|
|
|
| |
| | | |
De rijksgrens tussen beide Limburgen als taalgrens
| |
Samenvatting
De rijksgrens tussen beide Limburgen treedt in een aantal gevallen als
woordgrens te voorschijn. De invloed van deze vrij jonge staatsgrens is het
duidelijkst bij de naamgeving voor moderne begrippen, maar ook oude
begrippen, die vroeger aan weerskanten van de grens onder dezelfde benaming
voorkwamen, kunnen verschillend hérbenoemd worden. In
Nederlands-Limburg wordt steeds het algemeen
Noordnederlandse, in Belgisch-Limburg meestal het algemeen
Zuidnederlandse woordtype ingevoerd; de (Belgische) Voerdorpen nemen vaak
niet deel aan de algemeen Zuidnederlandse tendensen.
| |
De rijksgrens als taalgrens
Hoewel de rijksgrens tussen België en Nederland bij de globale indeling
van de Nederlandse dialecten niet als dialectgrens te voorschijn komt,
zijn er in de Nederlandse dialectologie toch bewijzen of aanwijzingen
dat de staatsgrens bij de verspreiding van sommige taalverschijnselen
een rol speelt. Het talrijkst zijn de voorbeelden van het oudste
gedeelte van de huidige rijksgrens: het stuk tussen de Noordzee en
Limburg. Bekend zijn o.a. de benamingen voor aardappel1, ragebol2, etensbord, lampepit, krant,
buskruit, tante, oom, buurman, metselaar3.
Als lokaal onderzoeker waren ook A.
Weijnen4
in het Belgische Brabants heel wat eigenaardigheden (onderpastoor, schepen, facteur, rap, madam) opgevallen waarvan
hij echter niet wist of ze zich homogeen en exclusief | | | | van
het aangrenzende Nederland onderscheidden. Ook J. de
Rooij1 achterhaalde (aan de hand van
de RND) een drietal verschijnselen van syntactische en lexicale aard
(een leven als, durven te, knippen)
waarbij aan de rijksgrens een vrij duidelijk contrast optrad.
Het Limburgse gedeelte van de rijksgrens werd in zijn huidige verloop pas
in 18432
vastgelegd, waardoor de gegevens die ook op Limburg betrekking hebben,
zeldzamer zijn: Taalatlas afl. 3, krt. 5 (1943) vermeldt
ponnie t.o. ponnee, A. Pauwels3 treft de reeds
eerder vermelde constructie durven te alleen in
Nederland aan, en J. Stroop4 tekent in 1974 aan de hand van RND-zin 67 en
vragenlijst 44, 16 van de Dialecten-commissie te Amsterdam resp. een moter/motoor- en een dokter/doktoor-
kaart.
De schaarse bewijzen uit de vakliteratuur waarbij de rijksgrens taalgrens
is, zijn eigenlijk occasioneel opgedane bevindingen die men min of meer
toevallig op het spoor gekomen was. De extra-linguistische methode in de
dialectologie had hoofdzakelijk aandacht voor reflexen van oudere
cultuurstromingen in het huidige kaartbeeld, en onderzocht uiteraard
vooral oudere begrippen, die tegenwoordig vaak een lage interlokale5
| | | | frequentie hebben en dus bij het onderzoek van een vrij
recente staatsgrens meestal marginaal zijn. Er was dus behoefte aan meer
systematisch onderzoek aan de rijksgrens zelf - waarbij deze als
scheidingslijn voor bepaalde taalverschijnselen zou optreden, zonder
‘tot een oudere homogene feodale of andere, b.v. aardrijkskundige,
grens’1 herleid te kunnen worden.
Tussen 1958 en 1968 worden in vier Leuvense
licentiaatsverhandelingen2
telkens dezelfde min of meer willekeurig gekozen woorden opgevraagd;
hierdoor wordt materiaal geleverd over ca. 80 tegen de rijksgrens
gelegen plaatsen tussen Aardenburg/Maldegem en Philippine/Assenede (omgeving van
Terneuzen) en tussen Zundert/Wuustwezel en Weert/Bocholt.
| |
Tussen beide Limburgen
Omstreeks 1970 onderzocht ik - eveneens in een
licentiaatsverhandeling3 te Leuven - met een ruimere
vragenlijst (ca. 700 woorden) de Belgische en Nederlandse omgeving van
Maastricht; dit onderzoek werd later nog
met enkele plaatsen uitgebreid4.
In dit artikel tracht ik de belangrijkste resultaten samen te vatten.
Het onderzochte Nederlandse gebied5 omvat 13 plaatsen. Het
Belgische gebied bestaat uit twee stukken die door Franse dialecten van
elkaar gescheiden worden: de 6 plaatsen ten oosten van de Maas (de
zogenaamde Voerstreek) behoorden tot 1 september 1963 tot de overwegend
franstalige provincie Luik, maar werden op die datum bij Limburg gevoegd
- waartoe de 8 onderzochte plaatsen ten westen van de Maas behoorden; om
die reden worden deze laatste verderop Oud-Belgisch-Limburg genoemd6. De structuur van het taallandschap van | | | |
mijn onderzoeksgebied werd in de dialectologie herhaaldelijk
beschreven1. Nergens volgen de geconstateerde isoglossen
(hoofdzakelijk isofonen2) de
rijksgrens over enige lengte van betekenis; ook de Maas, die over een
aanzienlijke afstand rijksgrens is, ‘blijkt nooit een taalkundige
verkeersgrens te zijn geweest’3.
Dit onderzoek naar de congruentie tussen isoglossen en de rijksgrens
leverde uitsluitend isolexen op; de zeldzame isoglossen van fonische -
bijv. (tennis)racket ('rękǝt t.o. ra'kẹt) - en van syntactische
aard - bijv. acht meter bij (t.o. op) vijf - worden gemakshalve tot de woordenschat gerekend. De
invloed van de jonge staatsgrens is het duidelijkst bij de naamgeving
voor begrippen die de laatste 140 jaar algemene bekendheid hebben
verworven; maar een niet onaanzienlijk deel van de gevonden
tegenstellingen heeft betrekking op oudere begrippen, die vroeger aan
beide zijden van de grens onder dezelfde benaming voorkwamen, maar later
naamwijziging ondergingen.
| |
1. Rijksgrensisoglossen waaraan geen ouder taallandschap
voorafging
| |
1.1.
Een tegenstelling tussen Nederlands-Limburg en
Belgisch-Limburg4.
aansteker t.o. briquet,
alcohol t.o. alco(o)l, auto (ōto of ǫuto) t.o. otto,
autoped t.o. trottineite, (baby)box t.o. park, ballpoint of bolpen t.o. bic of stylo, batterij t.o.
pile, bestelwagen t.o. camionnette, bi'kini t.o. 'bikini,
bonbon t.o. praline, broodje t.o. pistolet, b(uste)h(ouder) t.o. soutiens, (centrale) verwarming t.o. chauffage, dieet
t.o. regiem, diesel(olie)
t.o. mazout, fitting t.o. socket,
flat t.o. appartement, ga'rantie (sie) t.o. garan'tie (tie), garnaal t.o. crevette, gebakje t.o. pateeke,
gymzaal t.o. turn- | | | |

zaal, (hand)schrift t.o. geschrift, (hand)tas t.o. sacoche, ijsje t.o. crème(ke), ijskast t.o. frigo, spuitje t.o. piqûre,
kelner of ober t.o. garçon, kerry t.o. curry,
kleurpotlood t.o. kleurke, koppeling t.o.
embrayage, labo'rante t.o. laboran'tin, langevingers t.o. boudoirkoekskes, liften t.o. autostop
doen, (licht)meter
t.o. compteur, maatschappelijk werker t.o. sociaal assistent, melkfabriek t.o. melkerij, microfoon t.o. micro,
'motor (Duits Motor) t.o. mo'teur,
'motor (Duits Motorrad) t.o. 'motto (=
Frans moto), nylon (nailon of nęilon t.o. nilǭ), olie verversen t.o. vidange doen, panty (soort korset) | | | | t.o.
gaine, pech hebben (i.v.m. auto) t.o. panne hebben, plastic ('plęstǝk) t.o. plas'tiek, ponny t.o. ponnee (= Fr. poney), port(wijn) t.o. porto, py'jama t.o. 'pižama, (tennis)racket ('rękǝt t.o. ra'kẹt), (wiel)renner t.o. coureur, ritssluiting t.o. tirette,
rolluik t.o. volet, schakelaar t.o.
interrupteur, schuimrubber t.o. mousse, scooter t.o. vespa,
'serie t.o. se'rie, slof sigaretten
t.o. farde sigaretten, snelheid t.o. vitesse, spatbord t.o. gardeboue,
stookolie t.o. mazout, suède t.o. daim, takelwagen t.o. depannage,
tompoes t.o. glacé, 'tractor t.o. trac'teur, transformator(huisje) t.o. cabine, tweedehands t.o.
occasie, vaste vloerbekleding t.o. tapis plain, verdieping t.o. verdiep, mar'tini t.o. 'martini,
vrachtwagen t.o. camion, watergolf
t.o. mise-en-plis, woonkamer t.o. living, gezakt t.o. gebuisd,
zekering t.o. plomb.
| |
1.2.
In een aantal gevallen ontstaan er drie taallandschappen:
Nederlands-Limburg t.o. Oud-Belgisch-Limburg t.o. de Voerstreek.
bandrecorder t.o. bandopnemer
t.o. enregistreur, combine t.o. maaidorser t.o. moissonneuse,
kraamkliniek t.o. moederhuis t.o. maternité, rōntgen-stralen t.o. x-stralen t.o. rayons-x, schoteltje
t.o. ondertas t.o. soutasse.
| |
1.3.
Nederlands-Limburg en Oud-Belgisch-Limburg vormen één
taallandschap - dat echter van de Voerstreek verschilt.
bromfiets of brommer t.o. vélomoteur, fiets t.o. velo,
luidspreker t.o. haut-parleur, rek
t.o. étagère, shampoo t.o. shampooing, slagroom t.o. crème-fraîche,
snelbinder t.o. elastiek, stofzuiger
t.o. aspirateur of electrolux (= merknaam), verpleegster
t.o. infirmière.
| |
1.4.
Slechts twee keer is er een tegenstelling ontstaan tussen
Nederlands-Limburg en de Voerstreek enerzijds, en
Oud-Belgisch-Limburg anderzijds.
benzine t.o. naft, stempelen
t.o. doppen.
| |
2. Begrippen die vroeger onder dezelfde benaming
voorkwamen of isoglossen vormden die niet met de huidige rijksgrens
coïncideerden
Inzicht in het oude taallandschap kon vrij gemakkelijk verworven
worden o.a. d.m.v. gegevens uit de (Maastrichtse)
dialectliteratuur1. | | | | Ook de (vrij
talrijke) gevallen van synonymie en polyonomie zijn steeds
revelerend: de (oude) uniforme benaming is in het éne gebied nog
springlevend, maar leeft in het andere gebied slechts als archaïsme
verder of is er in enkele plaatsen (bijv. en vooral te Maastricht) al volledig verdwenen - ofwel
wordt in één gebied naast de (oude) uniforme benaming een expansief
neologisme gebezigd dat in het andere gebied onbekend is.
| |
2.1.
In Nederlands-Limburg wordt een Noordnederlands woord ingevoerd,
meestal ten koste van de geldende algemeen Zuidnederlandse
benaming; hierdoor ontstaat er een tegenstelling
Nederlands-Limburg t.o. Belgisch-Limburg
aanrijding naast botsing t.o.
botsing, acht meter bij
vijf t.o. op, blikje naast doosje (erwten bijv.) t.o. doosje,
blindedarm(ontsteking) t.o. appendicite, 'dokter t.o. dok'toor, (appel)flap t.o. gozet, flauwe kul t.o. zever, frame (van fiets) t.o. kader, gehaktbal t.o. frikadel,
kapper t.o. coiffeur, gum t.o. gom, kleuterschool t.o. bewaarschool, leeftijd t.o. ouderdom,
lelietje-van-dalen t.o. muguet,
liniaal t.o. regel, lusten naast graag hebben t.o. graag hebben,
mevrouw t.o. madam, pak naast kostuum t.o. kostuum,
pasteike (met vleesragoût bijv.) t.o. vidéke,
post t.o. facteur, rozenkrans t.o.
noster, rubber t.o. caoutchouc, wethouder t.o. schepen,
veearts t.o. artiest, ventiel t.o.
soupape, jam (in de algemene betekenis
‘vruchtesmeersel’) t.o. gelei, waterketel t.o.
moor; alleen in Nederlands-Limburg worden
duimen (succes toewensen) en leuk in de woordenschat opgenomen.
| |
2.2.
In sommige gevallen wordt in Oud-Belgisch-Limburg een algemeen
Zuidnederlands woord ingevoerd (ten koste van een algemeen
Noordnederlands)
dikoor (bof), koeken aas (ruiten aas), metser (metselaar), rap.
| |
2.3.
In een aantal gevallen dringt in Nederlands-Limburg een
Noordnederlands woord en in Belgisch-Limburg een Zuidnederlands
woord binnen, terwijl in de Voerdorpen geen wijziging optreedt;
het vroegere homogene taallandschap is dus in 3 stukken uit
elkaar gevallen: Nederlands-Limburg t.o. Oud-Belgisch-Limburg
t.o. de Voerstreek
nabuur, prison, polfer worden in
Nederlands-Limburg en in Oud-Belgisch-Limburg resp. vervangen
door buurman en gebuur,
gevangenis en gevang, (bus)kruit en poeder; geluk hebben, glas bier, meter
(maat) krijgen in Nederlands-Limburg en in Oud-Belgisch-Limburg
resp. het gezelschap van boffen en chance hebben, pilsje en pintje,
centimeter en lintmeter. De
Zuidnederlandse woorden seffens en goesting, die in Oud- | | | | Belgisch-Limburg van jongere datum zijn, worden in de zeldzame
Nederlands-Limburgse plaatsen waar ze voorkwamen (voornamelijk
Maastricht) weer verwijderd, maar dringen niet door in de
Voerstreek.
| |
Verklaring en conclusies; waar komen de woorden die aan de
rijksgrens tegenover elkaar staan, vandaan?
| |
1.
De Nederlands-Limburgse benamingen zijn afkomstig uit de Nederlandse
cultuurtaal, en kunnen zonder uitzondering aan ‘Hollandse expansie’
toegeschreven worden. Maastricht vervult
hierbij de rol van belangrijk regionaal cultuurcentrum; hoewel het
vroeger eigen en vreemd taalgoed in alle richtingen verspreid
heeft1, is Maastricht nu
vaak niet meer in staat recente vernieuwingen aan zijn Belgische omgeving door te geven.
| |
2.
Ook voor de Belgische naamgeving of -wijziging is men ertoe geneigd
een analoog politiek-economisch-cultureel expansiecentrum aan te
nemen dat als kerngebied fungeert, en aan de rijksgrens op de
invloedssfeer stoot van een Noordnederlands kerngebied; maar in de
drietalige Belgische situatie is deze hypothese niet concreet
genoeg. De vraag moet anders gesteld worden: Hebben de
Belgisch-Limburgse plaatsen hun benamingen ontvangen vanuit een
taaleigen of vanuit een taalvreemd kerngebied?
Omdat vaak Franse woorden rijksgrensisoglossen veroorzaken, is men
ertoe geneigd een franstalig kerngebied ter verklaring in te
roepen2. Hiertegen wil ik echter
drie overwegingen plaatsen.
| (a) | Niet iedereen in Vlaanderen (of in het onderzochte
Belgisch-Limburg) is tweetalig, waardoor een immediaat Frans kerngebied dat een uniform
taallandschap zou creëren, uitgesloten is. |
| (b) | Er kan een taaleigen Zuidnederlands kerngebied bestaan dat
niet alleen eigen materiaal verspreidt, maar ook vreemd (Frans)
materiaal dat uit het Frans geput werd. Dit taaleigen centrum
zou dan het centrale gebied van Nederlands-België, ‘Brabant in
ruime zin’3, zijn. |
| | | |
| (c) | Het is niet meer waar dat de politiek-economisch gezaghebbende
kringen uitsluitend franstalig zijn. |
Slechts een gedeeltelijk antwoord op de gestelde vraag kan vanuit
mijn materiaal gegeven worden.
| |
2.1. Oud-Belgisch-Limburg
| |
2.1.1.
Haast alle woorden die rijksgrensisoglossen vormen, bestaan
ook in het Belgische Brabants, of zijn zelfs algemeen
Zuidnederlands; hiermee wordt aan een primaire voorwaarde
voldaan om eventueel voor een taaleigen centrum te
opteren.
| |
2.1.2.
Een Frans kerngebied zou niet alle benamingen kunnen
verklaren: onmogelijk aan het Frans ontleend zijn bandopnemer, doppen, gevang, goesting,
geschrift, maaidorser, noster, pint, rap, seffens,
schepen, stiel, turnzaal, verdiep; in vier gevallen
(dikoor, gebuur, koeken, metser) wordt
zelfs een algemeen Noordnederlands en dus door de
cultuurtaal gesanctioneerd woord verwijderd om een Brabants
in te voeren.
| |
2.1.3.
Een aantal woorden zijn zo origineel t.o.v. het Frans of
werden zo perfekt vertaald dat alleen een Zuidnederlands
kerngebied deze woorden aangepast en doorgegeven kan hebben:
moederhuis, melkerij, x-stralen,
omniumverzekering, lintmeter.
| |
2.1.4.
Pateeke en naft zijn geen
(Belgisch) Frans (meer) en verdwijnen ook in de Franse
dialecten; het handhaven van deze woorden is dus een
Zuidnederlands verschijnsel.
| |
2.1.5.
De topolinguistiek kan onderzoeken of de
verspreidingsgebieden van de verschillende woorden een
gemeenschappelijk kerngebied aanwijzen. Een overtuigend
voorbeeld hiervan is het verspreidingsgebied van bic en stylo1.
| |
2.2. De Voerstreek
| |
2.2.1.
De zes Voerdorpen zijn in mindere mate dan
Oud-Belgisch-Limburg op het Zuidnederlands kerngebied
georiënteerd; dit blijkt zowel bij moderne naamgeving (enregistreur, maternité, rayons-x) als bij
naamwijziging: meter, bof, prison, nabuur,
metselaar, geluk hebben, polfer worden gehandhaafd
t.o. de Zuidnederlandse equivalenten. De algemeen
Zuidnederlandse woorden doppen, goesting, naft,
pint en seffens kunnen de
Voerstreek niet bereiken.
| |
| | | |
2.2.2.
De Voerstreek ondergaat de invloed van de
Nederlandse-cultuurtaal minder, en van het Frans meer dan
Oud-Belgisch-Limburg: vélomoteur (niet brommer), shampooing
(niet shampoo), elastiek
(niet snelbinder), haut-parleur (niet luidspreker),
aspirateur (niet stofzuiger).
Door hun geografische isolatie handhaven de Voerdorpen vaker
een relictwoord; door hun economische oriëntatie op Luik en
de daaruit-volgende diglossiesituatie is de directe invloed van het Frans op de woordenschat
groter.
| |
Alfabetische lijst van de besproken woorden
|
aanrijding
|
|
aansteker
|
|
aardappel
|
|
alcohol
|
| alco(o)l
‘alcohol’ |
|
als
|
|
appartement
|
| (appel)flap |
| appendicite ‘blindedarm(ontsteking)’ |
| artiest ‘veearts’ |
| aspirateur ‘stofzuiger’ |
|
auto
|
|
autoped
|
| autostop doen ‘liften’ |
|
babybox
|
|
ballpoint
|
| bandopnemer ‘bandrecorder’ |
|
bandrecorder
|
| batterij ‘accu’ |
|
benzine
|
|
bestelwagen
|
| bewaarschool ‘kleuterschool’ |
| bic ‘bolpen’ |
|
bij
|
|
bikini
|
|
blikje
|
| blindedarm(ontsteking) |
|
bof
|
|
boffen
|
|
bolpen
|
|
bonbon
|
|
botsing
|
| boudoirkoekskes ‘langevingers’ |
| briquet ‘aansteker’ |
|
bromfiets
|
|
brommer
|
|
broodje
|
|
buskruit
|
|
bustehouder
|
|
buurman
|
| cabine ‘transformatorhuisje’ |
| camion ‘vrachtwagen’ |
| camionnette ‘bestelwagen’ |
| caoutchouc ‘rubber’ |
|
centimeter
|
| chance hebben ‘boffen’ |
| chauffage ‘(centrale) verwarming’ |
| coiffeur ‘kapper’ |
|
combine
|
| compteur ‘(licht)meter’ |
| coureur ‘(wiel)renner’ |
| crème fraîche ‘slagroom’ |
| crèmeke ‘ijsje’ |
| crevette ‘garnaal’ |
| curry ‘kerry’ |
| daim ‘suède’ |
| depannage ‘takelwagen’ |
|
dieet
|
|
dieselolie
|
|
dikoor
|
|
dokter
|
|
doktoor
|
|
doosje
|
| doppen ‘stempelen’ |
|
duimen
|
| (durven) te |
| | | |
| elastiek ‘snelbinder’ |
| electrolux ‘stofzuiger’ |
| embrayage ‘koppeling’ |
| enregistreur ‘bandrecorder’ |
| étagère ‘rek’ |
|
etensbord
|
| facteur ‘post’ |
| farde sigaretten ‘slof sigaretten’ |
|
flat
|
|
flauwe kul
|
|
fiets
|
|
fitting
|
|
frame
|
| frigo ‘ijskast’ |
| frikadel ‘gehaktbal’ |
| gaine ‘panty’ |
|
garantie
|
| garde-boue ‘spatbord’ |
|
garnaal
|
|
gebakje
|
| gebuisd ‘gezakt’ |
| gebuur ‘buurman’ |
|
gehaktbal
|
| gelei ‘jam’ |
|
geluk
|
| geschrift ‘handschrift’ |
| gevang ‘gevangenis’ |
|
gevangenis
|
|
gezakt
|
| glacé ‘tompoes’ |
|
glas bier
|
| goesting ‘zin, trek’ |
| gom ‘gum’ |
| gozet ‘(appel)flap’ |
|
gymzaal
|
|
graag hebben
|
|
gum
|
|
handschrift
|
|
handtas
|
| haut parleur ‘luidspreker’ |
|
ijsje
|
|
ijskast
|
| infirmière ‘verpleegster’ |
| interrupteur ‘schakelaar’ |
|
jam
|
| kader ‘frame’ |
|
kapper
|
|
kelner
|
|
kerry
|
| kleurke ‘kleurpotlood’ |
|
kleuterschool
|
|
knippen
|
| koeken aas ‘ruiten aas’ |
|
koppeling
|
|
kostuum
|
|
kraamkliniek
|
|
krant
|
|
laborante
|
| laborantin ‘laborante’ |
|
lampepit
|
|
langevingers
|
|
leeftijd
|
|
lelietje-van-dalen
|
|
leuk
|
| (licht)meter |
|
liften
|
|
liniaal
|
| living ‘woonkamer’ |
|
luidspreker
|
|
lusten
|
| maaidorser ‘combine’ |
|
maatschappelijk werker
|
| madam ‘mevrouw’ |
|
martini
|
| maternité ‘kraamkliniek’ |
| mazout ‘diesel-, stookolie’ |
| melkerij ‘melkfabriek’ |
| meter (maat) ‘centimeter’ |
|
metselaar
|
| metser ‘metselaar’ |
| micro ‘microfoon’ |
|
microfoon
|
| mise-en-plis ‘watergolf’ |
| moederhuis ‘kraamkliniek’ |
| moissonneuse ‘combine’ |
| moor ‘waterketel’ |
| moteur ‘motor’ |
| moto(cyclette) ‘motor’ |
| mousse ‘schuimrubber’ |
| | | |
| muguet ‘lelietje-van-dalen’ |
| nabuur ‘buurman’ |
| naft ‘benzine’ |
| noster ‘rozenkrans’ |
|
nylon
|
|
ober
|
| occasie ‘tweedehands’ |
|
olie verversen
|
| ondertas ‘schoteltje’ |
|
oom
|
|
op
|
|
ouderdom
|
|
pak
|
| panne ‘(motor)pech’ |
|
panty
|
| park ‘babybox’ |
| pasteike ‘pasteitje’ |
| pateeke ‘gebakje’ |
|
pech hebben
|
| pile ‘batterij’ |
|
pilsje
|
| pintje ‘pilsje’ |
| piqûre ‘spuitje’ |
| pistolet ‘broodje’ |
|
plastic
|
| plastiek ‘plastic’ |
| plomb ‘zekering’ |
| poeder ‘buskruit’ |
| polfer ‘buskruit’ |
| poney ‘ponny’ |
| porto ‘portwijn’ |
| port(wijn) |
|
post
|
|
pyjama
|
| praline ‘bonbon’ |
| prison ‘gevangenis’ |
|
ragebol
|
| rap ‘snel’ |
| rayons-x ‘röntgenstralen’ |
| regel ‘liniaal’ |
| regime ‘dieet’ |
|
rek
|
|
ritssluiting
|
|
rolluik
|
|
röntgenstralen
|
|
rozenkrans
|
|
rubber
|
|
ruiten aas
|
| sacoche ‘handtas’ |
|
schakelaar
|
| schepen ‘wethouder’ |
|
schoteltje
|
|
schuimrubber
|
|
scooter
|
| seffens ‘straks, dadelijk’ |
|
serie
|
|
shampoo
|
| shampooing ‘shampoo’ |
|
slagroom
|
|
slof sigaretten
|
|
snelbinder
|
|
snelheid
|
| sociaal assistent ‘maatschappelijk werker’ |
| sooket ‘fitting (van lamp)’ |
| soupape ‘ventiel’ |
| soutasse ‘schoteltje’ |
| soutien ‘bustehouder’ |
|
spatbord
|
|
spuitje
|
|
stempelen
|
|
stofzuiger
|
|
stookolie
|
| stylo ‘bolpen’ |
|
suède
|
|
tante
|
| tapis plain ‘vaste vloerbekleding’ |
|
takelwagen
|
|
tennisracket
|
| tirette ‘ritssluiting’ |
|
tompoes
|
|
tracteur
|
|
tractor
|
| transformator(huisje) |
| turnzaal ‘gymzaal’ |
|
tweedehands
|
|
vaste vloerbekleding
|
|
veearts
|
|
velo
|
| | | |
|
vélomoteur
|
|
ventiel
|
|
verdiep
|
|
verdieping
|
| verfke ‘kleurpotlood’ |
|
verpleegster
|
|
centrale verwarming
|
| vespa ‘scooter’ |
| vidange doen ‘olie verversen’ |
| vidéke ‘pasteitje’ |
| vitesse ‘snelheid’ |
| volet ‘rolluik’ |
|
vrachtwagen
|
|
watergolf
|
|
waterketel
|
|
wethouder
|
|
wielrenner
|
|
woonkamer
|
| x-stralen ‘röntgenstralen’ |
|
zekering
|
| zever ‘flauwe kul’ |
J. Cajot.
|
1L.
Grootaers, ‘De Nederlandsche benamingen van den aardappel’. LB XVIII (1926), 89-93 en C.P.F. Lecoutere-L. Grootaers, Inleiding tot de
taalkunde en tot de geschiedenis van het Nederlands. Leuven
1948 6, 234-236.
2E. Blancquaert,
W. Pée en hun studenten, ‘De Nederlandsche Dialectnamen van
de Spin, den Ragebol en het Spinneweb’. HCTD VII
(1933), 329-432.
3W. Roukens, Wort- und
Sachgeographie Südost-Niederlands und der umliegenden
Gebiete. Nijmegen 1937. IA., 127-130, 190-191, 293-296,
304-306, 323-335 en IB Abt. III, 9, 33, 56, 59, 63, 65-67.
4A. Weijnen-Fr.
van Coetsem, De rijksgrens tussen België en
Nederland als taalgrens. BMDC XVIII (1957), 4-5 en A. Weijnen, Nederlandse
Dialectkunde. Assen 1966 2, 352-353.
1J. de Rooij,
‘Algemeen Zuidnederlands’?, in J. de Rooij en J.B. Berns, Zuidelijk Nederlands in
het algemeen en in het bijzonder. BMDC XLIII (1972), 5-18
en J. de Rooij, ‘Een beetje te’. TT XXI (1969), 120-122.
2De huidige grens ten oosten van de Maas
was al provinciegrens van 1795 tot 1839; na 1839 werd ze daar en ten
noorden van Maastricht (waar ze de Maas volgt) rijksgrens. De
westgrens op de linker Maasoever dateert van 1843. Zie o.a. E.M. Th.
W. Nuyens, De staatkundige
geschiedenis der provincie Limburg vanaf haar ontstaan tot aan
haar uiteenvallen. Maastricht 1956. Met atlas.
3A. Pauwels, De plaats van
hulpwerkwoord, verleden deelwoord en infinitief in de
Nederlandse bijzin. Leuven 1953, 143.
4J. Stroop, ‘De rijksgrens als
taalgrens’. TT XXVI (1974), 86-90. J. Stroop meent
dat hij een kaart getekend heeft van de benamingen voor het begrip
‘krachtig tweewielig motorvoertuig’ en dat slechts in enkele
Hollandse kustplaatsen bij de RND-enquête aan
‘voortstuwingsapparaat’ gedacht zou zijn. In werkelijkheid heeft hij
echter - wat België betreft - overal dit laatste begrip in kaart
gebracht. Het motorvoertuig heet in Ned.-België nl. algemeen ' motto - uit het Franse moto( cyclette). Hoewel RND-zin 67 Zijn motor is kapot - hij ligt ( of zit)
... ( hij kan wegens defect of omdat hij weggezakt is
niet verder) bij aandachtige lectuur (‘omdat hij weggezakt
is’) op het tweewielig voertuig moest wijzen, hebben bijv. de
enquêteurs van RND VIII ( E. Blancquaert, J.C.
Claessens, W. Goffin en A. Stevens) in België op een paar
uitzonderingen na steeds moteur opgetekend, en het
RND-woord dus als ‘voortstuwingsapparaat’ opgevat. Alleen E.
Blancquaert (!) heeft in 4 plaatsen (St.-Truiden, Piringen, Sluizen
en Mal) moto( cyclette)
genoteerd.
5Term uit A. Weijnen,
‘Lautgeschichte und Wortfrequenz’. Actes du Xe
Congrès International des Linguistes. Bucarest
1969, 453-462; ook verschenen in A. Weijnen, Algemenen en vergelijkenden dialectologie.
Amsterdam 1975, 95-104.
1A. Weijnen, a.w. 1957, 23.
2Resp. van F. Hendrickx, T. Scheepers, P. de Ridder en A.
Mermans; deze onuitgegeven verhandelingen berusten te Leuven in
de afdeling Dialectologie van het Departement Linguistiek.
3Bekroond met de
prijs voor Taalkunde 1974 van de Koninklijke Academie voor
Nederlandse Taal- en Letterkunde.
4Naar aanleiding
van een nog aan de gang zijnde ruimere studie over de invloed van de
staatsgrenzen in de Nederlands-Belgisch-Duitse grensstreek.
5Zie kaart; de
nummering is van Grootaers-Kloeke.
6Naar analogie met Oud-België
t.o. Nieuw-België (= Eupen, Sankt-Vith,
Malmedy).
1W. Welter, Die niederfränkischen Mundarten im Nordosten der
Provinz Lüttich. Haag 1933; J.G.H. Tans,
Isoglossen rond Maastricht. Maastricht 1938;
J. Leenen, S. van der Meer en W. Roukens, Limburgse Dialectgrenzen.
BMDC IX (1947); A. Stevens, ‘De evolutie van
de Haspengouwse streektalen’. Limburgs Haspengouw.
Tongeren 1951, 223-264; idem, ‘Struktuur en
historische ondergrond van het Haspengouws taallandschap’. Het Oude Land van Loon VII (1952), 4-20; A. Boileau, Enquête dialectale sur
la toponymie germanique du Nord-Est de la province de
Liège. Luik 1954, 32-87; J. Goossens, ‘Die
Gliederung des Südniederfränkischen’. Rheinische
Vierteljahrblätter XXX (1965), 79-94; idem, ‘De Overmase dialecten’. Veldeke XLI
(1966), 103-118.
2W.
Roukens, ‘Dialectbegrenzing in Limburg’, a.w.
1947, 31-47 onderzocht ook isolexen en isotagmen.
4Het
Nederlands-Limburgse woord staat vooraan.
1Ook H.J.E. Endepols, Woordenboek of diksjenär
van 't Mestreechs. Maastricht 1955 bevat heel wat
materiaal uit de 19de eeuw; zie ibidem, p. xi-xvii.
1Zie Stevens,
a.w. 1951, 236.
3J.
Goossens, ‘“Belgisch beschaafd Nederlands” en Brabantse
expansie’. NT Van Haeringen-nummer 1970,
56-57.
1J. Goossens en E. de Rons, ‘Moderne naamgeving in de
Zuidnederlandse dialecten’. Album W.
Pée. Tongeren 1973, 119-120.
|
|