|
|
|
| |
| | | |
Een leesbare dialectspelling door J. Cajot
| |
1. Een lesje fonetiek
De meeste menselijke talen en dialecten maken bij de overdracht van hun
mondelinge boodschap uitsluitend gebruik van klanken die bij het uitademen voortgebracht worden. Als we spreken kunnen we
de uitgeademde lucht stem meegeven; dit gebeurt door de stembanden in ons
strottehoofd aan het trillen te brengen. De zo ontstane geluiden ondergaan
hogerop allerlei veranderingen en vervormingen; deze
aanpassingen of modificaties hebben hoofdzakelijk plaats in de mondholte, waarbij ook de keel- en neusholte
betrokken worden. Maar ook zonder stem kan het in de mond gevarieerde
ademgeruis nog informatie overbrengen, nl. bij het fluisteren.
Het menselijk spreekapparaat is met een muziekinstrument te
vergelijken. De longen doen dienst als blaasbalg, de stembanden fungeren als
snaren die de klank produceren, en de mond-, keel- en neusholte zijn de
spraakbuis die de rol van resonator of klankkast vervullen. De verschillende
schakeringen die onze spraakbuis aan de uitgeademde geluiden aanbrengt, zijn
er verantwoordelijk voor dat we spraakklanken van elkaar kunnen
onderscheiden. Toch kunnen de stembanden zelf ook drager van klankverschil
zijn: zij kunnen trillen (bij d, b, z en v bijv.) of niet trillen (t, p, s en f), de trilling kan kort zijn of iets langer van duur (= lange en korte klinkers), zij kunnen de doorgang van de ademstroom
vernauwen (= h) en tenslotte ligt het verloop van hun
toonhoogte aan de basis van het verschil tussen sleep- en stoottoon.
Welke organen kunnen de vorm van de spraakbuis (hoofdzakelijk de mondholte)
wijzigen? M.a.w. met welke beweeglijke organen articuleren we? We gebruiken
daarvoor: de tong, de lippen, de huig, het zachte verhemelte en de wangen.
Bij deze bespreking beperken we ons tot de twee belangrijkste articulatoren,
nl. de tong en de lippen.
De tong is een uiterst beweeglijk orgaan dat hoofdzakelijk uit spieren
bestaat. Ze vult de mondholte, vormt er de bodem van en is in staat vorm en
volume van de mondholte onbeperkt te wijzigen. De lippen kunnen we ronden en
naar voren stulpen (zoenstand), of spreiden door de mondhoeken uit elkaar te
trekken. Als de (stem)geluiden vrij kunnen doorstromen,
ontstaan er klinkers (vocalen); een luchtstroom die door
allerlei bewegingen van de tong tegen het verhemelte of van de onderlip
tegen de bovenlip of tegen de boventanden belemmerd of
geblokkeerd wordt, resulteert in een medeklinker
(consonant).
| |
| | | |
Klinkers en tweeklanken
In rustpositie van zowel tong als lippen, d.w.z. als de tong in het
midden van de mond ligt en de mondhoeken niet te ver uit elkaar zijn,
spreken we een doffe e of sjwa [ə] uit, zoals in het
lidwoord de of de tweede lettergreep van lopen. Als we de mond maximaal openen en de tong
laag houden, brengen we een a-klank voort
(fig. 1). Als we het voorste gedeelte van de tong hoog naar
voren opheffen (in de richting van het harde verhemelte, ook
palatum genoemd) terwijl we de mond nauwelijks openen, ontstaat een ie [i] (fig. 2) bij lippenspreiding, een uu [y] bij lippenronding. Als we daarentegen bij geringe
mondopening de tong hoog naar achteren welven (in de
richting van het zachte verhemelte, ook velum genoemd), verkrijgen we
een oe [u] (fig. 3). De ie en de uu noemen we hoge of gesloten1 voorklinkers, de oe een hoge of gesloten
achterklinker; de a is een lage of open klinker,
waarbij de (korte) a [α] van hand iets maar achteren ligt dan de (lange) a [a:] van maken.
De plaats, en vooral de vérplaatsingen van de tong bij de uitspraak van
deze klanken kunnen geschematiseerd worden in een trapezium (fig. 4).
Tussen de vier extreme punten (hier de vier hoeken van het trapezium,
fig. 5) zijn er talrijke tussenstanden mogelijk. Ik zet hier enkele
woorden op de plaats die hun stamvocaal in het trapeziumschema inneemt;
hierbij wordt met de lippenstand (gerond > <
ongerond) of met de klinkerlengte geen rekening
gehouden.
Sommige vocalen bestaan uit een combinatie van twee elementen. Bij de
articulatie van zulke tweeklanken (bijv. Nederlands
ei) glijdt de tong binnen dezelfde lettergreep van
de ene positie naar de andere.
Alleen al door de traploze werking van tong en lippen,
door de lengte van de stembandtrilling (lang tegenover kort) en door de
tegenstelling stoottoon t.o. sleeptoon zijn er honderden verschillend waarneembare klanken denkbaar. Toch
beperken zich de talen tot een vrijwel vast en getrapt
systeem van enkele tientallen klinkerfonemen. Diverse
klinkerinventarissen kunnen echter zeer uiteenlopend van omvang zijn;
het Nederlands heeft 16 klinkers en tweeklanken.
| | | |
fig. 1 aa [a:]
fig. 2 ie [i]
fig. 3 oe [u]
fig. 4 vocalentrapezium
| | | |
fig. 5 vocalentrapezium
Het dialect van Zichen-Zussen-Bolder (in de Belgisch-Limburgse gemeente
Riemst waar ik in mijn jeugd gewoond heb) kent 45 vocaalfonemen (zonder
de dimensie stoottoon/sleeptoon).
| |
2. Vocaalsysteem en spelling van het Nederlands
Het Nederlandse systeem bevat 16 klanken (fonemen): 3
tweeklanken, de sjwa, 5 korte, 4 lange en 3 klinkers die naargelang van hun
plaats in het woord lang of kort zijn. Met de stamklinker van de leenwoorden
serre of fair wordt geen rekening
gehouden.
| |
| | | |
De korte klinkers
Buiten de sjwa [ə] of doffe (of toonloze) e heeft het Nederlands 8 korte klinkers, die
in het uitspraaktapezium niet symmetrisch geplaatst kunnen worden.
(1) Op de horizontale as (voor/achter, ook palataal/velaar genoemd) beschouwd, onderscheiden we 3 ongeronde voorklinkers, 2 geronde voorklinkers, 2
achterklinkers en de lichtjes velare a (die
dus evt. ook als achterklinker beschouwd kan worden). Bij de
achterklinkers bestaat er geen tegenstelling gerond/ongerond; in de
praktijk worden de bovenste achterklinkers echter gerond uitgesproken,
terwijl bij de a de mond zo wijd geopend is dat echte
lippenstulping niet meer mogelijk is.
(2) Op de verticale as (hoog/laag) maakt het
Nederlandse systeem gebruik van maximaal 4 openingsgraden - we zouden
ook van 4 trappen of niveaus kunnen spreken. Het
korte-klinkersysteem bestaat uit: 3 gesloten klinkers
(ie, uu en oe, eerste en hoogste
niveau), 2 vrij gesloten klinkers (i
[I] en u [Y], tweede niveau), 1 open
klinker (de a, vierde en laagste niveau) en tenslotte
tussen deze twee laatste niveaus de klinkers van pet
en pot; beide worden meestal als vrij
open geklasseerd hoewel de o [ɔ] m.i. iets
hoger uitgesproken wordt en eigenlijk half (-open of
-gesloten) genoemd zou kunnen worden.
Om de foneeminventaris van een taal op te stellen zoeken we uit welke
klanken betekenisonderscheidend kunnen werken; daartoe doen we een
aantal proeven. We selecteren korte woorden die minimaal van elkaar in
uitspraak verschillen en gaan na of dit minimale verschil
een verschil in betekenis kan dragen. Ingeval we een totaal
ander begrip verkrijgen als we de (hier:) korte klinker van een woord
vervangen door een andere korte klinker, zijn we zeker dat we met twee
verschillende fonemen te doen hebben. En als een woord door de
verlenging van zijn (stam)klinker een andere betekenis krijgt, is het
onderscheid kort/lang vanzelfsprekend relevant. Wel moeten we bedenken
dat we er slechts zelden in slagen met éénzelfde woordpatroon alle
fonemen te achterhalen. Zo kennen we in de Nederlandse omgangstaal wel
piet, pit, put, pet, pot en pad, maar niet *poet en *puut1; daarom
proberen we verder met mis, mus, mes, mos en moes,
terwijl we ons voor de uu tevreden moeten stellen met
dispuut t.o. piet,
put enz. of met de eigennamen Ruud tegenover
Riet. Het systeem van de korte klinkers in het
Nederlands ziet er als volgt uit:
| | | |
de Nederlandse korte klinkers
| |
ongeronde voorklinkers |
geronde voorklinkers |
achterklinkers |
| gesloten |
p
ie
t |
R
uu
d |
m
oe
s |
| vrij gesloten |
p
i
t |
p
u
t |
|
| vrij open |
p
e
t |
|
p
o
t |
| open |
|
p
a
d |
|
fig. 6
Het zal zeker een aantal lezers bevreemden dat we de stamklinkers van piet, Ruud en moes bij de korte onderbrengen. Toch
moet hier herhaald worden dat deze vocalen in de besproken woorden in
het Standaardnederlands inderdaad kort zijn. Wel spreken veel Brabanders
en Antwerpenaren deze soms lang uit en zet het schriftbeeld en het
spellingsonderwijs er ons ook toe aan. Bovendien bestaat er in het
Nederlands ook een lange [i:] met dezelfde articulatie en dezelfde
schrijfwijze als de korte; deze lange treffen we echter alleen maar voor
een r aan. Omdat voor een r
anderzijds geen gesloten korte [i], [y] of [u] kan voorkomen, beschouwt
men de korte en de lange in het systeem als varianten van dezelfde
klank. In de linguistiek noemt men dan de stamklinkers van piet en mier combinatorische varianten of
allofonen van hetzelfde foneem.
| |
De lange klinkers
Het Nederlands kent 7 lange klinkers. Op de verticale as heeft het Nederlands hier 3
niveaus, die we nu ‘gesloten > < half > < open’ noemen; op het
hoogste niveau bevinden er zich 3 klinkers, op het middelste ook 3, op
het laagste één. Horizontaal beschouwd hebben we 2 ongeronde en 2 geronde voorklinkers, 2
achterklinkers en een
aa
die bij de meeste taalgebruikers lichtjes palataal klinkt en dus
ook als een lage voorklinker zou kunnen gelden. De minimale paren
waarmee we de juistheid van deze inventaris van de korte klinkerfonemen
aantonen, eindigen allemaal op een r, omdat - zoals
hierboven reeds gemeld - de hoge | | | | lange klinkers in het
Nederlands alleen voor een r voorkomen. Het systeem
ziet er dan als volgt uit:
de Nederlandse lange klinkers
| |
ongeronde voorklinkers |
geronde voorklinkers |
achterklinkers |
| gesloten |
b
ie
r |
b
uu
r |
b
oe
r |
| half |
b
ee
r |
b
eu
r |
b
oo
r |
| open |
|
b
aa
r |
|
fig. 7
| |
Tweeklanken
Het Nederlands kent 3 tweeklanken of diftongen, wat meteen uit de
tegenstelling geit > < guit >
< goud blijkt. De eerste kan ook ij (bijt), de tweede ook au (saus) geschreven worden. Het eerste element van deze tweeklanken is een heldere klinker die
zich ongeveer op de hoogte van bed en mot bevindt; het eerste element van geit/bijt is
een ongeronde voorklinker, van guit een geronde
voorklinker en van goud/saus een (geronde)
achterklinker. Het tweede element is geen heldere
klinker, maar slechts een j in de tweeklanken ei en ui, en een w
in de ou. Omdat het tweede element dus minder
doorweegt dan het eerste kunnen we deze diftongen (fonetisch: [ɛi], [oey] en [ɔu]) bovendien ook nog dalend noemen.
Bij elk van deze tweeklanken gaat de uitspraak dus over van ‘vrij open’ naar ‘gesloten’ (of ‘hoog’); omdat de mond zich bij de uitspraak van de Nederlandse
tweeklanken sluit, spreken we ook van sluitende - dalende - tweeklanken of diftongen.
| | | |
de Nederlandse tweeklanken
| ongerond voor |
gerond voor |
achter |
| geit |
guit |
goud |
figuur 8
| |
De Nederlandse spelling
De Nederlandse spelling slaagt erin met 5 letters de 16 vocalen
bevredigend weer te geven; dit lukt door
| - | de combinatie van 2 verschillende tekens: eu, oe, ie,
ei, ou, ui; |
| - | een systeem van enkel en dubbel schrijven van klinker- en
medeklinkerletters bij a, e, o en u (pot >
< poot > < potten
> < poten); |
| - | aan het teken e in onbeklemtoonde positie nog
een derde klinkerkwaliteit, nl. de sjwa [ə], toe
te kennen (vandaar deken en dek). |
De Nederlandse vocaalspelling vertoont echter ook een aantal kleine
gebreken; ik noem hier slechts het gebruik van ei en
ij enerzijds en ou en au anderzijds voor dezelfde tweeklank, het occasioneel
gebruik van i en ie voor dezelfde
klank (gieter rijmt op liter) en de
noodoplossing goochelen (> < rochelen).
| |
3. Een dialectspelling
Een dialectspelling is bedoeld voor taal- en dialectliefhebbers en
onderzoekers die taalvormen willen neerschrijven die nadien makkelijk
leesbaar moeten zijn. De spellingsprincipes voor een dialect hoeven niet
anders te zijn dan die voor de standaardtaal; ze kunnen integendeel veel
consequenter toegepast worden, namelijk zonder rekening te moeten houden met
hinderlijke tradities.
Een degelijke spelling heeft voor elke distinctieve klank
één teken, dat op zijn beurt slechts één klank mag voorstellen. Een handige dialectspelling sluit aan bij de schrijf- en
leesgewoonten van haar modale gebruiker, en doet dus in ons geval een beroep
op de conventies van het Nederlands, op bestaande dialectspellingen (in
Limburg de Veldekespelling) en gaat desnoods te leen bij
de naaste buren (het Duits of het Frans). Het voorstel dat volgt, is
tegelijk conservatief en pertinent, en wil slechts een beetje
beter zijn dan de Nederlandse spelling; het | | | | neemt alle
bruikbare formules over, maar is geen geschiedschrijving ván en treedt niet
in discussie mét bestaande systemen.
Omdat elk dialect zijn eigen fonologisch systeem heeft, moet er voor ieder
dialect een eigen spelling ontworpen worden. Dit opstel geeft een aantal
algemene aanwijzingen die in het beste geval nadien door de plaatselijke
schrijvers geconcretiseerd moeten kunnen worden.
| |
Leren luisteren
De eerste stap bij de opbouw van een spelling is de
inventarisering van de fonemen, d.w.z. van de klanken die
betekenisverschil kunnen schragen (zie hierboven). In de praktijk
leveren hierbij alleen de klinkers en tweeklanken problemen op. In deze
fase moeten we dus vooral luisteren, verschillen leren
horen, klankonderscheid trachten waar te nemen. Ingeval van
twijfel of ter staving van een vermoed verschil doen we de
vervangingsproef met de minimale paren, zoals hierboven; dus: dier, duur, door, deur etc. We mogen ons daarbij niet
laten beïnvloeden door het Nederlandse schriftbeeld: geit
en been kunnen in het dialect inderdaad dezelfde stamklinker
hebben, maar schaap hoeft niet overal te rijmen op aap! Na wat oefening weten we hoeveel voorklinkers er
zijn, welke tweeklanken we moeten schrijven, of hoe het zit met de
achterklinkers. Pas als we de klinkers in de juiste volgorde op de as
hoog/laag, voor/achter kunnen zetten en lang tegenover kort en gerond
tegen ongerond weten te plaatsen, zijn we echt klaar om op de klanken
letters of lettercombinaties te ‘plakken’.
Als de Nederlandse lettervoorraad ontoereikend is, maken we
lettercombinaties of gebuiken umlauten en accenten; zoals in het Frans
is een letter met accent aigu hoger dan een letter met accent grave; in
de praktijk betekent dit dat een letter met accent aigu een hogere
(geslotenere) kwaliteit verleent dan dezelfde letter in het
Standaardnederlands en dat een accent grave aan deze letter een lagere
(openere) kwaliteit toekent dan deze in het Nederlands heeft.
| |
3.1. Klinkers
Ik ga ervan uit dat alle Limburgse dialecten kunnen toekomen met een
systeem waarin voorzien is in vijf openingsgraden (niveaus)
voor- én achterklinkers. Ingeval een dialect evenveel fonemen
en niveaus heeft als mijn (nogal extreem, | | | | maar niettemin
reëel1) voorstel, kan het theoretisch
door de spellingontwerper voor die plaats overgenomen worden, hoewel
niet elke letter van mijn dialect voor precies
dezelfde klank moet staan in het zijne. Wie anderzijds een dialect
bewerkt met een minder omvangrijk systeem, bijvoorbeeld met slechts 4
openingsgraden, kan één van mijn vijf letters of lettercombinaties laten
vallen. In de keuze die hij of zij daarbij maakt, moet niet alleen
rekening gehouden worden met de waarde die het letterteken in mijn
systeem heeft, maar dient ook naar eenvoud en gemak
gestreefd te worden. Praktisch houdt dit in dat hij zoveel
mogelijk moet trachten het minst gecompliceerde teken te behouden, zeker
als dit ook in het Nederlandse systeem een vergelijkbare klankwaarde
heeft. Een spelling is in eerste instantie een afspraak, een soort contract tussen schrijver en lezer dat
consequent nagekomen moet worden.
Zo onderscheid ik in mijn systeem 3 open (telkens korte én lange)
klinkers omdat ik het verschil moet kunnen weergeven tussen bijv. (1)
Tongers aed, haef (Nl. oud, half),
(2) Maastrichts of Hasselts daag, kaar (Nl. dag, kar) en (3) Hasselts nààt, lààt
(Nl. nat, laat). In werkelijkheid zal er echter geen
dialect bestaan met 6 a's, waardoor de concrete
spellingsrealiteit eenvoudiger wordt.
In de tabellen die hier volgen, worden voor de korte en lange klinkers,
voor de ongeronde en geronde voorklinkers en voor de achterklinkers van
boven naar beneden telkens de volgende niveaus onderscheiden: (1) gesloten (= hoog), (2) vrij gesloten
(= vrij hoog), (3) half (= halfopen of halfgesloten,
half hoog of half laag), (4) vrij open (= vrij laag)
en (5) open (= laag). In dit model ga ik uit van 5
articulatorisch-perceptief op gelijke afstand van elkaar liggende
vocaaltrappen. Horizontaal ziet men achtereenvolgens van links naar
rechts: (1) het door mij voorgestelde letterteken, (2)
een fonetische transcriptie, (3) de benaderende
uitspraakweergave in een Nederlands, Frans, Duits of Engels woord en eventueel (4) een korte commentaar.
De voorbeelden uit de 4 standaardtalen bevredigen vaak niet omdat de
aanwezige klinker niet op de precieze plaats in het trapezium staat;
primair is echter het model, nl. de door mij aangenomen getrapte
geleidelijkheid.
| | | |
korte ongeronde voorklinkers
|
ie
|
[i] |
Nl. ziet, lied Fr. huit, qui |
korte klinker |
|
i
|
[I] |
Nl. zit, kin Dt. Birke, Tisch |
|
|
é
|
[e] |
Fr. cette, mais Dt. fett, Messer |
Duitse klank iets opener dan Franse |
|
e
|
[ɛ] |
Nl. wet, bed |
|
|
è
|
[æ] |
En. manner, camel |
zeer open klank, bijna een a |
fig. 9
lange ongeronde voorklinkers
|
īē
|
[i:] |
Nl. mier, gier Dt. lieb, Wiese |
|
|
éé
|
[I:] |
Dt. See, dehnen |
|
|
ee
|
[e:] |
Nl. leren, proberen |
de Nederlandse klank is meestal iets geslotener |
|
èè
|
[ɛ:] |
Fr. père, bête Nl. flair, mayonaise |
|
|
ae
|
[æ:] |
En. mad, bag |
|
fig. 10
| | | |
korte geronde voorklinkers
|
ü
|
[y] |
Nl. Jules, minuut Fr. lune, rue |
korte klinker |
|
u
|
[Y] |
nl. dun, mug Dt. Hülle, müssen |
|
|
ö
|
[ø] |
Fr. seul, oeuf Dt. Köln, Löcher |
|
|
ù
|
[oe] |
En. cut, country |
de bedoelde klank is - i.t.t. de Engelse - gerond |
|
á
|
[a] |
Dt. Land, Matte |
mediaal; wijde mondopening neutraliseert ronding |
fig. 11
lange geronde voorklinkers
|
uu
|
[y:] |
Nl. zuur, kuur Fr. lügen, grüß |
|
|
úú
|
[Y:] |
Dt. schön, Fön |
|
|
eu
|
[ø] |
Nl. leuren, deur |
Nederlandse klinker is meestal iets hoger |
|
äö
|
[oe:] |
Nl. freule Fr. peur, fleur |
bedoelde klank is langer dan de Franse in Frankrijk |
|
aa
|
[a:] |
Nl. maken, gaan |
mediaal; wijde mondopening neutraliseert ronding |
fig. 12
| | | |
korte achterklinkers
|
oe
|
[u] |
Nl. goed, boeg Fr. mousse, coup |
|
|
ó
|
[U] |
Dt. Mutter, Kuß Fr. beau, mot |
hoger dan Nl. toneel, politiek |
|
o
|
[o] |
Nl. pot, vos Dt. Loch, Most |
de Duitse klank is lager dan de Nederlandse |
|
ó
|
[ɔ] |
En. stop, wash |
|
|
a
|
[α] |
Nl. dat, zand |
|
fig. 13
lange achterklinkers
|
ōē
|
[u:] |
Nl. boer, stoer Dt. Fuß, Kuchen |
|
|
óó
|
[U:] |
Dt. Sohn, Dom |
|
|
oo
|
[o:] |
Fr. horen, koor |
De Nederlandse klank is meestal iets hoger |
|
ao
|
[ɔ:] |
Fr. corps, Laure En. law, brought |
De Franse klank is iets medialer |
|
àà
|
[α:] |
Dt. Hahn, fahren En. lance, large |
|
fig. 14
| | | |
samenvatting
| |
ongeronde voorklinkers |
|
geronde voorklinkers |
|
achterklinkers |
|
| |
kort |
lang |
kort |
lang |
kort |
lang |
| gesloten |
ie
|
īē
|
ü
|
ūū
|
oe
|
ōē
|
| vrij gesloten |
i
|
éé
|
u
|
úú
|
ó
|
óó
|
| half |
é
|
ee
|
ö
|
eu
|
o
|
oo
|
| vrij open |
e
|
èè
|
ù
|
äö
|
ò
|
ao
|
| open |
è
|
ae
|
á
|
aa
|
a
|
àà
|
| |
|
|
doffe [ə] |
doffe [ə] e |
e
|
|
fig. 15
De cursieve letters in de grijze vlakken bestaan ook in het Nederlands en
hebben er dezelfde klankwaarde. Als er op de horizontale lijn enige
inconsequentie o.m. in het gebruik van de Franse accenten te voorschijn
treedt (bijv. in de rij vrij open of open), is dit te wijten aan de handhaving van het Nederlandse
letterteken met de Nederlandse klinkerkwaliteit; vertrekkende van deze
letters is immers een aigu gegeven aan de hogere en een grave aan een
lagere klank. Een beroep op de béide accenten was noodzakelijk om de
vijf openingsgraden te kunnen overspannen; daardoor is van een regel uit
sommige bestaande spellingssystemen afgeweken. Bedoeld is dat ik voor de
klinker [e] (‘ongeronde korte voorklinker half’) een é
voorstel, terwijl anderen een è gebruiken, bijv. in de
weergave van vis, bed of nest in
vele Limburgse dialecten.
| |
Medialisering
Hier werd tot nog toe de indruk gewekt dat er op de horizontale as 3
mogelijkheden bestaan, noch min noch meer, nl. voor/ongerond,
voor/gerond en achter. De werkelijkheid is echter complexer. Er zijn
namelijk dialecten in (Belgisch-) | | | | Limburg zonder
geronde voorklinkers, waar men dus bijvoorbeeld van vier en deer voor Nl. vuur en deur spreekt. Voor een
dialectspelling vormt dit op zich geen probleem: de middelste twee
kolommen van bovenstaande tabel zijn dan gewoon niet nodig. In
bepaalde ontrondende dialecten echter hebben de
velare of achterklinkers (die vanzelfsprekend ook aan deze
ontronding blootstaan) de neiging om naar het midden op te schuiven
precies omdat de geronde reeks ontbreekt. Bij zulke medialisering
concentreert de tongmassa zich dus meer naar het midden toe; deze
mediale klanken komen hoofdzakelijk bij de
twee hoogste klanken voor. In deze dialecten lijkt de oe vaak op een uu met lippenspreiding,
en de oo op een ontronde eu. Wat
moet de dialectspeller in dit geval doen?
Als de mediale klinkers (of tweeklanken) sterk op een ūū of een eu (voor de korte bijvoorbeeld:
ü of ö) gelijken, is er geen
bezwaar tegen om ze ook als zodanig te schrijven, aangezien de échte
geronde uu, eu enz. in een ontrondend dialect toch
niet voorkomen. Als om één of andere reden toch de noodzaak
aangevoeld wordt om deze mediale klinkers van een eigen teken te
voorzien, stel ik de tekens
fig. 16: extra tekens voor mediale klinkers
voor. Desnoods zou men aan deze tekens een onderling verschillende
klankwaarde kunnen toekennen; hiertoe hoeft men echter alleen zijn
toevlucht te zoeken als ten eerste de gebruikelijke tekens voor de
weergave van de mediale dialectklanken werkelijk zouden storen, en
als er ten tweede verschillende van zulke ‘lastige’ klanken in één
dialect naast elkaar zouden voorkomen.
| |
Mouillering
Onder de medeklinkerspelling wordt straks de (vooral Middenlimburgse)
mouillering besproken. Deze eigenaardigheid kan ook zijn weerslag
hebben op de voorafgaande klinker, waardoor deze met een lichte i- of j-naslag wordt
uitgesproken. | | | | Wie deze vocaalmouillering in de spelling
wenst weer te geven, verwijs ik naar de behandeling van de
tweeklanken.
| |
3.2. Enkel en dubbel schrijven - open en
gesloten lettergreep
In het Nederlands schrijven we de stamvocaal van het woord streek anders dan die van streken en de
medeklinker van strek anders dan in strekken. Het lager onderwijs is erin geslaagd ons in dit
verband de begrippen open en gesloten lettergreep (die
m.i. overigens op een cirkelredenering berusten) te doen begrijpen. Wat
doen we hiermee in onze spelling?
Ik stel voor dat we weer zo weinig mogelijk afwijken van de Nederlandse
principes. Na een korte klinker schrijven we de medeklinker dubbel als er in het woord nog een
lettergreep volgt, dus bijv. bek (Nl. bek) tegenover bekker (Nl. bakker); dit doen we ook als het letterteken vóór deze korte klinker uit twee elementen bestaat, bijv.
Vroenhovens kloet resp. kloette (Nl.
kloot, kloten) of Eijsdens ene
diekke (Nl. een dikke [man]). De lange vocaal schrijven we in ‘gesloten’ lettergreep dubbel en
in ‘open’ enkel, als het om een enkelvoudig teken
zonder accent of umlaut gaat, dus bijv. hoos >
< hoze (= Nl. kous) of loop > < lope. Als het teken
uit twee verschillende letters (deur, deuren) of
letters met accenten of umlaut bestaat, verkorten we niet in ‘gesloten’
lettergreep, dus: brèèk, brèèken. Naar analogie met
Nl. goochelen moeten we de lange
klinker die de tekencombinatie sj [ʃ] voorafgaat,
dubbel schrijven, dus bijv. Remersdaals sjtaasje (Nl. statie, station).
Als een tweeklank (zie o.a. fig. 17) op een tweede element eindigt dat
bijv. van de zogenaamde halfvocaal [w] en [j] niet meer te onderscheiden
is, verdient het aanbeveling ook w en j als medeklinkers te beschouwen en ze te verdubbelen als hij ze
‘gesloten’ lettergreep staan zoals in Maastrichts 'ne
awwe > < 'n aw (Nl. een oude
[man] > < een oude [vrouw]) of hajje (Nl. haasten). Ook als
omgekeerd (cfr. fig. 22) het eerste diftongelement een duidelijke [w] of
[j] is en het tweede een korte klinker, lijkt het verantwoord de
medeklinkerletter die op zulke tweeklank volgt te verdubbelen: bijv.
dial. dwazze of kjesse (Nl. resp.
dozen, kaarsen) om niet in botsing te komen met de
Nl. schriftbeelden dwaze en gehesen.
| |
| | | |
3.3. Tweeklanken
Een tweeklank bestaat uit de combinatie van twee vocale elementen; binnen
dezelfde lettergreep glijdt de tong van de ene positie naar de andere.
Uit de taalgeschiedenis is bekend dat een eenklank zich tot een
tweeklank kan ontwikkelen en omgekeerd. Ons spreekorgaan is voortdurend
in beweging; als die beweging binnen een klinker plaatsheeft, ontstaat
een tweeklank; als de beweging binnen een tweeklank ophoudt ontstaat een
eenklank (monoftong). Dit laatste maken we mee bij mensen uit het
zuidelijk centrale deel van ons dialectgebied die meisje of ijs uitspreken als mèèsje en èès. Het eerste heeft plaats in het
noord(westen) van ons taalgebied waar zee en rood uitgesproken worden als [zei] en rout].
De verschillende fasen (d.w.z. ‘in de tijd achter
elkaar’) in de ontstaansgeschiedenis van een tweeklank vinden we
vaak ruimtelijk naast elkaar terug in het
dialectlandschap. Aan de hand van twee voorbeelden (er zijn er veel meer
denkbaar) proberen we het verband tussen de diverse diftongen te
begrijpen.
| 1e | denkbare ontwikkelingslijn: een lange [i:] ontwikkelt zich tot
[I:i] > [e.i] > [ɛi]; zo krijgen we dialecten met gries en andere met grijs, of zelfs gries (als onverbogen vorm) naast grijs (verbogen vorm) in één en hetzelfde dialect. |
| 2e | mogelijkheid: een korte [i] wordt gerekt tot [i.ə], waarna het
kleurloze tweede element kleur krijgt > [i.e] > [i-e] en evenwaardig
wordt; vervolgens neemt het tweede element de overhand op het eerste
> [je]. Zeker luidt dan in sommige dialecten
[zi.əkər], in andere [zi.ekər] of [zjekər]. |
Globaal genomen kunnen we drie soorten tweeklanken
onderscheiden:
| dalende: beginnen met een heldere klinker en
eindigen op een j of een w; |
| stijgende: beginnen met een j
of een w en eindigen op een heldere klinker; |
| tweetoppige: - meestal naslagklinkers - beginnen
met een heldere klinker en eindigen ofwel op een andere heldere
klinker of op een zwak uitgesproken vocaal, meestal de kleurloze
[ə]. |
| |
3.3.1. Dalende tweeklanken
We vertrekken van de klankwaarde van de Nederlandse tweeklanken
(tabel. 8) en geven die weer met de Nederlandse lettercombinaties
ei, ui en ou (vandaar ook
| | | | de cursieve letters in de grijze vakken van tabel
17). Omdat ons uitgangspunt de Nederlandse spelling is en
schriftbeelden als pein, leifke en veif voor Nl. pijn, lijfje en vijf storend kunnen zijn, ben ik van oordeel dat
dialectwoorden met [ɛi] die in het Nederlands
met ij geschreven worden, hun spelling mogen
handhaven; hetzelfde kan ook gelden voor paus en
saus als die woorden in het Nederlands en in
het dialect dezelfde uitspraak kennen.
Zoals hierboven reeds gezegd, is het eerste element in de drie
gevallen ‘vrij open’, en het tweede een j (eigenlijk een zeer korte [i]) bij de ei, eveneens een j (eigenlijk
een zeer korte [y]) voor de ui, en een w (eigenlijk een zeer korte [u]) voor de ou. De (vrij open) ongeronde voorklinker, geronde
voorklinker en achterklinker zoeken dus elk heel even hun
respectieve gesloten (hoge) klinker op, en verenigen er zich mee tot
een tweeklank, die we daarom ook nog sluitend
kunnen noemen.
Als in een dialect het eerste element geslotener is dan in de
Nederlandse diftong, plaatsen we er een aigu op; is het duidelijk
opener dan krijgt het een grave - waarbij we ù en
ò gemakshalve meestal door een a kunnen vervangen. Het tweede element geven we d.m.v. een i weer als de naslag een j is,
en met een u als de naslag een w
is; toch schrijven we - in de Limburgse traditie overigens - de
combinatie van [a] met [w] liever aw omdat de
spelling au onder Nederlandse invloed tot een
uitspraak [ɔu] zoals Nl. paus
kan leiden1. Hierdoor
verkrijgen we het volgende schema:
| 1e element |
ongerond voor |
gerond voor |
achter |
| vrij gesloten |
éi
|
úi
|
óu
|
| vrij open |
ei of ij |
ui
|
ou of au |
| open |
èi
|
|
aw
|
fig. 17
| | | |
Een voorklinker kan ook met een achterklinker tot een sluitende
tweeklank gecombineerd worden, en een achterklinker ook met een
voorklinker. Als het eerste element een é, e, è, ú
of u is en het tweede als w
gehoord wordt, is het verkieslijk het tweede element in dit geval
ook w te schrijven omdat anders verwarring met eu en uu dreigt. Uit de denkbare combinaties
| 1e element |
ongerond voor |
gerond voor |
achter |
| half |
éw
|
úw
|
ói
|
| vrij open |
ew
|
öw
|
oi
|
| open |
èw
|
|
ai
|
fig. 18
kiezen we de formule die de dialectwerkelijkheid het gemakkelijkst
weergeeft, maar toch niet in botsing komt met de Nederlandse
spelling.
In het Nederlands en in de meeste dialecten is het eerste element van
een dalende diftong half lang; stoottonig is hij natuurlijk iets
korter dan sleeptonig. In sommige dialecten echter staat er naast
een reeks tweeklanken met een kort eerste element nog een tweede
reeks met een eerste element dat lang is, maar verder dezelfde
uitspraakkwaliteit heeft. In zo'n dialect klinkt bijv. het woord
voor Nl. lieden/lui als Nl. ‘lui met
korte ui’, terwijl het woord voor Nl. lui/vadsig uitgesproken wordt als Nl. ‘lui
met lange ui’; het gaat hier meestal om tongvallen waarin
geen tegenstelling tussen stoot- en sleeptoon bestaat. De beste
oplossing bestaat er volgens mij in het lange eerste element in
zulke gevallen te schrijven als een lange klinker (in gesloten
lettergreep, d.w.z. eventueel dubbel); het tweede element schrijven
we weer i of u (desnoods w zoals hierboven in een paar gevallen).
Hoe gaat het nu concreet in zijn werk? Nadat we d.m.v. de
vervangingsproef de zekerheid verkregen hebben dat er in een dialect
duidelijk lange naast korte tweeklanken bestaan en dit verschil niet
aan de Limburgse polytonie toe te schrijven is, nemen we voor de
verlenging van de dialectale reeks ei > <
ui > < ou (in fig.
17: ‘vrij open’) de lange vocaalrij ‘vrij open’ (fig. 15) en voegen er een i
of een u aan toe. Is de lange tweeklank geslotener
dan kiezen we de lange ‘vrij gesloten’ klinkers;
is het eerste element open, dan gaan we | | | | naar de laagste
lange klinkerrij. De verlenging van de bovenstaande tabel (fig. 18)
ziet er dan als volgt uit:
| 1e element |
ongerond voor |
gerond voor |
achter |
| vrij gesloten |
ééi
|
úúi
|
óóu
|
| vrij open |
èèi
|
äöi
|
aow
|
| open |
aei
|
|
aaw
|
fig. 19
Als het eerste element uittgesproken wordt zoals Nl. ee > < en
> < oo, d.w.z. tot de rij ‘half’ behoort, verkrijgen we:
| 1e element |
ongerond voor |
gerond voor |
achter |
| half |
eei
|
eui
|
ouu
|
fig. 20
De verlenging van de tweeklanken uit de tabellen 19 en 20 tenslotte
ziet er zo uit:
| 1e element |
ongerond voor |
gerond voor |
achter |
| vrij gesloten |
ééw
|
úúw
|
óói
|
| half |
eew
|
euw
|
ooi
|
| vrij open |
èèw
|
äöw
|
aoi
|
| open |
aew
|
|
aai
|
fig. 21
| |
| | | |
3.3.2. Stijgende tweeklanken
In tegenstelling tot de Nederlandse standaardtaal bestaan er in vele
andere talen ook stijgende diftongen. Bij déze
klanken gaat de uitspraakbeweging niet bijv. van een e naar een i of j, maar
omgekeerd van een i (of een j)
naar een e, of niet van een o
naar een w maar van een w naar
een o. Een hoge (of gesloten) klank verenigt zich
nu met een lagere (of openere) tot een tweeklank, die we daarom openende tweeklank noemen. Het Frans heeft een
aantal stijgende openende tweeklanken, bijv. in pied of boire. De woorden voor nl. zeker, boven, paard, kaas en doos hebben in veel Limburgse dialecten eveneens een stijgende
openende tweeklank; die luiden bijv. resp. [zjekər], [bwovə],
[pjɛt], [kjɛs] en [dwas].
Omdat de Nederlandse standaardtaal geen openende diftongen bezit,
kunnen we meteen uitgaan van onze vocaalspelling (fig. 15). We
trachten de dialectale tweeklank in zijn twee elementen te splitsen
en geven aan elk element zijn letter. Omdat het aantal tweeklanken
beperkt is, vereenvoudigen we het teken door bijv. de accenten weg
te laten. In de meeste gevallen zullen de volgende reeksen volstaan:
| 2e element |
ongerond voor |
gerond voor |
achter |
| half |
jé en wé |
jö en wö |
wo en jo |
| (vrij) open |
je en we |
|
wa en ja |
fig. 22: stijgende openende tweeklanken
| |
3.3.3. Tweetoppige tweeklanken, naslagklinkers en nog (vele)
andere meerklanken
De eenvoudigste tweeklanken van deze derde categorie zijn de (half
lange) klinkers met een sjwa-naslag. Om die schriftelijk weer te
geven gaan we uit van de lange klinkers uit tabel 15 en voegen er
een ë (e met een trema) aan toe;
om het teken te vereenvoudigen trachten we per klank niet meer dan 3
letters te gebruiken, d.w.z. we verdubbelen het eerste letterteken
niet. Ik stel 3 openingsgraden voor:
| | | |
| 1e element |
ongerond voor |
gerond voor |
achter |
| (vrij) gesloten |
ië
|
uë
|
oeë
|
| half |
eë
|
euë
|
oë
|
| (vrij) open |
èë of aeë |
äöë
|
aoë
|
fig. 23: naslagklinkers
Er zijn echter ook - vanzelfsprekend binnen dezelfde lettergreep -
combinaties mogelijk van twee heldere klinkers die
ongeveer evenwaardig zijn. In dit geval trachten we de twee
elementen van deze tweeklank te identificeren en geven we aan elk de
waarde van een korte klinker (uit tabel 15). Dit leidt dan tot
woordbeelden als bijv.:
kiès, drüèg
of
drüag, doas
Hoe dan ook is de bovenstaande voorstelling en indeling van de
tweeklanken een grove vereenvoudiging van de uitspraakwerkelijkheid
omdat er maar drie of vier extreme gevallen uit de eindeloos
gevarieerde meerklankige taalrealiteit gepikt werden. Een zogenaamde
tweeklank bestaat nl. uit een beweging van de ene plaats in de mond
naar de andere, maar bij de weergave ervan geven we traditioneel
alleen het begin en het einde weer; de hele articulatiebeweging van
de [ɛ] naar de [i] in Nl. ijs of eis wordt ook in fonetische tekens slechts weergegeven als
[ɛI] of [ɛi], d.w.z. met het begin- en
eindelement. In sommige gevallen hoort de aandachtige taalwaarnemer
binnen de slingerbeweging echter nog een klinker, zodat hij van
oordeel is dat een
drieklank
uitgesproken wordt. Een spelling als bijv. doewas voor eensyllabig [duuas] leidt
echter tot misverstanden. Men moet dus met zichzelf en met zijn
lezers compromissen sluiten en eenvoudige afspraken maken: niet meer
dan twee elementen trachten weer te geven en het aantal tekens
beperken.
| |
3.4. De Limburgse polytonie
Een belangrijk en vooral typisch Limburgs (ook Rijnlands) vocaal of
syllabisch kenmerk is de polytonie, de tegenstelling stoottoon >
< sleeptoon. Hierop is bijvoorbeeld in het Sittards het verschil
tussen de begrippen ‘zegen’ en ‘zagen’ | | | | gebaseerd, of tussen
‘uur’ en ‘hoer’ in Hasselt, tussen ‘deur’ en ‘stier’ in Genk, tussen
‘veulen’ en ‘voelen’ in het Maastrichts.
In de Limburgse dialectliteratuur is men het nog niet eens
of en hoe dit
interessant distinctief kenmerk weergegeven moet worden. Wel is men het
erover eens dat de sleeptoon aangeduid wordt en niet de stoottoon. Ik
vermeld hier de ernstigste spellingsvoorstellen terzake (het vijfde is
van mij):
| (1) | een accent circonflexe op het (laatste) klinkerteken |
| (2) | een punt achter het klinkerteken |
| (3) | de aanduiding (sl.) achter het woord |
| (4) | een streepje onder het klinkerteken |
| (5) | cursieve weergave van het klinkerteken |
| (6) | geen aanduiding van het verschijnsel |
Elk voorstel heeft zijn nadeel. De circumflexus maakt een letterteken dat
er al een diacritsch teken (aigu, grave, trema of umlaut) bij heeft
gekregen, nog complexer; voorstellen (2) en (3) onderbreken de lineaire
woord- resp. regelstroom. (4) en (5) kunnen met de tekstopmaak in
botsing komen; (6) ten slotte is eigenlijk een aanslag van de spelling
op de talige werkelijkheid.
| |
3.5. Medeklinkers
Als bij het spreken de uitgeademde lucht tijdens haar passage via de
mond-, neus- of keelholte vrij naar buiten kan
stromen, ontstaat een klinker. Wordt daarentegen de
ademstroom tengevolge van allerlei articulatiebewegingen belemmerd, dan
ontstaat een geruis dat we medeklinker of consonant noemen. Hier zijn er
doorgaans twee mogelijkheden: ofwel wordt de luchtstroom heel even
volledig tegengehouden en plots weer vrijgelaten (= occlusieven of ploffers), ofwel wordt de luchtstroom door een
vernauwing gestuwd zodat een wrijving hoorbaar wordt (= fricatieven of ruisers). De consonanten kunnen bovendien
uitgesproken worden terwijl de stembanden in het strottenhoofd trillen
(stemhebbende medeklinkers) of aan de articulatie
niet deelnemen (stemloze). Er zijn echter nog allerlei
andere mogelijkheden, maar die hoeven ons niet verder bezig te houden
omdat ze geen spellingsprobleem vormen.
De medeklinkers vormen inderdaad het meer stabiele skelet van onze
taalbouwsels, waardoor de dialectale consonantenbestanden onderling en
tegenover het Nederlands minder verschillen vertonen dan de klinkers. In
enkele zuidoostelijke plaatsen van Nederlands-Limburg (Kerkrade, Simpelveld, Bocholtz en | | | |
Vaals) heeft weliswaar een belangrijke
verschuiving plaatsgevonden, maar die veroorzaakt geen
spellingsproblemen.
In het Nederlands is de [ʃ] van de woorden charme of
machine een leenfoneem en de voorlaatste klank van
meisje een assimilatieprodukt; de beginklank van
joviaal of genie is zelfs nog
zeldzamer. Onze dialectspelling moet voor deze twee medeklinkers in een
teken voorzien. De stemloze fricatief van bijv. de Diepenbeekse
uitspraak voor schoen en schoon of
de eerste klank van Teuvens sterk of slapen schrijven we
sj
, de stemhebbende fricatief van Valkenburgs zwijgen of zwemmen zj. Als
door deze lettercombinatie verwarring ontstaat met een [j] die op een
[s] volgt, scheiden we de beide tekens met een koppelteken, bijv. in
Kerkraads hüs-je (Nl. huisje).
In het Nederlandse klanksysteem bestaat er geen stemhebbende tegenhanger
van de [k] of - anders uitgedrukt - geen occlusieve pendant voor de Nl.
stemhebbende zachte ruiser g [γ] (bijv. Nl. gaan); het Frans en het Engels hebben deze medeklinker
[g] wel, bijv. in resp. gare of girl. Een aantal Limburgse dialecten kent deze stemhebbende
occlusief in het midden van een woord; in de meeste gevallen wordt hij
weergegeven d.m.v. de combinatie
gk,
bijv. Maaseiks of Maastrichts brögke (Nl. bruggen).
| |
Mouillering
Een groot aantal vooral Middenlimburgse dialecten wordt door mouillering gekenmerkt. Bij de uitspraak van de
palatale klanken t, d, n, l, s, in het woordmidden
of -einde legt de tong zich iets breder tegen het harde verhemelte;
daardoor wordt de tongbeweging slapper en weker, en horen we iets
als tj, dj, nj etc. in dezelfde lettergreep. Deze
eigenaardigheid wordt weergegeven door een
j
te plaatsen achter de betrokken medeklinkerletter, dus: handj, wintjer en geldj.
Ingeval in woorden als bedje, paardje of bandje de clusters dje of tje in tegenstelling tot het Nederlands als [tʃə]
uitgesproken worden, schrijve men (bijv.) ook bedsje,
pjedsje of bendsje.
| |
De knacklaut
In een aantal Nederlandse dialecten o.a. van noordelijk
Belgisch-Limburg, bestaat een medeklinker die in het strottehoofd gevormd wordt doordat de stembanden de
ademstroom helemaal blokkeren en hem dan explosieachtig weer
loslaten (= occlusief); deze klank wordt ook in
het Duits gehoord, bijv. bij het inzetten van | | | | de tweede
syllabe in woorden als Verein of Theater. In Lommel vervangt hij
de [k] in bijv. bakken of dekken. Men noemt deze klank knacklaut,
stembandocclusief, glottisslag of stembandklapper en hij wordt weergegeven door een
vraagteken-zonder-punt: baʔe, deʔe.
| |
De n na de doffe [ə]
Zoals in het Nederlands van de meeste taalgebruikers spreken we de
n na een doffe e in het
Limburgs niet (meer) uit en schrijven dus
consequent bijv. loupe, sjpringe, deure en gesjriëve. Als er echter een [ə] als
verbindingsklank voor een klinker of een medeklinker (vaak een h of een d of t) verschijnt, wordt de n wèl geschreven,
bijv. loupen en sjpringe of den hóónd of gistere kekden er (Nl. gisteren schreeuwde hij).
| |
3.6. Analogie
In heel wat Limburgse spellingsaanwijzingen wordt dit woord niet correct
begrepen of ten minste verkeerd uitgelegd. In het Nederlands schrijven
we land en kant omdat we in het meervoud (in de verbogen
vorm) van landen en kanten spreken; we schrijven dus de eindletter van het enkelvoud naar analogie met de verbogen vorm (het meervoud).
Het verschil tussen lag en lach, maar ook de gelijkvormigheid
tussen hij wordt en hij
hakt zijn op hetzelfde principe
gebaseerd. Niet consequent met de analogieregel is de Nederlandse
spelling huis/kuis en brief/laf die
eigenlijk huiz/kuis en briev/laf had
moeten zijn, en de spelling lasster/wijste (resp.
vrouwelijke beroepsnaam en superlatief). De dialectspellingen hanteren
vanzelfsprekend de analogieregel zoals de Nederlandse (met zijn
inconsequenties). We schrijven dus keend wegens kinder, hōēs ondanks hōēzer, maar heer vind_ (zonder t) wegens heer wérk_ (Nederlands hij vindt wegens hij
werkt) en wed_ g'r?
(zonder t) wegens höb_ g'r? (Nl. wedt gij? wegens hebt gij?). Anderzijds krijgen we bijv. in het
Tungelroys en het Weerts zie redtj
wegens zie lachtj (Nl. zij redt resp. zij lacht).
Een probleem onstaat er in een dialect dat voor handen/handje/handig resp. han/henneke/henneg zegt en de onverbogen onafgeleide vorm (Nl. hand) moet schrijven. Theoretisch heeft men er de
keuze tussen haand en haant, maar om
allerlei redenen verdient het toch aanbeveling aan het eerste de
voorkeur te geven.
| | | |
Wel zijn in de Limburgse dialectspellingen een aantal nieuwe
inconsequenties binnengeslopen; ik vermeld er hier twee, waarvan ik
alleen de laatste zou willen aanpassen.
(1) De meervoudsspelling brögke en bagken (Ned. biggen) resulteert niet in de
enkelvouden brögk/bagk maar in brök/bak (het Duits heeft wel Zug/Züge).
(2) Zoals bekend kennen de Limburgse dialecten het ‘kofschip’ niet: de verleden tijd van de zwakke
werkwoorden luidt er (met uitzondering van de in dialectale zin
niet-Limburgse plaatsen Lommel en Vaals/Kerkrade met hun omgeving) visde, werkde, laachde,
hoopde etc., hetgeen in de spelling ook tot zijn recht komt. De
ongerijmdheid zit 'm vaak in de spelling van het voltooide deelwoord. Nu
vormt de onverbogen vorm in de meeste dialecten geen spellingsprobleem
omdat t/d er aan het woordeinde na de medeklinkers in enge zin toch niet
uitgesproken wordt en het participium dus gemaak, gehoop,
gevés etc. (met apocope) luidt. Maar wat doen we met de
verbogen vormen? Hoe schrijven we in die dialecten het equivalent van
Nl. (zelf) gemaakte (kaas), gewitte (muur), (zelf) geviste
(brasem)? M.i. is de enige voor de hand liggende schrijfwijze:
gewitde, gemaakde, gevésde. Ten slotte moet nog
een schrijfwijze voorgesteld worden voor niet-apocoperende dialecten. Er
is m.i. maar één consequent op analogie gebaseerde spelling: nl. (bijv.
voor het Weerts) gemaakdj, gewitdj, gevésdj.
| |
3.7. Assimilatie en enclise
De Nederlandse schrijftaal houdt met deze verschijnselen meestal geen
rekening en schrijft ik zie voor [Iksi], het bad voor [dbat]. Bepaalde woordgroepen (vaak met een
persoonlijk voornaamwoord) zijn echter bij het spreken zo hecht aan
elkaar gegroeid dat ze bij het schrijven moeilijk te
scheiden zijn; vandaar dat er geen bezwaar is tegen
schrijfwijzen als daste löps (Nl. dat je
loopt) of geet'r (Nl. gaat
hij? - eigenlijk: gaat ie?). De dialectale
weergave van weten jullie?/weet U? is m.i. bij
voorkeur wédder? omdat het alternatief wet'r door het stemhebbend worden van de auslautende
medeklinker voor een anlautende klinker1 nauwelijks
herkend wordt.
| |
| | | |
3.8. Vreemde woorden
Aangezien onze dialectspelling van de Nederlandse principes uitgegaan is,
kan een vreemd woord of bastaardwoord dat in het dialect uitgesproken
wordt zoals in het Nederlands, ook op Nederlandse wijze geschreven
worden. Ingeval de uitspraak in het dialect echter afwijkt van de
standaardtaal en t.o.v. de brontaal ingrijpender gewijzigd werd,
respecteren we deze aanpassing ook als we dialect schrijven; dit geldt
ook voor woorden die we (voortdurend) aan het Nederlands ontlenen. De
treinen kunnen dus aankomen in een station, een sjtation, een statie, een sjtasi, een sjtaasje, een staose etc., maar theater, thee en
computer blijven ... zolang als het Nederlands
niet verandert. Terecht schrijft men in het Hasselts kemeedzje (Nl. comedie, huichelarij) en abat-jour (Nl. lampekap).
| |
Bibliografie
| Essen, O. von, Allgemeine und angewandte Phonetik,
Berlin 51979. |
| Goossens, J., Hoe kunnen we Genker schrijven?
Bijlage aan HEIDEBLOEMKE jg. 33 (1974) nr. 6. |
| Notten, J., Aanwijzingen voor de spelling van Limburgse
dialecten. Veldeke, z.p. 1983. |
|
1Gesloten of open in de hier
gebruikte fonetische zin hebben niets te maken met de termen geloten en open lettergreep die in het
spellingsonderwijs gebezigd worden. Gesloten
betekent hier dat de afstand tussen tong en verhemelte gering is, de
kaakwijdte klein, en de mond nauwelijks geopend; open betekent dat de door de twee kaken gevormde hoek en de
afstand tussen tong en verhemelte groot is, en de mond wijd
open.
1Hoewel deze twee
woorden wel in Van Dale staan.
1Het dialect van Zichen-Zussen-Bolder
heeft een vijftrappig systeem van lange en korte achter- en geronde
resp. ongeronde voorklinkers.
1Vanzelfsprekend bestaat er ook
geen bezwaar tegen het tweede element met een j te schrijven (zie tabel 18) als de combinatie van bijv.
a + j niet als tweeklank
maar als klinker-uit-de-klinkervoorraad gevolgd
door een [j] aangevoeld wordt.
1een
typisch Limburgs verschijnsel overigens, denk aan bijv. [tr αbɔbɛntr αb αf]
voor Nl. trap op en trap af.
|
|