Het meest werd ik teleurgesteld in de socialistische beweging, toen het vraagstuk van de verhouding tussen Nederland en Indonesië voluit een brandend vraagstuk werd. Twee jaar lang hebben de jonge staat Indonesië en de oude staat Nederland - vanaf 1945 - op een moeizame en vermoeiende wijze onderhandeld. In Indonesië was er een grote groep extremisten, die met historische verhoudingen niets meer te maken wilden hebben. In Nederland was er een niet minder grote groep, die uitsluitend naar het herstel der oude verhoudingen verlangde. De Kadt heeft een boek geschreven over het treurspel der gemiste kansen en Van Randwijk sprak over een aaneenschakeling van aarzelingen, prijsgegeven en hernomen standpunten en verwarringen, waarin tenslotte de doelbewuste en reactionaire oppositie haar zin kreeg. De regering kon door haar heterogene samenstelling noch tot een duidelijke politiek in de oude stijl noch tot een duidelijke politiek in de nieuwe stijl besluiten. Om nog eens Van Randwijk te citeren: ‘haar schuld moet men niet zoeken in haar kwade bedoelingen, maar in het feit, dat ze twee jaar lang geen duidelijk goed doel voor ogen heeft gehad’.
Op 20 juli 1947 begon Nederland de oorlog tegen de jonge staat Indonesië. Een politionele actie met tanks en vliegtuigen is een oorlog. Dat was ze zeker voor het besef van de jonge staat Indonesië. Nadat op die dag, uitgesproken een zondag, de ministerpresident ons volk had toegesproken, kwam het Wilhelmus door de radio. Dat een socialist zich op deze wijze in dit treurspel heeft laten inspinnen, blijft onbegrijpelijk en onvergeeflijk. Het is echter niet alleen zijn schuld, maar niet minder de schuld van zijn partij. Dit was het afschuwelijke, dat het de reactie ge-
lukte progressief Nederland - de doorbraakpartij - als haar zaakwaarneemster te charteren. Zo kon de naakte werkelijkheid van een koloniale oorlog bedekt worden met en verborgen blijven door een waas van vage goede bedoelingen, morele tegenzin en bloedende harten.
Trouw noemde de daad, waartoe onze regering het leger in Indonesië opriep ‘een Nederlandse, een christelijke plichtsbetrachting, een zegen’. In Vrij Nederland van 26 juli schreef ik: ‘Voor ons staat het vast, dat op het ogenblik waarop het bevel schieten gegeven werd, zowel het christendom als het socialisme verraden werd. Zondag, 20 juli, is een zwarte dag in de geschiedenis van de Nederlandse christenheid en het Nederlandse socialisme’.
Nog altijd zie ik het zo, dat op deze diës ater de reactie de overwinning behaalde.
Door buitenlandse inmenging is er aan die politionele acties een einde gekomen, maar voor vele jaren waren twee volken van elkaar vervreemd. In de kerken hebben vooral de mannen en vrouwen van de zending zich tegen het regeringsbeleid gekeerd. Vergeefs. In de P.v.d.A. heeft een vrij grote groep het regeringsbeleid en het beleid van de partij bestreden. Vergeefs. Op allerlei samenkomsten - ik denk aan de massale protestmetings in de Markthallen en het RAI-gebouw in Amsterdam - hebben wij gewaarschuwd en geprotesteerd. Er was in die dagen een zeer wezenlijke belangstelling bij het volk voor de vragen, die aan de orde waren. In de Markthallen waren meer dan twintig duizend mensen bijeen. In het RAI-gebouw sprak onder meer Henriëtte Roland Holst. Wat vond ik het fijn, samen met haar, die haar leven lang tegen het kolonialisme gestreden had, te mogen getuigen. Mr. H.P. Wiesing schreef in De Vrije Katheder van 27 juni 1947: ‘In de grote zaal in het RAI-gebouw te Amsterdam zat op een klein stoeltje grijs en ineengedoken, ook Henriëtte Roland Holst te luisteren. De gedurende een mensenleven ontroerendste spreekster onder het gehoor van Ds Buskes... Misschien heeft zij bij het kijken naar zijn nerveuselijk wringende en in de lucht tastende gebaren herdacht hoe hoekig zij zelf in haar verhevenste ogenblikken het schoons uitbracht, dat zij, rusteloos ons. Nederlanders, heeft willen inprenten. Die twee, van latijnse levensstijl voor zichzelf warse, ook daarin door en door Hollandse redenaars, zo dicht hier bij elkaar - en niet
alleen wat ruimte betreft dicht bij elkaar - gaven aan de grootse demonstratie voor een Nederlands-Indonesische vriendschap door hun samenzijn een goede noot’.
Het blijft voor mijn besef een van de grootste teleurstellingen, dat de P.v.d.A. zich niet principiëel en practisch tegen de politionele acties, dat wil zeggen tegen een in wezen koloniale oorlog verzet heeft. Dat deze politionele acties gevoerd werden op verantwoording van een regering met een socialistische ministerpresident, blijf ik tot op de dag van vandaag toe afschuwelijk vinden. Als het Nederlandse socialisme ergens gefaald heeft, dan bij deze gelegenheid op 20 juli 1947.
Hoe fel de dingen in die dagen beleefd werden, moge blijken uit een persoonlijke ervaring.
Op 21 maart 1948 preekte ik in de Nieuwe Kerk te Amsterdam over Jezus en Pilatus. De dienst werd door het IKOR uitgezonden. Ik tekende Pilatus als de man, die hoewel hij Jezus niet schuldig verklaart, hem toch tot de kruisdood veroordeelt, omdat hij capituleert uit politieke overwegingen. ‘Dit is precies de wereld, zoals zij altijd was, zoals zij ook vandaag de dag is. Wij weten dat uit eigen ervaring, uit de jaren van de bezetting. Goering zei eenmaal: wij zullen tot aan de enkels door het bloed waden, wanneer het nodig is. Hij heeft het gedaan. Niet tot aan de enkels, maar tot aan de knieën. Waarom ook niet? Wat is waarheid? Op het ogenblik wordt het getal van hen, die zeggen: een atoombom op Rusland, iedere dag groter. Waarom ook niet? Wat is waarheid? Rusland heeft zijn antwoord gereed. Paul de Groot getuigt: wij zullen de kapitalistische slang niet de Tien Geboden voorlezen, maar haar te lijf gaan met een gloeiende tang, voor één atoombom op ons vrije Rusland honderd atoombommen op Amerika’.
In deze preek sprak ik ook deze woorden: ‘De machtsmiddelen van de koning der leugen zijn aards, zo brutaal als alleen aardse machtsmiddelen kunnen zijn: Pilatus' geesel in Palestina, Hitler's concentratiekampen in Duitsland, Dimitrof's galg in Bulgarije, Spoor's afgebrande dessa's op Java, Masaryk's zelfmoord in Tsjechoslowakije, in de toekomst: Truman's of Stalin's atoombom. En de koning der leugen - de wereldmacht zonder waarheid - maakt zo nodig alle rechters, politiemannen en journalisten dienstbaar aan zijn wereldmacht’.
De hel barstte los vanwege ‘Spoor's afgebrande dessa's op Java’. De altijd zo nette C.H. Nederlander sprak over de vuile smaad, die Ds Buskes op ons leger uitsmeert: ‘Is het niet om zo'n vuilspuiter bij z'n nek te vatten en te confronteren met de eerlijke en trouwhartige soldaten, opdat hij zich schame, tot z'n wangen de kleur zullen hebben van z'n rooie ziel?’ En Elsevier schreef: ‘Deze dominee verdient de verachting van het Nederlandse volk’.
Bij de officier van justitie werd een aanklacht tegen mij ingediend wegens belediging van het openbaar gezag, subsidiair wegens smaad of belediging ten nadele van een ambtenaar in functie. De officier heeft tot mijn spijt de aanklacht geseponeerd. Het zou mij veel waard zijn geweest, mijn woorden toe te lichten en te verdedigen.
De woorden ‘Spoor's afgebrande dessa's op Java’ zagen op het feit, dat op Java meerdere malen, wanneer de extremisten een spoorbrug opbraken, de dichtstbijzijnde dessa's bij wijze van represaille werden afgebrand. Ik meende, dat het tot de roeping der kerk behoort tegen zulke gewelddaden, die een loochening van Gods waarheid betekenen, te getuigen, niet om te beledigen, maar ter wille van de waarheid, dus ook ter wille van ons volk, dat voor zulke gewelddaden medeverantwoordelijkheid draagt. Dat ik geen woord teveel gezegd heb, is later wel gebleken, toen ik de strijd heb aangebonden voor enkele Nederlandse soldaten, die tot lange gevangenisstraffen veroordeeld werden, omdat zij weigerden, het bevel tot het plat branden van een dessa op Java uit te voeren. Het was het beruchte geval van Pakisadji, waarover in de jaren 1948-1949 zeer uitvoerig in de pers gediscussieerd is geworden. Dat de veroordeelde soldaten gratie hebben gekregen, is wel het meest overtuigende bewijs, dat de zaak helemaal scheef lag.
Maar zelfs de minister van oorlog was over mijn uitlating verontwaardigd en wendde zich tot het moderamen van de generale synode der Hervormde Kerk. De brief van de minister is te karakteristiek, om er niet een gedeelte van over te nemen: ‘Hoewel bij de lezing van de gehele preek wel blijkt, dat Ds Buskes zich niet speciaal tegen generaal Spoor richt, springt voor de radioluisteraar een dergelijke passage uiteraard sterk naar voren. Het noemen van de naam van generaal Spoor zonder enige noodzaak is in dit verband dan ook niet alleen voor deze beledi-
gend, maar tevens voor allen, die in Indië hun moeilijke taak vervullen. Ik betreur het zeer, dat een predikant zich niet heeft ontzien kansel en radiouitzending op deze wijze te misbruiken. Teneinde herhaling te voorkomen zal ik het zeer op prijs stellen, wanneer uwerzijds Ds Buskes op deze feiten zou worden gewezen, terwijl ik gaarne - kan het zijn spoedig - de door u bereikte resultaten zal vernemen’.
Het moderamen van de synode heeft mij om inlichtingen gevraagd, die ik zeer bereidwillig gegeven heb. Ik schreef ook zeer uitvoerig aan de minister van oorlog, waarin ik verantwoording aflegde van het door mij gezegde. Deze minister leefde blijkbaar in de veronderstelling, dat een dominee een ambtenaar is, die door zijn superieur - in dit geval de synode - op verzoek van een minister op zijn nummer kan worden gezet. Ik schreef aan de minister, dat ik in de bezettingsjaren de libertas prophetandi tot het uiterste verdedigd heb met al de gevolgen, die dat voor mij met zich meegebracht heeft, en dat ik die vrijheid ook in bevrijd Nederland tot het uiterste hoopte te verdedigen.
Nooit heb ik verder iets gehoord. De minister heeft mij wel via het moderamen der synode tot de orde willen roepen. Hij heeft er echter niet over gedacht, op mijn brief te reageren. Ik moest alleen op mijn nummer gezet worden ten einde herhaling te voorkomen. Zo'n minister van oorlog heeft wel een eigenaardige kijk op de kerk en haar prediking. Tot op heden blijf ik ons regeringsbeleid ten opzichte van Indonesië afwijzen als volstrekt steriel, al ben ik dankbaar, dat er in de P.v.d.A., zij het laat, een kentering gekomen is ten opzichte van de Nieuw-Guineapolitiek. Als ik het geheel overzie, kan ik slechts zeggen, dat wij van het begin tot het einde klein zijn geweest in datgene waarin een klein land groot had kunnen, mogen en moeten zijn. In ons Indonesiëbeleid heeft de reactie van het begin tot het einde gewonnen van de progressieve krachten. Die reactie zag zelfs kans een progressieve regering met een bloedend hart, een verontrust geweten en vele goede bedoelingen haar reactionaire plannen te doen uitvoeren.