Het elektrisch bestaan. Schrijvers en tijdschriften tussen 1949 en 1951


auteur: Piet Calis


bron: Piet Calis, Het elektrisch bestaan. Meulenhoff, Amsterdam 2001  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 224]

Hoofdstuk 5
Podium (5): grote dromen en een weerbarstige werkelijkheid

De volgende hoofdstukken zullen gewijd zijn aan Podium, het literaire tijdschrift dat in de voorzomer van 1944 te Leeuwarden opgericht was en in de jaren na de bevrijding met zijn pleidooi voor een geëngageerde kunst een vooruitgeschoven positie in het literaire leven wist in te nemen. De centrale figuur in het blad was al snel de essayist en dichter Fokke Sierksma geworden: een bewogen, eigenzinnige man die in de jaren dertig gegrepen was door het werk van Marsman, Ter Braak en Du Perron en die in het naoorlogse Nederland vooral aan hun idealen vorm probeerde te geven.

Van de redactie maakte ook de iets jongere Paul Rodenko deel uit: een auteur die al halverwege de bezettingstijd sterk door het surrealisme geboeid geraakt was en die ook verder meer door de buitenlandse modernistische literatuur geïnspireerd werd dan door de Nederlandse. Hij had zich als student in Parijs ook uitvoerig verdiept in de existentie-filosofie.

Een derde redacteur was sinds kort de criminoloog Wim Nagel, die als schrijver onder de naam J.B. Charles bekend geworden is. Sterk gegrepen door zijn ervaringen in de illegaliteit bleek hij een fel pleitbezorger te zijn van een opvatting van het schrijverschap waarin niet alleen met esthetische, maar ook met ethische overwegingen rekening gehouden wordt.

Nog recenter was het redacteurschap van Simon Vestdijk, die bij gelegenheid van zijn vijftigste verjaardag in oktober 1948 uitgenodigd was tot de redactie toe te treden. Hij zou daarbij enigszins aan de zijlijn blijven en vaak ook geen redactievergaderingen bijwonen.

Verreweg het meeste werk voor het tijdschrift deed de redactie-secretaris Gerrit Borgers, een gemoedelijke student Nederlands van al boven de dertig - hij stond sinds enige jaren vlak vóór zijn doctoraal -, die intussen in de ban geraakt was van de poëzie en de literaire opvattingen van Paul van Ostaijen. Hij bewonderde daarbij vooral de creatieve vrijheid die deze zich bij het schrijven van zijn verzen veroverd had.

Om zich veel overbodige correspondentie te besparen had Borgers er sinds het begin van 1948 een gewoonte van gemaakt aan de redacteuren een getypt mededelingenblad onder de titel ‘Podium-nieuws’ toe te sturen. Ook bij de voorbereiding voor de nieuwe jaargang ging hij daarmee door, waarbij hij kennelijk voor Simon Vestdijk een uitzondering maakte. Deze nam nu

[p. 225]

eenmaal in de redactie een speciale positie in, zodat hij niet van alle dagelijkse besognes op de hoogte hoefde te zijn.

Podium, dat de afgelopen jaren door Contact te Amsterdam was uitgegeven, was - na een ware odyssee langs andere uitgeverijen - in september 1948 naar De Driehoek te 's-Graveland overgegaan. Deze uitgeverij, waarvan Henri Methorst jr. de directeur was, werd geëxploiteerd in een idealistische, pacifistische sfeer, waarin natuurlijk wel geld verdiend moest worden, maar waarin de vrijmaking van de persoonlijkheid en het liefst van de hele mensheid toch voorop stond. Een literair adviseur van De Driehoek was de publicist en corrector Kees Lekkerkerker - in de wandeling ook wel ‘Lek’ genoemd -, die het contact tussen de uitgeverij en de redactie totstandgebracht had. Gerrit Borgers had trouwens als bevlogen jongeman al in de jaren dertig met Methorst kennisgemaakt.

De Driehoek, waarin nauw samengewerkt werd met drukkerij Mouton in Den Haag, bleek met Podium grootse plannen te hebben. Zo werd het Vestdijk-nummer dat deze uitgeverij in het najaar van 1948 voor haar rekening nam, in een oplage van 10.000 exemplaren gedrukt, een voor een literair tijdschrift gigantische hoeveelheid, waarvan verreweg het grootste deel zijn nadagen bij De Slegte zou slijten. Het was de bedoeling dat de geplande oplage aantrekkelijk voor adverteerders zou zijn, waardoor het tijdschrift vanzelf in een opwaartse spiraal zou belanden. Althans, dat was de droom van Methorst en zeker niet minder ook van Lekkerkerker.

‘De poëzie is allemaal acceptabele oude stijl’

Om de vervulling van die droom alvast wat dichterbij te brengen besloot de redactie in oktober 1948 een bijeenkomst met de vaste medewerkers te beleggen op zondagmiddag 7 november in het quasi-antieke restaurant-café ‘De Silvere Spieghel’ aan het Kattegat te Amsterdam.

De resultaten ervan waren niet om te juichen, zelfs niet voor de optimistische Borgers, die - in zijn ‘Podium-nieuws’ van 15 november - natuurlijk toch nog wel een lichtpuntje wist te ontwaren: ‘Niemand schrijft novellen en de poëzie is allemaal acceptabele oude stijl. Maar toch is de zaak hierom niet nutteloos geweest: ze hebben het gevoel “er bij te horen”, weten wat onze bedoeling is, verspreiden de zaak en kunnen ons zo nu en dan aan een kerel helpen die we hebben moeten. Nog een indirecte conclusie: het blad wordt het komende jaar in de eerste plaats wat wij er als redactie en redacteuren van maken - dus we moeten nu vast beginnen te werken als gekken!’

Borgers schreef hierna nog: ‘Morriën is bezig met een actie op touw te zetten van de tijdschriftredacties om met subsidie van het Rijk de “onder-

[p. 226]

betaling” van de redacteuren wat dragelijker te maken. Vanzelf alle steun van ons, niet?’1

Iemand die op de medewerkersbijeenkomst verstek had laten gaan, maar die altijd wel voldoende kopij in voorraad had, was Simon Vestdijk, die op 18 november vier verzen van hemzelf aan Borgers stuurde. Ter verdere bemoediging schreef hij er nog bij: ‘De novelle(n) komt (komen) dan wat later, daar ik ze nog uit moet zoeken en gedeeltelijk corrigeeren. Het kan trouwens ook zijn, dat ik liever eerst een fragment geef uit mijn roman De Kellner en de Levenden; maar dit moet ik eerst nog overtikken, en ik heb het erg druk met allerlei niet-literaire, gedeeltelijk al te menschelijke beslommeringen.’2

Intussen kon Podium, dat pretendeerde hèt blad van de jongeren te zijn, natuurlijk niet al te veel van de gunsten van de al vijftigjarige Vestdijk afhankelijk worden, maar dat was allemaal gemakkelijker gezegd dan gedaan. Zette iedereen zich trouwens wel voldoende in? Bleef met name Paul Rodenko de laatste tijd niet wat al te passief?

Rodenko, die de zaak inderdaad wat had laten sloffen, verzekerde op 19 november in een brief aan zijn mederedacteuren dat hij wel degelijk veel voor het blad wilde doen: ‘Toen Fokke en ik na de laatste redactievergadering op de trein stonden te wachten, vroeg hij mij of ik werkelijk 100% bereid was om mij voor Podium “in te zetten”, waarop ik volmondig: Ja, antwoordde en dit ja is ook nu nog even volmondig.’ Rodenko voegde hieraan toe dat vooral tijdgebrek hem bij de voorbereiding van de eerste aflevering parten gespeeld had.

Hij schreef verder - met een verwijzing naar de fusiebespreking met de Criterium-redactie die enkele maanden eerder plaatsgevonden had -: ‘Heus, ik laat de zaak niet lopen - maar het is wel droevig gesteld met het aantal mensen, die wat dóén. Daarom vond ik het in zekere zin toch jammer dat de fusie met Criterium niet doorging: dan hadden wij een bredere armslag gehad - ofschoon, zoveel had het misschien niet eens gescheeld. Maar laat vooral Wim zoveel hij kan actief blijven! Fokke heeft tot dusver de grootste activiteit (wat het schrijven betreft bedoel ik) ontplooid, maar wanneer hij er geen tijd meer voor heeft, zullen Wim en ik het blad moeten “maken”. Intussen, op zoek blijven naar nieuwe medewerkers.’ Het zag ernaaruit dat Fokke Sierksma, die druk bezig was met het schrijven van zijn dissertatie Phaenomenologie der religie en complexe psychologie - hij zou er in 1951 op promoveren -, de komende jaren minder tijd voor Podium zou kunnen vrijmaken.

Rodenko, met zijn vaak haperend praten geen geboren acquisiteur, merkte verder nog op: ‘Wat advertenties betreft, moeten jullie niet op mij rekenen. Ik ken niemand. Wèl wil ik met genoegen, als jullie iemand vinden die wil adverteren, trachten een speciale “Podium-advertentie” voor hem in elkaar te zetten. Dat hoor ik dan wel.’3

[p. 227]



illustratie

Karikatuur van Paul Rodenko naar aanleiding van het verschijnen van het Kinsey-rapport




illustratie
Sybren Polet
collectie letterkundig museum




illustratie
Leo en Tineke Vroman met dochtertje Geraldine
collectie letterkundig museum


[p. 228]

Geen tabak, koffie of thee

Zoals we gezien hebben, was het de bedoeling dat er veel advertenties - liefst van grote bedrijven - in Podium geplaatst zouden worden: daarmee zou de financiële ruimte ontstaan die nodig was om het blad tot het belangrijkste literaire tijdschrift van ons land te maken. En voor minder gingen de uitgever en de redactie niet.

Anders dan Rodenko bleek Wim Nagel inderdaad voor een advertentie te kunnen zorgen en wel van de Groningse tabaksfirma Niermeyer, een zakenrelatie van zijn vader. Helaas, Henri Methorst, vol wantrouwen tegenover elke vorm van koloniale uitbuiting, voelde daar niet voor, zodat die annonce alvast afgeblazen werd. Maar begin december - toen het ernaar uitzag dat de adverteerders niet stonden te dringen - bleek hij er toch soepeler over te gaan denken.

Op 9 december schreef Gerrit Borgers aan Kees Lekkerkerker: ‘Hiervan snap ik niets: Niermeyer moest ik afgelasten vanwege de tabak, de thee en de koffie met inlanders-bloed. En nou weer wèl? Nee, nu gaat het natuurlijk niet meer.’4

‘Is dit een litterair probleem?’

Intussen was eind november de kopij voor het eerste nummer bij De Driehoek ingeleverd. Kees Lekkerkerker, die de verschillende bijdragen zou corrigeren en doorsturen naar de zetter, bleek over de inhoud van die aflevering maar matig enthousiast te zijn. Op 27 november schreef hij aan de goede verstaander in Gerrit Borgers: ‘Ik hoop dat in het volgende nummer enkele verrassingen komen.’

En verder: ‘Het is jammer dat ik Rodenko's stukken niet kan lezen, omdat ik geen Fransch ken. Ik hoor ook van anderen dat ze het jammer vinden. Greshoff wordt 15 December 60 jaar. Het is jammer dat ik geen artikeltje vind dat hem herdenkt.’

Vooral een karikatuur waarin Paul Rodenko goedmoedige spot geleverd had op de massale belangstelling waarin het - in begin 1948 verschenen - Kinsey-rapport over het seksuele gedrag van de Amerikaanse man zich kon verheugen, had hem geïrriteerd: ‘Ik vrees dat Rodenko's caricatuur over het Kinsey-rapport niet in onzen smaak zal vallen. Het Kinsey-rapport beschouw ik als een van de allerbelangrijkste wetenschappelijke publicaties van deze eeuw. Dat het boek een schandaal-succes is geworden juich ik toe. Dit rapport verdient populair te worden, vind ik. Ik geef de heele Nederlandsche prozakunst van de vroegste tijden tot heden cadeau voor Kinsey's wetenschappelijken arbeid. Het is te betreuren dat Podium alleen maar grapjes voor zulk

[p. 229]

serieus werk overheeft. Kan Vestdijk er geen ernstig artikel over schrijven? Maar over deze quaestie liever mondeling.’ Na lezing onderstreepte Borgers met potlood het woord ‘onzen’ in de eerste zin van dit fragment en zette daarbij in de kantlijn een groot vraagteken.

Lekkerkerker, een bekende homo in het hoofdstedelijke artistieke wereldje, schreef verder dat volgens Kinsey ‘tien procent van de Amerikaansche mannen homosexueel’ zou zijn en dat de Podium-redactie, ‘wil zij voor progressief doorgaan’, tegen de in die dagen nog altijd bestaande onderdrukking van homoseksuelen stelling zou moeten nemen.5

Borgers antwoordde hem op 30 november: ‘Over het Kinsey-rapport doe je ontstellend serieus - jammer dat zo'n caricatuur “niet in onzen smaak” zal vallen. Met je waardering voor dit wetenschappelijk werk en met je opmerkingen over de homsexualiteit ben ik (en ook “wij” waarschijnlijk) het eens, maar dat is voor ons geen reden om ons gevoel voor humor er bij te verliezen: het feit dat het een best-seller werd blijft komisch, evenals jouw plotselinge ernst, juist omdat de mensen die voor bepaalde eigen belangen nooit uit durven komen het hier indirect en en masse doen! Dáarop slaat dan ook de caricatuur: een idyllische parkbank - links een jonge man die nergens oog voor heeft: hij leest het Kinsey-rapport, rechts een jonge dame, die ook nergens belangstelling voor heeft: ook zij leest het Kinsey-rapport en achter de bank een zuil met een amor-beeldje. Helaas pijlen en boog staan aan weerszijden van dit ambtenaartje dat niet in functie blijkt te zijn, ondanks de daartoe uitlokkende situatie: hij leest n.l. het Kinsey-rapport. Niet geestig? Toe nou!

Over het stelling nemen van de Podium-redactie tegen de vervolging van homosexuelen: in gemoede, is dit een litterair probleem? Is er ooit sprake van geweest dat Gide, Wilde, Last, De Haan etc. etc. hierom litterair werden aangevallen - Mocht dit gebeuren dan nemen wij stelling, eerder is het toch beslist niet actueel (Let wel: op zichzelf is het drommels actueel, evenals het woningprobleem, het militarisme, de positie van de ongetrouwde moeders etc.etc. - maar toch niet in de eerste plaats voor ons?)’6

Saillant is het hierbij aan te tekenen dat Borgers de kwestie kennelijk niet als een probleem zag waar Podium aandacht aan moest besteden. Als we bedenken hoe vooral zijn mederedacteur Fokke Sierksma in de afgelopen jaren steeds weer naar voren gebracht had dat kunst en maatschappij niet los van elkaar gezien mogen worden, dan is duidelijk dat Borgers, die zich zelden met het berijden van stokpaardjes bezighield, in dat opzicht niet tot de meest orthodoxe aanhangers van diens leer behoorde. Aan de andere kant is het ook mogelijk dat hij door Lekkerkerkers kritische opmerkingen geïrriteerd geraakt was en geen zin had op zijn overdrijvingen in deze kwestie in te gaan.

Op 5 december deelde Borgers overigens aan Lekkerkerker mee dat hij

[p. 230]

Rodenko's karikatuur terugtrok: wat deze getekend had, vond hij ‘bij nader inzien niet geslaagd: het moet geheel voor zichzelf spreken en doet dat niet voldoende - dus niet clicheren’.7

‘Direct een brief naar Hermans’

Kort daarna nam de in Amerika levende dichter Leo Vroman, die al eerder aan Podium meegewerkt had, opnieuw contact met Borgers op. Op 6 december schreef hij vanuit New Brunswick: ‘Het schijnt mij vele nummers, uitgevers of lettertypen geleden sinds ik U een gedicht heb gestuurd. Het ingeslotene heb ik bij het hedens ochtendgloren geworpen en ik moet bekennen dat ik het U zonder schaamte ter drukking in Podium aanbied.’

Vroman, die kort daarvoor het met vignetten geïllustreerde Vestdijknummer van Podium ontvangen had, vertrouwde Borgers verder toe: ‘Met wassend kaakrood heb ik de vignetten in het Vestdijknummer bespied (tevens met genot) en er is een grote roep in mij wakker geworden, zeggende: ikke doen, ikke doen.

Mag ik eens? Ik kan best, wel, een beetje, misschien, soms. Ja?’

Onder aan de brief had hij met de tekens van de schrijfmachine een Sinterklaas met paard gecomponeerd met daarbij de tekst:

‘Dit b.v. is Sinterklaas met paard, 1948. fl. 300.-’8

Lekkerkerker, die zojuist de drukproeven van het eerste nummer ontvangen had, kon het opnieuw niet laten zijn kritiek te ventileren, nu over een van de andere bijdragen: een spotvers van A. Marja op een gedicht van Ed. Hoornik. Op 7 december klaagde hij tegenover Borgers: ‘Een stukje van Marja, waarin hij zich weer eens als een Don Quichot doet kennen met zijn eeuwigen windmolen Hoornik. Als Hoornik niet bestond, bestond Marja ook niet. Het meest verontwaardigd heb ik me over de caricatuur van Rodenko, en ik ben zeer blij dat je die bij nader inzien hebt afgekeurd, zooals ik in je brief dien ik gisteravond bij mijn thuiskomst vond, lees.’

Lekkerkerker deelde Borgers hierna het nieuwtje mee dat Criterium in Libertinage zou worden opgenomen met alleen Morriën als nieuwe redacteur. Hij voegde daaraan toe: ‘Libertinage is een pracht tijdschrift, maar heeft nu alle kansen. Waarom met 1 Januari niet samengegaan met Podium? Ik ga eens praten met Morriën en met Van Oorschot hoe het eigenlijk zit. Want samengaan moet toch gebeuren vroeg of laat, wschl. volgend jaar al. Het moet voor jullie heelemaal geen bezwaar zijn Morriën op te nemen; die heeft toch immers geen stem tegen zooveel Podiummers? Om een sterk tijdschrift te worden moet je nu eenmaal weleens wat water in den wijn doen.’9

[p. 231]

Het verdwijnen van Criterium - en trouwens ook van Het Woord - gaf Podium natuurlijk nieuwe kansen: op meer abonnees, maar ook op nieuwe medewerkers, zoals de Criterium-redacteuren Willem Frederik Hermans en Adriaan van der Veen en de redacteur van Het Woord Hans Redeker. Met het oog op de onderlinge concurrentie tussen de tijdschriften was het zaak er als de kippen bij te zijn. Op 9 december noteerde Borgers in ‘Podium-nieuws’: ‘Criterium gaat dus op in Libertinage, met Morriën als toegevoegd redacteur. Paul, geef acht!! Direct een brief naar Hermans en een bezoek aan Adr. v.d. Veen om ze als medewerkers aan Podium te vragen - nu is er geen bezwaar meer voor hen. Methorst zal reageren door advertenties in v.n. en De Groene om Criterium-abonnees op te vangen. Nu Het Woord en Criterium ter ziele zijn moeten we de concentratie-plannen verwezenlijken (What about Redeker?).’10

Borgers vond het intussen tijd worden Lekkerkerker tot de orde te roepen. Op 9 december schreef hij hem onder de aanhef ‘Beste Oom Lekkerkerker’: ‘Hartelijk dank voor Uw brief met standjes en vermanende woorden! 't Is jammer dat U niet meer verrast bent door het eerste nummer, we hebben toch zo ons best gedaan. Enfin, misschien in nummer 2.’

En verder - om de verhoudingen even duidelijk vast te stellen -: ‘Kinsey- rapport-caricatuur komt te vervallen omdat-ie het in zijn eentje niet genoeg “doet” èn omdat er eigenlijk geen plaats voor blijkt (dus niet vanwege jouw bordje “verboden te lachen”).’

Hij merkte hierna nog op: ‘Fusie Criterium-Libertinage: prachtig man. Libertinage wilde toch niet aan Podium en is hierdoor nauwelijks versterkt. Van der Veen, Hermans (onder curatele) en enkele anderen zullen nu voor Podium worden “geworven” (daaraan waren we al bezig, maar dit kon nog niet zolang ze zich nog aan Criterium gebonden voelden). Langzamerhand komt zo de “concentratie” waar we heen wilden - Nu is het zaak te adverteren om de abonnees van wijlen Het Woord en Criterium te trekken! Er moeten advertenties over een week, veertien dagen in v.n., De Groene enz.!! Ik besprak dit al met Henri. Natuurlijk is het voor ons geen bezwaar om Morriën in zijn eentje op te nemen, maar daarmee houdt Libertinage niet op. En wat nu gebeurt is best: in feite komt het hierop neer dat Criterium ophoudt en Libertinage er alleen een redactie-secr. bij krijgt, waar ze waarschijnlijk nog niet eens zo best mee op zullen kunnen schieten omdat hij een “allemansvriend” is waar de Libertinage-élite wel van schrikken zal.’11

Ook een ander probleem moest nog even opgelost worden. Op 9 december schreef Borgers aan Henri Methorst, na allerlei kwesties aangeroerd te hebben: ‘Verder alleen nog benieuwd wanneer de honoraria en reisgelden komen - als we het Zaterdag niet kunnen incasseren moet de redactieverga-

[p. 232]

dering uitgesteld schrijft Rodenko me. Dat klinkt wel erg stoer, maar 't zou toch prettig zijn als het gauw voor elkaar gebracht kon worden temidden van de 1001 andere zaken.’12

‘Hoeveel abonnees hebben we nu?’

Intussen had Paul Rodenko naar een functie bij de psychologische dienst van de klm gesolliciteerd. Op 13 december kon hij Borgers berichten: ‘Ik heb de baan bij de k.l.m. gekregen! Plotseling. Vandaag werk ik al.’

En verder - met het oog op de komende redactievergadering -: ‘Eerste practische consequentie: ik kan nu natuurlijk niet naar Groningen a.s. Maandag. Het is wat vervelend om het nu weer te verzetten, ik stel dus voor: vergaderen jullie deze keer zonder mij.’

Hij voegde hieraan toe: ‘Zo op het eerste gezicht heb ik nu in de toekomst minder vrije tijd, maar ik geloof dat ik, nu ik een vaste basis heb, veel rustiger en regelmatiger voor Podium zal kunnen werken, zonder voortdurend door andere zaken afgeleid te worden. De laatste maanden was de toestand werkelijk hopeloos!’

Hij had intussen een van de Criterium-redacteuren gepolst: ‘A.vd. Veen gesproken: hij wil wel met ons meewerken, maar wil Libertinage kennelijk ook niet loslaten. Zit dus niet veel muziek in.’

En verder noteerde hij over Hermans, die sinds juli als controleur van houttransporten in Canada gewerkt had: ‘Hermans komt volgende week naar Holland: die strik ik wel voor ons (Gomperts en Hermans is water en vuur!). Misschien dat Hermans v.d. Veen ook nog wel weet te overreden, ik zal zien wat ik bereik.’13

Kort daarna, op 18 december, kwam Rodenko voor alle zekerheid-vooral Fokke Sierksma en Hermans hadden elkaar in het verleden geregeld en met kennelijk genoegen toegetakeld - nog eens op de kwestie terug: ‘Hermans komt naar Holland en ik zal hem onmiddellijk contacteren, daar zijn jullie het toch mee eens?’14

Enkele dagen later verscheen in het kerstnummer van Vrij Nederland een advertentie waarin Podium ‘het goedkoopste culturele maandblad van Nederland’ genoemd werd ‘met de grootste oplaag: 10.000 exemplaren’. Overigens was kort daarvoor al besloten die oplaag voor alle zekerheid tot 5000 terug te brengen.

Lekkerkerker had intussen ook met Henri Methorst over zijn voorstel tot fusie met Libertinage gesproken. Deze had daar als uitgever wel oren naar, zodat Borgers zich genoodzaakt zag extra tegengas te geven. Op 27 december schreef hij Methorst: ‘Gomperts voelt juist niet voor fuseren (éenmanstijd-

[p. 233]

schrift - vandaar ook Morriën die nauwelijks een eigen mening heeft), hierop springt het af. Geen groot bezwaar trouwens, zij zijn zeer exclusief en worden dus niet groot.’

Hij merkte verder over het thema ‘advertenties’ op: ‘zag er een in Vrij Nederland - stond er ook een in De Groene? 't Was een mooie grote. Is alleen de toon niet wat... ja, met alle voorbehoud, wat poenig, door de nadruk zo op de 10.000 te leggen? Het leek me nu niet datgeen wat de v.n.lezer direct het meest imponeert. Maakte Kees die tekst?’15

Ondanks de wervende uitroepen in de advertentie maakte Henri Methorst er zich grote zorgen over dat er te weinig nieuwe abonnees bijkwamen, terwijl bovendien de niwin - een welzijnsdienst voor de Nederlandse militairen in Indië - nog eens honderden abonnementen opgezegd had. Op 30 december schreef Borgers hem: ‘Nieuwe abonnees vloeien nog niet toe - nee, maar de “actie” is ook nauwelijks begonnen: het Vestdijk-nummer kwam te laat om nog uitvoerig in de bladen besproken te worden en was bovendien speciaal - nu moet er weer gewerkt (en het eerst exx. naar de pers sturen!) met het Jan.-nummer. Inmiddels, hoeveel abonnees hebben we nu? of is dat een te groot werk om uit te rekenen? we gaan toch vooruit, of niet? (al is het natuurlijk nog niet hard genoeg!).’16

Op 3 januari kwam Methorst in een brief aan Borgers nog even terug op de advertentie in Vrij Nederland: ‘Tekst Advertentie v.n. was van Kees. Misschien is de toon wat branieachtig. Het is echter een feit, dat niets zo'n sprekend argument is als cijfers, ook op het gebied van werkelijk eersterangs literatuur. Je hoeft overigens in deze helemaal geen blad voor de mond te nemen. Onze tenen zijn òf niet erg lang òf niet erg eeltig.’17

Intussen kwam er van Paul Rodenko nog altijd weinig of geen kopij binnen. Op 30 december stuurde hij Borgers daarom een brief waarin hij dit literaire stilzwijgen vooral aan zijn nieuwe werkkring bij de klm toeschreef: ‘Ik had gerekend 's avonds te kunnen werken, maar daar is het tot nu toe niet van gekomen, ik moest in ijltempo in allerlei zaken “ingewerkt” worden, met het gevolg dat ik de eerste tijd dingen mee naar huis kreeg om's avonds nog te bestuderen, 's avonds met de chef of mijn voorganger nog besprekingen moest houden, enz. Sinds mijn laatste brief heb ik geen letter (althans geen “litteraire” letter) op papier kunnen zetten en ik was blij als ik in bed lag.

Ik zat er enorm mee in en ben blij dat het volgend nummer tenminste somehow in elkaar zit, al is het dus lang niet ideaal. Langzamerhand begint het wat rustiger en normaler te worden, zodat ik nu wel weer tot schrijven zal komen. Ben nog niet helemaal over de vermoeienis van die eerste tijd heen, maar ik geloof dat ik nu toch wel weer regelmatig voor Podium kan gaan werken. (Iedere ochtend om ½ 8 op, dat is voor mij een volkomen Umwer-

[p. 234]

tung aller Werte, ik ben er gewoon ziek van geweest en het kostte mij de grootste inspanning om niet af te knappen - maar de baan als zodanig is werkelijk ideaal, eenvoudig geknipt voor mij!).’18

Begin januari was het eerste nummer, dat eigenlijk al vóór Kerstmis gepland was, nog altijd niet verschenen, waardoor de advertentie in Vrij Nederland het effect van een opzienbarende, maar toch losse flodder kreeg. Op 4 januari schreef Lekkerkerker aan Borgers: ‘Het eerste nummer blijft inderdaad lang weg; er was ook heel wat correctie in de revisie. Maar schuif de late verschijning maar op de feestdagen. We zijn nog niet op dreef.’19

Intussen had Paul Rodenko contact gezocht met Willem Frederik Hermans, die op 23 december in Amsterdam teruggekeerd was en zich de volgende dag onmiddellijk naar Adriaan Morriën gespoed had: tegen het opgaan van Criterium in Libertinage bleek hij grote bezwaren te hebben. Kort daarna werd hij door Paul Rodenko gepolst over medewerking aan Podium. Op 6 januari schreef deze hierover aan Borgers: ‘Hermans heeft nog niet definitief toegezegd, maar wil graag de volgende keer als we red. verg. hebben na afloop, als we ev. een borreltje drinken of zo, eens met ons praten. Zal ik dit afspreken?’20

‘Traag was de gaap van Pina Bedemeyer’

Enkele dagen later kwam dan de zo vurig verwachte eerste aflevering van de vijfde jaargang uit. Op het omslag - paars en gebroken wit - prijkte de naam van het blad met als ondertitel ‘Literair maandblad’. Verder stond er een inhoudsopgave op en de vermelding ‘Uitgeverij De Driehoek 's Graveland’.

Hierna waren aan de binnenzijde van het omslag de namen van de redacteuren vermeld: G. Borgers (secr.), W.H. Nagel, Paul Rodenko, Fokke Sierksma en S. Vestdijk. De abonnementsprijs bleek van f 10,- te zijn teruggebracht tot f 7,50: dit natuurlijk om extra abonnees te winnen. Het aantal pagina's bedroeg vierenzestig.

Het blad bleek te zijn onderverdeeld in aparte afdelingen poëzie en verhalend proza. Verder was er een rubriek ‘Wereldpodium’, bestemd voor de buitenlandse literatuur, een afdeling ‘Besprekingen’ en ten slotte de polemische rubriek ‘De proppenschieter’.

Om het blad voor de abonnees aantrekkelijker te maken en - tussen haakjes - ook om de redactie alvast wat werk uit handen te nemen, was besloten in deze jaargang een volledige roman in feuilleton-vorm te publiceren. Borgers kon daartoe beschikken over het nog niet voltooide boek ‘Wandeling door Walein’ van zijn vriend J.J. Klant. Deze had in 1946 met zijn De geboorte van Jan Klaassen veel furore gemaakt.

[p. 235]

In het - in deze aflevering gepubliceerde - openingsfragment uit ‘Wandeling door Walein’ wordt beschreven hoe de ik-figuur, de op een kantoor werkende dr. Jent Kleks, in een bordeel de fraaie Pina Bedemeyer met haar ‘vervoerende lach’ en opwindende ogen ontmoet. Over een van haar andere charmes vertelt hij aan een zekere Klipsky: ‘Nu komt het Klipsky: Pina gaapte. En die trage gaap was zo melodieus en uitdagend, dat ik mij half oprichtte en haar voor het eerst goed zag. Wat geeft het haar te beschrijven? U hebt haar meer gezien dan ik en beschrijven zou ook zonder dat overbodig zijn. Ieder ziet immers wat hij verkiest te zien? Ik kan alleen maar zinspelen.

Ik heb mij vaak afgevraagd waar de diepste oorsprong van dat gapen is geweest, dat werd doorgeseind langs de zachte huid van haar hals. Misschien was het een rilling van haar dijen, die zo zelfstandig waren dat ik blij was over hun bestaan. Er was iets van haar borsten in dat gapen, van haar roodgeverfde mond en ook van haar enkels, iets te breed wellicht, maar nodig om haar trots te kunnen dragen. Traag was de gaap van Pina Bedemeyer, brutaal en vol behagen in haar eigen warmte, soepel en vol verachting als van een tijger, die te luieren ligt. De gaap van Pina Bedemeyer is iets ondoorgrondelijks, geachte Klipsky.’21

In de eerste aflevering werd verder een reeks ‘Beestachtigheden’ door Paul Rodenko gepubliceerd, waaronder: ‘Wat men het “gewei” van een hert noemt is in werkelijkheid een antenne. Ingebouwd in zijn schedel, op de plaats ongeveer van het cerebellum, bevindt zich een klein radiotoestelletje, dat afwisselend Grieg en Dvorak speelt: vandaar de dromerige, “honkvaste” uitdrukking in zijn ogen. (In tegenstelling bv. tot het paardenoog, dat iets vlinderachtigs heeft en altijd “uit” is).’

En over een ander dier: ‘Wat zal de koekoek de pest in hebben dat hij alleen maar koekoek kan zeggen! Hij zou er waarschijnlijk zijn leven voor overhebben om er éenmaal “loop naar de...” aan toe te kunnen voegen.’22

In ‘De Proppenschieter’ werd het spotvers van A. Marja opgenomen waaraan Kees Lekkerkerker zich zo geërgerd had. Marja's bijdrage, waarin hij een gedicht van Ed. Hoornik via een parodie op de korrel nam, was getiteld ‘Rethoornika’.

In een inleiding daarop schreef hij: ‘In een gesprek tussen literatoren kwamen wij onlangs tot de konklusie dat er in de poëzie van “rhetoriek” moet worden gesproken, wanneer de dichter zich als mens groter wil voordoen dan hij is. Hieruit vloeit blijkbaar voort dat hij de taal in het vers niet aankan, dat de beelden elke zeggingskracht verliezen of ronduit ridikuul worden, en dat men bij het lezen over de zgn. “stoplappen” struikelt. Een typisch voorbeeld van dergelijke rhetoriek lijkt mij wel het volgende sonnet van Ed. Hoornik in het weekblad Vrij Nederland d.d. 21.8.’48:

[p. 236]
Phoenix
 
Altijd overhoop met deze wereld,
 
vroeg ik God den grond van mijn bestaan.
 
‘In je borstkas,’ sprak Hij, ‘woont een merel,
 
en hij kwelt je en hij klaagt je aan.’
 
 
 
‘'k Volg hem,’ zei ik, ‘volg hem met mijn ogen,
 
en dan slaan de hemelen bij[mij] blind.’
 
‘Ja’ sprak God, ‘maar komt hij teruggevlogen,
 
het zijn lege schalen die hij vindt.’-
 
 
 
Vol zijn moet ik, vol zijn tot de randen;
 
met het woord, dat in mij wordt, verbranden;
 
tussen God en mens verbinding slaan.
 
 
 
Daarom, tussen werklijkheid en waan,
 
loop ik met een vogel op mijn hand en
 
als een Hamlet spreek ik spoken aan.’

Marja schreef verder: ‘In een verloren ogenblik fluisterde de muze van de parodie mij het volgende antwoord in, dat ik aan belangstellenden in een dergelijke materie, zij het vanzelfsprekend met de nodige schroom, doorgeef:

Poeh nix!
 
Altijd overhoop met wat in Tachtig
 
reeds bevochten werd: de rhethoriek,
 
is hij nu weer van een vogel drachtig
 
en vertoont zich daarmee aan 't publiek.
 
 
 
In zijn borstkas is het dier gezeten,
 
maar het vliegt geregeld uit naar God;
 
'k zou zo graag de route willen weten:
 
door iets minder nets of door zijn strot?
 
 
 
Zie, het woord, dat in hem werd, verbrandde
 
slechts tot dertien regels, maar hij spande
 
zich ervoor totdat hij veertien kreeg:
[p. 237]
 
Hamlet vult zijn vaers tot aan de randen.
 
Maar hijzelf is zo ontstellend leeg,
 
dat hij voortaan waarlijk beter zweeg!’23

Het eerste nummer bevatte verder vier sonnetten van S. Vestdijk en het eerste deel van een opstel over poëzie, getiteld ‘Stand van zaken’, van Fokke Sierksma.

Kort na het verschijnen van deze aflevering, op 15 januari, schreef de vierentwintigjarige dichter Sybren Polet vanuit Hoorn aan de redactie van Podium: ‘Zoudt u bijgaande gedichten eens willen doornemen en mij een oordeel er over schrijven?

Misschien, wanneer ze in zekere mate het belang van “Podium” dekken, dat enkele er uit in uw tijdschrift opgenomen kunnen worden.’24 Met deze - op zo bescheiden toon geschreven - brief kwam het eerste contact tot stand tussen de redactie van Podium met een dichter, die nog vele jaren in de geschiedenis van het tijdschrift een belangrijke rol zou spelen.

Sybren Polet

Sybe25 Minnema, zoals Polet eigenlijk heet, is in 1924 in een gereformeerd milieu te Kampen geboren. Hij is de oudste zoon van een vertegenwoordiger, die later samen met zijn vrouw in dezelfde stad een succesvolle manufacturen- handel beginnen zou. Belangrijk voor Sybe's vorming was vooral dat hij al in zijn jeugd de kans kreeg uitvoeringen van de Matthäus-Passion te beluisteren, waaraan hij een grote liefde voor de klassieke muziek overhield.

In Kampen bezocht hij de Christelijke ulo, waarna hij in Zwolle naar een kweekschool ging: de enige kans in zijn omstandigheden om een verdere opleiding te volgen. In die tijd raakte hij steeds meer in literatuur geïnteresseerd - vooral de verzen van Marsman, Slauerhoff en Achterberg boeiden hem - en schreef hij geregeld gedichten.

Toen in september 1939 de oorlog uitbrak, was de vijftienjarige Sybe met een oom, kapitein op een kustvaarder, op weg naar Finland. Omdat deze de terugreis dwars door de mijnenvelden niet aandurfde, reisde Sybe samen met de overlevenden van een scheepsramp per trein vanuit Kopenhagen naar Nederland terug: een ervaring die een diepe indruk op hem maakte.

Tijdens de oorlog behaalde hij zijn diploma voor de kweekschool, waarna hij in 1944 door de Duitsers voor de Arbeitseinsatz opgepakt werd. Hij wist te ontsnappen en moest onderduiken. In die periode las hij ‘de hele Ibsen’, verdiepte zich in Goethe, Kierkegaard en Nietzsche en ontdekte met een schok van herkenning Rousseau's postume Les confessions. Zijn ervaringen uit die tijd verwerkte hij in gedichten waarvan er een aantal na de bevrijding in de

[p. 238]

bundel Genesis (1946), gepubliceerd onder zijn eigen naam, opgenomen werden.

Uit die bundel, waarin de verzen met hun eindrijm en metrum nog traditioneel van vormgeving zijn, komt hij naar voren als een dichter die ernaar verlangt zich in het geloof geborgen te weten, maar die ook als de aartsvader Jacob geregeld in gevecht met God verwikkeld blijkt te zijn.

In de jaren na publicatie van deze bundel maakte Sybe Minnema zich gaandeweg van het geloof van zijn ouders los. In dezelfde tijd verliet hij - met zijn zwarte fluwelen strik een opvallende verschijning - het Kampen van zijn jeugd en begon hij te zoeken naar een nieuwe vormgeving voor zijn poëzie. Ook besloot hij zijn gedichten voortaan te publiceren onder het pseudoniem Polet, de naam van zijn jonggestorven grootmoeder van vaderskant. Polet deelde hierover in 1999 mee: ‘Dat deed ik om mijn ouders te ontzien, omdat ik wist dat ik onchristelijke verzen zou gaan schrijven.’26

Kort nadat Polet onderwijzer in Hoorn geworden was - hij studeerde in die tijd ook voor het m.o.-examen Nederlands, waarbij hij zich in zo'n twaalf toneelstukken van Vondel verdiepte -, stuurde hij enkele verzen aan Podium op. Dat hij dit blad koos, lag voor de hand: hier voelde hij de meeste verwantschap met wat hemzelf voor ogen stond, terwijl hij bovendien voor de gedichten van redacteur Rodenko een grote bewondering koesterde.

Tevredenheid èn teleurstelling bij Lekkerkerker

Een andere jonge dichter die in die maand contact met de redactie van Podium zocht, was de in Clamart wonende Simon Vinkenoog. Op 20 januari stuurde hij het gedicht ‘Hongerhaat’ in:27 een voor hem - sterk geboeid door het existentialistische levensgevoel op de terrassen van Parijs - typerende titel.

Intussen was de kopij voor het tweede nummer gereedgekomen en naar Lekkerkerker doorgestuurd. Hij reageerde nu aanmerkelijk minder kritisch op de verschillende bijdragen: vooral over een chassidische legende van L.O. ten Cate bleek hij enthousiast te zijn. Op 4 januari schreef hij Borgers: ‘De kopij heb ik vluchtig, zeer vluchtig, doorgenomen. Het laatst las ik de legende van Ten Cate. Die is buitengewoon. Wie is de schrijver? En waar woont hij? Ik weet niet in hoeverre deze legende Buber is, maar op zichzelf, zonder Buber te kennen, moet ik je zeggen dat dit werk mij bijzonder ontroerd heeft. Ik ben ook blij dat dit nu geplaatst wordt, ik stuur dan een nummer naar Dirk Coster om er een stukje aan te wijden voor Elseviers. Dat hebben we dringend noodig in verband met de trage aanwas van abonné's. Coster kan het dan met Tolstoj vergelijken. Een advertentie in Elsevier is niet te betalen: twee gulden per mm...’

[p. 239]

Hij merkte hierna nog op: ‘In het tweede nummer wordt, trouwens het derde belooft ook wat, heel wat geknokt. Het nummer is veel beter dan het vorige.’28

Gerrit Borgers had intussen aan Leo Vroman laten weten dat de redactie geïnteresseerd was in vignetten van hem. Op 23 januari schreef Vroman hem terug: ‘Hierbij negen vignetten en een grapje. De initialen onder elk zijn alleen om te laten zien welke kant onder is. De tegenovergestelde kant is b.v. boven. Kortom ze behoeven er niet bij gedrukt te worden, die initialen bedoel ik.’29

Kort daarna werd duidelijk dat er sinds het begin van de reclamecampagne zo'n tweehonderd abonnees bijgekomen waren: daarmee was het totale aantal ergens tussen de zeven- en achthonderd beland. Zelfs een geboren optimist als Lekkerkerker zal beseft hebben dat de oplaag van het eerste nummer, vijfduizend exemplaren, te hoog gegrepen was.

Teleurgesteld schreef Lekkerkerker op 3 februari aan Borgers: ‘Advertenties plaatst men niet, nu de oplaag zoo gering wordt. Ik hoor dat de actie onder de studenten en de leeraars mislukt is.’

En verder: ‘Heb ook haast geen contact meer met De Driehoek. Het spijt mij.’30

‘Volg het spoor terug’

Kort hierna kwam de februari-aflevering uit, sterk gekleurd door herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog. Dat nummer opende met ‘Het wonder van Mendele Mendel’, de eerdergenoemde legende van L.O. ten Cate, waarin aangrijpende gebeurtenissen op een wijze beschreven zijn waaruit religieuze aanvaarding spreekt, maar ook verbijstering om wat het leven in petto kan hebben.

Al in het begin herinnert de toon ervan aan de chassidische legenden die halverwege de jaren twintig door Martin Buber verzameld werden: ‘De Heer zal het zo bedoeld hebben. Negen en twintig keerden zij thuis uit de hel. Zij waren ongebroken. Een Chassied breekt men niet. Hij kan alleen gedood worden.

Zij waren wel geschonden. Ezer Echraim moest verder fluisteren. De Duitsers hadden hem zijn stem ontnomen. Hij was in Auschwitz steun en toeverlaat geweest voor honderden Chassieden. Hij kende de legende. Hij zong de liederen Davids. Hij was een gazzen, een voorzanger met een diepe bariton. Hij was ook een dichter, een geroepene Gods voor de heerscharen der barbaren. Hij zong van David en hij sprak uit zijn hart. Zijn vrouw en zijn twee kinderen keerden niet terug. Ezer Echraim zelf kwam via Polen weer in

[p. 240]

Nederland. Zonder zijn stem. Hij fluisterde voor ieder die het horen wilde de liederen, die hem waren ingegeven. “Uit het diepst van de bedrukking zing ik tot U, God, mijn Heer.” Hij prees Gods lof met een fluisterstem.

Awrohom Linnewiel miste zijn benen. Linnewiel, dat is: Luneville. Maar hij kon niet zonder zijn benen. Hoe hij ze miste wist hij niet. Op hem hadden ze in Duitsland van alles geprobeerd. Hij was nog zo jong toen ze hem ophaalden. Hij was stokoud en zonder benen toen ze hem terugbrachten.

De rabbi, Abele Chagam, hoorde niet bij de negen en twintig. Abele Chagam is niet teruggekomen. Het is een wonderlijk verhaal, de geschiedenis van de rabbi Abele. Hij wist - en wie wist het niet? - dat de Joden naar Polen werden gesleurd. Hij wist verder - en dat weten veel mensen nu nog nooit - dat de Joden niet weer uit Polen terug zouden komen.

“En zie, zegt mijn Heer, waar gij in benauwdheid zijt, zal ik u volgen.”

De wonderen gebeuren eenvoudigweg. Want Chagam ging naar de Duitsers om te vragen of hij niet meemocht met een transport naar Polen. Hij mocht. Hij kwam zelfs weer terug. En hij ging weer en kwam weer terug en dat ging zo drie keer. Toen hij de laatste keer ging was hij oud van alle leed dat hij had moeten lenigen. Toen is hij niet weer teruggekomen.

Dat zijn drie van de honderdveertig Chassiedim, die er voor de jaren van de hel bij ons waren. Ik weet niet waarom deze negen en twintig in leven zijn gebleven. De Heer zal het zo bedoeld hebben. Men vraagt niet naar de bedoelingen van de Heer.’31

Veel strijdbaarder van toon was het eerste deel van ‘Volg het spoor terug’ van J.B. Charles, dat onmiddellijk op de legende van Ten Cate volgde. Hierin probeerde Charles zich rekenschap te geven van wat de oorlog voor hem en zijn generatiegenoten betekend had: ‘[...] ik wil wat onderzoeken. En ik wil enige geschiedenisvervalsers een stok tussen de benen steken. Nu ik in 1948 terugzie over de jaren die ik op sommige punten met meer en op andere punten met minder geluk ben dóórgekomen, niet zonder schaamte en niet zonder trots, nu weet ik dat ik als kind verschrikkelijk bedrogen moet zijn door het Vaderlandse Geschiedenisboek. Ik zie prins Maurits nòg knielen, vóór hij het startschot van de slag bij Nieuwpoort laat afvuren... Als ik er wat aan doen kan, zullen althans mijn kindskinderen hun voorouders uit de Eerste Duitse Oorlog (1940-1945) niet zo erg vereren, met al de Van Hogendorpen, Watergeuzen, Prinsgezinden en J.P. Coenen van onze dagen.’

En verder - met een verwijzing naar mr. dr. K.J. Frederiks, die tijdens de bezettingstijd secretaris-generaal van binnenlandse zaken geweest was -: ‘Ik volg een spoor terug. Ik weet nu waar het uitgekomen is en ik weet ook waar ik de eerste prent zag. Het spoor begint voor ieder van ons op een andere tijd en een andere plaats. Voor mij staat het eerste teken bij de gerechtelijke moord

[p. 241]

op Van der Lubbe en is het einde tot dusver gemarkeerd door noem maar wat gij wilt. De ontmaskering van mr. Frederiks als auteur in Elsevier? Het proces Weinreb? Kies maar uit; de wanden staan vol met tekens. Men kan dit spoor op elk willekeurig punt beginnen, altijd komt men uit. Elke dag heeft de krant twee of drie berichten die de ellende van de voorbije tijden voor een ogenblik belichten op enkele punten. Het zo opgloeiende licht van bijna elk punt in het spoor-terug doet dit spoor op den duur helemaal en in één keer zien.’32

‘Hij is enorm overgevoelig’

Intussen was Paul Rodenko er nog niet in geslaagd een ontmoeting tussen Willem Frederik Hermans en de Podium-redactie voor elkaar te krijgen. Dat zal vooral te maken gehad hebben met de polemieken die er de afgelopen jaren gevoerd waren. Vooral Sierksma's typering van Hermans als ‘de landwachter met de dubbelloop’, een jaar eerder in Podium, zal deze dwars gezeten hebben, terwijl in die tijd ook tussen Hermans en Wim Nagel diverse stekeligheden uitgewisseld waren.

Op 15 februari schreef Rodenko aan Borgers: ‘Hermans [...] blijkt koppiger te zijn dan ik dacht, voelt zich nog steeds beledigd en wil nog steeds niet meedoen aan Podium. Dat is nu eenmaal zijn karakter, hij is enorm overgevoelig, al laat hij dat niet zo blijken. Toen we hem de laatste keer voorstelden om met ons te komen praten na de red. verg., voelde hij zich weer beledigd, omdat hij het gevoel had, bij ons “ontboden” te worden.’

Wel bleek Hermans voor een gesprek met Wim Nagel te voelen: ‘Toch wil hij wel graag, speciaal met Wim, eens praten. Ik geloof dat alleen een persoonlijk gesprek met Wim hem kan overhalen en de moeilijkheden bijleggen; het zou dus waarschijnlijk het beste zijn als Wim hem eens schreef en, wanneer hij in Amsterdam is, een afspraak met hem maakte.’33

Ook in andere richtingen probeerde de redactie medewerkers te winnen. Zo schreef Borgers een brief aan F. Bordewijk in Den Haag, die op 16 februari in een stijl, gevormd door vele jaren advocatenpraktijk, antwoordde: ‘Erkentelijk voor Uw uitnodiging bij brief van 12 dezer moet ik evenwel tot mijn leedwezen antwoorden U geen bijdrage die mij voor Podium passend lijkt te kunnen zenden. Zodanige pennevruchten, voor zover ik daarvan de openbaar making in tijdschriften dienstig mocht achten, komen n.l. allereerst in aanmerking voor aanbieding aan de redactie van De Gids.’34

Verder hadden Paul Rodenko en Wim Nagel een ontmoeting met de dichter en essayist Gerard Diels, een van de vroegere redacteuren van het intussen gesneuvelde blad Het Woord: hem werd gevraagd - nu de redactie van Po-

[p. 242]

dium de strijdbijl bij gebrek aan een tegenstander toch begraven had - of hij en enkele andere Woord-redacteuren aan Podium mee zouden willen werken. Dit alles omwille van de zo begeerde concentratie, maar natuurlijk vooral ook om de mogelijkerwijs verweesd rondlopende Woord-abonnees bij Podium binnen te halen. De Podium-redactie wilde daarbij wel als voorwaarde stellen dat niet alles van de Woord-mensen a priori opgenomen zou worden en dat de vroegere Woord-redacteur Hans Redeker niet zou doorgaan met de serie cultuurhistorische beschouwingen ‘Scherven van de kosmos’ waarmee hij in een van zijn wel erg pessimistische buien in Het Woord begonnen was.

Diels antwoordde op de uitnodiging van de Podium-redactie dat er nog naar mogelijkheden gezocht werd om Het Woord voort te zetten, maar hij zegde wel toe er in ieder geval met de anderen over te zullen praten. Ook deze keer bleek het succes matig. Op 24 februari schreef Diels aan de redactie van Podium: ‘Met Hans Redeker, Koos Schuur en Bert Schierbeek heb ik volgens onze afspraak overleg gepleegd. Wij zijn tot de slotsom gekomen dat het, nu de verschillende tijdschriftmogelijkheden die ik j.l. Zondag al vermeldde nog in de lucht hangen, tegenover de daarbij geïnteresseerden praematuur zou zijn te besluiten om min of meer in een geregeld verband aan “Podium” mede te werken, een vaste rubriek daarin ter verzorging te nemen of te laten aankondigen dat een of meer redacteuren van “Het Woord” voortaan geregeld in “Podium” zullen publiceren.

Dit sluit natuurlijk, gezien de in weerwil van zekere opvattingsverschillen sympathieke verhouding, niet uit dat enkelen van ons individueel losstaande bijdragen ter publicatie zouden aanbieden. Voor eventueel iets hechtere bindingen menen wij echter eerst het resultaat van de gaande besprekingen te moeten afwachten.’ Diels besloot met ‘vriendschappelijke groeten’.35 Weldra bleek dat Het Woord met ‘de gaande besprekingen’ niet meer tot leven kon worden gewekt, maar van ‘hechtere bindingen’ kwam toch niets terecht.

Intussen had Kees Lekkerkerker er genoeg van nog langer als adviseur voor De Driehoek op te treden. In 1984 deelde hij hierover mee: ‘Het was met Methorst moeilijk samen te werken. Ik kreeg ook geen geld en werd er erg nerveus van. Toen besloot ik weg te gaan.’36

Op 2 maart berichtte hij Borgers dat hij er na het correctiewerk voor de derde aflevering mee stoppen wilde: ‘Dit is het laatste nr dat ik behandel. Het is een zeer ondankbaar werk geweest dat vooral door De Driehoek als een bagatel beschouwd werd. Welnu, ik overhandig jullie de portefeuille en hoop dat nu alles vlotter zal verloopen. Ik kan niet van den wind leven, en Methorst gelooft blijkbaar dat ik niet voldoende voor hem werk. Welnu, voor de tweede maal welnu, vanaf 1 Maart werk ik niet meer voor De Driehoek en sta

[p. 243]

weer op eigen beenen. De zeer onregelmatige betalingen, de onzekere toekomst en het gebrek aan contact maken mij het werk verder onmogelijk.’37

Henri Methorst van zijn kant vertelde in 1986: ‘Lekkerkerker was erg eigenwijs, erg bemoeierig en hij deed ook allerlei dingen buiten me om.’38

Van kwatrijn naar kwatrijn naar kwatrijn

Enkele maanden eerder was van A. Roland Holst in het Vestdijk-nummer zijn kwatrijn met de beroemde slotregel ‘O, Gij, die sneller schrijft dan God kan lezen!’ verschenen. Bij een bezoek van Gerrit Borgers aan Vestdijks huis in Doorn had deze - uiteraard om de juistheid van die slotregel te onderstrepen - bij wijze van antwoord spontaan ook een kwatrijn geproduceerd. Intussen was daar weer een kwatrijn van Roland Holst en opnieuw een van Vestdijk op gevolgd.

Beiden kregen er de smaak zo van te pakken dat ze besloten er nog een aantal aan toe te voegen zodat er - na publicatie in Podium - een aparte uitgave van gemaakt zou kunnen worden.

Op 16 maart schreef Vestdijk aan Borgers: ‘Holst schreef mij over de kwatrijnen, en wij hebben afgesproken er een klein bundeltje van te maken, temperament en venijn dienende. In verband hiermee is het wel raadzaam het tempo [...] op te voeren, zoodat u voortaan elk antwoord van mij dadelijk naar hem door kunt sturen. Ook kunnen er heel goed twee of meer tegelijk geplaatst worden, al naar de voorraad oplevert.’39

Intussen had Vestdijk nog altijd geen redactievergadering van Podium bijgewoond. Begin maart besloot hij dat dit nu maar eens - tussen zijn uitstapjes naar zijn geliefde Henriëtte van Eyk door - moest gebeuren.

Op 3 maart deelde hij Borgers mee: ‘Zondag 20 Maart kom ik voor enkele dagen in Amsterdam en zou dan's middags om een uur of half vier aan een redactievergadering deel kunnen nemen. Tot ± 5 uur, dan heb ik een afspraak. Schikt dit, meldt u mij dan even waar ik mij heen begeven moet. 's Morgens kan ik niet, daar ik niet eerder dan 1 uur aankom. Het zal mij een genoegen zijn ook met de overige heeren kennis te maken.’ De vergadering zou in het restaurant van hotel American, waar Vestdijk logeerde, gehouden worden.

Hij voegde er nog aan toe: ‘Ik vond het laatste nummer zeer geslaagd, vooral ook het stuk van Nagel [...]. Ik had u al eerder willen schrijven, dat het mij voortaan niet noodzakelijk lijkt reiskosten vergoed te krijgen voor vergaderingen die ik niet heb bijgewoond, maar ik laat dit verder gaarne aan de uitgever over.’40

Ook Fokke Sierksma was met het tweede nummer ingenomen. Op 25 maart schreef hij vanuit Groningen aan de Haagse uitgever Bert Bakker:

[p. 244]

‘Kom je nog eens naar het Noorden? Het is een hele tijd geleden, dat we elkaar voor het laatst zagen? Dan hoor ik meteen eens van je hoe Podium je de laatste tijd bevalt. Het laatst-verschenen nummer, het tweede, beviel mij best. Dat verhaal van Ten Cate was de moeite waard en Charles, die langs het spoor terug snuffelt, kan een heleboel interessante zaakjes gaan ontdekken, literair en menselijk meer dan de moeite waard.41

Sybren polet in Podium

Pas begin april verscheen het maart-nummer, waarin voor het eerst een vers van Sybren Polet gepubliceerd werd. Dat vers was ‘Transparant’, waarin een gelukssensatie in pure, concrete beelden wordt weergegeven:

 
Vannacht is een minuut
 
met de minuut van een
 
nog nieuwe zin tezaamgeklonken,
 
versnelde rust van een begin,
 
geen venster heeft het evenwicht verbrijzeld,
 
de dag is haast doorzichtig tin
 
in platen van beheersing opgetrokken,
 
waartegen 't licht met gouden stokjes
 
welluidend trommlend
 
klinkt en slaat;
 
dit is het plein, dit is de straat.
 
 
 
Als nu de tijd niet in zal slaan
 
is dit geluk als cellofaan,
 
de nieuwe beelden zijn
 
als ruiterbeelden
 
tegen 't verleden aan;
 
zonder lijn en wet
 
is het geluk gezet;
 
de woorden springen aan in weelde.42

Deze aflevering bevatte verder het verhaal ‘De schatgraver’ van Olga Rodenko, de vier jaar jongere zuster van Paul, en een discussie over de poëzie en het romantisch gevoel tussen de essayisten F.W. van Heerikhuizen en Fokke Sierksma.

[p. 245]

Een tekening van Marc Chagall

Intussen was er - met medewerking van drs. J. Melkman, kenner van de Hebreeuwse literatuur - kopij ingezameld voor een speciaal Israël-nummer, dat in het voorjaar verschijnen zou en gewijd zou zijn aan de één jaar eerder door Ben-Gurion geproclameerde nieuwe staat.

Op 8 maart schreef Henri Methorst over het Israël-nummer aan Gerrit Borgers, die na het vertrek van Lekkerkerker met zijn gewone vriendelijkheid ook nog de verzorging van de kopij op zich genomen had - het doctoraal kon nog wel even wachten! -: ‘Ik zou het zo willen zien, dat wij enkele honderd [honderden] exemplaren van het podium-nummer doordrukken en laten binden, zonder verder voor de boekvorm veel risico te nemen. Ik verwacht er geen grote verspreiding, noch winst, van.’43 In totaal zouden er van dat nummer, dat twee afleveringen van Podium beslaan zou, duizend extra exemplaren gedrukt worden.

Fokke Sierksma had zich voor dat nummer extra ingespannen. Op 25 maart schreef hij aan Bert Bakker: ‘Zelf ben ik wat in retraite gegaan. Lens en met een zieke maag. Alleen voor het Israëlnummer van Podium heb ik hard mijn best gedaan. Je moet het wel eens inkijken als het in April verschijnt.’44

Een van de medewerkers aan dat nummer was de in Frankrijk wonende schilder Marc Chagall, van wie een tekening geplaatst zou worden. Een ambitieus plan natuurlijk, dat wel iets mocht kosten. Gelukkig zou Wim Nagel, die goed bij kas zat, de helft van het honorarium voor Chagall voor zijn rekening nemen. Op 3 april schreef Borgers over Chagall aan Methorst: ‘jij maakt dus f. 100.- aan hem over naar Frankrijk, waarvan f. 50.- voor Podium en f. 50.- af te houden van het honorarium van Nagel[.] Van Nagel ontvang je binnenkort het adres van Chagall.’

Dat het verder financieel maar behelpen was, kan worden opgemaakt uit de rest van Borgers' brief: ‘Hieronder volgen de redactie-honoraria per 1 April - doordat er op de vorige red. verg. door mij aan velen is voorgeschoten loopt alles wat door elkaar, maar ik zal duidelijk vermelden wat moet uitbetaald aan hen en aan mij [...].’45

Hans Andreus en Paul van Ostaijen

Kort daarna, op 14 april, nam Hans Andreus, die al in de vorige jaargang zonder succes verzen aan Podium aangeboden had, opnieuw contact met Borgers op. Hij was in de ban van de poëzie van Paul van Ostaijen geraakt - diens verzen zouden in de komende periode een duidelijke invloed op zijn eigen poëzie uitoefenen46 - en wist dat Borgers van plan was een studie of zelfs een dissertatie over hem te publiceren. Hij schreef hem: ‘ik ben [...] nieuwsgierig

[p. 246]

naar Uw studie over van Ostayen [Ostaijen]. Natuurlijk omdat ik inderdaad soms probeer de lijn van v.O. door te trekken’.47

Intussen bleek Borgers, geen meester in de kunst van het nee zeggen, het vele werk niet meer aan te kunnen. Op 14 april luidde hij bij Methorst de noodklok: ‘De laatste tijd ben ik hoe langer hoe meer vastgelopen met werk, voornamelijk tengevolge van het feit dat ik altijd veel te veel op me neem - op deze manier doe ik mijn doctoraal nooit en bovendien doe ik dan ook dat andere werk nog slecht. Dit geldt ook voor Podium: er liggen stapels brieven van ongeduldige medewerkers, er zijn tal van uitnodigingen die me in de pen blijven steken enz. Dit laatste komt omdat ik door het uitvallen van Lek ook de verzorging voor het nummer in zijn geheel op mijn dak kreeg en waar zoveel tijd in blijkt te gaan zitten dat daardoor mijn eigenlijke redactie-secretariaat in de verdrukking komt: dit mag echter absoluut niet - wil Podium zijn niveau handhaven of verhogen dan moet ik als red.secr. steeds in de eerste plaats de medewerkers en redactieleden direct te woord kunnen staan en steeds op zoek blijven, meestal per correspondentie, naar uitbreiding der medewerkers. Daarom stel ik ook voor: laten we het technische werk verdelen tussen jullie en mij - waarbij jullie dan ook meteen meer het “vakwerk” voor je rekening neemt.’48

Methorst kaatste de bal op 22 april terug: ‘Is het mogelijk, dat de rest van de redactie werk overneemt? Je weet, we zijn allemaal van goeden wille, maar wij hebben het zelf zo razend druk, dat er bij ons weinig sprake is van iets er tussen in te schuiven. Het is niet een kwestie van bereidheid, maar van de 24 uren, die in een dag gaan.’

Hij ging daarna in op de financiële kant van de zaak, waarbij hij - na al het optimisme van enkele maanden terug a sadder and wiser man - opmerkte dat een blad als Podium altijd wel een verliespost betekent. Hij voegde hieraan toe: ‘Bovendien staat de zaak aan de andere kant zo, dat de redactie een dergelijk blad uit enthousiasme uitgeeft, om juist deze eigen visie op de literatuur tot uiting te brengen. Het is een zelf-expressie, een persoonlijke liefhebberij, waar nu eenmaal altijd niet een behoorlijke vergoeding tegenover kan staan, zeker niet in een land als Nederland. Ik vind het dus wel heel natuurlijk, wanneer de redactie anderzijds ook de vriendschappelijkheid en het verantwoordelijkheidsgevoel heeft om met deze grote financiële offers rekening te houden.’

Hij stelde hierna dat het blad - wilde het zich financieel enigszins kunnen bedruipen - meer toegankelijk zou moeten worden voor een breed publiek: ‘Onze afspraken in deze zijn nl. wel, dat de redactie autonoom is, maar ook dat de redactie begrip heeft voor een ontwikkeling in de richting van een blad, dat voor een groter ontwikkeld publiek leesbaar is, waar weinig persoonlijke vitterijen zullen worden uitgevochten, waar belangrijk creatief werk

[p. 247]

zal worden gegeven, zodat zoveel mogelijk de belangrijke literaire figuren er in publiceren, niet alleen die paar, die het heel precies met de meest persoonlijk ideeën van de redactie eens zijn, ook al houdt het blad natuurlijk zijn persoonlijke en krachtige lijn. Het standpunt van de volstrekte onaantastbaarheid van den kunstenaar en dus de redactie geeft m.i. iets steriels, waardoor eventueel niet voldoende doordringt het feit, dat inderdaad een vrij groot percentage van de zeer literair, cultureel en revolutionair of progressief ingestelde lezers, mensen met intelligentie en belangstelling, toch maar matig door podium geboeid zijn.’49

Dat er op de uitgeverij veel irritaties ten opzichte van de redactie bestonden, blijkt uit een ongedateerde brief die de administrateur van De Driehoek, Fred Ferro, waarschijnlijk in mei aan Borgers schreef: ‘Ik hoop dat de redactie van offers weet. Gemerkt heb ik het nog niet, maar dat kan natuurlijk nog komen. Wat dat betreft huldigen jullie waarschijnlijk ook het standpunt: Doe wel en zie niet om. Tot nu toe had ik het gevoel, dat de redactie wel heel nauwkeurig zorgde, dat er geen dubbeltje te veel uit haar portemonnaie ging en aan de andere kant een weinig soepel standpunt inneemt. Per slot weet jij ook hoe groot de Driehoek is en dat het maar een vreemde figuur is, die voor meer dan f. 6000.- per jaar te belasten. Het kan zijn, dat dit in de toekomst iets oplevert, maar deze is dan nog wel heel ver weg lijkt mij zo. Het zal mij benieuwen, hoe lang deze kruik te water kan gaan.’

Ferro doopte hierna zijn pen opnieuw in azijn: ‘Hoeveel mensen, dacht je, zouden er interesse hebben aan de 12 Blz. “Proppeschieter” van het Maartnummer? Wat zijn dat meer dan zeer persoonlijke dingen en vitterijen waar Henri het in zijn brief over heeft? Ik weet niet hoe dat in andere literaire bladen is, maar is het niet veel dat over de laatste drie nummers gemiddeld een vijfde van een blad aan besprekingen en “Proppeschieter” wordt besteed?’50

‘Er is ontzettend veel dat ik niet schrijf’

Intussen had de redactie besloten het vers ‘Hongerhaat’ dat Simon Vinkenoog in januari ingestuurd had, niet te plaatsen. Op 16 april berichtte Borgers hem: ‘Met excuus voor de late beantwoording - ziekte, en drukte met een komend speciaal Israël-nummer van Podium zijn hier de oorzaak van - stuur ik U hierbij Uw gedicht met dank voor de toezending terug: de meerderheid van de redactie was er niet voor om het op te nemen, daar zij het gedicht in zijn geheel niet geslaagd vonden, al gaven zij de vòòrstemmers toe “dat er wel degelijk wat in zat”. De redactie zou het dan ook zeer op prijs stellen indien U over enige tijd, als U nieuw werk heeft en hier nog voor voelt, ons nog eens wat toestuurde.’51

[p. 248]

Ook een van de vroegere Woord-redacteuren, Hans Redeker, had een bijdrage aan Podium gezonden. Op 19 april schreef Borgers hierover in ‘Podium-nieuws’: ‘Onder de kopij is ook iets van Hans Redeker (moeilijk leesbaar, want zijn machine was kapot, maar in godsnaam) en graag had ik dat dit het eerst gelezen werd, daarna meteen aan de volgende gepost enz., want hij wilde graag gauw horen hoe we erover dachten en me dunkt dat we voor de blijde incomste van een stuk van Het Woord wel een uitzondering mogen maken. Dit stuk gaat langs de route: Paul - Wim - Fokke - mij.’52 Hoe blij die incomste ook was, van Redeker zou in de komende jaren niets in Podium gepubliceerd worden.

In de afgelopen maanden was intussen het plan ontstaan een ‘Podium-reeks’ uit te geven, waarin dichtbundels, novellen en essays een plaats zouden kunnen vinden. De uitgeverij hoopte hiermee de financiële verliezen die op het blad geleden werden, enigszins op te kunnen vangen.

Een van de auteurs die Borgers hiervoor aanzocht, was Leo Vroman, aan wie hij bovendien vroeg weer eens iets voor Podium zelf in te zenden. Op 24 april antwoordde deze:

‘Beste, doch daarom niet minder geachte,

Borgers, doch daarom niet minder Heer,

vergeef me dat ik zo onfatsoenlijk lang met deze brief heb gewacht. Ik wist in de eerste plaats niet of ik op diverse vragen ja of nee moest antwoorden en zoja (of zonee) dan met 2 woorden of één woord. Ik zal dan maar jij zeggen. “Jij!!” Zo, dat heb ik gezegd.

Voor kwatrijnen bij lip en oog, + woordspelingen, ben ik geloof ik niet lipogig genoeg. Bedoel je zoiets als: Poog lip, poog, glip oog, slip? Of “In verloren oog en lippen leert zij ons stoppen, naaien en ... (stippen).” Of: “mond en adem peilend, met mijn kwijlende blik, en natte tranen kwijlend, U dankende bij voorbaat verblijf ik.” Of: “Ik en twéé honden hebben één mond; dit, hond, zij U te konden, om veel te hebben maar niet veel te houden.” Of: “Lieve Lippetuiltje, met je glazen muiltje, zeg wat moet je zoen? Op het bijtedijtje staat het witte meidje. Ik brille boen”?’

En verder - met een toespeling op zijn verblijf in een Japans interneringskamp in Nederlands-Indië -: ‘Nu over dat verzoek om zomaar eens een gedichtenbundel voor de Podium-reeks. Ach! Als ik maar vruchtbaar was. Alles wat ik geschreven heb (ongeveer) is gepubliceerd of wordt zulks; o.a. een bundel die hoop ik Oude en Nieuwe Gedichten zal heten. Er is ontzettend veel dat ik niet schrijf, maar dat schrijf ik niet. Wat ik wel schrijf is 1x per 1 à 2 maanden een gedicht. Die eerste bundel b.v. bevat alle gedichten die ik in krijgsgevangenschap gemaakt heb voorzover ik ze kon vinden (18 in 36 maanden). Ja ja, of, kortom, tja. Heel, heel misschien, ga ik binnen een paar

[p. 249]

maanden weer eens een soort van novellelle (= een romanettetette) maken, maar die wou ik eigenlijk wel aan een prijsvraag laten meespelen, misschien. Mag dat? En dan heb ik nog een contract met Querido, dat effectief zou zijn (ik bedoel agressief) als zo'n Podiumdeel = een boek. Stil dus maar, en met de meest vreemdsoortige wensen, Leo Vroman.’53

‘De vervolging zelf heeft haar werk gedaan’

Waarschijnlijk kort nadat Borgers deze brief ontvangen had, verscheen het Israël- nummer, gedateerd april-mei 1949 en met een omvang van liefst honderdvierenvijftig bladzijden. Op de binnenzijde van het omslag werd meegedeeld: ‘De redactie van podium wil met deze speciale publicatie een eerste poging doen om de goede verstandhouding tussen het volk van Israël en dat van Nederland te scheppen. Zij heeft daarbij gedacht aan de vele Nederlanders, die gedood zijn omdat zij in de jaren 1940-1945 trachtten zoveel mogelijk Joden door de oorlog heen te helpen, èn aan de vele Joden die dezelfde prijs betaalden bij de verdediging en opbouw van hun nieuwe staat in het oude land.

Als redactie ad hoc voor dit nummer heeft zij aangewezen de heren Drs. J. Melkman, G. Borgers en Drs. F. Sierksma. Vooral aan de heer Melkman is zij veel en velerlei dank verschuldigd; zonder hem had dit Israël-nummer niet tot stand kunnen komen.’54

Een van de medewerkers aan deze aflevering was de vijfenvijftigjarige esayist Abel J. Herzberg, een zoon van Russisch-joodse ouders, die in Amsterdam advocaat geworden was. Hij had vóór 1940 een belangrijke rol in de zionistische beweging gespeeld en was tijdens de oorlog in het concentratiekamp Bergen-Belsen opgesloten geweest. Kort na de bevrijding keerde hij in Nederland terug. In 1946 verscheen zijn bundel Amor fati met een beschrijving van zijn kampervaringen.

In zijn bijdrage aan Podium - een persoonlijk betoog onder de titel ‘De vervolgde en de niet-vervolgde’ - stelde Herzberg de actualiteit van het antisemitisme in de naoorlogse jaren aan de orde: ‘De toename van het antisemitisme, van de afwijzing na de bevrijding is omgekeerd evenredig aan de afname van het aantal Joden. En - in alle objectiviteit gesproken - dat ligt niet aan de eigenschappen van de ene of andere partij, al heeft menige ondergedoken gast het zijn gastheer moeilijk gemaakt en al heeft omgekeerd menig gastheer zijn gasten uitgezogen en gekweld. De vervolging zelf heeft haar werk gedaan, een gewoon mechanisch werk. Er waren vervolgden en niet-vervolgden en ze waren er vroeger niet, althans bij lange na niet in die mate. Er was een verschillend gebeuren, een verschillend levenslot. Niet dat de Joden meer geleden hebben dan andere bevolkingsgroepen, heeft voor de groepsverhou-

[p. 250]

dingen grote betekenis. Maar dat het Joodse leed anders was van natuur, een leed was, dat een niet-Jood niet overkwam en niet overkomen kon, is onuitwisbaar.

Ik wil niet zeggen, dat we hiermede een afdoende verklaring gevonden hebben voor het antisemitisme of de toename daarvan. Wij bedoelen met dit stuk niet meer te geven dan één facet van het probleem. Er zijn talrijke andere facetten. Er bestaan ongetwijfeld andere factoren, waarmede voor een bevredigende verklaring - voor zover bereikbaar - rekening gehouden worden moet. Maar in de tegenstelling vervolgde-niet-vervolgde ligt een dwingend, een van onze goede wil volledig onafhankelijk, element van werkelijkheid, zij verscherpt de realiteit der Joodse tragiek. De vervolging heeft geen sympathieen los gemaakt, zij heeft integendeel, terwijl zij op de meest principiële gronden is afgewezen, in feite de antipathie versterkt. Geen goede voornemens, geen prediking van wederkerige menselijke verantwoordelijkheid verandert daar iets aan. Zij kunnen de antipathieën voor langer of korter tijd onderdrukken en beheersen, opheffen kunnen zij deze niet. Te vrezen is zelfs, dat naar mate al die goede voornemens en het beroep op verantwoordelijkheid toenemen, de antipathieën worden verdiept.’

Herzberg trok hieruit de conclusie: ‘Tegenover de realiteit der tragiek is maar één ding nodig en mogelijk: een nieuwe realiteit, de realiteit van de Jodenstaat. De Joden weten dat langzamerhand heel goed. Hun ervaring met den vervolger is bitter genoeg, maar op die ervaring volgde de ervaring met den niet-vervolgde. En die laatste ervaring was - natuurlijk niet altijd, maar wel in den regel - een laatste ontgoocheling.

Niet voor niets hebben zij voor de Jodenstaat hun leven over.’55

Ook in het uitvoerige essay ‘Volk zonder land’ van Fokke Sierksma kwam het eigentijdse vaderlandse antisemitisme ter sprake: ‘Met uitzondering van de gebruikelijke hoeveelheid onverschilligen en een aantal krakende liberalen, die te bot zijn om hun haat te doorzien of die althans te camoufleren, koos geheel Nederland op 15 Mei 1948 partij voor de nieuwe staat Israël. Zowel onverschilligen als liberalen zijn ongeneeslijk en aan hen behoeft men dus zijn energie in geen enkele vorm te verspillen. Belangwekkender is ons aller geestdrift. Want in hoeverre is dit enthousiasme een uiting van verborgen haat en verborgen schuldgevoel? Deze vraag is allerminst overbodig. In een burgerlijk land als het onze, waar christendom en humanisme de mens van een zachtaardig masker hebben voorzien, zal het anti-semitisme zich immers niet fel en openhartig manifesteren. In Nederland moet, meer nog dan in andere landen, het anti-semitisme betrapt worden. Het uit zich hier niet in demonstraties of in boeken, maar in losse opmerkingen, gemaakt op theevisites of bij andere rustige gelegenheden, waar men een onderwerp, zodra

[p. 251]

het een al te persoonlijke overtuiging vraagt, door een willekeurig ander kan vervangen. Maar niettemin zijn deze opmerkingen evenzoveel giftigheden, die het reservoir van anti-semitisch venijn op peil houden.’56

Het Israël-nummer bevatte verder vertalingen van verzen en verhalen van joodse auteurs en een uitvoerig essay over ‘De functionele betekenis van de modern-Hebreeuwse literatuur’ door J. Melkman. Ook waren er vignetten van Melle en Herman Dijkstra en enkele foto's uit Israël in opgenomen. De in deze aflevering afgedrukte tekening van Marc Chagall was getiteld ‘Jacob vechtend met de Engel’.

De reacties op het Israel-nummer

Deze speciale aflevering trok in brede kring de aandacht, waardoor ook Podium zelf ineens veel meer publiciteit kreeg. Zo schreef Trouw op 17 juni: ‘Abel J. Herzberg geeft in zijn artikel: De Vervolgde en de Niet-vervolgde, enkele kanttekeningen bij het toegenomen anti-semitisme.

Op zijn sceptische en gevoelige wijze.

Ligt het inderdaad zo, dat de toeneming van het antisemitisme te wijten is aan de... vervolging zelf? Dat die haar gewoon mechanisch werk heeft gedaan?

Heeft dus het feit, dat het joodse leed anders was van natuur, dat het een niet-jood niet overkwam en niet overkomen kon, het antisemitisme versterkt?

Dit verschijnsel heeft - Herzberg zegt dat ook zelf - meer aspecten, maar dat het een der (belangrijkste) aspecten is, voelen wij als hij.

Van het proza noemen wij nog het buitengewoon instructieve artikel van J. Melkman over “De functionele betekenis van de Modern-Hebreeuwse Literatuur”.

Volk zonder land van F. Sierksma geeft op vaak felle wijze aan wat aan de Joden misdaan is. En hoe antisemietisch onze wereld altijd heeft gereageerd.’57

Veel kritischer was de reactie van het tweemaandelijks tijdschrift Mens en Kosmos, ‘gewijd aan de vergelijkende studie van godsdienst, wijsbegeerte en wetenschap met hun grensgebieden’: ‘De redactie van Podium wil met deze speciale publicatie een eerste poging doen om de goede verstandhouding tussen het volk van Israël en dat van Nederland te scheppen.

Wordt echter wel voldoende de aandacht erop gevestigd, dat Israël een veroverd land is, dat de bewoners, de Arabieren, verjaagd zijn, dat 800.000 Arabieren in de ellendigste toestand in open kampen leven, zodat er dagelijks honderden omkomen, dat dus de Joden hetgeen ze onder de Hitlerterreur ondervonden, nu anderen aandoen, dat het niet het land der Vaderen is, waar

[p. 252]



illustratie

‘Jacob vechtend met de Engel’ van Marc Chagall, zoals opgenomen in het Israël-nummer van Podium




illustratie
Paul Rodenko
collectie letterkundig museum


[p. 253]

ze trouwens na 2000 jaar geen recht meer op zouden hebben, dat ze bezet hebben, maar de vruchtbare streken, die destijds in handen van de Philistijnen en andere stammen waren. Is er, wanneer men deze misstanden voor ogen houdt, nog reden voor Israël-verheerlijking?’58

Het blad De Vrijdenker van zijn kant schreef op 9 juli: ‘Dit bijzondere nummer is geheel gewijd aan het Zionisme en aan vertalingen van letterkunde uit het Hebreeuws, een zeer nuttige inleiding in de letterkunde van het wordende volk van Israël. Dat hierbij veel religieus is, kan niet verbazen: herinneringen aan het Oude Testament zijn er vele. De liefdespoëzie behoort tot de fijnste en beste. Wat de drie artikelen betreft, dat van Melkman is zeer nuttig voor de kennis der modern-hebreeuwse letterkunde. Het stuk van Sierksma zegt weinig en bevat nog al wat vaag gezwam, over christendom en jodendom. Belangwekkend is het stukje van Abel J. Herzberg over “De vervolgde en niet-vervolgde”, waarvan de zin is, dat de klove tussen Joden en niet-Joden (al zijn deze laatsten dan geen antisemieten) zo groot is geworden, dat de Joden niet anders zouden kunnen doen, dan naar Israël te gaan.’59

Bijna een week later, op 15 juli, schreef D.B. in het tijdschrift Kerk en Wereld: ‘Het artikel van Herzberg over anti-semietisme moet een christen pijn doen, omdat het zo waar is. En dat van Sierksma over Volk-zonder-land vraagt van de kant van het christendom een antwoord, op zijn minst zo indringend als dit artikel zelf is.’60

Toenemende geldzorgen

Intussen ging het - ondanks de toegenomen publiciteit - met Podium zelf nog altijd niet naar wens. Eind juli was er, ongeveer twee maanden na het Israël-nummer, nog steeds geen nieuwe aflevering verschenen. Dat kwam vooral doordat Gerrit Borgers druk bezig geweest was zijn doctoraal te halen: dat was ten slotte - en wel cum laude - gelukt op 14 juni.61 Bovendien liep ook de uitbetaling van de honoraria veel vertraging op.

Op 31 juli schreef Borgers, die zelf ook moeite had de touwtjes financieel aan elkaar te knopen, aan Fred Ferro: ‘[...] ik begrijp dat het moeilijk is als jullie rekening leeg is op tijd uit te betalen, maar aan de andere kant verspelen we op deze manier alle goodwill onder de medewerkers die we juist met moeite op het ogenblik aardig aan het uitbreiden zijn en gaat de animo er bij redacteuren uit (je weet van mij langzamerhand wel hoe ik er voorsta, maar van Sierksma kreeg ik een kaartje gisteren b.v. waarin hij me vertelde dat hij alle abonnementen op dag-, week- en maand-bladen heeft opgezegd om rond te komen, terwijl hij n.b. nog over de f. 200.- voor zijn Israël-essay tegoed heeft!) en aan de andere kant werd ons aan het begin van de overneming

[p. 254]

door de Driehoek verteld dat een geldschieter voor de pecunia zorgde. Laten we daarom (in overleg met de anderen) afspreken: als een nummer uitkomt worden op diezelfde dag de honoraria aan de medewerkers uitbetaald. Is het geld niet aanwezig dan houden wij het nummer in tot het er wèl is- tenslotte is het een beter excuus om te zeggen: het nummer is er nog niet, dan: de uitgever heeft geen geld. Accoord?’62

Sommige medewerkers en medewerkers-in-spe zaten intussen al tijden te wachten op enig bericht van de Podium-redactie. Simon Vinkenoog schreef er een boos briefje over, waarna Borgers hem op 5 augustus antwoordde: ‘Dank voor uw brief met reprimande. Gelukkig voor mij kan ik u meedelen dat in het komende nummer Afrekening van u wordt opgenomen, terwijl wij bovendien nog Zadkine, “Ik ken de woorden van de taal niet...” en “Er is in het onderhuids verraad...” gaarne in portefeuille zouden houden: Zadkine, aangezien de redactie het plan heeft binnenkort een aantal gedichten over of n.a.v. schilders of schilderijen, mèt een aantal reproducties, te publiceren, waar dit vers uitstekend in past; de overige twee om eventueel later mèt enkele nieuwe gedichten op te nemen [...].’63

Dezelfde dag schreef Borgers ook aan Sybren Polet: ‘Mijn excuses dat ik U pas nu de gedichten terug stuur, waar U in een brief van 30 Mei al om vroeg! Doordat van de redacteuren éen ziek was, éen voor een promotie zat en éen (ik zelf) voor een doctoraal examen, is de laatste twee maanden de zaak in de war gelopen, en zijn wij ver achter in de behandeling van de post.’64

Intussen kwam ook het geld voor de medewerkers nog steeds maar niet. Op 9 augustus schreef Fokke Sierksma met bewonderenswaardige zelfbeheersing aan Methorst: ‘De heer Ferro schreef me enkele dagen geleden dat mijn honorarium voor het Israëlnummer spoedig zou worden overgemaakt. Staat U mij toe, daarop nog aan te dringen, daar ik - en wat erger is - mijn gezin door omstandigheden er financiëel niet bepaald rooskleurig voorstaan. Gerrit heb ik daarover reeds een en ander meegedeeld.’

En verder - met een verwijzing naar de uitgave in boekvorm die onder de titel Eeuwig Israël van het speciale Israël-nummer gemaakt was -: ‘De exemplaren van Eeuwig Israël heb ik gister ook ontvangen. Ik dank U zeer voor Uw royale gebaar, mij vier te sturen, en maak U mijn compliment over de uitvoering. De keuze der foto's was voor mij een prettige verrassing.’65

Dat er een vers van hem in Podium zou komen, zal voor Vinkenoog een grote verrassing zijn geweest. Op 10 augustus berichtte hij zijn vriend en mentor Ferdinand Langen: ‘Podium gaat in het Juni-Juli-nr. dat eind Augustus uitkomt, een gedicht van me plaatsen en houdt een ander gedicht in portefeuille voor een nr. dat gewijd zal worden aan schilders en schilderijen. Ik hoop dat ik geen bedgeheimen verklap met je dit te vertellen [...].’66

[p. 255]

Borgers had intussen Paul Rodenko gevraagd waarom hij zo lang niets van zich had laten horen en of hij eigenlijk nog wel onder de levenden verkeerde, waarop deze hem op 11 augustus antwoordde: ‘Ik leef nog steeds, maar heb geduldig op bericht van jou zitten wachten. Zodra je doctoraal achter de rug was, zou je immers weer actief worden - ik heb je dus niet willen lastigvallen in die tijd.’67

‘Tien paar kwatrijnen lijkt mij het minimum’

Was de zomertijd een periode van weinig activiteit bij de Podium-redactie, A. Roland Holst en Simon Vestdijk bleken toen juist uiterst vruchtbaar bij het schrijven van de voorgenomen serie kwatrijnen aan elkaars adres. Zoals we gezien hebben, was het de bedoeling dat die serie eerst in Podium en dan in een apart boekje in de ‘Podium-reeks’ gepubliceerd zou worden. Op 13 augustus schreef Roland Holst aan Borgers: ‘Ziehier het gevraagd kwatrijn. Ik was enkele dagen weg, en zag geen kans voor 2 kwatrijnen.’68

Drie dagen later, 16 augustus, stuurde hij een nieuw briefje, nu vanuit de trein: ‘Hier is er nog een. Kan dit nog gelijk met het vorige? Ik stuur een copie ervan meteen aan V.’69

Simon Vestdijk van zijn kant schreef Borgers dezelfde dag over de serie kwatrijnen: ‘We moeten er maar niet al te veel haast achter zetten. Ik ben altijd nogal “vlug”, maar voor H. is het moeilijker, omdat ik mij tot nog toe steeds tot antwoorden moest bepalen op dingen die hij bedacht. Tien paar kwatrijnen lijkt mij het minimum; een inleiding (waar Methorst over schreef) lijkt mij onnoodig.’70

De daaropvolgende dag, 17 augustus, bleek Roland Holst opnieuw van een kwatrijn bevallen te zijn: ‘Kan dit er nog bij? anders maar later.’71

Daarna duurde het een volle week, maar toen was de oogst dan ook twee stuks. Op 24 augustus schreef Roland Holst aan Borgers: ‘Ziehier nog weer twee Simonische kwatrijnen.

[...] Tegen dat het boekje moet verschijnen zullen V. en ik samen de definitieve volgorde wel bepalen.

Ik reken wel steeds graag op drukproeven.’72

Vestdijk, duidelijk meer vermoeid van het brieven posten dan van het produceren van weer een nieuw kwatrijn, schreef dezelfde 24ste augustus aan Borgers: ‘Als het in dit tempo doorgaat, stuur ik mijn antwoorden alleen aan jou, dan wil jij ze misschien aan hem doorsturen. Het wordt anders zoo'n uitvoerige correspondentie.’73

Nadat Roland Holst nog weer twee kwatrijnen vervaardigd had, volgde op 2 september een nieuwe brief van hem: ‘Hierbij de laatste oogst [...]. Ik

[p. 256]

geloof, dat ik nu toch wel zoowat aan 't eind ben. Bij de laatsten zijn er enkelen, die eigenlijk geen “aanvallen” genoemd kunnen worden, en die veel ernstiger zijn van toon, maar dit lijkt mij geen bezwaar, omdat het geheel er meer door wordt gevarieerd.’74

En in een nieuwe opwelling, op 9 September: ‘Ziehier nog een kwatrijn, dat ik tegelijk ook aan V. stuur [...].’75

Intussen was als titel voor de kwatrijnenbundel ‘Adrianische en Simonische kwatrijnen’ bedacht, maar Roland Holst was er niet gelukkig mee - hij vond hem te lang - en stelde toen als titel Swordplay: Wordplay voor. Overigens zou ‘Adrianische en Simonische kwatrijnen’ nog wel in het elfde nummer van deze jaargang gebruikt worden.

Op 9 september schreef Vestdijk aan Borgers: ‘Over de nieuwe titel, die hij bedacht heeft, - Swordplay: Wordplay, - schrijft hij je zelf. Ik ga met alles accoord. Het Engelsch lijkt mij geen groot bezwaar, en A. en S. kwatrijnen was misschien wat te lang. Enfin, jullie zien maar!’76

Simon Vinkenoog en Hans Andreus in podium

Intussen was, na een intermezzo van drie maanden, eind augustus weer een aflevering van Podium verschenen. Ook deze keer was het - om de ontstane achterstand in te lopen - een dubbelnummer (6-7). Het bevatte een poëtisch debuut: Vinkenoogs gedicht ‘Afrekening’, waarin de woede tegen alles ‘wat nimmer heeft geleden’ centraal staat:

 
Ik was de haat,
 
de adem van de dood
 
en de andere grote woorden,
 
die als vrachtgoed
 
aan dit jonggestorven
 
leven toebehoorden;
 
 
 
ik ben te laat
 
bij dit einde aangekomen,
 
dat geen uitzicht meer biedt
 
en al jaren tekortschoot,
 
zelfs in deze hete accoorden.
 
 
 
Ik was het bloed
 
dat zelfs in dit kortstondig uur
 
-ik was de vlam
[p. 257]
 
en het nutteloze vuur-
 
nog alles hels verbranden doet
 
wat nimmer heeft geleden:
 
 
 
angst voor het niets
 
dat schrik was en vergiffenis
 
een levensloop, belijdenis
 
van overmacht
 
en onvermogen;
 
 
 
hetzelfde leven, dat bedrogen
 
en godscheeps verlaten
 
in niets heeft kunnen baten.
 
Vrouw, niets, ochtendniets
 
vergeten, dwaasgevaarlijk niets
 
mijn hart, o synagoge.77

Over de titel van dit vers merkte Vinkenoog in 1983 op: ‘Die titel “Afrekening” is niet toevallig. Mijn hele werk kun je één afrekening noemen.’78

Onmiddellijk na Vinkenoogs gedicht volgden drie verzen van een andere jonge dichter, Hans Andreus. Dat Andreus in die tijd in zijn poëzie, waaruit een totaal andere stemming spreekt dan uit het gedicht van Vinkenoog, de lijn van Paul van Ostaijen probeerde door te trekken, zoals hij Borgers enkele maanden eerder geschreven had, blijkt uit het volgende vers dat op een zeldzaam lichtvoetige toon geschreven is:

 
op de berg matoe
 
mogen alle mensen wonen
 
ze zullen er werken en eten
 
en de vrouwen krijgen er zonen
 
van prachtig geweldig hout
 
en dochters als zuivere kanoos
 
en iedereen zal er lachen
 
en iedereen zal er zingen
 
want het hart wordt zichzelf niet moe
 
op de reusachtige berg matoe79

Veel waardering voor het werk van Willem Frederik Hermans sprak uit een recensie die Paul Rodenko aan diens verhalenbundel Moedwil en misverstand (1948) wijdde. Aan het slot daarvan schreef hij: ‘Wèl bewezen is intus-

[p. 258]

sen met deze bundel dat Hermanns [Hermans] een van de zéér weinige jongeren is, die werkelijk schrijven kan. Vooral Dr. Klondyke en Het Lek in de Eeuwigheid (al is hier een onmiskenbare sartriaanse invloed te bespeuren), maar ook Loo-Lee kan men zonder meer meesterstukjes noemen; de suggestieve sfeergeving, de surrealistische belichting en de zeer persoonlijke, rake en scherpe stijl maken het geheel tot een boeiende, vaak beklemmende lectuur; er staan passages in, waarvan men het gevoel heeft dat men ze zijn leven lang niet vergeten zal.’80

In deze aflevering werd ook een serie kwatrijnen van A. Roland Holst en S. Vestdijk opgenomen, waaronder ‘Simon de kastijder’ van Roland Holst:

 
Gij, Onverwachte, die, na maanden mildheid,
 
eensklaps met meesterlijk beheerschte wildheid
 
van Heerikhuizen legt over Uw knie
 
tot zelfs dát blij gelaat een bloote bil blijkt.81

Vestdijk antwoordde daarop met ‘Welkome afleiding’:

 
Gij, Groote Langzame, die zich bij tijden
 
Aan geniaal herkauwen niet onttrekt,
 
Moet wel verrast zijn als vlak over't hek
 
Een Bil luidruchtig wordt in Holland's weiden.82

‘Opgewarmde kliekjes’

De meest opvallende bijdrage aan dit nummer verscheen in de polemische rubriek ‘De proppenschieter’, waarin Fokke Sierksma onder de titel ‘Atelierrevolutie’ fel uithaalde naar het tijdschrift van de Experimentele Groep, Reflex. Dat blad was toen overigens al in Cobra opgegaan.

Sierksma schreef over de inhoud van Reflex: ‘De beschouwende proza-bijdragen zijn houterig geschreven. Opgewarmd eten is een teken van armoede. Datzelfde geldt voor deze opgewarmde kliekjes van een kunst en een kunsttheorie, die een twintig jaar geleden modern waren. De leden van de experimentele groep hebben waarschijnlijk Gorter's “Grote dichters” goed bestudeerd. Evenzo historisch-materialistische en andere sociologische werken. Alles is met water aangelengd en toen opgekookt.

Maar beschouwingen zijn natuurlijk maar theorie. En theorie is volmaakt onbelangrijk voor een kunstenaar. En wanneer het werk van deze groep goed was, zou men hoogstens kunnen zeggen, dat zij - die alles van het onderbewuste en van de instinctieve volksziel verwachten - geen highbrowerige

[p. 259]

beschouwingen moesten opnemen, of - zo zij per se toch ook een beetje intellectualistisch en onvolks willen zijn - alleen goedgeschreven bijdragen plaatsen. Maar hun werk is de grootste desillusie. En dat is het ergste. Ieder, die met zijn hart van de kunst houdt en verlangt naar het “bezield-verband” waarvan Marsman sprak, wordt door het dualisme van belofte en daad in “Reflex” diep teleurgesteld. En dat dualisme vind ik nog onvergeeflijker dan de breuk tussen schoonheid en fraaiheid.’

Sierksma nam hierna vooral de poëzie in Reflex op de korrel: ‘Jan Elburg demonstreet [demonstreert] de zondeval van “Het Woord” en publiceert een gedicht in “Reflex”, dat Zwerfs heet en dat onvermijdelijk associaties moet oproepen aan loops. Waarschijnlijk is dat ook de bedoeling van deze dichter en ik zie geen enkele reden om mij niet bij deze associatie neer te leggen. Elburg en zijn gedicht zijn loops.

Ter illustratie:

 
“Neem ik het land als de mussen de pannekoek
 
-pik van men [mijn] vensterbank-cheerful aanvaarden,
 
neem ik de optochten bomen tot aan de
 
uitwegen, 't opgroeiende [opgroeiend] kroos van de bladeren
 
aan in mijn bloed?”

Mussen kunnen beter paardevijgen eten. Maar bij een dichter, die zonder oorspronkelijkheid de oorspronkelijkheid en zonder eenvoud de eenvoud zoekt, worden zelfs de mussen onoorspronkelijk en eten, als hun baas, de onverteerde resten die anderen wegwerpen. Dat dit vers in ieder opzicht lelijk is en dat het lelijk is voor volk en intelligentsia, zeg ik alleen duidelijkheidshalve.’

En verder: ‘De goede bedoelingen van “Reflex” zal men moeten veronderstellen, zonder te accepteren dat men eenvoud bereikt door simplistisch te zijn. Als de kunst der jongeren nog een taak heeft dan zal het zijn een nieuwe eenvoud op het oude niveau. Wellicht is dat de beste parafrase van wat Marsman bedoelde met het bezield verband van kunst en volk. Maar Marsman zocht het niet in de richting van het infantiele gelal. Hij sprak van “het lichten van de creatieve geest”. Daarvan is in “Reflex” geen spoortje, niets. Wij zijn alleen maar berooide repetitoren. Wij repeteren alles, zelfs de revoluties van onze voorgangers.’83

Zoals we in het eerste hoofdstuk gezien hebben, werd kort daarna op de expositie van experimentele kunst in het Amsterdams Stedelijk Museum een ‘dichterkooi’ ingericht waarin onder de kop ‘er is een lyriek die wij afschaffen’ de omslagen van voor de experimentelen verwerpelijke boeken tentoonge-

[p. 260]

steld waren. Dat zich daaronder ook het omslag van Sierksma's essaybundel Schoonheid als eigenbelang bevond, was ongetwijfeld een reactie op diens aanval op Reflex.

Dit dubbelnummer van Podium bevatte verder vier gedichten van Sybren Polet, een fragment uit de roman ‘Zuster-ter-Zee’ van Adriaan van der Veen en een nieuwe aflevering uit de serie ‘Volg het spoor terug’ van J.B. Charles.

Opvallend in deze aflevering was dat op het omslag niet vermeld werd wie de redacteuren warren. Ook in de latere nummers van deze jaargang zou dat niet meer het geval zijn.

Samenwerking met Vlaanderen?

Om de aantrekkelijkheid van Podium te vergroten, wilde Gerrit Borgers in die periode met de redacties van enkele buitenlandse tijdschriften afspreken om samen ‘combinatie-abonnementen’ in te stellen: dit hield in dat iedere abonnee op een van de aan de combinatie deelnemende bladen tegelijkertijd voor de helft van de prijs een abonnement op een of meer van de andere tijdschriften zou kunnen nemen. Borgers had intussen al voorlopige afspraken gemaakt met het in Indonesië verschijnende Oriëntatie en met Standpunte dat in Zuid-Afrika het licht zag. Met het Nieuw Vlaams Tijdschrift - verreweg de meest aantrekkelijke partner voor een dergelijke verbintenis - lukte dat maar niet.

Intussen was hij in verband met zijn studie over Paul van Ostaijen en diens poëzie op bezoek geweest in Vlaanderen om daar brieven en andere documenten op te zoeken. Hij logeerde er bij Van Ostaijens vriend, de dichter Gaston Burssens, die hij een jaar eerder voor het eerst ontmoet had. Burssens noteerde daarover op 18 augustus in zijn dagboek: ‘Borgers van Podium is hier voor enkele dagen. Hij komt zich documenteren over Van Ostaijen voor zijn thesis voor zijn doctoraal. Een initiatief dat mij erg sympathiek is. Hij vat het ernstig op en zoekt de kleinste details op betreffende Pauls leven en ontstaan van zijn werk. Hij heeft mij de aanvang van zijn studie laten lezen. Het wordt een merkwaardig stuk.’84

Verder had Borgers in Antwerpen kennisgemaakt met Bert Pelckmans, directeur van uitgeverij De Nederlandse Boekhandel, die er wel voor bleek te voelen Podium in Vlaanderen te introduceren.

Op 26 augustus schreef Borgers hierover in ‘Podium-nieuws’ - met een verwijzing naar het ‘stervende’ Nieuw Vlaams Tijdschrift, dat overigens nog tot 1983, veertien jaar langer dan Podium zelf, zijn bestaan rekken zou -: ‘In Vlaanderen heb ik verschillende lieden, waaronder ook de directeur van een grote uitgeverij De Nederlandse Boekhandel, ontmoet die er veel voor

[p. 261]

voelen Podium in België in te burgeren, zowel wat abonnees als wat medewerkers betreft: ze hebben alleen het Nieuw Vlaams Tijdschrift, dat aan aderverkalking lijdt en nog zo wat stoffige oudheden en de uitgevers daar durven voor Vlaanderen allèèn geen avant-garde tijdschrift aan. Bovendien blijft het Nieuw Vlaams Tijdschrift met de hardnekkigheid van een stervende weigeren een combinatie-abonnement aan te gaan.’

Gaston Burssens en Bert Pelckmans suggereerden bovendien nog de mogelijkheid dat er enkele Vlaamse redacteuren aan de Podium-redactie zouden worden toegevoegd, waardoor de kansen voor het blad in het Zuiden natuurlijk vergroot zouden worden.

Borgers noteerde hierover in hetzelfde ‘Podium-nieuws’: ‘A.s. Donderdag heb ik op De Driehoek met Pelckmans van de Ned. Boekhandel en Burssens een bespreking over de mogelijkheid om van de Ned. Boekhandel in België een soort Podium-filiaal te maken, maar verder komen zij ook nog met het voorstel voor de redactie om een Vlaamse redactie (Van Walraven [Jan Walravens] en Burssens) op te nemen, in welk geval de zaak nog beter zal lopen èn voor de medewerkers van daar èn voor de lezers.’85 Borgers was er op dat moment kennelijk nog niet van op de hoogte, dat enkele weken later, half september, het eerste nummer van een nieuw Vlaams tijdschrift, dat speciaal voor jonge dichters open zou staan, van de drukpers zou komen: Tijd en Mens.86 Een van de redacteuren daarvan zou uitgerekend de essayist Jan Walravens zijn!

Helaas, de bijeenkomst op donderdag 1 september liep op een mislukking uit: Pelckmans, Burssens en Borgers waren er wel, maar Methorst kwam - op zijn eigen uitgeverij! - niet opdagen. Ruim een week later, 10 september, berichtte hij Pelckmans dat hij tot zijn spijt niet aanwezig had kunnen zijn bij diens bezoek aan De Driehoek.

Hij schreef verder - met opmerkelijk enthousiasme over de kwaliteiten van de Podium-redactie -: ‘Uit een gesprek met den Heer Borgers begrijp ik, dat U dingen met mij hadt willen bespreken, die niet door zijn bemiddeling behandeld konden worden en die de uitgave van het blad podium zelf betroffen. Uiteraard heb ik hiervoor grote belangstelling en ik zou U dus vriendelijk willen verzoeken Uw voorstellen alvast voorlopig schriftelijk te doen, opdat wij daarna spoedig tot nader overleg komen. U begrijpt dat een blad als dit een financieel zorgenkind is, anderzijds waren wij natuurlijk niet begonnen, wanneer wij er geen perspectief in zagen, en begroet ik dus iedere nieuwe mogelijkheid met vreugde, temeer waar de redactie van het blad krachtig en homogeen is en dus zeer zeker op zichzelf mogelijkheden biedt. In het algemeen ben ik bovendien voor samenwerking en niet voor al te grote geheimzinnigheid en afgeslotenheid onder uitgevers, zodat ik Uw ideeën met

[p. 262]

grote belangstelling tegemoet zie.’87 Methorst stuurde ook Gaston Burssens een spijtbetuiging over zijn afwezigheid.

Zes dagen na Methorsts brief aan Pelckmans, 16 september, berichtte Burssens vanuit Antwerpen aan Borgers: ‘Van Methorst een briefje gekregen met excuses. Hij zegt dat hij ook Pelckmans heeft geschreven en hem om concrete voorstellen heeft verzocht. Totnogtoe heeft P. echter dit briefje nog niet ontvangen.’88

Bert Pelckmans, verontwaardigd over de slordige gang van zaken, had intussen besloten voorlopig maar aan de zijlijn te blijven of helemaal af te haken. Op 19 september deelde Methorst aan Borgers mee: ‘De Heer Pelkmans [Pelckmans] bericht mij met enkele woorden, dat hij geen zin meer heeft over podium verder te onderhandelen. Ik zal er hem nog even over schrijvem [schrijven]. Kun jij, jouwerzijds, misschien naar aanleiding van ons laatste gesprek de zaak toelichten, zodat hij begrijpt, dat het hier werkelijk een misverstand geldt? Ik heb nooit begrepen, dat de man speciaal voor mij uit België kwam noch dat hij belangrijke voorstellen had [...].’89

Twee Vlaamse redacteuren

Intussen had Borgers het idee om in Vlaanderen meer voet aan de grond te krijgen - ondanks deze eerste teleurstelling - nog niet opgegeven. In overleg met de andere redacteuren besloot hij, om te beginnen, twee Vlamingen voor een plaats in de redactie uit te nodigen. Het was duidelijk dat daarvoor allereerst zijn vriend Gaston Burssens in aanmerking zou komen. En verder gingen Borgers' gedachten - nu Jan Walravens afgevallen was - uit naar de toen drieëntwintigjarige essayist Hugo Walschap, de oudste zoon van Gerard Walschap. Borgers had hem al enkele jaren eerder vergeefs benaderd voor medewerking aan Podium.

Op 26 september schreef Borgers hem: ‘Naar aanleiding van de ontmoetingen die ik deze zomer had met de heren Burssens en Pelckmans, directeur van de Nederlandse Boekhandel te Antwerpen, waarbij wij bespraken dat èn in Vlaanderen de behoefte bestond aan een progressief literair tijdschrift èn het Noordnederlandse tijdschrift Podium meer dan tot nu toe het geval was Vlaamse medewerkers wilde uitnodigen en bovendien veel beter te exploiteren zou zijn indien het zowel in Noord als Zuid zijn abonnees kon werven, heeft de redactie van Podium op zijn laatste vergadering besloten met ingang van de komende jaargang de redactie uit te breiden met twee Zuidnederlandse redacteurs.

U weet wellicht hoe moeilijk tegenwoordig de uitgave van een literair tijdschrift is, welke moeilijkheid natuurlijk minder wordt naar mate met een

[p. 263]

zelfde tijdschrift een groter gebied bestreken kan worden. Wil echter Podium ook ten volle een blad voor Vlaanderen zijn, dan dient het ook geen uitsluitend Noordelijke redactie te hebben wier namen in het Zuiden allicht minder zeggen en wier relaties met eventuele medewerkers steeds enigszins willekeurig blijven. Wèl is het echter gewenst dat het karakter van het blad gehandhaafd blijft en de uitbreiding niet tegelijkertijd een verslapping van dat karakter met zich mee brengt. De redactie zou het hierom dan ook zeer op prijs stellen als U onze uitnodiging om met ingang van 1 Januari 1950 deel uit te maken van de redactie - indien ook U natuurlijk met Podium sympathiseert en hieraan mede leiding zou willen geven - zoudt willen en kunnen aanvaarden.’90

Anderhalve week later, 7 oktober, schreef Gaston Burssens, die een soortgelijke brief van Borgers gekregen had, hem terug: ‘Ik heb het op prijs stellen van de redactie zeer op prijs gesteld en ben dus lid van het septumviraat! Hoe is het antwoord van Walschap?’

Uit deze brief bleek ook dat het hoofdstuk-Pelckmans nog niet uit was: ‘Pelckmans is nog in correspondentie met Methorst geweest, waarvan het gevolg is dat M. bij zijn eerste bezoek aan Vlaanderen dat kortelings [binnenkort] plaats heeft, schrijft hij, Pelckmans zal bezoeken.’91

Kort daarna ontmoetten Methorst en Pelckmans elkaar inderdaad, waardoor de lucht verder opklaarde. Tijdens dat gesprek kwam vooral de mogelijkheid ter sprake dat Podium in Vlaanderen door De Nederlandse Boekhandel verspreid zou worden. In dat verband werd afgesproken dat Pelckmans over niet al te lange tijd een redactievergadering bij zou wonen, om over verdere samenwerking te spreken.

Ook Hugo Walschap bleek in Podium geïnteresseerd, maar wilde graag wat meer informatie. Op 20 oktober schreef Burssens hierover aan Borgers, die hem bericht had dat de eerste redactievergadering van Noord en Zuid samen op 4 december plaatsvinden zou: ‘Ik schrijf vandaag een briefje aan H. Walschap en vraag hem tot bij mij te komen. Dus spoedig hieromtrent meer.’

En verder: ‘Pelckmans heeft je intussen geschreven, zegt hij mij, en ik heb met hem afgesproken dat we op 4 Dec. naar de redactievergadering komen.’92

Kort daarna, 30 oktober, kon Burssens aan Borgers berichten: ‘Ik heb dan een onderhoud gehad met Walschap: een flinke jongeman die niet bang is van een klein gerucht, ook niet van een groot. Hij is pas gepromoveerd tot doctor in de rechten en is stagiaire bij René Victor, de gekende vriend van P.v.O.

Alles is nu in orde, en hij komt 4 dec. met ons mee.’

Burssens voegde hier nog aan toe: ‘Als we van zins zijn met de Vl. redactie

[p. 264]

in Januari te vertrekken, is het dan niet geraadzaam dat ongeveer 1/3 van het Podium nr met Vl. bijdragen wordt gevuld? Dit met het oog op de eerste verspreiding in Vlaanderen.’93

Gaston Burssens en Hugo Walschap

De oudste van de twee nieuwe redacteuren, Gaston Karel Mathilde Burssens (1896-1965), was drieënvijftig - dus nog enkele jaren ouder dan Vestdijk - toen hij uitgenodigd werd tot de redactie van Podium toe te treden. In zijn jeugd had hij het atheneum te Mechelen en de Gentse universiteit bezocht, maar hij had zijn studie in de germanistiek moeten afbreken en was wegens zijn engagement met het activisme in de cel beland. Daarna was hij in zaken gegaan.

Intussen was hij in 1915 bevriend geraakt met Paul van Ostaijen, die in hetzelfde jaar als hij geboren was. In 1920 publiceerde hij onder invloed van het Duitse expressionisme en als reactie op de politieke repressie in Vlaanderen zijn Liederen uit de stad en uit de sel.

Evenals Van Ostaijen nam hij kort daarna afstand van het humanitair expressionisme, waarna hij een zo speels mogelijke poëzie probeerde te schrijven. Een uiting daarvan was de bundel Piano, die in 1924 het licht zag.

Hierna verschenen nog verscheidene dichtbundels, waaruit vaak een sceptische levenshouding, gemengd met veel humor, sprak. Burssens, een vriendelijke, maar ook wat teruggetrokken man, die een vurig verdediger van de poëzie van zijn jonggestorven vriend Van Ostaijen was, bleef vele jaren in Vlaanderen een poëtische eenling, totdat een nieuwe generatie hem na de Tweede Wereldoorlog als een van haar voorlopers begon te erkennen.

De tweede redacteur, Hugo Walschap, was in 1926 te Antwerpen geboren. Opgegroeid in het stimulerende milieu van de Walschaps - ook andere kinderen zouden in de literatuur van zich doen spreken -, was hij al vroeg geboeid geraakt door boeken en schrijvers. Tegelijkertijd voelde hij zich betrokken bij allerlei maatschappelijke ontwikkelingen, wat er toe zal hebben bijgedragen dat hij na het behalen van zijn einddiploma op de middelbare school rechten ging studeren aan de Brusselse Vrije Universiteit.

Intussen was hij ook zelf gaan schrijven. In juni 1945 hekelde hij - nog pas negentien jaar oud - in het blad Zondagspost de ‘literaire inertie’ onder de jongeren, waarbij hij zich verbaasde over het feit dat er in zo'n bewogen tijd nergens sprake was van een nieuw, verrassend geluid.94 In die tijd werkte hij ook mee aan het pas opgerichte tijdschrift De Faun.

Nadat Borgers hem al in het najaar van 1947 gevraagd had iets voor Podium in te sturen, nodigde hij hem halverwege 1948 opnieuw daartoe uit. Op

[p. 265]

22 juni van dat jaar reageerde Gerard Walschap daarop: ‘Mijn oudste zoon Hugo woont nog bij mij. Hij heeft nog niet kunnen meewerken aan Podium wegens zijn studies aan de universiteit. Waarschijnlijk vertrekt hij over een paar maanden naar Amerika, waar hij zijn thesis gaat schrijven en zich voorstelt tussendoor ook aan tijdschriften te kunnen meewerken.’95

Hugo Walschap studeerde kort daarna af en kreeg een functie bij de Antwerpse balie.

Contact met Schierbeek

Intussen had Bert Schierbeek, een van de vroegere Woord-redacteuren, met wie de Podium-redactie een half jaar eerder samenwerking gezocht had, enkele prozafragmenten van een nieuwe roman, ‘Jazubel’, aan Borgers opgestuurd.

Bovendien had hij Het boek Le Cocq, waarvoor hij moeilijk een uitgever vinden kon, aan Methorst ter publicatie aangeboden. Aan het schrijven van deze roman was hij in de laatste maanden van de Duitse bezetting begonnen, maar hij was gaan twijfelen over de experimentele vorm waarin hij de roman gegoten had, en was er toen mee gestopt. In 1947 had hij er vervolgens een aantal fragmenten uitgehaald die hij tot hoofdstukken bewerkte, waarvan er enkele in Het Woord gepubliceerd waren.

Op 26 september schreef Methorst aan Borgers: ‘Bert Schierbeek bericht mij, dat hij jou twee nieuwe hoofdstukken gezonden heeft ter circulatie. Misschien heeft het zin, dat je nu ook even zijn roman er bij hebt, waarvan men van de tamste hoofdstukken er twee gepubliceerd heeft in het woord. Liefst zou ik een oordeel over het werk hebben van Vestdijk, enerzijds omdat ik van niemand van enig formaat nog een oordeel heb, terwijl hij zelf ook geen bekende literatoren er bij betrokken heeft en anderzijds omdat het bij eventuele uitgave van belang is zo'n oordeel te hebben. Denk jij, dat het beter is, dat ik het hem zelf vraag? Dat is ook best. Ik zou Schierbeek graag steunen als hij werkelijk iets origineels presteert.’96 Bij Methorsts opmerking over het vragen van een oordeel aan Vestdijk schreef Borgers met pen in de kantlijn: ‘gaat niet’. In het elfde nummer van deze Podium-jaargang zou overigens een fragment uit ‘Jazubel’ gepubliceerd worden.

Borgers, die de afgelopen zomer uitvoerig met Gaston Burssens over Van Ostaijen gepraat had, speelde intussen met het idee een speciaal nummer van Podium aan deze in die dagen nog vrij onbekende dichter te wijden. Hans Andreus, een fan van Van Ostaijen, was daar enthousiast over.

Op 18 oktober berichtte hij Borgers: ‘Ik schrijf veel over van Ostayen, dit is niet een wat late fan-mail, ik vind hem één van de drie of vier belangrijke

[p. 266]

moderne dichters, terwijl hij juist als een soort schizophrene playboy beschouwd wordt, voor zover hij beschouwd wordt of zelfs maar gelezen. Daarom juich ik Uw dissertatie d.v. en het eventuele speciale nummer toe, hoewel ik anders niet zo dikwijls juich.

Genoeg van ik, nee dat is niet mogelijk want ik wil de redactie danken voor de hoge prijs die zij op mijn gedichten stelt. Over prijs gesproken, de drie bewijsnummers ontvang ik inderdaad zo goed als onmiddellijk, “het U toekomend honorarium” van de vorige keer laat al een week of vijf op zich wachten, wat beroerd is in verband met de kolenrekening waarvan de betaling voor een deel gebaseerd is op dit honorarium. Poëzie verwarmt. U vergeeft mij deze kleine, realistische bijzonderheden? Ik zie dat de redactie prijst [prijs] stelt op mijn medewerking in plaats van op mijn gedichten, het is een verschil. Maar ik dank de redactie, zie Prediker.

Dit is geen behoorlijk begeleidend schrijven, ik weet het, ik ben echter een novelle aan 't schrijven en kan geen gewoon woord meer uitbrengen. Het spijt mij.’97 De novelle waarover Andreus het hier had, was het autobiografische ‘Bezoek’, dat in het dubbelnummer 8-9 van de volgende jaargang van Podium gepubliceerd zou worden.

In dezelfde periode waarin Andreus zijn brief aan Borgers schreef, verscheen de achtste aflevering van Podium, gedateerd augustus 1949. Hierin werden drie verzen van de Vlaamse dichter Ben Cami opgenomen, waarmee alvast een voorproefje gegeven werd op de toekomstige samenwerking tussen Noord en Zuid. Daaronder was het volgende vers waarin het voorbijgaan van al het aardse aangrijpend verbeeld wordt:

 
Niemand hoort hoe de stroom der tijden spoelt
 
Over de stenen die wij steden noemen,
 
Die woorden en beelden uit de kamers woelt
 
Van al wat wij aanbidden en verdoemen,
 
 
 
Een schedel in het zand, een stenen bijl,
 
Die niemand ooit nog vindt.
 
Wind over water, licht van zon,
 
En een god die onwillig herbegint.98

Het achtste nummer bevatte verder een vertaald essay onder de titel ‘De intellectueel en de ander’ van de Spanjaard José Ortega y Gasset en een uitgebreide reeks kwatrijnen van A. Roland Holst en S. Vestdijk.

Intussen werd besloten de gemeenschappelijke redactievergadering op 4 december, een zondag, bij Paul Rodenko thuis in Den Haag te houden. De

[p. 267]

bijeenkomst zou dan om elf uur beginnen. Op 13 november deelde Gerrit Borgers hierover in ‘Podium-nieuws’ mee: ‘Deze vergadering zal in tweeën gesplitst: zakelijke afspraken, verschijning, financiën enz. enz. en: de komende jaargang en in 't bijzonder nummer 1.

Nu is het verreweg het beste als we op die dag spijkers met koppen willen slaan, dat we alles goed voorbereiden. Daarom stellen Paul en ik voor: Fokke, Willem, Paul en ik komen Zaterdagavond 3 December om ongeveer 7.30 al bij Paul.’99

Of ook vóór die vergadering alles al goed voorbereid was, lijkt de vraag. Op 28 november schreef Gaston Burssens tenminste aan Borgers: ‘Ik zei vandaag tegen Pelckmans dat ik nog geen nieuws van jou had betr. plaats en uur voor de redactievergadering van a.s. Zondag. Dat geeft niks, zei P., als we op het Rokin aanlanden en we vragen aan 't eerste 't beste jochie waar die verg. plaats heeft, dan wijst hij ons wel de weg...

Als je meent dat P. “zwamt” laat mij dan omgaand die détails kennen. Want wij moeten toch weten of we Zaterdag of Zondag moeten vertrekken.’100

Op de redactievergadering in Den Haag werd definitief afgesproken dat De Nederlandse Boekhandel voor de verspreiding van Podium in Vlaanderen zorgen zou en ook dat er om de drie maanden een redactiebijeenkomst van Noord en Zuid gezamenlijk gehouden zou worden.

Verder werd er uitvoerig gepraat over de kansen om nieuwe medewerkers uit Vlaanderen te winnen. Daarbij was het duidelijk dat sinds het verschijnen van Tijd en Mens de jonge auteurs de mogelijkheid hadden ook bij dat blad hun gedichten of verhalen aan te bieden, zodat een actief beleid van de Vlaamse redactie van groot belang zou zijn. In verband hiermee leek het de moeite waard in Antwerpen een Podium-avond te organiseren: een efficiënte manier om het blad snel enige bekendheid te geven. Er bestonden trouwens ook vage plannen voor een dergelijke avond in Amsterdam.

‘Een beeld van morgenrozenhout’

Intussen was eind november het dubbelnummer 9-10 uitgekomen. Dat opende met drie gedichten van Paul Rodenko, waaronder het schitterende ‘Het beeld’, dat sindsdien een van zijn meest geliefde verzen geworden is:

 
Uit het hout van de morgen
 
uit morgenrozenhout
 
sneed ik een beeld
 
heel licht en smaller dan een lijsterstem
 
een beeld van morgenrozenhout.
[p. 268]
 
Het was zo schuw zo ongeschoold
 
dat ik het zelf niet kende
 
met elke windvlaag was het weg
 
maar 'n kind
 
een bloesemtak
 
een onbekende
 
bracht het mij zeer voorzichtig weer terug.
 
 
 
Er waren er die het herkenden
 
en luide namen gaven:
 
Confecta Sexgiraffe Tafel met Citroenen
 
Clown Tederheidsbeginsel Bloedgewricht
 
Naakt met Napoleon een Huis My Country
 
My Kâ My Lah My Lullalongsome Baby
 
O schweler Ahnenstern Wir haben's
 
nicht gewusst
 
nimmet gruwuhle
 
nit gramah.
 
Een heel smal haast doorzichtig beeld
 
van morgenrozenhout.
 
 
 
Langs zenuwrasterwerk
 
door tuinen
 
hoogbeplant met diplomatenkoppen
 
droeg ik het broze beeld
 
van morgenrozenhout
 
en ieder wist nauwkeurig wat het was
 
slechts ik die 't eigenhandig had gesneden
 
ik orensnijder schoudertulpensnijder ik
 
 
 
orensnijder tulpensnijder
 
wie gaat er mee de vijverkoe bevrijden
 
de vijver is gesloten
 
de sleutel is gebroken
 
er is geen ene
 
tweeë
 
drieë
 
 
 
-Dites, Madame, va-t-il pleuvoir ce soir?
 
-Mais non, Monsieur, vous ne savez donc pas?
[p. 269]
 
-Quoi?
 
-Qu'on a inventé le plus-jamais-pleuvoir?101

Een andere dichter die aan dit nummer meewerkte, was A. Roland Holst, van wie niet alleen een nieuwe reeks kwatrijnen aan het adres van Vestdijk gepubliceerd werd, maar ook het vers ‘Overwonnen’, waarin de elementaire macht van de seksualiteit - behalve door de alliteraties - ook door het samenspel van het ritme en de enjambementen verbeeld wordt:

 
Of hij zich al haar wulpsche macht verheelde,
 
haar zwichten trok, tot welig weer haar weelde
 
hem onder dwong, en hem, meedogenloos
 
omstrengelend, naar haar bedwelming streelde.102

Hierna was in de rubriek ‘De proppenschieter’ een bijdrage van Anne Wadman opgenomen, waarin hij onder de titel ‘Libertijnse wellevendheid of Bei uns in Holland...’ een felle aanval ondernam op Libertinage, waarin tijdens de vorige jaargang onder auspiciën van Victor E. van Vriesland enkele nagelaten verzen van Johan Andreas Dèr Mouw gepubliceerd waren. Daartegen was door de dichter en journalist Fedde Schurer, die meende dat Dèr Mouw die verzen nooit voor publicatie bestemd had, in het Friese literaire tijdschrift De Tsjerne scherp geprotesteerd.

In zijn bijdrage bleek Wadman het met Schurer eens te zijn, waarna hij ook H.A. Gomperts, die Van Vriesland in zijn blad verdedigd had, een hardhandige veeg uit de pan gaf. Gomperts had bij die verdediging De Tsjerne ‘een in locaal bargoens geschreven blaadje uit Dokkum103 genoemd.

Wadman: ‘Het hele geval, het moge van weinig belang zijn, is toch symptomatisch, in zoverre het bewijst hoe men in de Hollands-cosmopolitische litteraire redactie-boom heel hoog kan klimmen en toch de geborneerdheid van de typisch Hollandse burger-litteraat kan verbinden met de platvloerse mentaliteit van de asfaltproleet die met stenen en paardevijgen gooit als een bezoeker van zijn stad een andere taal spreekt dan die van zijn moeder.’104

Deze aflevering bevatte verder gedichten van Hans Andreus en Cola Debrot, een verhaal van Olga Rodenko, een nieuwe aflevering van ‘Volg het spoor terug’ van J.B. Charles en een aantal tekeningen van de kort voor de bevrijding omgekomen meester-drukker H.N. Werkman.

Op Wadmans opmerkingen reageerde Gomperts in Libertinage met een korte bijdrage onder de titel ‘Keffertje’: ‘Naar aanleiding van een onqualificeerbaar stukje van Anne Wadman in het nummer van September-October 1949 van “Podium” noteer ik, dat dat tijdschrift zich aan de zijde van het

[p. 270]

obscurantisme plaatst, als het kan meedoen aan een rel tegen “Libertinage”. Wadman interesseert mij niet, maar verantwoordelijk voor zijn beledigingen [...] zijn: Vestdijk, de strijder tegen de fatsoensrakkers, Sierksma, de theoloog, Rodenko, die toch zelf van het eerste “vieze” woord niet gebarsten is, Nagel, die als criminoloog wel speciaal verstand van beledigingsaffaires zal hebben. Is het alleen een ordinaire concurrentie-nijd, die hen tot zulke dingen bracht?’105

Gomperts' verwijten zaten Vestdijk kennelijk niet lekker. Op 6 maart 1950 zou hij hem hierover schrijven: ‘Wat het stuk van Wadman betreft, wou ik u er opmerkzaam op maken, dat ik het, zooals verreweg de meeste copy voor Podium, eerst in het tijdschrift zelf gelezen heb. Dit ingevolge een afspraak met de overige redactieleden, dat ik geen copy ter beoordeeling toegezonden krijg. Uiteraard is dit een interne aangelegenheid, maar ik wil u er toch van in kennis stellen. Ook de voorafgaande polemiek was niet tot mij doorgedrongen. Afgezien van dit alles, geloof ik niet, dat u Wadman, of welke medewerker van Podium ook, vereenzelvigen mag met de redactie, die een stuk van hem plaatst, d.w.z. in dit geval een verweer.’106

Enkele weken na het uitkomen van dit Podium-nummer, op 17 december, schreef Gaston Burssens aan Gerrit Borgers over de activiteiten die de Vlaamse redacteuren sinds de redactievergadering ontplooid hadden: ‘Wij hebben met Pelckmans over de Podium-avond gesproken, en dat komt in orde. Alleen zouden wij die 1e avond in Amsterdam (?) willen bijwonen om ons daarnaar te kunnen richten.’107

‘De lustloze schimmen’

Intussen was op 19 november in het dagblad De Tijd een recensie van De tranen der acacia's van Willem Frederik Hermans gepubliceerd, geschreven door de dichter en criticus Anton van Duinkerken. Deze merkte hierin op - met een verwijzing naar bekende personages uit de boeken van Anna Blaman, Simon van het Reve en W.F. Hermans -: ‘Nederland wordt na de oorlog bevolkt door de lustloze schimmen van Frits van Egters, Werther Nieland, Alide, Kosta, Peps, Arthur Muttah, Oskar Ossegal en om hen heen het onwaarschijnlijk aantal vrienden en vriendinnen, die hun instincten prikkelen en hun uitzichtloos leven vermoeien door verleidingen tot daden, die zonden zouden kunnen zijn, indien ze niet zo vervreemd waren van alle waarachtige intensiteit. In de boeken van Simon (later: Gerard Kornelis) van het Reve, Anna Blaman en Willem Frederik Hermans wordt onophoudelijk “gezondigd”, maar het geschiedt zo volslagen plezierloos, zo innig naargeestig en zo akelig gewoonweg, dat men al spoedig de “helden” hun gang maar laat

[p. 271]

gaan zonder zich over hun wangedrag te kunnen ergeren of opwinden. Ze roepen een sfeer van algehele onverschilligheid om zich heen, al die “hartstochten”, waar het hart geen aandeel meer in krijgt en al die opgelegde tartingen van het burgerfatsoen, waarover allang geen sterveling meer de handen in elkaar slaat. Werkelijk, de verbazing is er af, als men wederom in boekvorm een vracht vernikkelde doodzonden aan huis krijgt en men zou een heilige moeten zijn om nog medelijden te krijgen met de arme, bekroonde of bekroningswaardige mannen en vrouwen, die met hun moede hersens dit steriele kwaad uitdenken.’

En verder: ‘Er is geen vorm van sexuele ontaarding, die hij niet uit behoefte om burgergevoelens te kwetsen, nauwkeurig beschrijft, even nauwkeurig en even overbodig als hij het malen van etende tanden, het snurken van een slapende grootmoeder en de reuk van okselzweet waarneembaar maakt in zijn lange, lijzige bladzijden vol ontleding van het ledige, vol psychologie van het zielloze en vol verslaggeverij over de vreugdloze stofwisseling van een chemicus, die met zijn aards bestaan geheel rechtmatig ontevreden is.’

Hierna merkte hij over de hoofdpersoon van De tranen der acacia's nog op: ‘Hij is een nare jongen, Arthur Muttah, en hij weet dat hij een nare jongen is. Ziedaar het hoofdmotief van een Nederlandse roman, waarmee een jong auteur zich als beschrijver en ontleder de opvolger en de gelijke betoont van kunstenaars als Marcellus Emants, Frans Coenen, Herman Robbers, S. Vestdijk. Want laten we er geen doekjes om winden: Hermans kan schrijven en hij kan vertellen. Hij kan dit verbazend goed. Er is eigenlijk maar één ding, dat hij als auteur niet kan. Dat is de weergave van de lust. Telkens en telkens opnieuw probeert hij de “zinnelijkheid te prikkelen” overeenkomstig de betekenis dezer uitdrukking in het Wetboek van Strafrecht, maar wat hij te voorschijn brengt is zo kil, zo cerebraal en zo steriel, dat 't elk verlangen naar onkuisheid in gedachten, woorden of werken op slag uitdooft en slechts de dorre weemoed achterlaat van de overpeinzing, dat talloze mensengeslachten zich deerlijk vergist moeten hebben om de hel, waaraan zij levendig geloofden, te riskeren voor het soort genoegens, dat Willem Frederik Hermans aan zijn romanfiguren gunt.’108

Simon Vestdijk, die deze recensie verontwaardigd gelezen had, besloot Van Duinkerken, die hij tijdens de bezettingsjaren in het gijzelaarskamp te Sint-Michielsgestel van dichtbij meegemaakt had, scherp van repliek te dienen. Op 24 november schreef hij Borgers: ‘Hierbij een “spoedstuk”, zijnde een aanval op Anton van Duinkerken, voor de Proppenschieter of een daarmee overeenkomende rubriek (dus kleine letter). In het eerstvolgende nummer zal het wel niet meer kunnen; graag in het volgende.’109

Ook Adriaan Morriën nam het in een brief die hij op 28 november aan Van Duinkerken stuurde, voor Hermans op. Hij deelde Van Duinkerken mee

[p. 272]

dat hij diens artikel op de algemene vergadering van de Vereniging van Letterkundigen van 10 december ter sprake brengen zou. Hij nam het hem vooral kwalijk dat deze naar het Wetboek van Strafrecht verwezen had, waardoor justitie op het idee gebracht zou kunnen worden de verspreiding van de roman te verbieden.

Van Duinkerken reageerde hier per omgaande, op 29 november, op met een brief aan Hermans - dezelfde dag schreef hij ook Morriën -: ‘Uit een brief, die ik hedenmorgen ontving van de heer Adriaan Morriën [...] werd mij plotseling duidelijk, dat ik in een bespreking van Uw roman “De Tranen der Accacia's [Acacia's]” in het dagblad De Tijd van Zaterdag 19 November j.l. een uitdrukking gebruikt heb, die verstaan kan worden als een poging om U of Uw boek op enigerlei wijze met strafrechtelijke maatregelen in aanraking te doen brengen.

Ik kan U slechts als man van eer verzekeren, dat deze bedoeling, nochtans in de woorden zelf leesbaar, mij bij het neerschrijven volkomen vreemd is geweest. Mijn waarlijk ongelukkige formulering wilde in dit verband slechts een term uit het wetboek als onvoldoende scherp omschreven kenschetsen.

Nu deze verschrijving door mij, waarlijk zonder bedoeling, U juridisch te doen vervolgen, is neergeschreven, acht ik mij verplicht, U mijn verontschuldiging over deze zeer gemakkelijk misverstaanbare vergissing aan te bieden. Uiteraard ben ik bereid, de door de heer Morriën gewraakte zegswijze te rectificeren, doch ik zie niet goed, hoe dit zou kunnen geschieden zonder dat ik opnieuw aandacht vestig op een verband tussen bladzijden uit Uw werk en een gebruikelijke, maar wat malle rechtsterm. Stelt Gij nochtans op zulke rectificatie prijs, dan acht ik mij verplicht, haar aan te brengen overeenkomstig Uw inzicht ter zake.

Ten einde U duidelijk inzicht in de kwestie te geven, sluit ik hierbij een doorslag in van mijn heden verzonden brief aan A. Morriën in antwoord op de zijne van 28 November.

Ik betreur, de mogelijke consequentie mijner zegswijze niet bij het neerschrijven te hebben bedacht en bied U derhalve mijne verontschuldiging aan met de verzekering mijner bereidheid tot herstel, in zoverre U dit gewenst en gepast voorkomt.’110

Van Duinkerken bood Hermans dus zijn excuses aan en verzekerde hem met zijn verwijzing naar het Wetboek van Strafrecht niet geprobeerd te hebben justitie tot vervolging uit te nodigen. Bovendien bood hij aan, indien gewenst, een rectificatie te zullen plaatsen.

Enkele dagen later bleek dat Hermans bereid was Van Duinkerkens verontschuldiging te aanvaarden. Op 1 december schreef hij hem terug: ‘Ik ben getroffen te vernemen dat de zinsnede in Uw artikel in De Tijd van 19 Nov.

[p. 273]

’49: ‘Telkens en telkens opnieuw probeert hij “de zinnelijkheid te prikkelen” overeenkomstig de betekenis dezer uitdrukking in het Wetboek van Strafrecht’ - wanneer ik Uw uitlegging hiervan in Uw schrijven aan de Heer Morriën wèl begrijp - niet zozeer een critiek op mij, als wel op genoemd Wetboek inhoudt. Ik geloof U op Uw woord en aanvaard Uwe verontschuldigingen.

‘De gevolgen die de geciteerde opmerking bij misinterpretatie door het publiek, eventueel voor mij zou kunnen hebben, moeten echter tot mijn spijt geheel voor Uw verantwoording blijven. Immers, een rectificatie zou niet kunnen verhinderen dat sommigen in weerwil daarvan een opvatting over De tranen der acacia's gingen aanhangen, die tegen Uw oorspronkelijke bedoeling indruist. Ik stel er daarom geen prijs op dat U een rectificatie publiceert, zelfs niet na nader overleg met mij over de vorm daarvan, daar ik immers zodoende verantwoordelijkheid te dragen zou krijgen voor verwikkelingen die geheel buiten mijn toedoen om zijn ontstaan.’111

De volgende dag, 2 december, schreef Hermans aan Simon Vestdijk: ‘Waarschijnlijk interesseert het je te horen wat de laatste bewegingen in de Van Duinkerken-affaire zijn. Zoals je meen ik weet, heeft Morriën hem een brief geschreven, om hem het denunciatieve van die zinsnede over het Wetb. v. S. te verwijten. v D. is toen geweldig geschrokken en heeft M. en mij een antwoord gestuurd, waarin hij schreef dat hij het denunciatieve van die woorden nú wel inzag, maar niet had ingezien toen hij ze schreef en ze niet als zodanig had bedoeld. Hij had er alleen mee willen aangeven dat hij de omschrijving in het W. v. S. wat mal vond. Hij bood mij zijn verontschuldigingen aan en eventuele rectificatie in De Tijd (zo nodig in overleg met mij aangaande de tekst daarvan). In rectificatie zag hij echter het gevaar dat dan nog méér de aandacht op “bladzijden uit mijn werk en een gebruikelijke, maar wat malle rechtsterm” gericht zou worden. - Ik heb deze zaak met v. Vriesland besproken, die dit gevaar eveneens zag en mij daarom afried op rectificatie aan te dringen. Dat heb ik dus niet gedaan, eigenlijk in hoofdzaak om het advies van iemand die ruimere ervaring heeft dan ik, in wat de wet “pornografie” noemt, te volgen. Een verbod van het boek zou ten slotte misschien niet te vermijden zijn.

Ook is het niet mogelijk v. D. een proces wegens laster aan te doen, na zijn verontschuldigende brief, hoewel in feite zijn opvatting dat De T. d. A. pornografie is, blijft bestaan; hij heeft dat alleen niet (bewust dan altijd) onder de aandacht der politie willen brengen.’

Hermans schreef verder: ‘Enfin, we zullen wel zien hoe het afloopt. Mocht er een poging tot verbod komen (er zijn voor zover ik weet nog geen tekenen die daarop wijzen) dan zal het nu waarsch. mogelijk zijn v. Duinkerken als getuige à décharge te laten optreden en dat zou misschien veel betekenen.

[p. 274]

(Aan een kant weet ik niet of ik mij gevleid mag voelen door iemand als v.D. niet als pornograaf te worden beschouwd).’

Uit de rest van Hermans' brief bleek nog dat hij van plan was Vestdijk binnenkort te bezoeken: ‘Ik neem Donderdag 8 Dec. de trein van half elf naar 3bergen. Het proza van v.D. zal ik je dan wel laten zien.

Ik stel mij veel voor van onze gesprekken.’112

Hugo Claus en Bert Schierbeek in Podium

Relatief nog tamelijk snel verscheen hierna omstreeks Kerstmis de elfde aflevering van Podium. Een verrassende publicatie daarin waren twee verzen van Hugo Claus. Hij kwam in die tijd geregeld bij Gaston Burssens thuis op bezoek.

Een van Claus' verzen was getiteld ‘Achter de tralies’. Hierin lijkt een periode van vrijwel totale stilstand plotseling als door ‘een verlossende trompet’ doorbroken te worden:

 
Zaterdag Zondag Maandag trage week en weke dagen
 
 
 
Een stilleven een landschap en een portret.
 
 
 
De wenkbrauwen van een vrouw
 
die zich sluiten als ik nader.
 
 
 
Het landschap waarin blonde kalvers waden
 
waar het weder van erbarmen
 
onontkoombaar
 
in het Pruisisch blauw der weiden ligt gebrand.
 
 
 
Dan heb ik nog een stilleven geschilderd
 
met onherkenbare wenkbrauwen en een mond als een maan
 
met een spiraal als een verlossende trompet
 
in het Jerusalem van mijne kamer.113

Een andere jonge schrijver die voor het eerst aan Podium meewerkte, was Bert Schierbeek, van wie een fragment uit diens roman ‘Jazubel’ gepubliceerd werd. Dat fragment is getiteld ‘Het café’.

Die titel slaat op de door kunstenaars druk bezochte kroeg De Vergulde Stier, waar de meisjes Else, Lydia en Candida als gastvrouwen voor een zo relaxt mogelijke sfeer moeten zorgen. Op een avond komt er een jongeman,

[p. 275]

Jazubel, langs, die gehuld is in een zwarte cape en door de meisjes juichend verwelkomd wordt.

In het volgende fragment wordt ook even een plaagstootje in de richting van de traditionele poëzie uitgedeeld: ‘Zij staan nu allen om mij heen. De meisjes en de vrienden, de kennisen. Zij wachten, zij lachen. Zij kennen Jazubel, die ook lacht, maar Jazubel die vreest kennen zij niet. Hoe zouden zij hem zien, gedoken in de cape van zijn huid, in de handschoenen van zijn hand, zijn geschoeide ziel, zijn behemb lichaam... Diep onder mijn cape, mijn huid, in mijn bloed. Wie hoort het ruisen van mijn bloed?... Else zwijgt. Zij kijkt toe en knikt met haar blosjes. Vibrerende ziel. Allen kijken zij toe. De vrienden ook, de dichter: dichten is een verantwoordelijk vak, denkt de dichter en fronst zijn wenkbrauwen over een nieuwe strophe: o schemer van mijn ijle ziel, ik wil u vangen... Mocht wat! De componist zwijgt. Hij is zijn eigen orkest. De denker denkt zijn hoofd kaal. Zij zwijgen. Ze zwegen... Jazubel vroeg om shag en zij zwegen. Jazubel is rijk, elegant, zwemt in geld, niet in noden... Hij liet hún zelfs zwemmen, leerde het hen... Jazubel is een interessante figuur...

“Meisjes,” zei Jazubel glimlachend, “jullie dringen, dat is goed, dat verwarmt mijn verwaterde ziel, maar drinken is beter...”

“Lieve Jazubel,” zeiden Lydia en Candida en drongen dichter tegen hem aan.

“Meisjes,” zei Jazubel, “er zijn vrienden die wit zijn en vrienden die zwart zijn. Maar er was maar één zwarte, die zich niet verontschuldigde en kort en goed zei: Nee, ik kom niet!... Hij begreep!... Jullie jongens, mijn kennissen, jullie zien allemaal wit...”

Even aarzelde zijn stem.

“Maar Jazubel,” zeiden de vrienden, “maar Jazubel, hoe konden wij weten, nee geloven... Hoe konden wij...”

“Ik weet dat jullie niet weten en helemaal niet geloven... Jullie denken... En Jazubel rookt altijd de duurste cigaretten en heeft altijd overvloed... Zo is Jazubel... Maar er staat geschreven, dichter: De eersten zullen de laatsten zijn en den dichters zal op de dag, daarvoor aangewezen, het vers op de tong besterven en den denkers de gedachten bevriezen tot het beeld dat ze niet kunnen vatten... Dat staat geschreven”

“Maar het is geen gedicht Jazubel, al is het duister...”

“... en geen gedachte...”

“... en geen muziek...”

“Geen shag heren! Ik had geen shag! En jullie brachten het niet.”’114

Verder bevatte dit nummer gedichten van Paul Rodenko, Gerard den Brabander en J.B. Charles en weer een aantal exemplaren uit de reeks kwatrijnen van Vestdijk en Roland Holst.

[p. 276]

Sierksma over Gomperts

Intussen werd geprobeerd de twaalfde aflevering niet al te lang na de jaarwisseling te laten verschijnen. Een complicatie hierbij was dat J.J. Klant, van wie in deze jaargang een feuilleton gepubliceerd was met daarin de roman ‘Wandeling door Walein’, plotseling niets meer vanuit Zuid-Afrika, waar hij zich gevestigd had, liet horen, en dat terwijl het laatste hoofdstuk van zijn boek nog niet was opgestuurd.

Op 29 december schreef Gerrit Borgers in ‘Podium-nieuws’ over de december-aflevering: ‘In dit nummer ontbreekt het laatste hoofdstuk van Klant - ik hoor, zelfs op een telegram - niets meer van hem en weet nog altijd niet hoe ik deze Unvolendete [Unvollendete] in een Mededeling moet verklaren’115

In het december-nummer bleek hij hiervoor toch een elegante oplossing gevonden te hebben. In die aflevering werd meegedeeld: ‘De roman Wandeling door Walein van J.J. Klant blijkt te lang om hem deze jaargang in zijn geheel te kunnen publiceren, zoals aanvankelijk in de bedoeling lag. De schrijver gaf er in dit geval de voorkeur aan het hoofdstuk dat in het November-nummer gepubliceerd werd, als het - zij het dan ook voorlopige - slothoofdstuk te beschouwen.’116

Een opvallende bijdrage aan dit nummer was een essay van Fokke Sierksma, waarin hij - gezien de polemieken van de laatste jaren - een onverwacht positief oordeel uitsprak over Gomperts' kort daarvoor verschenen essaybundel Jagen om te leven.

Sierksma schreef: ‘Voor de lezers van het tijdschrift, waarin H.A. Gomperts regelmatig zijn meningen formuleert, zal deze bundel verzamelde essays ongetwijfeld de grootste verrassing zijn. Twee uitstekende opstellen moest hij over verschillende afleveringen van zijn blad verdelen, met het gevolg dat enerzijds de kwaliteit ervan versneden werd, terwijl anderzijds de helaas niet verknipte polemieken de indruk vestigden, dat men te doen had met een mager, dikdoenerig manneke. Genoemd manneke liet in een iets te nadrukkelijke onnadrukkelijkheid merken, dat het zich natuurlijk niet geheel van de Nederlandse letterkunde afzijdig kon houden, maar zich toch onmogelijk kon encannailleren. Jagen om te leven bewijst nu, dat deze indruk slechts zeer gedeeltelijk juist is en dat de schrijver Gomperts zijn kruit allerminst verschoten heeft. Integendeel, de opstellen van de laatste tijd doen vermoeden dat hij nog vaten vol heeft van dit voor een kunstenaar onontbeerlijke buskruit en dat het juist zijn grootste probleem zal zijn, of hij de moed opbrengt er de lont in te gooien. Gomperts heeft ongetwijfeld Marsmans gulden voorschrift “Wees van binnen vuur, van buiten ijs” ter harte genomen, maar houdt er te weinig rekening mee, dat strenge intellect-vorst ook kan dóór-

[p. 277]

vriezen. Men kan het feit van de wisselwerking tussen vuur en ijs niet ongestraft negéren.’117

‘Toon en het negende gebod’

De meeste aandacht in deze aflevering trok intussen Vestdijks aanval op Anton van Duinkerken naar aanleiding van diens recensie van Hermans' De tranen der acacia's.

Deze bijdrage verscheen onder de titel ‘Toon en het negende gebod’: een toespeling op het voorlaatste van de tien geboden, waarin gesteld wordt dat de mens tegen zijn naaste geen valse getuigenis afleggen mag.

Aan het begin van Vestdijks stuk werd in een voetnoot opgemerkt: ‘Deze reactie op Van Duinkerken's critiek dateert van 23 November en houdt principieel geen rekening met de ontwikkeling, die deze zaak sindsdien heeft genomen.’

Deze opmerking zal slaan op de vergadering van de Vereniging van Letterkundigen op 10 december, waar Vestdijk, die niet graag de rust van zijn huis in Doorn verliet om het maatschappelijke gewoel op te zoeken, niet verschenen was om Hermans' roman te verdedigen. Tijdens die bijeenkomst onder leiding van prof. N.A. Donkersloot kwamen de aanwezigen tot de conclusie dat Van Duinkerken te goeder trouw geweest was.118 Denkbaar is overigens ook dat Vestdijk in zijn voetnoot op de intussen gevoerde correspondentie tussen Van Duinkerken en Hermans doelde.

In zijn bijdrage ontkende Vestdijk dat er vormen van ‘sexuele ontaarding’, zoals Van Duinkerken gesteld had, in De tranen der acacia's voorkomen: ‘Wanneer wij buitenechtelijke betrekkingen en (in de roman overigens zeer sporadisch) bordeelbezoek niet tot de sexuele ontaardingen rekenen, is het erotisch abnormale in zijn meer krasse vormen in deze roman totaal afwezig. v.D. raadplege eens een ter zake kundig arts of een of andere “Psychopathia Sexualis”. Bij “sexuele ontaarding” denken wij aan homosexualiteit, sadisme, masochisme, fetischisme, bestialiteit, incest, fellatio, cunnilingus en nog zo het een en ander dat mij ontschoten blijkt te zijn. Homosexualiteit, v.D. op zijn minst bij geruchte bekend uit De Kleine Republiek van Lodewijk van Deyssel, ontbreekt, een onbeduidende reminiscens op pag. 148 daargelaten. Sadisme? Een tikje misschien, maar onder de beschreven en voor de hoofdpersoon beslissende omstandigheden stellig binnen de grenzen vallend van het normale in medische zin. Masochisme: afwezig, zo ook fetischisme, bestialiteit, fellatio en cunnilingus. [...] Masturbatie is door schrandere en opmerkzame lezers drie maal aan te tonen, twee maal bedreven door een rotmof, de derde maal door de hoofdpersoon onder volstrekt exceptionele om-

[p. 278]

standigheden. Van “nauwkeurig beschrijven” is geen sprake. Over het abnormale van masturbatie, zolang zij niet een min of meer usurperende positie in het geslachtsleven inneemt - hetgeen bij de hoofdpersoon kennelijk niet het geval is, - zijn trouwens geen twee deskundigen het met elkaar eens.’ Wat opvalt is dat de medicus Vestdijk homoseksualiteit kennelijk als een vorm van ‘sexuele ontaarding’ beschouwde.

Zijn felste uithaal had hij gereserveerd voor de passage in Van Duinkerkens betoog waarin het Wetboek van Strafrecht ter sprake kwam: ‘“Telkens en telkens opnieuw probeert hij ‘de zinnelijkheid te prikkelen’, overeenkomstig de betekenis dezer uitdrukking in het Wetboek van Strafrecht.” (Deze volzin komt voor in een der twee cursief gedrukte alinea's, die de gehaaste krantenlezer dus het eerst opvallen). Wel is waar gelooft v.D. niet aan “zinnenprikkeling” uit de pen van Hermans, hij is aan andere specerij gewend; maar het blijft toch een eigenaardige bijkomstigheid, niet alleen dat hij tot opzet om iets te doen concludeert uit het mislukken ervan, maar vooral ook dat dit (naar zijn mening mislukte) “proberen” voor hem aanleiding is geweest het Wetboek van Strafrecht erbij te halen, alsof hij een jurist was in plaats van een literator, en meer dan dat: alsof hij een jurist was, doorkneed in het leggen van een verband tussen Strafrecht en “zinnenprikkeling”. Meer nog alsof hij een jurist was, doorkneed in het leggen van een verband tussen “zinnenprikkeling” en de mogelijke of waarschijnlijke interpretatie van het desbetreffende wetsartikel door de rechter. Nu is v.D. veel, te veel misschien, maar een jurist is hij toch niet. Toch bemoeit hij zich met het recht. Waarom doet hij dit? Is het soms om het recht en deszelfs vertegenwoordigers opmerkzaam te maken op een dankbaar object? Hebben wij hier te doen met een vingerwijzing aan de Minister van Justitie? In dat geval zou v.D. tot het recht staan in de betrekking van aanbrenger of agent provocateur, in het Duits “Spitzel“ genaamd, om geen erger termen te gebruiken. Alles is mogelijk. Ik kan het niet bewijzen, ik wil wel dokken voor belediging of laster, het is misschien ook niet waar, maar hoe ànders deze dreigende zinsnede te verldaren? Dit geval ressorteert niet zo zeer onder de leugens en de insinuaties (tenzij mijnerzijds, wat de laatste betreft) als wel onder de ploertenstreken.’119

Had Fokke Sierksma zich eerder in dit nummer nogal positief over Gomperts uitgelaten, in ‘De proppenschieter’ kon hij het toch niet laten diens tijdschrift Libertinage nog even een onverwachte haal te verkopen. Hij keerde zich daarbij vooral tegen de scheldwoorden waarmee in dat blad enkele schrijvers rond Podium in de afgelopen tijd getypeerd waren: ‘Bladerend in de laatste drie nummers van dit licht snobistische tijdschrift, noteerde ik de volgende verfklodders, aangebracht voor de stoep van een paar redacteuren en medewerkers van Podium:

[p. 279]

“dat hondje van een grote baas”

“patjepeër, die leutert over God”

“verzetsfarizeër

“weggelopen theologant”

“roddelkous”

Blijkens mondelinge en schriftelijke opmerkingen heeft men er zich hier en daar over verwonderd, dat de aldus besmeerde Podiumschrijvers zich niet tegen de heren van Libertinage hebben verweerd. Gaarne verwijs ik hen zonder commentaar naar het hierboven geplaatste lijstje van scheldwoorden. De scribenten van Libertinage menen kennelijk, dat nu de eeuw van het socialisme is aangebroken, op elk terrein van het leven het verschil tussen heren en proleten is opgeheven. Maar dat is een kleine vergissing.’120

Dit nummer bevatte verder herinneringen van G.H. 's-Gravesande aan Arthur van Schendel en een nieuwe aflevering van ‘Volg het spoor terug’ van J.B. Charles. Van Roland Holst en Vestdijk werd opnieuw een reeks kwatrijnen gepubliceerd, nu onder de verzameltitel ‘Swordplay: Wordplay’.

Aan het slot van deze aflevering deelden de redacteuren nog mee: ‘Met ingang van de zesde jaargang zal de redactie van Podium worden uitgebreid met twee Vlaamse leden, gaston burssens en hugo walschap. De opzet van deze uitbreiding is de reeds bestaande medewerking en belangstelling uit het Zuiden zodanig te activeren, dat Podium een literair tijdschrift van en voor Noord èn Zuid zal worden. De afleveringen van Podium zullen echter niet verdeeld worden in een Nederlandse en een Vlaamse afdeling; elk nummer zal op de tot nu toe gebruikelijke wijze worden samengesteld uit de belangrijkste bijdragen van Nederlandse en Vlaamse medewerkers, zodat Podium beide gebieden zal overkoepelen.’121

Hierna volgde nog een mededeling namens de ‘administratie Podium’: ‘Nu wij ruim een jaar de uitgevers van het literaire maandblad Podium zijn kunnen wij U tot ons genoegen berichten, dat sedert dien het aantal abonné's steeds gestegen is. Wel een bewijs, dat Podium nu het een maal wat bekender geworden is, in de smaak valt bij het literaire publiek. Wij hopen, dat deze stijging zich in 1950 zal voortzetten.’

Helaas moest de uitgever ook meedelen: ‘In verband met de stijgende kosten is het noodzakelijk gebleken met ingang van de jaargang 1950 de abonnementsprijs van Podium weer op f 10.- (Belg. fr. 190.-) per jaar terug te brengen. Al doen wij node deze “stap terug”, het verheugt ons aan de andere kant Podium, dat zich qua niveau nog steeds in stijgende lijn beweegt, voor een uitzonderlijk lage prijs te kunnen blijven leveren.

Gaarne zien wij dit bedrag van f 10.- vóór eind Januari 1950 van U tegemoet.’122

[p. 280]

Terugblik

Met vallen en opstaan: zo leek het in deze jaargang steeds te gaan. Nadat er begin 1949 met grote ambities gestart was - Podium moest een blad worden met duizenden abonnees en het zou uitgroeien tot hét tijdschrift van Nederland -, bleek hierna de praktijk toch uiterst weerbarstig te zijn. De abonnees bleven grotendeels weg, de adverteerders dus ook en daarmee kwam er steeds minder geld in het laatje, wat op den duur weer ongunstig uitwerkte op de scheppingskracht van redactie en medewerkers. De hele jaargang draagt er de sporen van: voortdurend kwamen nummers veel te laat uit, zodat de redactie dan maar weer haar toevlucht moest zoeken in het samenstellen van dubbelnummers, waarvan er - naast het Israël-nummer - nog twee uitkwamen. In totaal zagen zo zes afleveringen, dus de helft van de jaargang, in groepsverband het levenslicht.

Tegelijkertijd moet me iets anders van het hart. Wie het tijdschrift nu ter hand neemt en niet denkt aan alle moeilijkheden waarover ik het zojuist had, zal verrast zijn door de kwaliteit van wat er geboden werd. Ik bedoel ook wat het uiterlijk van het blad betreft. Zelf heb ik dat tijdens mijn hele onderzoek naar de geschiedenis van de naoorlogse tijdschriften steeds weer ervaren: je ziet hoe er kennelijk van jaar tot jaar meer zorg aan besteed kon worden, dat er betere papiersoorten werden gebruikt, dat ook de kwaliteit van de typografie toenam. Dat ging natuurlijk niet in een consequent opgaande lijn - uiteraard zijn er uitgeverijen die in zulk soort zaken vooroplopen -, maar over de hele linie is de vooruitgang onmiskenbaar. Het lijkt me juist om dat hier bij Podium te constateren, omdat dat het enige blad was dat al vanaf de oorlogsjaren verschenen is, zodat een vergelijking met voorgaande jaren goed mogelijk is.

Ook al verscheen Podium dus onregelmatig, de omvang van de verschillende nummers bleef vrijwel steeds gelijk: ongeveer vierenzestig pagina's per nummer, wat voor twaalf nummers een totaal van zevenhonderdtweeënzeventig bladzijden opleverde. Daarvan waren honderdtweeëndertig bladzijden - ofwel zeventien procent - voor gedichten bestemd, tweehonderdacht bladzijden (zevenentwintig procent) voor verhalen of romanfragmenten en vierhonderdtweeëntwintig bladzijden (bijna vijfenvijftig procent) voor essays, recensies of polemische bijdragen. Verder waren dan nog tien pagina's met illustraties gevuld.

Om ons nu tot de poëzie te bepalen: aan deze jaargang van Podium werkten vijftig dichters mee, waarvan er liefst zevenentwintig van buiten ons taalgebied afkomstig waren; dat kwam vooral door het Israël-nummer. Tot de dichters met de meeste verzen behoorden A. Roland Holst en S. Vestdijk, maar dat had natuurlijk te maken met de reeks kwatrijnen die ze in deze jaar-

[p. 281]

gang publiceerden. Verder waren vooral J. Meulenbelt (elf gedichten), M. Mok (zeven), Hans Andreus (zes), Cola Debrot, Sybren Polet en Paul Rodenko (ieder vijf) in poëtisch opzicht actief.

De reeks kwatrijnen die Vestdijk en Roland Holst met elkaar uitwisselden, neemt in deze jaargang een heel speciale plaats in. Voor die reeks was er een feestelijke aanleiding - de vijftigste verjaardag van Vestdijk in oktober 1948 - en ze begon ook complimenteus: met een hommage van Roland Holst aan de verrassend grote scheppingskracht van de jubilaris. Vestdijk antwoordde hierop met een kwatrijn en zo begon een serie verzen die tijdens deze jaargang tot in totaal achtenvijftig kwatrijnen uitgroeien zou. In de volgende jaargang zouden er daaraan nog twee worden toegevoegd.

Hoe complimenteus de reeks ook begonnen was, al gauw bleken er zich allerlei addertjes onder het idyllische gras op te houden. Zo noemde Vestdijk zijn tegenvoeter de ‘Groote Langzame, die zich bij tijden / Aan geniaal herkauwen niet onttrekt’,123 waarna Roland Holst het spottend had over zijn muze Helena, die bij Vestdijk haar naam in het meer alledaagse ‘Grieksche Leen’124 veranderd zou hebben. Daarbij werd ook God geregeld als arbiter elegantiarum ingeschakeld. Deze zou volgens Roland Holst vooral niet gelukkig zijn met Vestdijks ‘trotsch Brein’,125 terwijl Vestdijk van zijn kant het Opperwezen laat spreken over ‘de eigendunk, de hoogmoed van die vent!’,126 waarmee uiteraard enkele karaktertrekken van de Prins der Dichters uit Bergen bedoeld werden. Dit alles in snelle, snedige zinnetjes, waarmee beide dichters de lachers op hun hand probeerden te krijgen, hoewel de toon hier en daar ook wel melig werd en de humor soms erg gezocht.

Los van alle onderlinge sympathie, botsten in deze reeks twee poëzie-opvattingen op elkaar: de eerder symbolistische, mythische benadering van Roland Holst en de aan het tijdschrift Forum verwante, meer alledaagse visie van Vestdijk. Daarbij zal duidelijk zijn dat de uitgangspunten van de laatste meer gepast zullen hebben bij wat Podium vooral bij monde van Fokke Sierksma sinds jaar en dag verdedigd had.

Zoals we eerder in dit hoofdstuk gezien hebben, verraden de verzen van Hans Andreus die in deze jaargang gepubliceerd werden, op verscheidene plaatsen sterke invloed van de poëzie van Paul van Ostaijen. De speelsheid hiervan ging in het geciteerde vers met de beginregel ‘op de berg matoe’ samen met luchtige verwijzingen naar een zogenaamd ‘primitieve’ cultuur: ‘de vrouwen krijgen er zonen / van prachtig geweldig hout / en dochters als zuivere kanoos’.127 Daarmee werd een onnadrukkelijke verbinding gelegd met één van de inspiratiebronnen van de Cobra-kunstenaars, die meenden dat in een dergelijke cultuur - meer dan in de Westerse civilisatie - nog sprake was van spontane scheppingskracht.

[p. 282]

Zijn er bij Hans Andreus dus speelse associaties met een ‘primitieve’ beschaving, in het vers ‘Transparant’ van Sybren Polet worden de beelden eerder ontleend aan een wereld die door techniek en rationele overwegingen beheerst wordt. Een voorbeeld hiervan is: ‘de dag is haast doorzichtig tin / in platen van beheersing opgetrokken’.128 Verrassend daarbij is dat Polet in staat blijkt ook vanuit deze andere werkelijkheid een speels vers te schrijven dat duidelijk dieper duikt dan de ratio. Een vers waarin instinctieve sensaties alle ruimte lijken te krijgen.

Het mooiste gedicht uit deze jaargang vind ik wel ‘Het beeld’ van Paul Rodenko waarin de prilheid van het scheppingsmoment zo prachtig gesuggereerd wordt: ‘het hout van de morgen’, ‘morgenrozenhout’ en ‘smaller dan een lijsterstem’. Hier en daar wordt er op vroegere dichters gezinspeeld, zoals op M. Nijhoff - met een regel als ‘met elke windvlaag was het weg’ en daarbij een verwijzing naar'n kind - en op Paul van Ostaijen met de uitroep ‘O schweler Ahnenstern’,129 die aan sommige verzen uit Bezette stad doet denken, maar die elementen zijn opgenomen in een gedicht met een heel eigen structuur dat de tedere, zo kwetsbare verhouding van de dichter tot het vers verbeeldt.

Opvallend is dat Rodenko in ‘Het beeld’ een aftelrijmpje verwerkt heeft, wat natuurlijk weer overeenkomt met de belangstelling van de experimentelen voor creatieve uitingen van kinderen. Vermeldenswaard is verder dat de dichter aan het slot een heel gespreksfragment heeft opgenomen. Tien jaar later zouden de Barbarber- en Gard Sivik-dichters experimenteren met zogenaamde ready-mades: teksten die uit hun vertrouwde context gehaald worden en tot gedicht gemaakt. Hier komt - ik vermoed voor het eerst in de Nederlandse literatuur - al een dergelijk gespreksfragment voor. Een verschil met wat de latere dichters zouden doen is wel dat het fragment hier onderdeel is van een groter geheel, terwijl zoiets bij de Zestigers vaak het hele vers uitmaakt. Een ander onderscheid is dat Rodenko een gespreksfragment gekozen - of kennelijk bedacht - heeft met een lichtelijk absurde inhoud, terwijl de latere dichters aan het alledaagse leven al genoeg zouden hebben.

Bepalen we ons hierna tot het verhalend proza, dan blijkt bij het bekijken van de jaargang dat er van in totaal tien auteurs - waarvan drie buiten ons taalgebied - verhalen of romanfragmenten verschenen zijn. De belangrijkste daarvan was J.J. Klant, van wie een groot deel van diens roman Wandeling door Walein in het blad gepubliceerd werd. Andere schrijvers van verhalend proza waren Olga Rodenko en Bert Schierbeek.

Bij het beoordelen van Schierbeeks bijdrage ‘Het café’ is het van belang te bedenken dat deze ongeveer een half jaar eerder verschenen is dan de prozafragmenten uit Het boek Ik die in Braak gepubliceerd werden. Terwijl daarin vrijwel elke chronologische opeenvolging van de gebeurtenissen achterwege

[p. 283]

bleef, is dat hier niet het geval. Bovendien is er - anders dan in de latere fragmenten - nog wel degelijk van karaktertekening sprake.

Van de onvoltooide roman Wandeling door Walein van J.J. Klant werden zeven fragmenten in Podium opgenomen: bij elkaar besloegen die honderdvier bladzijden oftewel ruim dertien procent van de volledige omvang van het blad. In dit boek wordt een wereld beschreven, die zich in het grensgebied tussen droom en werkelijkheid lijkt te bevinden. De in een lichte, vaak ironische toon beschreven gebeurtenissen spelen zich af in een denkbeeldige stad rond een verleidelijke, maar helaas onbereikbare vrouw, die er bovendien nog een geheime minnaar op na lijkt te houden. Alles bij elkaar een vrij ontmoedigend uitgangspunt, terwijl de situatie er in het verloop van het verhaal niet beter op wordt doordat - niet alleen letterlijk - allerlei zijwegen ingeslagen worden.

De stijl waarin Wandeling door Walein geschreven werd, doet overigens sterk denken aan die van Klants succesroman De geboorte van Jan Klaassen, maar daarin is de plot scherper omlijnd en bovendien zijn sommige scènes met meer absurde details getekend, waardoor het boek als geheel overtuigender aandoet dan Wandeling door Walein.

Daarnaast werkten aan deze jaargang vierentwintig essayisten mee, onder wie vier buitenlanders, terwijl ook een kort essay van een al gestorven auteur, Paul van Ostaijen, opgenomen werd.

De meest spraakmakende bijdrage was zonder twijfel het polemische stuk ‘Atelierrevolutie’, waarin Fokke Sierksma zich tegen de experimentele kunstenaars keerde. Hij verweet hen niet alleen dat ze in onbeholpen taal hun door het marxisme geïnspireerde opvattingen verkondigden, maar ook - en vooral - dat hun verzen ‘lelijk’ waren. Volgens hem zou de kloof tussen kunstenaar en publiek daardoor alleen maar groter worden. Tenslotte wierp hij hun ook nog voor de voeten dat ze klakkeloos buitenlandse revoluties van twintig, dertig jaar geleden naäapten.

Een andere belangrijke essayist in Podium was J.B. Charles, die in zijn reeks beschouwingen ‘Volg het spoor terug’ de bronnen van fascisme en nationaal-socialisme probeerde op te sporen. Voor hem waren de excessen uit de Tweede Wereldoorlog geen verschijnselen op zichzelf, maar hij legde dwarsverbindingen aan met de historie van het voor- en ook naoorlogse Nederland. Daarbij ging hij vooral uit van zijn persoonlijke ervaringen, waardoor zijn proza een heel directe, eigen toon kreeg.

Een opvallende publicatie in deze jaargang was het Israël-nummer, waarin niet geaarzeld werd actuele vormen van latent of minder latent antisemitisme scherp te analyseren. Vooral het betoog ‘De vervolgde en de niet-vervolgde’ van Abel J. Herzberg is in dat opzicht interessant.

[p. 284]

In totaal hebben aan deze jaargang van Podium zesenzeventig schrijvers en negen tekenaars, onder wie Marc Chagall en Melle, meegewerkt. Hieruit blijkt wel dat de kring die de redactie van Podium om zich heen verzameld had, heel ruim was. Tegen deze achtergrond is het extra opvallend dat het aantal abonnees zo beperkt bleef.

Zoals dat bij een strijdbaar blad als Podium voor de hand ligt, nam de redactie een groot deel van de inhoud voor haar rekening: liefst tweehonderddrieënnegentig bladzijden ofwel achtendertig procent. Daarbij lag ook nu weer - evenals in de afgelopen jaren - Fokke Sierksma op kop met bijna vijftien procent, waarbij ik wel wil aantekenen dat een belangrijk gedeelte daarvan werd ingenomen door zijn essay in het Israël-nummer. Het aandeel van Paul Rodenko was intussen fors kleiner geworden dan in de vorige jaargang: slechts iets meer dan drie procent van de inhoud werd door hem gevuld.

Het is tenslotte interessant te kijken welke positie Podium in deze fase van haar bestaan in de literaire ontwikkelingen innam. Daarbij is duidelijk dat een belangrijk redacteur als Sierksma zich sterk keerde tegen de poëtische vernieuwing zoals die heel geleidelijk gestalte kreeg in de experimentele groep. Tegelijkertijd werden er in Podium verzen gepubliceerd van Hans Andreus, Sybren Polet en Simon Vinkenoog: dichters die zeker niet schreven in de lijn van de literaire tradities uit de jaren dertig en veertig. Als hun dichterlijke zaakwaarnemer in de redactie trad Paul Rodenko op en in iets minder mate Gerrit Borgers, die onder de invloed van Paul van Ostaijen aan het schuiven gegaan was. Al met al was de strijd tussen deze beide tendensen, die al minstens een jaar eerder begonnen was, nog altijd niet beslist.

Intussen werd tegen het slot van deze jaargang de tentoonstelling van experimentele kunstenaars in het Amsterdamse Stedelijk gehouden, wat met een rumoerige dichtersavond en veel discussies in de dagen en maanden daarna gepaard ging. Een half jaar later - halverwege de volgende jaargang - kwamen ineens Blurb en Braak opduiken. Welke effecten de strijd om een nieuwe poëzie op Podium had, zullen we in het volgende hoofdstuk zien.