terug  begin  verderprepost
[p. 179]

IV
De vrouwelijke verschijning

[p. 181]

Inleiding

De menselijke verschijning bezit een betekenis, omdat zij steeds verschijning is voor een ander. De medemens begrijpt onze verschijning als de waarneembaarheid van onszelf en bedoelt met dit ‘zelf’ onze bijzondere, eigen wijze van zijn-in-de-wereld en zijn-bij-onszelf en wel als een zich in een bepaalde stemming en met een bepaalde bedoeling in een situatie bevinden.

De menselijke verschijning betekent dus zijn bestaan, waarin zijn persoonlijkheid en zijn wereld zich gevormd hebben. Ieder kent de betekenis van zijn eigen verschijning ten dele en hij kan deze betekenis zelfs thetisch ontwerpen. Ieder weet, dat hij op een of andere wijze voor een ander verschijnt. Nooit weet iemand echter geheel, hoe een ander zijn gestalte en gelaat ziet, zijn houding en gebaar opvat, zijn stem hoort en hoe de ander dit waarneembare als het ondeelbaar geheel begrijpt, waardoor hij iemand meent te kennen. Onze verschijning ‘spreekt’ en ‘getuigt’ van ons zelf, van onze wereld en van ons bestaan, van onze bedoelingen en onze gevoelens. Zij spreekt echter ook zonder dat wij willen spreken.

De verschijning van de mens is dus communicatie en communicatiemiddel en wel voor een deel een onveranderlijk communicatiemiddel, dat hij zijn bestaan door met zich meedraagt. De uiterlijke verschijning spreekt niet slechts, maar doet ook een beroep op de anderen en is tevens een antwoord, dat men aan de anderen geeft. Het drukt iets uit, dat door de persoon zelf, die op een bepaalde wijze verschijnt, toegestemd of niet toegestemd kan worden en dat door de anderen op bepaalde wijze begrepen en beantwoord kan worden.

[p. 182]

Als iemand een ander aanziet, ziet niet een oog hem aan, maar hij is door zijn blik tegenwoordig in zijn gehele lichamelijkheid en wel zo als hij-zelf is en tevens zoals hij op een bepaalde wijze zich aanwezig stelt, vriendelijk of achterdochtig en wellicht ook vrouwelijk.

De vrouw verschijnt voor iedereen en de vrouw wordt door iedereen in haar verschijning waargenomen. Men bemerkt altijd, of een man of een vrouw, iemand van de eigen of van de andere sexe ons tegemoet treedt. Maar men bemerkt niet steeds de vrouwelijkheid in de vrouw. Er is een categoriale verschijningswijze van de sexe voor het eigen en voor het andere geslacht. Zomin als de mens ooit uit zijn thetisch reflexief en zijn positioneel thematisch bewustzijn het feit kan verbannen, dat hij mens is en hiervan dus altijd, ook onnadenkend, weet heeft, zo weet elk mens altijd, zijn leven lang, dat hij man is of vrouw.

Nu is de betekenis of het uitdrukkingsgehalte van onze verschijning zeker niet uitsluitend anatomisch bepaald, maar wel is het steeds anatomisch gefundeerd. Deze fundering berust in de eerste plaats op zeer algemene kenmerken van de gestalte, het gelaat, de ledematen, de huid, de blik en de stem, die een geprononceerd uitdrukkingskarakter bezitten, bijvoorbeeld: hoekig, week, regelmatig, groot, evenwichtig, ruw, fijn, fris, of het tegendeel. De verschijning verkrijgt door deze algemene kenmerken werkelijk een uitdrukkingsgehalte, zoals men ook spreekt over het goudgehalte van een munt, waarmede men bedoelt dat wat in elk gedeelte aanwezig is en de qualiteit en waarde bepaalt. De hoekigheid van een verschijning kan in elk onderdeel terugkeren, niet alleen in elk lichaamsdeel, maar in de structuur van de huid, in de wijze van beweging, in de wijze van kijken, in de stem, enz. Hetzelfde geldt ook voor het frisse, voor het regelmatige, enz.

Behalve de algemene kenmerken zijn er ook anatomische détails, die aan de verschijning van een mens een bepaalde betekenis kunnen geven. Meestal zijn dit physiognomische kenmerken, zoals een gewelfd voorhoofd, een wipneus e.d., maar niet minder belangrijk

[p. 183]

zijn de handen, afhangende schouders, of bijvoorbeeld een kromme rug.

Wanneer wij het uitdrukkingsgehalte van de vrouwelijke verschijning willen leren kennen, - d.i. dus het vrouwelijke in de vrouw en de bestaanswijze van een mens van het vrouwelijk geslacht - dan zullen wij ons niet uitsluitend tot de architectonische bouw van gelaat en lichaam kunnen beperken. Er is ook een algemene karakteristiek van de mimiek en pantomimiek, die voor een groep van personen, dus ook voor ‘de’ vrouwen, kan worden vastgesteld. Het milieu roept een expressie van het gelaat op, een houdingstype, een dynamische grondvorm van de gebaren, een démarche en de uitvoeringswijze van de eenvoudigste handelingen. Er ontwikkelt zich op grond van traditie een wijze van spreken, een oogopslag, een zich tot iemand wendende hoofdbeweging, groet en handdruk. Ook de uitdrukkingsbewegingen in engere zin, de expressies van woede, angst, verdriet, vreugde, zijn bij de vrouwen anders dan bij de mannen en staan enerzijds in verband met de physiognomische bouw, anderzijds met de betekenis, die de sexen aan de situaties geven en dus de wijze, waarop zij verkiezen hierin op te treden.

Wij zullen echter van de emotionele expressies afzien en ons beperken tot het uitdrukkingsgehalte van de vrouwelijke lichaamsgestalte, haar gelaat, blik en stem, de opmerkelijke grotere symmetrie in de vrouwelijke verschijning, het beeld van jeugdigheid en daarna de vrouw als verschijnende geheimzinnige innerlijkheid trachten te verstaan.

prepostterug  begin  verder