terug  begin  verderprepost

XI

Die kwestie van de Zwarte Kost...! Het scheen wel of Massijn er tot kwellens toe mee bekommerd was; en zij allen, die van hem brieven uit Congoland ontvingen, deelden weldra aan elkaar deze opmerking mee. Naar zijn schrijven te oordelen, zou men hebben kunnen denken, dat er niets anders interessants in het verre land bestond noch gebeurde. Beurtelings ontvingen de heren Potvlieghe en Spittael, en weldra ook moeder Massijn en Eulalie brieven van Fortuné, waarin, of-

[p. 449]

schoon met minder vrije ontboezemingen dan in zijn schrijven aan meester De Vreught, diezelfde zonderlinge benaming voortdurend terugkwam. En andere kennissen die hij had in de omringende dorpen en aan wie hij ook nu en dan schreef, vertelden eveneens dat Massijns brieven sinds enige tijd vol waren met zinspelingen op de Congolese vrouwen. Men begon er, in sommige herbergen, glimlachend over te fluisteren, moeder Massijn en Fietje voelden er een soort van schaamte over, en in Het huis van Commercie verliet Eulalie met rode wangen en mokkend gezicht de gelagzaal, zodra dat kiese onderwerp ter tafel werd gebracht. Blink, de onbescheiden blikslager, geneerde zich niet om luid te zeggen dat Massijn, in plaats van altijd tegen de zwarte kost uit te varen, beter zou gedaan hebben er ook eens van te proeven gelijk de anderen, want dat allen het deden, en dat hij, Blink, het ook gedaan had, toen hij diende onder het vreemd legioen, in Algiers.

Toen verliepen er enkele weken zonder dat men nog enige tijding van Fortuné in Akspoele vernam. En ofschoon moeder Massijn en Fietje opnieuw zeer ongerust begonnen te worden, toch vonden zij dat stilzwijgen nog beter dan die ellendige brieven vol toespelingen, waarover enkele dorpelingen zich vrolijk maakten en velen zich ergerden. Men had namelijk opgemerkt dat de drie juffrouwen Balcaen, diezelfde zedige juffrouwen, die destijds, midden in Kinels voordracht, zo vreselijk geërgerd Het huis van Commercie verlieten, reeds tweemaal Fietje Massijn op straat ontmoet hadden zonder haar te groeten, en men beweerde insgelijks dat meneer de onderpastoor op een morgen bij de weduwe Massijn gekomen was, om over die storende brieven van Fortuné een soort onderzoek in te stellen. Stellig toch had Fietje uitdrukkelijk haar broeder verzocht voortaan in zijn schrijven van al die lelijke dingen niet meer te gewagen. En, net of Fortuné onmiddellijk aan dit dringend verzoek had kunnen voldoen, kwam er drie dagen daarna een brief van hem, die zich met Fietjes schrijven gekruist had, waarin geen enkel woord over het kiese onderwerp meer voorkwam. Fortuné vertelde slechts, na enkele onbeduidende dingen, dat hij door een hevige aanval van malaria was aangetast geweest,

[p. 450]

en dat hij, ofschoon hersteld, zich nog zeer zwak gevoelde en grote voorzorgen moest nemen.

Daarop verliep nogmaals een maand zonder enige tijding van hem. Dan weer, op een morgen, drie brieven: een voor zijn moeder en Fietje, een voor Eulalie en een voor meester De Vreught. En nog eens geen enkel woord, geen de minste zinspeling meer over het onderwerp waarmee hij maanden lang zo uitsluitend bezig was geweest. Hij sprak breedvoerig over zijn betrekking en werkzaamheden als onderintendant; over de steeds brandend-heter wordende dagen en de bijna koude nachten, over een nieuwe koortsaanval, die hem drie dagen lang bedlegerig gehouden had. Hij vertelde ook dat hij in de bossen rondom zijn factorij heerlijke reuzenbloemen ontdekt had, waarvan hij 't zaad zou trachten op te doen; en dat hij vlinders had gevangen die zo groot waren als vogels, met gouden en azuren wieken, die hij aan meester De Vreught zou opzenden om er zijn collectie mee te verrijken. En slechts op het einde van zijn brieven kwam nog iets als een duistere herinnering aan wat hem vroeger zo halsstarrig obsedeerde: namelijk dat men in Congoland steeds zo bijzonder op zijn gezondheid letten moest, en dat de kleinste buitensporigheid, van welke aard ook, er de Europeaan zo verschrikkelijk duur werd betaald gezet. Een van de blanken, die hem op de tocht vergezelden, was, na een ontdekkingsreis in 't binnenland, zó ziek in Leopoldsville teruggekomen, dat hij drie dagen daarna overleden was. Maar was het ook niet krankzinnig: hij hield er niet minder dan drie inlandse vrouwen op na. Had hij zich dan nog met één enkele tevreden gesteld!

prepostterug  begin  verder