|
|
|
| | | | | |
Aanhangsel.
[De schrijver is op de vraag betreffende Bilderdijks eerste
huwlijk in een in 1873 geschreven artikel, sedert in deel IV der
Litterarische Fantasien geplaatst, terug gekomen, naar
aanleiding van de door Dr. Van Vloten openbaar gemaakte brieven, die de
voorstelling in 1860 gegeven, geheel bevestigden. De vraag in hoeverre
evenwel Mevr. Bilderdijk-Woesthoven schuld had aan de
scheiding, lokte de tegenspraak van den heer
Van Vloten uit; hierop doelt de volgende,
in December 1873, gepubliceerde repliek:]
Gisteren bragt de mail mij hetzelfde nummer van den
Levensbode, waaruit een hier verschijnend blad, tevens
aan zijne lezers den heer Van Vloten als mede-arbeider voorstellend, bezig is
een tegen mij gerigt artikel van dien schrijver over te nemen.
Dr. Van Vloten kan het niet op, dat ik zijn kommentaar bij de
bekende brieven van Bilderdijk een requisitoir genoemd heb. Door mij is
namelijk aangetoond, dat hij en Bilderdijks kleinzoon vruchteloos hebben
beproefd,
Mevrouw Bilderdijk-Woesthoven te rehabiliteren. Van het
woord requisitoir, waarop de heer Van Vloten zoo veel nadruk legt, heb ik mij
slechts éénmaal bediend; en wel in den aanhef van mijn opstel,
waar ik de grieven noemde, welke al zoo tegen het publiceren dezer brieven
konden aangevoerd worden. Ofschoon die grieven ook de mijne waren, heb ik er
niet den geringsten ophef van gemaakt, mij bepalend tot een wenk en door den
vorm, waarin ik mijne gedachte kleedde, de uitgevers zoo min mogelijk kwetsend.
| | | |
Ik blijf er bij, dat de toeleg Bilderdijks eerste
vrouw te regtvaardigen, niet geslaagd en dit eene voorname fout van het boek
is. Immers volgens de voorrede levert de uitgave ‘niet alleen meer
bepaald een belangrijke bijdrage tot de volledige kennis van den menschBilderdijk,’ maar heeft zij ‘daarenboven ook
ten doel, een gepleegd onregt te herstellen.’ Aan dat tweederlei oogmerk
voldoet de publikatie niet. Ik heb er de overvloedige bevestiging in gevonden
van hetgeen dertien jaren geleden door mij omtrent Bilderdijks verhouding tot
zijne eerste vrouw aan het licht werd gebragt; doch ik heb er tevens uit
geleerd, que les deux ont fait la paire en zij hem weinig te verwijten
had.
Blijkbaar zijn Dr. Van Vloten's denkbeelden omtrent onpartijdigheid
verschillend van de mijne. Wanneer hij zich tot taak heeft gesteld, in den
persoon van
Onno Zwier van Haren een lievelingsdichter
te zuiveren, laat hij juist het stuk achterwege, waardoor Onno Zwier's onschuld
meest van al onzeker wordt gemaakt. Dat kan ik niet goedkeuren.
Weinig anders is het met Van Vloten's ijver ten gunste van Mevr.
Bilderdijk-Woesthoven gesteld. Naar mijne voorstelling - en met zekere
gerustheid zie ik het betoog te gemoet, dat die opvatting onmenschkundig was -
moet de bittere wortel van Bilderdijks rampzaligen eersten echt hierin gezocht
worden, dat jufvrouw Woesthoven door hem verleid is en zich heeft laten
verleiden; zoodat reeds weinige weken na de sluiting van het huwlijk diezelfde
kleine Louize ter wereld kwam, aan welke de vader naderhand met zoo veel
hooghartigheid de pligten onder het oog bragt, welke hare geboorte haar
oplegde. ‘Het is een huwlijk zonder wittebroodsweken geweest’,
schreef ik, ‘geëindigd in wederzijdschen afkeer, gelijk het met een
valsch vertoon van eerbaarheid werd aangevangen. Zeer mogelijk waren zij
elkander reeds half moede, toen in het oog der wereld het hoogste geluk nog
voor hen moest aanbreken. Jufvrouw Woesthoven te hebben moeten trouwen, die
gedachte heeft er vast niet weinig toe bijgedragen om den van nature zoo
ligtgeraakten Bilderdijk keer op keer te doen opstuiven. En zij, hoe zwak
| | | | moest zij zich gevoelen tegenover den man, die haar herinneren
kon, zijne drift halverwege te gemoet te zijn gekomen?’
Heeft nu Dr. Van Vloten, met de onpartijdigheid van den
geschiedschrijver, dit kapitale feit naar eisch doen uitkomen? Volstrekt niet.
Als hij Bilderdijks laatsten brief vóór het huwlijk, dd. 16 Junij
1785, heeft medegedeeld (bladz. 151), gaat hij op bladz. 152 aldus voort:
‘Vijf dagen later greep de “echtviering” plaats, zoo
“siddringvol” doch van “vreugde en teêr gevoel”
alleen, door den dichter in zijne schoone verzen verheerlijkt, aan welke echter
de naam Kniedicht, zoo min als de jaarteekening die hij ze bij de
uitgave in 1808 gaf, naar regt en billijkheid toekomt.’
Verder - geen woord.
Waarna op bladz. 155, alsof er niets gebeurd was, de draad des
verhaals aldus hervat wordt: ‘Den 5den September 1785 schonk
hem zijn gade, in zijn Louize Sibylle, van welke we later meer zullen hooren,
zijne eerste huwlijksspruit.’
Ik vraag in gemoede, of waar zulke middelen zijn aangewend om Mevr.
Bilderdijk-Woesthoven's schuld te verminderen, Dr. Van Vloten het regt had mij
te berispen, die de eene helft van zijn boek een requisitoir, de andere helft
een pleidooi genoemd heb?
Ook nu weder, in het pasverschenen nummer van den Levensbode,
wordt over de feiten en cijfers, op welke mijne voorstelling gebouwd was,
heengegleden. Nergens de geringste zinspeling op het gedwongen huwlijk; nergens
één woord waaruit blijken kan, dat Dr. Van Vloten besef heeft van
de plaats, welke die noodlottige gebeurtenis in het leven der echtelingen moet
ingenomen hebben. Wat meer zegt, mij wordt verweten, wanneer ik Jufvr.
Woesthoven den vurigen Bilderdijk halverwege te gemoet laat gaan, mijn
voorbestemd slagtoffer eene uit de lucht gegrepen beschuldiging naar 't hoofd
geslingerd (bladz. 426), en wanneer ik haar den val van Jufvr. Schweickhardt
uit de verte laat zegenen, eene met de bekende feiten strijdige bewering
(bladz. 427) te hebben voorgedragen.
| | | |
Ik moet onderstellen, dat Dr. Van Vloten's veelvuldige
bezigheden sedert hij de laatste proef van Bilderdijks Eerste
Huwelijk korrigeerde, de herinnering aan den inhoud van dat
geschrift min of meer bij hem hebben uitgewischt. Hijzelf was het, die op
bladz. 261 en 262 aldaar ons verhaalde, dat Mevr. Bilderdijk, toen zij in Den
Haag op Elius paste en haar man te Londen aan
Jufvr. Schweickhardt het hof maakte, hem
over die nieuwe vriendschap en liefde onderhouden, daarop eene gulle
zinspeling gemaakt, elk achterdochtig verwijt gemeden, en eene
goedgunstige, van alle jaloerschheid vrije gezindheid omtrent de
jeugdige Londensche schoone aan den dag gelegd heeft. Precies mijn idee! mag ik
hier Multatuli nazeggen. De maat van Dr. Van Vloten's eenvoudigheid heb ik niet
te bepalen; en wanneer hij Mevr. Bilderdijk-Woesthoven beurtelings ‘de
goede vrouw,’ de ‘arme Katharina Rebekka,’ de
‘argelooze, van geenerlei kwaad bewuste huisvrouw’ noemt, dan moet
ik wel denken, dat hij dit ernstig meent. Doch mij en anderen zij het vergund,
anders te oordeelen. Eene vrouw, die haar afwezigen echtgenoot schertsend voor
eene minnares waarschuwt, geene achterdocht koestert en met eene van alle
jaloerschheid vrije gezindheid vervuld is, - zulk eene vrouw kan, als die
echtgenoot sedert drie jaren uit hare slaapkamer werd geweerd, nadat zij tot in
het kraambed door hem mishandeld was, slechts wenschen, dat eene nieuwe
‘vriendschap en liefde’ haar van hem verlosse; en wordt die stille
wensch bekroond, zoodat zij hem een proces wegens malicieuse desertie kan
aandoen en zelve een ander huwlijk sluiten, dan is er niets vreemds in, dat zij
hem naderhand, als hij in nood verkeert en zij in overvloed leeft, bankjes van
ƒ 100 of ƒ 200 toezendt.
1 Veeleer paste
die daad volkomen in het karakter van Katharina Rebekka, wie het nooit om iets
anders te doen is geweest als om tot iederen prijs van haren Bilderdijk af te
komen.
| | | |
Dit sluit niet uit, dat er een andere tijd kan geweest
zijn, toen Bilderdijk tot iederen prijs aan zich te verbinden, haar vurigste
wensch was. Ernstig moet ik Dr. Van Vloten verzoeken, ook te dezen opzigte
zijne jongste uitspraak terug te nemen. Hij herleze den
7den minnebrief (bladz. 39), en hij zal zien, dat de personen, bij
welke Jufvr. Woesthoven te 's Hage inwoonde, haar 21 Mei 1784 eene scène
hebben gemaakt, omdat Bilderdijk te druk bij haar aan huis kwam; den
11den minnebrief (bladz. 45), en het zal hem te binnen schieten, dat
Jufvr. Woesthoven aan Bilderdijk 2 Junij een bezoek bragt op zijne kamers, waar
zij, zooals hij het noemt, hem ‘lieve potsjens’ speelde; den
15den minnebrief (bladz. 49), en welligt wordt het hem duidelijk,
hoe Bilderdijk nog op 11 Junij zich beroemen kon, zijne brandende drift te
hebben in band geslagen, ondanks hij aan Odilde's zijde ‘den schoonsten
nacht zijn levens’ had gesleten. Mij dunkt, waar reeds in Junij van het
eene jaar zulk eene intimiteit bestond, daar kon het schier niet anders of in
Junij van het volgende moest (tant va la cruche à l'eau qu'à
la fin elle s'emplit) in allerijl het huwlijk voltrokken worden; en zelfs
Dr. Van Vloten zal bij nader inzien zich niet kunnen blijven opdringen, dat een
meisje, hetwelk zulk eene gemeenzaamheid duldt en uitlokt en aanmoedigt en door
brieven schrijven onderhoudt, zich tot bezwijken bepaalt. Volhardt hij in het
voornemen, aan geene medewerking van Katharina Rebekka's zijde te willen
gelooven, hij zij voor het minst even natuurlijk als hare stiefmoeder, die in
een door hem zelven medegedeelden brief van twintig jaren later, haar op
vriendschappelijken toon herinnerde, hoe haar toestand indertijd geen uitstel
van het huwlijk gedoogde. Wie dat feit ongebruikt laat liggen, zal nooit tot
eene zielkundige verklaring der tegenspoeden van Bilderdijks eerste
echtverbindtenis komen.
Inderdaad, zoo ik de meening heb durven voordragen, dat voor de eer
van Mevr. Bilderdijks nagedachtenis het wenschelijk ware geweest, de haar
betreffende en gedeeltelijk door haar zelve gevoerde korrespondentie in
portefeuille te | | | | houden, ik durf er thans als mijn gevoelen
bijvoegen, dat het desgelijks de voorkeur zou hebben verdiend, de kwalijk
geslaagde regtvaardiging niet door eene tweede, even ondoordacht als de eerste,
nog zwakker te doen schijnen.
[De volgende regels, eenige dagen later (12 December 1873) in de
rubriek ‘Kunst- en Letterbode’ van het Algemeen Dagblad
geplaatst, bewijzen dat de schrijver, wat zijn oordeel over de waarde van
Bilderdijks verzen betreft, zichzelven steeds gelijk is gebleven:]
De voor twee derden aan Bilderdijk gewijde
Varia van
Beets'
Verscheidenheden doen mij aan de redevoering denken,
waarmede Prof. Moltzer bij de hervatting zijner lessen voor de Groningsche
studenten optrad.
1 Het zij mij vergund,
na pas uitvoerig over dit onderwerp gesproken te hebben, thans kort te zijn. De
kritiek van Prof. Moltzer mishaagt mij, omdat zij oorspronkelijkheid mist, en
voorts, omdat zij den mensch en den dichter Bilderdijk zoo scherp tegen
elkander overstelt, dat elke verzoening onmogelijk wordt. ‘Bilderdijk was
dichter in merg en been; wat hij aanraakt met zijn tooverstaf wordt onmiddelijk
overtogen met een poëtisch waas; wat hij te aanschouwen geeft aan het oog
onzer verbeelding is dichterlijke schepping, dichterlijk schepsel. Ik wil wel
bekennen, dat ik schier geen woorden heb kunnen vinden om mijne bewondering van
Bilderdijks dichtgenie uit te drukken. Zooveel is gewis: in eene
aanschouwelijke voorstelling der verdiensten van onze dichters in den trant van
eene bergkaart, gelijk naar het model der zoogenaamde graphische statistieken
eenmaal door Ampère van Les Renaissances is ontworpen, zou de hoogste
top den naam dragen van willem
| | | |
bilderdijk’ (bladz. 16). Zoo
dit waar was, de schuld der verwijdering tusschen Bilderdijk en het
nederlandsche volk zou niet aan hem, maar aan het nederlandsche volk liggen.
Eene natie, die enkel op grond van levensgedrag of karakter, zulk een dichter
verwierp, zou haar eigen vonnis spreken. Sluiten! zou de minister van
Binnenlandsche Zaken omtrent akademische gehoorzalen moeten gebieden, waar die
denker, die wijsgeer, die ziener als de kwade genius van Nederland werd
voorgesteld (bladz. 36). Maar het is niet waar. De werkelijk schoone en
onsterfelijke verzen van
Bilderdijk vullen niet meer dan één of twee
boekdeelen. Het overige is onvoldragen proza, door den aan het rijm verslaafden
auteur gemakshalve in dichtmaat gebragt.
|
1Dit is eene tot hiertoe onbekend gebleven
bijzonderheid, thans op gezag van Prof. Moll, die het van Ds. Broes had, door
Dr. Van Vloten medegedeeld. Levensbode, bladz. 425.
1Bilderdijk en het Nederlandsche volk:
aan wien de schuld der verwijdering? door
Mr. H. E. Moltzer, hoogleeraar te
Groningen. Groningen
J.B. Wolters.
|
|