In dankbaarheid opgedragen aan Prof. Dr. M.J.A. De Vrijer
Het was aan het begin van de eerste wereldoorlog. Augustus 1914. Een grote schrik was over de volken gekomen. De angst had de mensen te pakken. De kerken liepen vol.
Ik was een jongen van vijftien jaar.
In de Oosterkerk in de Maliebaan te Utrecht zat ik achterin op een krukje. De kerk was stampvol. Van de preek herinner ik mij niets meer. Ik weet niet eens meer, wie de dominee was. Ik weet alleen dit éne, dat de angst voelbaar in de kerk hing en dat er gebeden werd: O, God, spaar Nederland! De bedehuizen waren meer nog dan gewoonlijk bedelhuizen.
De kerk ging uit.
Aan de uitgang stond een man met een bundel blaadjes, die hij onder de kerkgangers uitdeelde. Lang duurde zijn distributie niet. Hij had nog maar vijf blaadjes uitgedeeld, of Das, de grutter uit de Twijnstraat, een grote kerel, griste hem de hele bundel pamfletten uit de hand en ging er mee van door. Ik was één van de vijf gelukkigen - zo zie ik het nu na jaren nog altijd - die zo'n blaadje in handen kregen. Het was een overdruk van een artikel uit Opwaarts, het weekblad van de Bond van Christen Socialisten: De schuld der Kerken, een fel en hartstochtelijk protest tegen het imperialistisch, kapitalistisch en militaristisch karakter van de samenleving en de christelijke kerken:
‘Dit is de gruwel, dat bijna altijd en alom de kerk aan de zijde van het imperialisme staat. Gaat zij nu, voor zover zij niet liever nog om overwinning bidt, bidden om vrede, zo vergeet zij en zo vergeten haar leiders, dat zij geen recht hebben om zulks te bidden. De leiders der kerken hebben voortdurend geheuld met de Mammon. Zij hebben ons menselijk maatschappelijk stelsel als van God gewild gemaakt. Zij hebben het Koninkrijk Gods tot een idylle van na dit leven gemaakt. Zich naar het schijnt thuis voelend in een wereld, die kreunt van onrecht en gewelddadigheid, hebben zij, 't zij door te zwijgen, 't zij door te spreken, het imperialisme bevorderd, het Koninkrijk Gods gedood. Op hen komt het bloed van de oorlogen der christelijk geheten staten, die koningen
en keizers, bankiers en grootondernemingen in machtroes, waan en duistere praktijken veeleer hebben versterkt dan gebroken, gelijk op hen komt het bloed van wie worden verdrukt, geschonden en uitgebuit in deze kapitalistische maatschappij. Doch niet slechts op hen. Ook op ons.
Op ons allen, voorzover wij niet streden van ogenblik tot ogenblik met heilige wijding de grote strijd voor het Koninkrijk Gods in alle verhoudingen des levens. Er is niemand, die zich hier niet het gelaat bedekt. En daarom, geloofsgenoten, mensenkinderen, niet allereerst gesmeekt en gebeden om vrede - moet een oorlog het al doen spatten uiteen, moet ons vaderland bezwijken, Gods wil geschiede - maar allereerst schuld beleden en ons bekeerd van hart’.
Ds Bart de Ligt noemt de dag, waarop hij met Ds de Jong, J. Bommeljé, Ds Kruyt en Truus Kruyt-Hoogerzijl dit manifest opstelde, ‘de grootste dag in ons leven wellicht’. Het werd aan alle Nederlandse predikanten en kerkeraden toegezonden en in duizenden exemplaren door het land verspreid. De militaire overheid nam het in beslag. De Ligt en Kruyt werden door hun kerkbestuur onder handen genomen.
Op die zondagmorgen in augustus 1914 werd ik voor het eerst en definitief geconfronteerd met de politieke en sociale problemen van het westen en de gehele wereld. Opwaarts werd het eerste weekblad, waarop ik mij voor eigen rekening abonneerde. De abonnementsprijs was vier dubbeltjes per drie maanden, een derde van mijn zakgeld, dat een dubbeltje per week bedroeg. Vanaf dit ogenblik verscheen er geen brochure van De Ligt - er verschenen tientallen brochures van hem - of ik kocht en verslond ze. Om mijn inkomen te verhogen, fietste ik in de eerste weken van de oorlog iedere namiddag van Utrecht naar IJsselstein met 25 nummers van de Nieuwe Rotterdamsche Courant, die ik in Utrecht aan het station voor 5 cent per exemplaar kocht. Ik verkocht ze in IJsselstein voor 10 cent per exemplaar en was zo in staat in die eerste oorlogsweken mij alle mogelijke publikaties aan te schaffen. Wat was De Ligt verrast, toen ik hem in later jaren een vrijwel complete verzameling van de geschriften van de Bond van Christen Socialisten kon laten zien, ook het manifest De schuld der Kerken, dat ik steeds zorgvuldig bewaard heb.
Als De Ligt in Utrecht kwam, was ik er bij. Hij kwam er vaak. Op door-de-weekse avonden en zondagavonden. Dan sprak hij in de religieus
socialistische samenkomsten, die gehouden werden in de Doopsgezinde Kerk op de Oude Gracht.
Bij ons thuis was het de gewoonte dat wij twee maal per zondag naar de kerk gingen, 's morgen om 10 en 's avonds om 6 uur. Vader had er geen bezwaar tegen, dat ik naar De Ligt ging luisteren. Maar eerst moest ik naar de kerk. Ik ging geheel achterin in de Oosterkerk zitten. De dienst duurde in de regel tot half acht. Dan holde ik via de Maliebaan en de Zuilenstraat naar de Oude Gracht, om even half acht hijgend de Doopsgezinde Kerk binnen te komen. Daar hoorde ik De Ligt, Enka, Kruyt, Truus Kruyt en De Jong. Het was De Ligt, die mij de ogen opende voor wat hij het kapitalistisch, imperialistisch en militaristisch karakter van onze samenleving noemde. Op het ogenblik zeggen deze adjectieven de meesten minder dan in 1914, terwijl zelfs vele socialisten ten onrechte menen, dat ze hun inhoud verloren hebben. In 1914 waren ze zwaar geladen. Misschien nog belangrijker was, dat De Ligt mij de ogen opende voor de anti-kapitalistische, anti-imperialistische en anti-militaristische tendenzen van de bijbel. Zijn Profeet en Volksfeest - verschenen in 1913, het jaar van de onafhankelijkheidsfeesten - en zijn Profeet en Volksnood - verschenen in 1914, het oorlogsjaar - waren in letterlijke zin openbaringen voor mij en ik zou een hele rij geschriften van zijn hand kunnen noemen, die hun werk deden. Ik noem nog slechts zijn Ontwerp Beginselverklaring en zijn inleiding op het belangwekkende boekje van Prof. Martinus des Amorie van der Hoeven Over het wezen van de Godsdienst en hare betrekking tot het Staatsrecht, waarin vragen aan de orde worden gesteld, die nog altijd actueel zijn.
In later tijd is De Ligt andere wegen gegaan en ik geloof zeker, dat Prof. van de Bergh van Eysingha gelijk had, toen hij in 1938 op Westerveld zei - De Ligt werd in Parijs gecremeerd, met Ds Hugenholtz trok ik naar Parijs, om de crematie bij te wonen, de urn met as werd later op Westerveld bijgezet - dat de uitgangspunten van deze andere wegen al in de oudste geschriften van De Ligt zijn aan te wijzen. Als jongen van 15-17 jaar heb ik dat natuurlijk niet doorgehad. De Ligt was in de oorlogsjaren trouwens zelf vast overtuigd, christen en prediker van het evangelie te zijn. Het was zijn profetische tijd. Toen hij met het christendom brak en boven het evangelie meende uit te komen, heeft hij veel van zijn
profetische kracht verloren. Hij werd meer en meer een utopist, die individueel pacifisme verdedigde. Toen ging zijn scherp indringend en ontledend intellect - wat kon hij ontleden - zijn werk meer en meer beheersen en heeft hij woorden over kerk en christendom - zelfs over de persoon van Jezus Christus - geschreven, die mij pijn deden en kwetsten in mijn diepste overtuiging. Ik heb dat De Ligt ook gezegd en geschreven en er aan toegevoegd, dat ik hem dit kwalijk nam. Ik moest dat doen, wilde mijn verhouding tot hem zuiver blijven. De Ligt van zijn kant hoopte, dat ik op den duur in staat zou blijken mijn christelijk geloof te boven te komen.
Soms zag ik het zo, dat De Ligt van zijn verleden toch nooit geheel los kwam. Zoals hij in zijn christelijke periode losser van het christendom was dan hij dacht, zo was hij er in zijn later leven veel minder los van dan hij zichzelf bewust was en zijn heftige aanval op Ds de Jong, zijn vroegere medestrijder, die in een uitermate zwak boekje het geloof in Christus verdedigde, was naar mijn overtuiging meer een strijd met zichzelf dan met zijn vroegere geestverwant. Wie De Ligt niet kende, moest in hem wel een vijand van het christendom en een godloze zien. Hij was noch het één noch het ander. Toen ik hem eens zei: ‘Ik kan het eigenlijk slecht hebben, dat je geen christen meer bent en daarom blijf ik je maar het liefst zien als de prediker van de oorlogsjaren’, glimlachte De Ligt. Het was de glimlach van de man, die overtuigd was uitgestegen te zijn boven de dingen, die voor mij het hoogste zijn, maar het was toch ook de glimlach van de dankbaarheid en de waardering. ‘Doe dat gerust’, waren de woorden, die de commentaar op zijn glimlach gaven. De Ligt was een hartstochtelijk strijder voor een betere, een menselijker samenleving, een eerlijk zoeker naar waarheid en een trouw kameraad. In het manifest van De Ligt, dat een nieuwe wereld voor mij ontsloot, stond één zin, die mij, jongen van vijftien jaar, opgegroeid in een gereformeerd en antirevolutionair milieu, bijzonder trof. Het was een zin, waarin de naam van Groen van Prinsterer genoemd werd: ‘Reeds voor meer dan vijftig jaar heeft Groen van Prinsterer de politiek der Europese volken een steeds duidelijker aan de dag tredende Kaïnspolitiek geheten. Als beslissend in de verhouding der dusgenaamd christelijke volken constateerde hij de kracht van het zwaard en het kanon’.
De naam van Groen van Prinsterer legde verbinding tussen de nieuwe wereld, die voor mij open ging, en de wereld, waarin ik als kind en jongen opgroeide.