Tijd en Taak, dat als voortzetting van De Blijde Wereld voor het eerst verscheen in 1932, onder redactie van Banning, werd in de bezettingstijd door de Nazi's verboden. Na de bevrijding verscheen het opnieuw. Banning meende, ruimer koers te moeten varen dan voor de oorlog, en vroeg mij, met hem de redactie te voeren. Later werd de redactie versterkt door Dr. J.G. Bomhoff en Ds L.H. Ruitenberg. In zijn artikel Een nieuw begin, waarmee het eerste nummer na de bevrijding inzette - het blad verscheen 29 september 1945, de P.v.d.A. was er toen nog niet - zei Banning, dat het nu ging om een groot en radicaal denken, een grote radicale politiek, een grote radicale inzet tot geestelijke vernieuwing. Het beklemde hem, net als de zeven Amsterdamse predikanten, dat men weer gezapig en gezellig begon met het opkalefateren van de verhoudingen van voor 1940. Tot het grote radicale denken behoorde volgens Banning twee dingen: een politiek, die durft in te grijpen in het arbeidsproces en over het gehele gebied het algemene welzijn laat voorgaan boven individuele posities en een nieuw zakelijke gehoorzaamheid aan de vlammende eisen van het evangelie.
Tijd en Taak van voor de oorlog was een ‘religieus socialistisch weekblad’. Tijd en Taak van na de oorlog noemde Banning een ‘onafhankelijk weekblad voor evangelie en socialisme’. Deze verandering hield verband met een verschuiving in het geestelijk leven, meer bewust naar het evangelie toe. Onafhankelijk wilde zeggen: noch aan enige kerk noch aan enige partij, maar alleen aan het evangelie gebonden. Mijn toetreding tot de redactie en die van enkele orthodoxen tot de kring van de vaste medewerkers had volgens Banning een principiële beteke-
nis: ‘Zij staat in nauw verband met het nieuwe leven in de Ned. Herv. Kerk, dat de oude scheidingen tusschen orthodox en vrijzinnig tracht te boven te komen door een nieuwe gehoorzaamheid aan de centrale prediking van het evangelie’.
Toen Banning in Tijd en Taak van 1 april 1950 meedeelde, waarom zijn naam uit de rij van redacteuren verhuisde naar die van de vaste medewerkers, noemde hij Bomhoff, Ruitenberg en mij ‘mijn drie vriendenstrijdmakkers’.
Vanaf mijn jonge jaren, toen hij zelfs van mijn bestaan niet afwist, tot op de dag van vandaag, waarop Banning mij tot zijn vrienden-strijdmakkers rekent, heb ik aan Banning veel te danken.
Het eerste boek van Banning, dat mij, nog slechts enkele jaren dominee, geweldig gestimuleerd heeft, was zijn Om de groei der gemeenschap, dat in 1926 verscheen en waarover ik in Woord en Geest een serie artikelen schreef, een van mijn eerste publikaties. Theologisch verschilde ik toen nogal van Banning. Ik voelde mij echter tot hem aangetrokken in zijn verlangen, de groei van een waarachtige volksgemeenschap te dienen. Bannings socialisme werd in dat jaar 1926 een beroep op mijn geweten en dat in direct verband met mijn christelijk geloof. Zei hij niet, dat het christendom in het mensheidsleven de alles opeisende en alles doorstralende werkelijkheid van het Koninkrijk Gods werpt, dat als volstrekte waarheid en waarde aan alle leven richting geeft?
Banning bedankte mij voor mijn artikelen en stelde mij in een brief van 19 maart 1927 de vraag: ‘Wanneer ons leven in diepste zin bedoelt de eere Gods, naar mijn overtuiging en naar de uwe, zou er dan bij alle onmiddellijk erkende principieele verschillen, toch niet ergens een punt moeten liggen, waar wij elkaar vinden kunnen?’ Banning was toen nog dominee in Sneek.
Op 6 november 1928 - hij was toen van Sneek naar Barchem verhuisd - schreef hij mij: ‘Begrijp, geloof ik, uw positie wel, en voel levendig mee, dat het geestelijk klimaat van de S.D.A.P. heel ver van het uwe afstaat en dat ge u in de moderne religie niet vinden kunt. Soms zou ik wenschen, dat er een forsche orthodox-christelijk-socialistische partij in ons land mogelijk ware. Maar ik zie de mogelijkheid niet. Een prachtige kans, die de toenmalige Bond van Christen-Socialisten in de oorlogs-
jaren had, is wel ontstellend stumperig benut. Bovendien men zou politiek moeten voeren en dominees zijn daarvoor ongeschikt. Ze mislukken bijna allen. Terwijl de diepere principieele vraag naar de mogelijkheid van christelijke politiek nog een vraag is. Ik weet voor uw moeilijkheden geen weg. Het sterkst neig ik tot de gedachte - die ook op mijn eigen positie slaat - het is mede de schuld die op ons geslacht rust, die wij mee moeten dragen. En als Woodbrooker geloof ik dat eenheid in God mogelijk is bij zeer uiteenloopende godsdienstige overtuiging, dat diepgaande verschillen het samengaan in practische arbeid niet mogen beletten, wanneer die arbeid zoo ontzaggelijk zwaar is als de strijd tegen het moderne kapitalisme’.
In deze brief vroeg Banning mij, toe te treden tot de Wetenschappelijke Werkgroep voor religieus socialisme. Dat deed ik.
Banning begreep beter dan wie ook de moeilijke positie, waarin ik mij in die jaren bevond. Zo schreef hij mij 11 oktober 1929: ‘Dat ge met moeilijkheden van politieke organisatie zit, is begrijpelijk. En dat ge uw predikantschap niet opgeven wilt, begrijp ik misschien beter nu ik mijn gemeente mis. Wie vanuit zijn hart dominee is, heeft bovendien iets, dat het socialisme broodnoodig heeft: de priesterlijke verhouding tot het volk, zoals Mertens zei. Ik wensch u van harte sterkte en kracht van God toe in uw strijd. Ik verheug mij, dat wij elkaar eens zullen ontmoeten’. Eind 1928 ontving ik van Banning een overdruk van zijn artikelen in De Socialistische Gids: Een antirevolutionaire kritiek op het religieus-socialisme, nadat kort te voren Mr. P.S. Gerbrandy, onze latere ministerpresident, mij die kritiek had toegezonden: Het religieus socialisme van onze tijd (verschenen in Antirevolutionaire Staatkunde). Ik zat er nog tussen in.
De ontmoeting, waarop Banning zich verheugde, vond pas veel later plaats. Maar ze is gekomen en ze is geworden tot een blijvende vriendschap, waarin zowel persoonlijke waardering als geestelijke verwantschap een rol speelde.
Met Banning was ik steeds meer overtuigd, dat de tegenstelling tussen rechtzinnig en vrijzinnig verouderd was. In 1933 schreef Banning in Tijd en Taak, dat hij zich persoonlijk veel meer verwant gevoelde aan de gereformeerde Ds Buskes dan aan de liberale Prof. Eerdmans. Heel wat
vrijzinnigen hebben Banning deze uitspraak kwalijk genomen. Men wilde wel aanvaarden, dat Banning zich in sociaal opzicht meer aan mij verwant gevoelde, maar dat dit ook in religieus opzicht het geval zou zijn, weigerde men te geloven. Wat mij betreft kan ik alleen maar zeggen, dat Banning en ik ons waarlijk niet uitsluitend vanwege onze sociale en politieke overtuigingen verwant gevoelden. Er was een zeer wezenlijke geestelijke verwantschap, een geloofsverwantschap, die in de loop der jaren hechter en sterker is geworden.
21 februari 1958 werd Banning 70 jaar. Op 19 februari hadden we feest op Bentveld. Voor dat feest zette ik Bannings leven op rijm. Banning reageerde met de bewogen uitroep: ‘Buskes, man, dat het mogelijk is, dat jij en ik, een gereformeerd calvinistische predikant en zoo'n rooie dominee niet alleen elkaar ontmoet hebben en vrienden geworden zijn, maar ook elkaar in Christus herkend hebben, dat is een wonder’.
Banning is waarlijk niet alleen op politiek gebied een man van de doorbraak geweest. Hij was het ook op godsdienstig en kerkelijk gebied. Zijn gehele leven heeft in dienst van de kerk gestaan, al heeft de kerk dat niet altijd dankbaar aanvaard en erkend. Voor de oorlog heeft de kerk Banning niet de plaats gegeven, waarop hij recht had. Dat was niet te wijten aan zijn vrijzinnigheid, maar aan zijn solidariteit met de arbeiders en de socialistische beweging. Na de oorlog komen Gravemeyer, Kraemer en Banning naast elkaar te staan. Het verlangen van Banning was, alle positieve en vernieuwende krachten in de kerk samen te bundelen en de diepe klanken van het oude evangelie aan de mensen van de moderne tijd te laten horen. Hij is zijn gehele leven prediker geweest.
Omstreeks 1920 heb ik Banning voor het eerst horen preken en het is nog maar kort geleden, dat ik hem voor het laatst hoorde. Tussen die preek van 1920 en die van 1958 was nog al wat verschil. Dat verschil is zo groot, dat ik vrijzinnigen wel eens met een zekere teleurstelling heb horen zeggen: ‘Banning is niet meer wat hij in vroeger jaren was!’ Ik kan zo'n uitlating wel begrijpen, ik kan haar echter moeilijk waarderen. Wat wil men? Is dat dan de ideale prediker, die in 1958 nog precies hetzelfde zegt als in 1920, zowel wat de vorm als de inhoud van zijn preken betreft? Er zijn bij Banning zeer wezenlijke verschuivingen te constateren. Ik herinner mij hoe hij in de twintiger jaren altijd weer
sprak over ‘het heilige’ en ‘het ideaal dat vlamt in ons hart’. Dat ideaal is niet verloren gegaan, maar het neutrum ontbreekt. In 1958 hoort men Banning spreken over ‘de heilige’ en over ‘het werk van God in mensenharten’. De diepe klanken van het oude evangelie zijn in Bannings predidiking steeds duidelijker geworden. Moet een vrijzinnige nu met een zekere teleurstelling zeggen: Banning is niet vrijzinnig meer? En moet een rechtzinnige nu met een zeker leedvermaak beweren: Banning is eigenlijk rechtzinnig geworden? Het een vind ik al even miezerig als het ander. Ja, dat moet men zeggen, wanneer men met alle geweld en in de eerste plaats recht- of vrijzinnig wil zijn. Maar als wij voor alles christenen willen zijn, mensen, die in Jezus Christus geloven, en als predikers voor alles predikers van het evangelie en niet van de vrijzinnigheid of de rechtzinnigheid, zullen we Banning dankbaar zijn als prediker van het evangelie. Natuurlijk, Banning is vrijzinnig. Rechtzinnig is hij zeer bepaald niet. Hij is echter wel zeer bepaald prediker van het evangelie van Jezus Christus. Hier ligt voor mij, die rechtzinnig ben, een probleem, welks oplossing ik tot nog toe niet gevonden heb. De theologische verschillen tussen Banning en mij betekenen niet niets. Nochtans heb ik hem leren kennen en erkennen als een broeder in de dienst van het evangelie en is het mij een vreugde geweest, dat Banning vele malen samen met mij in Amsterdam het evangelie heeft willen prediken.
Toen ik Banning voor het eerst uitnodigde om voor Woord en Wereld te komen preken en hij de uitnodiging aannam, kwamen er bij de kerkeraad vele protesten: ik had een vrijzinnige dominee uitgenodigd en dat kwam niet te pas. Ik kon slechts antwoorden, dat ik Banning niet had uitgenodigd, omdat hij vrijzinnig was, maar omdat hij naar mijn overtuiging het evangelie predikte en dat bovendien deed op een wijze, waarop het voor velen aan de rand van en buiten de kerk verstaanbaar werd gemaakt. Banning heeft met zijn prediking alle protesten doen verstommen. Banning was een man naar mijn hart. Omdat hij, zoals Prof. Kraemer bij zijn zeventigste verjaardag zei, een ‘frontier’-man was ‘avant la lettre’. Hij was en is een pionier terwille van het evangelie en dat had de kerk nodig.