terug  begin  verderprepost
[p. 158]

Prof. G.J. Heering

Op het lustrum van de V.C.S.B. in 1935 werd de vraag gesteld, of rechtzinnigen en vrijzinnigen kunnen samenwerken. Dr. F. Boerwinkel, de tegenwoordige directeur van Kerk en Wereld in Driebergen, die als afgevaardigde van de N.C.S.V. het lustrum meemaakte, stond op en zei: ‘Dat behoeft niet meer bewezen te worden, dat hebben Buskes en Heering reeds gedaan’. Toen ik vijf en twintig jaar predikant was, heeft Prof. Heering dit verteld en hij voegde er aan toe: ‘We wisten, waarin we verschilden, maar wij wisten ook, dat wij één waren in Jezus Christus, één in de verwachting van Gods Koninkrijk. Dat is het wat ons bijeenhoudt: niet disputeeren over ons geloof, maar handelen en getuigen vanuit ons geloof’.

Prof. Heering wist heel goed, wat hij aan mij had: ‘Een gereformeerde man, die, ondanks zijn uittreden uit de Gereformeerde Kerken in 1926, een gereformeerd man bleef en is gebleven tot op den huidigen dag’. En ik wist heel goed, dat Prof. Heering vrijzinnig was. Maar: ‘We begrepen elkaar volkomen en vulden elkaar aan en onze samenwerking was steeds direct en vanzelfsprekend’. Samen wisten we: ‘welke blijvende banden ons bonden’.

Mijn eerste persoonlijke kennismaking met Prof. Heering moet einde 1929 zijn geweest. De eerste brief, die ik van hem ontving, is gedateerd 10 maart 1929. Merkwaardig zijn deze woorden uit deze eerste brief: ‘Ik heb in mijn jeugd veel aan orthodoxe menschen te danken gehad, maar na de oorlog, toen ik mij meer sociaal en politiek ben gaan ontwikkelen, ben ik soms gaan wanhopen aan de toekomst der orthodoxie (niet, dat 't bij ons zoo prachtig staat). Daardoor kreeg ik ook meer oog voor haar ontoegankelijkheid voor waarheid op ander gebied. Gij en anderen hebt mij in staat gesteld, mijn vertrouwen in deze richting vast te houden. Zeker, wij denken niet gelijk, gij en ik, maar evenals gij ben ik dankbaar voor elk punt, waarin wij samen Christus kunnen belijden’. Spoedig werden wij vrienden en wij zijn dat gebleven tot 1955, het jaar, waarin Prof. Heering van ons heenging. Het was een zeer wezenlijke en innige vriendschap. Mijn persoonlijke verbondenheid met Prof.

[p. 159]

Heering lag diep. Mijnerzijds zat er in die vriendschap - en dat waarlijk niet alleen vanwege het feit, dat Prof. Heering twintig jaar ouder was dan ik - altijd iets van ontzag en eerbied. Tot het einde ben ik tot Prof. Heering U blijven zeggen. Hij heeft mij nooit als zijn mindere, ik heb hem altijd als mijn meerdere beschouwd. Er zat in de vriendschap van Heering iets eleverends.

Hoevele malen zijn we er samen voor Kerk en Vrede op uitgetrokken. Waar zijn we al niet samen heen getogen. Ik denk in het bijzonder aan een reis van ons beiden na de oorlog naar Stockholm en Upsala.

Bijleveld in Utrecht heeft twee maal een paar toespraken van ons over het evangelie in oorlogstijd uitgegeven, in 1939: Gij zult niet doodslaan, en in 1940: De roepstem van Christus en het antwoord der Kerk. Nu ik deze toespraken nog eens nalees, kom ik tot de ontdekking, dat de toespraken van Heering van mij en die van mij van Heering hadden kunnen zijn. Er was een verwantschap zowel in het verstaan van de roepstem van Christus als in het vertolken van het antwoord der kerk.

Heering zei eens: ‘Belangrijker dan de taak, om de eeuwige waarheid te zien in het licht van den tijd, is het gebod, om de tijd te zien in het licht van de eeuwige waarheid. Het eerste moge noodig zijn in tijden van verstarring, het laatste is noodig in tijden van verwarring’. En Heering wist, dat de tijd, waarin hij leefde, een tijd van verwarring was. Daarom was Heering, uit volle overtuiging remonstrant, in de eerste plaats christen. De betekenis van Heering lag voor mijn besef in het feit, dat de ethiek bij hem een onderdeel van de dogmatiek was, en dat hij een dogmatiek zonder ethiek een onmogelijkheid vond. Zijn Geloof en Openbaring en zijn De Zondeval van het Christendom horen bij elkaar. Zijn theologie was theocentrisch, christocentrisch en eschatologisch, terwijl zij van het begin tot het einde gedragen werd door het weten van zonde en genade. Maar elke dogmatische uitspraak werd door Heering op het leven betrokken. Zij heeft een ethische strekking. De belijdenis der kerk is leven en daad. Door zijn persoon en zijn werk heeft Heering dan ook oude tegenstellingen doorbroken en meegewerkt, ons te bewaren voor het altijd dreigende gevaar, dat wij ons in traditionele schema's vastleggen als een schip in een dichtgevroren haven. De geschriften van Heering lezende en bestuderende, hem horende getuigen en de vriendschap met hem be-

[p. 160]

oefenende, hoorde ik de winden Gods en wat kan men dan anders doen dan het zeil hijsen en zee kiezen. Gods stem is op de grote wateren! De gedachten van Gods reddende liefde en de komst van zijn rijk beheersten Heering's prediking, zoals ze het evangelie beheersen. De bijbelse verwachting van het Rijk legde steeds meer beslag op hem - een van zijn laatste boeken was De verwachting van het Koninkrijk Gods (1952) - als de kroonbelofte van het evangelie. Daarom liet hij ons in Kerk en Vrede zo menigmaal zingen:

 
Amen, Jezus Christus, amen,
 
ja, Gij zult in 't groot heelal
 
't rijk der duisternis beschamen,
 
tot het niet meer wezen zal.

‘Ons aardsche christendom’, zo zei hij, ‘heeft een reveil door de Heilige Geest noodig, dat ons zittende christendom doet opstaan en in beweging brengt naar Gods Koninkrijk, weg uit deze dreven des doods, weg uit het heidendom, dat de goden van het geweld vereert, zich voor hen buigt en hen dient. Wanneer Christus in Gods kracht ons uitleidt uit die harde slavernij, het beloofde land tegemoet, dan is het wonder gebeurd, waarop wij biddend wachten. Dan heeft het christendom de vrijheid herkregen van Hem, die sprak: Ik ben de opstanding en het leven. En dan zal het opgestane christendom met meer reden en vreugde het oecumenisch loflied mogen aanheffen: A toi la gloire, o Ressuscité!’ Achter al zijn arbeid in Kerk en Vrede zat als motor het verlangen, de kerk en het evangelie los te slaan van de oorlogsidee en de kerk, door haar de verwachting van het Godsrijk voor te houden, bewust te maken van haar profetische, priesterlijke en koninklijke roeping ten opzichte van volk en staat.

Heering's werk was zozeer verbonden met zijn persoon en in zijn persoon waren de mens en de christen zozeer één, dat ik eigenlijk niet in staat ben in woorden duidelijk te maken wat Heering voor mij en voor velen betekend heeft. Alleen reeds het feit, dat hij er was, heeft mij op bepaalde momenten onuitsprekelijk geholpen. Laat men intussen niet denken, dat Heering een gemakkelijk mens was. Dat was hij zeer bepaald niet. Hij was een aristocraat van de geest - men leze zijn fijne boekje

[p. 161]

over zijn vriend Prof. Huizinga - die een zekere afstand schiep. Wie die afstand op een al te vlotte wijze probeerde ongedaan te maken, was niet gelukkig. Hij kon vlijmscherp zijn en iemand ongenadig op zijn nummer zetten. Maar dan was dat ook nodig. Ik herinner mij discussies met Ds P. Eldering en Ds J. Wiersma, waarbij wij schrokken van de felheid waarmee Prof. Heering hen te woord stond en afstrafte.

Het aantrekkelijke in Heering was intussen, dat hij in al zijn werk voor Kerk en Vrede prediker van het evangelie bleef, Christusprediker. Ik denk aan zijn traditionele sluitingen van onze jaarlijkse Kerk en Vrede weekends. Dan was Kerk en Vrede voluit geloofsgemeenschap en door het woord van Heering, uitgesproken met warme en bewogen stem - er zaten soms tranen in die stem - waren we dicht bij elkaar en dicht bij Christus.

Heering heeft er ons voor bewaard om met Kerk en Vrede in de sectarische hoek vast te lopen. In een christen- en antimilitaristische beweging zitten heel wat sectariërs. Heering was dat zeer bepaald niet. De band met de kerk was voor hem ook in Kerk en Vrede van zeer wezenlijke betekenis. Hij liet ons echter altijd opnieuw zien hoe grote leugen het is dat de belijdenis van Jezus Christus leiden moet tot aanvaarding en sanctionnering van het bestaande. Een in politiek en sociaal opzicht radicaal christendom was in Heering's leven niet zozeer een bijbelse mogelijkheid als wel een bijbelse werkelijkheid.

De kring van hen, wie hij tot zegen is geweest, was dan ook een zeer wonderlijk gezelschap: geleerden en eenvoudigen, kerkelijken en buitenkerkelijken, vrijzinnigen en orthodoxen, remonstranten en gereformeerden. Heering mocht de bekende Leidse professoren Huizinga, Barge, Van der Hoeve en Meyers tot zijn trouwe vrienden rekenen, maar ik herinner mij, hoe een eenvoudige landarbeider op Texel avonden lang zijn De Zondeval van het Christendom zat te bestuderen en hoe in Amsterdam een groep communisten een hele winter hetzelfde deed. Zelf gaf ik nog al eens aan mijn catechisanten, wanneer zij belijdenis deden, Heering's Hoe ik tot mijn geloof kwam ten geschenke.

Wat leefde hij met ons mee. Zijn brieven en briefkaarten - ik heb er zeker enkele honderden - bewaar ik als een kostbare schat.

Wanneer ik Heering met één van zijn remonstrants voorgeslacht mag

[p. 162]

vergelijken, denk ik aan Rafaël Camphuyzen, die ik vereer en liefheb vanwege zijn trouw aan de waarheid en zijn bijbelse, welhaast ascetische verwachting van het Godsrijk. Zowel in Camphuyzen als in Heering heb ik de strenge en de tegelijkertijd zo milde levensstijl mogen ontdekken aan welke ik mij, althans in het verlangen ernaar, verwant voel: het beste van het calvinisme en het beste van het remonstrantisme, met uitsluiting van beider eenzijdigheid, tot een eenheid samengegroeid in een mensenleven.

Toen ik enkele jaren geleden ziek was en vreesde, dat het misging, heb ik tegen mijn vrouw gezegd, dat ik graag zou willen, dat Prof. Heering als de enige aan mijn graf een woord zou spreken. Een remonstrant en een vrijzinnige aan het graf van een gereformeerde en rechtzinnige. Er zat voor mijn besef niets geforceerds in. Onze verbondenheid in Christus was volledig. Gods wegen zijn wonderlijk.

Heering is 18 augustus 1955 gestorven en op 22 augustus 1955 hebben wij hem begraven bij het Groene Kerkje van Oegstgeest, nadat te voren in de Remonstrantse Kerk te Leiden een herdenkingsdienst was gehouden, waarin op Heering's verzoek Prof. Sirks, zijn opvolger, en ik spraken. Toen Prof. Huizinga begraven werd, bad een van zijn vrienden het Onze Vader, terwijl vanuit de verte het orgel van het Groene Kerkje bleef doorspelen. Heering vertelt dat in zijn boekje over Huizinga en zegt: ‘Gods orgel speelt altijd door, door alle jaren en eeuwen heen en altijd zijn er menschen, die stil en ontroerd luisteren’.

Eén van die mensen was Heering zelf.

prepostterug  begin  verder