terug  begin  verderprepost

Henriëtte Roland Holst

Naast Domela en Troelstra noem ik in het bijzonder Henriëtte Roland Holst.

Al vroeg leerde ik haar gedichten kennen. Het liefst is mij gebleven De Nieuwe Geboort, sinds ik als gymnasiast Carry van Bruggen het fragment Gebroken kleuren hoorde voorlezen, met dat aandoenlijke begin:

 
Zijt ge daar eindelijk dokter?
 
ik heb vandaag zoo verlangd
 
naar uw grijze vriendlijlke oogen,
 
en de klank van uw stem, die nog hangt
[p. 46]
 
door de zaal als een heldere warmte
 
wanneer ge er niet meer zijt...

en met dat aangrijpende slot:

 
Niets volbracht voor mijzelven
 
en niets voor die andren vermocht;
 
wat doen zulken als ik was op aarde?
 
Ik heb lang een antwoord gezocht
 
en dit is wat ik heb gevonden:
 
ik weet nu dat zij bestaan
 
om de kloof te helpen dempen
 
waardoor het volk moet gaan.
 
............
 
Ja hiertoe diende mijn leven
 
en dit is de troost die ik won,
 
maar keer mij nu af van het venster, dokter,
 
en doe dicht dat gordijn voor de zon...

Ik heb de indruk, dat de gedichten van Henriëtte Roland Holst door de tegenwoordige generatie niet meer gelezen en, voorzover zij gelezen worden, niet meer gewaardeerd worden. Ik kan dat begrijpen wat betreft de gedichten van de latere jaren, die juist in christelijke kring nog al veel waardering vonden. Ik kan het niet begrijpen, als ik denk aan de gedichten uit de vroegere jaren: Sonnetten en Verzen, Het feest der gedachtenis, De Nieuwe Geboort, De vrouw in het woud. Juist deze gedichten van Henriëtte Roland Holst uit wat men haar marxistische periode noemt zijn vol van het Messiaans geheim. En ik ben Prof. K.H. Miskotte nog altijd dankbaar, dat hij zijn bijdrage in het vierde deel van de Christelijk Literaire Studiën van 1927 omwerkte tot zijn instructieve maar helaas vergeten inleiding tot het lyrisch werk van Henriëtte Roland Holst: Messiaans verlangen. De kunst van Henriëtte Roland Holst heeft ons in onze tijd toegesproken, de levensnoodwendige praxis van het hart: het Rijk te verwachten, de geestelijke onvermijdelijkheid van een futuristische kunst, tot een getuigenis tegen de boze droom van het heidens noodlotsgeloof.

[p. 47]

Henriëtte Roland Holst heb ik vaak horen spreken. Voor het eerst in de bewogen dagen van 1918, toen dezelfde gereformeerde dominee, die Troelstra verdoemde, in haar een apocalyptische figuur uit de Openbaring van Johannes meende te herkennen en dan natuurlijk aan de verkeerde kant. Dr. Annie Romein hoorde haar voor het eerst in 1920. Haar indruk geeft precies weer, wat ik voelde. Het was er een van ontzag en medelijden dooreen tegenover deze verschijning, sober op het sjofele af, dit eigenlijk verweerd en vergeestelijkt gezicht. Een gebroken hese stem. Haar betoog helder en zakelijk, helemaal niet dierbaar, scherp en sarcastisch vaak, maar van een felle overtuiging en doelbewustheid die glansrijk over de gebrekkigheid van haar middelen, haar hoekige slordige verschijning, haar eigenlijk onbruikbare stem, die vaak oversloeg, triomfeerde.

Henriëtte Roland Holst is altijd een religieuze figuur geweest, ook in haar marxistische periode. Vandaar in haar leven de diepe gespletenheid, die de gespletenheid van haar wezen was, die van droom en daad. Nochthans onveranderlijk in haar veranderlijkheid. In de politieke strijd met zijn vele compromissen haakte zij naar volstrektheid.

Wat heb ik veel geleerd van haar Kapitaal en Arbeid, haar Revolutionaire massa-actie en vooral van haar biographieën over Rousseau, Garibaldi, Rosa Luxemburg, Gustav Landauer, Herman Gorter, Guido Gezelle, Romain Roland. De beste biographie van haar vind ik nog altijd haar boek over Tolstoi.

Slechts weinigen van nu zullen de onvoorwaardelijke eerbied, die wij voor Henriette Roland Holst koesterden, kunnen verstaan. Ze zullen overdreven vinden, wat Marsman in 1927 schreef en voor ons waarheid was, dat zonder haar het leven in die jaren en in dit land volkomen ondragelijk zou zijn geweest.

In de dertiger jaren heb ik Henriëtte Roland Holst persoonlijk leren kennen. Zij was toen sterk onder de indruk van de persoon en het werk van Leonhard Ragaz, de Zwitserse religieus socialist, wiens maandblad Neue Wege trouw door mij gelezen werd. Dat eerste contact was op een conferentie in Bentveld. Sindsdien heb ik het voorrecht gehad, haar telkens te ontmoeten. De eerste brieven, die ik van haar ontving, begonnen met de woorden: ‘waarde medestrijder’. Later werd het ‘beste

[p. 48]

kameraad’. Aan het einde van haar leven, toen zij op een kamer in Bentveld zat - Mej. Knappert op een kamer boven haar, twee verschillende werelden - en nog later in het rusthuis in de van Eeghenstraat in Amsterdam, heb ik haar meerdere malen opgezocht. Zij was op haar best, als zij vertellen ging uit het verleden, over haar contact met de grote mannen uit de socialistische en communistische beweging: Troelstra, Van der Goes, Gorter, Jaurès, Lenin, Trotzky, Radek, Landauer, Clara Zetkin en Rosa Luxemburg.

Ik moest dan eerst thee zetten. Mevrouw Roland Holst gaf je eenvoudig de opdracht. En als ik dan de theepot uit de kast had gehaald, bleek het de verkeerde te zijn en zei ze vrij scherp: ‘die is het niet, die andere, je weet wel’. Ik wist het helemaal niet. Het sprak van zelf, dat je haar bevelen - bevelen kon ze - zonder tegenspreken uitvoerde. Wat kon ze vertellen! Al vertellende veerde ze op en begonnen haar ogen te glanzen. Tussen de bedrijven door kon ze je enkele dingen zeggen, die voor heel je verdere leven van betekenis waren. Zo heeft ze mij geleerd mij zelf te zijn. Zeker vijf keer heeft ze tegen mij gezegd - ze begreep, dat het nodig was -: ‘Buskes, je moet je zelf nooit overschatten, maar je moet je zelf nog veel minder onderschatten, je mag weten, wat je waard bent’. Mij blijft vooral bij een wandeling, die Aart van Dobbenburgh en ik samen met haar door het Vondelpark maakten. Ze liep toen al heel moeilijk, maar ze wilde met alle geweld wandelen. Telkens stonden we een hele tijd stil. En zij vertelde maar. Vanaf haar sterfbed liet ze mij nog hartelijk groeten. Dat was mij veel waard. Nooit heb ik haar, zoals vrijwel iedereen deed, tante Jet genoemd. Ik vond dat ongepast en soms zelfs onhebbelijk. Zij bleef voor mij mevrouw Roland Holst. Nog altijd zit het mij dwars, dat ik een uitnodiging van haar, om een week bij haar in haar zomerhuisje op de Buyssche hei door te brengen, niet heb aangenomen. Ik durfde het niet. Henriëtte Roland Holst was een grote vrouw.

 

Het werd mij steeds duidelijker, dat zowel de vraag naar het socialisme als de vraag naar de menselijkheid en de gerechtigheid in het volksleven en het leven der volken door mij beantwoord zou moeten worden. In mijn hart was ik al socialist, maar er waren nog vele weerstanden, die

[p. 49]

overwonnen, en vele misverstanden, die opgeruimd moesten worden, zou het tot een besliste keuze voor het socialisme komen. In mijn jonge jaren was de socialistische beweging en ook de socialistische pers - ik had mij op Het Volk geabonneerd - anti-kerkelijk, anti-nationaal, antimonarchaal. Historisch volstrekt verklaarbaar, maar voor een jongen van zeg achttien, negentien jaar, opgegroeid in een kerkelijk milieu, waar men leefde bij het ‘God, Nederland en Oranje’, weerstanden, die niet zo gemakkelijk overwonnen werden. En het grote misverstand was, dat het socialisme een levens- en wereldbeschouwing was, hetzij een idealistisch-humanistische, hetzij een marxistische, een misverstand, dat zowel van socialistische als van anti-socialistische kant gevoed werd.

prepostterug  begin  verder