|
|
|
| | | | | |
Zesde lezing. Feith en Kinker.
Reeds lang genoeg hebben wij, aan de hand der litteratuur, op het
staatstooneel verwijld; en hoewel het leven onzer natie in de laatste jaren der
vorige eeuw voor een zeer groot gedeelte in de politiek opging, hoewel dat
leven niet van nabij gekend kan worden, indien er onzerzijds niet eenige
gemeenzaamheid met de toenmalige staatsinstellingen en hare wording, met de
hoofdpersonen op het toenmalig publiek gebied, met den algemeenen gang der
gebeurtenissen en denkbeelden, wordt aangetroffen - zoo spreekt het niettemin
van zelf, dat eene menigte andere zaken tusschentijds min of meer rustig, min
of meer onafhankelijk van de staatkunde, haren gang gingen. Meer dan
één levenskring bleef door de politiek zoo goed als onaangedaan;
en tot dit neutraal terrein, zonder hier zoo min als elders aanspraak te maken
op volledigheid - want om slechts deze twee te noemen: ik laat de Kerk en de
Akademie gansch en al rusten - tot genoemd terrein reken ik de Volksschool, de
Huiskamer, en het Tooneel. Hoe werden destijds onze kinderen onderwezen, arm en
rijk? wat lazen onze beschaafde jongelieden van beiderlei geslacht? Welk fraais
was er, nu en dan, in den Schouwburg te zien en te hooren? Deze zijn de drie
zaken, waarover ik wensch u te onderhouden.
Eerst iets over de volksschool.
Cornelis Van der Palm, de | | | |
vader van den Agent van Opvoeding, een man van het vak, zal ons verhalen van
hetgeen in zijne dagen de schoolmeesters waren. ‘Moet men zich niet ten
uiterste verwonderen,’ zoo vraagt hij in zijne verhandeling Over de
Verbetering der Scholen, ‘dat een groot aantal Meesters buiten staat
zijn een behoorlijken brief te schrijven? wat zeg ik, te kunnen boekstaven of
spellen? Hoe klein is het aantal dergenen die eenige, zelfs maar geringe kennis
hunner moederspraak hebben? In steden ziet men veelal schoolmeesters die
nergens minder dan tot dien post opgeleid zijn; menschen die, te traag om te
werken, dit zittende leven verkozen hebben. Eertijds plag men op de Dorpen meer
te zien op eene schoone stem, om eenige toonen langdradig op te dreunen, dan op
een verstandig en deugdzaam man. Ik zwijg van zulke oorden daar men aan
onbekwame dienstboden, die men anders niet wel wist te plaatsen, het
schoolmeesterambt opgedragen heeft.’ Aldus over het onderwijzend
personeel. Thans over de leerboeken, die men aan onze
‘jeugdelingen’ - zoo noemt Van der Palm de schoolkinderen - aan de
‘jeugdelingen’ onzer volksklasse in handen gaf: ‘Verstandige
meesters hebben reeds voor lang zich beklaagd over de boeken welke doorgaans in
de nederlandsche scholen gebezigd worden. Het is voorzeker uit een goed en
godvruchtig oogmerk herkomstig dat men haast geene andere boeken dan die een
gedeelte der Heilige Schrift behelzen gebruikt. Men bedriegt zich evenwel
wanneer men denkt dat dit eenen merkelijken invloed op het gedrag en de zeden
der jeugd zal hebben. De kinderen verstaan weinig of niets van hetgeen zij
lezen; ook zijn de lessen die hun in dezelven gegeven worden somwijl zoo kort,
en zoo ver van elkander verwijderd’ (wij zouden zeggen zoo
uiteenloopend), ‘dat zij er onmogelijk iets van verstaan kunnen. Nog mag
men er bij voegen dat sommigen van dien te stug van stijl en voor het
kinderlijk begrip geheel onvatbaar zijn. Dan, hetgeen ik voornamelijk wil
opgemerkt hebben is, dat dezelve vol zijn met spel- en taalgebreken; dewelke in
de teedere verstanden zoo vast hechten dat zij, ouder geworden zijnde’
(niet de taalgebreken maar de teedere verstanden: Cornelis | | | | Van
der Palm schreef een goeden, maar geen modelstijl), ‘niet dan zeer
bezwaarlijk er zich van kunnen ontdoen.’ Zoo stonden de zaken omstreeks
het jaar '80; geen bruikbare schoolboeken, en door en door ongeschikte
onderwijzers; het laatste kwaad erger dan het eerste. En wij weten uit het
getuigenis van Van der Palm den Zoon dat er twintig jaren later, in 1800, nog
altoos geen verandering in dezen toestand gekomen was. Hij, wiens stijl
gewoonlijk niet den minsten hartstogt verraadt, en die bij uitnemendheid de
kunst verstond (ik meen Van der Palm de Zoon) om kleurloos en toch goed te
schrijven, wordt vergelijkenderwijs energiek, wanneer hij zich over den stand
van het volksonderwijs uitlaat. ‘Wat Hercules,’ vroeg hij in den
aanvang der eeuw, ‘wat Hercules zal den stroom leiden om deze stallen van
Augias te zuiveren, en de besmette lucht haar verpestenden adem te
ontnemen?’ En wederom: ‘In het onderwijs der scholen is niet meer
hier en daar iets teregt te brengen, maar alles, het een melaatscher dan het
andere, te herstellen en te herscheppen.’ - ‘Hierdoor,’ gaat
hij voort, sprekend van een in te voeren admissie-examen, voor hen die naar den
post van onderwijzer staan, ‘zal ten minste de vermetele onkunde worden
afgeschrikt en beteugeld, en eindelijk de deur gesloten voor zoovele onwaardige
voorwerpen, die bij het verloopen van een verwaarloosd beroep of handwerk, of
in de verlegenheid om met iets beters den kost te verdienen, zich nog altijd
goed genoeg achteden om als Onderwijzers der jeugd en Vormers van menschen op
het tooneel te treden.’ Laat ons hier intusschen hulde doen aan de
loffelijke bemoeijingen der maatschappij tot Nut van 't Algemeen, in drie of
vier en tachtig opgerigt: en strooijen wij in het voorbijgaan een bloem op het
graf eens vroeggestorvenen aan wien die Maatschappij een harer populairste
schoolboeken dankt. Die Geschiedenis van Jozef waaruit zoovelen onzer in
hunne jeugd onderwezen werden, en die zich in zoo talloos vele exemplaren (meer
dan 200,000 zegt men,) onder alle standen van ons volk heeft verspreid, werd in
Augustus '95 door de Nuts-Maatschappij bekroond en was het werk van Willem van Oosterwijk Huls- | | | | hoff, een
doopsgezind proponent, drie maanden te voren in den bloeijenden leeftijd van
slechts 24 jaren aan de tering gestorven. Deze jonge man heeft dus zelf niet
mogen weten dat zijn volksboek (vrucht, zoo ik mij niet bedrieg, van een meer
wetenschappelijk werk over hetzelfde onderwerp, kort te voren, en ditmaal nog
bij het leven van Hulshoff, door het Haagsche Genootschap bekroond), door de
Maatschappij van het Nut den uitgeloofden prijs waardig was gekeurd. De jonge
Hulshoff moet iemand geweest zijn van een beminnelijk karakter, toegerust met
eene meer dan gewone mate van verstandelijke vermogens en aangeworven
kundigheden, theologische maar ook physische.
Vraagt iemand wat er in ons tijdvak en in het onmiddellijk daaraan
voorafgegane niet zoozeer voor de volksschool en haar leerlingen, als wel voor
de meer beschaafden en hunne kinderen is gedaan - aanstonds verdringen hier
elkander in onze herinnering de namen van de Perponcher, van
Van Alphen en
Pieter 't Hoen, van
Martinet en
Ahasverus van den Berg. - Welke ook
overigens de letterkundige verdiensten van den Utrechtschen edelman de
Perponcher mogen zijn geweest, zeker is dat de drie deeltjes van zijn
Onderwijs voor Kinderen al ware het alleen om den natuurlijken toon, ook
nu nog een opmerkelijk geschrift mogen heeten. ‘Zekere dame vroeg mij
eens,’ zoo lees ik in het Voorberigt, ‘wat zij antwoorden zou op de
vraag: ‘Wat is lucht?’ indien een harer kinderen haar die eens mogt
voorstellen. In plaats van antwoord, blies ik haar op de hand en vroeg haar:
‘Voel je nu iets, mevrouw?’ ‘Ja wel zeker voel ik
iets.’ ‘Welnu, mevrouw, dat is lucht. Geef ditzelfde antwoord aan
uw kind, voeg er de voorbeelden van een waaijer, een blaasbalk, een opgeblazen
papieren zak bij, en uw kind zal beter overtuigd zijn dat er lucht is, dan of
gij hem de beste definitie van de wereld gegeven hadt.’ En wat dunkt u
van dit tafereeltje, veraanschouwelijking van het afgetrokken begrip
‘gehoorzaamheid’? Het gesprek wordt gevoerd tusschen een moeder,
haar zoontje Willem, en het kindermeisje Hanna:
| | | |
‘Hanna zijn de kinders zoet geweest?’ ‘Ja,
mevrouw, behalve Willem die is niet zoet geweest....’ ‘Wat heeft
hij dan gedaan?’ ‘Hij heeft geduriglijk met Pauline en Hendrik
gekrakeeld, en hun 't speelgoed willen afnemen.’ ‘Foei, dat is een
stoute jongen! En heb je 't hem niet belet, Hanna?’ ‘Ja mevrouw;
hij heeft het zóó erg gemaakt dat ik hem eindelijk al 't
speelgoed heb moeten afnemen, en hem verbieden langer met zijn zusjes mee te
spelen.’ ‘En wat heeft hij toen gedaan?’ ‘Toen is hij
in een hoek gaan staan krijten en pruilen, en daar is hij bijna den geheelen
avond gebleven.’ ‘Wel, Willem, heb je toen veel pleizier gehad,
daar in je hoek?’ ‘Neen, mama.’ ‘Zou het dan niet veel
beter zijn geweest dat je zoet geweest waart? dat je met je zusjes niet
gekrakeeld, noch hun 't speelgoed afgenomen hadt, maar liever vrolijk en
vriendelijk met hen gespeeld, zooals je gisteren avond hebt gedaan? Heb je toen
niet veel meer pleizier gehad dan nu dezen avond?’ ‘Jawel, mama,
dat heb ik zeker.’ ‘Heugt je wel hoe vrolijk en weltevreden je
waart toen ik thuiskwam, en hoe je me vertelde van al 't pleizier dat je had
gehad, en hoe blij ik ook was van je zoo zoet en zoo vrolijk te vinden?’
‘Jawel, mama.’ ‘En nu daarentegen ben jij droevig, en mij
spijt het zeer dat je zoo stout geweest bent.’ ‘Ik zal 't ook niet
meer doen, mama! Ik zal op een ander tijd vriendelijk en weltevreden met mijn
zusjes spelen en niet meer krakeelen.’ ‘Nu, dan zal je zoet zijn,
en dan zul je pleizier hebben. En dan zal ik ook weer blij zijn van je weer
zoet te zien.’
Zeker, dit is geen onberispelijk proza: te woordenrijk, en met te
veel rijmklanken er in. Maar deugdelijk is het toch, en zeldzaam door
zoetvloeijendheid. Nog iets. Ik vroeg eens aan een mijner oudere vrienden,
uitmuntend opgevoed, hoe het kwam, dat hij zijne ouders (naar ik tot mijne
bevreemding had opgemerkt), zonder oneerbiedig te zijn, evenwel durfde
tutoyeren, hoe hij durfde zeggen: ‘Vader, is die pen van jou?’
‘Moeder wat denk jij er van?’ ‘Dat komt, was zijn antwoord,
omdat ik in mijn kinderjaren uit de boekjes van Perponcher geleerd heb.’
En inderdaad, niet-alleen de ouders tutoyeren in deze boekjes hunne kinderen,
maar ook de kinderen hunne ouders. Onze mevrouw van daareven zegt tot haar
zoontje Willem: ‘Nu ben jij droevig, en mij spijt het zeer dat je zoo
stout geweest bent.’ En zoo vraagt ook elders de kleine Jacob, nadat hij
een almoes gegeven heeft aan een arm kind: ‘Papa’, zegt hij,
‘ik heb niets meer heb jij niet nog wat voor dat lieve jongetje?’
Ik doe geen beslis- | | | | sende uitspraak over de wettigheid van dit
gebruik. Slechts verdient het opmerking, dat een man als Perponcher, die door
zijne geboorte tot onze eerste kringen behoorde, gemeend heeft aldus te mogen
en te moeten schrijven. - Ik noemde daareven den zutphenschen predikant
Martinet en den arnhemschen Ahasverus van den Berg. Ook deze hebben zich als
schrijvers voor de ‘jeugdelingen’ in de vorige eeuw een
welverdienden naam gemaakt. De twaalf kleine deeltjes van hun Geschenk voor
de Jeugd (om nu van geen hunner andere werken te spreken) bestaan voor de
helft uit eigenlijk gezegde leerboekjes - Zedelessen uit Salomo's
Spreuken, Kort onderwijs in de Kerkgebruiken der Israëlieten,
Geographie of Aardrijksbeschrijving, en zoo voorts - en voor de andere
helft uit Mengelwerk: verhaaltjes in proza, verklaring van vaderlandsche
spreekwoorden, fabelen, versjes. Vergunt mij ook uit déze kinderboekjes,
met name uit het mengelwerk, een paar kleinigheden aan te halen, een romannetje
en een romancetje de twee eenige stukjes van dien aard in de gansche
verzameling, doch beiden karakteristiek en kennelijk met opzet door de
eerwaarde schrijvers, alleen tot afwisseling, ten beste gegeven. Het eene
draagt tot opschrift: De Tortelduif en de Wandelaar en is uit het
fransch vertaald:
Wat maakt gij daar, lief Torteltje, in de boomen?
Ik treur! mijn gaaikelief is mij, helaas! ontnomen.
Een jager, dien hij nooit misdeed,
Is de oorzaak van zijn dood en van mijn leed.
Wel vlieg dan weg: hij mogt ras wederkomen,
En met het roer waarmee hij straks uw gaaiken schoot,
Werd u ook 't leven licht ontnomen.
Doet hij 't al niet, zoo treur ik mij toch dood.
| | | |
Wel had ik regt dit een romannetje te noemen: korter
kan het niet. Doch wie herkent niet in deze bedroefde tortelduif, in dit
treurend en ontroostbaar minnaresje, de romaneske wending van den tijd? die
overhelling tot het sentimentele, waardoor (ons romannetje dagteekent van het
jaar '81) het tijdperk dat aan de omwenteling onmiddellijk voorafging alom in
Europa gekenmerkt werd? Niets kwaads is hiermede van de sentimentaliteit
gezegd: en wij kinderen der negentiende eeuw, hoe zouden wij, zonder ons eigen
aangezigt te schenden, de echte sentimentaliteit kunnen lasteren? Het is alleen
maar aardig, dat twee deftige predikanten van den ouden tijd aan zulk een
stukje eene plaats inruimden in hun kinderboekje.
En ziehier hunne romance, Jantje en Keesje getiteld en
gevolgd naar het duitsch; gelijk trouwens genoegzaam blijkt uit den naam van
‘flinten,’ waarmede hier een stel geweren bestempeld wordt:
Twee broeders hadden elk een Zoon
En beiden waren zij zoo schoon,
Als ergens kindren waren.
Toen ze, elk op de armen zijner min,
Zich met elkaar vermaakten,
Nam reeds de vriendschap een begin,
Waarin zij sedert blaakten.
Jan werd van vreugd zoo rood als bloed
Als Kees maar werd vernomen;
En Kees vergat zijn lekkergoed,
Wanneer hij Jan zag komen.
De vaders zagen met vermaak
Hun vriendschap daaglijks groeijen,
En lieten langs hun wangen vaak
De vreugdetranen vloeijen.
Men zag de knaapjes 's morgens blij
Te zaam ter schole keeren.
Geen leerknaap leerde meer dan zij,
De een hielp den anderen leeren.
| | | |
Eens reisde Jantjes vader heen;
Waarheen is mij vergeten.
Jan, sprak hij, gij zijt nu alleen,
Kees, 't spreekt van zelfs, was aanstonds klaar,
Hij kwam naar Jantjes woning.
Zij aten vroolijk met elkaâr
Elk als een kleine koning.
Men had toen de achterkamerdeur
Te sluiten, juist vergeten,
‘Zie Kees,’ sprak Jantje, ‘eens door de
scheur,
Dat mogen flinten heeten!’
Zij slopen stil ter kamer in. -
‘Deze is, bij 't exerceeren,’
Zei Jan, ‘een snaphaan naar mijn zin,
Dien zou ik liefst begeeren.’
‘Kom, Kees! grijp gij dien bruinen, sa!
Ik houd het met dees rooden,’ -
‘Ach Jantje! - Neen,’ zei Kees, ‘Papa
Heeft ons zoo sterk verboden.’ -
‘Ei wat, neem op maar! op mijn woord!
Wie wou ons hier verpraten?’
Kees nam 't geweer. Zij gingen voort
En speelden saam soldaten.
Kees leerde Jan, als een Serjant,
Nu 't een, dan 't ander weder.
‘Leg aan,’ riep hij in 't end,
‘ontbrand!’
Paf! - daar lag Jan ter neder!
Kees wierp zich over Jantje heen,
Om 't stroomend bloed te stelpen.
‘Ach Jantje,’ riep hij - ach - alleen -
Jan zag hem stervend vriendelijk aan,
Als wou hij hem vergeven;
Greep zijne hand en - 't was gedaan!
Hij was niet meer in 't leven!
| | | |
Kees schreeuwde, als werd hem een geweer
Diep in de borst gestoken,
Straks viel hij dood bij Jantje neer,
Het hart was hem gebroken.
Zijn vader kwam terug in 't land,
't Verhaal sneed hem door 't harte,
Zoodat hij zelfs, kort naderhand,
Zulk een versje te kritiseren ware een onbegonnen werk. Ik vraag dan
ook alleen: is het niet zoo dat wij hier met een nieuw en goed verschijnsel te
doen hebben? Mij dunkt van ja. Ook de kinderlijke fantasie heeft hare regten,
zoowel als het kinderlijk godsdienstig of pligtgevoel; en al zal ik mij wel
wachten het aantal definities van het romantisme met eene nieuwe te
vermeerderen, zooveel is zeker: dat onbestemde iets dat men
‘romantiek’ noemt werd ons, tot in de kinderboekjes toe, door de
achttiende eeuw gelegateerd.
Er waren, ten jare '95, bij het uitbreken der revolutie, welligt in
ons vaderland geen twee mannen wier gevoelens meer uiteen liepen, dan die van
Pieter 't Hoen enHieronymus van Alphen; maar ook geen wier dichterlijke
arbeid voor de kinderwereld (al is de naam van den eersten door den blijvenden
roem van den ander te eene maal overschaduwd geworden) omstreeks denzelfden
tijd, nu reeds sedert minstens een tiental jaren, meer algemeen werd
gewaardeerd: Van Alphen, dien wij bij eene vorige gelegenheid te 's Hage
aantroffen (ter afscheidsaudientie van
Prins Willem V) en als warm
stadhoudersgezind leerden kennen, zoo zelfs dat de patriotten hem ‘een
schijnheiligen deugniet’ noemden, is in de laatste jaren zijns levens
(ook tengevolge van huiselijke rampen) tot groote somberheid vervallen en heeft
zich gansch en al afgewend van de politiek. Ter nauwernood zal men onder zijne
gedichten van nà de omwenteling hier en daar enkele regels aantreffen,
die op de tijdsomstandigheden betrekking hebben; en dan nog missen die regels
alle dichterlijke waarde. ‘'k Ben jong,’ zoo roept bij uit in een
| | | | vers van het jaar '96, Toekomst getiteld, toen hij 50
jaren telde en dus nog in de kracht des levens was:
'k Ben jong, maar hijge naar den avond van mijn leven,
Ja, was mijn wensch voldaan, 'k had reeds den geest gegeven.
Reeds was mijn zondig vleesch een prooi van 't vratig graf;
Mijn ziel reeds bij dien God, die haar het aanzijn gaf.
Dit is nu geen subjectieve poëzie, maar subjectief proza.
Dichterlijker klinkt het slot van het stukje Afscheid, mede van '96, en
met kennelijke zinspeling op de donkerheid der tijden.
Gelukkig hij die, als de wijnstok treurt,
De vijgenboom niet bloeit, de olijfboom liegt,
Het veld geen spijs, de stal geen runders geeft,
Zich echter in den God zijns heils verheugt
En opspringt in Jehovah, blij te moê.
Zijn kronklend pad, hoe scherp, hoe eng, hoe steil,
Loopt veilig op het huis zijns Vaders uit.
Van Alphen, gij hoort het, (moeten wij de menschen niet nemen zooals
zij zijn, en ware voor dat ‘opspringen in Jehovah’ nergens
vergiffenis te vinden), Van Alphen was reeds vóór het jaar 1800
het leven moede en stervensziek - en zijn wensch naar den dood werd reeds in
den aanvang van het vierde jaar der eeuw verhoord. De omwenteling had hem
geknakt; ook in zijne vriendschap voor dien
Pieter Leonard van de Kasteele, met wien
hij in '72 zijne Stichtelijke Mengelpoëzij had
uitgegeven, en dien wij voor ons, in '96, onder de woordvoerders der Nationale
Conventie aantroffen. Eenmaal destijds ontmoeten zij elkander, Van Alphen en
Van de Kasteele, in een haagschen boekwinkel: doch Van Alphen weigerde de hand,
die Van de Kasteele hem toestak, en volhardde in die weigering. De
tijdsomstandigheden hadden hem gebroken, en er is bij hem geen spoor te
ontdekken van die veerkracht, die wij weleer in
Bilderdijk, even warm anti-revolutionair als
hij, opmerkten en | | | | bewonderden. Wat hij nog aan dichterlijk talent
had overgehouden werd te koste gelegd aan het zamenstellen eener
Proeve van liederen en gezangen voor de openbare godsdienst,
een werk waaraan hij, evenals aan den Christelijken Spectator zijne
laatste krachten wijdde. Doch dat weleer het dichterlijk vuur werkelijk in hem,
ik zeg niet blaakte, maar zachtkens flikkerde, dit bewijzen niet zoo zeer zijne
bijdragen tot de straks genoemde Stichtelijke Mengelpoëzij of ook
zijne Gedichten voor Elize, of zijne
Oden en Cavatine, maar allermeest
zijne Kleine Gedichten voor Kinderen, die reeds in het
jaar '85 hun veertienden druk hadden beleefd. Welken invloed duitsche
voorbeelden, door Van Alphen-zelf in het voorberigt eerlijk en met name genoemd
- Lieder für Kinder, van Weisse, Lieder
für kleine Mädchen und Jünglinge, van Burmann -
welken invloed deze ook op den nederlandschen dichter mogen gehad hebben, daar
zijn er onder die kinderversjes, wanneer men de pedanterie van de groote
meerderheid wegdenkt, enkele, ja vele die aan Van Alphen's naam eene
beminnelijke onsterfelijkheid verzekeren. Doch laat ons daarom de verdiensten
van Pieter 't Hoen niet miskennen. De stad en provincie Utrecht waren in de
laatste vijf en twintig jaren der vorige eeuw het brandpunt van het
patriotisme, het Keezendom; en van de vurige zich aldaar bevindende en aldaar
ijverende Keezen was Pieter 't Hoen de minst vurige niet. In '99, bij den
gewapenden inval van
Van Heeckeren aan onze oostelijke grenzen,
ontmoeten wij 't Hoen te Arnhem als secretaris van het Departementaal Bestuur
van den Rhijn. Doch vóór dien tijd woonde hij te Utrecht, als
Secretaris der Provisionele Representanten dier provincie; en het was in die
kwaliteit, zoo ik mij niet bedrieg, dat hij in December '95 dat zeker besluit
onderteekende, waarbij aan Prof. Heringa, wegens bewezen diensten bij den
aanvang der Revolutie, een okshoofd roode bordeauxwijn werd vereerd. Kortom, in
en vóór en na '95 was Pieter 't Hoen, in tegenoverstelling van
den Oranje-gezinden Van Alphen, een heftig republikein, redacteur en
oud-redacteur van het meest gelezen en geprononceerd Keezen-week- | | | | blad
dier dagen, de Post van den Neder-Rhijn; schrijver
daarenboven, zegt men, van een aantal politieke blijspelen en kluchten,
quasi-afkomstig van de hand eens overleden dokters die zich Schasz noemde: doch
dat vereischt nader onderzoek. En als ten bewijze dat zelfs politieke
hartstogten niet in staat zijn het menschelijk gevoel te onderdrukken, of den
stroom der menschelijke teederheid te keeren, was deze driftige patriot tevens
kinderdichter en wedijverde met Van Alphen om den voorrang. Ik zal enkele
voorbeelden aanhalen van zijne manier, en in de eerste plaats een versje Het
zoete kind, dat opmerkelijk van versificatie is, om de bevalligheid van
elken vierden regel.
Ons Keesje wordt van elk bemind;
Geen wonder, want dit lieve kind
Is ook, gelijk men zegt, elks vrind,
Elks hart te winnen. Altoos zoet,
Vertoont het een opregt gemoed;
En wat het knaapje zegt of doet,
Wanneer zijn vader hem gebiedt
Te leeren, hangt zijn lipje niet.
Hij weet, dit gave ons slechts verdriet.
Beloont hij 's vaders wijzen raad
En leert dan met een blij gelaat.
Ook wijst hij 't geen in 't boekje staat
Men zou dit een beschrijvend gedichtje kunnen noemen; een hagchelijk
genre, en dat grootelijks behoefte heeft, om door kleine schilderachtige
trekken (‘ook wijst hij 't geen in 't boekje staat zijn lieve
zusje’) ondersteund te worden. - Somtijds ontmoet men bij 't Hoen kleine
fabels, waardoor hij meer aan Goeverneur, en aan diens geestig keuvelende
dierenwereld herinnert, dan Van Alphen, die altoos binnen de grenzen der
eigenlijk gezegde kinderwereld blijft.
| | | |
Een hondje zag een katje snoepen,
Terstond begon Fidel te roepen:
‘Gij steelt; foei, poesje, dat 's niet goed.’
‘Neen,’ zei het katje, ‘'t is geen stelen;
Ei proef eens, 'k wil het met u deelen;
Fidel, het kluifje smaakt zoo zoet.’
De hond stond stil. In plaats van kijven
Begon hij met zijn neus te wrijven
Aan 't lekker kluifje, rook, en at.
En wijl de smaak hem kon behagen,
Werd hij nog, binnen weinig dagen,
Veel erger snoeper dan de kat....
Waaruit dan deze moraal wordt afgeleid: dat een kind,
Die kwaad doet op en neder gaat,
alles te vreezen heeft. 't Hoen weet ook te vertellen, en weet aan
zijn vertelseltje, zonder tot declamatie, of in den preektoon te vervallen,
eene verheven wending te geven:
Een aardig meisje van het land
Ging op haar tijd naar school toe treden,
En had een korfje aan hare hand
Voorzien van spijs en een flesch bier daarbij. -
Hoe klein zij was, de deugd kon haar bekoren;
Zij liet vol vreugd zich zingend hooren;
(Een deugdzaam kind is altijd blij).
Doch naauwlijks halverweg geraakt
Zag zij een man, doodarm, schier naakt,
Zeer bleek, met ingezonken oogen,
En slapende in het lange gras.
Zij werd tot in haar ziel bewogen
Met dezen man (die meêlij waardig was)
En bukte schreijend bij hem neder;
Zij kuste zijne hand, hoe arm hij was, zeer teeder.
‘O, riep ze, indien het kon geschiên,
Hoe gaarn wou ik hem bijstand biên!
Die arme bloed! Welk ongelukkig leven!
'k Zal doen hetgeen ik kan,
| | | |
En aan dien schaamlen man
Mijn kleinen voorraad geven.
Maar ik moest hem in zijn slaap niet storen,
'k Zou dan, hetgeen ik niet begeer,
Zijn dankbetuiging moeten hooren.’ -
Straks lei zij alles bij hem neêr
En sloop stil weg, met nat bekreten oogen.
‘Ik dank u,’ riep ze, ‘o God, o
Goedheidsbron!
Gij schenkt mij gunstig dit vermogen.
Dat ik dien armen laven kon.’
En nu volgt in vier korte snelle regels deze zedeles:
Die arme liên met meêlij ziet,
Uit al zijn macht hun hulpe biedt,
En van zijn weldoen niets wil weten,
Die mag teregt weldadig heeten.
Doch al meende iemand nu, dat Pieter 't Hoen in een of ander stukje
Van Alphen achter zich laat, en hem in een zeker aantal andere op zijde
streeft, het lijdt geen twijfel of de dichter van Wij zaten laatst bij
Saartje, van Ach mijn zusje is gestorven, van Jantje zag eens
pruimen hangen, is naar verdienste door tijdgenooten en nakomenlingschap op
dit gebied de eerste prijs waardig gekeurd. Al ware het alleen omdat zijne
versjes zoo bewonderenswaardig in gehoor en geheugen vallen.
Wat nu de Huiskamer betreft - want hoewel niet te lang, naar ik
vertrouw wij verwijlden toch in kinderkamer en school reeds lang genoeg - de
uitspanningslektuur der jongelieden van dien tijd, voor zoover hunne
ingenomenheid met de vaderlandsche letteren reikte, deze bestond voor een groot
deel uit geschiedenis en wel landsgeschiedenis. Ten jare 1790 verscheen eene
nieuwe uitgaaf van
Wagenaar, vermeerderd met bijvoegsels van
den oud-pensionaris
Hendrik van Wijn; en niettegenstaande deze
herdruk uit vijfentwintig deelen zou bestaan, werden er weldra over de
drieduizend inteekenaren | | | | gevonden: zeldzame bijval, doch die zich
laat verklaren uit het karakter van een tijd, waarin alle vaderlandsche
instellingen, beurt om beurt, ter sprake kwamen en waarin derhalve de
geschiedenis van vroeger eeuwen, vooral die der beide laatste, ongemeene
belangstelling wekte. Doch men las ook verzen en romans. Men las - om niet te
spreken van Bellamy's Roosje, dat door de jonge heeren werd gereciteerd,
of van zijne liedjes aan de maan, door de jonge dames bij de klavecimbaal
gezongen; - om niet te spreken van
Adriaan Loosjes en van diens naar mijn
smaak aan die van
Bellamy oneindig inférieure
poëzie, - men las bij voorkeur de sentimenteele geschriften van Feith en
de humoristische van
Betje Wolff. Althans deze las men in de
eerste periode; in de tweede en laatste (ik meen gansch en al omstreeks het
eind der eeuw) las men het weinige dat er te lezen was en waarover aanstonds
nader.
Ik geloof niet, dat men aan
Feith onregt doet, wanneer men zijn
dichterlijk fragment Fanny als de gemiddelde uitdrukking
van zijn talent en van zijnen geest omstreeks dezen tijd beschouwt. Tusschen
'95 en 1800 verzamelde hij zijne Lierzangen en arbeidde aan zijn
leerdicht Het Graf. Doch door geen van beide, dunkt mij,
veroverde hij de harten zijner tijdgenooten. Ook niet door Mucius
Cordus, of door Thirsa, of door
Lady Jane Gray . Wij moeten dus met hem een eind weegs terug,
naar voor '95, hoewel niet te veel; niet tot aan Ferdinand en
Constantia, niet tot aan Julia vooral. Dan
toch zouden wij gevaar loopen te overdrijven. Wij laten deze beide
proza-schriften dus rusten en houden ons aan Fanny, naar tijdsorde het
derde in de rij van Feith's sentimentele scheppingen. In Fanny is 's
dichters sentimentaliteit tot rust gekomen. Zij is niet langer enkel hartstogt,
niet langer regtstreeksche navolging van
Goethe's Werther. Zij heeft eene
hoogere wijding - die der godsdienst - ontvangen. Doch dat zij zich zelve
daarom nog geenszins ontrouw is geworden, zal u weldra blijken.
Eduard en Fanny zijn twee gelieven, die door de omstandigheden
(welke zegt de dichter niet en geeft het nergens te | | | | vermoeden)
onherroepelijk gescheiden werden. Zij zien elkander niet levend terug. Slechts
ontmoet men Fanny, aan het slot, bij het graf van Eduard. Deze is jong
gestorven, doch niet onverzoend; en ook zijne treurende bruid is niet hopeloos.
Want zij hadden elkander lief, waren deugdzaam, en geloofden aan de
onsterfelijkheid. Hen wacht dus eene zalige hereeniging; immers (dus besluit de
dichter zijne voorafspraak) ‘in het rijk van Waarheid en Licht (aan gene
zijde van het graf) zullen Godsdienst, Deugd en Liefde één
zijn.’ Deze gedachte (waarbij de werkelijkheid hier beneden gansch en al
buiten rekening blijft) wordt ontwikkeld in een tiental elegiën, waarin
niets voorvalt, wel is waar niets gebeurt, doch waarin men Eduard's
gemoedsaandoeningen in al hare, niet altoos even belangrijke, fasen volgen kan.
In de eerste dier elegiën herinnert Eduard (die eigenlijk de hoofdpersoon
is, en naar wien het gedicht welligt behoorde genoemd te worden) herinnert
Eduard aan Fanny de plegtige verklaring eenmaal door beiden afgelegd, afgelegd
in dagen waaraan Eduard aldus met weemoed gedenkt:
Waar is die dierbre tijd gevlucht
Toen de avondstar ons heil beloerde,
En ieder koeltje een teedren zucht,
Elk golfje een traantje met zich voerde.
De bewuste verklaring was deze geweest:
‘Schoon 't noodlot,’ spraken wij, ‘ons
scheidt,
Wij zullen, wat ook moog gebeuren,
Verzekerd van de onsterfelijkheid,
Den dood geen tranen waardig keuren.’
Aanvankelijk loopen nu, na de scheiding, de dingen zeer aan Eduard
mede; doch zijn geluk blijft onvolkomen:
Ja, Fanny! ja, een milde regen
Van voorspoed ruischt op al mijn wegen;
Mijn roem- en goudzucht zijn voldaan:
Dan ach, hoe zeer mijn hart mag zwoegen,
Het smaakt geen aasje vergenoegen, -
Gij, dierbaar Meisje, mist er aan!
| | | |
Thans volgt eene klagt aan de maan:
Teedre Maan! gij kunt mijn hart
Teedre Maan! uw vriendlijk schoon
Fanny's bijzijn schonk Natuur
Voor mijn hart haar luister,
Daarna is de beurt aan zeker Boschje:
Eenzaam Boschje! 't belge u niet,
Niets dan klagten van verdriet
Niets dan rouw te hooren!...
Gij, gij trilt niet meer in mij,
Zoete vreugd van 't leven;
Alles werd mij woestenij,
Na nog eenige uitboezemingen van deze zelfde soort, toevertrouwd
voor een deel aan de Schemering, voor een en ander deel aan de Nacht, raakt
Eduard langzaam verzoend met het denkbeeld van sterven:
Omringd van bang verdriet,
Waar 't oog geen einde aan ziet,
Wordt Gij, getrouwe Dood,
Door mijne Lier vergood...
Wie meer dan gij verdient
Mijn lof, o Menschenvriend! -
Met den dood bevredigd, is Eduard bekwaam tot bidden en zijne liefde
reikt de hand aan de godsdienst:
| | | |
O Gij, de hoop van 's aardrijks uiterste end,
O Bron van rust, zoo lang door mij miskend!
Ik kniel in 't stof en juich, nooit dankens moê,
Hij keert in gedachten tot Fanny weder, en wil dat zij deele in
zijne vreugd:
Juich, Fanny! Dierbre, juich met mij!
De zwarte treurnacht dreef voorbij -
Uw Minnaar vond de rust, de stille zielsrust, weder.
Hoe lieflijk vloeit zijn blijdschap uit!
Zoo droppelt van het jeugdig kruid
De reine dauw der lente neder.
Langzaam wordt nu Eduards levenslamp uitgedoofd:
Een slepend koortsje blijft aanhoudend mij verzellen,
En rooft mijn kracht van dag tot dag.
Eindelijk klinkt het:
De groote dag, Geliefde! naakt,
Die ons op aarde scheidt;
En eer de zon het westen raakt,
Waarna in eene elfde of slot-elegie Fanny ons wordt voorgesteld
Eduards graf bezoekend en daarvan met deze woorden afscheid nemend:
En nu - de barre woestenij
Geen nood! de Deugd, die eeuwig leeft,
Wat zullen wij hiervan zeggen? Mij dunkt, eenvoudig dit: Ziedaar
hetgeen onze grootmoeders (in hare jongemeisjesjaren,) gezeten in het hoekje
van den huiselijken haard, hebben bewonderd, waar zij zuchtjes bij gelaten,
tranen bij gestort, en zich verloren hebben in de stroomen van dat onbestemd en
alles overmeesterend gevoel, dat bij den geest van onzen | | | | tijd zoo
zonderling afsteekt. Doch al onthoud ik mij van alle verdere kritiek, op
één ding moet ik u opmerkzaam maken. Men heeft weleer aan
Bilderdijk euvel geduid, dat deze aan Feith te laste legde ‘een diep
gebrek aan hollandsche taalkennis,’ welk gebrek, zeide hij, ‘Feith
nooit te boven is gekomen.’ Op dit laatste (‘nooit te boven is
gekomen’) wil ik niet drukken, en ook niet hierop, dat Bilderdijk in '84,
bij de bewerking der Geuzen van
Onno van Haren, van Feith's gebrek aan
taalkennis een ijverig en dankbaar gebruik heeft gemaakt.
Doch wie uwer was, bij het hooren der enkele strofen uit
Fanny, niet getroffen door de vulgariteit der uitdrukking? wie stemde
niet in den geest de juistheid van Bilderdijk's berisping toe? En niet slechts
mist de taal van Feith alle keurigheid, alle verheffing, elk soort van
adellijken stempel, maar zij krielt bovendien van onjuistheden.
‘Toon zachtkens, elpen Lier!’ zoo begint de voorafspraak
van Fanny; eene apostrophe van den dichter aan zijn speeltuig.
Toon zachtkens, elpen Lier!
Speel, door de min gesnaard, haar lieflijk koestrend vier,
Een gloed, zoo teer geliefd in 't kil en buldrend Noorden,
Waar nooit natuur een roosje teelt,
Als waar de Nachtegaal aan lommerrijke boorden
Zingt de Nachtegaal alleen in min of meer warme en zuidelijke
landen? wij die zelf in het kil en vaak buldrend noorden wonen, weten bij
ondervinding van neen. Doch schenken wij den dichter deze onjuiste
tegenoverstelling kwijt; hij zal niettemin onze schuldenaar blijven. Of welk
geboren Hollander begrijpt hoe eene lier kan worden uitgenoodigd te
‘toonen?’ (‘Toon zachtkens, elpen Lier.’) Dit is hoog-
geen nederduitsch. Voorts: Niemand onzer, die niet sedert hij tot jaren van
onderscheid kwam, vele en somtijds vreemde dingen op de viool hoorde spelen,
doch wie hoorde ooit ‘vuur spelen’ op eene lier? (‘Speel,
door de min gesnaard, haar lieflijk koestrend vier.’) Eindelijk, ofschoon
wij ons zeer goed kunnen | | | | voorstellen dat iemand (mensch of vogel)
een liedje of deuntje ‘kweelt,’ van een nachtegaal, die een saisoen
of jaargetijde (‘de lente’) kweelt, hebben wij geen begrip. Doch
onze grootmoeders, welligt wijzer dan wij, stoorden zich niet aan zulke
dingen.
Ook de dames
Wolff en
Deken hebben bij wijlen dezelfde snaar als
Feith in zijne Fanny aangeroerd. Getuige, in de Historie van
Willem Leevend, de episode van Lotje Roulin. Doch dit sentimentele
was bij deze vrouwen geen natuur. Toen zij bij het schrijven van Willem
Leevend haar kader uitbreidden en vergrootten - want Sarah
Burgerhart, haar eersteling in dit genre, was op veel kleiner
schaal aangelegd geweest - meenden zij, vermoed ik, ten einde het denken en
gevoelen van haren tijd zoo veelzijdig en volledig mogelijk te geven, ook eene
plaats te moeten inruimen aan den echo, dien Goethe's Werther alom in
Europa, en ook bij ons, had wakker gemaakt. Doch haar eigenlijk talent stak in
het objectiveren van dat franc parler, dat haar zelfs bij het klimmen der jaren
niet verliet, en dat zij nu eens in de vrouwelijke typen van Saartje Burgerhart
of Daatje Leevend, dan weder in den mannelijken van Abraham Blankaart, zoo
uitnemend goed wisten vol te houden. Deze humor was in de litteratuur het zout
van den tijd; was het vrolijk liedje bij het weemoedig en dweepend
accompagnement der elegie.
Intusschen in '95 en vervolgens behoorde de sentimentaliteit van
Feith, behoorde ook de humor der dames
Wolff en Deken, reeds eenigszins tot de geschiedenis, en reeds begonnen onze
jongelieden de hand uit te strekken naar iets anders. Gijzelf, mijne hoorders,
hebt dezen winter kunnen bespeuren hoe weinig dat andere was. Indien mijne
voorlezingen in eenig opzigt de getrouwe uitdrukking zijn geweest van het
karakter des tijds, het was hierin dat gij de litteratuur telkens meer naar den
achtergrond deinzen, haar telkens nadrukkelijker zaagt verdringen voor de
politiek. En | | | | zelfs dat weinige, waarop ik in den laatsten tijd
uwe aandacht vestigde - eenige bladzijden uit Van Woensel's letterkundige
nalatenschap, eenige bladzijden uit de vroegste redevoeringen van
Van der Palm - greep regts en links in het
staatkundig leven in, en moest bij het licht van den staatkundigen toestand
worden verklaard. - Wat nu de eigenlijk gezegde litteratuur betreft,
inzonderheid de poëzij, de Kleine Dichterlijke
Handschriften door Uylenbroek uitgegeven,
waren in deze dagen het éénig toevlugtsoord der dichtkunst; en
reeds de dunte van deze boekjes geeft genoegzaam te kennen, dat de gewijde ader
- en kon het anders in zulk een tijd? - karig vloeide. Toch werden deze
jaarboekjes vlijtig gelezen. Van Bilderdijk's aandeel in hunne zamenstelling
weten wij; ook, van hetgeen door dichters van den tweeden rang, gelijk
Hoffham, daarin werd bijgedragen. Doch men
vindt in de vroegste jaargangen ook de namen van
Helmers enDavid Jacob
van Lennep; men zou er weldra dien vanTollens
vinden. Naast de Kleine Handschriften werd in '99 de Arke Noachs
opgerigt; aan dit weekblaadje, grootendeels aan kritiek en zedekundige
vertoogjes, maar tevens aan de poëzij gewijd, arbeidden Helmers en Van
Lennep mede; de laatste onder den naam van Zwaneveder, de eerste verklapt door
de letter H. Doch ziedaar dan ook letterlijk alles, of bijna alles.
Bijna, zeg ik. Om toch niet te spreken van het treurspel
Dinomache, door Helmers omstreeks dezen tijd vervaardigd en afzonderlijk
uitgegeven, ook Tollens maakte zich ten jare '99 - hetzelfde jaar waarin de
Arke Noachs werd opgerigt - door een afzonderlijk werkje bekend. In
dezen zijnen eersteling, getiteld Proeve van Sentimentele Geschriften en
Gedichten, is Tollens, terwijl hij zijn motto aan
Bilderdijk ontleent:
Gij, alleen, gewijde Liefde,
Maakt, waar ge ooit den boezem griefde,
Harten van verheven dichtkunst, ware geestverheffing, vol...
| | | |
terwijl
Tollens, zeg ik, zich eenerzijds in dit bundeltje bij
Bilderdijk aansluit, is hij aan den anderen kant een en al Feith:
Louize! ik zal uw gade wezen:
Of, zoo 'k het gruwzaamst lot moet vreezen,
Zoo gij mijn hart en hand verstoot -
'k Vlieg naar den trouwsten aller vrinden:
'k Zal wis zijn arm geopend vinden:
dus luidt een der weinige versjes in den bundel. Hij is overigens
zamengesteld uit eene kleine reeks idyllen in proza; uit eene waarvan (getiteld
Ferdinand en Alexis) ik alleen daarom iets waag mede te deelen, omdat de
reputatie van Tollens te welgevestigd is, dan dat eene vlugtige herinnering aan
de geschriften zijner jeugd haar afbreuk zou kunnen doen: Ferdinand en Alexis
zijn twee vrienden die, na eene min of meer langdurige scheiding, elkander
terugvinden aan eene eenzame plaats, een bosch, naar het schijnt, een oord
althans waar Ferdinand zich en zijne droefheid voor ieders oog verborgen
waande. Alexis is opgetogen van blijdschap; want in ditzelfde woud, waar hij
toevalliger wijze zijn vriend ontmoet, komt hij ook zijne beminde zoeken en
rekent haar ieder oogenblik te zullen zien verschijnen. Ferdinand daarentegen,
staande bij een marmeren grafzuil, is onherkenbaar treurig, de droefgeestigheid
zelve. Alexis verhaalt hem van zijne reis en van zijne gelukkige hoopvolle
liefde. Hij vraagt naar de reden van Ferdinand's somberheid. Ferdinand
antwoordt: dat hij verliefd is geweest op zeker meisje, Josephine genaamd, welk
meisje, dat reeds haar hart aan iemand anders geschonken had, van verdriet
gestorven is omdat zij hem (Ferdinand) onmogelijk langer kon zien lijden.
‘O,’ zegt Ferdinand, tot Alexis, ‘O mijn vriend, welk een
edel meisje! Uit deernis met mij, had zij geen deernis met zichzelve!’
Alexis, op het hooren van Josephine's naam, ontstelt hevig - heviger dan wij op
dit oogenblik doen; en het komt uit, dat de beide boezemvrienden, die anders
geen geheimen voor | | | | elkander hadden, de een hopeloos, de ander met
goed gevolg, bemind hebben hetzelfde meisje-dat thans begraven ligt in dit
bosch, tegenover dit hutje, onder dien marmeren grafzuil. Na vele niet
onnatuurlijke kreten van verbazing en droefheid over dit noodlottig ongeval,
maken de twee troostelooze vrienden (overtuigd dat geen van beiden Josephine's
verlies langen tijd zal kunnen overleven) de navolgende afspraak:
Alexis. - Nu dan, wanneer de dood u vóór mij
verlosse, dan zij Josephine's graf ook het uwe. Ik begraaf u aan hare zijde. En
dan, van geliefde en vriend beroofd, nader ik spoedig mijn einde: ik werp mij
in beider graf, en sterf in beider armen.
Ferdinand. - Nu dan, wanneer de dood u vóór mij
verlosse, dan rust gij naast beider geliefde; dan werp ik mij in beider graf en
sterf in beider armen.
Deze overeenkomst getroffen zijnde, eindigt de Idylle met een kort
woord van Alexis: ‘Kom, smeken wij den hemel om den dood!’
Vruchtloos poogt de dichter ons te ontwapenen, door in zijne
voorrede te zeggen: ‘Men zoeke in dezen bundel veel gevoel, weinig
kunstmatigs: op een achttienjarigen ouderdom kan men wel een teeder minnaar,
maar geenszins een geoefend kunstenaar zijn.’ Hier is noch gevoel, noch
teederheid: en dit hebben ook sommige tijdgenooten gemeend. Althans bij monde
der Vaderlandsche Letteroefeningen (toen in goede handen) werd de
eerstgeborene des jeugdigen Rotterdammers openlijk gerepudiëerd.
Weldadig steekt, bij dezen waanzin van Ferdinand en Alexis, de
jongelingsbede af, waarmede David Jacob van Lennep
ten jare '97 in de Kleine Dichterlijke Handschriften debuteerde:
'k Zal van den hemel smeken in mijn gebeden,
Geen groote schatten die de zorg vermeeren
Geen naam te roemrijk, waar steeds de nijd op aze,
Geen hooge staten die te vroeg, vóór 't dagen,
| | | |
Van zooveel gunsten, waar 's menschen drift om
bedelt
En woelt en woekert, stilt er geen de smarte
Dat hart, bedrogen, zal steeds op nieuw begeeren,
Blijft onverzadigd, voelt door nieuwe lusten,
Geen roem, geen rijkdom, 'k wil mij geen schijngoed wenschen,
Geen foltrend eerambt, hoe omkleed met luister,
'k Zal van den hemel smeken in mijn gebeden
Op mijnen weg een lieve gezellinne
David van Lennep was 23 jaren oud (5
jaren ouder dan Tollens) toen hij dit versje maakte; hij had daarenboven
(onderwijl
Tollens voor den handel in verfwaren werd
opgeleid) in de oude litteratuur gestudeerd, en gestudeerd als iemand, die voor
deze studie in de wieg gelegd en als geschapen was. Wij mogen dus den gevormden
jongen man niet ten koste van den ongevormden verheffen. Maar wel mogen wij van
dat versje zeggen: zie, dit is, in weerwil van deze en gene matte uitdrukking,
zuiver en onvervalscht jongelingsgevoel; en van die idylle in proza: ziedaar de
logentaal eener kreupele fantasie. En dit leugenachtige op het gebied der
teederheid, Tollens-zelf zag, dat hij er zich aan bezondigd had, blijkens dit
versje Aan de Meisjes van het jaar 1802:
O Meisjes! mint de dichters niet:
Gij wordt altoos door hen bedrogen;
Hun liefde baart u slechts verdriet;
Elk hunner eeden is een logen.
Zij zijn, als vlinders, wuft van zin,
Elk dichter is een eedvertreder:
In verzen zweren zij hun min,
En breken die in proza weder.
Dit is nog altoos ‘de la petite bière’; doch de
natuur doet er toch eene poging in, om boven te komen. | | | | Wat
Helmers betreft, men heeft van zijnen tijdgenoot, den franschen dichter Baour
Lormian, gezegd: ‘Si on lui mettait du coton dans les oreilles, il ne
ferait plus de vers’; daarmede te kennen gevend, dat Baour's verzen geene
andere verdienste hadden als zekere uitwendige sonoriteit, zonder veel nerf of
gedachte: Baour dacht of gevoelde zijne verzen niet, maar hoorde ze alleen. Dit
kan ook van
Helmers gezegd worden, met deze
restrictie, dat zijne vaderlandsliefde (de voorname springveer zijner
poëzie) ongeveinsd en hijzelf een fiksch karakter was. Laat mij u eenige
regels mogen voorlezen uit een zijner vroegere verzen Zucht naar
Italiën getiteld:
O zoete droomen! o begoochling van 't gemoed!
O wensch steeds onvoldaan, o zucht die 'k eeuwig voed,
Ach wordt gij eens vervuld! o zal 't mij eens gebeuren,
Mij aan mijn vaderland, aan mijn beroep te ontscheuren.
1
Zal 'k eens mij baden in der kunsten heilge bron?
Daar zingen in den gloed der Itaaljaansche zon?
Of zie ik, Tantalus, steeds hongerend, de vruchten
Mij wiegen boven 't hoofd, maar steeds mijn mond ontvlugten?
Zal 'k eeuwig dorsten naar het helderspieglend nat,
Dat steeds mijn kin omgolft, maar aan mijn mond ontspat?
Ach! vruchtloos is mijn wensch: 'k vul 't vat der
Danaïden!
Maar 'k zweer: zoo eens 't geluk aan mij den hoorn komt
bieden,
Snel ik met aadlaarsvlugt, o Tiber, naar uw muur,
En zwelg daar in de kunst. Ontvlamd door 't dichtervuur,
Zal 'k dan op Maro's graf de zilvren snaren dwingen
En 't schoone Itaalje daar voor Neerlands dichtren zingen.
Had Helmers nu, overdragtelijk gesproken, watjes in de ooren gehad,
hij zou deze en dergelijke verzen ‘en portefeuille’ hebben
gehouden. Dat hij de ‘zilveren snaren’ wilde ‘dwingen’
op het graf van Maro; met ‘aadlaarsvlugt’ naar Italie wilde; daar
‘zwelgen’ wilde in de kunst: deze grootspraak schelden wij hem
kwijt. Doch ware zijn schoonheidsgevoel niet grootendeels verdoofd geweest,
door de bedriegelijke welluidendheid zijner gedachtelooze verzen, hij zou ons
niet verhaald | | | | hebben van zijn ‘beroep’ dat hem
verhinderde op reis te gaan, (dichters hebben wel eene roeping, maar geen
beroep); zou niet gezinspeeld hebben op hetgeen hij voornemens was te doen, in
geval hij eens een voordeelig jaar had (‘Maar 'k zweer, zoo eens 't geluk
aan mij den hoorn komt bieden!’); zou ons het schouwspel hebben bespaard
van zijn eigen ‘kin’ omgolfd door onderaardsche wateren, instede
van rustend op de boorden van een halsdoek; zou de bekentenis hebben achterwege
gelaten, dat zijne huishouding eene bodemlooze put vertegenwoordigde (‘'k
vul 't vat der Danaïden’) - doch ik gaf reeds te kennen, dat Helmers
niet mag beoordeeld worden buiten zijn patriottisme om. En van dien gloed
zijner vaderlandsliefde, die hem onder de regering van koning Lodewijk en
tijdens de Inlijving zoo populair bij zijne tijdgenooten maakte, had hij reeds
vóór 1800, door zijne verzen in de Arke Noachs meer dan
éénmaal blijk gegeven. Aanvankelijk, in '95, de nieuwe orde van
zaken toegedaan, republikein, walgde hem weldra van de revolutie, van de
democratie, van de vernederingen door het vaderland ondergaan, van onze
partijschappen en verdeeldheden.
Hoe lang, o Nederland, zult ge in uw boezem woeden?
Tot hoelang zal uw kroost, verblind door vreemd belang,
En schier verpletterd door 't gewigt der tegenspoeden,
Rampzalig werken tot zijn eigen ondergang?
Zoo vroeg hij in '99. In onze ooren klinkt dit minder als
poëzij, dan wel als een opgewonden en niet onwelsprekend dagbladartikel.
Zoo ook de volgende vergelijking:
Is Neerlands oude en fiere leeuw
Niet meer geducht, ontzien, verschriklijk als voor dezen?
Doet thans zijn donderende schreeuw,
Waardoor hij in de vorige eeuw,
En Iber, Seine en Theems, uit hare kil gerezen,
Al siddrend vlugten deed - de volken niet meer vreezen?
Is thans zijn kracht verlamd? zijn klaauw van magt beroofd?
Is 't onbeschrijflijk vuur dat bliksemde uit zijn wezen,
Dan onherstelbaar uitgedoofd?....
| | | |
De redaktie der Arke Noachs
heeft aan het slot van dit vers een temperend nootje toegevoegd: ‘Wij
behoeven slechts te herinneren’, zeide zij, ‘dat het geplaatste
stuk een lierzang is, om ons tegen alle kwaadaardige interpretatiën van
uitdrukkingen, die welligt in proza zouden geoordeeld worden eenigszins sterk
te zijn, veilig te stellen.’ Dit zag vooral hierop, dat het fransche
leger, destijds in soldij der Bataafsche republiek, door den dichter niet
onduidelijk omschreven werd als ‘eene rooverbende’ of ook
‘eene naakte horde van afzigtelijke slaven’. Doch wat hiervan zij,
aan Helmers komt de lof toe, de eerste in onze nieuwere poëzij te zijn
geweest, die van het ‘bliksemend vuur’ in het oog van den
‘Nederlandschen leeuw’ durfde spreken, als mede van den
‘donderenden schreeuw’ van dien ‘leeuw’ in de
‘vorige eeuw.’ Hij was het die, naar Van Woensel's uitdrukking, het
‘getromp en geruiter’ van nieuws deed klinken in den lande; en
hoewel deze snaar naderhand tot vervelens toe bespeeld is geworden, hij die
alle anderen daarin voorging was, zooal geen voortreffelijk dichter, ten minste
eene persoonlijkheid. Hij deed zijne landgenooten goed aan het hart - en dit
blijft altoos eene zeldzame verdienste.
Toen
Van der Palm, in Mei '96, tot
commissarissen van den Amsterdamschen Schouwburg onder meer andere ook deze
vraag rigtte: ‘Welken invloed de uit het hoogduitsch vertaalde drama's
hadden, zooal niet op de vervalsching, ten minste op de verzwakking van den
goeden smaak?’ toen antwoordde - en deze overgang is minder snel dan bij
den eersten oogopslag schijnt - toen antwoordde
Wiselius (voorwaar geene lofuiting op het
publiek dat zijnen schouwburg bezocht!): ‘Waar geen smaak bestaat, kan
dezelve niet vervalscht noch verzwakt worden.’ Moest dan het oude
treurspel gansch en al wijken voor het nieuwe drama, het drama in den trant van
Iffland en Kotzebue? Waren er geene goede, geene vaderlandsche tragedies meer?
Wiselius antwoordde: ‘Hoe klein is het getal onzer oorspronkelijke
treurspelen! Genoegzaam alle zijn overzettingen, en dit veroorzaakt dat dezelve
| | | | meestal niet zijn ingerigt naar het karakter van onze natie. Wij
hebben ja! vaderlandsche treurspelen, maar weinige van dezelve kan men ten
tooneele voeren, omdat in de meeste de lof uitgetrompet en de deugden en
heldendaden van het Huis van Oranje worden bezongen.’ - ‘In de
meeste,’ zegt Wiselius: want er waren uitzonderingen op dien regel. Zoo
zag
Adriaan Loosjes in '98 op het haagsch
tooneel den Jacob Simonsz de Rijk van
Mevr. Van Merken vertoonen; een stuk dat
in '94 van het amsterdamsch tooneel gebannen was geworden juist om zijne al dan
niet voorgewende patriotsche strekking. Zelfs was de akteur Cruys voor
burgemeesters moeten verschijnen, omdat hij den regel:
De Leeuw is niet gevormd voor 't juk der slavernij
met zulk een bijzonderen nadruk had uitgesproken.
1 Doch voor het overige had Wiselius volkomen
gelijk: de oorspronkelijke en bruikbare treurspelen waren schaarsch. In '98
werd de Dinomaché van
Helmers opgevoerd - een stuk, waaraan men verweet, dat
het te zeer naar een van Voltaire's tragedies geleek - doch maakte geen opgang.
Zoo weinig dat
David Jacob van Lennep, toen men tot zijne groote
verontwaardiging in '99, ten behoeve der watersnoodlijdenden van dat jaar door
fransche tooneelisten eene voorstelling in den Hollandschen schouwburg wilde
geven, beschuldigend en klagend uitriep (ook dit vers zag voor het eerst in de
Arke Noachs het licht):
En gij, wien goede smaak en deugd nog kan bekoren,
Gij deelt onschuldig ook in deze schande meê:
Gij zult uitheemsche taal en vreemde zangen hooren,
Waar 't volk gevoelloos is voor uw Dinomaché.
Intusschen men vertoonde niet uitsluitend drama's, gelijk
Menschenhaat en Berouw of Robbert de Struikroover. Men ver- | | | | toonde
ook treurspelen, doch vertaalde treurspelen, meestentijds uit het
Fransch vertaald, en vertaald (hoofdzakelijk) door Uylenbroek en de zijnen. Tot
dien kring, gelijk wij weten, behoorde ook
Abraham Louis Barbaz, en onder de door
Barbaz uit het fransch overgebragte stukken behoorde ook Ericia of de
Vestaalsche maagd - een treurspel, waarbij ik om drie redenen (liever dan
bij de Dinomaché van Helmers) eenige oogenblikken stilsta:
eerstens, omdat het vertoond werd in '99, ons sluitjaar; voorts, omdat men er
in Arke Noachs eene analyse en kritiek van aantreft; en eindelijk ook
omdat het aan
Kinker stof gaf tot eene dier
parodiën, waarin zijn satirieke geest zich zoo van harte verlustigde.
Doch eerst over iets anders. Niets zou billijker wezen, nu ik toch
van het tooneel en met name van het amsterdamsch tooneel gesproken heb, dan u
te dezer gelegenheid ook iets te verhalen van het akterend personeel aldaar,
van onze Wattier, onzen Snoek, onzen Bingley, wier volle bloeitijd wel een
weinig later viel in de dagen van Koning Lodewijk, doch die reeds ten tijde der
Bataafsche Republiek zich een ongewonen roem verworven hadden: zoodanig, dat de
residentie-stad (blijkens de correspondentie van Van der Palm met de
commissarissen van den schouwburg te Amsterdam) ze menigmaal, doch meestal
vruchteloos, buiten de hoofdstad trachtte te lokken: van Amsterdam naar 's
Hage. Doch terwijl het mij vergelijkerwijs weinig moeite kosten zou, u te
zeggen hoeveel duizend gulden de Hollandsche schouwburg te Amsterdam aan de
Bataafsche republiek gekost heeft, welk traktement de onderscheiden akteurs en
aktrices genoten, welke sommen op de staatsbegroting stonden uitgetrokken voor
de decoraties, welke voor de kleedkamer, is het mij daarentegen onmogelijk u
eene voorstelling der toenmalige tooneelvoorstellingen te geven. Dit is alleen
een feit, dat zelfs treurspelen, zoo laag van vlugt en zoo gebrekkig van
uitdrukking als onze Ericia (waarover aanstonds nader) door het talent
van
Wattier en
Snoek te eenemale, gelijk men pleegt te
zeggen, werden ‘gesauveerd.’ Doch ook dit staat vast, dat het
publiek, al hoorde het | | | | nog zoo graag Snoek en Wattier, veel
liever balletten zag vertoonen, dan het naar treurspelen luisterde: gelijk
wederom de straksgenoemde correspondentie van Van der Palm, en gelijk ten
overvloede deze niet onaardige Anecdote van David Jacob van Lennep (al
wederom uit de Arke Noachs) bewijst:
Een zeker Franschman, die een schouwburg had gesticht
Voorzien van goede acteurs, costumes, schermen, licht
En 't geen er meer toe hoort, moest echter ondervinden
Dat hij de menschen aan zijn spel niet kon verbinden,
Ja dat men bijna nooit in zijnen schouwburg kwam,
Waarom hij tot een vriend in 't eind zijn toevlugt nam,
Om geld en goeden raad. 't Wierd beide hem gegeven.
‘Hoor’ sprak deez' ‘goede man, hiervan kunt gij
niet leven,
Het treurspel dunkt mij dat u weinig voordeels biedt,
En 't blijspel, zoo gij zegt, vergoedt uw kosten niet.
Dus, zoo gij wilt voldoen door deugd en zedelessen,
Dan vrees ik dat gij arm gelijk de mieren wordt:
Volg nu eens dezen raad: Zoek jonge danseressen,
Maak uw balletten lang en hare rokken kort.’
Men begrijpt, dat ik over die lange balletten, zelfs al wist ik er
alles van (wat geenzins het geval is) nog veel bezwaarlijker zou kunnen
spreken, dan over de deftige treurspelen van dien tijd. Ik zie derhalve van
iedere poging tot reproductie van het toenmalig tooneel met zijne feilen en
deugden, van iedere poging tot wederbezieling van dit onderdeel onzer
beschouwing, in het gevoel van mijn onvermogen af; en zal u niet in de eerste
plaats een treurspel, maar van een nastukje verhalen (eenvoudig
‘verhalen’), een naamloos stukje, dat in de maand December van het
jaar '99 op het amsterdamsch tooneel vertoond is geworden, en waarop zich
daarom mijne keus gevestigd heeft, omdat het door den onbekenden schrijver (of
schrijvers) werd ingezonden bij Van der Palm, als Agent van Opvoeding.
Dit nastukje droeg, met zinspeling op den naam des engelschen
generaals Sir Ralph Abercromby, die onder het opperbevel van den hertog van
York de eerste divisie van het anglo-russisch landingsleger kommandeerde, tot
opschrift | | | | den eenigszins boertigen en dientengevolge dan ook
eenigszins ploertigen titel van: Abel Krombeen en Zijne Doorluchtige
Hoogheid aan de Helder; of de Aftogt der Engelschen en Russen, kluchtspel
en pantomime. Ofschoon dit kluchtspel in zeer verstaanbaar, ja slechts al te
verstaanbaar nederduitsch geschreven is, zullen wij het even doorloopen, als
ware het een hebreeuwsch libretto: van achteren naar voren.
Laatste afdeeling. - Het tooneel verbeeldt een bosch in
Noord-Holland. Hier en daar ziet men eenige verwoeste en afgebrande huizen en
hutten. Een tamboer en trompetter verschijnen aan 't hoofd van een militairen
trein. De trommel is met een rouwkleed behangen. De tamboer slaat een
lijkmarsch. Tusschen beiden blaast de trompetter den aftogt. Achter dezen
volgen eenige Engelschen en Russen, met den ransel op den rug, die met geroofde
goederen gevuld is, en met den snaphaan verkeerd op schouder.
Voorts ziet men eenige engelsche en russische officieren van hoogen
rang, met militaire rouwteekenen versierd.
Abercromby volgt hen, gaande in een neerslagtige en mismoedige
houding, met een zakdoek in de hand, en nu en dan de tranen van zijne oogen
afwisschende.
Achter hem verschijnt zijne Doorluchtige Hoogheid (de Erfprins),
wordende gedragen op een draagzetel, die met een prachtig rouwkleed (waarop
eenige oranjekleurige doodshoofden geborduurd zijn) behangen is. Zijn
Doorluchtige Hoogheid heeft een burger-slaapmantel aan en een wollen muts op
bet hoofd, even gelijk een zieke, die in haast van de eene plaats naar de
andere vervoerd wordt. - Zoodra Zijne Hoogheid vóór op het
tooneel gebragt is wijst hij met nadruk op Abercromby en zegt, al huilend en
snikkend:
‘Ja, hij zou mij in den Haag brengen! Nu kom ik er nooit,
nooit!’
Vervolgens komen de Gecommitteerden uit den Kerkeraad, en eenige
oranjegezinden, die met Zijne Doorluchtige Hoogheid op reis gaan. Deze alle
dragen groote, slepende rouwmantels, en nederhangende hoeden met lange lamferts
of rouwbanden, evenals of zij te begraven gingen.
| | | |
De trein wordt gesloten door het gevolg van Abercromby
en van zijn Doorluchtige Hoogheid, en door eenige gewapende Engelschen en
Russen....
Thans (nu de trein voorbij getrokken en het tooneel voor een
oogenblik ledig is) hoort men een vaderlandsch muziek.
De Vrijheid, geleid door de Broederschap en kenbaar aan haar gewone
versierselen, verschijnt ten tooneele.
Achter haar worden in zegepraal eenige veroverde vaandels gedragen,
begeleid door eenige burgers uit de gewapende burgermagt en uit de bataafsche
en fransche militie.
Na het tooneel rondgemarcheerd te zijn, schaart alles zich in een
voeglijke orde. Van de vaandels wordt een zegeteeken opgerigt, en het spel
eindigt met toepasselijke zangen en dans.
Nu slaan wij, achterwaarts gaande, een zeker aantal tooneelen over.
Eerst eene conversatie tusschen Abercromby en den Erfprins, waarin de generaal
mededeelt dat hij, den slag verloren hebbende, den Prins, in stede van naar den
Haag, naar Londen zal laten brengen: de Prins wordt ongesteld en verzoekt dat
men beginne met hem naar bed te brengen. - Vervolgens: een gesprek van den
Prins met den waard eener herberg aan den Helder. Deze waard, een der
hoofdpersonen, is een patriot en vertegenwoordigt de patriotsche partij. De
Prins gelast hem (vóór den slag) zorg te dragen, dat het de
Engelschen en Russen aan niets ontbreke; want dat zij het Vaderland komen
verlossen en hem, Erfprins, in zijne waardigheden komen herstellen. In zijne
‘purgatieven’, gelijk de boerenknecht Japik zich uitdrukt. - Deze
knecht Japik (in al wederom een vorig tooneel) komt aangeloopen met een
jobstijding. Zij betreft zijn baas en diens woning, door de Engelschen en
Russen geplunderd. Klaas Pieters, de melkboer (zoo heet Japik's baas, een warm
en niet volkomen nuchter oranjeklant) zal zich juist aan tafel zetten in de
gelagkamer der herberg straks genomen, en trachten zijne maag te vullen met het
karig overschot van een maaltijd (ham en brood en jenever) waarin eenige
engelsche en russische soldaten hem op zeer onvriendelijke wijs (in al wederom
een vorig tooneel) zijn komen | | | | storen: ‘Japik. Wel, Baas!
zit je daar zoo op je gemak te eten en te drinken? - Boer. Te eten en te
drinken? Ik heb er geen zwoerdje van geproefd: daar hebben die Belialskinderen
wel op gepast. Kom je den gek met me steken? - Japik. Wel, daar bewaar me Sint
Jutmus voor, Baas! dat ik den gek met je zou steken. Integendeel, ik kom je een
allerdroevigste historie vertellen. De Engelschen en Russen hebben al je
koeijen van stal gehaald. - Al men koeijen?’ vraagt het oranje-boertje,
die gemeend had, dat zijne prinsgezindheid hem tegen zulke onheuschheden zou
hebben gevrijwaard. ‘En wie heit ze daar order toe gegeven?’ -
‘Ja, Baas, dat weet ik niet. Wie heit ze order gegeven om hier op de
Helder te komen? Maar, as een knegt past het me niet deze verborgenheid te
onderzoeken. Evenwel, je zult nog meer hooren. Ze hebben al je koeijen ook
kapot gemaakt, aan stukken gehakt, gekookt en gebraden.’ - ‘Och, ik
ben een bedorven man! Al men koeijen weg!’-‘Ik mot je nog al meer
zeggen, Baas. Je paard, en je karretje hebben ze ook meegepakt. En toen ze je
koeijen en je paard weggenomen hadden, begrepen de Engelschen dat je geen hooi
ook meer noodig had: daarom hebben ze je heele zolder leeggemaakt en de
hooiberg ook.’ - ‘Die helsche dieven!’ - ‘Word niet
boos, mijn lieve Baas! Vervolgens hebben ze de boerin genomen...’ -
‘De boerin, mijn vrouw?’ - ‘Ja, Baas; en ze hebben haar
opgehangen. Maar je mot begrijpen dat ze niet hangt aan er keel, ze hangt maar
onder er armen.’ - Aldus de knecht Japik. Aan dit tragisch-komisch
tooneel gaat een ander vooraf, waarin een deputatie uit den kerkeraad den
Erfprins komt uitnoodigen de openbare godsdienstoefening bij te wonen.
‘De burgemeesterlijke, de magistrale banken met de verhemeltens,’
zeggen de gecommitteerden, ‘de groene kussens en sierlijk gebonden
bijbels, zijn weder in hunne vorige orde gebragt. Ook is er een prachtig en
vorstelijk gestoelte in 't beste gedeelte van de kerk geplaatst, wachtend op
Uwe Doorluchtige Hoogheid, om er zooals in de dagen van ouds, die thans op uwe
schreden gelukkig zijn weder gekeerd, den waren godsdienst waar te
nemen.’ De Prins | | | | keurt den voorslag goed, en de predikant
der plaats stelt zich aan het hoofd van den trein met ‘mantel en
bef;’ mantel en bef mogten volgens de republikeinsche wet niet in het
openbaar gedragen worden, en een hervormd predikant, die zich daarmede op de
straat vertoonde, had even goed een oranje kokarde op den driekanten hoed
kunnen steken. Niet voor niet dus prijkten aan het hoofd van het amsterdamsch
kerkbriefje dier dagen de woorden: ‘Vrijheid, Gelijkheid,
Broederschap.’
1 Aan die
zamenspraak met de gedeputeerden van den kerkeraad gaat een eerste gesprek van
den Prins met Sir Abercromby vooraf (gij hebt sints lang opgemerkt dat er in
dit stukje slag op slag gezondigd wordt tegen het klassieke voorschrift omtrent
de éénheid van tijd en plaats.) ‘Wanneer zijn we nu in den
Haag?’ vraagt de Prins. De generaal antwoordt: ‘Heb slechts weinige
dagen geduld, Vorst! Onze onoverwinnelijke troepen zijn reeds tot bij Haarlem
doorgedrongen. De Bataafsche vloot is genomen. Alles onderwerpt zich aan onze
magt. Gansch Nederland siddert en juicht. Dat gedeelte des volks, dat zijne
voorvaderlijke deugden behouden heeft, en zijne dure verpligtingen aan uw
Doorluchtig Huis kent, ziet reikhalzend en met brandend verlangen naar u
uit.’ - ‘Ik verlaat mij,’ zegt de Prins, ‘zoo geheel en
al op u, als een kind op zijn vader. - Wees ook van mijn kant verzekerd dat ik
er u rijkelijk voor betalen zal.’ Sir Abercromby antwoordt met een
buiging: ‘Dat is niet noodig, Vorst. Een regtschapen Engelschman is
altoos gewoon zichzelven te betalen. Vaarwel, ik ga overwinnen.’ -
Eindelijk komen wij aan de eerste afdeeling. Het tooneel verbeeldt de straat
van een noord-hollandsch dorp. Regts een herberg; in het verschiet de kerk.
Klaas Pieter de Melkboer (onze dorstige vriend van daareven) komt rijk met
oranje versierd, al zingend op:
Al is ons Willempje nog zoo klein,
Alevel zal die stadhouder zijn!
| | | |
‘Kijk, 't is aardig: zoo dikwijls als ik om zen
Doorluchtige Hoogheid denk, krijg ik zulk een dorst, dat ik 't niet langer
houën kan. (Hij klopt aan de deur van den Hospes, onzen patriot.) Hee;
Holla jij met je wonderlijke gezigt, doe de deur open. Ik ben voor de Prins en
ik mot drinken.’ De Hospes komt naar buiten. ‘Wat drommel, kerel,
moet je hebben? Je maak een leven alsof je mijn huis woudt bombarderen.’
- ‘Wat ik hebben wil? Vraag je dat nog?’ - ‘Met vragen kwam
de man te Rome. Als je me niet zegt watje hebben wilt, hoe kan ik het dan
weten?’ - ‘Vent! de heele wereld weet wat Klaas Pieter de Melkboer
hebben moet; en weet jij dat niet?’ - ‘Neen, maar spreek, en haast
u wat. Ik heb weinig tijd.’ - ‘Weet je dan niet dat Abelkrombeen
aan de Helder is?’ - ‘Dat weet ik, helaas, maar al te wel.’ -
‘Weetje dan ook niet, lompert, dat Onzelieveheer (zijn hoed afnemend) zoo
barmhartig is geweest om zijn Doorluchtige Hoogheid ook hier aan de Helder te
laten komen?’ - ‘'t Is mogelijk.’ - ‘En weet je niet
dat as Abelkrombeen en zijn Doorluchtige Hoogheid zeggen: ‘Daar zij eten!
daar zij drinken!’ dat er dan hier op de Helder en overal, eten en
drinken wezen en klaar staan mot?’ - ‘Wie die op de Helder woont
zou dat tegen durven spreken? hebben we dat niet ondervonden?’ -
‘Maar à propos, weet je dan ook niet dat Klaas Pieters de Melkboer
- en dat ben ik, om je te dienen, ook op de Helder is? He? wat zeg je?’ -
‘Ik zie en hoor je immers. Is dat vragenswaard?’ - ‘En as je
dat zie en als je dat hoort’ (ik verzoek u op te merken dat hier de
moraal van onze klucht begint), ‘ben je dan nog zóó dom dat
je niet weet dat Klaas Pieters de Melkboer, 't zij met eerbied gezeid, net zoo
goed eten en drinken mot als Abelkrombeen en zijn Doorluchtige Hoogheid?’
- ‘Neen, dat weet ik niet.’ - ‘Ben ik dan niet zoo wel een
mensch van vleesch en van beenen als Abelkrombeen en zijn Doorluchtige
Hoogheid? En heit Onzelieveheer het eten en drinken voor mij zoowel niet laten
groeijen als voor deze Heeren?’ - ‘Hoe heb ik met je, Klaas, word
je een patriot?’ - ‘Dat van mijn leven niet. Maar hoor eens: heb je
ook een voornemen | | | | om me van dorst te laten sterven?’ -
‘Ik zou je graag wat te drinken geven, Klaas; maar ik mag en ik kan
niet.’ - ‘Hoe! jij die er voor geboren, voor in de wieg geleid en
voor groot gebragt bent, jij mag en kunt me niet te drinken geven? En waarom
niet?’ - ‘Omdat Abelkrombeen en zijne Doorluchtige Hoogheid alle
spijzen en dranken, hoe ook genaamd, in requisitie genomen hebben, en omdat ik
geen kruimeltje brood en geen druppeltje drank, zonder hun voorkennis, aan
iemand verkoopen mag.’ - ‘Mot ik dan dorst lijën?’ -
‘Ter eere van Abelkrombeen en zijne Doorluchtige Hoogheid.’ -
‘Maar bij men ziel, ik moet drinken. Wil je dan hebben dat ik
sterf?’ - ‘Op last van Abelkrombeen mag ik u geen drank
schenken.’ -- ‘Die leelijke Abelkrombeen!’ - ‘Ja,
vriend dat zijn er de gevolgen van! De Engelschen zijn nu aan de Helder, gij
hebt uw wensch, wat kunt gij meer verlangen. En wat verscheelt het, of gij eens
een half jaar of een jaar dorst moet lijden - en hangen misschien ook?’ -
‘Wat me dat scheelt? wel dan sterf ik! Dan ben ik binnen veertien dagen
zoo dood als een pier.’ - ‘Zeer goed, Klaas! dan zullen
Abelkrombeen en zijne Doorluchtige Hoogheid leven!’....
En ziedaar iets van hetgeen, waarmede men zich in December '99, voor
zoover men niet oranjegezind was, in den Amsterdamschen Schouwburg vermaakte.
Een lierzang vanAbraham Louis Barbaz, nog een
lierzang van
Jan Jacob Vereul, nog een van
Petronella Moens, en deze klucht - ziedaar
al hetgeen, ‘en fait de poésie,’ de aftogt der Anglo-Russen,
zoover ik weet, geïnspireerd heeft. De lierzangen van Barbaz en Vereul
hebben ook niet veel om het lijf; maar toch nog meer dan die van Petronella
Moens, de arme blinde, destijds zeer intiem met den heftigen
republikeinsgezinden ex-predikant
Bernardus Bosch, ons van vroeger bekend,
als schrijver van het weekblad De Politieke Bliksem. - En
onze klucht? wat zullen wij er veel van zeggen! was zij edelmoedig? helaas,
politieke hartstogt en edelmoedigheid gingen nooit hand aan hand. Was zij
geestig? het beschonken oranjeboertje is goed geteekend; doch het stukje in
zijn geheel is toch meer grappig dan geestig. | | | | Alleen kan ik er u
voor instaan - en gij moogt zelf beslissen, of dit al dan niet voor hun smaak
bewijst - dat onze grootouders er hartelijk om gelagchen hebben.
Doch ik zou u ten slotte verhalen van de door Barbaz vertaalde
Ericia, van Kinker's parodie op dat treurspel, en van de analyse en
kritiek, die er in de Arke Noachs van geleverd werd.
Laat mij vooraf mogen zeggen welke, in de litteratuur, de rigting
was der jonge mannen, uit wier kollege, of societeit, of gezelschap, (de
Arke Noachs geheeten) het tijdschrift van dien naam is voortgekomen. De
bekwaamsten en invloedrijksten onder hen, de toongevers van het gezelschap
(Anton Reinhard Falck,
David Jacob van Lennep,Jeronimo de
Vries), waren gevormd in hetgeen men noemt de ‘ school der
ouden.’ ‘Kunst’ en ‘antieke kunst’ waren bij hen
woorden van eenerlei beteekenis. Daarmede overeenkomstig huldigden zij in de
vaderlandsche litteratuur het tijdvak van den eersten en hoogsten bloei onzer
letteren: de dagen van Vondel in één woord. Aanstonds bespeurt
men aan de verzen van David Jacob van Lennep, bijvoorbeeld, dat zijn smaak, los
van de achttiende eeuw, naar alle zijden in de zeventiende wortelde. Welk soort
van treurspel nu was de Ericia? Het was - en dit ontslaat mij meteen van
de verpligting met vele woorden den inhoud dezer tragedie mede te deelen - het
was een moderne fransche kloostergeschiedenis, overgeplakt met een deel
romeinsche namen en hier en daar bestreken met een glimp van romeinsche
toestanden.
1 Ericia is wel in schijn, en heet wel eene
vestaalsche maagd, doch in waarheid is zij een fransch meisje der achttiende
eeuw, die, in weêrwil dat zij reeds zoo goed als verloofd was aan een
jong fransch edelman (in het stuk Osmides geheeten), om wereldsche redenen, en
tot haar bitteren spijt, door haar vader in een klooster is be- | | | | steld.
Deze vader, die na aldus zijne dochter te hebben opgeofferd, ook
zelf de kloostergeloften heeft afgelegd, figureert in ons treurspel als
opperpriester van Vesta, belast met de tuchtiging der ontrouwe maagden, die het
vuur op het heilig altaar verzuimen te onderhouden, en derhalve ditmaal ook
belast met de tuchtiging zijner eigen dochter: want Ericia heeft met Osmides,
die langs een onderaardschen gang (door hemzelf met behulp van een vriend
ontdekt en uitgegraven) in den vestaalschen tempel is weten te komen, Ericia
heeft met haar minnaar een nachtelijk onderhoud gehad, heeft het heilig vuur
laten uitgaan, en moet tot haar straf levend begraven worden. Gelijk Ericia een
zeer onromeinschen afkeer van het kloosterleven heeft, zoo is ook haar minnaar
niet veel meer dan een kwalijk vermomd discipel van Voltaire en Rousseau;
iemand die schrikkelijk op de goden afgeeft, en die reeds alleen door zijne
vermetele taal tegen de staatsgodsdienst nergens in het oude Rome zou zijn
geduld geworden. Kortom - en het is vooral hiertegen dat de mannen der Arke
Noachs hunne stem verheffen - het gansche treurspel is eene doorloopende
zonde tegen de romeinsche geschiedenis en de romeinsche antiquiteiten.
Intusschen (en dit zou de burger Barbaz met grond aan zijne beoordeelaars
hebben kunnen verwijten), zij werpen hunne theorie over de eischen der lokale
kleur met eigen hand omver, wanneer zij (ofschoon tevens ontkennend dat dit in
de Ericia het geval zou zijn) hunne kritiek aldus besluiten:
‘Ondanks alle gemaakte aanmerkingen zoude dit treurspel kunnen voldoen,
indien de werking der hartstogten goed voorgesteld was.’ Bedrieg ik mij,
of is deze concessie een teeken des tijds? De Dinomaché van
Helmers (volgens David van Lennep een loffelijk stuk) is eene atheensche
geschiedenis met weinig of althans niet vele zonden tegen de oudheid, doch
innig en door en door vervelend. De Ericia daarentegen, waarin het van
deze zonden krielt, zou, indien de harstogten goed ontwikkeld waren, een
boeijend en wegslepend stuk hebben kunnen zijn. Waarom? omdat het tooneel - dus
oordeelt men in de negentiende eeuw en teregt - vóór alle dingen
in de tragedie hartstogt eischt. | | | | Een vader die geroepen wordt het
doodvonnis over zijne dochter uit te spreken; een meisje, wier gemoed inwendig
verdeeld is tusschen twee even plegtig gezworen eeden: de trouwbelofte aan den
man harer keuze en de trouwbelofte aan het altaar; een jongeling, die tusschen
zich en het hoogste geluk, waarnaar hij haakte met zijne gansche ziel, zich
eene magtige instelling, als die der Kerk, ziet verheffen, wier al of niet
conventioneel gezag al de idealen zijner jeugd met éénen slag
dreigt te vernietigen - ziedaar toestanden, bij wier tragische belangrijkheid
vergeleken, de kwestie der lokale kleur inderdaad eene zeer ondergeschikte
kwestie is. De grootste anachronismen, de schromelijkste onwaarschijnlijkheden,
zullen bij een onbevooroordeeld publiek genade vinden niet-alleen, maar zullen,
mits de hartstogt spreke in de taal van den hartstogt, gansch en al over het
hoofd gezien en vergeten worden.
Ik heb nog eene andere aanmerking op de schrijvers der Arke
Noachs, en wel op den lof, door hen aan Barbaz als vertaler geschonken.
Deze dichter, die zich van een nederlandsch idioom van eigen vinding schijnt te
hebben bediend, spreekt in zijne verzen van lieden, die hunne gunst aan iemand
‘beschoren’ hebben; van een volk dat ‘het geween
stremt’ van een ongelukkig slachtoffer; van een ‘vrederijk’
dak; van ‘smartvervoering’ en ‘dienstverbinding’; van
iemand die zijn hart ‘onderschikt’, van iemand die een andermans
‘ijsselijkheden geenszins gevoelt’, maar veeleer van dien persoon
het ‘ongeval wrocht,’ instede van zijn eigen ‘ijsselijkheden
te voorkomen.’ Hij laat Ericia bij zichzelve uitroepen, op het oogenblik
dat zij in den opperpriester van Vesta haar eigen vader herkent: ‘'t Is
de oorsprong van mijn leven!’ Hij laat haar, wanneer zij zich gereed
maakt levend in het graf te treden, eerst een blik op de menigte werpen, dan
hare oogen ten hemel heffen en aldus spreken:
'k Spoed dan ten einde, o goôn!... O dood zoo naar en
ijslijk
Gij baart de menschheid schrik; uw aanzien is afgrijslijk.
Desniettegenstaande leest men aan het slot der recensie | | | | in de Arke Noachs: ‘Voor het overige is de vertaling van
dit treurspel voortreffelijk.’ Was dit een pleister op de in het
voorafgaande aan Barbaz geslagen wonden? Welligt. Doch zoo niet, dan is ook
deze blindheid voor zoovele in het oogloopende gebreken een teeken des tijds;
een teeken namelijk van dat gebrek aan taalgevoel, waaraan men in deze periode
laboreerde en dat door Bilderdijk zoo nadrukkelijk in
Feith werd berispt.
Kinker, zeide ik, parodieerde de Ericia. Een gewaagd genre,
die parodiën, waaromtrent hijzelf zich aldus plagt te verantwoorden:
‘Een goed stuk zal, bij kunstkenners die alles naar zijnen aard weten te
waardeeren, door het parodiek ontleedmesje niets van zijne waarde verliezen.
Worden er echter door deze wijs van behandelen, gebreken zigtbaar, die men
anders over het hoofd of door de vingeren gezien zou hebben, dit zal men toch
niet alleen op rekening der parodie willen stellen.’ Terwijl ik deze
zelfverdediging gelden laat, als in theorie volkomen afdoende en genoegzaam,
zal ik op Kinker's parodiën in het gemeen (er bestaan er van hem in druk
een stuk of vijf, zes) deze blaam werpen dat zij (‘à bon entendeur
demi-mot suffit’) door geen fatsoenlijke vrouw van den tegenwoordigen
tijd kunnen gelezen worden. Ja zelfs, wanneer hij onschuldig is, stuit hij den
lezer (ik kan niet beoordeelen of de toeschouwers, bij de vertooning zijner
sarcasmen, er eveneens over hebben gedacht) somtijds tegen de borst. Of moet
men niet in eene ruwe stemming zijn, om te kunnen dulden, dat in de parodie van
het zangspel Edipus, de dochter van den blinden koning (welke koning
hier als een verloopen sujet wordt voorgesteld), dat, zeg ik, Antigone, die
aandoenlijke type der oudheid, met zinspeling op de noodlottige schande van
haar vaders huwelijk en van haar eigen geboorte, dit liedje zingt:
Hij is mijn broêr en mijn papa;
Mijn moeder was mijn grootmama;
'k Ben tante van haar zoons.
Mijn broeders zijn mijn ooms meteen,
Zulk een famielje is ongemeen!
| | | |
Waarop Edipus invalt met deze finale:
En daarom beedlen wij om brood
En zijn veracht van klein en groot.
Onze grootmama's (om met Antigone te spreken) hebben, voor zoover
zij te Amsterdam woonden, deze dingen met welgevallen aangehoord: is het niet
fabelachtig bijna? en was ook niet de mensch van dien tijd een zonderling
wezen? nu eens zwemmend in abstract gevoel met Eduard en Fanny, met
Ferdinand en Alexis, dan weder zich verlustigend in de ontluistering van
al den adel der menschelijke natuur? Doch laat ons regt doen wedervaren aan het
onwederstaanbaar aantrekkingsvermogen van Kinker's komisch talent. Wanneer
Polynices, Antigone's broeder, onder aanhitsing der drie wraakgodinnen en
terwijl het orkest speelt van ‘Où peut-on être mieux qu'au
sein de sa famille,’ door zijnen vader Edipus met een gard getuchtigd
wordt, getuchtigd omdat hij in vroeger tijd dien vader van den troon gestooten
had; wanneer Edipus zich moegeslagen heeft en Polynices, pijnlijk opstaande,
uitroept en tot zijn vader zegt:
Mijn blaauwe rug wordt door berouw gedreven;
Daar, aan mijn nek, voel ik het zelfverwijt;
En aan mijn heup daar zal ik, al mijn leven,
Indachtig zijn dat gij mijn vader zijt.
Mijn elleboog, mijn kniën en mijn dijën
Zijn thans de plaats daar mijn geweten knaagt.
Uw hand is streng; daar viel niet veel bezijën;
'k Word overal door naberouw geplaagd....
dan is het niet mogelijk ernstig te blijven en, schier in weerwil
van onszelven, perst de dichter ons een glimlach af. Inderdaad, hier vloeit
eene ader, die aan
Molière doet denken.- Het oogenblik
intusschen, waarop
Kinker het veiligst rekenen kon de
lachspieren der toeschouwers in beweging te brengen, is dat waarin hij aan het
slot zijner parodiën den draak steekt met de menigte bloeds in het laatste
bedrijf van zoovele treurspelen vergoten. Zoo komt, in het slottooneel van zijn
Orosman de Kleine of de Dood van Zaïre, moorddadig
treurspel, een offi- | | | | cier of onder-officier der lijfwacht van
Sultan Orosman voor den dag, en vindt al de hoofdpersonen van het treurspel,
vijf in getal, ontzield op den grond liggen: ‘Hei jongens’ zoo
roept hij tot zijne onderhoorigen:
Hei jongens! helpt eens wat - ik heb u hulp van nooden.
Eenige militairen komen te voorschijn, leggen de lijken netjes naast
elkander, en dragen ze al lagchend van het tooneel af; waarna, onder het vallen
van het gordijn, de officier deze woorden uitspreekt:
Dat zijn (het gaat nog al) een, twee, drie, vier, vijf dooden.
Aan het slot der parodie getiteld Gabrielle van Faïel,
door den dichter geen blij- of treur- of tooneel- maar
‘katjensspel’ geheeten (op grond der moraal van het stukje, die
aldus luidt:
Gij allen, die mijn les van noden hebt, let wel:
Te ver getrokken min draait uit op katjensspel.)
aan het slot dier parodie haalt de graaf van Faïel, de bedrogen
echtgenoot, nadat hij den verleider zijner vrouw om het leven heeft gebragt,
een groot slagersmes uit den zak en roept tot zijne bedienden:
Breng hier den bloedbak! 'k wil geen oogenblik meer leven.
Er wordt een bloedbak op het tooneel gebragt, in tegenwoordigheid
der gravin doorsteekt zich de graaf en laat zijn bloed in den bak loopen.
Daarop zegt hij:
Nu kom ik langzaam aan mijn end,
'k Ben uitgebloed. Breng weg! Faïel is nu content.
En zoo eindigt ook de Ericia, ons treurspel van daareven, met
een allerzonderlingst tooneel. De heldin werpt zich in de armen van Osmides,
haren minnaar, als om zich te onttrekken aan de vreeselijke doodstraf. Osmides
omhelst haar en roept: ‘Mijn bruid!’ waarna hij, eenigszins
nadenkend, voortgaat:
Doch zeg mij eens in ernst: hoe komt dit stuk nog uit!
| | | |
Ericia antwoordt:
Wacht! steek uw dolk omhoog; dat is nu zonder mallen;
Een beetje hooger, zoo! 't is om er in te vallen.
Zij stort zich op den dolk van Osmides; deze rukt haar den dolk uit
de borst, wendt zich tot de hem omringende schare, en zegt:
O volk, toon nu uw smart! Soldaten, maakt nu mienen!
Priestressen, schrikt! verbleekt! - zeer goed!
Hij doorsteekt zich, trekt den dolk uit de wond, en vraagt:
De naastbijstaande neemt den dolk met eene beleefde buiging aan en
reikt dien, na zich mede doorstoken te hebben, op de zelfde wijze aan een ander
over; 't welk door al de vertooners nagevolgd wordt. De opperpriester Aurelius,
Ericia's vader, is alleen nog in leven: daar verschijnt een aanspreker:
‘Gij komt,’ zegt Aurelius tot den aanspreker:
Gij komt hier juist ter sneê; wij hebben zoo gedaan.
hier doorsteekt hij zich:
Doe nu aan al het volk ons treurig lot verstaan!
De aanspreker zich tot de toeschouwers wendend en terwijl het
gordijn valt:
Ik maak u dan bekend, o Burgers! dat op heden
Ericia, met haar gevolg is overleden;
Terwijl een ieder, door de kunst aan haar verknocht,
Op ceelenmaken aan het sterfhuis wordt verzocht.
Aldus werd de goede Barbaz door Kinker gepersifleerd. De mannen der
Arke Noachs juichten er in en bejammerden alleen dat Kinker's stukje
niet aanstonds zou vertoond worden, (dit gebeurde eerst later). ‘Wat
dunkt u,’ zoo vroeg, bij | | | | de eerstvolgende zamenkomst van
het gezelschap, Lenteling aan Schouwgraag (de vrienden hadden elk hun dus
geheeten ‘bentnaam,’ Lenteling, Schouwgraag, Vrolijkhart, Eerman,
Zwanenveder, Ten Beste, enzoovoorts), ‘wat dunkt u van de parodie op de
Ericia? vindt gij haar niet aardig?’ ‘Zeer geestig
inderdaad,’ antwoordde Schouwgraag; ‘ik heb mij half doodgelagchen,
't spijt mij dat wij haar niet ten tooneele zullen zien voeren.’ -
‘Dat geloof ik gaarne,’ zei Vrolijkhart, ‘maar juist dit zal
maken dat ze des te meer gelezen wordt. Maar hoezoo, mijnheer Eerman, gij legt
het boekje zoo stilzwijgend neder; bevalt ze u niet?’ -
‘Neen,’ antwoordde Eerman; ‘al was Kinker hier in persoon
tegenwoordig, ik zou ronduit zeggen hetgeen ik denk: mij bevalt ze niet.’
- ‘Hoe, vindt gij haar dan niet geestig, niet aardig? Kunt gij ontkennen
dat zij dit is?’-‘Zacht wat, mijne vrienden, zacht wat: ik ontken
geenszins de geestigheid die in het stukje doorstraalt, en gaarne doe ik met
ulieden hulde aan 't schrander vernuft van den schrijver. Maar geestigheden,
parodiën, satyren, bevallen mij niet altoos. Eilieve....’ En nu
verviel de heer Eerman in eene beschouwing die wij ons te gemakkelijker kunnen
voorstellen en verbeelden, omdat zij haar uitgangspunt nam in de
gemoedelijkheid - die immers ons aller uitgangspunt is? Doch Zwanenveder en Ten
Beste concludeerden in een tegenovergestelden zin. Zwanenveder, door te vragen:
‘Erkent gij dat de wezenlijke gebreken der Ericia door Kinker's
parodie in het licht worden gesteld? Welaan, dan wordt door de aanwijzing
hiervan de goede smaak bevorderd. En daarom beschouw ik eene goede parodie als
een geschenk aan de letterkunde en dank dus Kinker die ons hiermede begiftigd
heeft.’ ‘Nu nu,’ zei de optimist Ten Beste, met een
eenigszins spottend glimlachje, (en hiermede eindigde het gesprek) ‘het
is toch wat hard, een dichter te hekelen wiens roem nog niet gevestigd
is.’
1
| | | |
Ziedaar hoe men in de hoofdstad der Republiek de
uitvaart van het jaar '99 vierde; de uitvaart der achttiende eeuw! Doch het is
meer dan tijd de uitvaart te gedenken van deze onze eigen zamenkomsten
gedurende den afgeloopen winter. Ik mogt de zelfvoldoening smaken u reis aan
reis te zien, ja, te hooren luisteren (want gelijk er zichtbare duisternissen
zijn, zoo is er ook eene hoorbare en daardoor dubbel vleijende
‘stilte’) luisteren naar zaken, waarvan het naauwelijks te
verwachten was, dat zij u bij voortduring eenig belang zouden inboezemen. Want
zij waren - gelijk helaas met zoovele nederlandsche dingen het geval is! - zij
waren onbelangrijk in zichzelven. Niet hiervoor echter dank ik het meest, dat
ik ten einde toe zoo welwillend werd aangehoord, of dat van alle zijden
(allereerst uit uw eigen midden) door inlichting en aanmoediging de arbeid mij
gemakkelijk werd gemaakt; of dat het gebrekkige van dien arbeid zoo geduldig
door u werd gedragen. Zeker, mijne erkentelijkheid daarvoor is niet gering.
Doch dat gij hooren woudt van nationale dingen - dit was mijne grootste
blijdschap.
Ik heb dezen winter tot u gesproken van een onzaligen tijd; doch die
gekend moet worden zal men den tegenwoordigen begrijpen. Naar mijn beste
vermogen heb ik u door dat eerste tijdvak onzer nieuwere geschiedenis
heengeholpen; ik heb dat gedaan aan de hand der litteratuur, wel wetend, dat
indien het onderwerp niet van deze zijde werd aangegrepen, er welligt
mogelijkheid zou zijn geweest, om voor een oogenblik de aandacht te wekken,
niet om haar keer op keer levendig en wakker te houden. In menig opzigt heb ik
mijn eigen oogmerk niet kunnen bereiken; veel heb ik onvoltooid en in handen
van den regter (‘sub judice’) moeten laten. Doch gij weet: stevige
woningen bouwt men niet in éénen dag.... Het was een booze tijd
waarover wij spraken; meer aanleiding en begin van veel goeds, dan zelf goed.
Onze tijd is beter: laat ons dit dankbaar erkennen; doch vergeten wij niet, dat
er nog oneindig veel gedaan moet worden, om ons wederom te doen zijn een edel
volk. Nog op ver na hebben wij de dwalingen van het voorgeslacht niet geboet.
In plaats | | | | van genezen zijn wij in menig opzigt slechts weder
ingestort. Op het goede dat in hen was hebben wij niet in alles voortgebouwd.
Reactie is geen herstel. Apathische orde geen minder groot euvel dan wanorde.
Lustelooze vrijheid een nieuwe vorm van slavernij. Laat ons dan arbeiden en
waken, opdat wij de vrijheid behouden en de kracht herwinnen. - Ik heb
gezegd.
|
1Helmers was steenkooper.
1Den Beer Poortugael, Redevoering aan het
volk van Nederland, 1796 p. 51. Vgl. de Voorrede van den Mucius
Cordus van Feith.
1[Het origineel, Ericie ou la Vestale,
van Dubois-Fontanelle, werd in 1768, zoo het heette, te Londen gedrukt. Het
stuk werd, om de anti-katholieke strekking, door de toenmalige fransche
regeering verboden. Zie Grimm, Correspondance litteraire, édit.
Tourneux, VIII, 42, 470.]
1 Arke Noachs, p. 392-394.
|
|