Enka, Mej. Anke van der Vlies, onderwijzeres aan een christelijke school, met wie ik in 1928 persoonlijk contact kreeg en tot 1939, toen zij stierf, bevriend bleef, heeft dezelfde moeilijkheden gehad. In 1907 schreef zij haar brochure Kan een rechtzinnig christen socialist zijn? Dat geschrift heeft in kerkelijk Nederland heel wat opschudding gebracht. Enka beantwoordde de door haar gestelde vraag bevestigend. Zij vertelde mij, hoe de grote Kuyper haar uitnodigde, bij hem te komen. Hij wilde met haar over die brochure spreken. Enka nam de uitnodiging aan. De laatste woorden van Kuyper waren: ‘Kind, je hebt je Heiland verloochend’. Enka werd lid van de Bond van Christen-Socialisten. Vaak heb ik haar op de zondagavonden in de Doopsgezinde kerk in Utrecht horen preken. Ze had een wat hoge en schelle stem. Maar ze kon geweldig preken. Een bundel van haar lekenpreken werd uitgegeven. Later werd zij lid van de S.D.A.P. Daar hield ze het echter niet uit. Hoe vaak zei en schreef ze mij: ‘dat is een wereld, waarin een christen niet aarden kan’. Enka gebruikte, om haar positie te karakteriseren een aardig beeld. Ze vergeleek zichzelf met het Amsterdamse weesmeisje van vroeger jaren. Dat liep in een pakje met de kleuren van het Amsterdamse wapen: rood en
zwart. De weesmeisjes waren een bezienswaardigheid. Zo was ook de positie van Enka: bij de rooien werd zij niet vertrouwd van wege haar zwart, bij de zwarten werd zij verdacht vanwege haar rood. Eenzaam ging zij haar weg, voor zichzelf zeker, dat rood en zwart, socialisme en christendom, elkaar niet uitsluiten of weerspreken. Mij verging het niet anders. Geestelijk voelde ik mij thuis in het eigen milieu en vreemd in de wereld van de socialistische beweging. Wat mijn sociale overtuigingen betreft was het omgekeerde het geval. Op 1 mei keek ik met heimwee naar de rooie vlaggen van de 1 mei optocht, aan welke ik niet deelnam. In eigen kring sprak men, als men het over Troelstra en de S.D.A.P. had, over ongeloof en revolutie, en, voor zover men de christelijke vakbeweging waardeerde, deed men dat omdat men haar als een bolwerk tegen het socialisme beschouwde. Uit de lectuur van Het Volk kon men anderzijds slechts de conclusie trekken, dat de kerk een bolwerk van het kapitalisme en het christelijk geloof een atavisme was. Over het grote werk, dat de kerk deed, las men zelden of nooit, terwijl het een of andere schandaaltje van een dominee breed werd uitgemeten. De dominee van Albert Hahn in De Notenkraker, met zijn hoge hoed, witte das en uitgestreken gezicht, was in socialistische kring wel zo ongeveer normatief.