terug  begin  verderprepost

Dominee op Texel

In 1924 werd ik bevestigd in het ambt. In de Gereformeerde Kerk van Oosterend op Texel. Toen nog een uithoek van Nederland. Geen waterleiding, maar een pomp, geen gas, maar olielampen, geen w.c., maar een emmer, die om de drie dagen geleegd moest worden. De gemeente was typisch Noord-Hollands. Op de Texelsche krant stonden in de kop de woorden ‘Wij huldigen het goede!’ Dat deden op Texel de vrijzinnigen op vrijzinnige en de orthodoxen op orthodoxe wijze. Oosterend, waar de meeste orthodoxen woonden, noemden ze op Texel: Jeruzalem. Van 1924 tot 1926 heb ik geprobeerd op Texel het evangelie van Jezus Christus en het komende Koninkrijk te prediken, gedachtig aan wat in Harten van goud van Ian Maclaren een moeder op haar sterfbed zegt tot haar zoon, die dominee wil worden: ‘Als God je roept tot de bediening van het Woord, dan moet je niet weigeren en de eerste dag, dat je zult preken in je eigen kerk, spreek dan een goed woord van Jezus Christus’. Mijn Vader en Moeder hadden mij niet anders geleerd. Bavinck en Barth hadden er een nieuwe glans aan gegeven. De Blumhardts hadden het geloof in Jezus Christus en dat in het komende Koninkrijk voor goed in mijn bewustzijn aan elkaar verbonden. Barend Schuurman en Kraemer hadden mij ervan overtuigd, dat prediking van het evangelie zendingsprediking heeft te zijn. Zo zocht ik al predikende mijn weg tussen enerzijds een ziekelijk piëtisme en ongezond kerkisme en anderzijds een veridealisering, vermoralisering en verhumanisering van het evangelie met als laatste consequentie het inzicht van de philosoof Heymans, dat het

[p. t.o. 104]



illustratie
Het graf van Vader Blumhardt in Bad Boll. Op het kruis staan de woorden: Siehe, Er kommt!



illustratie
Mijn vader



illustratie
Zulke epistels ontvingen wij in de kerkstrijd van 1926

[p. t.o. 105]



illustratie
Propagandabiljet voor het debat met Beuzemaker, de voorzitter van de CPN (1934)

[p. 105]

Koninkrijk Gods, als het op aarde komt, geheel en al het werk van mensen zal zijn.

Ik behoor niet tot de verbi divini ministri, die bij hun vijf en twintigjarig ambtsjubileum zeggen, dat zij zich schamen voor hun preken van de eerste jaren, hetgeen in feite betekent, dat zij zich niet schamen voor hun preken van later tijd. Voor god zal ons preekwerk wel van het begin tot het einde een povere geschiedenis zijn, al geloof ik, dat Hij, ook wat onze preken betreft, milder in zijn oordeel is dan de gemeente in het hare. Tegenover de mensen weiger ik mij voor mijn preken te schamen. Ik heb er vooral de eerste jaren op gezwoegd en gezweet, al maakte ik mijn preken niet alleen met vrezen en beven, maar ook met vreugde en dankbaarheid. Het is echter wat om, als je nog maar vier en twintig bent, twee maal per zondag te moeten preken. Nog een jaar te voren bad een ouderling, die mij in de kerkeraadskamer van Benschop voor de dienst vrij sceptisch had opgenomen: ‘Here, Gij hebt ons van morgen een jongske gestuurd!’ 't Jongske heeft het gewaagd omdat God het met het jongske waagde.

Heel vaak las ik die eerste jaren in Gösta Berling van Selma Lagerlöf. Gösta Berling de dronken dominee, die afgezet wordt en voor het laatst op de preekstoel staat. De bisschop zit in de kerk. Toen kwam de gedachte bij hem op, dat het voor het laatst was, dat het hem vergund zou zijn, op de preekstoel te staan en Gods eer te verkondigen. Gösta Berling vergat de brandewijn en de Bisschop. Het kwam hem voor, dat de kerk met alle kerkgangers diep wegzonk en dat het dak van de kerk genomen werd en hij in de hemel kon zien. Hij stond alleen op de preekstoel. Zijn ziel kreeg vleugels. Zijn stem werd sterk en geweldig en hij verkondigde Gods eer. Het werd hem duidelijk, dat dit het hoogste op aarde is en dat niemand in glans en heerlijkheid hem nabij kwam, die daar stond en Gods eer verkondigde. Toen het dak weer op de kerk zat en de toehoorders weer waren opgekomen uit de diepte, boog Gösta Berling zich neer en schreide, want hij dacht, dat het leven hem zijn beste ogenblikken had geschonken en dat die nu voorbij waren.

Preken is Gods eer verkondigen, niet het minst door Gods grondeloze liefde te verkondigen, want wij prediken een God, die niet ander de mensen God wil zijn, de God van Abraham, Isaac en Jacob, de God van

[p. 106]

Jan en alleman. Gij mensen, gij behoort God toe! Tegelijkertijd is de preekstoel de meest gevaarlijke plaats ter wereld. Wie zal een mens, staande op de preekstoel om Gods eer te verkondigen, ervoor bewaren, met de bijbel te knoeien en zijn eigen eer te zoeken? Dr. H.J. Gerretsen zei eens: ‘De preekstoel verderft ons, ik moet mij zelf vergeten hier op deze plaats, waar alles dringt mijzelf te zoeken en aan mij zelf te denken!’

Behalve dat begin van Gösta Berling las ik die eerste jaren op Texel vaak Het Gebed van de Harpspeler van A. Roland Holst:

 
Ik vraag geen oogst; ik heb geen schuren,
 
ik sta in uwen dienst zonder bezit.
 
Maar ik ben rijk in dit:
 
dat ik de ploeg van uw woord mag besturen,
 
en dat gij mij hebt toegewezen
 
dit afgelegen land en deze
 
hooge landauwen, waar - als in het uur
 
der schafte bij de paarden van mijn wil
 
ik leun vermoeid en stil -
 
de zee mij zichtbaar is zoover ik tuur...
 
Ik zal de halmen niet meer zien
 
noch binden ooit de volle schoven,
 
maar doe mij in de oogst gelooven
 
waarvoor ik dien...
 
Geen aanhang, want dan kan ik u niet hooren.
 
Maar geef - o, gij, die altijd weer mij vindt,
 
en tot mij spreekt van achter licht en wind -
 
dat ik mijzelf alleen van u mag weten,
 
en doe mij nimmermeer vergeten
 
dat ik op deze harp, die is uw leen,
 
geen liefde spelen mag, dan die in u verdween,
 
en dat ik luisteren moet opdat ik spele...

Met heimwee denk ik terug aan die eerste jaren op Texel.

prepostterug  begin  verder