat) een loods werd
opgeslagen voor honderd man, om te dienen voor eerewacht van het Bataafsch
Directoire. Het Provinciaal Bestuur van Holland werd nu opgeheven; het kreeg
den naam van ‘Intermediair Administratief Bestuur,’ en Loosjes (die
zich in den coup d'ètat van 22 Januarij opregt verheugd en dan
ook niet zoo als anderen zijn ontslag genomen had: ‘Ik ben zeer
wel,’ schreef hij naar huis, ‘en ook opperbest in mijn schik; omdat
ik hoop dat het vaderland gered is’) Loosjes moest als herbenoemd
voorzitter van het herdoopt regeringsligchaam, eene aanspraak gaan doen in de
Constituerende Vergadering. Gelijk van zelf sprak, wenschte hij haar geluk met
‘het nedervellen van de Hydra van het Federalisme:’ dit was de
stijl van den tijd. Aardig was ook de naïeve tegenspraak met zichzelven
waartoe de magt der omstandigheden hem noodzaakte. ‘'t Zou ons
bestuur,’ zeide hij aan de Constituerende Vergadering, dezelfde die nog
geen acht dagen geleden een daad van volstrekte willekeur had gepleegd,
‘'t zou ons bestuur, thans van u afhankelijk, aan u verantwoordelijk,
kwalijk passen, voor uwe roemwaardige stappen den wierook des lofs te doen
opgaan. Dat zou ons, in onze betrekking, den schijn van vleijerij (boven welken
edele zielen zichzelf trachten te verheffen) kunnen geven; dat zou trotschheid
in ons kunnen schijnen; en alsof wij, vergetende onzen stand, waanden dat gij
op uwe bedrijven nog onze goedkeuring behoefdet.’ Men bemerkt: de
22ste Januarij had aan Hollands provinciale autonomie een geduchten
knak gegeven, en niet | | | | onwelsprekend hief de redenaar aldus aan:
‘Het welgemeend gezag van dat Bestuur, sedert eeuwen door de geheele
wereld beroemd, en zoo dikwerf uitgeoefend door de schranderste en braafste
mannen immer aan het roer van éénig staatsbewind, is zachtelijk
zijnen politieken dood gestorven; zoo zachtelijk sterft een grijsaard, na een
lang, arbeidzaam, en, zoo hij zich vleit, niet geheel nutteloos leven, met den
zoeten lach der hoop op het aangezigt.’ En hoe maakte Loosjes het nu met
zijne gezwinde onderwerping aan het revolutionair bewind? hoe redde zich de
republikein? ‘Gij begeert,’ zeide hij aan de Constituerende
Vergadering, ‘gij begeert geenszins van ons eene hulde, als die welke
voortijds de Graven dezes lands van derzelver vasallen vorderden. Gij houdt
ons, schoon in onze betrekking aan U ondergeschikt, voor vrije Bataven, die
alles wat naar kruipende laagheid zweemt verfoeijen.’ Zoo pleegde men
onder het uitspreken van krachtige woorden, daden van zwakheid; en dezelfde
man, die vroeger van geenen Stadhouder had willen hooren, van geene
aristokratische regenten, boog thans niet weinig diep voor de medestanders of
gedweëe werktuigen van Pieter Vreede.
Welke waren voorts de bezigheden van
Adriaan Loosjes als president der
voormalige Staten van Holland, en hoe zag het er in Januarij '98, onmiddellijk
na de sub-omwenteling van den 22sten in de residentiestad uit?
Omtrent de physionomie van den Haag kan ik zeer kort zijn. - 23 Januarij:
‘'t Is hier in den Haag zeer stil, en men kan niet zien dat er iets
gebeurd is.’ - 24 Januarij: ‘'t Is hier alles zeer gerust en
vreedzaam. Alleen wordt er nu en dan de een of ander in de Castelenij gebragt,
althans, Pasteur zit er zeker. Er worden onder trompetgeschal proclamatiën
gedaan. De vlaggen waaijen van den toren en van het Observatorium. Van het
laatste is zij al eenmaal afgewaaid.’ - 25 Januarij: ‘'t Is hier
alles zoo goed in orde als ooit.’ - 26 Januarij: ‘'t Is hier alles
zeer stil en blijft goed in orde.’ - 27 Januarij: ‘Heden zijn hier
weer 600 Franschen ingekomen.’ - 28 Januarij: ‘Gij vraagt hoe het
met
Kantelaar is: hij heeft stadsarrest en
verder niet. Het maakt hier thans | | | | een wonderbaarlijk mengelmoes
van conversatie, en men moet in allen deele heel voorzigtig zijn. Gisteren zijn
er weder 1 regiment huzaren en 2 bataillons binnengekomen. 't Is hier zeer
levendig.’ - 29 Januarij: ‘Sedert ik mijn brief van gisteren
geschreven heb, is hier niets ter wereld voorgevallen.’ - 30 Januarij:
‘Sedert gister is er in den Haag niet met al gebeurd.’ - 31
Januarij (den dag waarop de representanten van Holland tijdelijk uiteen
gingen): ‘Nieuws weet ik voor het tegenwoordige niets, want er is niets
singuliers voorgevallen.’-De slotsom is derhalve: bij geringe spanning
der gemoederen, levendig gehouden door enkele arrestatiën en door het
binnentrekken van eenig vreemd krijgsvolk, was destijds in de residentiestad,
gelijk nog altoos in onze overzeesche bezittingen, ‘de rust
rustig.’
‘Maandag niet present; dingsdag nog in 't logement; woensdag
niet kompleet; donderdag gereed; vrijdag niets gedaan; zaturdag weer naar huis
gegaan:’ deze biografie van ik weet niet welke staatskommissie
ónzer dagen, kan ook gereedelijk aangemerkt worden als het geanticipeerd
levensberigt der maandelijksche zamenkomsten van dat Administratief Bestuur
waarvan Loosjes lid en voorzitter was. Van nature geen werkzamer, geen
productiever man dan hij. ‘Wanneer’, zegt
prof. Peerlkamp, ‘wanneer onze
zeeheldMarten Harpertszoon Tromp, in een gevecht
tegen de Engelschen, gedurig van schip veranderde en, waar hij ook zijne vlag
heesch, dood en vernieling in het rond spreidde, vroegen de vijanden: hoevele
Trompen er dan wel op de Hollandsche vloot waren? Desgelijks heb ik, wanneer
Loosjes nimmer ophield door nieuwe vruchten van zijnen geest geluk en genoegen
te bevorderen, mijzelven wel eens afgevraagd: Hoevele Loosjessen zijn er dan
wel in Haarlem? De verbazing deed de Engelschen vergeten wie Tromp, en mij wie
Loosjes was.’ Van zijn achttiende jaar afaan, het jaar waarin de Flora
Harlemica verscheen, eene min of meer populaire wetenschappelijke
verhandeling over het botanisch Kenmerland, had Loosjes als schrijver en
dichter en handelaar en patriot, dien aanleg tot zeldzame bedrijvigheid steeds
| | | | kunnen volgen. Groot moet dus zijne teleurstelling zijn geweest,
toen het bleek dat hij als medebestuurder van Holland niets te doen had. - 24
Januarij (en ziedaar nu een reeks getuigenissen waaruit blijkt dat Van Woensel
slechts al te goed wist wat er in 's lands vergaderingen werd uitgevoerd):
‘Gisteravond ben ik te 8 uur in de vergadering gekomen, waar ik een vrij
groot aantal broêrtjes gevonden heb van allerhanden smaak en kleur. Ik
ontving eene missieve van de Constituerende (voorheen Nationale) vergadering,
waarbij het Provinciaal Bestuur afgeschaft en de leden op hunne hoofdelijke
verantwoordelijkheid gelast werden om hetzelve in een administratief ligchaam
te hervormen. Men besloot aan dien last te voldoen, waarop ik mijnen post als
voorzitter nederlag en verzocht dat men zou overgaan tot het verkiezen van een
nieuwen president. De vergadering goedvindende dit tot heden uit te stellen,
scheidde ik het administratief bestuur tot heden middag te 12 ure. Toen was het
eerste werk een nieuwen voorzitter te maken, en mijn persoontje werd tot dien
post met volkomen eenstemmigheid gekozen.’ Of er dien dag nog een
‘tweede’ werk werd verrigt, dit melden, voor zoover ik weet, de
staatspapieren niet. - 26 Januarij: ‘Gisteravond hebben wij weder
vergadering gehad; waarin het meest bijzondere geweest is: of wij al dan niet
een compliment zouden gaan afleggen bij het Constituerend Ligchaam. Na de
vergadering heb ik met mevrouw Van de Kasteele’ (die hij van vroeger
kende, want
Pieter Leonard van de Kasteele was
vóór '87 Pensionaris van Haarlem geweest) ‘heb ik met
mevrouw Van de Kasteele een glaasje aniset gedronken; haar man heeft bedankt,
of verklaard zich voor ontslagen te houden; evenwel met aanbod van aan de
commissie van finantiën alle diensten te bewijzen en opheldering te geven.
Van avond ga ik naar den schouwburg, waar Jacob Simonsz. Rijk gespeeld
wordt. Ik heb het druk en niet druk. Ik moet voor alles staan. En 't is nog al
gelukkig dat ik frisch, sterk, en tranquil ben. Het gewezen bestuur van Holland
is zwaar in de kas, en ik heb het genoegen van verscheiden personen behouden
| | | | te hebben, zoo zij zich nu niet verwaarloozen. Maar de menschen
moeten bedaard en voorzigtig zijn. Vóór tien jaren zou het mij
niet geleken hebben in den post te staan waarin ik nu ben.’ Ook aan deze
illusie zou een einde komen. - 29 Januarij: ‘Nu het nieuws van den dag.
Heden morgen was het ten half elf extra vergadering en die liep reeds ten elf
uur af.’ Geen wonder, het was de dag waarop de president zijne
‘speech’ moest gaan uitspreken in de Constituante. Over den lof bij
die gelegenheid door hem ingeoogst laat hij zich, op zijn oud Bataafsch niet
onaardig uit: ‘Ze zeggen of liegen, dat het heel mooi geweest is.’
‘Van avond te zes ure,’ zoo vaart hij voort, ‘ga ik Vreede
eens spreken; en, als ik daar van daan kom, naar de besogne-kamer, of anders
naar de fransche comedie. 't Lastigst is, hier niet van daan te kunnen en zoo
weinig te doen te hebben. En het weer belet mij om te kuieren. Maar
patientie!’ Deze patientie zou niet baten. - 28 Januarij: ‘Ik ben
bij het Directoire geweest, en heb er zoeken achter te komen wanneer wij nader
georganiseerd worden, want men wist het zelf nog niet. Ik kan volstrekt niet
weg. Gisteravond ben ik in de fransche comedie geweest, en heb heden morgen een
lied gemaakt op de Omwenteling. Van middag ben ik te
Scheveningengeweest, met een gezelschap. Nu weet ik niets meer te
schrijven, als dat ik wel ben en heel wel te vreden.’ - 29 Januarij:
‘Sedert mijn brief van gisteren is er hier niets ter wereld voorgevallen
als dat wij één uurtje vergaderd zijn geweest en dat Kees de
Koning bij ons gegeten heeft.’ - 30 Januarij: ‘Nog weet ik niets
van mijne thuiskomst; en ik doe hier geen nut altoos. Sedert gisteren is er in
den Haag niet met al gebeurd; want dat wij een half uur vergaderd zijn geweest,
is geen zaak van eenig belang. Vóór de vergadering heb ik in het
bosch een uur gekuierd, en na de vergadering den halven Haag rond. P.S. Uit
verveling heb ik ook maar eens aan Fransje geschreven.’ - 31 Januarij:
(en daar slaat eindelijk voor den werkzamen en tot werkeloosheid veroordeelden
man het uur der verlossing): ‘Heden middag ten vier ure is op autori- | | | | satie
van het Uitvoerend Bewind ons bestuur tot een onbepaalden tijd
gescheiden; zoodat ik morgen avond, of overmorgen op den middag, te huis
kom.’ -
Waarom verdroeg Loosjes dezen toestand? waarom vinden wij hem het
volgend jaar wederom in den Haag, en wederom als gedeputeerde wegens Holland?
Voor een deel, ongetwijfeld, uit vaderlandsliefde, en omdat hij hart had voor
de algemeene zaak. Voor een ander deel uit valsche schaamte wettigt, en omdat
hij ongaarne bekende zelf te hebben medegewerkt, om dezen staat van zaken in
het leven te roepen. Eindelijk ook uit belangeloos eigenbelang, of zoo men wil,
uit zelfzuchtige belangeloosheid. ‘ Waarschijnlijk,’ schreef hij,
‘zal er uit het gewezen Provinciaal Bestuur en Comité, uit 75
leden bestaande, door het Directoire een klein getal personen worden benoemd,
en 't is niet onwaarschijnlijk dat ik daaronder ben. Hoe het zij, ik ben nu in
die loopbaan, en zal het vaderland nuttig trachten te blijven, zoolang ik kan.
Ik bedoel mijzelven niet, dat weet ik; maar immers, en dit is mij nog al eene
aangename gedachte, deze weg kan leiden tot het geluk mijner kinderen, dat ik
misschien nu schijnbaar verwaarlooze. Ik vraag om niets, dat staat vast, maar
hetgeen mij door het beloop der dingen volstrekt ongezocht maakt, mag ik, in
dit moment, niet weigeren.’ - Mij is het niet duidelijk waarom prof.
Peerlkamp van Loosjes gezegd heeft: ‘Ik denk er dus over: dat die burgers
onzen eerbied boven allen waardig zijn, die door hunne belangelooze
verrigtingen bijna alleen den roem en het geluk van het vaderland
bedoelden.’ Waartoe deze restrictie: ‘bijna alleen?’ Staan de
roem en het geluk van het uitdrukkelijk vermeld ‘vaderland’ hier
stilzwijgend tegenover aan het geluk en de welvaart van het
‘huisgezin?’ Dan vraag ik: wat had de Bataafsche Republiek bij de
afschaffing van oligarchie en stadhouderschap gewonnen? Wat zou Adriaan Loosjes
tien jaren te voren gezegd hebben, indien een aristokraat van het ‘ancien
régime’ aldus geredeneerd had: ‘Ik bedoel mijzelven niet,
dat weet ik; maar immers, en dit is mij nog al eene aangename gedachte, deze
weg kan leiden tot het geluk van | | | | mijne kinderen?’ - Zoo
ziet men dat het gemakkelijker is oppositie te drijven, dan regering te zijn
en, regering zijnde, aan de verzoekingen van het regering-zijn weerstand te
bieden. ‘Ik bedoel mijzelven niet, maar het geluk van mijne
kinderen:’ dus luidde onder alle regeringsvormen, en onverschillig of het
land bestuurd werd door geboren edelen, of door doopsgezinde boekverkoopers, de
sofistiek van het nepotisme.
En hoe komt het dat Loosjes in den Haag niet beter wist
te doen dan - gewigtige keus! - hetzij naar de besognekamer, hetzij naar de
fransche comedie, nu eens naar Scheveningen, en dan weder bij mevrouw Van de
Kasteele op een anisetje te gaan? Dit was het onvermijdelijk gevolg van het
eenzijdig Unitarisme, dat met den Staatsgreep van 22 Januarij aan het bestuur
kwam.
Het lag op den weg dier rigting om het voormalig zelfbeheer der
onderscheiden provinciën zoo mogelijk geheel te vernietigen, en alles op
te dragen aan een hoe dan ook zamengesteld hoofdbestuur. Centralisatie was het
wachtwoord van het Unitarisme; en onze eigen tegenwoordige toestand, waarbij
geene gewestelijke autonomie wordt erkend, is regtstreeks uit dat streven
voortgekomen. In '98, toen dit stelsel voor het eerst in werking trad, was
natuurlijk de overdrijving evenredig aan de nieuwheid. Ware de Constituerende
Vergadering een krachtig ligchaam en het Uitvoerend Bewind uit een half dozijn
geniale mannen zamengesteld geweest, alles zou zich hebben geschikt. Doch
Pieter Vreedewas beter volksmenner dan
staatsbestuurder; het Constituerend Ligchaam had zijne beste leden verloren,
hetzij door uitzetting, hetzij door vrijwillig ontslag; en het gevolg was, dat
juist op het oogenblik, waarin het vaderland meest behoefte had aan een
veerkrachtig bestuur in hoofd en leden, noch door het hoofd noch door de leden
iets van belang werd uitgevoerd.
Vanwaar deze magteloosheid? Zij wordt door Appelius, naderhand zoo
bekend, en zoo eervol bekend geworden, als beheerder van onze finantiën,
toegeschreven aan een grooten misslag door de bewerkers onzer omwenteling reeds
aanstonds in '95 begaan. ‘Een der eerste oorzaken onzer inwendige
| | | | rampen,’ zegt hij, in zijne ten jaren 1801 naamloos
uitgekomen beschouwing over den Aard, den Loop, en de Gevolgen dier
omwenteling, ‘mag veilig gezocht worden in het gebrek aan een hoofdplan.
Want hoezeer men zich had kunnen voorstellen, dat alles tot eene zekere mate
zoude zijn voorbereid geweest, heeft de ondervinding geleerd dat men zich meer
had bezig gehouden met de middelen om den Franschen de komst in het Gemeenebest
gemakkelijk te maken, en daardoor den val van het vorig bestuur te verzekeren,
dan met het ontwerp van de middelen om hetzelve door eene nieuwe orde van zaken
te doen vervangen.’ Wat Appelius met deze ‘nieuwe orde van
zaken’ bedoelt, blijkt uit hetgeen hij een weinig verder zegt: ‘Het
meerdertal der Patriotten verwachtte (bij het uitbreken der omwenteling) de
spoedige daarstelling van een algemeen Bestuur, hetwelk althans de zoo
gebrekkige Vergadering der Staten-Generaal zoude vervangen en eene volkomen
éénheid aan het Gemeenebest als Mogendheid zoude geven; en
diegenen welke in een ander begrip stonden waren tevens zoo overtuigd dat men
aan de omstandigheden moest toegeven, dat de daarstelling van een algemeen
Bestuur gedurende de eerste maanden na de omwenteling met algemeene
toejuiching, althans zonder eenigen noemenswaardigen tegenstand zoude hebben
kunnen geschieden; en dit eens gebeurd, en de keuze, zooals destijds met grond
te verwachten stond, op wijze en kundige mannen gevallen zijnde, zoude alles
voorzeker een geheel ander aanzien hebben gekregen.’ Dit zou, volgens
Appelius, hebben kunnen gebeuren. Wat gebeurde er integendeel? De Republiek was
haar vierde levensjaar ingetreden, eer men met eene Constitutie gereed was, en
het beleid der zaken berustte al dien tijd, in naam bij de veelhoofdige
Nationale Vergadering, in waarheid nergens en bij niemand. Inmiddels
ontwikkelden zich al de minst edele kiemen der demokratie; en de blinde
volkskeuze, door demagogen op het dwaalspoor geleid, vulde de gewestelijke
besturen met een ongeschikt en dikwijls onzedelijk personeel. Appelius spreekt
niet alleen van ‘het opkomen van een aantal wezens, welke, hoezeer den
Lande welgezind, | | | | echter geene dier kundigheden bezaten, die
vereischt werden om het roer van staat in zulke netelige omstandigheden in de
hand te vatten.’ Hij spreekt ook van ‘een toevloed van bijna
onbekende wezens, wier verschijning meer dan eens de zekere voorbode was van
voorstellen en maatregelen aan welke braafheid en gematigheid een ijdelen
tegenstand boden.’ Hij spreekt van afgevaardigden, ‘wier lastbrief
uit hoofde van hun wangedrag was ingetrokken, en die zich weinige dagen later
met eene commissie uit eene andere plaats opnieuw aanmeldden, en uithoofde van
de gesteldheid der Vergadering in dezelve moesten worden aangenomen en zitting
namen.’
Van der Aa verhaalt van een voormalig
vleeschhouwer, naderhand roskammer of paardenkooper en stalmeester, die zich,
als representant van Holland, in den Haag dapper liet hooren, ‘want hij
had een stem als een roerdomp.’ Niet lang na de expiratie van zijn
mandaat wordt deze volksvertegenwoordiger in criminele detentie geplaatst
‘op vehemente suspicie van zijne vrouw vermoord te hebben.’ Om
zijne straf te ontduiken speelde hij den krankzinnige, en er werd besloten hem
in een verbeterhuis te plaatsen; ‘doch eer zijn verblijf in gereedheid
was, vond men hem in zijn hok dood op den grond liggen.’
1 Die gewezen
vleeschhouwer was zeker eene in het oog loopende uitzondering op den regel;
doch reeds dat deze uitzondering mogelijk was, bewijst dat de zaken den
verkeerden weg waren opgegaan. Kortom, de eerste Nationale Vergadering is de
éénige uit dien tijd, die in weêrwil van het bonte harer
zamenstelling ook nu nog door hare waardigheid, en door het gewigt van hare
beraadslagingen, een schouwspel oplevert waarbij het oog met welgevallen
vertoeft.
U van de werkzaamheden dezer Eerste Nationale Vergadering een
volledig overzigt te geven, hieraan valt niet te denken. Hare zittingen duurden
schier onafgebroken voort van Maart '96 tot September '97, achttien maanden
lang. De vijf laatste dier maanden werden gewijd aan de behandeling van een
| | | | ontwerp van Constitutie, dat niet minder dan 775 artikels telde en, toen
het door de Vergadering was aangenomen, om weldra op aansporing der
ultra-republikeinen door het volk te worden verworpen, waren door splitsing en
bijvoeging, deze 775 tot 918 aangegroeid. De voornaamste onderwerpen in deze
Vergadering behandeld, waren niet minder dan deze: de éénheid der
Republiek, de zamensmelting der provinciale schulden, de burgerwapening, het
kiesstelsel, de volksvertegenwoordiging, het uitvoerend bewind, de bediening
van het regt, de scheiding van Kerk en Staat, de emancipatie der
Israëlieten, de vrijmaking der slaven; allemaal principiëele punten
van het hoogste gewigt, doch bij elk waarvan wij met geene mogelijkheid
afzonderlijk kunnen stilstaan. Doen wij eene keuze. Werpen wij een blik twee
drie in de vergaderzaal, en luisteren wij naar de behandeling van
één punt: de scheiding van Kerk en Staat.
Het schoonste oogenblik in het leven van
Pieter Paulus is dat geweest waarop hij,
den 1sten Maart van het jaar '96 tot Voorzitter der Bataafsche
Conventie werd verkozen. De volgende woorden omtrent hem, door keizer Napoleon
gedicteerd en te vinden in diens Mémoires: ‘Il eût
été impossible de confier de plus chers
intérêts’ - te weten, het sluiten van een traktaat tusschen
onze republiek en de Fransche - ‘à un meilleur citoyen, à
un homme plus habile,’ zijn slechts de getrouwe echo van de meening aller
tijdgenooten omtrent dezen vroeggestorven staatsman. Alleen
Bilderdijk maakt eene uitzondering op dien
regel en spreekt in éénen adem van den ‘lammen en
kwaadaardigenHahn en den onnoozelen Pieter
Paulus.’ Bij welke gelegenheid keizer Napoleon,
toen hij nog slechts generaal Bonaparte was, Pieter Paulus leerde kennen, weet
ik niet; wel, dat deze reeds vóór '87 persoonlijk bekend en in
briefwisseling was met een anderen franschen generaal, wiens populariteit
alleen door die van Bonaparte kon overschaduwd worden,
Lafayette. Doch dat Napoleon zich in later
tijden volkomen juist herinnerde wie Pieter Paulus was, en wat hij gedaan had,
en hoe ontijdig hij stierf (slechts 43 jaren oud) blijkt uit de volgende korte
levensbeschrijving; of juister, | | | | uit het volgend doodberigt:
‘Le 1er mars 1796 eut lieu à la Haye l'ouverture de
l'Assemblée Nationale, dont le célèbre Paulus fut
nommé président; mais ce grand citoyen ne jouit pas longtemps de
l'éclatante récompense décernée à son
patriotisme: le 17 du même mois, le peuple, qu'il avait si
énergiquement défendu contre le Stadhouder, suivit ses
funérailles.’ Of Pieter Paulus, die niet altoos democraat was
geweest, want op zijn achttiende jaar was hij stadhoudersgezind en schreef, nog
student zijnde, tegen de democratie een boek over Het Nut der
Stadhouderlijke regering; een boek dat weldra, behalve door eene geleerde
academische dissertatie, gevolgd werd door eene klassiek geworden Verklaring
der Unie, een staatsregtelijke beschouwing over onze vaderlandsche
geschiedenis in vier deelen, uitgekomen toen de schrijver twee- of
drie-en-twintig jaren telde; of Pieter Paulus, zeg ik, die een uitmuntend
minister van marine zou zijn geweest (zeezaken waren zijne specialiteit),
indien hij ware blijven leven, veerkrachtiger en gelukkiger dan
Schimmelpenninck, de man zou zijn geweest, om het vaderland te redden en onze
onafhankelijkheid te handhaven - dit kan niemand beslissen. Doch daar zien wij
hem gezeten onder de afgevaardigden in de groote zaal op het Binnenhof-
dezelfde, geloof ik, waar ook thans nog altoos de volksvertegenwoordigers
bijeen komen. Zij zijn 90 in getal: 34 te min, want sommige provinciën
zijn het nog oneens of en wie zij ter Nationale Conventie zullen zenden. Hem
siert op dit oogenblik geen ander teeken, als hetgeen ook de overigen dragen;
een zwart fluweelen bandelier, voorzien van een driekleurigen zijden strik,
waaraan eene smalle gouden franje, en op de bandelier is met gouden letters het
woord Representant gestikt. Doch op de voorzitterstafel, tijdelijk ingenomen
door
Van Zuylen van Nyevelt, president der
commissie uit de Generaliteit (door deze was tot hiertoe, een jaar lang, het
landsbestuur ad interim waargenomen), op die tafel lag een andere bandelier,
een van enkel driekleurige zijde, bestemd voor den te benoemen voorzitter en
voor hém-alleen; en de vraag was, aan wien der 90 de eer zou te beurt
vallen zich met dit zinnebeeld der hoogste waardigheid in den lande te | | | | tooijen. Der hoogste, zeg ik; want de Nationale Vergadering zou het
bestuur hebben over alle buitenlandsche betrekkingen, over vrede en oorlog;
over het sluiten van traktaten en alliantiën; over het zenden van
ministers en agenten; over de munt; over de land- en zeemagt; over de
geldmiddelen. Daar opent Van Zuylen de bijeenkomst, verzoekt den griffier
Quarles de bij het reglement bepaalde verklaring voor te lezen, vraagt hoofd
voor hoofd aan de 90 afgevaardigden, of zij geene zwarigheid maakten, deze
verklaring te doen, en noodigt hen daarna uit zich een voorzitter te kiezen -
niet met stembriefjes, open of gesloten, geteekend of ongeteekend, maar met
luider stemme en wederom hoofd voor hoofd. En toen nu van de 90 representanten,
op Van Zuylen's, vraag: ‘Burger, wien gelieft het u tot President dezer
Vergadering te benoemen?’ toen 88 van de 90 geantwoord hadden: ‘den
burger Pieter Paulus,’ trad Van Zuylen met den driekleurigen bandelier in
de hand op Pieter Paulus toe, hing hem den bandelier om de schouders, en
geleidde hem naar den presidialen zetel - waarna de nieuwe voorzitter met deze
woorden de vergadering opende: ‘In naam van het volk van Nederland,
hetwelk wij hier vertegenwoordigen, verklaar ik deze vergadering te zijn het
representerend ligchaam van het volk van Nederland.’ De slotwoorden van
het gebed, waarin hij aan het einde zijner openingsrede de vergadering
voorging, luidden aldus: ‘Laat u, goed en genadig God, Vader van alle
schepselen, laat U welgevallig zijn de welmeenende belofte die wij allen hier
als in Uwe handen afleggen: dat wij het Vaderland behouden, of dat wij op onze
posten sterven zullen!’ - Dit was, zeide ik, het schoonste oogenblik in
het leven van Pieter Paulus. Of eene ruwe en weldra lasterlijk bevonden
aanklagt wegens ‘schurkerij’ in een der eerste zittingen tegen hem
ingebragt, dan wel, hetgeen waarschijnlijker is, overmatige staatszorgen zijne
gezondheid hadden geknakt - althans in de zitting van Donderdag den
17den daaraanvolgend, berigtte
Pieter Leonard van de Kasteele, waarnemend
voorzitter, bij het openen der vergadering, dat ‘de verdienste- | | | | lijke
burger Pieter Paulus’ dien morgen ten 9 ure overleden was,
en dat hij voor zich (Van de Kasteele) ‘geene zwarigheid maakte, om op
het plegtigst te verklaren, dat de burger Pieter Paulus tot aan zijnen dood toe
niet opgehouden heeft zich bij het Vaderland en bij de Vrijheid verdienstelijk
te maken.’ Eenstemmig was de kreet: ‘Dit verklaren wij;’ en
de Conventie nam een besluit, waarbij bepaald werd, dat Van de Kasteele's
votum, op perkament geschreven, te zamen met de driekleurige sjerp van den te
vroeg gestorven voorzitter, als een blijvend gedenkteeken, aan de weduwe van
Pieter Paulus ten geschenke zou worden aangeboden.
Plegtig insgelijks, alhoewel noch aandoenlijk noch tragisch, was het
oogenblik waarop door Simon Stijl, den
10den November van het eigen jaar '96, namens de Commissie van 21,
wier medelid en tolk hij bij die gelegenheid was, het straksgenoemd Ontwerp van
Constitutie werd ingeleverd. Doch gunnen wij ons tusschentijds een blik op het
ensemble der Vergadering, en ook op de menigte daarbuiten. Den 3den
Maart vierde men in den Haag, ter eere van het bijeenkomen der Conventie,
een burgerfeest, bestaande in een plegtstatigen optogt van mannen en vrouwen,
grijsaards en kinderen, burgers en soldaten. De trein toog door de voornaamste
straten der stad naar het Binnenhof, en haalde daar eene Commissie van Twaalven
af, door de Conventie gekozen om deel te nemen aan het feest en tegenwoordig te
zijn bij het planten van al weder een vrijheidsboom. De stoet was zamengesteld
uit onderscheiden zinnebeeldige groepen op wagens. De fraaiste wagen was die,
waarop de Vrijheid troonde; een prachtige triomfwagen, behangen met scharlaken,
waaraan gouden passementen. De Vrijheid werd voorgesteld door de Burgeres Van
der Meer, die met den ontblooten linkerarm op een altaar leunde, terwijl zij in
de regterhand een speer hield met den hoed der Vrijheid er bovenop. In
weêrwil der nijpende koude en van een luchtig gewaad, hield de Burgeres
Van der Meer deze rol zeven | | | | uur lang in één stuk
vol; en een klein kind van vier jaren was sterk genoeg om gedurende dienzelfden
tijd, achter den vrijheidswagen aan, de banier van de ‘Hoop des
Vaderlands’ te dragen. De geschiedschrijver Rogge, predikant bij de
remonstrantsche gemeente te Leiden, die de beschrijving van dit feest in '99 te
boek stelde, beroept zich op het voorbeeld van dit kind, als ook op den
ontblooten arm en het luchtig gewaad der Burgeres Van der Meer, ten bewijze dat
de zoogenaamd ‘koelbloedige Nederlander’ geenszins onvatbaar is
voor ‘geestverrukking.’
1 Dat
zij zoo.
En nu de vergadering zelve. Men heeft van haar gezegd: ‘Nimmer
zag Nederland zooveel wijsheid onder één dak verzameld!’
Laat ons liever zeggen: Hoewel ook hier nog altoos onvolledig, nooit was
Nederland zoo naar waarheid vertegenwoordigd geweest. Gelijk aan de tweede
Nationale Vergadering een man als de dichter
Staring, zoo ontbraken aan de eerste
mannen als Dumbar, griffier der Staten van Overijssel, en Hendrik van Wijn,
oud-pensionaris van Brielle en Gouda. Daarentegen
telde zij personen in haar midden, die daar niet of naauwelijks thuis
behoorden. Aldus de friesche boer Kuyken, die zijne boerenmanieren in 's lands
hooge vergadering medebragt, en op wiens politieke vertoogen men Diderot's
versje op de preêken van den Abbé Roquette toepaste:
On dit que l'abbé Roquette
Prêche les sermons d'autrui:
Moi, qui sais qu'il les achète,
Je prétends qu'ils sont à lui.
Aldus ook Kuyken's mede-afgevaardigde, Coert Lambert van Beyma, een
volbloed Jakobijn, die meende de nederlandsche natie in een rood vest te moeten
vertegenwoordigen. Aldus evenzeer de rotterdamsche representant Brands, een
rijtuigfabrikant, die op het vernemen zijner benoeming tot lid der Conventie in
de schuttersvergadering te Rotterdam gezegd had: ‘Ik ben maar een
wagenmakertje, maar ik kan | | | | ook wel eene guillotine maken, ik hoop
dat ik er nog eens een maken zal, en ik mag lijden dat mijn kop er het eerst
onder komt, wanneer ik van systeem verander.’ Naderhand bekoelde deze
heethoofd, werd wijzer, en veranderde van systeem. Een onwaardig lid was ook de
gewezen hervormde predikant Bernardus Bosch, een
schreeuwer, redacteur van den Politieken Bliksem, een staatkundig
weekblad, welke titel reeds een ongunstig voorteeken heeten mag. Niet zoo zeer
onwaardig, eindelijk, als wel min of meer compromittant, was de bejaarde
bodegravensche pastoor Witbols, het oudste lid der
vergadering en gewoonlijk haar Nestor genoemd; doch die in wijsheid noch
gematigdheid den homerischen Nestor evenaarde. ‘Volk van Nederland! gij
die mijne daden kent, gij zult mij van geene grootspraak verdenken; gij zult
mij het regt doen geworden van te zeggen: Vader Witbols is het volk getrouw en
zichzelven gelijk gebleven’ - zoo sprak de man, beter heerom en demagoog
dan verlicht of invloedrijk republikein. - Doch niets van dit alles neemt weg
dat de Vergadering kostelijke elementen bevatte. De edelen en patriciërs,
hoewel niet sterk vertegenwoordigd, telden er hunne afgevaardigden:
Bicker enWickevoort
Crommelin uit Amsterdam,
Teding van Berkhout uit Delft,
Hugo Gevers uit 's Gravenhage,Lambrechtsen uit Vlissingen,
Strik van Lintschoten uit Utrecht,
de Vos van Steenwijk uit Vollenhoven, een
tweede
de Vos van Steenwijk uit Meppel. Als
vertegenwoordigers van handel en industrie, zal het genoeg zijn den
amsterdamschen koopman
Lublink den Jongen, en de leidsche
lakenfabrikanten
Van Langen en
Pieter Vreede te noemen. Bovenaan
verdienen de regtsgeleerden en staatslieden geplaatst te worden:Paulus,
Schimmelpenninck,
Van de Kasteele,
Ploos van Amstel,
Cornelis van Lennep,Van Manen,
Vitringa,
De Mist, Trip,
Hahn,
Van Hooff, Kempenaer, en nog menig ander. Doch daaronder, daarnaast,
en daartusschen vertoonden zich mannen die tot hiertoe nimmer hier te lande in
eene Staatsvergadering zitting hadden gehad. Vooreerst een aantal professoren:
de leidsche hoogleeraar Valckenaer, de voormalige
utrechtsche
Van Hamels- | | | | veld,de
franekersche
Greve, de harderwijksche
Nieuwhof en de
Rhoer. Voorts, ettelijke hervormde en
andere predikanten: Bernardus Bosch,
van Diemen, straks met weinig lof genoemd;
Bacot, die naderhand jurist werd;
Sypkens, van Groningen;
Lockhorst, van den Briel;
Paulus Bosveldt, van Dordrecht;
‘last not least,’
Jacobus Kantelaar, vroeger predikant te
Almelo, de man die na Pieter Paulus in deze vergadering met Schimmelpenninck om den zedelijken voorrang wedijverde en
haar in moeijelijke omstandigheden beter dan iemand presideerde. Eindelijk, en
dit was het nieuwst en het merkwaardigst van alle, men vond er een tamelijk
sterk roomsch-katholiek element; niet slechts leeken, gelijk de reeds genoemden
Ploos van Amstel enVan
Langen, gelijk
Nolet uit Schiedam,Guljé uit Vechel,
Molengraaf uit Oosterwijk,Schermer uit Purmerend,
Midderigh uit Rotterdam, (en deze opgaaf
is geenszins volledig), maar ook minstens drie roomsch-katholieke priesters,
van wie Vader
Witbols (te Naaldwijk gekozen) de grijsste
van haren en de roodste van staatkundige kleur,
Reijns (van Steenbergen) de gevatste, en
Van Rijswijk (uit Friesland,
plaatsvervanger van
Simon Stijl, en een hoogst beminnelijk
man) de gematigdste en zachtzinnigste was.
Ongaarne bepaal ik mij bij deze louter uitwendige teekening. Veel
liever werkte ik haar bij, en verhaalde u van het ingediende plan van
constitutie en van de belangrijke discussies daarover gevoerd, en toonde u met
de stukken aan, hoe met uitzondering van het burgerlijk huwelijk (dat althans
in Holland, bij publicatie van den 7den Mei '95 reeds in de plaats
van het kerkelijk was gesteld en dus niet meer behoefde te worden ingevoerd),
met uitzondering evenzeer van de nationale militie (die ons door het fransche
keizerrijk gelegateerd werd), hoe zeg ik, noch in 1813 of '15, noch in 1848,
niets van belang in onze onderscheiden staatsregelingen is opgenomen, of door
haar ingevoerd, dat niet reeds in de Nationale Conventie van '96 een onderwerp
van rijpe, somtijds onstuimige, maar altoos frissche en bezielde overlegging
heeft uitgemaakt. Doch wederom: wij moeten kiezen. Of liever, wij kozen reeds:
de kwestie namelijk van de scheiding der | | | | voormaals zoo naauw
verbonden machten van Kerk en Staat.
Reeds in eene der eerste zittingen, die van den 7den
Maart, onder het voorzitterschap van Van de Kasteele,
en naar aanleiding van een voorstel van
Van Hamelsveldt tot afkondiging van een
algemeenen bededag, was aan die gewigtige kwestie getornd geworden. Sommige
leden hadden bij de behandeling van Van Hamelsveldt's voorstel, of reeds
vroeger, hetzij dan met opzet of bij ongeluk, gesproken van ‘het
huwelijk’ tusschen onze Kerk en onzen Staat. De roomsche representant
Guljé had zich deze uitdrukking in het oor geknoopt en, toen het woord
aan hem was: ‘Ik heb,’ zeide hij, onlangs eene memorie in deze
vergadering hooren voorlezen, waarin gezegd wordt dat deze Staat met de
godsdienst sints lang gehuwd is geweest. Ik hoop toch dat de kundige steller
dezer memorie niet bedoeld heeft aan het bestuur smakelijk te maken dat
mahomedaansche huwelijk van het oude bestuur, waar de ééne
Sultane en de andere maar bijwijven waren, en waar de hatelijke jalouzie van de
eerste, de laatsten onophoudelijk tot vervolging en onderdrukking
verstrekte.’ Op deze wijze werd, naar de volksspreekwijs, in de dagen der
Bataafsche Republiek, dit potje te vuur gezet.
Nadat de constitutie van Augustus '97 afgestemd, en die van April
'98 aangenomen was, was ook tevens de bepaling tot wet verheven, niet slechts,
dat geen band hoegenaamd het Hervormd Kerkgenootschap voortaan aan het
Staatsbestuur zou binden, maar dat de bezittingen van dit Genootschap (op
zekere uitzonderingen na) van genoemd oogenblik af, als nationaal eigendom
zouden worden beschouwd, en dat de Hervormde Kerk binnen den tijd van drie
jaren in het onderhoud van hare eigen leeraren, en dat van al hare instellingen
zou hebben te voorzien. Doch tusschen die regeling en tusschen Guljé's
sporadischen uitval over het mahomedaansche huwelijk in, ligt de
geboortegeschiedenis van het besluit der Nationale Vergadering, van welks
punten het eerste aldus luidde: ‘Er zal of kan geene bevoorregte of
heerschende kerk in Nederland meer geduld worden.’ Uitgelokt werd dit
besluit door wederom een roomsch afgevaardigde, den advokaat Ploos van Amstel.
| | | | In een verrassend, bijna ontijdig, doch overigens scherp
geteekend en flink voorstel, bragt deze de zaak te berde; er werd eene
Commissie benoemd om haar te onderzoeken, en de rapporteur dier Commissie,
steller van een niet minder flink rapport dan het voorstel geweest was, was de
veteraan en lutheraan Lublink de Jonge, toen een man van meer dan 60 jaren
reeds, en die met vader Witbols en Simon Stijl tot de alleroudste leden der
vergadering behoorde. Dat Lublinks rapport, in weêrwil van sommige
ondergeschikte bedenkingen, evenwel tot de aanneming van het gedane voorstel
concludeerde, behoef ik naauwelijks te zeggen. Het sprak van zelf dat eene
republikeinsche Staatsvergadering in de laatste jaren der achttiende eeuw
openlijk brak met het denkbeeld en de instelling een er Staatskerk. Doch wel
mag ik u herinneren aan zeker versje, waarvan ook door
Prof. Heringa gebruik is gemaakt om een
der onvermijdelijkste en schromelijkste gevolgen van het Staatskerkelijk
systeem in het licht te stellen. Het is dit vierregelig puntdicht van een
dichter der 17de eeuw, Jeremias de Dekker, gebeten in het oor van
onze baatzuchtige Hervormden van den goeden ouden tijd:
'k En weet niet of uw zucht tot Jezus bondgenooten,
Of tot zijn bruid, de Kerk, zoo groot is als gij praat:
Dit weet ik dat de Kerk gekust wordt door de Grooten,
En dat men door de Kerk nu tot het Kussen gaat.
En ook wel mag ik u den aanhef mededeelen eener circulaire, door
Kantelaar gesteld, en betrekking hebbend op het onderwerp waarvan wij spreken:
‘De omwentelingen die sedert eenige jaren in den regeringsvorm van
onderscheiden volken zijn voorgevallen, worden te vergeefs door de vrienden der
slavernij uitgekreten als het werk van een handvol oproerigen. Hoezeer zij in
hare beginselen bezoedeld zijn door gebeurtenissen die de gevolgen waren van de
kwalijk bestuurde drift harer min doorzigtige voorstanderen, of van de snoode
kunstgrepen harer valsche vrienden, de bedaarde en onpartijdige beschouwer
miskent toch nimmer haren edelen oorsprong, haar heilzaam doel. Neen, zij zijn
het voortbrengsel | | | | niet van eenige enkele personen! Zij zijn het
uitwerksel der verlichting en beschaving, de vrucht der eeuwen en der
wijsbegeerte. Haar beginsel lag in het hart van iedereen.’ Mij dunkt, ik
zie en hoor Kantelaar het concept dezer circulaire in de Vergadering voorlezen.
Hij is een rijzig man van nog geen 38 jaren - wij schrijven 10 Augustus '96, en
eerst den 22sten dier maand zou hij zijn 39ste levensjaar
intreden. Onder zijne zware donkere wenkbraauwen vonkelt een helder en sprekend
oog. Uit zijn al te breeden en vleezigen mond klinkt eene krachtige
doordringende stem. In die zaamgetrokken wenkbraauwen is iets dat herinnert aan
de buitengewoon fraaije Ode die hij in 1805 aan Schimmelpenninck toezong. In
die gevoelvolle stem, iets waaraan men den dichter van het niet minder fraaije
vers herkent: Op den dood van een kind, beginnende met de woorden:
‘Gelijk een eik in 't woud zijn hoofd omhooge houdt.’ Hij werd voor
godgeleerde opgeleid, toonde zich aan de Academie een doorkundig Orientalist,
en was, in weerwil van den uiterst geringen omvang zijner poëtische
nalatenschap, eene dichterlijke ziel. Doch eerst de staatkunde openbaarde hem
aan hemzelven; en hoewel hij reeds in '98 voor altoos van dit tooneel aftrad,
is zijne persoonlijkheid eene der kloekste geweest onzer politieke wereld van
destijds.
Laat mij intusschen niet verzuimen u in verband met de kwestie van
Kerk en Staat opmerkzaam te maken op het aandeel van
Van der Palm in dezen strijd. Ik moet aan
uwe belangstelling de herlezing overlaten dier oostersche parabel, te vinden in
het laatste deel van Van der Palm's Redevoeringen en Verspreide
Geschriften en getiteld Abdolmotalleb of de Kerk in gevaar. Gelijk
dit stukje daar ligt of staat is het voor lezers van onzen tijd niet te
begrijpen. Die grootvader van Mahomet met zijn tweehonderd kameelen schijnt al
een zeer geheimzinnig en ondoorgrondelijk persoon. De sleutel tot het geheim is
dunkt mij deze: Vóór '95 waren de hervormde predikanten, althans
de groote meerderheid, omwentelingsgezind. Tegenstand van de zijde der
minderheid openbaarde zich in '96, toen (geheel indruischend tegen den wensch
| | | | der waarlijke liberale republikeinen) in de provincie Holland en
elders van de onderscheiden leeraars der godsdienst politieke verklaringen
werden gevorderd, dat is te zeggen, verklaringen van instemming met en
getrouwheid aan de nieuwe orde van zaken. Dientengevolge hadden er in
onderscheiden steden van Holland en elders afzettingen van geestelijken plaats;
te Amsterdam-alleen werden er niet minder dan vijftien door het staatsbestuur
zeer onvrijzinnig en wederregtelijk uit hunne bediening ontslagen. Doch toen in
de eerste Nationale Vergadering de scheiding van Staat en Kerk ter sprake kwam,
en tegelijk daarmede de kerkelijke goederen (althans in beginsel) tot nationaal
eigendom werden verklaard, toen met andere woorden die zekere bepaling der
Constitutie van '98, waarbij gesproken werd van een driejarig ultimatum,
uitdrukking scheen te zullen worden van den wil der bovendrijvende partij in
den boezem der Volksvertegenwoordiging, toen behoorde niet langer de
minderheid-alleen, maar weldra ook de meerderheid der predikanten tot de
fractie der anti-republikeinsche oppositie. Billijk was de alarmkreet der
toenmalige hervormde leeraars: ‘Ons traktement is in gevaar!’ Doch
de hartstogtelijken onder hen, geen onderscheid makend tusschen hun persoonlijk
belang en dat der godsdienst-zelve, lieten het daar niet bij. Juister: zij
zwegen er van; en instede van te roepen: ‘Wij worden van ons dagelijksch
brood gebragt!’ riepen zij: ‘Het Koningrijk der hemelen sterft den
hongerdood.’ En deze is de begripsverwarring waartegen Van der Palm, niet
zonder fijne ironie, in verzet komt, wanneer hij zijnen Abdolmotalleb tot den
ethiopischen Koning Abraha zeggen laat: ‘Hoor, Koning! de tweehonderd
kameelen, die uwe soldaten hebben buitgemaakt en die ik terugvraag, zijn de
mijne; ik ben Heer en eigenaar derzelve, en mijn pligt is het, mijn eigendom te
beschermen. Het huis hetwelk gij wilt verdelgen (te weten, de tempel van Mekka)
is het mijne niet, maar van Allah: aan Hem staat het, die er Heer en eigenaar
van is, dat huis tegen u te beveiligen.’ - ‘Dat zal hij bezwaarlijk
tegen mijne magt kunnen doen,’ zeide Abraha. - ‘Hiervan zult
| | | | gij de proef moeten nemen,’ antwoordde Abdolmotalleb;
‘geef mij slechts mijne kameelen weerom.’-Van der Palm plaatste dit
stukje in de Mengelingen tot Nut en Vermaak van het jaar '97, het tweede
jaar van zijn professoraat te Leiden. Werd het stukje niet-alleen door hem
geschreven maar ook onderteekend? Ik kan het u niet zeggen; doch vrees van neen
en hoop van ja.
Simon Stijl wordt ongeduldig dat wij hem
zoolang in den prachtigen armstoel laten zitten, in de vergadering van 10
November '96 voor hem als woordvoerder der Commissie van Constitutie
nedergezet. Hij is daar tevens ál en niet op zijn gemak. Politieke
bemoeijingen vielen niet in zijnen smaak en het was tégen zijnen zin,
dat hij het mandaat zijner friesche Committenten in het voorjaar aanvaard had.
Bij het openen der vergadering op 1 Maart was hij, ofschoon in de gelegenheid
tijdig genoeg uit Harlingen te vertrekken, niet tegenwoordig: men weet niet om
welke reden, doch vast niet uit geestdrift. Eerst tegen half Julij kwam hij
opdagen, en miste daardoor ook het voorregt de gelaatstrekken van dien Pieter
Paulus te aanschouwen, die hem twintig jaren geleden in zijne Unie van
Utrecht van onnaauwkeurigheid had beticht, en aan wien hij in de Voorrede
van den tweeden druk zijner Opkomst en Bloei revisie van dat vonnis had
gevraagd. De politiek stond hem tegen. In Oktober '97 voor goed naar Friesland
en naar zijn geliefd Harlingen teruggekeerd, schreef hij aan een zijner
vrienden: ‘Ik vergelijk mijzelven bij een riviervischje, dat tegen zijne
bestemming eenigen tijd in zeenat hebbende moeten verblijven, thans weder in
zoet water zwemt.’
1
Bijna even weinig als de staatkunde behaagde hem de residentiestad. ‘Het
haagsche leven,’ schrijft hij naar Friesland, ‘zou mij inderdaad
nog al aangenaam kunnen zijn, indien ik er, gelijk wij ons voorstellen, eenige
smaak voor fraaije kunsten vond, doch tot nog toe heb ik daar geen blijk van
gezien; mogelijk zijn mij de kanalen nog onbekend. De troep van 's Gravezande
speelt hier, doch men spreekt er met | | | | verachting van. Ik ben er
nog niet geweest, maar denk er evenwel bij de eerste gelegenheid eens te
gaan.’ Steeds, gelijk gij ziet, dezelfde hartstogt voor het tooneel.
Intusschen hoe neerslagtig een uitval als deze ook klinken moge:
‘Eén vooruitzigt is er dat mij troost; ik zal, zoodra het mij hier
verveelt, wel gelegenheid vinden om voor een week of vier mijn ontslag te
krijgen en naar huis te gaan,’
1
ik verbeeld mij dat Simon Stijl op den bewusten 10den November, al
ware het dan ook bij zeldzame uitzondering, tamelijk wel in zijn schik zal zijn
geweest. Met voorbijgaan van Pater Witbols, het alleroudste lid, had de
Commissie van Constitutie hem tot haren woordvoerder gekozen, aan hem de niet
ondramatische taak opgedragen, om het in het net geschreven ontwerp van
staatsregeling, liggend in een prachtigen omslag met driekleurige linten
toegestrikt, aan den voorzitter Jordens te overhandigen. En waarom juist aan
hem? Omdat geen der andere Commissarissen gewaagd zou hebben in uiterlijke
welsprekendheid te wedijveren met den lofredenaar en mededinger van
Jan Punt. En niet te vergeefs hadden de
ontwerpers van dit plan op hem gerekend, om het ingediend concept - vergeeft
mij deze triviale uitdrukking - naar den eisch te laten ‘schuimen.’
Want toen Stijl, opgerezen uit den feestelijken stoel, de tribune beklommen
had, en hij in zijne redevoering aan deze plaats genaderd was: ‘De Kerk
wordt afgescheiden van den Staat. Wij zullen geen heerschende Kerk, geene
snoode Moeder van gewetensdwang meer kennen. De toegang tot eer en
aanzien’ (hier spreekt zoowel de mennoniet als de anti-klerikaal)
‘zal niet meer gesloten zijn voor den man van verdienste die zijn
vaderland bemint, en vooral daarin eere stelt dat hij geroepen wordt om het
belangeloos te dienen. De weg daartoe wordt hem voortaan niet afgesloten, omdat
hij zijnen Schepper dient en verheerlijkt, geenszins naar opgedrongen
voorschriften, maar volgens de zuivere inspraak van een rein geweten, ter
bevordering van deugd en goede zeden. Het ware en eenig pad ter Zaligheid zal
| | | | ook voortaan de loopbaan zijn, langs welke het tijdelijk geluk,
en het onwaardeerbaar voorregt om voor 's naasten geluk te mogen zorgen, in ons
dierbaar Vaderland verkregen wordt’ - toen Simon Stijl deze woorden
uitsprak, ‘toen wisten deskundigen niet,’ zegt de
levensbeschrijver, ‘wat zij het meest moesten roemen, of de kracht en
gepastheid der tale, of de uiterlijke welsprekendheid, den manlijken toon en de
gebaarmaking.’
1
Mijn pligt zou wezen hier te eindigen. Doch ik gevoel een naar ik
hoop onschuldigen lust, om u nog eenmaal die vergadering van den luccaschen
Senaat binnen te leiden, waarvan ik in den aanvang sprak. Niet ten einde terug
te komen op de bewuste zitting-zelve, maar tot herstel van een door mij
gepleegd verzuim. Die zitting is namelijk niet achter elkander afgeloopen. De
vergadering is integendeel, toen de driedubbele Commissie zich verwijderd had,
om aan haar mandaat te voldoen en het request van den sergeant Spadassino aan
eene naauwkeurige toetsing te onderwerpen, voor eene poos geconverteerd
geworden in een Comité Generaal; en in dit Comité werd door den
president in eene confidentiële conversatie aan de leden gecommuniceerd,
dat bij hem was ingekomen een brief van zekeren Antonio Saccharini, inhoudende
een verzoek om te worden gebenificiëerd met de leverantie aan den Senaat
van de noodige kokinje, en daarbij inzendend een monster uit zijne fabriek.
Doch hooren wij het dagverhaal-zelf:
‘De president produceert het monster. De leden van de
vergadering plaatsen zich plegtig één voor één voor
't altaar van 't Vaderland, en de President steekt hun ieder een babbelaar in
den mond. - Signor Talmerini vraagt het woord: Ik verzoek door eene tweede
proefneming mij te verzekeren van de deugdelijkheid der waar. - Vele leden
roepen: Appui! - De President roept nogmaals alle de leden voor het altaar des
Vaderlands, en steekt hun met eigen hand ieder een babbelaar in den mond. Hun
nu deze materie hebbende laten bekooken, spreekt hij de navolgende woorden:
| | | | Leden van dit hooge Collegie! ik vertrouw dat gij thans met mij
zult instemmen dat Antonio Saccharini zich verstaat op zijn handwerk. Daar nu
de conditiën van leverantie zijn allervoordeeligst, zoo proponeer ik aan
deze Hooge Vergadering hem daarmede te begunstigen. En, conform aan dien,
conclu...... - De presidiale hamer was nog geen duim meer van de tafel, als
juist een der leden (signor Francifilo) riep: President! president! wat gaat
gij beginnen? weet gij dan niet dat Saccharini een Jansenist is? Ja een
Jansenist! De babbelaars zijn lekker en goedkoop: maar al waren zij nog
tweemaal zoo lekker, tweemaal zoo goedkoop, hij is een Jansenist! Waar toch
moet het heen, President (die vast bleek wordt en ontstelt), zoo deze
vergadering niet waakt dat in geene vette, smerige, of zoete ambten,
beneficiën, of leveranciën, lieden geplaatst worden dan die toegedaan
zijn aan de Heilige Roomsche Kerk en aan déze Constitutie, die ik voor
zoo vast houde als een muts met een keeleband? Ik voor mij zou van opinie zijn
dat men aan voornoemden Saccharini, ten straffe dat hij de religie van dit
Hooge Collegie heeft zoeken te surpreneren, het trommeltje ledig en zonder
eenige schadevergoeding terugzende; en dat men de resteerende babbelaars onder
de kinderen uitdeele. - De meerderheid der vergadering roept: Bravo! Bravo!
Appui! Appui! - De president vraagt (met bevende stem): Of men het ledige
trommeltje open dan toe zal terug zenden? Vele leden: Ad libitum. - En eerst
nadat dit tusschenbedrijf is afgehandeld wordt het Comité Generaal
opgeheven, en treden de drie commissiën met hare rapporteurs de
vergadering weder binnen.
Ziehier thans onze slotsom: Van Woensel's parodie te willen
toepassen op alle staatsvergaderingen uit den tijd der Bataafsche Republiek,
dit zou ten aanzien der Nationale Vergadering van zes- en zeven-en-negentig
eene daad van onregtvaardigheid zijn. De scherts van dezen dokter der
bataafsche marine is als een onversneden landwijn: om drinkbaar te wezen moet
deze wijn met eene zekere hoeveelheid water worden aangelengd. Doch al laten
wij Van Woensel's kritiek slechts binnen zekere grenzen toe, zij verdient
daarom niet | | | | minder ontzag of bewondering. In eenen tijd van
algemeene verslapping was
Van Woensel krachtig; in dagen van ruwheid
was hij fijn; sommige der beste sappen onzer toenmalige zamenleving
concentreerden zich in zijnen geest en vonden een orgaan in zijne satiren, in
zijne schrijf- en teekenpen. Wederom een bewijs van hetgeen in den algemeenen
zin des woords de kunst vermag. Niet slechts wansmaak en valsche beschaving,
ook het enkel nuttige en zoogenaamd praktische gaat voorbij. Daarentegen heeft
de eeredienst van het schoone dit met de hoogste eeredienst gemeen, dat zij, na
ongemerkt over den tijdgenoot te hebben geheerscht, ook nog door de
nakomelingschap wordt begroet als wachteres over sommige van de beste goederen
der menschheid.
|
1 Jaarboekje voor den Boekhandel, 1839,
p. 131.
1 Staatsregeling, p. 27 volg.
1Scheltema, Mengelwerk Ia, p. 186.
1Ottema, Redevoering, p. 30, 35.
|
|