Anders dan een jaar eerder, toen er grootse plannen voor Podium gesmeed werden, leek de jaargang 1950 onder een ongunstig gesternte van start te gaan. Hoewel de uitgever kort daarvoor nog trots meegedeeld had dat ‘het aantal abonné's steeds gestegen’1 was, bleek bij nauwkeurige telling dat het aan het begin van het jaar van ruim zevenhonderdvijftig tot onder de zevenhonderd was gedaald. Daarmee was de winst die met de reclamecampagne geboekt was, voor een groot deel weer verloren gegaan. Bovendien waren er maar zo'n zeshonderd betálende abonnees: de rest werd onder redacteuren, relaties en via ruilabonnementen met andere bladen gratis verspreid.2 Alles bij elkaar: een tot weinig vrolijkheid stemmend perspectief.
Gerrit Borgers was dan ook gretig op zoek naar nieuwe bronnen van inkomsten. Zo knoopte hij aan bij een plan voor subsidiëring van literaire tijdschriften dat Adriaan Morriën al ruim een jaar eerder geopperd had en met de toenmalige secretaris van de Voorlopige Raad voor de Kunst besproken. Samen met Henri Methorst legde Borgers dit plan voor aan dr. Vroom, een hoge ambtenaar bij het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen.
Op 28 januari 1950 schreef Borgers hierover aan de redacties en uitgevers van enkele andere literaire bladen: ‘Tijdens een bespreking die wij, redactie en uitgever van Podium, met Dr Vroom van o.k. & w. te Den Haag hadden, vernamen wij dat er een redelijke kans op subsidiëring van literaire tijdschriften van regeringswege bestaat, indien hiertoe een verzoek door alle redacties en uitgevers van Nederlandse literaire tijdschriften gezamenlijk wordt ingediend en dit zo spoedig mogelijk gebeurt.
In verband hiermee stellen wij ons voor op Donderdagavond 9 Febr. a.s. een vergadering te beleggen van vertegenwoordigers der redacties en uitgevers van de gids, libertinage, de nieuwe stem, ontmoeting en podium, teneinde een voorstel aan o.k. & w. over de wijze waarop gesubsidieerd zou kunnen worden [...] te bespreken en het verzoekschrift op te stellen en te ondertekenen.’ Daarbij valt op dat Borgers kennelijk geen brief aan de redactie van het rooms-katholieke tijdschrift Roeping stuurde.
Hij schreef verder: ‘Wij verwachten dan ook gaarne op 9 Febr. om 7.30 uur in Café Scheltema aan de Nieuwe Zijdsvoorburgwal (naast het gebouw van het Handelsblad) te Amsterdam, twee vertegenwoordigers die namens de redactie en uitgever van Uw blad in dezen kunnen optreden, of - indien U hieraan de voorkeur geeft - éen persoon die hiertoe zowel door de redactie als de uitgever is aangewezen.’3
De vergadering vond inderdaad plaats, waarna Borgers op 21 februari namens alle betrokken tijdschriften een verzoek tot subsidie indiende. Op 8 maart schreef hij in ‘Podium-nieuws’ over de toekenning ervan: ‘Volgens inside-informations zou er een goede kans bestaan dat dit lukt. Overigens ook wel een noodzaak, want het begint er voor De Driehoek financieel steeds benauwder uit te zien (ze zouden het verlies dit jaar niet hoger willen zien dan f. 6000.-).’4
Een ander middel om het aantal abonnees te vergroten, leek het organiseren van Podium-avonden, waarvoor Borgers de uitdrukking ‘gesproken Podium-nummers’ bedacht had. Hij had al een jaar eerder met dat plan gespeeld - daarbij had hij de journalistieke cabaretgroep ‘De Inktvis’ willen inschakelen, die overigens niet voor ‘reclamedoeleinden’ te porren bleek - maar bij het begin van de nieuwe jaargang besloot hij dat plan wat meer vorm te geven. Als eerste locatie ervoor dacht hij aan het Amsterdams Stedelijk Museum: de kort daarvoor gehouden poëzie-avond van de experimentelen, waarvan nog het meest typerend was dat er geen poëzie te horen was geweest, zal hem op dat idee gebracht hebben.
Een van de auteurs die hij alvast uitnodigde, was Simon Vestdijk, die natuurlijk garant zou staan voor veel publiek. Borgers vroeg hem speciaal een aantal kwatrijnen voor te lezen die hij het afgelopen jaar met Roland Holst gewisseld had. Op 5 januari schreef Vestdijk hem terug: ‘Aan de Podium-avonden wil ik in beginsel graag meedoen, als het niet te veel tijd kost (dus liever niet in Antwerpen). De eerste maanden ben ik echter te veel bezet, of liever gepreoccupeerd, niet door literair werk zoozeer als door woningmoeilijkheden; er staan mij n.l. twee processen te wachten, waarbij ik de actieve, resp. de passieve partij ben, en het is niet uitgesloten, dat ik in het voorjaar ga verhuizen, of moet verhuizen. Dit alles maakt van mij meer een jurist dan een literator, zelfs een alleen maar voorlezende. Wat de kwatrijnen betreft, geloof ik, dat een en ander tijdens het voorlezen te veel op mijn lachspieren zou werken, bij mijn tóch al onvoldoende dictie, maar een novelle, of romanfragment later zal altijd wel te presteeren zijn.’
En verder - over de uitgave van de kwatrijnen in de ‘Podium-reeks’ -: ‘De volgorde kunnen Holst en ik pas bepalen, als de heele zaak gezet is, of althans in proef disponibel (desnoods gescheurd uit Podium); wij geven dan een volgorde van titels op. De titel zou, meen ik, die van Holst zijn: Swordplay - Wordplay. Ik had daarin toegestemd, en kan daar niet meer op terugkomen. Adr. en Sim. kwatrijnen vind ik aardiger, maar wel erg lang. Deze titel als óndertitel vond Methorst ongeschikt. Voor het overige zou met Holst onderhandeld moeten worden; maar denk er vooral om, dat ik mijn toestemming tot zijn titel gegeven heb, en dat eventueele voorstellen tot wijziging niet van mij uitgaan; anders ziet hij mij voor een weerhaan aan (waarover hij eventueel nog een posthuum kwatrijn zou kunnen maken!).’5
Hierna probeerde Borgers Vestdijk opnieuw over te halen op de Podium-avond kwatrijnen voor te lezen - een gezamenlijk optreden met Roland Holst leek een gegarandeerd succesnummer -, maar deze had daar nog steeds geen enkele zin in. Op 17 januari6 antwoordde hij: ‘Ik vind het allemachtig vervelend als spelbreker oftewel emmerdeur te moeten optreden, maar ik moet helaas bij mijn weigering blijven wat de kwatrijnen betreft. Openbaar optreden is altijd een zwak punt bij mij; op het moment zelf “maak ik mij er niets uit”; maar ik pleeg er weken van te voren mee rond te loopen, en dit kan ik juist nu, met al die huisnarigheden, moeilijk hebben. Vraag Holst of hij niet “uit eigen werk” wil voorlezen, dat is, dunkt mij, een attractie, die volgens a en b even goed de overwinning kan doen behalen.’7
Bijna twee maanden later bleek dat er van alle mooie plannen nog vrijwel niets terechtgekomen was. Op 8 maart noteerde Borgers in ‘Podium-nieuws’: ‘Voor de Podium-avonden in Amsterdam en Den Haag en eventuele andere plaatsen is een programma gereed - maar wie kan zorgen voor de organisatie, zoals het huren van een zaal en het bezoeken van boekhandelaren om hun medewerking bij het verspreiden van de uitnodigingen te krijgen?’8
Intussen waren er na de redactievergadering van begin december enkele spelregels afgesproken voor de redactionele samenwerking tussen Noord en Zuid. Op 29 december 1949 had Borgers hierover in een ‘nieuwe serie (beneluxe uitgave) nr 1’ van ‘Podium-nieuws’ geschreven: ‘Vlaamse kopij zal opgestuurd worden naar Hugo Walschap. Indien Burssens en Walschap tegen zijn wordt het geretourneerd, zo niet dan naar mij doorgestuurd ter verdere beoordeling door de noordelingen. Nederl. kopij blijf ik incasseren - zijn de noordelijke redacteuren unaniem voor of tegen dan wordt het niet doorgezonden, anders wel.’9 De noordelijke redacteuren zouden dus uiteindelijk
het laatste woord houden, ook over de Vlaamse bijdragen, de Vlamingen kregen dat niet over de kopij uit het Noorden!
Enkele dagen later, op 2 januari, vertrok Borgers naar Antwerpen om daar bij Gaston Burssens en diens vrouw Blanche te gaan logeren. In die periode kwam daar ook Louis Paul Boon langs die door Borgers uitgenodigd werd om geregeld aan Podium mee te werken. Met alle sympathie voor Borgers en diens blad zal hij bij deze uitnodiging ook wel gemengde gevoelens gehad hebben: een honorarium voor het romanfragment ‘Kleine dagmuziek’, dat hij in de zomer van 1947 in Podium gepubliceerd had, was hem immers nooit uitbetaald... Toch zou hij Podium opnieuw een romanfragment, ‘De averechtse verkenning’, sturen. Die bijdrage werd door Gaston Burssens, Hugo Walschap en Borgers enthousiast geaccepteerd. Het was de bedoeling dat ze al in het februari-nummer geplaatst zou worden.
In dezelfde periode deed zich aan het Vlaamse front een nieuwe ontwikkeling voor: een eerste, uiterst schuchtere toenaderingspoging van het avantgarde tijdschrift Tijd en Mens in de richting van Podium. Op 10 januari schreef de dichter Remy C. van de Kerckhove, redactiesecretaris van dat blad, aan Borgers: ‘Jan Walravens, Hugo Claus, Marcel Wauters, beheerleden van Tijd en Mens, gaven me de opdracht me met U in verbinding te stellen om een uitwisseling van onze tijdschriften voor te stellen. Met dezelfde post zend ik U de eerste twee afleveringen van Tijd en Mens. Langs de andere kant zou een uitwisseling van “Reclame” zeer nuttig zijn. Wij drukken b.v. op de kaft van Tijd en Mens reclame af voor Podium en vice versa.’10
Een handreiking was dit, nog niet veel meer. En wellicht zelfs met enige tegenzin door Van de Kerckhove - in latere jaren een geharnast tegenstander van elke samenwerking met de Noorderlingen - gedaan. Maar toch: een eerste contact was gelegd.11
Intussen bestond er nog altijd het plan een Podium-avond in Antwerpen te beleggen, maar ook dat kwam niet van de grond. Eerst zou die avond, waaraan zelfs de zelden of nooit in het publiek optredende Gerrit Achterberg mee zou doen,12 op 21 januari plaatsvinden, maar uitgever Bert Pelckmans gelastte die bijeenkomst af, omdat hij te laat te horen kreeg wie er op zouden treden. Ook een geplande bijeenkomst op 4 februari ging ondanks een dringend telegram van Borgers niet door. Met dit alles werden de onderlinge verhoudingen er niet beter op.
Daartoe droeg ook niet bij dat Methorst niet kwam opdagen op een aan het Belgische boek gewijde tentoonstelling in Amsterdam, waar Pelckmans enkele dagen - in de verwachting hem daar te zullen ontmoeten - rondliep. Door misverstanden tussen Borgers en Methorst bleek de laatste er zich niet van bewust te zijn dat Pelckmans zich in Amsterdam bevond.
Dat Gaston Burssens over dit ‘spel der vergissingen’ nogal geïrriteerd was, bleek uit een brief die hij op 17 februari aan Borgers stuurde: ‘Mijn eerste brief op redactiepapier is dan voor jou, om je te zeggen dat ik niets begrijp van het geheimzinnig manoeuvre rondom Podium en de Podium-avond. Eerst dit telegraphisch ultimatum als je toch wist dat het materieel onmogelijk was de avond op 4 Feb. te doen doorgaan; en dan de afspraak van Methorst met Pelckmans òf in Antwerpen, òf zeker en vast op de opening in A'dam van de tentoonstelling van het Belg. boek, waar Methorst niet is verschenen!’
Over de activiteiten die intussen van Vlaamse zijde ontplooid waren, schreef hij verder: ‘Wij hebben 700 prospecti verstuurd totnogtoe en volgende week gaan er nog een 1000 tal weg. Het wachten is nu op abonnementen...’13
Borgers reageerde hierop met het sturen van een brief aan Pelckmans om het gerezen misverstand op te helderen. Hij stelde nu voor de Podium-avond op zaterdag 15 april te houden. Ook Burssens kreeg een brief met uitleg.
Op 14 maart schreef deze hem terug, waarbij hij zijn onbehagen nu wat meer richting Pelckmans stuurde: ‘Het hele geval Pelckmans is vrij ingewikkeld, ikzelf kan nooit een duidelijk antwoord op mijn vragen aan hem los maken. Hij laat gewoon alles afgaan op zijn secretaris en die schijnt mij niet van de vlugste te wezen. Voor zoveel ik heb gehoord zijn alle prospecti nog niet eens verzonden en weet ik nu nog bepaald niet hoeveel abonnementen er zijn binnengekomen.’14
Hoewel zijn briefpapier met het strijdbare logo - een opgeheven zwaard en de tekst ‘Amore Patriae’, waarbij de initialen naar zijn naam A(lbertus) Pelckmans verwezen - weinig goeds beloofde, schreef deze op 16 maart aan Borgers een verzoenende brief: ‘Dank voor uw vriendelijk briefje. Inderdaad, er blijken heel wat misverstanden in het spel te zijn geweest. [...] Van Donderdag-middag tot Zaterdag-avond was ik in uwe hoofdstad en kwam 2x per dag op de tentoonstelling!
Alla, een rotvent bent ge niet; hoogstens 'n bohémien, maar dat mag ik wel.
Wat nu den Podium-avond van 15 April betreft: hiervoor voel ik niets. Die circulaires zijn nu voor 80/100 verzonden en het resultaat is zeer, zeer pover. Bovendien is 15 April wel wat laat. Dan maar liever uitstellen tot het komende winter-seizoen.’15
Nu de kans om het aantal abonnees snel te vergroten verkeken was, besloot Henri Methorst het in een andere richting te zoeken om aan zijn financiële problemen het hoofd te bieden: een verlaging van het honorarium voor de
medewerkers en wel met terugwerkende kracht (er was dat jaar toch nog niet betaald!). Op 6 maart schreef hij hierover aan de redactie: ‘Ik overweeg toch ernstig of het niet mogelijk is per 1 Januari het honorarium van f. 5.- op f. 4.- te brengen en de daardoor schade lijdende auteurs, die op hun f. 5.- zitten te wachten, dit in een heel beleefd briefje uit te leggen. Het kan tenslotte ook zijn, dat de subsidie niet doorgaat of ¾ jaar op zich laat wachten en dan zitten wij dit hele jaar weer vast aan f. 5.- per blz. en een vrij groot aantal redacteuren, die maandelijks honorarium krijgen! Het kan er werkelijk allemaal niet af.’16
De redactie stelde hierop voor het maandelijks honorarium per redacteur van f 35.- naar f 25.- terug te brengen, terwijl de redacteur buitenlandse literatuur (Rodenko) voortaan f 40.-in plaats van f 50.- ontvangen zou. Bovendien opperde ze het idee dat de beide Vlaamse redacteuren, die nu eenmaal veel minder te doen hadden, door Pelckmans betaald zouden worden of anders van honorarium af zouden zien.
Burssens, die wel wist dat Pelckmans niet stond te springen om mee te betalen, berichtte op 14 maart aan Borgers: ‘Met het laten vallen van het redacteurs-honorarium ga ik natuurlijk accoord. En ik vermoed ook Walschap wel, maar die heb ik nog niet gezien, is thans bij 't leger.’ Walschap, die voor militaire dienst opgeroepen was, had een functie bij de Belgische geheime dienst gekregen.
Burssens schreef verder: ‘Ik heb zojuist met de Nederl. Boekh. getelefoneerd. Ze schieten er niet op. Ze hebben totnogtoe 1, zegge en schrijve éen abonnement!!’17
Intussen klonk Methorst de verlaging van het redactie-honorarium als muziek in de oren. Op 23 maart schreef hij Wim Nagel: ‘Hartelijk dank voor je uitvoerige brief. Je bent dus nog wel actief voor podium al doe je niet het draaf- en telefoneerwerk. Van Gerrit hoorde ik nog niets, maar ik ben natuurlijk zeer verheugd met jullie voorstel en afspraak inzake het honorariumtarief. De oplossing lijkt me uitstekend.’
Hij bleek intussen een eigen visie op het niet doorgaan van de ontmoeting met Pelckmans te hebben ontwikkeld: ‘Dat de Heer Pelkmans [Pelckmans] de twee Vlamingen zou honoreren, had ik ook aan hem willen voorstellen. Ik heb echter na mijn vriendelijke brief en de zending van 300 Januari-nummers voor de podium-avond in België niets van hem gehoord. Wel is hij hier in Holland geweest na ik achteraf merkte, maar hij nam niet de moeite om op te bellen. Jullie spreken met de twee Vlamingen wel honorarium af. Ik kan dus moeilijk eenzijdog [eenzijdig] daarmede ophouden. Gerrit was van plan Burssens voor te stellen het te laten vervallen.’
En verder: ‘Tenslotte nogmaals wat de commerciële zijde van podium betreft. Er zijn altijd nog verrassend weinig abonné's.’18
Intussen was eindelijk het eerste nummer van de zesde jaargang van Podium verschenen met een omvang van vierenzestig pagina's. Op het omslag stond in een abrikooskleurige rechthoek de naam van het blad in groot cursief afgedrukt. Daaronder waren een keuze uit de inhoud en de naam van de uitgever vermeld. Verder werd aan de binnenzijde van het omslag meegedeeld wie de zeven redacteuren waren.
Hierna opende het eerste nummer met twee gedichten van de nieuwe redacteur Gaston Burssens. Een daarvan is het vers ‘Dit is mijn testament’, waaruit een felle vitaliteit en intense tederheid spreken. Ook een vriend, met wie Paul van Ostaijen bedoeld zal zijn, wordt genoemd:
Een andere Zuidnederlandse dichter die aan deze aflevering meewerkte, was Johan Daisne, van wie het sonnet ‘IJsvogel’ gepubliceerd werd. Daarin wordt het plotseling zwijgen van dit sierlijke diertje als symbool voor menselijke gevoelens gezien:
Ten slotte was in een rubriek onder de titel ‘Losse planken van het Podium’ een foto afgedrukt, door Oey Tjeng Sit in Parijs gemaakt. Daarop omhelst W.F. Hermans, met een sigaret tussen de vingers, met teder gebaar een standbeeld, dat een meisje in een verleidelijke pose voorstelt. Het bijschrift luidt: ‘Zou Anton van Duinkerken dus toch gelijk hebben?’21
Verder werd van de nieuwe redacteur Hugo Walschap het essay ‘Een sprong uit de literatuur’ gepubliceerd, dat gewijd was aan de onstuimige verhouding tussen Paul Verlaine en Arthur Rimbaud en aan de drastische manier waarop de laatste kort daarop zijn dichterschap eraan gegeven had. Dat
thema zou achteraf een staaltje van self-fulfilling prophecy lijken, want ook Walschap zou hierna niet meer in Podium publiceren.
Ongeveer in dezelfde tijd waarin het eerste nummer verscheen, kwamen bij De Driehoek de eerste vier deeltjes van de ‘Podium-reeks’ uit: de dichtbundel Zendstation van J.B. Charles, de novelle De houten Christus van Til Brugman, een drietal verhalen onder de titel Buitengaats van Sjoerd Leiker en de novellenbundel De Fantasia en andere verhalen van S. Vestdijk.
Intussen had Fokke Sierksma half januari besloten uit de redactie te stappen. Hij wilde zoveel mogelijk tijd vrijmaken voor het schrijven van zijn dissertatie en bovendien worstelde hij geregeld met depressies, waardoor hij al vaker het tijdschrift en zelfs de hele literatuur vaarwel had willen zeggen. In dezelfde tijd speelde ook Wim Nagel met de gedachte het redacteurschap op te geven: daarbij zal het aanstaande vertrek van vriend Sierksma van belang geweest zijn. Overigens wisten de andere redacteuren hem ten slotte toch weer om te praten.
Borgers, die heel goed begreep dat het met Sierksma's vertrek voor Willem Frederik Hermans een stuk aantrekkelijker zou worden tot de redactie van Podium toe te treden - beide schrijvers hadden enkele jaren terug nog als kemphanen tegenover elkaar gestaan -, spoorde hierna Paul Rodenko aan Hermans voor een plaats in de redactie uit te nodigen.
Waarschijnlijk op 22 januari schreef Rodenko hem op een ongedateerde briefkaart terug: ‘Hermans heb ik geschreven, spreek hem wsch. volgende week.’22
Ruim een week later, eind januari, drong Rodenko er opnieuw bij Hermans op aan om ja te zeggen. De laatste zou hierover in Mandarijnen op zwavelzuur meedelen: ‘31 januari 1950 schreef Paul Rodenko mij een expressbrief waarin hij mij vroeg in de redactie van Podium te komen. Sierksma was er uit gegaan en later verzekerde Paul mij mondeling dat ook J.B. Charles (Mr. Dr. W.H. Nagel) verdwijnen zou. Goed, dan was het dus een ander Podium dan het terbrakerige en christelijk essayerende waar ik bezwaar tegen had gemaakt. Ik accepteerde.’23
Kort daarna bleek dat Charles toch redacteur - maar dan op halve kracht - blijven zou. Op 8 maart schreef Borgers in ‘Podium-nieuws’: ‘Fokke Sierksma nam, omdat hij toch geen kans zag nog wat voor Podium te doen in het komend jaar, ongeveer half Januari het besluit om uit de redactie te treden. Ook Willem Nagel overwoog uit te treden doordat hij niet voldoende tijd had [...], maar trok dit op de daarop volgende vergadering weer in toen we
afspraken dat hij voortaan als redacteur alleen nog zou zorgen voor kopij en het lezen van de ingekomen kopij. In de plaats van Fokke was Wim Hermans bereid in de redactie te komen (mede op voorstel van Fokke hiertoe uitgenodigd), met ingang van 1 Februari.’ De uitdrukkelijke vermelding van het ‘voorstel van Fokke’ was ongetwijfeld bedoeld om de relatie tussen Hermans en Sierksma te verbeteren.
Borgers schreef verder: ‘Behalve een kort communique dat ik aan de kranten hierover gestuurd heb en dat in verschillende bladen is opgenomen, plaatsen we dit bericht in het over enkele weken verschijnend Maart-nummer (verzoeke eventueel commentaar snel aan mij op te sturen, zodat het desnoods nog wat gewijzigd kan bij de revisie): “Wegens gezondheidsredenen en ter voorbereiding van een proefschrift zag Fokke Sierksma zich genoodzaakt uit de redactie van Podium te treden, waarin hij sedert de oprichting zitting had. Al betreuren wij zijn heengaan als redacteur zeer, een afscheidswoord zou hier volkomen misplaatst zijn, daar hij uitdrukkelijk het voornemen te kennen heeft gegeven als vast medewerker aan Podium verbonden te blijven. Zijn plaats in de redactie is met ingang van dit nummer ingenomen door W.F. Hermans.”’24 Sierksma was overigens pas ruim een half jaar na de oprichting van het blad redacteur geworden.
Intussen bleek het romanfragment ‘De averechtse verkenning’ dat Louis Paul Boon enkele weken eerder aan Podium aangeboden had, bij drukkerij Mouton niet in goede aarde te vallen. Borgers zou later hierover schrijven - met een fraaie Freudiaanse verschrijving: ‘erkenning’ in plaats van ‘verkenning’! -: ‘Nadat de kopij was ingezonden, ontving de redactie bericht van drukkerij Mouton, dat hun zetter het met zijn calvinistische levensovertuiging niet in overeenstemming kon brengen een dergelijke tekst als De averechtse erkenning, vol obscene woorden en uitdrukkingen, voor de druk gereed te maken en zich dus gedwongen zag zijn veto over de redactionele dwaling uit te spreken.’25
Vooral tegen het begin ervan onder de titel ‘de hoge wereld’ bleken de ‘preutse zetmachines’26 van de drukker bezwaren te hebben. Enkele jaren later zou dit fragment overigens opgenomen worden in Boons roman De Kapellekensbaan27 (1953).
De tekst van de meest omstreden passage in het bewuste fragment - het origineel heb ik niet terug kunnen vinden - heb ik gereconstrueerd door het latere gecensureerde stuk aan te vullen met wat in De Kapellekensbaan wél gepubliceerd mocht worden.
In die tekst wordt verteld over de zestienjarige Mariake die zich in de wereld van de haute couture ophoudt en daar gevarieerde ervaringen opdoet: ‘En dan was het er een komen en gaan van oude afgeleefde heren met kinderen van 14... en zou ik zeggen, met kinderen van 13 jaar...? met borstjes die precies nog jonge pruimen waren, en een ding waar het eerste jonge dons zich begon af te tekenen, en die er in het bijzijn van die heren paddernaakt een sigaret stonden te smoren terwijl men hen een hemdje paste... peins, een hemdje dat 40.000 fr. ging kosten en dat door mariake die 16 jaar was moest aangepast worden...’28
Op 28 februari noteerde Burssens over het hele fragment in zijn dagboek: ‘Boon heeft enkele weken geleden een prachtig stuk proza aan Podium ingezonden, dat door de redactie met geestdrift werd ontvangen. Het stuk werd gezet, en de proeven werden gecorrigeerd naar de zetterij teruggestuurd. En plots nu komt het bericht dat de drukker, een zekere Mouton, het “onzedige stuk” weigert af te drukken. Borgers vraagt aan de redactieleden: Wat nu? Het stuk niet plaatsen of van drukker veranderen?’
En verder - met een toespeling op de betekenis van het Franse ‘mouton’-: ‘Ik schrijf hem: natuurlijk het laatste! Waar moet het heen als een drukker het recht opeist de redactie te censureren! Zo'n “schaap” kan die Mouton niet zijn dat wij het met zijn blèren moeten stellen. In elk geval, op de eerstkomende redactievergadering zal ik in deze kwestie voor Boon mijn redacteurschap in de weegschaal gooien.’29
Op 8 maart schreef Borgers in ‘Podium-nieuws’ over de problemen die ontstaan waren - met een verwijzing naar het toneelstuk ‘Oidipoes en zijn moeder’, dat de acteur Max Croiset aan Podium aangeboden had-: ‘De destijds door Burssens, Walschap en mij aanvaarde “Averechtse Verkenning” van Boon zou in het Febr.-nummer geplaatst worden. De proeven waren door hem al gecorrigeerd toen er bij de revisie bericht kwam dat de drukker (Mouton) dit onzedelijk stuk weigerde af te drukken. Om het nummer te redden heb ik toen het eerste bedrijf van Oi, die poes gestuurd en verzocht dit zetsel te laten staan tot de redactie zich nader op zijn houding beraden had. Inmiddels is deze bijdrage naar de Noordelijke redacteuren ter beoordeling toegezonden en verwacht ik dus - voor zover ik dit nog niet heb - graag zo gauw mogelijk een antwoord: of het stuk plaatsen en dus het conflict met Mouton aanvaarden en een nieuwe drukker zoeken (technisch vrij moeilijk; aan de andere kant: moet Mouton achtste redactielid worden?) of het stuk niet plaatsen. Het lijkt me dat de kwaliteit van het stuk de doorslag moet geven.’30
Paul Rodenko reageerde hierop in een ongedateerde brief aan Borgers: ‘Boon is niet onaardig, maar de inhoud wordt wel wat overwoekerd door de “trucquage” (schrijf je dat eigenlijk zo?). Zou er met de drukker geen principiële kwestie van maken. Eventueel als compensatie opnemen (+ een ander verhaal) in Podium-reeks.’ Borgers schreef hierbij met potlood: ‘dit laatste gaat niet: het is een fragment uit een roman die (misschien?) bij de Arbeiderspers gaat verschijnen.’
Aan de achterkant van hetzelfde briefpapier schreef Nagel: ‘vind de Averechtse verkenning wel sterk genoeg om dit niet te laten zitten. Stel voor dat wij van Mouton verlangen dat hij precies aanduidt welke stukjes hij niet wil drukken. Dan maken wij het hem niet makkelijk. Als hij met vrij veel aankomt (nooit genoegen er mee nemen, dat hij vaag blijft, of “'t hele stuk” afkeurt) een andere drukker zoeken, en hièr alle publiciteit uit stampen die er inzit. Misschien is nog beter: op de punten die Mouton aan te wijzen heeft arbitrage aan te gaan. Alles goed gepubliceerd, spanning verwelcken voor de uitslag enz., om er een 100 nieuwe abonnees uit te halen. Overigens: Boon verdient niet dat wij hem zachtjes laten zakken.’31
Van zijn kant schreef Burssens op 14 maart aan Borgers: ‘Ja, met die kopij van Boon! Voor mijn part moet er van drukker veranderd worden! Waar houdt anders dit veto van Mouton op? Straks gaat hij protesteren tegen het redacteurschap van Hermans! Het zou al te stom zijn de bijdrage van Boon niet te publiceren, we hebben hier in 't Z. al zo weinig “schrijvers”.’32
De volgende dag gaf Vestdijk in een brief aan Borgers wat achtergrondinformatie: ‘De censuur, uitgeoefend door Mouton, is een natuurlijk gevolg van de situatie. Ik meen je vroeger al geschreven te hebben, dat Methorst financieel volkomen aan Mouton vastzit. Onze uitgever is eigenlijk Mouton. Voor zover jullie dit niet allang wisten, blijft het wel onder ons; mijn zegsman acht ik volkomen betrouwbaar.’
En verder: ‘Een andere drukker zoeken lijkt mij onmogelijk, door de Siameesche verhoudingen tusschen Mouton en Methorst (de vergelijking gaat mank, maar soit). De beste tactiek lijkt mij: de zaak van het “geweigerde” stuk gewoon laten rusten, zonder eenige toezegging te doen dat het door ons wordt teruggenomen, en achter de rug van M. en M. toch nog naar een andere uitgever uitkijken, daarbij informeerende naar diens financiële [financiële] capaciteiten. Vindt jullie er een, dan kunnen we M. en M. een ultimatum stellen. Het is in zekere zin jammer, dat Methorst zoo'n fatsoenlijke en goedwillende man is. Bij Mouton zijn het natuurlijk doodgewone zakenploerten. Overigens, als jullie de zaak forceeren wilt, door nú al op je achterste beenen te gaan staan, dan heb ik daar alleen maar sympathie voor, maar dan riskeer
je de ondergang van Podium. Volstrekt geheime onderhandelingen! Denk er eens over na. Als lokaas: Podium veel abonnés, groeiende belangstelling, - maar censuur van een rabiat [rabiaat] geworden drukker, etc. etc.’33
Henri Methorst deelde in 1986 over de relatie tussen De Driehoek en Mouton mee: ‘Uit Vestdijks opmerkingen blijkt dat hij die verkeerd ingeschat heeft. Een van Moutons directeuren, de jonge Frits Eekhoud, had Amerikaanse ideeën over de verspreiding van boeken: hij wilde heel Nederland met pocketboekjes dichtplakken. Doordat Mouton geen uitgeefvergunning had en wij wel, werkten we samen. Mouton gaf ons geen geld, maar hij drukte de boeken. Wij van onze kant wilden onze zelfstandigheid niet kwijt.’34
De opmerkelijkste reactie op de kwestie rond ‘De averechtse verkenning’ kwam intussen van Boon zelf. In een ongedateerde brief schreef hij Borgers: ‘Ik begrijp de lastige positie waarin ge u bevindt en verlang absoluut niet dat ge bij uw drukker een tegen-veto stellen zoudt. Soms doen we meer kwad met niet te willen capituleren.
Tenslotte sta ik zelf op het volgende standpunt: mij volkomen uit te schrijven, en achteraf aan die producten wat te verdienen. Ik stuur dan ook die dingen naar onze voorposten, omdat ze daar alleen kans hebben gepubliceerd te worden. Heeft men ook dáár bezwaar, dan moet er maar wat gesnoeid worden. Het is een schande, ik weet het. Maar ook een “paria” moet leven. Vraag dus aan uw perfide drukker bij welke passage, zinsnede of woord zijn phallus zich verontwaardigd heeft opgericht, en snoei dat dan (niet zijn opgerichte ding, helaas, maar mijn proza). Tenslotte verhonger ik, en een geplaatste bijdrage is mij voor het ogenblik meer waard dan de overwinning op een dominee.
hartelijk, uw Boon’
Borgers zette daar met potlood onder: ‘Mouton: wijs precies plaatsen aan - daarna weer praten.’35
Enkele dagen later, op zondag 26 maart, kwam de kwestie tijdens een redactievergadering in Den Haag ter sprake. Burssens noteerde hierover in zijn dagboek: ‘Er is daar voor het eerst gebleken dat niet de uitgever Methorst, maar de drukker, Mouton, het hele zaakje financiert, zodat we met het geval-Boon erg verlegen hadden gezeten als Boon zelf niet had geschreven dat hij, liever dan te verrekken van de honger, de gewraakte passages uit zijn stuk blanco zou willen laten. Dit voorstel zal aan de drukker overgemaakt worden [...].’36
Zo gezegd, zo gedaan. De dag na de vergadering, 27 maart, schreef Borgers aan de heer Gerfin van drukkerij Mouton: ‘Naar aanleiding van het bericht
dat wij destijds van de uitgeverij De Driehoek ontvingen dat er ter drukkerij bezwaar was gerezen de bijdrage van Louis-Paul Boon, “Averechtse Verkenning” in Podium af te drukken, en in aansluiting op mijn brief aan U met verzoek het zetsel te laten staan tot de redactie zich nader over deze kwestie beraden had, verzoek ik U hierbij namens de redactie aan de betrokkenen die bezwaar maakten te vragen welke woorden, zinsneden en zinnen precies hiertoe aanleiding gaven.
Daar de redactie door Uw optreden in een zeer lastig parket verzeild is geraakt (immers de kopij was reeds geaccepteerd door de redactie - daarna gezet door de drukker zonder enig protest - de auteur corrigeerde zelf de proeven en pas bij het afdrukken hoorden wij van Uw weigering!) meent zij er op te mogen rekenen dat U ons in dezen ter wille zult zijn en ons binnen zo kort mogelijke tijd een proef toezendt, waarop precies staat aangegeven (dus geen vage aanduidingen als “het hele stuk” of “deze hele passage”) wat voor U onacceptabel is, opdat wij dan in nader overleg met de schrijver kunnen treden, die zich reeds hiertoe bereid verklaarde.’37
Hierna duurde het nog verscheidene weken voordat de zaak geregeld was. In die tussentijd schreef Boon in grote geldnood - aan het eind van zijn ongedateerde brief riep hij uit: ‘Ik crepeer’ - en niet zonder sarcasme aan Borgers: ‘het is wel jammer dat mijn medewerking aan Podium zo op een sisser is gaan uitlopen. Is het nog niet mogelijk geweest uit mijn Averechtse verkenning hier en daar een paar kloten weg te snijden? Dat moet toch niet zo moeilijk zijn, hoop ik, hier en daar met uw pen een klein schrappie en klaar is hij.’38
Ten slotte kwam het antwoord van Mouton met een opsomming van de belastende passages. Borgers zou hierover later noteren: ‘Het bleek een wijs voorstel om eerst de censor zichzelf te laten censureren, want nadat de zetter verzocht was zelf maar de “talrijke obsceniteiten” die hij geconstateerd had aan te strepen, alvorens de redactie zijn beslissing zou nemen, kwam de kopij terug met in totaal slechts vier venijnige groene streepjes onder bepaalde woorden die nu haast zo gangbaar als lid- en voegwoorden zijn.’39
In juni kwam Boon, die intussen de met groene streepjes aangegeven woorden onder ogen gekregen had, in een ongedateerde brief aan Borgers nog even op de kwestie terug: ‘De groene lijntjes zijn geschrapt, maar wil er uw drukker van verwittigen dat er nog ergens een obscene passage is, die hij waarschijnlijk over het hoofd gezien [heeft], n.l.: hij kroop op haar zoals op een hond. Moest hij die achteraf ontdekken dan mag hij zijn groen potloodje gerust laten zitten: dat hij het maar doodleuk schrapt’40
Na alle opwinding zou eindelijk ‘De averechtse verkenning’ in het zevende nummer (juli!) geplaatst worden. De eerder geciteerde passage bleek daarbij vervangen te zijn door de volgende tekst: ‘En dan was het er een komen en
gaan van oude afgeleefde heren met kinderen van 14 jaar die er in het bijzijn van die heren paddernaakt een sigaret stonden te smoren, terwijl men hen een hemdje paste... peins, een hemdje dat 40.000 fr. ging kosten en dat door mariake die 16 jaar was moest aangepast worden...’41 In de herziene versie bleven dus de categorie der dertienjarigen en een nadere omschrijving van haar charmes achterwege.
De ‘creperende’ Boon kon intussen nog maandenlang verlangend naar zijn honorarium uitzien. Waarschijnlijk in september - de situatie met Podium was in die tussentijd danig verslechterd - schreef hij in een ongedateerde brief aan Borgers: ‘[...] alhoewel ik weet dat Podium slapeloze nachten beleeft, is [het] met mijn eigen persoontje nog een ietsje slechter gesteld: ik zink: redt mij, met er voor te zorgen dat dadelijk dadelijk het honorarium voor de Averechtse verkenning wordt uitbetaald. En herinner hen tevens, voor het te laat is, dat ook mijn vroegere bijdrage, nu enkele eeuwen geleden - Kleine dagmuziek, heette het, geloof ik - nog niet werd uitbetaald. Keer u nu niet van het water weg, gerrit, met te beweren dat ge niet zwemmen kunt. Doe hen mij die twee dingetjes uitbetalen. uw verdrinkende Boon.’
Borgers stuurde deze noodkreet door naar De Driehoek, waarna een van de medewerkers van die uitgeverij hem weer onverrichter zake terugzond. Wel was er met potlood bijgeschreven: ‘Henri hoopt in Oct ± 3000 voor Podium te kunnen reserveren, hopelijk is hij daar ook bij’.42
Zoals we gezien hebben, hadden de problemen rond ‘De averechtse verkenning’ ertoe geleid dat er ineens een open plek in de kopij voor het tweede nummer ontstaan was, die met het eerste bedrijf van het toneelstuk ‘Oidipoes en zijn moeder’ van M. Croiset opgevuld werd. Verder bevatte deze aflevering drie gedichten van Gerrit Achterberg, een nieuwe aflevering van Charles' ‘Volg het spoor terug’ en nog een allerlaatste oprisping in de kwatrijnenreeks tussen Vestdijk en Roland Holst.
Intussen had Anton van Duinkerken in De Tijd geantwoord op Vestdijks ‘Toon en het negende gebod’ in het laatste december-nummer, waarop deze op zijn beurt weer met een polemische uitval reageerde. Op 15 maart schreef hij Borgers hierover: ‘Hierbij een nieuwe prop tegen Van Duinkerken, naar aanleiding van diens kronkelig stukje in de Tijd. Zie maar of je het een beetje vlug kan plaatsen.’
Vestdijk die van plan was Werther Nieland van Simon van het Reve te bespreken, schreef verder: ‘Het wachten op andere reacties op de novelle van Van het Reve heb ik allang gestaakt; ook het uitblijven ervan is een geschikt
aanknoopingspunt om te toornen. Ik hoop de bespreking zoo spoedig mogelijk te kunnen afleveren. Ook De witte Veeren van Jeanne van Schaik wou ik te zijner tijd voor Podium bespreken. Den Brabander laat ik nog maar rusten.
Schrijf mettertijd dus eens wanneer we elkaar weer in Amsterdam kunnen zien. Tot mijn vreugde blijft Nagel dus in de redactie; zeg hem bij gelegenheid eens, dat ik zijn bundel in het Handelsblad hoop te bespreken en in elk geval zeer de moeite waard vind, vooral als tegenwicht tegen de epigonistische poëzie waar we al weer in verzuipen (of in zouden verzuipen, als al dat moois werd gebundeld).’43
Vestdijk, die - zoals we in het vorige hoofdstuk gezien hebben - samen met Van Duinkerken in het gijzelaarskamp te Sint-Michielsgestel gezeten had, schreef op 25 maart op een briefkaart aan Borgers: ‘Zou je voor mij nog een kleinigheid willen veranderen in het stuk tegen v.D.? In de eerste zin staat “cetero censeo”. Misschien was het je al opgevallen, dat dit “ceterum censeo” moet zijn. Ik wou deze fout vooral niet laten staan, aangezien v.D. in St. Michiels Gestel wel eens moeite heeft gedaan mij de Latijnsche syntaxis bij te brengen, in een verlaten eetzaal.’44
Intussen was Borgers nog steeds druk bezig schrijvers voor een eventuele Podium-avond in Antwerpen bijeen te brengen. Hoewel Vestdijk al eerder had laten weten weinig voor een optreden in de Sinjorenstad te voelen, probeerde Borgers het ook bij hem. Maar op 3 april moest W.F. Hermans aan Borgers berichten: ‘Ik heb Vestdijk uitvoerig geschreven, en hij heeft mij uitvoerig geantwoord, maar tot de tocht naar Antwerpen is hij niet te bewegen, zelfs niet schrijft hij, als we hem een mooie vrouw zouden verschaffen want die zou A. Roland Holst, die er immers ook bij moest zijn, wel in beslag nemen. - Hij treedt nog liever op in een ècht cabaret.’45
Henri Methorst was overigens diep teleurgesteld door de magere resultaten van de reclamecampagne in Vlaanderen: één nieuwe abonnee, en dat terwijl hij honderden exemplaren van Podium naar België gestuurd had! Hij bedacht dat eventuele acties van eigen medewerkers meer kansen zouden hebben en besloot de samenwerking met Pelckmans op dit punt op te zeggen. Begin april berichtte Gaston Burssens in een ongedateerde brief aan Borgers over Pelckmans: ‘Bert vertelt mij dat Methorst liever zou zien dat de verspreiding van Podium door bemiddeling van zijn gewone vertegenwoordigers zou geschieden. Hij heeft erin toegestemd, zodat hij dus met Podium niets meer heeft te maken!’46
Intussen had Lucebert, die begin 1949 met zijn ‘Minnebrief aan onze gemartelde bruid Indonesia’ in Reflex al sterk de aandacht getrokken had en later rond ‘Cobra’ de revolutionaire trom met verve had geroerd, verzen aan de redactie van Podium aangeboden. Halverwege februari47 schreef hij hier-
over in een ongedateerde brief aan Borgers: ‘Gaarne vernam ik van U of de redactie van Podium niet of wel geneigd is enige van mijn gedichten die in haar bezit zijn te plaatsen. Ik zou daaromtrent graag spoedig zekerheid hebben, daar ik zelf een tijdschrift ga uitgeven en het niet leuk zou zijn wanneer in Podium en in mijn tijdschrift dezelfde verzen verschenen.’48 Dat tijdschrift, dat de naam Kop zou krijgen met als ondertitel ‘tijdschrift van nog niet gestorven dichters’, is nooit uitgekomen.
Het is mogelijk dat Lucebert toen al wist dat Fokke Sierksma, die een half jaar eerder het tijdschrift Reflex en de poëzie der experimentelen nog fel bestreden had, geen redacteur van Podium meer was. Duidelijk is wel dat met diens vertrek de experimentele dichters meer kans zouden krijgen in dat blad te publiceren.
Op de achterkant van Luceberts brief schreef ook Bert Schierbeek in wiens huis Lucebert toen woonde, een brief aan Borgers: ‘Jij hebt volgens Methorst nog altijd een exemplaar van Het boek Le Cocq onder je berusting. Zou ik dat van je terug kunnen ontvangen, want ik heb het, nu Methorst het niet gaat uitgeven nodig, voor de circulatie langs uitgevers. Je begrijpt, hoe meer exemplaren ik heb, des te meer kan ik er tegelijk afwerken. Ik hoop dan ook dat je me het zo gauw mogelijk stuurt.
Hoe gaat het met het tweede hoofdstuk van Jazubel? Nemen jullie dat nog? Ik ben erg benieuwd.
Nieuws heb ik verder niet. Kun je nog wat kleine vreemde stukjes gebruiken, een soort lyrisch mystiek proza van ongeveer drie à vier pagina's?’ Met die ‘stukjes’ doelde Schierbeek op de brieven die Lucebert en hijzelf de afgelopen maanden onder de titel ‘Chambre - antichambre’ geschreven hadden.
Op 17 april schreef Lucebert Borgers opnieuw: ‘ik zou wel eens graag van je willen horen wat jij en de overige redactie-leden van Podium van mij willen opnemen en wat niet. ik vernam van den heer methorst dat de stukjes van Bert en mij ook voor plaatsing in aanmerking komen ofschoon de heer M. dit niet met de grootste stelligheid beweerde naar ik begreep. als het even kan wil je dan de verzen en de prozastukken die jullie niet opnemen terug zenden?’ De ‘stukjes van Bert en mij’ zouden in het juni-nummer van deze jaargang gepubliceerd worden.
In zijn brief aan Borgers deelde Lucebert verder nog mee: ‘ik heb nu drie bundels gedichten klaar liggen maar weet niet wat ik er mee moet doen. de bundels hebben geloof ik wel mooie titels, resp. Apocrief, gaya en chaos, die schwarzen Erotiker. ook heb ik er omslagen en tekeningetjes bij-gemaakt, ik wil wel een bundel insturen voor de Podium-reeks, maar ik vrees dat ook jullie, zoals alle anderen, mij te gevaarlijk vinden.
wanneer mijn bundels verschijnen kan heel nederland lachen en hulen
[huilen] tegelijk, ze worden op alle hoeken van de straat gretig door het volmondig publiek af genomen en men leest ze als beeldromans. schade für die ganz grosse menge muse-mieserl.
ik groet U en de Uwen met het hart
Lucebert
dichter die zich dik kleedt
zodat het zweet der vervoering niet
uitbreekt’.49
In dezelfde periode verscheen het maart-nummer van Podium. Daarin werden drie gedichten van Hans Andreus gepubliceerd, waaronder ‘Het lied van het morgenlicht’. Andreus had kort daarvoor Borgers voor het eerst bij hem thuis in Bussum opgezocht. Deze had hem bij die gelegenheid enkele boekjes van hun beider favoriete dichter Paul van Ostaijen meegegeven.50
In ‘Het lied van het morgenlicht’ lijkt de wereld vanuit een souterrain - Andreus bewoonde toen een dergelijke ruimte aan de Stadhouderskade te Amsterdam - bekeken te worden:
Een andere dichter die aan dit nummer meewerkte, was Gerrit Kouwenaar, die evenals Lucebert medewerker van Reflex geweest was en die - na Sierksma's vertrek - ook in Podium ging publiceren. Van hem werden twee verzen onder de gezamenlijke titel ‘Een grapje dat mag’ opgenomen. In het eerste hiervan worden lichamelijke sensaties verbeeld in een taal die soms aan een chirurgisch handboek ontleend lijkt te zijn. Al te romantische fantasieën worden daarmee genadeloos onderuit gehaald:
In dit nummer werd ten slotte nog een plaagstootje in de richting van Libertinage uitgedeeld: ‘In welk gezelschap H.A. Gomperts en W.F. van Leeuwen zich ook bevinden, zij kruipen onmiddellijk bij elkaar om van gedachten te wisselen, zoniet over Evelyn Waugh, dan toch minstens over Menno ter Braak of de Wereldraadsels.
De zachtmoedige dichter Adriaan Morriën zegt: “G. en v.L. zijn homointellectuelen.”’53
Adriaan Morriën vertelde in 2000: ‘Dat was een pesterijtje van Hermans.

Louis Paul Boon: Zelfportret (1947)

e. van moerkerken Willem Frederik Hermans

Brief van Lucebert aan Gerrit Borgers
Ik heb hem toen geschreven: “Hoor eens, je moet maar niet meer komen.” Hij schreef me toen heel vriendelijk terug dat het toch maar een grapje was of iets van die strekking. Ik heb me toen nog wel bij Hans en Huyck geëxcuseerd, maar ook zij hadden het als een grapje opgevat.’54
Deze aflevering van Podium bevatte verder poëzie van J.B. Charles en het eerste deel van een essay over Henry Miller door Jacq. den Haan. Hoe teleurgesteld Henri Methorst zich ook over het geringe commerciële succes van Podium gevoeld zal hebben, over de laatste bijdrage zal hij als uitgever van Miller in Nederland uiterst tevreden geweest zijn...
Aan het slot van deze aflevering deelde de redactie nog mee dat Sierksma als redacteur vervangen was door Hermans. Daarbij werd de tekst gebruikt die Borgers in ‘Podium-nieuws’ voorgesteld had.
Intussen werd de financiële situatie rond Podium steeds benarder. Vooral de uitbetaling van de honoraria liet langzamerhand absurd lang op zich wachten. Op 2 mei schreef Methorst hierover aan Borgers: ‘Zoals je gehoord hebt, is thans het September/October-nummer financieel afgehandeld. Zodra er in de komende 10 dagen weer geld binnenkomt, handel ik opnieuw voor een f. 1000.- af, terwijl ik de derde f. 1000.- omstreeks de 20ste Mei uit huis hoop te krijgen [...].’55 De medewerkers kregen hun geld dus méér dan een half jaar nadat het september-oktobernummer had moeten verschijnen!
De irritaties hierover werden natuurlijk steeds groter. Zo schreef Paul Rodenko op 12 mei aan Borgers - met een verwijzing naar de uitbetaling van de honoraria die in ‘golven’ plaatsvinden zou -: ‘Het is om uit je huid te springen, hoe ze met dat geld alles altijd net verkeerd doen. Maar ik zal nu maar even wachten met springen in verband met die twee golven (wat klinkt dat fraai, hè? Ik zie ze gewoon golven, met zilveren schuimtoppen; wie weet, misschien valt het net samen met de opening van het zwembad in Scheveningen).56
En Willem Frederik Hermans op 24 mei in iets minder plastische bewoordingen, ook aan Borgers: ‘Ik hoop dat Methorst mij nu spoedig betaalt, want ik zit erg omhoog. Ik hoop je binnenkort kopij te sturen. Gaat verder alles goed?’57
Ook in andere opzichten was de situatie weinig rooskleurig. Zoals we gezien hebben, hield Bert Pelckmans zich in Vlaanderen niet langer bezig met de verspreiding van Podium en was deze activiteit overgegaan naar vertegenwoordigers van De Driehoek. Maar of dezen zich erg druk maakten voor het blad, was twijfelachtig.
Op 8 mei schreef Borgers in ‘Podium-nieuws’ over de vooruitzichten in Vlaanderen; ‘podiumavonden zijn na de val van Antwerpen uitgesteld tot het najaar, als we dan tenminste kans zien de zaak goed tevoren te organiseren. De Antwerpse avond ging ook deze maal niet door, want Pelckmans heeft zich teruggetrokken voor de vertegenwoordigers van De Driehoek in België, die echter niets aan Podium doen (de oorzaak was ditmaal: een ontactische zin van de Driehoek over zijn vertegenwoordigers in België aan Pelckmans, maar toch vooral: P. heeft er kennelijk geen zin in en zoekt zich er af te maken).’
Borgers haalde daarom maar weer eens een aloude truc van stal: tot een fusie komen met een ander tijdschrift en daardoor onderdak vinden bij de uitgever daarvan. Een aardige kandidaat hiervoor leek het blad De Nieuwe Stem, waarvan Sjoerd Leiker, een vriend van Sierksma en sinds jaar en dag ook een bekende van Borgers, redactiesecretaris was. Maar tot een spoedige echtverbintenis zou het toch niet komen. Op 8 mei schreef Borgers hierover in hetzelfde ‘Podium-nieuws’: ‘fusie nieuwe stem is op een informatieve bespreking van Donker en Leiker met Nagel en mij slepende gehouden, d.w.z. we hebben voorgesteld er in het najaar nog eens over te praten als de situatie voor de komende jaargang duidelijker is.’58
Het duurde hierna nog verscheidene weken, voordat omstreeks begin juni het april-nummer van Podium het licht zag. Daarin werd Vestdijks nieuwe ‘prop’ tegen Anton van Duinkerken gelanceerd.
Hij schreef: ‘Iemand, die het Wetboek van Strafrecht mobiliseert in een zich zozeer tegen de schrijver richtende boekbespreking als die van v.D. over De Tranen der Acacia's, mag bij een nuchtere en onpartijdige menigte slechts op lachsalvo's rekenen, wanneer hij komt verklaren, eigenlijk alleen maar het Wetboek van Strafrecht te hebben willen critiseren. Het is mogelijk, dat v.D. óók het land heeft aan dit Wetboek, dat hij een bijgedachte aan dit Wetboek heeft gespendeerd, toen hij de beruchte passage neerschreef. Maar het wil er bij mij niet in, dat hij deze passage heeft laten staan zonder te weten, dat hij Hermans ermee benadeelde. Iederéén weet zoiets, ook al is hij nog zo verstrooid, gehaast, in heilig vuur ontstoken.’59
Intussen had Fokke Sierksma een uitvoerig essay onder de titel ‘Tussen twee vuren’ geschreven over Vestdijks boek De toekomst der religie (1947) en over de vaak scherpe kritieken die daarop vooral in theologische kring geleverd waren.
Op 31 mei schreef hij hierover aan Methorst: ‘Mijn vraag is nu, of U er [...]
voor voelt om dit als een deeltje in de Podiumreeks uit te geven. Mocht dat zo zijn, dan stuur ik U vanzelfsprekend graag een doorslag van mijn essay met desgewenst de polemieken erbij.
Vestdijk en ik zouden echter graag, alvorens over de andere kwesties te spreken die met een publicatie verband houden, weten wanneer U het boekje zoudt kunnen doen uitkomen. Het is namelijk gewenst, dat er niet te lang mee gewacht wordt, omdat het doorgaans vergeetachtige publiek dan niet meer weet welke associaties het aan “De toekomst der religie” moet verbinden.
Voelt U om de een of andere reden minder voor een dergelijke uitgave, dan hoor ik ook dat graag spoedig van U. Er zijn namelijk uitgevers, die langs mij onbekende wegen van het plan hebben gehoord, en nu van hun belangstelling hebben doen blijken. Persoonlijk - dat weet U - zou ik het bizonder prettig vinden, wanneer juist dit boekje in de Podiumreeks verscheen.’60
Zoals we gezien hebben, was de samenwerking met Vlaanderen tot dusver nauwelijks van de grond gekomen. Er waren wel twee Vlaamse redacteuren bijgekomen - van wie overigens Walschap door zijn militaire dienst niets voor het tijdschrift kon doen - en ook werden er wel meer dan tot dan toe bijdragen van Vlaamse auteurs in Podium gepubliceerd, maar een Podium- avond in Antwerpen had niet plaatsgevonden en uitgever Pelckmans was ermee gestopt het blad te verspreiden. Het zag er bovendien naar uit dat het aantal nieuwe abonnees op de vingers van één hand te tellen was.
De immer optimistische Gerrit Borgers wilde het daarbij niet laten: hij was van mening dat de samenwerking tussen Noord en Zuid vooral hierdoor niets opgeleverd had, doordat alles te kleinschalig aangepakt was. Een échte concentratie van vooruitstrevende krachten zou misschien een doorbraak naar een jong, op nieuwe ontwikkelingen gespitst publiek kunnen opleveren. Hij sprak hierover met Gaston Burssens, die toen het idee opperde een fusie van Podium met het sinds negen maanden bestaande avant-gardetijdschrift Tijd en Mens tot stand te brengen.61
Met dit in hun achterhoofd spraken ze af op zondag 18 juni een bijeenkomst bij Burssens thuis te beleggen, waarvoor niet alleen de redactie van Podium, maar ook enkele redacteuren van Tijd en Mens uitgenodigd zouden worden. Borgers dacht daarbij vooral aan Louis Paul Boon, in wie hij de belangrijkste jonge romanschrijver van Vlaanderen zag.
Gelukkig kon Boon die zondag komen. In een ongedateerde brief schreef hij Borgers - met een verwijzing naar zijn vrienden, de dichters Marcel Wauters en Ben Cami, die met hem in de redactie van Tijd en Mens zaten -:
‘Ik neem misschien Wauters en Cami mee, dat zal misschien de hoop zoniet verfraaien dan toch vergroten. En ook: hoe meer gekken, hoe meer plezier.’62
Met het oog op de bijeenkomst werd een auto gehuurd, waarmee Paul Rodenko, Wim Nagel, Willem Frederik Hermans en Gerrit Borgers naar Antwerpen zouden rijden. Op 14 juni schreef de administrateur van De Driehoek Fred Ferro aan Borgers - met een verwijzing naar de toen nog bestaande Twentsche Bank -: ‘Hierbij fl. 16.- reisgeld voor de reis naar Antwerpen op 17.6.50. Je paspoort en Belgische geld krijg je rechtstreeks van de Tw. bank toegezonden.’63 Ook Methorst besloot - met een eigen ‘wagentje’, zoals hij Borgers op 12 juni berichtte64 - naar Antwerpen te rijden.
Over Burssens' huis waar de bijeenkomst gehouden werd, zou Boon later schrijven: ‘Ginder op Sint-Anneke, tussen eeuwigdurend kermis-rumoer, woonde Gaston Burssens. Om zijn woning te bereiken, moest men twee keer tol betalen: eens aan de ingang van de tunnel onder de Schelde, en nog eens aan de ingang voor de plage van Sint-Anneke. In de winter was hij voor zijn bestaan aangewezen op de enige zaak die er openbleef: een bakker die slechts rijsttaarten vervaardigde.
Aan de rijsttaart-dis zaten toen de dichter Paul Rodenko, de schrijver Willem Frederik Hermans, de essayist Charles Nagel en de alles overkoepelende Gerrit Borgers. Met ook nog een uitgever die Methorst heette en wiens naam ik maar niet kon onthouden. Waarop Gaston me zei: “Maar dat is toch simpel... denk aan Met Worst en maak en Met Horst van.”’
En verder: ‘Hermans en Nagel hadden toen al ruzie met elkaar, en Rodenko zette mij het wezen, de betekenis en de noodzakelijkheid der moderne poëzie uiteen. Het slot heb ik nooit vernomen, want Gaston schonk hem een groot bierglas vol jenever en Rodenko dronk dit zo leeg, denkend dat het limonade was...
Daarna wist hij niets meer over poëzie, en vond hij zelfs de rijsttaart niet meer die hij aan het eten was.’65
Zoals door de handige Borgers al voorzien was, kwamen de gasten - tussen de rijsttaarten door - ertoe vèrgaande afspraken over samenwerking tussen Podium en Tijd en Mens te maken. Eerst werd - vooral op aandringen van Methorst - besloten dat Podium meer dan tot dusver een algemeen tijdschrift zou worden, dat ook aandacht zou besteden aan de politiek en aan andere kunstvormen dan de literatuur. Hopelijk zou het blad daardoor aantrekkelijker worden voor een breder lezerspubliek. Overigens was het wel de bedoeling dat het typisch eigen karakter bewaard zou blijven.
Vervolgens kwam de positie van de redactie ter sprake en de samenwerking tussen Noord en Zuid. Hierbij bracht Borgers voorzichtig het plan naar voren om met ingang van de nieuwe jaargang tot een fusie tussen Podium en
Tijd en Mens te komen, waarbij hij overigens hoopte ook De Nieuwe Stem te kunnen betrekken: de naam zou dan vanuit een sinds jaar en dag in Podium- kring gehanteerd uitgangspunt - de redactie van dat blad had een sterk ontwikkeld gevoel van eigenwaarde - Podium zijn.
In dat geval zou het de voorkeur verdienen de publicatie van het tijdschrift door twee uitgevers - uit Vlaanderen en Nederland - te laten verzorgen. De voordelen daarvan waren evident: de niet geringe kosten zouden gespreid worden, waardoor het blad meer levenskansen kreeg. Daarbij lag het voor de hand dat De Driehoek de Nederlandse uitgever zou blijven, terwijl Burssens met Pelckmans zou bespreken of hij de uitgave in Vlaanderen voor zijn rekening zou willen nemen. Voelde Pelckmans daar niet voor - wat te verwachten was -, dan zou misschien de Antwerpse uitgeverij De Sikkel een geschikte kandidaat zijn.
Bovendien leek het efficiënt voortaan te gaan werken met twee hoofdredacteuren - één in Noord, de ander in Zuid - met daarbij alleen een zogenaamde redactieraad. Voor Nederland viel voor de positie van hoofdredacteur de keus op Hermans: Rodenko, Nagel en Vestdijk hadden het te druk met andere zaken, terwijl Borgers zelf de laatste tijd erg weinig schreef. De keuze voor Hermans was wel pikant: tussen hem en Podium waren immers in het verleden felle polemieken gevoerd.
Aan Vlaamse kant lag de keuze voor Boon voor de hand, maar dat het tot een fusie zou komen was nog allerminst zeker - de meeste redacteuren van Tijd en Mens wisten nog nergens van! - en als redacteur van dat blad kon Boon zich niet zomaar aan Podium binden. Later zou hij hierover schrijven: ‘[...] Borgers zei dan [...] aan het einde van de avond, dat ik maar bij hun tijdschrift moest komen, dat Podium heette. Het was in het begin een heel klein schrift, en wij in Aalst noemden het Podiummeke, waarvan mijn vrouw - of was het Cami? - Podommeke maakte.
Van mijn kant zei ik, dat we reeds een tijdschrift hadden, dat ik ook nog ervan droomde een eigen tijdschrift te bezitten, en dat ik bovendien verplicht was aan alle andere en betalende tijdschriften mee te werken om de kop juist onder water te kunnen houden.
Borgers, een kleerkast van een man, met brede schouders en op die schouders de kop van stier en stierenvechter samen, vaagde dat alles in één handgebaar weg. Dan maken we van al die tijdschriften één tijdschrift, zei hij, en betalen we u zoveel dat ge er schatrijk bij wordt.’66
Boon, Ben Cami en Marcel Wauters beloofden dat ze hun best zouden doen de andere redacteuren van Tijd en Mens - onder wie de redactiesecretaris Remy van de Kerckhove en een van de gezichtsbepalende figuren in het blad, de essayist Jan Walravens - warm te maken voor een fusie met Podium. Ver-
der werd er afgesproken dat er in juli een gezamenlijke ‘medewerkersconferentie’ van Tijd en Mens en Podium gehouden zou worden.
Duidelijk is dat dit alles fraaie plannen waren, maar ook nog niet meer dan dat. Het was zeer de vraag of de rest van de redactie van Tijd en Mens zou instemmen met een fusie waarbij de naam van haar tijdschrift verdwijnen zou, en bovendien - niet minder belangrijk - of er een Vlaamse uitgever voor Podium gevonden zou kunnen worden.
De dag na de bijeenkomst bij Burssens thuis, maandag 19 juni, legden Boon - ‘met hangende oren’, zoals hij later schrijven zou67 -, Cami en Wauters aan Jan Walravens het fusieplan voor, maar deze bleek daarover weinig enthousiast te zijn. Op dezelfde dag berichtte hij aan Pierre H. Dubois: ‘Ons tijdschrift Tijd en Mens gaat niet kwaad. Thans kregen wij een voorstel van Podium om met hen samen te werken. Maar ik voel niet veel voor Podium. Wat denk jij van dat tijdschrift?’68 Afgesproken werd dat er op dinsdag 4 juli een vergadering van de redactie van Tijd en Mens bij Marcel Wauters thuis gehouden zou worden.
Ook in Nederland ging niet alles van een leien dakje. Op woensdag 21 juni, drie dagen na het zo stimulerende weekend, schreef Henri Methorst aan de redactie van Podium over een gesprek dat hij met zijn ‘financier’ had gehad: een directielid van Mouton, die via de betaling van drukkosten De Driehoek financieel ondersteunde.
Methorst schreef onder de aanhef ‘Beste Vrienden Redacteuren’ - de vriendelijke toon voorspelde weinig goeds -: ‘Ik heb Maandag jl. al direct de gelegenheid gehad met mijn financier onze plannen voor podium te bespreken. Dat was trouwens toch dringend nodig nu de Belgische samenwerking en de subsidie voor dit jaar in ieder geval nog niet doorgingen, hetgeen, wat België betreft, uit de houding van den Heer Pelckmans wel duidelijk genoeg bleek. In zekere zin tot mijn verwondering en in ieder geval tot mijn grote spijt is het resultaat negatief en dit niet zozeer, omdat wij niet eventueel in de komende 6 of 12 maanden de kosten voor podium zouden kunnen opbrengen. Dit is zuiver een kwestie van onze omzet en zal het ene kwartaal makkelijker vallen dan het andere; maar meer omdat hij principieel er niet de fondsen voor beschikbaar heeft om op de lange baan een mooi Nederlands fonds op te zetten, waardoor de zaak op den duur wordt wat thans Meulenhoff of Querido is. Daarop komt het toch feitelijk neer.
De nieuwe opzet zou in het eerste 1 à 1½ jaar waarschijnlijk niet minder kosten dan de oude, omdat er opnieuw reclame moet worden gemaakt en de omvang uitgebreid.
Mijn financier staat er nu echter zo tegenover, in afwijking van zijn houding van twee jaar geleden toen podium bij ons begon, dat hij inmiddels zelf over reel minder contanten beschikt, dat zijn voornaamste zaken en interessen elders liggen en dat hij het dus prachtig vindt, indien De Driehoek verder zichzelf zou kunnen bedruipen en op eigen kracht eventueel een Nederlands fonds opbouwen (waarvoor ik ook, zakelijk gezien, zou voelen), maar dat hij zich niet kan permitteren om daar eerst nog een paar jaar f. 6, tot 10,000.- per jaar voor bij te springen, terwijl hij evenmin overzien kan, of de opbouw van een dergelijk Nederlands fonds zal lukken noch de tijd heeft om zich daarin als zakenman, niet uitgever, te gaan verdiepen.
Het lijkt mij juist jullie dit zo gauw mogelijk te schrijven, al kun je begrijpen, dat dit voor mij buitengewoon spijtig en pijnlijk is na de moeiten en zorgen, die wij ons gegeven hebben en bij de prettige, vriendschappelijke verstandhouding, die er gegroeid is en die tevens gebaseerd is op een gelijkheid van smaak en mentaliteit, waardoor veel van jullie auteurs juist bij De Driehoek zullen passen.’
Methorst schreef verder: ‘Ik zie de zaak nu zo: jullie zult zo gauw mogelijk contact zoeken met een anderen uitgever in Nederland, nog voordat de Belgische bijeenkomst plaatsheeft en hem jullie nieuwe plannen voorleggen. Inmiddels zullen wij de bestaande jaargang afmaken.’
Hij voegde hieraan toe - met een verwijzing naar een uitgeverij die al eerder als alternatief voor De Driehoek ter sprake gekomen was -: ‘Mocht Van Loghum Slaterus de opvolger zijn, hetgeen ik voor alle partijen prettig zou vinden, [...] en mochten zij tegen de onderneming opzien, dan zou inderdaad nog een gemeenschappelijke exploitatie te overwegen zijn. Met hen zou ik het over de daaruit voortvloeiende relaties en voordelen ook zeker eens worden, wat ik van geen enkelen anderen uitgever zou durven zeggen, zelfs niet van De Bezige Bij, die, dunkt me, een heel ander tempo in haar ontwikkeling heeft en zich ook niet bij uitstek in literaire richting beweegt. Zij heeft enerzijds waarschijnlijk teveel succes en anderzijds, als geheel nieuwe zaak, het geduld of de tijd niet om op de geleidelijke opbouw van zo'n nieuw fonds te wachten. Ik zou denken, dat zij meer de commerciële, en dus gemengde, richting opgingen. Financieel is dat voor jullie echter wellicht wel gunstig. Het is trouwens zuiver een persoonlijke visie van mij.’
Met zijn vulpen schreef Methorst - kennelijk vooral voor Borgers - nog aan het slot van deze getypte brief: ‘Ik moet natuurlijk een koopsom voor het blad bepalen [...].’69
Henri Methorst vertelde in 1986 over de achtergrond van zijn brief: ‘De Raad van Bestuur van Mouton heeft op een gegeven moment via de accountant begrepen dat Podium zo weinig opbracht en toen tegen directeur Frits
Eekhoud gezegd: “Man, ben je gek, daar moet je onmiddellijk mee ophouden.” Ze vonden Podium dus een te grote verliespost en wijzelf hadden geen financiële achtergrond.’
Trok De Driehoek zich dus vrijwel zeker terug, ook bij het zoeken naar een Vlaamse uitgever liepen de zaken niet op rolletjes. Op woensdag 28 juni moest Burssens aan Borgers berichten: ‘Pelckmans voelt er niets voor, zodat we dus op De Sikkel zijn aangewezen. Maar voor we daar terecht komen moeten we toch eerst vaste plannen hebben.’70
De dinsdag daarop, 4 juli, werd op een bijeenkomst van enkele redacteuren van Tijd en Mens besloten voorlopig maar niets te besluiten en op 26 juli eerst nog eens met Gerrit Borgers en Gaston Burssens te gaan praten. Het zag er overigens naar uit dat - evenals Jan Walravens - ook Remy van de Kerckhove niet veel voelde voor een fusie met Podium.
Intussen had Simon Vinkenoog, die sinds enkele weken Blurb uitgaf, op 3 juni aan Ferdinand Langen geschreven: ‘Podium, dat me na het geplaatste gedicht om nieuw werk vroeg (dat ik zond) heeft nooit meer iets van zich laten horen, zelfs niet na een onbeschoft en zeker onbehoorlijk herinneringsbriefje dat ik Borgers stuurde, dus van die kant is mijn redding niet te verwachten.’71 Vinkenoogs pessimisme bleek overbodig, want enkele maanden later, in het dubbelnummer 8-9, zouden alsnog twee verzen van hem gepubliceerd worden.
Ook een andere buitenlandse correspondent, Leo Vroman, nam weer contact met Podium op. Op 20 juni schreef hij Borgers: ‘Hierbij eindelijk weer eens iets, waarvan ik overigens niet weet of het goed genoeg is.
Ik heb een tijd lang niets geschreven omdat ik in plaats daarvan (van schrijven) bemerkte evengoed te kunnen slapen, eten of desnoods liggen kijken.’72
In dezelfde periode kwam het mei-nummer van Podium uit. Deze aflevering opende met het verhaal ‘Manuscript in een kliniek gevonden’ van Willem Frederik Hermans, dat hij blijkens het onderschrift al tijdens de bezettingstijd, in november 1944, geschreven had.
In dit verhaal komt een ik-figuur aan het woord in wiens oor - tijdens het reinigen van dit lichaamsdeel - een fosforlucifer ontbrand is en die daarom in het ziekenhuis is opgenomen: ‘Eerst de maan. Niemand mag's nachts het bed uit, maar ik... De zusters hebben mij lief. Zij doen of zij het niet zien, meestal zelfs glimlachen zij vol verering tegen mij, onder de groene nachtlampen op de kruispunten van de gangen, wanneer ik voorbijkom, op weg naar de trappen naar het dak. Ik weet wanneer de maan vol is zonder dat
ik krant of almanak lees, ik weet zoals ik alles weet. Ik sta tussen de schoorstenen en leg mijn hand op haar wang. Men zou denken dat de wang van de maan ijskoud moet zijn. Treurige vergissing! Wat wel? Ik heb moeten beloven het niet te verraden.
Nooit de zon. Overdag vliegen grote gele herfstbladen langs mijn venster. Wie heeft toch bedacht dat vleermuizen overdag slapen. En later zag ik meeuwen zweven, de vleugels star, als in de vlucht bevroren.
Maar ik moet vertellen hoe ik in het ziekenhuis gekomen ben, al is dit maar een onderdeel van alles, zoals het maar een onderdeel van alles is, dat ik, wanneer de ramen 's ochtends om te luchten worden opengezet, de schaatsen der verpleegsters kan horen krassen op het ijs in de gracht. Verder hoort men niets van de stad.’73
Paul Rodenko publiceerde in dit nummer het eerste deel van zijn essay ‘Nachtvlucht in de geschiedenis’, waarin hij inging op de lichamelijkheid van veel moderne literatuur.
Hij kwam ook in deze bijdrage weer tot verrassende constateringen: ‘In de klassieke, overwegend psychologisch georiënteerde romankunst [...] speelt het lichaam, de zijnswijze van de lichamelijkheid, een zeer geringe rol. Existentieel significatief zijn eigenlijk alleen de mond en de ogen, d.w.z. die uitdrukkingscentra, die door hun grote differentiatie het dichtst bij de “geestelijke” zône staan, ja die, met name de ogen, bijna reeds als pure geestelijkheid ervaren worden. De ogen immers zijn de “spiegel der ziel” en de “ogentaal” brengt een directe geestelijke communicatie tot stand, in tegenstelling tot de klanklichamen, die het mondcomplex vormt en die nog een secundaire bewerking behoeven alvorens zij tot “zin” worden. Een wezenlijke rol speelt de mond dan ook niet zozeer in het spraakmechanisme dan wel in die uitdrukkingsbewegingen, waarin hij met de ogen één significatief geheel vormt, zoals b.v. in de glimlach [...].’
Rodenko schreef verder: ‘De klassieke romankunst heeft daarbij een uitgebreid systeem van betraande, doordringende, in de verte starende, bliksems schietende enz. ogen, samengeknepen, omgekrulde of trillende lippen en glimlachen met of zonder medeplichtigheid der ogen ontwikkeld, dat het interesse van het lichaam in de handeling moet representeren: een vertegenwoordiging, die echter nauwelijks een eigen stem in het kapittel heeft en eigenlijk alleen datgene, wat reeds zuiver geestelijk, in woorden, is uitgedrukt, nog eens op haar manier mag overzeggen, of hoogstens door de romancier in plaatsvervangende zin aan bod gelaten wordt, maar dan toch steeds zo, dat hij in stede van: “Haar ogen begonnen vonken te schieten” net even goed had kunnen schrijven: “Wat gemeen, wat in-gemeen! riep zij uit.” Meestal zal hij overigens - een romanschrijver moet nu eenmaal óók leven - beide zinnen
neerschrijven, maar waar het om gaat is dit: dat de lichamelijkheid in de klassieke roman nooit meer dan een illustratieve functie heeft, nooit meer is dan een parallelverschijnsel zonder eigenlijke zelfstandige waarde.’
Hierna bekeek hij een aantal moderne romans - zoals van André Malraux en Antoine de St.-Exupéry - en constateerde daarbij een afname ‘van de mond-oog-frequentie ten voordele van de hand’.74
Het vijfde nummer bevatte verder gedichten van Gerrit Achterberg en een nieuwe aflevering van ‘Volg het spoor terug’ van J.B. Charles.
Na ontvangst van Methorsts brief waarin De Driehoek als uitgever van Podium afhaakte, namen Gerrit Borgers en Wim Nagel snel contact op met de uitgeverijen Van Loghum Slaterus en De Bezige Bij om te bekijken wat de mogelijkheden waren. Daarbij bleek dat er inderdaad - zoals ook in Antwerpen afgesproken was - naar een bredere opzet voor het blad gezocht moest worden, maar dat er veel minder geld beschikbaar zou zijn dan Borgers zelfs in zijn meest pessimistische bui gevreesd had. Als Podium verder alleen in Nederland uitgegeven zou worden, kon er geen sprake van zijn dat de hoofdredacteur zoveel betaald zou krijgen als eerst in de bedoeling gelegen had. Ja, het zag er zelfs naar uit dat hij helemaal geen honorarium meer zou krijgen...
Dit had tot gevolg dat nóch Willem Frederik Hermans - hij trouwde op 4 juli met de uit Suriname afkomstige Emmy Meurs - nóch Gerrit Borgers de functie van hoofdredacteur op zich zouden kunnen nemen. De enige die hiervoor in aanmerking leek te komen, was Borgers' enkele jaren oudere vriend Derk (‘Dick’) Vriesman, een bemiddelde econoom met literaire interesses: zo had hij onder het pseudoniem D. Opsomer al eerder aan Podium meegewerkt. Borgers was indertijd via J.J. Klant met hem in contact gekomen: Klant en Vriesman maakten beide deel uit van een clubje economen dat in het Amsterdamse journalistencafé Scheltema bijeen placht te komen.75
Het feit dat niemand van de redactie in de gelegenheid was hoofdredacteur te worden, bracht met zich mee dat die weidse titel maar weer gauw vervangen werd door die van redactiesecretaris. Gelukkig bleek Vriesman inderdaad bereid te zijn die onbezoldigde baan op zich te nemen.
Duidelijk was overigens wel dat er - voordat er verdere stappen ondernomen konden worden - eerst een nieuwe opzet voor het blad op papier moest worden gezet. Daarna werd er met Geert Lubberhuizen en Wim Schouten van de Bij-directie een afspraak gemaakt voor een bespreking op dinsdag 11 juli, maar die bespreking moest ‘wegens verregaande dronkenschap’ - zoals Borgers op 12 augustus in ‘Podium-nieuws’ schreef76 - worden uitgesteld.
Vervolgens werd er op maandagavond 17 juli alsnog vergaderd. Tijdens dat gesprek zegden Lubberhuizen en Schouten nog niets toe.
Op 22 juli schreef Borgers-hij logeerde intussen weer bij Burssens in Antwerpen - aan de directie van de Bij: ‘Overeenkomstig de gemaakte afspraak tijdens de bespreking van Maandagavond, 17 Juli j.l., over een eventuele overname door De Bezige Bij van de uitgave van podium per 1 Januari 1951, volgt hier een nadere opgave van de plannen voor de komende jaargang van podium:
Podium zal worden uitgebreid tot 80 blz. per maandelijkse aflevering (tot nu toe 64). Deze uitbreiding is noodzakelijk om naast de tot nu toe gebruikelijke creatieve bijdragen de rubriek besprekingen in die zin uit te breiden dat de belangrijkste binnen- en buitenlandse uitgaven regelmatig en niet langer incidenteel worden besproken, zodat het blad tevens informatieve waarde krijgt.’
Hij schreef verder: ‘De redactie en de redacteur-secretaris doen afstand van een honorarium (tot nu toe bedroeg dit f. 25.- per redacteur, f. 40.- voor de redacteur-secretaris voor het buitenland en f. 75.-voor de alg.red.secr., in totaal 7 personen) en ontvangen voor reis- en verblijfskosten per maandelijkse redactievergadering f. 10.- à f. 15.-.’
En verder: ‘Het huidige aantal abonnees bedraagt 600, waarvan 330 over de boekhandel.
De mogelijkheid Podium mede door een Belgische uitgever te laten uitgeven is in bespreking. Deze zou dan de honorering van een Vlaamse redactie (zodat de Noordelijke met twee zou afnemen) en de Vlaamse bijdragen (ongeveer 300 blz per jaar) voor zijn rekening moeten nemen [...]’
Borgers besloot: ‘Gaarne tot alle verdere inlichtingen bereid, zouden wij het op prijs stellen indien U aan de hand van deze, uiteraard vertrouwelijke, gegevens ons zo spoedig mogelijk zoudt willen berichten of U in principe voor de uitgave van Podium vanaf 1 Januari 1951 voelt, zodat een degelijke voorbereiding door de redactie van deze bredere en strakkere opzet mogelijk is.’77
Ondanks alle beslommeringen verscheen in deze periode toch nog het zesde nummer, gedateerd juni 1950. Deze aflevering was voor een groot deel gewijd aan de Haagse schilder en dichter Wim Hussem, die enkele maanden eerder vijftig jaar geworden was. Van hem was op het omslag en op vier pagina's een inkttekening afgedrukt, terwijl de aflevering opende met ‘Notities bij het werk van Wim Hussem’, geschreven door Paul Rodenko.
Van Bert Schierbeek en Lucebert, die juist in die tijd tot de redactie van Braak toegetreden waren, werden de eerdergenoemde brieven opgenomen onder de titel ‘Chambre - antichambre’. De spanningen die het gevolg waren van Luceberts liefdesverhouding met Schierbeeks vrouw, werden daarin in een mythologisch kader geplaatst. Zo schreef Lucebert onder de naam ‘Het oog van Gol’: ‘je weet, lieve leeuw, dat ik niet van steen ben maar wel spermatozotoegeeflijk. waarom hak je dan niet je tanden in de arm die ik naar je heb uitgestrekt omdat ik tegen de spreek. heeft men mij soms eens in stukjes gesneden en mij in zee ingelegd om mij op te zouten en ben je dus nu afkerig van mijn lichaam omdat het zilt is?
ik geloof dat wij, wanneer wij zulks veronderstellen, beiden een vergissing begaan, want wie zou mij willen sparen? iedereen weet dat ik een geloof heb dat inderdaad de bergen kan verzetten, de mons veneris bijv. of de mons atos of de carmel of ook wel de gekroonde knie van apollo.’78
Schierbeek van zijn kant schreef onder de naam ‘Lilithoog’: ‘De ene dag na de ander en nu een theater van zichtbare vlooien. Zeker sedert de dag van dood der heiligen een gebeurtenis van internationaal interessant belang. De grenzen vervagen overigens al. Ze kruipen waar ze niet springen kunnen. Komt het zien! Komt het zien! Een kostelijke en kosteloze geschiedenis. De leeuwen zijn in hun kuilen gestort en alleen de vlooien, hun prooi, zijn over.’79
Een interessante bijdrage aan dit nummer is een poëziekroniek van Paul Rodenko, waarin hij - naar aanleiding van de publicatie van de eerste delen van ‘De Windroos’-reeks - aandacht besteedde aan de situatie van de eigentijdse dichtkunst.
Met duidelijk enthousiasme constateerde hij daarin dat met het verschijnen van talloze ‘Verzamelde Werken’ een poëtisch tijdperk voorbij leek te zijn en er een nieuw voor de deur stond:‘[...] het begint onder de jongere dichters langzamerhand te gisten, men voelt dat de traditionele verzenmakerij niet meer bevredigt, men zoekt nieuwe wegen, nieuwe vormen, maar wil hier inderdaad een nieuwe poëtische bloei uit voortkomen, dan zullen deze dichters allereerst in staat moeten worden gesteld, voor een groter forum te spreken (met de consequenties van dien: critiek en discussie) en vooral - wat in den beginne misschien nòg belangrijker is - meer van elkaars werk kennis te nemen. Nu er [...] eindelijk weer een nieuwe poëziereeks verschijnt, en wel een die zich speciaal het publiceren van jongere talenten ten doel stelt, is er alle reden tot juichen: men heeft het gevoel dat er, hoe dan ook, op poëtisch gebied weer iets gebeurt, dat men, waarheen dan ook, weer op weg is; en, dat de jongste poëzie, de richting waarin wij gaan, weer voorwerp van discussie kan worden.’80
In de rubriek ‘De proppenschieter’ werd ten slotte nog een spotvers gepubliceerd dat Hendrik de Vries geschreven had naar aanleiding van een sonnettenprijsvraag die de Maatschappij voor Letterkunde juist in deze tijd gemeend had te moeten uitschrijven:
Dat bij sommige medewerkers van De Driehoek het enthousiasme voor Podium intussen het absolute nulpunt was genaderd, bleek uit wat Fred Ferro, geen uitgesproken vriend van Borgers, hem op 18 augustus schreef: ‘Weet je, dat dit Juni-no. fl. 1265.- aan drukken kostte. Waanzinnig duur gewoon.’82
In die periode bleken de ontwikkelingen in Vlaanderen nog altijd niet zo voortvarend te verlopen als Gerrit Borgers gehoopt had. Tijdens zijn logeerpartij bij Gaston Burssens ontmoetten zij beiden op woensdag 26 juli te Brussel de Tijd en Mens-redacteuren Louis Paul Boon, Ben Cami, Marcel Wauters, Jan Walravens en Remy van de Kerckhove. Dat gebeurde in het dicht bij de Grote Markt gelegen café Het Goudpapieren Blommeke van de befaamde kunsthandelaar Geert van Bruaene.83
Op 12 augustus schreef Borgers hierover in ‘Podium-nieuws’: ‘Inmiddels heb ik in België een vergadering met een deel van de redactie van tijd en
mens gehad. Met het idee dat - als we samen met Vlamingen een redactie zouden blijven vormen - we ook daar beter konden werken met een bepaalde groep die ons verwant is, zodat ook de Vlaamse kant van Podium een eigen gezicht zou krijgen, in plaats van met een bloemlezing van min of meer bij ons passende redacteuren, heb ik aan tijd en mens informatief het voorstel gedaan met Podium te fuseren [...].’
Borgers deelde hierna mee dat de redactie van Tijd en Mens daarop verdeeld gereageerd had: ‘Boon, Cami, Wauters en ook de niet-aanwezige Claus waren er enthousiast vóor, Walravens en V.d. Kerckhove (oprichters, niet de besten, dat zijn ongetwijfeld Boon en Claus) waren er op gevoelsargumenten tegen (angst “opgeslokt” te worden, terwijl 't zo goed en aardig gaat met T. en M.).
Nu was de stemming zo dat ik zeker de vóor-stemmers voor Podium had kunnen krijgen en daarmee T. en M. min of meer had doen leeg lopen, maar dit leek me niet fair zolang we zelf niet weten waar we aan toe zijn en we hun dus geen zeker onderdak kunnen garanderen, bovendien is een min of meer revolutionaire overgang niet geschikt om de abonnees ongeschonden mee te krijgen. Vandaar dat we besloten: de kwestie zal intern door de volledige redactie van T. en M. worden besproken en uitgevochten en de beslissing zal aan mij meegedeeld worden. Door Leopold is hun vergadering uitgesteld neem ik aan, bericht heb ik nog niet.’84 De laatste zin sloeg op een redactievergadering van Tijd en Mens die voor begin augustus gepland was: op die dag bleek België door de koningskwestie rond Leopold iii in rep en roer te zijn.
Anderhalve maand na Borgers' ‘Podium-nieuws’, 26 september, berichtte Gaston Burssens hem: ‘Boon schrijft mij dat die vergadering van t.&m. heeft plaats gehad, maar dat er niets werd beslist. Voorlopig zouden ze alles bij 't oude laten en later nog eens vergaderen...’85 Het uitstel zou ten slotte uitlopen op zegge en schrijve twee jaar!86
Alles bij elkaar was dit natuurlijk een grote teleurstelling voor Borgers, maar Walravens en Van de Kerckhove, die tegen een fusie waren, hadden daarvoor wel goede argumenten: waarom zouden ze zich in een avontuur wagen met een tijdschrift dat in dat stadium nog niet eens over een eigen uitgever beschikte, terwijl hun eigen blad zeker niet slecht liep? Bovendien: wat zouden ze te zeggen krijgen in het door de Noorderlingen zo duidelijk gedomineerde Podium?
Intussen had Borgers na zijn logeerpartij bij Burssens nog een nieuwe onaangename verrassing op zijn bord gekregen. Op 1 augustus schreef Met-
horst hem: ‘Jammer, dat je niet meer opgebeld hebt na je terugkomst uit België. Ik zit natuurlijk met brandend verlangen te wachten op de decisie inzake podium, zowel wat België als De Bezige Bij betreft. Meldt mij s.v.p. omgaand even of je van De Bezige Bij al gehoord hebt en wat hun beslissing is en ook wat België heeft opgeleverd.’
Methorst schreef verder - met een verwijzing naar het Engelse literaire tijdschrift Horizon -: ‘De zaak heeft zich hier in zoverre gewijzigd wat de financiën betreft, dat wanneer er op het ogenblik geen uitgever is, die het blad 1 Januari wil overnemen, zodat het na die datum zou ophouden, wij dan ook deze jaargang 1950 niet meer willen afmaken. Niet alleen, dat het dan voor ons een heel onnodig verlies betekent, maar bovendien éen, dat het hele bestaan van de uitgeverij in gevaar brengt. Wij zouden dan op dezelfde wijze als kort geleden horizon plotseling, met een waardige motivering, moeten ophouden, natuurlijk wel met betaling van de honoraria tot en met alle verschenen nummers en met terugbetaling van abonnementsgelden, maar dat is heel wat minder onvoordelig dan het voortzetten van een blad, wanneer straks geen uitgever het van ons wil overnemen, terwijl de redactie evenmin vóór Januari een goedkopere oplossing kan voorstellen.’
En verder - niet zonder brutaliteit na wat hij zojuist te berde gebracht had -: ‘Ik begrijp nooit de laconiekheid, waarmee je mij rustig op antwoord laat wachten.’87
Maar het kon nog erger! Anderhalve week later, 11 augustus, berichtte Methorst aan Borgers, dat hij kort daarvoor Geert Lubberhuizen van De Bezige Bij ontmoet had. Daarbij was gebleken dat Lubberhuizen en Wim Schouten, die tot eind 1948 Het Woord uitgegeven hadden, met elkaar nog niet gesproken hadden over het voorstel dat Borgers hun gedaan had.
Hij voegde hieraan toe: ‘[...] maar het is tussen de 75 en 90% zeker, dat zij het niet doen, deels omdat het zinloos is waar zij zelf het woord hebben opgegeven wegens de hoge kosten, deels omdat zij als coöperatie wel met hun auteurs rekening houden en verschillende van hun mensen niet voor podium zullen voelen, terwijl waar het zo uitgesproken en principieel is, het niet zonder meer bij iedere uitgever past. Serieus bekeken hadden zij het niet, maar zij vermoeden wel, dat het toch enige duizenden per jaar zal kosten en zij zien in de huidige literaire generatie weinig of niets en verwachten dus ook weinig van relaties.’
‘Lukt het met De Bezige Bij niet zeer binnenkort (je zult zeker wel spoedig van hen horen), dan stel ik voor, dat wij, hoezeer het mij ook spijt, met podium nu direct ophouden, waar wij financieren moeten uit onze eigen momenteel binnenkomende middelen en het heeft geen zin dat wij nogmaals weer maanden circa f. 1000.- per maand in het water gooien (commercieel
gesproken), terwijl wij elders al totaal niet weten waar het geld vandaan te halen. Waren de reorganisatie-[,] bezuinigings- en samenwerkingsplannen in het begin van het jaar al doorgegaan en mogelijk grotere bekendheid door podium-avonden e.d., dan was het misschien anders gelopen, maar dat is nu eenmaal niet gebeurd. Er is zoveel, dat wij moeten opgeven.’88
Het water begon de redactie nu werkelijk tot de lippen te stijgen. Een dag na Methorsts brief, 12 augustus, schreef Borgers in ‘Podium-nieuws’ over zijn voorstel aan De Bezige Bij: ‘Antwoord is nog niet ontvangen, maar wel binnenkort te verwachten; we moeten het trouwens in de tweede helft van Augustus weten, willen we nog de tijd voor eventuele verdere onderhandelingen hebben.’
En verder: ‘Methorst stelt voor: lukt het met de b.b. niet zeer binnenkort, dan direct met Podium ophouden (laatste nummer Juli), hoezeer het hem ook spijt.
Ik heb geantwoord: je garandeerde ons tenslotte een heel jaar - begrip voor de moeilijkheden, daarom: geef ons iets langer de tijd om te onderhandelen op deze manier: het Aug.-Sept.-nr en de redactie-honoraria tot en met 1 Sept. gaat gewoon door - hebben we geen oplossing gevonden dan stopt de zaak dus in September. Zo hebben wij dus nog een kans tot in September om er iets op te vinden, om de zaak nu opeens zo abrupt af te breken zou geen stijl zijn.
Verder geen nieuws, maar me dunkt.
Zelf voel ik er voor om desnoods gestencild in eigen beheer door te gaan.’89
In die bewogen periode kwam dan toch nog het juli-nummer van Podium uit. Het bevatte Boons gekortwiekte romanfragment ‘De averechtse verkenning’ en verder het gedicht ‘Meditatie op een mond vol builenbal’ van Lucebert, een essay van Rodenko's vriend Jan Molitor (pseudoniem van Aimé van Santen)