terug  begin  verderprepost

Bij Vader en Moeder thuis

In het laatste jaar van de vorige eeuw werd ik geboren in een eenvoudig gereformeerd gezin. Vader had een meubelzaak in de Haverstraat in Utrecht, die de Oude Gracht met de Springweg verbindt op de hoogte van het Militair Hospitaal. De Haverstraat was de enige straat tussen veel stegen. Zij was een emeritussteeg. In vroeger jaren heette zij de Gortsteeg. In Utrecht sprak men over goud uit de Gortsteeg, wanneer iemand boven zijn stand leefde. De koperslagers woonden in de Gortsteeg. Voor mijn geboorte werden wij van steeg tot straat en van gort tot haver gepromoveerd.

Op de Springweg stond de synagoge. Er woonden in onze buurt veel joden. Van anti-semitisme heb ik nooit een spoor ontdekt. Wij speelden ongedwongen met de joodse jongens en meisjes uit de buurt. Vader had een zekere voorkeur voor de joden vanwege de bijbel. In onze straat woonde de joodse bakker Hes, een orthodoxe jood. Tegen Pasen leverde hij duizenden matzes. Ruimte had hij er niet voor in zijn klein bakkerijtje. Grote ronde dozen vol matzes stonden tegen Pasen in het pakhuis van vader. Om zijn dank voor deze welwillendheid te betonen, stuurde bakker Hes ons een hele stapel matzes ten geschenke, die zich, dik besmeerd met boter en suiker, heerlijk lieten smaken.

Grootvader handelde in oude meubels. Vader ook. Maar in de loop der jaren kwamen de nieuwe meubels er bij. Vader was een goed vakman. Toen de zaak allang aan de kant was, maakte hij met blijdschap voor elk van zijn kleinkinderen een boekenrek. Hij wist nog wat het ambacht betekende en kon het slecht hebben, dat de mensen goedkoop fabriekswerk prefereerden boven duurder handwerk. Hij is tot het einde van zijn leven kasten blijven maken. Met zo'n toewijding, dat ik eens tegen hem zei:

[p. 6]

‘U denkt vast, dat U in het Nieuw Jeruzalem nog een werkplaats zult hebben, om kasten te timmeren’. Zijn antwoord was: ‘Zeg jij maar eens, dat dit niet het geval zal zijn’.

Veel knechts heeft Vader nooit gehad. Het maximum zal wel tien zijn geweest. In mijn kinderjaren begon Vader de dag samen met de knechts. Op de werkplaats werd een stuk uit de bijbel gelezen en gebeden. Dat heeft Vader jaren vol gehouden, totdat er een paar kwamen, die er niets voor voelden. Vader van zijn kant voelde er niets voor, hen geestelijk te dwingen. Zo'n patriarchale verhouding was er aan het begin van deze eeuw nog in een klein Utrechts middenstandsbedrijfje.

Vader hield van zijn knechts en zijn knechts hielden van hem. Aan het begin van 1958 kreeg ik een brief van een mij onbekende dame uit Utrecht. Ze had in de een of andere zaak gordijnen gekocht en die waren verkeerd opgehangen. Er kwam een knecht van de zaak en met die raakte ze aan de praat. Hij vertelde, dat hij al twintig jaar in die zaak werkte. Daarvoor had hij dertig jaar bij een andere baas gewerkt, vanaf zijn dertiende jaar. Die andere baas was mijn Vader. Hij zei tegen die mevrouw: ‘Dat was een mens, zo is er maar één op de duizend. Tegenwoordig ben ik maar een nummer, nummer vier ben ik en niets meer dan een nummer. Die baas leefde met ons mee. Bij ziekte, hij was er. Zat je in moeilijkheden, hij wist het. Bij feestdagen of andere gelegenheden dacht hij aan je. Je hoorde er bij. Da's fijn werken, mevrouw. Hij had belangstelling voor je. Eén van mijn collega's is op het ogenblik ziek, al tien weken, maar niemand laat zich zien. Je werkt en daarmee afgelopen’.

Deze mevrouw schreef mij dit, omdat ze meende, dat ik dat wel prettig zou vinden. Ik vond het bijzonder prettig en haar brief bewaar ik zuinig. Zo was Vader! Hij was gereformeerd.

Het gereformeerde leven is, wanneer het gaaf is, sterk, voornaan en aristocratisch in nobele stijl. Prof. W.J. Aalders, van wie deze karakterisering afkomstig is, voegde er aan toe: ‘maar als het niet gaaf is, is het jammerlijk zwak, vulgair, plat en uiterst gevaarlijk’.

In het gereformeerde milieu, waarin ik opgroeide, hebben vele gereformeerden aan mijn jonge leven leiding gegeven. Tot hen behoorde in de allereerste plaats mijn Vader, een edel vertegenwoordiger van het eerste

[p. 7]

door Prof. Aalders genoemde type van gereformeerd leven en gereformeerde vroomheid.

Mijn Vader was inderdaad vroom en zijn vroomheid droeg de gereformeerde signatuur. Zijn leven was ook stijlvol. Het werd geheel bepaald door de wekelijkse kerkgang, de dagelijkse bijbellezing - drie maal per dag - en het dagelijks gebed. Heel zijn leven was dienst van God en deze dienst was de zin en het doel van zijn leven, nooit een last, maar altijd een vreugde. Verder dan de lagere school heeft hij het niet gebracht. Romans heeft hij nooit gelezen. In de bioscoop of de schouwburg heeft hij nooit een stap gezet, niet om dat dit niet mocht, maar omdat het in zijn leven niet paste en het buiten zijn gezichtskring viel. Dit betekende intussen volstrekt niet, dat hij zonder cultuur was. Het tegendeel was het geval, maar zijn cultuur was er één van een geheel eigen karakter. Hij leefde in de wereld van de bijbel - hij kon 's avonds laat, na een dag hard werken, heel rustig enkele uren in de bijbel zitten lezen - en Calvijns Institutie, die hij zeker vijf keer gelezen en in zich opgenomen had. Zijn bijbelkennis was fenomenaal. Kuyper, Abraham de Geweldige, vormde hem iedere dag door De Standaard en iedere Zondag door De Heraut. Kuyper gaf zijn kleine luiden iedere week college. Zijn veeldelige werken Pro Rege, De Gemeene Gratie, E Voto Dordraceno (een commentaar op de Heidelberger Catechismus), Het werk van de Heilige Geest, De engelen Gods, Uit het Woord, Onze eredienst en vele bundels schriftoverdenkingen met zeer karakteristieke titels (Honing uit de rotssteen, Gomer voor de Sabbath, Voor een distel een mirt) zijn zonder uitzondering verzamelingen Heraut-artikelen. Vader heeft ze alle gelezen. Als jongen van achttien jaar was hij Kuyper in zijn Doleantie gevolgd (1886), al kostte het hem veel om met Ds Felix, bij wien hij op catechisatie was, te breken. Zijn leven werd gedragen door een diepe eerbied voor het Woord Gods en een sterk besef van het recht Gods. In zijn gebed aan tafel sprak hij God aan als Heere onze God en slechts zelden als Vader, niet omdat hij niet van Gods Vaderliefde wist, maar omdat hij vreesde, dat deze Vaderliefde voor hem en ons te vanzelfsprekend zou worden en wij met God te vlot en te gemakkelijk zouden omgaan. De verborgen omgang met God was echter in zijn leven de dragende en stuwende kracht. Het recht Gods en de heiligheid des Heeren bepaalde zijn gedachten over het kerkelijk leven

[p. 8]

en het persoonlijk geloofsleven. Maar dwars daar doorheen was het de goedertierenheid des Heeren, waaruit hij leefde. Kort voor zijn heengaan zei hij mij, dat dit aan het eind zijn grote verdriet was, dat hij de goedertierenheid Gods niet genoeg geprezen en niet genoeg lief gehad had. Het was zijn sterk besef van het recht Gods, dat hem er toe drong zich aan te sluiten bij de Doleantie. Dit recht werd door de Hervormde Kerk als kerk niet erkend en dat was in zijn ogen een gruwel.

Wat heeft hij voor de Gereformeerde Kerken geofferd. In de tijd van de grootste financiële zorgen - dan moest er bij de familie geleend worden, om de knechts te kunnen betalen en dan was er voor het gezin vrijwel niets - kregen wij als kinderen toch nooit minder dan stuivers en dubbeltjes mee voor de kerkcollecten en er waren er elke zondag twee maal drie. Dwang die kerkgang? Vanaf mijn zesde jaar ging ik elke zondag mee naar de kerk en van af mijn tiende twee maal per zondag. Maar de zondag was bij ons thuis een feest. We moesten niet naar de kerk, we gingen naar de kerk. Dat behoorde tot ons gezinsleven. En Vader, die door de week hard moest werken voor zijn gezin, had op zondag de tijd voor ons. We gingen wandelen langs de Kromme Rijn met de kippebruggetjes of we speelden in de winkel met de voetkussens Alkmaarder Kaasmarkt. Geen kind uit ons gezin - we waren met z'n zessen - of het heeft de mooiste herinneringen aan de zondagen thuis.

Fel en scherp kon Vader zijn - hij was van nature driftig - wanneer er onrecht geschiedde, vooral wanneer dit geschiedde in de kerk, die immers de kerk des Heeren was. Nooit vergeet ik, hoe diep verontwaardigd Vader was en hoezeer hij er onder leed, toen de kerkeraad - Vader was ouderling - een arme sloeber wegens dronkenschap onder censuur zette en tegelijkertijd een vooraanstaande politieke figuur, die bij zijn kinderjuffrouw een kind moest krijgen, sauveerde. De bevoorrechting van de rijken in de kerk heeft hij zijn leven lang bestreden. Dat was niet de uiting van klassebewustzijn, maar een vrucht van zijn sterk besef van het recht Gods, dat in de allereerste plaats het recht der armen is. Zo fel Vader kon zijn voor de geestelijke knoeiers in de kerk, zo mild was hij voor de geestelijke zwervers en degenen, die struikelden of vielen. Een mildheid, die haar oorsprong niet vond in een geringschatting van de zonde, maar in een blijvende verwondering over Gods genade in eigen

[p. t.o. 8]



illustratie
Bart de Ligt

[p. t.o. 9]



illustratie
De voorpagina van Opwaarts, dat mij in 1914 wakker schudde

[p. 9]

leven en de wetenschap, dat er genade nodig is, om genade aan te nemen. Vaders sterk en warm geloofsleven en zijn hartelijke bereidheid tot de dienst des Heeren hebben mij in mijn jonge jaren en misschien nog meer in later jaren gehoed en gezegend.

Moeder was veel drukker, bewegelijker en spraakzamer dan Vader, ook minder puriteins. Men heeft mij verteld, dat de meesten er verbaasd over waren, dat deze twee samen trouwden. Het was een goed en gelukkig huwelijk.

Wanneer ik aan Vader en Moeder denk, verwondert het mij in het geheel niet, dat het manifest van De Ligt in 1914 bij mij insloeg. In dat manifest ging het immers om de gerechtigheid Gods in het nationale en internationale leven. Het heeft Vader blijkbaar ook niet verwondered en hij liet mij begaan. Hij liet mij zoeken en dwalen, wetend, dat hij achter mijn leven en God achter zijn leven stond.

prepostterug  begin  verder