Pos was een leerling van de V.U. Toen ik aankwam was hij derdejaars. Hij was stellig de meest begaafde student van mijn generatie. Hoe vaak zaten wij in de trieste collegezaal op de Keizersgracht tussen de colleges door naar Henk Pos te luisteren. Toen reeds doceerde hij philosophie, gelijk hij het later als hoogleraar zovele jaren op briljante wijze gedaan heeft, omdat hij niet alleen zijn onderwerp volledig beheerste, maar ook in de vormgeving van zijn uiteenzettingen een meester was. Toen hij rector van het studentencorps was, hebben wij hem ongeëvenaarde redevoeringen horen afsteken. In de discussie was hij meester op alle wapens. Ook Pos' hoogleraarschap aan de V.U. was een vergissing. Geloof en wetenschap lagen bij hem vanaf het begin onverzoend naast elkaar. De spanning werd op den duur hoogspanning met als resultaat, dat hij tenslotte het geloof ter wille van de wetenschap prijs gaf. Pos' eerlijkheid sloot in, dat hij ook als hoogleraar aan de V.U. aan zijn geloof zelden of nooit publiekelijk uiting gaf. Aan de V.U. is het de gewoonte, dat nieuwe professoren aan het slot van hun inaugurele oratie enkele woorden van dank aan God spreken. Pos deed dat niet. In de varia van de studentenalmanak stond dan ook: ‘De inaugureele van Pos: het boek Esther’. Esther is het enige boek in de bijbel, waarin het woord God niet voorkomt.
Toen de spanning ondragelijk werd, ging Pos heen. Het was niet enkel een breuk met de V.U., het was ook een breuk met de christelijke kerk en het christelijk geloof. Pos werd humanist en dat was hij dan ook voluit. Na zijn dood heb ik in de studentenalmanak van de V.U. een ‘In memoriam’ geschreven, waarin ik o.a. zei: ‘Pos' afwijzing van het christelijk geloof heeft mij door de jaren heen veel pijn gedaan. Om hem zelf en om de schuld van de kerk, die zeker niet de oorzaak van deze afwijzing genoemd mag worden, maar die wel tot deze afwijzing aanleiding gaf en Pos motieven tot rechtvaardiging van zijn afwijzing aan de hand deed. Men kan niet zeggen, dat Pos niet wist wat hij deed, toen hij kerk en geloof prijs gaf. En toch... toch kom ik er niet onder uit, dat het een zeer concrete schuld van ons is, dat deze man van ons heenging. Durft
iemand zeggen: hij ging van ons heen, omdat hij van ons niet was? Ik durf dat niet. Over de diepste en laatste motieven van zijn afwijzing kan en wil ik niet oordeelen, mag ik ook niet oordeelen. Ik heb altijd van Pos gehouden en naarmate ik zijn afwijzing moeilijker verdragen kon, hield ik meer van hem. Hij was een goed en hartelijk mensch’.
Met een mengeling van grote dankbaarheid en veel pijn gedenk ik hem.
Naast de theologische vragen hielden de politieke en sociale vragen mij bezig. Op Forum, mijn studentendispuut, hield ik een lezing over de Bond van Christen Socialisten en leverde ik kritiek op de lezing van de tegenwoordige Mr. A. Schenkeveld over Talma, terwijl mijn lezing bekritiseerd werd door de tegenwoordige Prof. D. Nauta. In de studentenalmanak schreef ik over Talma en het vraagstuk van het gezag in de verhouding van werkgevers en werknemers. Met de latere Mr. P.G. Knibbe discussieerde ik op een politiek dispuut, dat wij in overleg met minister Idenburg hadden opgericht, over het gezag in het politieke leven. Ik werd hoofdredacteur van het studentenblad Fraternitas en ook daarin schreef ik artikelen over sociale vraagstukken. Ik was zeker nog geen socialist, maar als ik nu, na jaren, nog eens overlees wat ik in de jaren 1917-1924 geschreven heb, is het mij duidelijk, dat de aanknopingspunten voor mijn latere ontwikkeling toen al aanwezig waren. En dat geldt waarlijk niet alleen van mij. Ik was één van meerderen en alleen vanwege dat ‘één van meerderen’ is het van belang deze op zichzelf onbelangrijke dingen op te halen.
Ik las los en vast, van links buiten tot rechts buiten, en ging luisteren naar alle politieke en sociale kopstukken van die tijd: Kuyper, De Savornin Lohman, Idenburg, Heemskerk, Troelstra, Vliegen, Schaper, Wijnkoop, Van der Goes, Henriëtte Roland Holst, Domela Nieuwenhuis...