terug  begin  verderprepost
[p. 204]

De bevrijding

En toen kwam op 5 mei 1945 de bevrijding.

In de Nieuwe Kerk kwamen de mensen van het verzet bijeen. De doden werden herdacht. De vrijheid werd gevierd. Er was een sterk verlangen naar een nieuw, misschien nog beter: een vernieuwd Nederland. De laatste zin van de toespraak, die ik in de Nieuwe Kerk hield, was: ‘Het Parool blijve: Trouw aan De Waarheid in Vrij Nederland’.

In de bezettingstijd hadden we onze droom gedroomd. We hoopten in die tijd, dat Gods orde in het bevrijde Nederland meer en wezenlijker aan de dag zou treden dan in ons dode en verzadigde verleden. Wij wilden onder geen voorwaarde de zaak van voor 10 mei 1940 op de oude voet voortzetten. We hadden hunkering naar een menselijker samenleving. We geloofden in een menselijke God, een God, die niet zonder ons mensen God wil zijn. In de strijd tegen het nationaalsocialisme hadden we geleerd, dat volk en staat een zaak van de mens zijn, maar ook, dat de zaak van de mens nooit met volk en staat vereenzelvigd mag worden. In de strijd tegen het nationaalsocialisme ging het niet allereerst om volk en staat, maar om de normen van en voor volk en staat, die voor gisteren, heden en morgen gelden. In ons was de erkenning gegroeid, dat het op de mens aankomt. Wij hadden de mens en het menselijke ontdekt. We wilden, om de woorden van A. Roland Holst te gebruiken, de droom weer verbinden met de straat, en dat niet langs een omweg maar regelrecht. We zochten de mens in ons zelf en rondom ons in de wereld.

Vaak heb ik in de oorlogsjaren gedacht aan wat men mij in de jaren voor de oorlog als verwijt voorhield: Je staat met Jezus op straat! Dat hebben we in de oorlogsjaren geleerd: met Jezus op straat staan!

De vrienden van Thurneysen hebben hem op zijn zeventigste verjaardag een boek aangeboden met als titel: Gottesdienst-Menschendienst. Daar was het ons om te doen, om God te dienen door de mens te dienen, om de mens te dienen door God te dienen. Jezus is de God-mens. We kunnen niet over de mensen spreken zonder over God te spreken. Evenmin kunnen we over God spreken zonder over de mensen te spreken. De een-

[p. 205]

heid van godsdienst en mensendienst is met het geloof in Jezus Christus gegeven.

Met Karl Barth hadden we eerst de goddelijkheid van God ontdekt. Later ontdekten we met hem de menselijkheid van God. De tweede ontdekking onderscheidde zich van de eerste. Ze betekende een wending in ons denken en handelen, een wending, niet een omkeer, want Gods menselijkheid leerden we kennen en erkennen door voluit zijn goddelijkheid te kennen en te erkennen. Door zijn menselijkheid te belijden loochenden we Gods goddelijkheid niet. Integendeel. We belijden Gods goddelijkheid eerst waarlijk, wanneer we zijn menselijkheid verkondigen. God blijft God, maar juist daarin, dat hij niet zonder de mensen God wil zijn.

Het werd ons onmogelijk te zeggen: God is alles en de mens is niets! In de openbaring van God gaat het immers om Gods samenzijn met de mensen. In het leven van Jezus Christus gaat het om de geschiedenis en de dialoog, waarin God en mensen samen zijn en elkaar vinden. In de persoon van Jezus Christus is zowel het recht van God tegenover de mens als het recht van de mens voor God gewaarborgd. God zegt ja tot de mens en neemt deel aan zijn leven. Hij staat borg voor de mens. Hij is God van Abraham, Isaäc en Jacob, de God van jan en alleman. Er wordt in het Nieuwe Testament gesproken over Jezus' mensenliefde. In ieder mens hebben we daarom een broeder van Jezus Christus en een kind van God te zien. Daarom hebben we in de strijd tegen het nationaalsocialisme de eer en de waarde van de mens verkondigd. We hebben nooit met God zonder meer en met de mens zonder meer te maken, maar altijd met God, die de mens, en met de mens, die God ontmoet, met de geschiedenis van God en mens. De mensenliefde van God is grenzenloos. Daarom was het verzet het schoonste, zoals Van Randwijk ergens zegt, waar het opkwam vanuit een diep menselijk geheim van niet anders kunnen, het verzet als houding, als de daad van een mens, die angstig, vertwijfeld en hulpeloos met zijn schamele kracht zijn schamele grootheid beleed.

Eén van de vijf, die in 1941 gefusilleerd werden, schreef in zijn laatste brief aan thuis: ‘Mijn konijnen zijn voor zus en ik vraag haar goed voor ze te zorgen’.

[p. 206]

Dat is niet veel. Misschien zeggen sommigen: dat is niks. Maar wat is de toekomst der mensheid waard, als de zorg voor de konijnen er niet meer in thuis hoort? God spaarde Ninevé van wege de kinderen en de schapen.

 
Eén vrouw, die haar kind verwacht
 
zonder het te verwenschen,
 
ontsteekt in de wereldnacht
 
het licht voor gelukkiger menschen.

Zo staat het in de bijbel. In Jesaja 7 noemt een jodinnetje, dat een kind krijgt in een beroerde tijd en ze wordt door iedereen beklaagd, dat kind: Immanuël, God-met-ons! Zo werden we humanisten vanwege Gods menselijkheid en we droomden onze droom rakelings langs Gods koninkrijk.

Onze dwaze droom.

Gerechtigheid verhoogt een volk!

prepostterug  begin  verder