terug  begin  verderprepost
[p. 267]

Contacten met Duitsland

Tot hun kritische houding ten opzichte van de buitenlandse politiek van het westen zijn vele hervormde predikanten samen met mij zeker ook gekomen door hun contacten met hun collega's in Oost- en West Duitsland.

Theologenconferenties en samenkomsten van de Broederschappen in West-Duitsland, waar we Martin Niemöller, Prof. H. Iwand, Prof. H. Gollwitzer, Prof. H. Vogel, Prof. Ernst Wolff, Ds Hans Kloppenburg en een enkele keer ook Karl Barth ontmoetten, hebben uit de aard der zaak niet nagelaten, hun invloed te doen gelden. Het blijft voor mijn besef een beschamend verschijnsel, dat in de Evangelische Kerk in Duitsland veel meer leidinggevende figuren dan in onze Nederlandse kerken het niet opbrengen, kritiekloos met de buitenlandse politiek van het westen in te stemmen of er zich zwijgend bij neer te leggen. Ook in Duitsland is de groep, die kritisch staat, een minderheid, evenals bij ons. Zij is echter groter en roert zich veel meer. Om één voorbeeld te geven: bij ons is de discussie over de atoombewapening over het algemeen tam en mak vergeleken bij die in West-Duitsland. Wie een enkel nummer van Die Junge Kirche of Stimme der Gemeinde gelezen heeft, begrijpt, wat ik bedoel. En als bij ons een enkele keer één van ons in een magistraal en aangrijpend artikel zijn bezwaren tegen de atoombewapening en daarin tegen de Westerse politiek als zodanig uiteenzet en voor een geheel anders ingestelde politiek, een politiek der nederigheid, het pleit voert - ik denk aan het bekende artikel van Dr. J.C. Dippel in Wending - laat men hem praten. Er komt geen enkele reactie en dat in een tijd, waarin wij als christenen de mond vol hebben met woorden als communicatie en gesprek.

Naar mijn overtuiging zullen de minderheidsgroepen in de verschillende landen van het westen veel meer contact met elkaar moeten zoeken, wil ons protest tegen het bestaande niet verzanden of verbrokkelen. In dit opzicht doet de Internationale Broederschap der Verzoening goed werk en ik kan er mij slechts over verheugen, dat het werk van deze Broederschap op het vasteland meer dan vroeger gedragen wordt door velen,

[p. 268]

die in het leven der kerk een belangrijke plaats innemen. Persoonlijk heb ik in dit opzicht veel te danken aan Martin Niemöller, de man, die principieel steeds op drift is. Dat moet men inzien, als men hem wil begrijpen. En daar moet men van houden, als men van hem wil houden. Niemöller is altijd bereid om vanuit het oude geloof nieuwe wegen te gaan. Hij is, zoals Barth eens zei, altijd zeilree. Dat maakt, dat hij voor mij een belangrijke figuur is en dat ik van hem houd. Hij stond en hij staat voor een zaak. Dat is zijn geheim. Wie zich in alle nuchterheid naast hem stelt, doet dat terwille van die zaak. En wie hem in discrediet tracht te brengen - dat doen velen, ook hier in Nederland - bedoelt daarmee, bewust of onbewust, die zaak in discrediet te brengen. Om nog eens Barth te citeren: ‘Niemöller stond en staat op de bres voor de Evangelische Kerk van Duitsland, voorzover deze een element van het verzet tegen het nationaalsocialisme was en voorzover zij vandaag de dag een element van Duitse vernieuwing is. Men behoeft allerminst een vereerder van Niemöller en ook geen blinde bewonderaar van de met hem belijdende kerk te zijn, om toch toe te geven, dat zijn protest een noodzakelijk, een echt en krachtig getuigenis van het christelijk geloof is geweest. Voor de zaak van dat getuigenis stond en staat Niemöller op de bres. Niemöller is in heel zijn wezen een kenmerkende persoonlijkheid, kenmerkend voor een ontwikkeling, die nog niet is afgesloten en die niet met een enkel woord kan worden gekarakteriseerd. Het is de ontwikkeling van het Duitse volk van een fantastische naar een nuchtere, van een brutale naar een humane, van een heidense naar een christelijke menselijkheid’.

In de buurt van 1950 werd dit korte gesprek tussen Karl Barth en Martin Niemöller gevoerd:

Karl Barth: ‘Martin, ik verwonder er mij over, dat je ondanks de weinige systematische theologie, die je gestudeerd hebt, toch bijna altijd de juiste beslissingen hebt genomen’.

Martin Niemöller: ‘Karl, ik verwonder er mij over, dat je ondanks de vele systematische theologie, die je gestudeerd hebt, toch bijna altijd de juiste beslissingen hebt genomen’.

Ik ben er nog altijd een beetje trots op, dat ik in Nederland één van de eersten ben geweest, die in twee brochures van Waakzaamheid - voor

[p. 269]

de oorlog verschenen - op de grote betekenis van de persoon en het werk van Niemöller gewezen heb. Toen hij in Amsterdam voor ‘De derde weg’ sprak heb ik zijn toespraak mogen vertalen en samen met hem heb ik in Carré gesproken. In een prekenbundel, die ik van hem kreeg schreef hij: ‘Mit einer herzlichen Widmung von einem christlichen Bruder, der täglich dankbar ist für die Fürbitte, die ihn getragen hat und trägt’. En de woorden, die hij in mijn exemplaar van zijn Vom U-Boot zur Kanzel schreef - twintig jaar nadat dit boek verscheen - zijn voor Niemöller wel bijzonder karakteristiek: ‘Gedenke nicht an meine Sünden! Nach 20 Jahren sieht sich vieles - alles? - anders an’.

Men heeft Niemöller met modder gegooid. Dat is erg, erger intussen voor hen, die het deden dan voor Niemöller.

Niet minder belangrijk dan het contact met de collega's in West-Duitsland was en is dat met de collega's in Oost-Duitsland. Ik noem in het bijzonder de namen van twee vrienden: Ds Johannes Hamel en Ds Siegfried Ringhandt, aan wie ik slechts met de grootste eerbied kan denken. Wij in het westen suggereren elkaar, dat leven achter het ijzeren gordijn geen leven is. Wij werken zelfs met de leuze ‘Liever dood dan slaaf’, een in wezen door en door onbijbelse leuze. De broeders in ‘Gods geliefde Oostzone’ hebben er ons van overtuigd, dat het volslagen ongeloof is, ons zelf en elkaar wijs te maken, dat er voor God achter het ijzeren gordijn geen mogelijkheden zijn. Wij doen alsof de rechten en vrijheden, die wij als kerk in het westen bezitten, ons door Christus toegezegd zijn en alsof het onze roeping is, die rechten en vrijheden krampachtig en zo nodig met alle middelen, ja zelfs met atoomwapens, te verdedigen. Het contact met de broeders in Oost-Duitsland heeft ons - mijn collega's en mij, die het voorrecht hadden en hebben, hen te ontmoeten - altijd weer gedrongen tot een nieuwe bezinning op het wezen en de roeping van de gemeente van Jezus Christus in de wereld. Jezus heeft gezegd: ‘Zie, Ik zend u als schapen onder de wolven’. Het wordt ons als gemeente van Hem niet toegestaan een kudde wolven te worden of als schapen met de wolven mee te huilen. De kerk in het westen is behalve gemeente van Jezus Christus maar al te veel ook een stuk westerse wereld, volkskerk in de verkeerde zin van het woord, kerk van het volk inplaats van kerk voor het volk. Het contact met de broeders achter het

[p. 270]

ijzeren gordijn bewaart er ons ook voor, de tegenstellingen tussen oost en west te verabsoluteren, alsof het westen Christus en het oosten de Antichrist zou betekenen. Onze tegenpartij - de duivel - gaat aan beide zijden van het ijzeren gordijn rond, zij het aan onze kant in een andere gedaante dan aan de andere kant. Karl Barth heeft in zijn brief aan een dominee in de D.D.R. deze gedachten op zijn wijze tot uitdrukking gebracht. Misschien dat Barth gevaar loopt oost en west te gemakkelijk onder één noemer te brengen. Dat acht ik ongeoorloofd. De meest onvolmaakte democratie is altijd nog te verkiezen boven de meest volmaakte dictatuur. Er is echter geen enkele reden, elkaar wijs te maken, dat de gemeente van Jezus Christus alleen in het westen bestaansmogelijkheden heeft en dat God alleen onder een democratie zijn gemeente kan bouwen. Er is ook geen enkele reden, elkaar te suggereren, dat achter het ijzeren gordijn het leven het leven niet waard is. Daarom: hoe meer contacten tussen dominees en gemeenteleden van voor en achteren het ijzeren gordijn, hoe beter!

Men zal aan de top contacten moeten zoeken. Op topconferenties gebeurt dat ook. Ik denk aan het werk van de Wereldraad van Kerken en het contact van afgevaardigden van de Westerse kerken met die van de Russische kerken. Van nog veel groter belang acht ik het, dat op heel gewone conferenties, die niet in de krant komen, christenen uit het westen en christenen uit het oosten elkaar ontmoeten. Christus is nu eenmaal, of de fanatici het plezierig vinden of niet, de grote grensoverschrijder. Hij gaat - ijzeren gordijn of niet - tot aan de einden der aarde. Zijn voetstappen staan onuitwisbaar langs de wegen der wereld. Wij moeten die voetstappen niet cultiveren. Wij moeten en mogen - het is een opdracht en een voorrecht - in die voetstappen gaan, voortgaan, uitgaan, zo nodig zonder te weten, waar wij terecht zullen komen. Dat behoeven wij niet te weten. Als wij in Christus' voetstappen gaan, kunnen wij nergens komen, waar Hij niet is.

prepostterug  begin  verder