Litterarische fantasien en kritieken. Deel 25


auteur: Cd. Busken Huet


bron: Cd. Busken Huet, Litterarische Fantasien en Kritieken (vijf en twintigste deel), H.D. Tjeenk Willink, Haarlem, z.j.


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 177]

J.A. Alberdingk Thijm.

J.A. Alberdingk Thijm. Portretten van Joost van den Vondel; eene laatste aflevering tot het werk van Mr. Jac. van Lennep, Amsterdam, 1876.

Sprekend over het groote nieuwe boek van den heer Alberdingk Thijm, zeide een vriend van hem, doch in geloofszaken een tegenvoeter: ‘Dit is nu geen Vondel op sterk-, maar op wijwater.’

Ondeugende kritiek! Maar Thijm is óók ondeugend, wanneer hij zijne Portretten van Vondel Van Lennep in de schoenen schuift en ze als een laatste hoofdstuk van Mr. Jacob's werk aanbiedt. Indien Van Lennep weder levend werd en vernam dat Thijm's een en al roomsche Vondel als een aanhangsel op den zijnen was uitgegeven, dan geloof ik dat zijne grijze leeuwenmanen, wegens deze paapsche stoutigheid, van verbazing overeind zouden gaan staan.

Alberdingk Thijm toch doet voor Vondel weinig minder dan Dr. van der Linde voor Lourens Coster gedaan heeft. Met een welsprekenden overvloed van vernuftige gissingen en onwederlegbare aanhalingen, werpt hij den Vondel der overlevering, in wiens leven het roomsch-worden eene zaak van ondergeschikt belang is geweest, van zijn voetstuk, en stelt voor hem (gelukkiger en bekwamer dan Dr. van der Linde, die alleen afbrak) een Vondel in de plaats, wien

[p. 178]

het katholicisme is doorgedrongen tot in merg en been.

Geenszins beweer ik, dat het geschrift van den heer Thijm opgaat in dit pleidooi; maar wel, dat indien men de belangwekkende en met ongeëvenaard talent gefantaseerde inkleeding vooreerst aan hare plaats laat en alleen omziet naar de historische kern, die kern zich laat zamenvatten in hetgeen ik daareven zeide. Dit boek vormt de kroonlijst van het gebouw hetwelk de heer Thijm sedert jaren bezig is, ter eere van het oude geloof in Nederland op te trekken. Reeds waren in dat pantheon van het Nederlandsch-katholicisme, bij vorige gelegenheden, een aantal beelden van hem verrezen; en ook voor Vondel had hij herhaaldelijk eene plaats gevraagd. Thans heeft hij die plaats veroverd. Het staat nu vast, dat niet het protestantsche, maar het katholieke Nederland den grootsten Nederlandschen dichter heeft voortgebragt, en dat wie al de innigste schoonheden van Vondel's gemoed en Vondel's poëzie wil vatten, met hem moet nederknielen voor de altaargeheimenissen van het pausdom.

Ik behoef niet te zeggen dat de heer Thijm, bij het leveren van dit betoog, te werk gaat met eene zeer vaste overtuiging niet alleen, maar ook met de warmste ingenomenheid. Wanneer Groen van Prinsterer de bewijsplaatsen bij elkander stelt, waaruit blijkt dat Hugo de Groot, ofschoon levenslang protestant gebleven, nogtans, naarmate hij in jaren toenam, zich door het katholicisme sterk aangetrokken heeft gevoeld, dan geschiedt dit met het doel om den protestantschen lezer te waarschuwen; hem op de uiterste konsekwentien van De Groot's kettersch liberalisme te wijzen; hem met andere woorden het schrikbeeld voor te houden: Er is een breken met de gereformeerde orthodoxie, hetwelk naar Rome voert! Evenzoo, ongeveer, wanneer vrijzinnige protestanten van den tegenwoordigen tijd zich op het krypto-katholicisme van Bilderdijk beroepen en, Groen van Prinsterer's les omkeerend, hunnen volgelingen onder het oog brengen: Tusschen de gereformeerde orthodoxie en Rome ligt maar één schrede! In eene geheel andere atmosfeer beweegt men zich, wanneer

[p. 179]

men Alberdingk Thijm over het katholicisme van Vondel hoort spreken. Hij is dankbaar, dat Vondel roomsch geworden is. Hij beschouwt Vondel's overgang als eene uitnemende weldaad voor Vondel zelf, als eene reden tot erkentelijkheid voor de Nederlandsche katholieken, als eene roepstem tot het Nederlandsche volk in het algemeen, als iets aandoenlijks en beminnelijks, waarvan een ieder kennis behoort te nemen, waarvoor een ieder sympathie gevoelen, waarover een ieder zich hartelijk verheugen moet. Hij zwetst niet, pocht niet, bluft niet. Hij is zeker van zijne zaak. Al de bewijsstukken bevinden zich sedert lang in zijne handen. Keer op keer levert hij de proef op de som. Het pleidooi is er, maar het wordt u niet aangeboden als de slotsom van te zamen doorgeworstelde onderzoekingen of redeneringen. Het dient tot uitgangspunt; het is reeds voltooid eer het begint; er wordt rustig op voortgebouwd. Doch die rust zelve geeft den schrijver gelegenheid, overal zijn gemoed te laten spreken; en gij eindigt met toe te stemmen, dat indien Vondel werkelijk in zijn katholicisme zich zoo op zijn gemak en zoo tehuis heeft gevoeld, er zoo veel gezelligheid aan verpligt is geweest, er zoo veel gelukkige en verheven ingevingen aan te danken heeft gehad, het inderdaad jammer geweest zou zijn, zoo hij mennoniet en arminiaan gebleven was.

Mag ik in het voorbijgaan mijne verwondering betuigen, dat de heer Groen van Prinsterer tot toelichting van zijne stelling omtrent de verwantschap van arminianisme en romanisme, geene enkele maal op Vondel heeft gewezen? Wel is waar heette Vondel doopsgezind; doch in den grond zijns harten was hij vóór zijn overgang warm remonstrant, en zijn voorbeeld is een veel krachtiger bewijs (voor iemand die aan zulke bewijzen waarde hecht) dan het voorbeeld van Hugo de Groot.

Mij schijnt het toe dat Vondel, door het omhelzen van het roomsch geloof, slechts zijne bestemming vervuld heeft. Geen protestant, die niet dezelfde roeping gevoelt, behoeft den dichter daarin na te volgen; maar de humaniteit gebiedt, er hem in gedachte geluk mede te wenschen. Wereldsch goed

[p. 180]

of wereldsch aanzien heeft hij er voorwaar niet bij gewonnen; veel zedelijke moed is zijnerzijds noodig geweest om in het eenmaal opgevatte voornemen onafgebroken te blijven volharden; en de daaruit voortgevloeide veredeling van zijn karakter, gepaard met verbreeding van intellektuëlen gezigteinder, is ten goede gekomen aan zijne poëzie. Vondel heeft van de jezuïten-paters, die zijne bekeering volbragten, zeer veel geleerd wat hij noch bij Hooft, noch bij de Vossiussen kon opdoen; en de buitengewone mate van kundigheden, die hij in zijne werken ten toon spreidt, dankte hij voor de grootste helft aan zijne roomsche vrienden. De Vossiussen waren humanisten, die vrede vonden in de wijsgeerige godsdienst van Grieken en Romeinen. Hooft was een skepticus, die zoo min met het hervormde als met het roomsche kerkgenootschap op had. Vondel schijnt een geboren geloovige te zijn geweest; niet mystiek genoeg om naar protestantsche wijze op eigen hand aan het theosoferen te gaan, niet genoeg individualist om als geloovige het met zich zelven voor lief te nemen, en toch ook weder te mystiek om op den duur zich gevangen te kunnen geven aan een kerkgenootschap zonder symbolen, zonder mysteriën, en met zoo goed als geene sakramenten. Zijne vroomheid doet mij meest van al aan de vroomheid van Racine denken; den Racine van Esther en van Athalie. De levendige godsvrucht van beide dichters, bij beiden uitvloeisel van eene bekeering, - ofschoon Vondel zich niet, gelijk Racine, eene ligtzinnige jeugd te verwijten had, - heeft zich ontlast in stroomen van edele, welluidende en bevallige lyriek, dienstbaar gemaakt aan de tragedie. Slechts had Racine op Vondel twee dingen vóór: toen hij met Esther en Athalie een stilzwijgen van vele jaren verbrak had hij Andromaque, Britannicus en Phèdre reeds voortgebragt; en hem stond eene taal ten dienste, die reeds geheel gevormd en door een geheel volk als de definitieve uitdrukking der gedachte aangenomen, niet meer noodig had, gelijk Vondel's taal, zich op eigen gezag nieuwe wegen te banen, of zich bloot te stellen aan het gevaar van eenmaal

[p. 181]

verouderd te zullen schijnen. Racine leest men van het blad: Vondel moet ontcijferd worden.

Ik behoor in Alberdingk Thijm's pleitrede op één zwak punt te wijzen; hierin bestaande, dat van de versregels, welke af en toe tot staving van Vondel's katholicisme worden aangehaald, of dienen moeten om Thijm's hypothesen waarschijnlijk te maken, de fraaiste niet van Vondel, maar, in vondeliaansche spraakwending en schrijfwijze, van Thijm zelven afkomstig zijn. Een ieder gevoelt echter, dat dit gebrek eene deugd te meer en slechts een andere vorm is van de kunst, te koste gelegd aan de zamenstelling van het boek. Twintig kleine hoofdstukken worden u hier aangeboden, waarvan elk op zich zelf een oud-amsterdamsch schilderijtje uit de 17de eeuw vormt, maar zóó, dat zij in elkander voegen als de deelen van één groot mozaiek, voorstellend het leven van Joost van den Vondel. De uitnemende litterarische waarde van al deze en dergelijke opstellen van den heer Thijm werd bij eene vorige gelegenheid door mij in het licht gesteld. 1 Onder de nieuwe, die hij thans geeft, komen er voor, die de oudere nog overtreffen. Ik noem alleen Bartje Hooft en de Keulsche Bedevaart, twee meesterstukken van vinding, voorstelling, humor en stijl. Doch meer nog dan vroeger gevoel ik mij ditmaal gedrongen, op de breede soort van beminnelijke eigenschappen te wijzen, welke in dit boek doorstralen en, bij alle verschil van zienswijze, u den auteur doen eeren en liefhebben als mensch. Van de opdragt aan Potgieter's nagedachtenis af, tot aan de laatste bladzijde der verbeteringen en bijvoegsel's ademen deze Portretten eene zoo buitengewone mate van hartelijkheid zonder sentimentaliteit, dat meer dan eens onder het lezen de tranen u in de oogen schieten. Aan die volheid van gemoed, den konterfeiter met den gekonterfeiten dichter gemeen, schrijf ik het verschijnsel toe, dat Alberdingk Thijm wel tegenstanders, maar geene vijanden heeft en, zonder populair te zijn, een groot aantal

[p. 182]

warme vrienden telt. Evenals Vondel van Amsterdam gezegd heeft dat die keizerin onder de steden van Europa het hoofd aan 's Hemels as verhief en door het moeras hare wortels schoot op Pluto's borst, - een beeld, ook door Lafontainegebezigd, aan het slot van Le chêne et le roseau, - kan men van Thijm getuigen, dat zijne hemelsche visioenen hem nooit ontrouw doen worden aan de regten der aarde. De sympathie, die hij opwekt, wortelt in een stevigen bodem van zuiver menschelijke aandoeningen.

 

Oktober 1876.