|
|
|
| |
| | | |
De Voerstreek (en het daarbij aansluitende Germaanse dialectgebied van de
provincie Luik) is in de dialectologische vakliteratuur reeds herhaaldelijk en
uitvoerig behandeld (zie literatuurlijst achteraan). Het is verbazend en tevens
teleurstellend dat er ondanks zoveel wetenschappelijk werk in het Nederlands.
Frans en Duits nog zoveel vergissingen, misvattingen en vooroordelen t.a.v. de
Voerse dialecten zijn blijven voortleven.
| |
De Voerstreek in het Limburgs dialectgebied
De tongvallen van de Voerstreek zijn op de dialectologische indelingskaart
(kaart 1) verbonden met de overige dialecten van Belgisch-Limburg, van
Nederlands-Limburg en van het Germaanse noordoosten van de provincie Luik.
Met deze dialecten en met andere van het Duitse taalgebied vormen zij de
heterogene overgangszone tussen het Brabants in het westen en het Ripuarisch
of Keulerlands in het oosten, die wetenschappelijk Oostnederfrankisch,
Zuidnederfrankisch of gewoon Limburgs genoemd wordt1. Op de
kaart ziet dit gebied er ongeveer als een driehoek uit met als basis het
stuk taalgrens tussen Leuven en de Hoge Venen; naar
het noordwesten toe wordt het Limburgs begrensd door de zgn. Ürdinger- (of ik/ich-)lijn (nr. 2 op
kaart 1), in het oosten door de Benrather- (of maken/machen-) lijn (nr. 1). Het Limburgs wordt over zijn
hele breedte door talrijke dialectgrenzen doorkruist; van de lijnen waarmee
de dialectologie binnen het Limburgs een zekere geleding tracht aan te
brengen, stoten er twee via de Voerstreek op de taalgrens: de Panningerlijn (lijn 4), die Moelingen met
een s voor p, t, n, m, l (spin, straat,
snijden, smal, slapen) isoleert van oostelijk sj
in deze gevallen, en de hebben/haben-lijn, die Moelingen
en 's-Gravenvoeren met palatale
stam in dit werkwoord scheidt van de andere Voerdorpen met een velare stam. De Voerstreek vormt dus als het ware een Limburgs
dialectgebied in het klein.
Op deze plaats dient nogmaals gewaarschuwd te worden voor het gebruik van de
term Platdiets. Dit begrip is in de dertiger jaren door de
Vlaamse beweging uitgevonden en oorspronkelijk toegepast op de tussen de
Voerstreek en het Eupense gebied gelegen Germaanse dialecten van en rond
Montzen en Welkenraad
(zie kaart 2) waar Duits en Frans cultuurtaal zijn of waren. Met de benaming
Platdiets wouden Vlaamsgezinden als Fl. Grammens, J.
Franssens en J. Langohr eigenlijk
uitdrukken dat deze plaatsen in de grond Nederlands zijn en dus geen Duitse
cultuurtaal behoeven2.
De laatste tijd echter wordt de term Platdiets vaak op de
dialecten van de Voerstreek toegepast, waardoor de eveneens verkeerde en ook
schadelijke indruk verwekt wordt dat de Voerse dialecten iets speciaals,
iets aparts, zouden zijn die zich van de andere Nederlandse (of eventueel
zelfs Continentaal- | | | | westgermaanse) dialecten überhaupt
of van de aangrenzende plaatsen in het westen (Belgisch-Oud-Limburg), het
noorden (Nederlands-Limburg) en het oosten (provincie Luik) als geheel met
zoveel significantie zouden onderscheiden dat ze op de dialectologische
indelingskaart een eigen naam verdienen. Bovendien kan deze term door
bepaalde kringen en voor bepaalde doeleinden misbruikt worden: Diets, dat een oude benaming voor Nederlands is, zou nu kunnen
suggereren: ‘eigenlijk niet zo Nederlands, ook een beetje
Duits’. En inderdaad in de Franstalige media zijn geluiden als
‘les Fourons parlent un patois plus proche de l'allemand que du
néerlandais’ schering en inslag3. Niet veel langer dan
een jaar geleden liet zich een Vlaams journalist, die blijkbaar dit lesje
van de Franstaligen goed geleerd had, terloops in een BRT-magazine4 nog hetzelfde ontvallen.
Er is geen behoefte aan een benaming als Platdiets; in de
Voerstreek worden Limburgse dialecten gesproken. Deze dialecten zijn
Nederlands en niet Duits, omdat het Nederlands hier de rol van cultuurtaal
vervult en niet het Duits5.
| |
Nederlands, Duits en Frans in het Land van Overmaas
In het Germaanstalige Overmase gebied - d.w.z. in de streek tussen de Hoge
Venen (Eupen/Membach) en
de Maas - hebben in de loop van de laatste eeuwen complexe veranderingen
plaatsgevonden in de rol van de drie cultuurtalen, het Nederlands, het Duits
en het Frans6. In heel
de streek is het Nederlands tijdens het Ancien Régime de taal van
school en administratie geweest. Onder kerkelijke invloed is de rol van het
Duits echter geleidelijk - en vanaf de 19de eeuw vrij ingrijpend - van oost
naar west toegenomen. In de tweede helft van de vorige eeuw is de grens
tussen Nederlands en Duits cultuurtaalgebruik uiteindelijk tussen Teuven, Remersdaal en Aubel-Centrum (van Nederlandse kant) en Sippenaken, Homburg en De Kluis (van Duitse kant) komen vast te liggen.
Daarnaast heeft er in de streek een romaniseringsproces plaatsgehad: de
volkstaal van Berneau (Bern), Warsage (Weerst) en Bombaye (Bolbeek)
is tussen de 17de en de 19de eeuw geromaniseerd, terwijl tijdens de eerste
helft van deze eeuw in het hele Oudbelgische Overmaasgebied ten oosten van
de Voerstreek - en ten westen van het | | | | | | | | officiële Duitstalige Nieuw-België
(Eupen/Kelmis) - het Duits door het Frans
verdrongen is in school en kerk7. Vooral na elke van de twee wereldoorlogen
breidde het Frans sprongsgewijs zijn gebruiksterritorium uit, daarbij
profiterend van de afkeer van de door de Duitse bezetter in het gebied
(Montzen/Welkenraad)
opgelegde officiële taal. Door de
overheveling van de Voerstreek naar Limburg is weer een soort van
annexatieangst in werking getreden die m.i. een hernieuwde belangstelling
voor de volkstaal en voor de taal van de oosterburen (de centra Eupen en
Aken) onderdrukt8.
Een treffend voorbeeld van verhoogduitsing en verfransing is Aubel, dat ten
zuiden van de Voerstreek tussen Sint-Pieters-Voeren
en Remersdaal gelegen is9. De gemeente Aubel bestaat uit
drie delen: (1) een centraal gedeelte (Aubel in enge zin),
(2) een westelijke vleugel (
Sint-Jans-Rade
of Saint-Jean-Sart) en (3) een oostelijke (
De Kluis
). In 1775 wordt te St.-Jans-Rade in kerk en school
het Nederlands door het Frans vervangen, en sinds het midden van de 19de
eeuw kan de bevolking van dit gehucht als Waals beschouwd worden. In De Kluis schakelen zowel de school als de kerk in 1858
over van Nederlands op Duits; omstreeks 1900 wordt dan het Frans de voertaal
in het plaatselijk onderwijs; na de tweede wereldoorlog verdwijnt uit de
kerk het laatste Duitse spoor, eveneens ten voordele van het Frans. In 1874
wordt het Nederlands als schooltaal van Aubel-Centrum door
het Frans verdrongen. In godsdienstige aangelegenheden gaat het Nederlands
geleidelijk achteruit (eerst in doodbrieven en bidprentjes, dan in het
catechismusonderricht, vervolgens in de preek), maar verdwijnt pas helemaal
ten voordele van het Frans tegen het einde van de veertiger jaren van deze
eeuw. De taal van het volk echter was zelfs volgens de officiële
- en dus de positie van het Nederlands nooit verfraaiende - talentelling van
1910 nog voor 56% het Nederlands10.
Dat de Voerstreek niet hetzelfde lot onderging als het noordoosten van de
huidige provincie Luik moet aan drie factoren toegeschreven worden: (1) aan
zijn - vanuit het Duitse taalgebied bekeken - noordwestelijke
uithoekligging, (2) aan het feit dat de naoorlogse ressentimenten jegens het
Nederlands hoe dan ook gematigder waren dan die jegens het Duits en (3) aan
de Vlaamse ontvoogdingsstrijd die voor de Voerstreek net op tijd kwam, en
meer concreet aan de taalwetten van 1932 die in Voeren de administratie
vernederlandsten en toen reeds de bevoegdheid voor talrijke bestuurlijke
aangelegenheden aan de provincie Limburg overdroegen11. De
komplete overheveling naar Limburg in 1963 was daarvan
slechts de consequente laatste stap. Deze taalwetten en vooral de overgang
naar Limburg hebben onder invloed van nationale factoren echter een enorme
blijvende con- | | | | troverse veroorzaakt en tot een polarisatie geleid
waarbij een belangrijke - maar totnogtoe Nederlandstalige - Luiksgezinde
inwonersgroep de Nederlandse cultuursfeer voorgoed dreigt te verlaten.
| |
Recente ontwikkelingen in de Voerdialecten
Hoewel in het eerste gedeelte van deze bijdrage aangetoond werd dat de Voerse
dialecten bij een globale macroscopische benadering geen apart coherent
dialectgebied (in onderzoekstaal: probleemareaal) vormen, is het toch de
taak van de lokale enquêteur een meer microscopisch beeld van het
onderzoeksgebied en zijn omgeving op te hangen. Bovendien heeft de
traditionele dialectkaart in eerste instantie oog voor reflexen van oudere
cultuurstromingen en berust ze vooral op het onderzoek van de meer stabiele
taalbouwsels (klanken en vormen), die tussen de 12de en 17de eeuw hun beslag
gekregen hebben. Men kan zich echter de vraag stellen of een aantal
hierboven besproken feiten en omstandigheden dan helemaal geen spoor in het
dialectlandschap hebben nagelaten12. Ik denk hierbij aan de volgende factoren:
| (1) | De Belgisch-Nederlandse rijksgrens (ten noorden van de Voerstreek), of
wat is de invloed van het Belgisch staatsverband op deze dialecten? |
| (2) | Het Luikse provincieverband waarvan de Voerstreek ongeveer 170 jaar
deel heeft uitgemaakt, en de invloed die er in het algemeen bij de
taalgrens uitgaat van de Franse cultuursfeer. |
| (3) | De scheidingslijn tussen de verspreidingsgebieden van de twee verwante
cultuurtalen (Nederlands en Duits) die de Voerstreek in het oosten
begrenst, m.a.w. de omstandigheid dat de Voerdorpen zich binnen de
Nederlandse cultuursfeer bevinden (en niet binnen de Duitse zoals de
oostelijk aansluitende Germaanse dialecten van de huidige provincie
Luik). |
| (4) | De overgang van de Voerstreek naar de provincie Limburg en de daardoor
binnen de bevolking ontstane polarisering. |
Een systematisch onderzoek naar de invloed van bovenstaande recente factoren
moet vanzelfsprekend gebaseerd zijn op die delen van de dialectale
taalinventarissen die in de laatste halve eeuw vorm gekregen hebben; de
aandacht van een efficiënt opgezette enquête gaat dus
vooral uit naar de wijze waarop moderne begrippen, d.w.z.
voorwerpen, beroepen en instellingen uit deze en de vorige eeuw, door het
menselijk taalgedrag benaderd werden. Zo'n studie, die bij de klassieke
isoglossentrekkingen (dialectgrenzen) in een veel groter gebied een zekere
correctie of aanvullling tracht te brengen, heb ik in 1983 voltooid en als
dissertatie aan de K.U. Leuven verdedigd13. Hier volgen een aantal bevindingen die op de Voerstreek
betrekking hebben.
1. De Voerdialecten onderscheiden zich van de oostelijk gelegen Germaanse
dialecten van de provincie Luik door de hogere aanwezigheid van bij het
Nederlands aanleunende taalelementen waarvoor ten oosten Duitse
uitdrukkingen | | | |

Voeren: (1) Moelingen, (2) 's Gravenvoeren,
(3) St.-Martens-Voeren, (4) St.-Pieters-Voeren,
(5) Teuven, (6) Remersdaal
Aubel: officieel Frans taalgebied
Duitstalig Oud-België: officieel Frans
taalgebied met o.a. Sippenaken, Homburg, Montzen, De Kluis,
Welkenraad
Duitstalig Nieuw-België: mat o.a. Kelmis en
Eupen
| | | | bestaan. Genoteerd werden o.a. de volgende tegenstellingen14: amandel t.o. Mandel, bewaarschool t.o. Verwahrschule, bloemist t.o. Blumengeschäft, bof t.o. Mumps,
bruiloft t.o. Hochzeit, consecratie t.o. Wandlung, dammen t.o. Dame spielen, eiland t.o.
Insel, evangelie t.o. Evangelium,
februari t.o. Februar, generatie t.o. Generation, installatie t.o. Installation,
intrest t.o. Zinsen, januari t.o. Januar, kinderverlamming t.o. Kinderlähmung, klant t.o. Kunde,
kleur t.o. Farbe, lintworm t.o. Bandwurm, metselaar t.o. Maurer, olifant t.o.
Elefant, ooievaar t.o. Storch,
opbellen t.o. anrufen, operatie t.o. Operation, organisatie t.o. Organisation, passer
t.o. Zirkel, reparatie t.o. Reparatur,
repetitie t.o. Probe, rolschaatsen t.o. Rollschuhe, schilderen t.o. malen,
(school)meester t.o. Lehrer, tennissen t.o. Tennis spielen, trein t.o. Zug,
uitvinding t.o. Erfindung, vanbuiten (leren) t.o. auswendig, vergadering t.o. Versammlung,
vertalen t.o. übersetzen, vervelend
t.o. langweilig, verwachten t.o. erwarten,
vormsel t.o. Firmung, winkel t.o. Geschäft.
Deze (woord)isoglossenbundel kan alleen maar verklaard worden vanuit de boven
gepostuleerde derde factor: in de vorige eeuw heeft zich op deze lijn de
Nederlands-Duitse cultuurtaalgrens gestabiliseerd.
2. Voor heel wat moderne begrippen hanteert de Voerstreek - samen met
Belgisch-Oud-Limburg en het overige Nederlandse dialectgebied van
België - een andere (lees: Franse) benaming. Ik citeer hier de
volgende tegenstellingen met Nederland(s-Limburg): antigel
t.o. antivries, appartement t.o. flat,
appendicite t.o. blindedarmontsteking, arbiter
t.o. scheidsrechter, autostop t.o. liften,
bavette t.o. slabbetje, botten t.o. laarzen, briquet t.o. aansteker, caravane (v.)
t.o. kerreven (m) (caravan,
‘kampeerwoonwagen’), camion t.o. vrachtwagen, camionnette t.o. bestelwagen,
coiffeuse t.o. kapster, commerce t.o. zaak, compteur t.o. (elektriciteits)meter,
crevette t.o. garnaal, dépanneuse t.o.
takelwagen, farde t.o. slof sigaretten,
garagist t.o. garagehouder, garan'tie t.o. ga'ransie, garçon t.o. kelner,
garde-boue t.o. spatbord, inox t.o. roestvrij staal, joint (de culasse) t.o. (kop)pakking, kader t.o. freem, kabien t.o. transformatorhuis, luster t.o. luchter,
mazout t.o. stookolie, mise en plis t.o. watergolf, moteur t.o. motor, mousse
t.o. schuimrubber, park t.o. (baby)box,
pelouse t.o. gazon, piqûre t.o. spuitje, plastiek t.o. plestik
(plastic), plomb t.o. zekering, praline
t.o. bonbon, prime t.o. premie, prise
t.o. stopcontact, pizjama t.o. pyjama,
radiateur t.o. radiator, remorque t.o. aanhangwagen, sacoche t.o. handtas,
socket t.o. fitting, soutiens t.o. beha,
tapis plain t.o. vaste vloerbekleding, terre t.o.
aarding, tracteur t.o. tractor,
trottinette t.o. autoped, valies t.o. koffer, vitesse t.o. versnelling.
Het Franse aandeel is in de Voerdialecten echter aanzienlijk groter dan in
Belgisch-Oud-Limburg dat duidelijker aan een sinds de laatste decennia in
Vlaanderen aanwezige neiging participeert om Frans leengoed uit het
dialectale en standaardtalige lexicon te verwijderen. Vergelijk daarvoor:
Voers abat-jour t.o. lampekap, ascenseur
t.o. lift, casier t.o. bak bier, casque
t.o. valhelm, césarienne t.o. keizersnede, court-circuit t.o. kortsluiting,
crème fraîche t.o. slagroom,
deraperen t.o. slippen, foto's developperen t.o.
ontwikkelen, entrepreneur t.o. aannemer,
étagère t.o. rek,
expropriëren t.o. onteigenen, guidon
t.o. stuur, haut- | | | |
parleur t.o.
luidspreker, matrice t.o. baarmoeder,
moissonneuse(-batteuse) t.o. maai- of pikdorser (‘combine’), prise de force t.o. aftakas,
secrétaire t.o. secretaris. Vaak is de
Franse woordvorm van Voeren in geringere mate formeel
geïntegreerd of aan bepaalde grammaticale principes van het
Nederlands aangepast dan de in de rest van Vlaanderen gangbare term; dit
blijkt uit de volgende voorbeelden: alkol t.o. alkool (Fr. alcool, Nl. alcohol), chauffage (‘verwarming’) en embrayage (‘koppeling’) met mannelijk genus (zoals in het Frans) t.o. vrouwelijk
(zoals age-afleidingen in het Nederlands), fosse septique t.o. septische put,
minivélo t.o. minifiets, de regiem
t.o. het regiem (‘dieet’), de sinusite t.o. het sinusite
(‘voorhoofdsholteontsteking’), de
syndicat (met Franse uitspraak) t.o. het sindikaat.
Omgekeerd is de Voerstreek vanzelfsprekend minder vatbaar voor invloeden uit
de Nederlandse cultuursfeer dan de andere dialecten uit Vlaanderen en
Nederland. Hiermee wordt op een - voor het Nederlands - negatieve wijze
hetzelfde geformuleerd als wat hierboven vanuit Frans perspectief positief
omschreven werd; beide benaderingsmanieren zijn zijden van dezelfde
medaille: de voornoemde benamingen zijn Frans en dus niet Nederlands15.
De geringere ontvankelijkheid van de Voerstreek voor vernieuwingen en
ontleningen uit het Noorden en het Westen bezit toch enkele andere niet zo
voor de hand liggende aspecten. Zo herbergt het gebied een aantal
archaïsmen die in ons taalgebied bijna helemaal verdwenen zijn:
oranjeappel
(‘sinaasappel/appelsien’) en de merk
(vrouwelijk, niet onzijdig) bijvoorbeeld. De Voerdialecten staan ook minder
open voor Zuid- (d.w.z. Belgisch-)Nederlandse eigenaardigheden, die
Vlaanderen vanuit het centrale gebied (Brabant-Antwerpen) bereiken, zoals
stoefen (stoffen ‘pochen’), onnozelaar, rap, seffens, bij de troep zijn
(‘zijn dienstplicht vervullen’) of zot; hiertoe behoren eveneens de uit het Frans afkomstige, maar in
Voeren ontbrekende algemeen Belgisch-Nederlandse uitdrukkingen chance hebben (‘boffen’), malchance (‘pech’) hebben en
ambetant (embêtant,
‘vervelend’). In een aantal gevallen houden de
Voerdorpen vast aan een Franse, archaïsche of globaal toepasbare
term waarvoor in Nederland een Nederlandse, en ten westen van de Maas in
Vlaanderen een Zuidnederlandse ingevoerd werd; op die manier ontstaan er
drie taallandschappen: Voeren t.o. Nederland t.o. Vlaanderen. Ter
illustratie: bruidsreis (Nl. huwelijksreis, Zuidnl. trouwreis), chicorée (witlof resp. witloof), depasseren of langsvaren (inhalen resp. voorbijsteken), een halve of een demi
(pils resp. pint bier), nabuur (buurman resp. gebuur), de préavis geven, aan de deur zetten
etc. (ontslaan resp. afdanken), prison
(gevangenis resp. gevang), suppositoire (zetpil
resp. stopke). Deze resistentie tegenover Zuidnederlandse
expansies leidt tot de enigszins verrassende consequentie dat hier een
correct Nederlandse benaming behouden werd terwijl Belgisch-Oud-Limburg een
Zuidnederlandse eigenaardigheid aangenomen heeft; de Voerstreek spreekt
daardoor in de volgende gevallen beter Nederlands dan de rest van
Vlaanderen: bof t.o. Zuidnl. dikoor,
metselaar t.o. metser, poedersuiker t.o. bloemsuiker, ruiten t.o. koeken aas,
stempelen t.o. doppen, zin t.o. goesting.
Het is duidelijk dat de onder deze tweede paragraaf beschreven
taalverschijnselen veroorzaakt worden door de geografische ligging van de
Voerstreek: aan de periferie gesitueerd, moet het contact met de Nederlandse
norm en met het Zuidne- | | | | derlands bovendien nog vanuit een
isolement, nl. over een grens of over Frans taalgebied heen, plaatsgrijpen,
terwijl anderzijds de economische belangen en betrekkingen zuidelijk, d.w.z.
op het aangrenzende Wallonië, gericht zijn.
3. De meest markante constatering bij mijn taalonderzoek betreft het fenomeen
dat de Voerse dialectrealiseringen volgens een definieerbaar principe van
elkaar divergeren. Het is in de linguistiek bekend dat er binnen dezelfde
taalgemeenschap verschillen voorkomen die correleren met buitentalige
kenmerken van de taalgebruikers, d.w.z. met bepaalde geledingen
(pragmatische parameters) waarin men in zijn werkhypothese de spraakmakende
gemeente opdeelt; gewoonlijk onderscheidt men daarbij geografische, sociale,
leeftijds- en situatiegebonden taaldifferentiaties. Een eenvoudig voorbeeld
van zo'n variabele in het Nederlands is het genus van de meeste oorspronkelijk vrouwelijke substantieven: de kans dat deze mannelijk gerealiseerd worden neemt toe naarmate de
gebruiker noordelijker in ons taalgebied gesitueerd is,
een lager onderwijsniveau genoten heeft, tot de jongere leeftijdscategorieën behoort en in informele situaties aan het taalverkeer deelneemt. De
variabiliteit die het taalgebruik van Voeren kenmerkt, hangt samen met de
bipolaire spanningen tussen één bevolkingsgroep die
zich met de provincie Limburg en een andere die zich met de provincie Luik
lotsverbonden voelt en identificeert. De gerealiseerde differentiaties
moeten daarom met nog een andere parameter gecorreleerd worden dan de vier
hierboven aangehaalde, nl. met de opleiding in enerzijds een
Taalnederlands/Limburgs georiënteerd bevolkingsdeel en in een
groep dialectsprekers met Taalfranse en Luikse gerichtheid anderzijds. De
volkstaal van deze laatste groep ondergaat vanzelfsprekend sterker de
invloed van het Frans. Het omgekeerde kan bij de Vlaamsgezinde Voerenaars
waargenomen worden: sinds de aansluiting bij Limburg - sinds hun
ondubbelzinnige oriëntatie naar Vlaanderen en het Nederlandse
cultuurgebied - stoot hun dialect heel wat Frans leengoed uit dat er sinds
het Belgische staats- en Luikse provincieverband ingeraakt was. Zo ondergaat
het dialect van de Limburgsgezinde Voerenaar in sterkere mate dan in de
Luikse tijd de invloed van het Nederlands. Deze bevinding is empirisch tot
stand gekomen en stoelt op enquêtes bij meer dan 35 informanten
die evenwichtig over de twee groepen en de zes dorpen verspreid zijn. De
vastgestelde oriënteringsgebonden en groepstypische verschillen
kunnen als volgt ingedeeld worden.
a. De Nederlandsgeoriënteerden geven aan een aantal begrippen die
in de Voerstreek totnogtoe een Franse naam droegen, geleidelijk een
(Zuid)nederlandse; de Franse vorm wordt echter door de Luiksgezinden
gehandhaafd. Hier volgen enkele duidelijke voorbeelden: in de eerstgenoemde
groep wordt arrêt van de bus vervangen door bushalte, autocollant door sticker,
autorisatie voor te bouwen door bouwvergunning,
contributie door belasting, dent de sagesse door
wijsheidstand, enregistreur door bandopnemer, essuie-glace door ruitewisser,
grève door staking,
infirmière door verpleegster, marqueur
door viltstift, mutuelle door ziekenkas,
notaire door notaris, pare-brise door voorruit, rayons X door x-stralen,
tension door bloeddruk, volant door stuur.
b. Omgekeerd vervangen de Fransgeoriënteerde dialectsprekers
sommige (Zuid)nederlandse woorden door Franse: bof door
oreillons, diepvries door | | | |
congélateur, dobbelsteen door dé, kampioen door champion,
kinderverlamming door polio, melkerij door laiterie, metselaar door maçon,
passer door compas, plaat door disque, rolschaatsen door patins à
roulettes, vergadering door réunion.
c. Ook in de Voerstreek worden in toenemende mate dialectismen,
archaïsmen, obsoletismen of andere synchroon als inadequaat
aangevoelde benamingen door appellatieven uit de standaardtaal vervangen.
Deze taalverandering verloopt in beide bevolkingsgroepen niet gelijkmatig en
niet gelijkvormig: de Limburgsgezinden vervangen bijvoorbeeld assepot door as(se)bak, bageren door verhuizen, de merknaam elektrolux door
stofzuiger, kwade kraam door misval
(‘miskraam’), ijs op de weg door ijzel, schrijfboek of cahier door schrift; in de Luiksgezinde groep noteerde ik de
vervanging van elektrolux door aspirateur en kwade kraam door fausse
couche.
d. Talrijke recente begrippen of begrippen die tijdens de laatste decennia
(in de Voerstreek) bij de gemiddelde burger bekend of verspreid raakten,
dragen in Vlaamsgezinde kringen een (Zuid)nederlandse, in Waalsgezinde een
Franse naam; zo werden opgetekend: brandblusser en extincteur, gebuisd en gebuseerd,
gehandicapte en gehandicapeerde, moederkesdag en
fête des mères, rijbewijs en permis de conduire, sociaal assistent en assistant social, studiebeurs en bourse
d'études, tandpasta en dentifrice,
veiligheidsgordel en ceinture de
sécurité.
Een vergelijkende beschouwing van de door mij geregistreerde
oriënteringsgebonden verlopende taalverandering leert dat het
Voerse dialect van de Limburgsgezinde groep naar het Nederlands toe
evolueert (62% van de groepsgebonden verschillen), terwijl de Luiksgezinden
zich voor nieuwe benamingen steeds meer tot het Frans wenden (38% van de
groepsgebonden verschillen). Parallel daarmee neemt in Limburgsgezinde
kringen en dito gezinnen de kwaliteit en de gebruiksfrequentie van de
Nederlandse standaardtaal toe; in dit opzicht onderscheidt zich de
Vlaamsgezinde Voerenaar principieel niet meer van zijn andere Vlaamse of
Nederlandse taalgenoten. Een aanzienlijk deel (de Luiks- of Fransgezinde
groep) van de Voerbevolking heeft er zich niet mee kunnen verzoenen dat de
streek op grond van zijn plaatselijke Nederlandse volkstaal uiteindelijk via
de taalwetten administratief bij Limburg en Vlaanderen terechtgekomen
is16. De leden van
deze groep gedragen zich sinds de zestiger jaren steeds meer als
Franstaligen, wonen vaak geen Nederlandse kerkdiensten meer bij, trachten in
de huiskring met hun kinderen Frans te spreken en laten deze niet meer de
lokale Vlaamse scholen bezoeken, maar sturen ze naar scholen in naburige
gemeenten of naar Franstalige klassen die sinds het schooljaar 1963-64 in de
Voerstreek zijn ontstaan. De Limburgsgezinden anderzijds blijven nu ook na
de basisschool meestal binnen het Nederlandse onderwijs, terwijl vroeger
vaak secundair onderwijs in Wezet, Luik of andere Waalse plaatsen gevolgd
werd. In sociolinguistische termen kan deze evolutie als volgt typologisch
gesimplificeerd worden: één relatief
stabiel triglossiesysteem waarin
vóór de taalwetten van 1932 drie taalmedia
(Nederlands, dialect, Frans) volgens een bepaalde domeinenverdeling
coëxisteerden, | | | | is sinds enige decennia in een dubbel diglossiesysteem gepolariseerd: tot
één dat als tendentieel buitendiglossaal (dat van de Luiksgezinden: Nederlands dialect met
vreemde - Franse - cultuurtaal) en een ander dat als tendentieel binnendiglossaal (dat van de Limburgsgezinden: Nederlands
dialect met verwante - Nederlandse -cultuurtaal) te definiëren
is.
Samenvattend moet gesteld worden dat de Voerstreek het laatste stukje
Overmaasgebied is dat zijn Nederlandse karakter bewaard heeft, d.w.z. naar
buiten toe noch verduitst noch helemaal verfranst werd. Een aanzienlijk maar
volgens de cijfers niet toenemend gedeelte van deze Voerbevolking is echter
sinds een goede twee decennia op weg voor de Nederlandse cultuur totaal
verloren te gaan. Dit is de genuanceerde winst-verlies-berekening die door
de linguistiek voorgelegd kan worden.
| |
| | | |
Literatuurlijst
| K. Baggen, Fonetische analyse van het dialekt van
St.-Martens-Voeren. Typoscript. Scriptie RU Luik, 1981. |
| H. Bischoff, Die deutsche Sprache in Belgien. Ihre
Geschichte und ihre Rechte. Eupen, 1931. |
| A. Boileau, Enquête dialectale sur la
Toponymie germanique du Nord-Est de la Province de
Liège. Liège, 1954. |
| J. Cajot, Bericht über die ostbelgische
Diglossiesituation, in Berichte zur
Diglossie-Tagung Januar 1975 in Bonn. Gegenwärtige
Probleme der Diglossie in germanisch-romanischen
Übergangsräumen (Ed. W. Besch), p. 75-84. |
| J. Cajot, De rijksgrens tussen beide Limburgen als
taalgrens, in Taal en Tongval, 29 (1977), p.
37-49. |
| J. Cajot-H. Beckers, Zur Diatopie de deutschen Dialekte
in Belgien, in Nelde, p. 149-218. |
| J. Cajot, Structuur en ontwikkeling van het
dialectlandschap in de Voerstreek, in Voercolloquium 22.11.1980. Marnixring Limburg Herckenrode. Mens en
ruimte. Brussel. 1980, C1-C11. |
| J. Cajot, Der Einfluß der kultursprachlichen
und politischen Grenzen des 19. und 20. Jahrhunderts auf die
germanischen Mundarten des
belgisch-niederländisch-deutsch-luxemburgischen
Grenzraums zwischen Maasmechelen/Sittard/Selfkant, dem Voergebiet
und Clerf/St.-Vith/Prüm. Typoscript. Dissertatie
KUL, 1983. |
| H. Draye, De studie van de Vlaamsch-Waalsche
taalgrenslijn in België. Leuven-Brussel, 1942. |
| J. Goossens, De Overmase dialecten, in Veldeke, 41 (dubbelnr. 226-227, 1966), p. 103-118. |
| J. Goossens, Platdiets, in Wetenschappelijke Tijdingen, 27 (1968), p. 305-314. |
| A. Janssen, Bijdrage tot de landbouwwoordenschat van de
Voerstreek. Typoscript. Scriptie RU Luik, 1949. |
| J. Langohr, Taaltoestanden in de gemeente Aubel, in
Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Vlaamsche
Academie voor Taal- en Letterkunde, 1914, p. 98-108. |
| J. Langohr, Le Nord-Est de la Province de
Liège et le Canton d'Eupen. Brugge, 1983. |
| J. Langohr, Het Zuidnederlandsch dialectgebied van
Overmaas. Leuven, 1936. |
| J. Langohr-J. Van Overloop, Het Land van Overmaas.
Platdietsche Streek, Kanton Eupen en Voerstreek. (Kath. Vlaamsche Hogeschooluitbreiding. Jg. 35 Nr. 3.
Verhandeling 340). Antwerpen-Brussel-Gent-Leuven, 1936. |
| E. Legros, La frontière des dialectes romans
en Belgique. (Mémoires de la Commission Royale de
Toponymie et de Dialectologie, Section Wallonne, 4). Luik,
1948. |
| P.H. Nelde (Ed.), Deutsch als Muttersprache in Belgien.
Forschungsberichte zur Gegenwartslage (Deutsche Sprache in Europa
und Übersee 5). Wiesbaden, 1979. |
| W. Van den Steene, Taalstatuut van de Voergemeenten,
in Voercolloquium 22.11.1980. Marnixring Limburg
Herckenrode. Mens en Ruimte. Brussel, 1980, p. G1-G20. |
| A. Verdoodt, Zweisprachige Nachbarn. Die deutschen
Hochsprach- und Mundartgruppen in Ost-Belgien, dem Elsaß,
Ost-Lothringen und Luxemburg. Wien-Stuttgart, 1968. |
| W. Welter, Die niederfränkischen Mundarten im
Nordosten der Provinz Lüttich. Den Haag, 1933. |
| A. Wynants, De lidwoorden in het dialect van
St.-Martens-Voeren. Proeve van verklarende syntaxis.
Typoscript. Scriptie RU Luik, 1968. |
| A. Wynants, Taalcontacten in de Voerstreek. I. Fonische
aspecten. Typoscript. Dissertatie RU Luik, 1975. |
| A. Wynants, Taalovergang en taaltrouw in de Voerstreek
sinds de aansluiting bij de provincie Limburg, in Sprachkontakt und Sprachkonflikt (Ed. P.H. Nelde). Wiesbaden,
1980, p. 467-473. |
|
1J. Goossens, Die Gliederung des
Südniederfränkischen, in Rheinische Vierteljahrsblätter, 30 (1965), p.
79-94. De hier afgedrukte kaart 1 bevindt zich op p. 83.
4D. Buyle in het
middag-‘Actueel’.
5Goossens 1966, p.
108-109.
6A. Boileau, 1954, p. 5-18. Id.,
Achttiende-Eeuwse schrijftaal in het Hertogdom
Limburg, in Taal en Tongval, 16 (1964), p. 55-59.
Cajot 1983, p. 515 e.v. G. De Smet, Oude
soldatenbrieven uit het Land van Overmaas, in Taal
en Tongval, 18 (1966), p. 22-41. Id. en F. De Bock, Ein Einwohner aus Hergenrath in der Grande
Armée. J.H. Berners aus Hergenrath schreibt nach
Hause, in Im Göhltal, nr. 11 (1972),
p. 19-25. H. Ernst, Studium des romanischen Einflusses
auf die Mundart von Sippenaken. Beitrag zum Studium des historischen
Sprachgebrauchs. Typoscript. Scriptie UCL, 1969, p. 18-45.
J. Goossens, Die Herausbildung der
deutsch-niederländischen Sprachgrenze. Ergebnisse und
Desiderate der Forschung (Mededelingen van de Vereniging voor
Limburgse Dialect- en Naamkunde 29). Has selt,
1984. Ook in Festschrift S. Grosse.
Göppingen, 1984. L. Homburg, Sprache und
Geschichte eines alten Grabkreuzes, in Im
Göhltal, nr. 21 (1977), p. 67-69. Langohr 1933,
passim. J. Thisquen, J. Moors & J. Massart, L'ancienne coutume du Duché de Limbourg en versions
romane et thioises du début du 17e
siècle. Luik, 1961. L. Wintgens, Grundlagen der Sprachgeschichte im Bereich des Herzogtums Limburg
(Ostbelgische Studien I). Eupen, 1982, passim.
7Bischoff passim;
Cajot, 1975 en id., 1983, p. 516 e.v.; Draye, passim; Langohr, 1933,
passim; id. - Van Overloop, p. 26 e.v.; Legros, p. 56; Nelde, passim;
Verdoodt, p. 5 e.v.
8De Duitstalige plaatsen in het
oosten van de provincie Luxemburg tonen nu openlijk dit interesse voor
hun volkscultuur; zie daarover: J. Bestgen, Diglossie im
Gebiet von Arlon, Belgien, in Berichte zur
Diglossie-Tagung Januar 1975 in Bonn. Gegenwärtige
Probleme der Diglossie in germanisch-romanischen
Übergangsräumen (Ed. W. Besch) p. 66
e.v.; id., Dialecte et langues du Pays d'Arlon, in Festschrift H. Palgen. Dialektologie heute. Pour une
dialectologie moderne (Ed. F. Hoffman). (Beiträge
zur luxemburgischen Sprach- und Volkskunde 11). Luxemburg, 1979, p.
107-118; G. Fisher, Untersuchungen zum Sprachgebrauch in
der Areler Gegend, in Nelde, p. 85-94.
9Draye, p. 10; Langohr, 1914
en id. 1933, p. 242, 267, 359.
10Over de
objectiviteits- en realiteitswaarde van de Belgische talentellingen
informeren Langohr-Van Overloop, passim, Van den Steene, passim en
Wynants, 1979.
11Van den Steene, p. G2 en Wynants, 1979, p. 469.
12L. Kremer, Grenzmundarten und Mundartgrenzen. Untersuchungen zur
wortgeographischen Funktion der Staatsgrenze im
ostniederländisch-westfälischen Grenzgebiet
(Niederdeutsche Studien 28). Köln-Wien, 1979; Cajot,
1977.
14De Voerse benaming staat bij deze en de volgende
illustraties steeds vooraan; de woorden zijn in het Nederlands resp. in
het Duits of Frans (getypiseerd) weergegeven.
15Onnodig hier het tweede en derde lijstje voorbeelden
van deze 2de paragraaf te herhalen.
|
|