terug  begin  verderprepost
[p. 55]

Hoofdstuk I
De Schone Zakdoek: spel zonder grenzen

De stad Utrecht, waar in 1941 het literaire tijdschrift De Schoone Zakdoek werd opgericht, had tussen de beide wereldoorlogen in artistiek opzicht een opvallende rol gespeeld. In 1925 - nog geen jaar nadat in deze stad het Schröderhuis van de architect Gerrit Rietveld was gebouwd - verscheen er het eerste nummer van het literaire tijdschrift De Gemeenschap, waarvan de ondertitel luidde: ‘Maandschrift voor katholieke reconstructie’. Rond dit blad verzamelden zich in de daaropvolgende jaren diverse schrijvers, onder wie Jan Engelman, Albert Kuyle, Anton van Duinkerken, Albert Helman, Gabriël Smit en Antoon Coolen. Ook niet-katholieke auteurs - onder meer H. Marsman en F. Bordewijk - werkten aan De Gemeenschap mee. In het pand Oude Gracht 55, waarin 1927 voor korte tijd het redactiesecretariaat van het blad werd gevestigd en waar bovendien de gelijknamige uitgeverij domicilie vond, kwamen verscheidene medewerkers van De Gemeenschap geregeld bij elkaar om te discussiëren over nieuwe kunstopvattingen en recente ontwikkelingen in de binnen- en buitenlandse politiek en ook om er uitbundige feesten te vieren. Tot de medewerkers van het tijdschrift behoorden verder de ontwerper Charles Nypels en de beeldende kunstenaars Jozef Cantré, Joep Nicolas, Henri Jonas, Otto van Rees, Charles Eyck en Henk Wiegersma.

Daarnaast was er in Utrecht een groep schilders1 die zich vooral aangetrokken voelden tot het surrealisme. Hún geliefde trefpunt was kunsthandel Nord, die in 1927 gevestigd werd in het pand Vinkenburgstraat 12 door de - uit Groningen afkomstige - schilder Willem (‘Willy’) Wagenaar (geb. 1907). Deze laatste was omstreeks 1925 in Parijs in aanraking gekomen met het surrealisme, dat kort daarvoor door de Franse schrijver André Breton was gelanceerd. Teruggekeerd in Nederland, hoopte Willy Wagenaar er met zijn kunsthandel toe bij te dragen dat de surrealistische opvattingen ook in ons land ingang zouden vinden. Hij zorgde er daarom voor dat daar recent verschenen

[p. 56]

surrealistische en ook andere avantgardistische tijdschriften ter inzage lagen, die gretig gelezen werden: tot de geregelde bezoekers van kunsthandel Nord behoorden in die periode de schilders Johannes (‘Jopie’) Moesman en Pijke Koch. Halverwege de jaren dertig verhuisde de kunsthandel van Willy Wagenaar naar het pand Nieuwe Gracht 25 te Utrecht; in hetzelfde pand richtte Wagenaar vervolgens een Vrije Academie op, waar hijzelf lesgaf en zijn leerlingen in aanraking bracht met de nieuwe buitenlandse stromingen van die tijd.

Een van de andere docenten aan de Vrije Academie was de jonge schilder Hendrik Johannes (‘Henk’) Schellevis, die in 1913 te Utrecht geboren was en tussen 1930 en '34 in Amsterdam een opleiding voor tekenleraar had gevolgd. Daarna ging hij in de Domstad als vrij kunstenaar werken, waarbij hij onder meer in zijn onderhoud voorzag door bijlessen tekenen, schilderen en wiskunde te geven. Intussen was hij in contact gekomen met Willy Wagenaar, die hem vroeg aan de Vrije Academie les te komen geven. Ook ontmoette hij Ko - later: Hans - Rooduyn, die zich in die tijd op de theologiestudie voorbereidde en op Schellevis' literaire vorming een grote invloed had.

In 1938 vervaardigde Schellevis een van zijn meest bekende schilderijen, ‘Tuinfeest’, in de jaren daarna gevolgd door een reeks pentekeningen waarin door sommigen - onder wie de kunsthistoricus Jan Juffermans2 - surrealistische invloeden zouden worden opgemerkt. Hierover deelde Schellevis in 1986 mee: ‘Ik heb mij nooit surrealist gevoeld. Ik zie wel dat in elke kunst surrealistische elementen zitten. Dat wil zeggen: het surrealisme heeft eigenlijk het onbewuste uitgebuit [...], maar dat element zit toch in elke kunst. Elke kunst is niet rationeel en komt dus vanuit gebieden die door de ratio niet zo gemakkelijk te bestrijken zijn. En in dat opzicht heb ik dus dingen gemaakt die voor surrealisme zouden kunnen doorgaan, maar ik heb nooit het gevoel gehad dat ik met het surrealisme sympathiseerde of dat ik surrealist was.’3

Intussen was Schellevis in september 1939 in verband met de mobilisatie als dienstplichtig soldaat gelegerd in Katwijk. Zijn vriend Ko Rooduyn werd in die tijd wegens dienstweigering gevangengezet. Schellevis, die hem geregeld bezocht, leerde daarbij ook een van Rooduyns medegevangenen kennen: een Groninger, die Perdok heette. Schellevis besloot toen als schilder en tekenaar het pseudoniem Perdok te kiezen. Hij vertelde hierover in 1986: ‘Die naam heb ik van hem genomen, omdat ik dat een heel mooi, kort letterbeeld vond. Toen heb ik later ontdekt dat het misschien wel zo is dat onbewust in die naam Perdok twee namen van schilders vervat zijn die op mij veel

[p. 57]

invloed gehad hebben: Picasso en Pijke Koch, maar dat is iets wat niet te controleren is natuurlijk, maar wat ik als gevoel wel heb.’ Nadat het Nederlandse leger gecapituleerd had, keerde Schellevis in juli 1940 naar Utrecht terug.

In deze periode leerde Schellevis enkele jonge schrijvers kennen, onder wie Max de Jong en L. Th. Lehmann. Hij herinnert zich: ‘Ik had meer belangstelling voor de literaire mensen dan voor de schilders. Die waren mij te saai en ik kon bij de literaire mensen veel meer vinden wat mij boeide.’

Theo van Baaren en Gertrude Pape

In de vriendenkring van Ko Rooduyn kwam Henk Schellevis ook in aanraking met de jonge dichter Theo van Baaren, die sinds kort theologie studeerde.

Theodoor Pieter van Baaren (1912-'89) was te Utrecht geboren. Hij kwam uit een gezin ‘met vage katholieke achtergrond’4 en werd zelf vrijzinnig-hervormd, maar - naar eigen zeggen - ‘niet zo heel erg’. Nadat hij het staatsexamen gymnasium-alfa had gedaan, wilde hij godsdienstwetenschappen studeren; hij schreef zich daartoe in 1938 in bij de theologische faculteit van de Rijksuniversiteit in zijn geboortestad. Hij was overigens niet van plan predikant te worden. Als bijvak koos hij Egyptisch.

Intussen was Theo van Baaren begonnen poëzie te schrijven. Het eerste gedicht dat van hem gepubliceerd werd, was getiteld ‘Studeerkamer bij avond’ en werd in 1936 opgenomen in het literaire tijdschrift Helikon:

 
Een verre trein. Het tikken van een klok.
 
En zo vertrouwd de boeken om mij heen.
 
Wat stille dingen. En dan ik, alleen,
 
temidden dezer afgesloten wereld:
 
een kleine bol en ik het middelpunt,
 
waar buiten langs de grote wereld glijdt
 
en dwarrelt.
 
Het oude kleed dat op mijn tafel ligt,
 
het zachte schijnsel van een kleine lamp
 
wordt deel van mij: ik dek het naakte hout
 
en schuchter schijn ik door de kamer heen.
 
Ik ben niet meer een levend ding alleen,
 
omgeven door een massa dode dingen:
[p. 58]
 
wat is hier levend en wat is hier dood?
 
wat is hier klein en wat hier groot?
 
wie is hier schipper en wat is hier boot?
 
Ik weet het niet: 'k ben mèt de dingen dood
 
en leef met hen, hier 's avonds laat alleen.5

In de jaren daarna werden ook verzen van Theo van Baaren gepubliceerd in het tijdschrift van de protestantse jongeren, Opwaartsche Wegen. In 1939 kwam vervolgens van hem in de bekende Helikonreeks een poëziebundel, getiteld Gedichten, uit.

In maart 1939 ontmoette Theo van Baaren bij de opening van een tentoonstelling van de schilder Otto van Rees - deze was omstreeks 1917 betrokken geweest bij de Dada-beweging te Zürich - een jonge vrouw, die ook in de Domstad woonde: Gertrude Pape. Ze bleken niet alleen dezelfde artistieke belangstelling te hebben, maar ook ontstond tussen hen een amoureuze relatie.

Gertrude Edith Pape (1907-'88), die te Leeuwarden geboren was en viereneenhalf jaar ouder was dan Theo van Baaren, had een groot deel van haar vroegste jeugd in het buitenland - Engeland en Zuid-Afrika - doorgebracht. Nadat ze als zesjarig meisje in Nederland was teruggekeerd, ging het gezin in het Gooi wonen. Gertrude Pape bezocht later het Baarns Lyceum, waar ze in 1926 het gymnasiumdiploma behaalde. Intussen had ze een grote belangstelling opgevat voor allerlei vormen van kunst. Zo werd ze aan het eind van de jaren twintig lid van de afdeling Hilversum van de Filmliga. Daar zag ze voor het eerst surrealistische films, waaronder Entr'acte (1924) van René Clair en Francis Picabia. Nadat ze vervolgens omstreeks 1930 naar Utrecht was verhuisd, kon ze de kennismaking met het surrealisme voortzetten via allerlei boeken en tijdschriften die ze vond in de kunsthandel van Willy Wagenaar.

Gertrude Pape, die wel eens een gedicht schreef maar zichzelf niet als dichteres beschouwde, werkte in het najaar van 1934 onder de schuilnaam Renette le Gé mee aan het gestencilde tijdschrift Oorsprong, dat kort daarvoor door de jonge Bussumse dichter Gerrit Borgers en zijn Naardense vriend Bert Honselaar was opgericht en waarvan in januari 1935 het vierde en laatste nummer zou verschijnen. Het eerste Nederlandstalige gedicht dat van Gertrude Pape werd opgenomen - ze publiceerde in Oorsprong ook Duitstalige poëzie -, luidt:

[p. 59]
 
Juweel -
 
juichend geflonker
 
op donker
 
fluweel!6

Omstreeks deze tijd abonneerde ze zich op het Franse tijdschrift Minotaure (1933-'39), waarin de surrealisten de toon aangaven. Een grote gebeurtenis was voor haar de internationale surrealistische tentoonstelling die in de lente van 1938 in de Amsterdamse galerie Robert gehouden werd. Gertrude Pape fietste er vanuit Utrecht naar toe en genoot van de daar geëxposeerde schilderijen en objecten, waaronder ‘Le déjeuner en fourrure’ van Méret Oppenheim. Hierover schreef ze in 1982: ‘Van de bonten kop en schotel was het leuk om het ding zelf te zien, dat van afbeeldingen zo bekend was.’7 Diepe indruk op haar maakte op dezelfde tentoonstelling het grote object ‘Mutilé et apatride’ van Hans Arp.

Intussen was Gertrude Pape, die als administratrice bij de Meisjes-hbs aan de Wittevrouwenkade in Utrecht werkte, samen met haar moeder gaan wonen op een bovenverdieping van het pand Bemuurde

illustratie
Expositie van surrealistische kunst in de Amsterdamse galerie Robert in het voorjaar van 1938. Foto: E. van Moerkerken.

[p. 60]

Weerd Oostzijde 5 in die stad. Nadat haar moeder, die de Engelse nationaliteit had, in 1939 naar Engeland was teruggekeerd, woonde ze daar alleen. Haar vriend Theo van Baaren woonde in die tijd samen met zijn moeder in de Van Musschenbroekstraat in Utrecht.

Een vriendenkring ontstaat

Tot de jongeren met wie Gertrude Pape en Theo van Baaren in die periode in contact kwamen, behoorden niet alleen de schilder Henk Schellevis, maar ook de dichter Jan Wit.

Jan Wit (1914-'80) was afkomstig uit een Nederlands-Hervormd milieu in Nijmegen. Omdat hij blind geboren was, bezocht hij vanaf zijn zesde jaar het Christelijk Blindeninstituut Bartimeus te Zeist. Later ging hij naar het Koninklijk Instituut tot Onderwijs van Blinden te Bussum. Via privé-lessen - hij was in die tijd ook kerkorganist - studeerde hij intussen voor het staatsexamen gymnasium, dat hij in 1940 met goed gevolg aflegde. In hetzelfde jaar schreef hij zich in voor de studie theologie aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. Hij werd daar lid van het theologisch dispuutgezelschap Excelsior Deo iuvante.8 In dit gezelschap bestond een levendige belangstelling voor literatuur. Theo van Baaren, die zich niet bij Excelsior Deo iuvante had aangesloten, en Jan Wit ontmoetten elkaar aanvankelijk vooral in het huis, van Ko Rooduyn - Parkstraat 31 te Utrecht -, waar ook andere jonge schrijvers elkaar geregeld troffen. Op de eerste verdieping van dit huis zou Rooduyn in 1941 samen met Jan Meulenbelt de verzendboekhandel Rooduyn & Meulenbelt vestigen. Ze gaven een catalogus uit waarin onder meer clandestiene uitgaven werden aangeboden. Later raakten Meulenbelt en Rooduyn betrokken bij het Kindercomité, dat hielp bij het doen onderduiken van joodse kinderen. Toen Rooduyn wegens dit illegale werk in handen van de Duitsers dreigde te vallen, vertrok hij naar Amsterdam, waar hij aan de Spuistraat het antiquariaat D'Eendt oprichtte.

Korte tijd nadat Jan Wit kennisgemaakt had met Gertrude Pape en Theo van Baaren, ontstond de gewoonte dat hij hen op maandagavond bezocht op de etage van Gertrude Pape aan de Bemuurde Weerd. Jan Wit, die met zijn blindheid niet zonder zelfspot wist te leven - zo zei hij bij het weggaan altijd ‘Tot ziens!’ -, werd dan gebracht door zijn vriend, de schilder Henk Schellevis. Deze merkte in 1986 over de etage van Gertrude Pape op: ‘Alles was oud, versleten, alles was met boeken.’ En verder: ‘Het was een donkere, wat sombere kamer.’

[p. 61]

Niet alleen Jan Wit en Henk Schellevis, maar ook andere vrienden van Gertrude Pape en Theo van Baaren begonnen in die periode op maandagavond bij Gertrude Pape op bezoek te komen, zoals Ko Rooduyn, Max de Jong en de beide tweelingbroers Henk en Hans Hospers. De laatste, die ook theologie studeerde, hielp Jan Wit in die tijd met zijn studie Hebreeuws en ontwierp hiervoor een speciaal brailleschrift.

Op de maandagavondbijeenkomsten bij Gertrude Pape werd veel over literatuur gesproken. Niet alleen het werk van de artistieke avantgarde stond daarbij in de belangstelling - onder meer Georg Trakl en Franz Kafka, James Joyce en W.H. Auden-, maar ook de romantische poëzie uit de negentiende eeuw en de Elisabethaanse literatuur. Hele stukken Shakespeare werden - soms in het Engels, soms in vertaling - in de vriendenkring voorgedragen.

Een eigen tijdschrift

In het voorjaar van 1941, toen de maandagavondbijeenkomsten min of meer vaste traditie geworden waren, vatten Gertrude Pape en Theo van Baaren het plan op een eigen tijdschrift op te richten. Door de oorlogsomstandigheden - de Kultuurkamer was nog niet opgericht, maar wel hadden de bezetters al enkele maatregelen genomen tegen anti-Duitse literatuur - werden de bestaande literaire bladen immers rechtstreeks in hun bestaan bedreigd: de vrijheid van meningsuiting was voor een groot deel verdwenen, waardoor het minder aantrekkelijk was geworden aan deze tijdschriften te blijven meewerken. Een nieuw tijdschrift, dat zich aan de controle van de Duitsers zou onttrekken, zou aan jonge schrijvers de mogelijkheid kunnen bieden in volledige vrijheid hun werk te publiceren. Het idee voor een nieuw tijdschrift kregen Gertrude Pape en Theo van Baaren, toen zij in de Pieterskerk in Utrecht op een proefpreek van een vriend van Jan Wit zaten te wachten.

De naam voor het nieuwe blad - De Schoone Zakdoek - werd bedacht door Theo van Baaren. Hij werd hierbij geïnspireerd door het gedicht ‘Palmström’ uit de verzamelbundel Alle Galgenlieder (1940) van de door hem bewonderde Duitse dichter Christian Morgenstern (1871-1914):

 
Palmström steht an einem Teiche
 
und entfaltet gross ein rotes Taschentuch:
 
Auf dem Tuch ist eine Eiche
 
dargestellt sowie ein Mensch mit einem Buch.
[p. 62]
 
Palmström wagt nicht, sich hineinzuschneuzen.
 
Er gehört zu jenen Käuzen,
 
die oft unvermittelt-nackt
 
Ehrfurcht vor dem Schönen packt.
 
 
 
Zärtlich faltet er zusammen,
 
was er eben erst entbreitet.
 
Und kein Fühlender wird ihn verdammen,
 
weil er ungeschneuzt entschreitet.9

Opmerkelijk is dat hetzelfde gedicht van Morgenstern later ook genoemd zou worden in het verhaal ‘Het jaar van de yoni’ van Eric Terduyn, het pseudoniem van Emiel van Moerkerken, die tijdens de oorlog vrij geregeld bij Gertrude Pape en Theo van Baaren op bezoek kwam. In dit verhaal, dat in 1981 geschreven werd en vervolgens opgenomen in Terduyns bundel De ijsprinses (1982), wordt in dagboekvorm een aantal ervaringen van de hoofdpersoon Nils Alting in het najaar van 1938 in Parijs weergegeven. Zo noteert Alting naar aanleiding van een ontmoeting met de geëmigreerde Duitse student Gustl Mosheimer: ‘Die Morgenstern had ook een foute kop (vroeger op een plaatje gezien), kaal-met-baard, ethisch... Maar Palmström met z'n “Taschentuch mit Eiche”, zoals vanmorgen door Gustl beeldend voorgedragen in de rue d'Alésia, is prachtig.’10

Wat de oplage van hun nieuwe tijdschrift betreft, kwamen Gertrude Pape en Theo van Baaren tot een ongewoon besluit: ze vonden dat het de voorkeur verdiende De Schoone Zakdoek in slechts één exemplaar te vervaardigen. Hoofdzaak was voor hen dat het blad gelezen en bekeken zou kunnen worden in hun vriendenkring. Daarbij kwam dat op deze wijze de kans op ontdekking door de Duitsers veel kleiner zou worden. Bovendien bood het feit dat De Schoone Zakdoek niet behoefde te worden gedrukt, het grote voordeel dat tekeningen en foto's, die alleen met ingewikkelde technieken reproduceerbaar waren, zonder problemen in het tijdschrift konden worden opgenomen.

Een start met een beginselverduistering

In de weken hierna vervaardigden Gertrude Pape en Theo van Baaren samen het eerste nummer van De Schoone Zakdoek,11 gedateerd april 1941. Het blad, dat door Gertrude Pape getypt werd - ook vrijwel alle volgende nummers zou zij typen -, zag er als een echt tijdschrift uit. Het witte omslag - waarop groene hoekranden waren aangebracht -

[p. 63]

Beginselverduistering

illustratie
‘Beginselverduistering’ door de redactie van De Schoone Zakdoek.

[p. 64]

vermeldde in gele letters de naam ‘De Schoone Zakdoek’ en was verder voorzien van de aanduiding ‘Jaargang I Nummer I’. Op de eerste binnenpagina rechts bleek overigens de spelling van de naam van het tijdschrift te zijn gemoderniseerd: ‘De Schone Zakdoek’. Verder werd vermeld: ‘Maandblad onder redactie van Theo van Baaren en Gertrude Pape’.

Op de eerste pagina van dit nummer, dat - met het omslag meegerekend - twintig bladzijden in kwarto-formaat telde, werd niet - zoals gebruikelijk - een beginselverklaring, maar een door de redactie ondertekende ‘Beginselverduistering’ opgenomen, bestaande uit een rechthoekig zwart vlak. Theo van Baaren vertelde in 1981: ‘Deze beginselverduistering heeft drie lagen: het is een grapje, het is een verduisterd raam en het is de duistere tijd.’

Hierna volgden enkele gedichten van Theo van Baaren, waaronder het sonnet ‘Neptunus’:

 
De schaduw hangt over het bleek gazon,
 
de sparren worden zwarte silhouetten;
 
Neptunus met zijn12 drietand staat te letten
 
op 't schuchter ruisen van een kleine bron,
 
 
 
vergeefs geboren, want de zomerzon
 
staat haar niet toe het gele gras te betten,
 
reeds hier en daar gezengd door sigaretten,
 
de stank waarvan hij nooit verdragen kon.
 
 
 
Alleen de nacht verlost hem uit zijn pijn
 
en hij verheugt zich op de milde reuken
 
van dauw en nevel als op ambrozijn,
 
die helen zal zijn schaarden en zijn deuken,
 
maar aan zijn voeten ligt, rokend, onrein,
 
een tweetal tartende sigarettenpeuken.13

In de eerste aflevering werden ook ‘Botaniese impressies’ van Gertrude Pape opgenomen, bestaande uit een tweetal tekeningen van planten en enkele korte gedichten, zoals:

[p. 65]
 
In 't everbos
 
waar reigers schrijden
 
in vederdos
 
slaapt, bemind bij den
 
jenevervos
 
innig bescheiden
 
het levermos.14

Afgezien van deze en andere bijdragen van de beide redacteuren werden in dit nummer fictieve advertenties gepubliceerd zoals ‘Romantisch zelfmoordaspirant zoekt gelijkgestemd reisgenoot voor een tocht naar de etna. Br. 3 Algemene Begraafplaats’.15

Nadat in april 1941 het eerste nummer gereed was gekomen, kregen de vrienden die Gertrude Pape en Theo van Baaren op maandagavond bezochten, het ter inzage. Gertrude Pape vertelde hierover in 1981: ‘De volgende keer dat Jan Wit en zo er waren, zeiden wij: “Zeg, weten jullie dat er een nieuw blad is verschenen? Willen jullie dat zien?”’16 Zoals min of meer vaste gewoonte zou worden, werden hierna de literaire bijdragen die in het tijdschrift waren opgenomen, vanwege de blindheid van Jan Wit in de vriendenkring voorgelezen.

De tweede aflevering van De Schoone Zakdoek verscheen vervolgens in mei 1941 en telde zesendertig pagina's. Aan dit nummer werkte onder meer de jonge dichter L. Th. Lehmann mee, die in die tijd tot de geregelde gasten van Gertrude Pape en Theo van Baaren behoorde.

Louis Theodorus Lehmann was in 1920 te Rotterdam geboren en had in zijn jeugd verscheidene jaren in Overschie gewoond. Doordat zijn vader scheepskapitein was, kwam Louis Lehmann ook zelf al vroeg buitengaats. Zo maakte hij reizen naar Hamburg, Antwerpen en Londen.

Nadat in 1939 poëzie van Lehmann was gepubliceerd in het literaire jongerentijdschrift Werk, verschenen in 1940 zijn dichtbundels Subjectieve reportage en Dag- en nachtlawaai. In het begin van de oorlog was Lehmann intussen naar Utrecht verhuisd, waar hij korte tijd in hetzelfde huis aan de Parkstraat woonde als Max de Jong, die hem aan Gertrude Pape en Theo van Baaren voorstelde. Ook na 1941, toen Lehmann eerst in Amsterdam en later in Leiden was gaan wonen, zou hij geregeld de bijeenkomsten in het huis van Gertrude Pape blijven bezoeken. Gewoonlijk bracht hij er dan ook de nacht door.

In de tweede aflevering van De Schoone Zakdoek werden van L. Th. Lehmann tien gedichten opgenomen, waaronder ‘El Greco’:

[p. 66]
 
De liefde is een inktvis
 
gezien door een schabloon,
 
wat kromt onder begeerte,
 
slaat vlammen uit hun hoon.
 
 
 
Gehesen op staketsels
 
de huid van talk en roet,
 
in muffe zijden kussens
 
perst spokenwalmend bloed.
 
 
 
Versteende pijnboomsplinters
 
uit barnsteen onder zand,
 
betokkeld aan de punten
 
door storm en knekelhand.17

Een andere dichter die aan dit nummer meewerkte, was Jan Wit. Van hem werden zes kwatrijnen opgenomen, waarvan het eerste luidt:

 
De beste vrouwen zijn de zeemeerminnen,
 
waar niemand in gelooft en wie beminnen
 
wil, moet zich maar op gisteren bezinnen,
 
vandaag en morgen valt niets te beginnen.18

Behalve een Engelstalig gedicht van Gertrude Pape werd in dit nummer het eerste deel van het romantische feuilleton ‘Erger! dan! de! dood!!!’ door Nora Rabenstein (Theo van Baaren) gepubliceerd. Het verhaal, waarvan in latere nummers nog verscheidene afleveringen zouden verschijnen, werd met opzet nooit afgemaakt.

In juni 1941 verscheen vervolgens het derde nummer van De Schoone Zakdoek. In deze aflevering, die dertig pagina's telde, was een fotocollage opgenomen, vervaardigd door Theo van Baaren. Van Baaren, die al langer fotocollages maakte, haalde het materiaal hiervoor uit oude tijdschriften als Illustrated London News en The Sketch, die hij bij antiquairs kocht. Zijn uitgangspunt was gewoonlijk een idee dat ontstond doordat hij twee fragmenten van foto's met elkaar in een absurde samenhang bracht. In tegenstelling tot wat de dadaïsten omstreeks 1920 hadden gedaan, maakte Van Baaren hierbij nauwelijks gebruik van letters of abstracte elementen. Alleen verwerkte hij er - meestal met het oog op de titel - wel teksten op flesjes of boeken in. Zo ontstonden fotocollages als ‘De ontmoeting’ en ‘World's end’ (afgebeeld op het omslag van dit boek).

[p. 67]

Surrealistische experimenten

In het derde nummer van De Schoone Zakdoek werd ook een zogenaamd ‘cadavre exquis’ opgenomen, dat de schrijver Eric Terduyn (ps. van Emiel van Moerkerken) en zijn vriend Chr.J. van Geel kort daarvoor hadden vervaardigd.

Emiel van Moerkerken was in 1916 te Haarlem geboren. Hij was een zoon van de romanschrijver P.H. van Moerkerken (1877-1951), die in de jaren dertig als hoogleraar iconografie aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam verbonden was. Toen hij vijftien jaar werd, kreeg Emiel van Moerkerken, die zich al vroeg tot de fotografie en filmkunst aangetrokken had gevoeld, zijn eerste filmcamera - een negeneneenhalf mm-camera - cadeau. Twee jaar later vervaardigde hij met een zestien mm-camera een korte, experimentele film, Sonate (1933). Daarna werkte Van Moerkerken als cameraman en cutter aan verscheidene films mee.

Intussen had Van Moerkerken in 1934 met het surrealisme kennisgemaakt, toen de redactie van het Belgische tijdschrift Documents 34 in juni van dat jaar - onder de titel ‘Intervention surréaliste’ - een speciaal nummer aan deze beweging wijdde. De toen zeventienjarige Van Moerkerken voelde een schok van herkenning. Hij vertelde in 1982: ‘Dat nummer vormde een ontzettend contrast met de burgerlijke kunsttijdschriften die bij ons thuis kwamen uit de bibliotheek van de Rijksacademie: Kunst-dit, Art-dat, enzovoorts. Die vond ik allemaal saai, en nu ineens dit. Potverdrie, dit is het, hè.’19

Ruim een jaar later - in september 1935 - ging Emiel van Moerkerken naar Parijs, waar hij samen met een schoolvriend van het Kennemer Lyceum, Dolf Verspoor, bijeenkomsten van communisten afliep: daar hoorde hij de surrealistische dichter Louis Aragon spreken over ‘la poésie’. Hij kwam er in contact met Brassaï, de fotograaf van het Parijse nachtleven, met wie hij vaak cafés bezocht. Ook bij André Breton, de omstreden ‘paus’ van het surrealisme, ging hij op bezoek: ‘Zomaar aan de deur bellen, heel brutaal.’ Op introductie van Brassaï bezocht Van Moerkerken in 1938 Gala en Salvador Dalí, terwijl hij bovendien via Georges Hugnet, die hij op de surrealistische expositie in de Amsterdamse galerie Robert had ontmoet, kennismaakte met Marcel Duchamp en Hans Bellmer. In dezelfde periode - de politieke tegenstellingen tussen de surrealisten waren steeds scherper geworden - nam Van Moerkerken afstand van het felle anti-Sovjet-standpunt van André Breton. Van Moerkerken deelde hierover in 1982 mee: ‘In 1938 hebben we woorden gehad, toen hij zo vreselijk trotskist was en ik hem beleefd zei dat ik daar niet zo veel voor voelde. Toen werd hij

[p. 68]

wel een beetje boos.’ Van Moerkerken vertelde bij die gelegenheid ook dat hij in die tijd in een Chinees restaurant in Parijs dicht bij de dichter Benjamin Péret, een van de medestanders van Breton, demonstratief het communistische dagblad L'Humanité ging zitten lezen: Péret bleek daarbij zo verrukt van de culinaire genoegens uit het Verre Oosten dat hij zich niet liet provoceren.

Emiel van Moerkerken, die in 1938 in Amsterdam was gaan wonen, ontmoette daar in hetzelfde jaar de jonge tekenaar Chr.J. van Geel, die evenals hijzelf sterk door het surrealisme geboeid werd. Van Moerkerken en Van Geel werden met elkaar bevriend.

Christiaan Johannes (‘Chris’) van Geel (1917-'74), die een zoon was van de industrieel ontwerper Chris van Geel en een kleinzoon van de dichter C.J. van Geel, had in 1937 als jong tekenaar deelgenomen aan de groepstentoonstelling ‘130 Jaar Genootschap Kunstliefde’ in het Utrechts Centraal Museum. In hetzelfde jaar was hij gaan studeren aan het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs te Amsterdam, waarna hij zich in 1938 liet inschrijven als student aan de Nieuwe Kunstschool in de hoofdstad.

Omstreeks deze tijd was Van Geel begonnen surrealistische objecten te vervaardigen. Zo hing hij op de tentoonstelling van ‘De Onafhankelijken’, die in 1938 in het Stedelijk Museum te Amsterdam gehouden werd, een ‘Voetzool om te kussen’ op: ‘een met bont beplakt schoenzooltje aan kruiselings gespannen koordjes bevestigd in lijst’.20 In dezelfde periode vervaardigde Van Geel objecten als ‘L'illusion à l'aube’ en ‘Immaculata conceptio’, die na verloop van tijd verloren gingen, maar waarvan foto's, gemaakt door Van Moerkerken, later in het tijdschrift van Gertrude Pape en Theo van Baaren zouden worden opgenomen.

In 1940 verhuisde Chris van Geel met zijn grootouders naar het huis Herengracht 598 te Amsterdam, waar ook zijn vriend Emiel van Moerkerken een kamer huurde. Dit huis bleek al spoedig een onverwachte bron van inspiratie te zijn. J.P. Guépin vertelde hierover in zijn essay ‘Van Geel als surrealist’: ‘De zolder van dit huis en van het buurhuis, waar ze door een gat in de scheidingsmuur ook op konden komen, was de rommelzolder geweest van een zonderling plastisch chirurg. Diens achtergebleven voorraad, waaronder veel bidets, een kist vol kunstogen en wasvingers en een geraamte zonder hoofd, vormde een regelrechte surrealistische vondst, die materiaal leverde voor diverse objets [...].’21 Hoezeer Van Geel al in deze periode door het surrealisme gegrepen was, blijkt uit een brief die hij in 1939 schreef aan Noor Dekker, een medestudente aan de Nieuwe Kunstschool te Am-

[p. 69]

sterdam. Hij schreef hierin onder meer: ‘Ik heb respect en sympathie (wat 't zelfde is) voor elken surrealist (als surrealist) omdat ik dan zeker ben iemand voor me te hebben, en iemand, die in 't labyrinth van kunst goochelingen [kunstgoochelingen] de schijnbaar ingewikkeldste, maar toch zo eenvoudige en vanzelfsprekende, de surrealistische weg gevonden heeft. Eenvoudig en vanzelfsprekend omdat het surrealisme geen artistieke “school” is, maar een geestesgesteldheid, [...] een mooi landschap dat ik steeds om me heen weet.’22

Op oudejaarsavond 1940 introduceerde de dichter Louis Lehmann zijn vriend Emiel van Moerkerken in de kring van Gertrude Pape en Theo van Baaren, waarna Van Moerkerken op zijn beurt weer Chris van Geel naar een van de bijeenkomsten in het huis aan de Bemuurde Weerd meenam. Van Geel, die evenals Van Moerkerken graag een bohémien-levensstijl cultiveerde, behoorde overigens niet tot de geregelde bezoekers.

Van Moerkerken en Van Geel, die - zoals we gezien hebben - al vóór de oorlog sterk door het surrealisme werden geboeid, troffen bij Gertrude Pape, Theo van Baaren en hun vrienden een verwante belangstelling aan. Deze belangstelling beperkte zich niet tot gesprekken over het surrealisme: het gezelschap dat op maandagavonden aan de Bemuurde Weerd samenkwam, hield zich - zoals Emiel van Moerkerken al halverwege de jaren dertig in Parijs had gedaan - ook graag bezig met surrealistische ‘spelletjes’. Een van de favoriete bezigheden van de kring rond Gertrude Pape en Theo van Baaren was het vervaardigen van ‘cadavres exquis’. De techniek hiervan deed denken aan het zogenaamde ‘protocollen’: een spel met gevouwen papier, waarbij het erom ging een tekst of tekening door verschillende personen te laten vervaardigen, zonder dat de spelers op de hoogte waren van wat er tot dusver al was geschreven of getekend.

De Franse surrealisten, die hoopten met behulp van deze techniek de door hen verafschuwde logica een beentje te lichten, speelden het spel voor het eerst in 1925. De naam die zij eraan gaven, werd ontleend aan het eerste deel van een op deze manier ontstane zin: ‘Le cadavre exquis boira le vin nouveau.’

Op de maandagavonden bij Gertrude Pape en Theo van Baaren kwamen op deze wijze ook complete sonnetten tot stand. Bij het maken van een gezamenlijk sonnet was het de gewoonte wel inlichtingen te verschaffen over het aantal versvoeten in een regel en het rijmwoord. Theo van Baaren deelde hierover in 1981 mee: ‘Je moest weten of je vier, vijf of zes voeten moest hebben, anders krijg je geen resultaat.’ En over het rijmwoord: ‘Het rijmwoord had je eigenlijk in zijn

[p. 70]

geheel nodig. We hebben het wel eens geprobeerd alleen met de rijmklank, dan wist je nog minder, maar dan krijg je natuurlijk gemakkelijk dat er twee of misschien zelfs drie keer hetzelfde woord in voorkomt. Dat is dan niet zo geslaagd.’

Vele ‘cadavres exquis’ werden op deze manier geschreven: door twee, vier of zelfs tien personen. De resultaten liepen uiteen. Louis Lehmann vertelde hierover: ‘Emiel van Moerkerken en ik hebben een sonnet samen gemaakt, dat was bijna geheel rationeel.’23 En Theo van Baaren: ‘Het is wel mijn ervaring, dat blijkt ook uit de gedichten, dat je - wanneer je twee of hoogstens drie mensen bij elkaar hebt, die elkaar heel goed kennen - een resultaat krijgt dat bijna een gewoon gedicht is. Dat komt omdat je dan zo goed op elkaar bent ingesteld, dat het een beetje gelijk loopt. Als je meer uiteenlopende mensen hebt, krijg je ook de vreemdste resultaten en vaak worden ze zo vreemd, dat ze niet leuk meer zijn.’



illustratie
Een vriendenkring: op de achterste rij Theo van Baaren en Gertrude Pape, vooraan van links naar rechts E. van Moerkerken, Carry van den Heuvel en Louis Lehmann. Foto: E. van Moerkerken.

[p. 71]

Daarnaast werden er op de maandagavondbijeenkomsten ook één of twee keer gezamenlijke tekeningen gemaakt, waarbij alleen de uiteinden van de lijn voor de volgende tekenaar zichtbaar waren. Een probleem hierbij was dat Perdok (Henk Schellevis) - de enige schilder in de vriendenkring - veel beter tekende dan de anderen, waardoor een onevenwichtig resultaat ontstond.

Het ‘cadavre exquis’ dat Eric Terduyn (Emiel van Moerkerken) en Chr.J. van Geel in de derde aflevering van De Schoone Zakdoek publiceerden, luidt:

 
De vrees te veel te geven weegt mij zwaar,
 
het gras werd voor mijn voeten weggemaaid.
 
Ik vaar, maar dreigt niet overal gevaar?
 
Tot in haar haren is het bloed gelaaid.
 
 
 
Zij was een kind nog, sproeten, vuurrood haar.
 
Drie dagen heeft de ziel halfstok gewaaid.
 
Ik kuste hare mond van veertien jaar.
 
Is glas de oogst? 'k Heb sterren je gezaaid.
 
 
 
Mijn vulpen schrijft niet zo het hart het wil.
 
Mijn hart en hand te warm? Haar hart te kil.
 
Wanneer, mijn meisje, zul je het bevatten?
 
 
 
Wie zal je kussen buiten mijn smal perk?
 
Zal ooit verblijven in jouw geest mijn merk?
 
Ik spijker voor mijn hart weer druivenlatten.24

Over dit ‘cadavre exquis’ en andere gedichten die hij in die tijd samen met anderen schreef, merkte Emiel van Moerkerken in 1988 op: ‘Die cadavre-gedichten waren [...] maar spelletjes van mijn kant. Ik had nooit enige pretentie op dicht-gebied, heb daar ook geen talent voor [...].’ En over de inhoud van die poëzie: ‘Ik moet [...] er op wijzen dat die 2-persoons gedichten [...] geen samenspraken inhouden: elk van ons mijmerde voor zich uit met privé besognes, zoals gedachten aan onze eigen vriendinnetjes.’25

Verder werden in de derde aflevering van De Schoone Zakdoek, waarin het ‘cadavre exquis’ van Terduyn en Van Geel was opgenomen, onder meer een gedicht van Ko Rooduyn en een verhaal - getiteld ‘Maarten Vroom heeft geluk’ - van de schrijver-uitgever Jaap Romijn gepubliceerd.

[p. 72]

Ad den Besten en C. Buddingh'

Begin juli 1941 verscheen vervolgens het vierde nummer van De Schoone Zakdoek. Tot de schrijvers die aan deze - tweeëndertig pagina's tellende - aflevering meewerkten, behoorde de jonge Utrechtse dichter Ad den Besten.

Adrianus Cornelis den Besten was in 1923 te Utrecht geboren. Hij ging naar het Utrechts Christelijk Gymnasium, dat ook bezocht werd door Piet van Klaveren, die later door Den Besten in de vriendenkring van Gertrude Pape en Theo van Baaren geïntroduceerd zou worden. Al heel jong, in oktober 1939, debuteerde Den Besten in het tijdschrift van de protestantse jongeren, Opwaartsche Wegen, met een gedicht dat hij als vijftienjarige geschreven had. Op aanraden van Roel Houwink, redacteur van Opwaartsche Wegen, nam hij daarna contact op met Theo van Baaren, die in hetzelfde tijdschrift gepubliceerd had. Eind 1940 werd ook in het jongerentijdschrift Criterium poëzie van Den Besten opgenomen.

In 1940 maakte Den Besten een afspraak met de schrijver Max de Jong. De bedoeling was dat Den Besten op de dertiende of veertiende mei bij De Jong thuis voor het eerst een ontmoeting zou hebben met de dichter Leo Vroman, die toen in Utrecht studeerde en daar een kamer had. Den Besten herinnert zich: ‘Even daarvoor was de oorlog uitgebroken, maar toch ging ik ernaar toe. Ik trof wel Max de Jong, maar niet Leo Vroman. Achteraf bleek dat hij uit Nederland vertrokken was.’26

In de eerste jaren van de bezettingstijd bracht Den Besten - soms vergezeld van zijn vriendin Agnes van der Wedden, met wie hij na de oorlog zou trouwen - geregeld een bezoek aan de maandagavondbijeenkomsten bij Gertrude Pape en Theo van Baaren. Hij schreef hierover in 1988: ‘Zo'n lange donkere pijpenla als die bovenverdieping [...], volgepakt met boeken en allerhande vreemde voorwerpen, heb ik van m'n leven niet meer gezien. Vergeet daarbij niet de vele wonderlijke sculptures, maskers, voorouderbeeldjes uit Afrika, Australië, Indië, die je van alle kanten aanstaarden. Theo, de godsdiensthistoricus - assistent van Professor Obbink - was een verwoed verzamelaar! Hij had met al zijn objecten een duidelijke verhouding, kende hun karakters, en zo kon hij je met een stem tussen ernst en spot verzekeren dat je voor deze hier - die hij dan teder over de bol aaide - niet bang hoefde te zijn. “Maar die daar, dat is een kwaje!”’27 Den Besten herinnert zich ook dat tijdens de bijeenkomsten tomatensap werd geschonken: voor hem en zijn vriendin ‘iets heel nieuws en heel aparts’.28

In het vierde nummer van De Schoone Zakdoek werden van Ad den

[p. 73]

Besten, die in die tijd juist het gymnasiumdiploma behaalde, vier gedichten gepubliceerd, waaronder het sonnet ‘Aankomend dichter’:

 
Ik had bericht: het vers was opgenomen...
 
En 'k liep die morgen stoerder door de klas;
 
Een meisje dacht dat zij verkoren was
 
en poogde nader in contact te komen.
 
 
 
Om vier uur sprong de regen door de bomen
 
en spatte razend op mijn kalebas;
 
maar 'k lachte spottend in een regenplas
 
en dacht mij 't ideaal van meisjesdromen.
 
 
 
Dien avond reed mijn Simplex door de straten,
 
maar ìk zat toen allang weer op de maan.
 
 
 
De regen stond nog troebel in de gaten;
 
toen is mijn Simplex overstag gegaan...
 
 
 
... Ik zal er verder nu niet over praten,
 
maar 'k heb mezelf nog nooit zo'n pijn gedaan.29

In september 1941 zou Den Besten theologie gaan studeren in Utrecht. Een van zijn medestudenten was Jan Wit, die hij al in de kring van Gertrude Pape en Theo van Baaren had leren kennen. Evenals Jan Wit sloot hij zich aan bij het Utrechts dispuutgezelschap Excelsior Deo iuvante.

In het vierde nummer van De Schoone Zakdoek werden bovendien twee gedichten van Leo Vroman gepubliceerd die deze bij zijn overhaast vertrek in mei 1940 - Vroman was naar Engeland gevlucht - bij Max de Jong had achtergelaten. Het eerste gedicht, ‘Ik zoek...’, luidt:

 
Ik zoek de zweefste van de lege kloven,
 
Met witte hand voorbij, slechts èèn stap verder,
 
En krassende kraaien daarboven.
 
 
 
Ik zoek te wenteldrijven in de stromen
 
Witte vin een vijfde vadem dieper
 
Starend naar langsglijbomen.
 
 
 
Ik zoek rusten hoofdgeborgen in je schoot,
 
Maar starend in het nevelfloers van liefde
 
Naar ver bewegen van de waze dood.30
[p. 74]

Tot de vrienden van Gertrude Pape en Theo van Baaren die in die tijd bij hun tijdschrift betrokken raakten, behoorde verder ook de jonge dichter C. Buddingh' in Dordrecht.

Cornelis (‘Kees’) Buddingh' (1918-'85) had in Dordrecht de hbs bezocht. Na het behalen van het einddiploma ging hij in 1935 - vooral onder invloed van de door hem bewonderde jazz - Engels studeren aan de School voor Taal- en Letterkunde in Den Haag. Eén jaar later richtte hij samen met zijn vriend Anthony (‘Tony’) Bosman de afdeling Dordrecht van de Nederlandse Jazz Liga op. Meestal kwamen ze bij elkaar op de kamer van Anthony Bosman, waar de muren versierd waren met foto's van Louis Armstrong en Duke Ellington en waar de beide vrienden luisterden naar de platen van hun favoriete jazz-musici. Door zijn studie Engels kwam Buddingh' in deze periode in aanraking met de poëzie van W.H. Auden en zijn generatie, waarop hij enthousiast reageerde. Ook het dadaïsme en surrealisme boeiden hem. Hij las de bloemlezing Petite anthologie poétique du surréalisme (1934) - samengesteld door Georges Hugnet - en kocht ook geregeld nummers van het internationale tijdschrift Transition, dat toen in Nederland werd uitgegeven en waarin onder meer bijdragen van de dadaïsten Hans Arp en Kurt Schwitters waren opgenomen. In 1938 - in hetzelfde jaar behaalde Buddingh' de mo-akte Engels A - moest hij in militaire dienst: hij maakte de mobilisatie mee en belandde na de capitulatie voor de Duitsers in krijgsgevangenschap. In augustus 1940 - kort nadat hij naar zijn ouderlijk huis in Dordrecht was teruggekeerd - ontmoette hij in Utrecht voor het eerst Theo van Baaren.

Op 2 juni 1941 schreef deze laatste een briefkaart aan Kees Buddingh' en Anthony Bosman, waarin hij meedeelde: ‘Gertrude en ik zouden graag begin volgende maand een zondag naar D. komen. Mogen we dan op jullie als Fremdenführer rekenen? Zo ja, schrijf ons dan eens welke week jullie het best schikt.’

Van Baaren vervolgde: ‘We hebben een in 1 exemplaar verschijnend tijdschrift opgericht “De Schone Zakdoek” en zullen jullie medewerking zeer op prijs stellen. Honorarium wordt natuurlijk niet betaald, maar daar staat tegenover, dat het werk ook voor alle andere doeleinden als ongepubliceerd mag gelden. Verder ligt het in de aard van de redactie, dat we, mits de kwaliteit goed is, gaarne bijdragen opnemen, die door hun aard (alleen politiek is taboe) voor andere periodieken minder in aanmerking komen (surrealisme b.v.).’31

Kees Buddingh' antwoordde op 29 juni dat een bezoek op 6 juli hem en Anthony Bosman goed zou uitkomen: ‘Jullie kunnen bij mij eten. Broodbonnen echter zeer gewenst.’ En verder: ‘Wij zijn enthousiast

[p. 75]

over “De Schone Zakdoek”, en zullen het dus als een eer aanrekenen eraan te mogen meewerken. Kunnen jullie een paar nummers meebrengen?’32

Toen Gertrude Pape en Theo van Baaren op de voorgestelde datum naar Dordrecht gingen, hadden ze niet alleen broodbonnen bij zich, maar ook de vier - tot dusver verschenen - nummers van hun tijdschrift. Door Kees Buddingh' kwamen ze daarna in contact met een andere jonge dichter uit Dordrecht, Con Schröders.

Begin augustus verscheen vervolgens de vijfde aflevering van het tijdschrift van Gertrude Pape en Theo van Baaren. Voor het eerst vermeldde nu ook het omslag de naam in de moderne spelling: ‘De Schone Zakdoek’. In dit nummer, dat vierenveertig pagina's telde, waren zes gedichten van C. Buddingh' opgenomen, waarvan het eerste gedicht - het sonnet ‘Om het even’ - luidt:

 
Wat maakt het uit of men zijn huis verlaat,
 
een nieuwe woon zoekt onder andre sterren,
 
aan andre stromen, in een andre straat:
 
't geluk ligt immers enkel in de verre
 
 
 
domeinen van de droom, die ons verlaat
 
zodra het hart de vrede meent gevonden,
 
bij 't haardvuur zit, niet meer uit zwerven gaat,
 
bang zich aan riet of struikgewas te wonden.
 
 
 
En heult men met de droom, dan laat die slechts
 
een ijle leegte achter en een weemoed
 
waaraan het hart eenmaal ten gronde gaat.
 
 
 
Het pleit wordt altijd door de droom beslecht,
 
of men het spel ontvlucht, of grimmig meedoet,
 
door pampa's zeult, of het bij lezen laat.33

Het vijfde nummer bevatte verder een reeks notities - onder de titel ‘Andanti en Arpeggi’ - van de Groningse schrijver Jacob Evenhuis, die hierbij voor zichzelf het pseudoniem Constantijn Polytroop had gekozen. In deze - merendeels cultuurhistorische - notities merkte Polytroop over het surrealisme op: ‘De surrealistische vermicelli-bouwsels van Giacometti zijn onuitstaanbaar, tenzij men ze fijn stampt, met saus overgiet en verorbert. Maar misschien is dit de bedoeling en misschien is een deel van het surrealisme te verstaan als een medische list der maagspecialisten. Zoals bij de Petroniaanse Romeinen een aparte slaaf

[p. 76]

voorkwam, om zijn heer, wiens vergeetachtige luiheid zich tot de maag uitstrekte, aan de noodzakelijkheid van alweer een maaltijd te herinneren, zo zou het surrealisme in een tijd, die dreigde ook de maag te zullen vergeestelijken, uit loutere humaniteit, net als die slaaf de maag te hulp gekomen zijn. En zelfs te vleien: men denke aan de suikerpoppetjes van Yves Tanguy. Een ander deel van het surrealisme is, mutatis mutandis, dan misschien een psychiatrische list der surrealiserende complexjagers, welke haar doel voorbij geschoten is. Als de lust al vrij kwam, raakte hij dadelijk daarop weer vast aan het oude complex en werd “Lust am Komplex”.’34

Opvallend in het vijfde nummer waren enkele tekeningen die gemaakt waren door de dertienjarige Gerdi Wagenaar (geb. 1928), een dochter van de Utrechtse kunsthandelaar en schilder Willy Wagenaar.

illustratie
Tekening van Gerdi Wagenaar in De Schone Zakdoek.

[p. 77]

Ook aan latere nummers van De Schone Zakdoek zou Gerdi Wagenaar - soms met geborduurde tekeningen - meewerken. Louis Lehmann merkte in 1982 over haar op: ‘Ze maakte bijzonder knappe tekeningen.’ Overigens doet het feit dat in De Schone Zakdoek kindertekeningen werden opgenomen, denken aan de opvattingen die in de jaren twintig door de Franse surrealisten waren verkondigd. Volgens André Breton en zijn vrienden verdienden artistieke uitingen van kinderen immers speciale aandacht, omdat de verbeelding hier nog niet door het logische denken leek te zijn aangetast. Opgemerkt moet overigens worden dat de surrealisten hierbij een voorkeur hadden voor tekeningen van kinderen die nog aanzienlijk jonger waren dan dertien jaar.

In september 1941 verscheen vervolgens het zesde nummer van De Schone Zakdoek. Dit nummer, dat veertig pagina's telde, had een omslag, bestaande uit wikkels van sigarettendoosjes: in een periode waarin tabak vrijwel niet meer te krijgen was, maakte dit omslag een uitgesproken nostalgische indruk. Van de schilder en dichter W. Hussem, die overigens nooit de maandagavondbijeenkomsten bij Gertrude Pape en Theo van Baaren bezocht, werd het gedicht ‘Oerwoud’ opgenomen:

 
Lussen die lianen vlechten
 
Tussen 't struikgewas, en hechten
 
Met haar luchtwortels aan palmen,
 
Bed waarin de wind blijft talmen,
 
Waar de vogels komen slapen
 
Paar bij paar. Gekroonde apen
 
Vluchten. - Als 'k een pad wil banen
 
Zucht het weefsel van lianen.35

Surrealisme en limericks

Na de zevende aflevering (oktober 1941), die vierenveertig bladzijden telde en geheel gevuld was met collages en tekeningen, verscheen in november een dubbelnummer - nummer 8-9 -, dat gewijd was aan het surrealisme. Het omslag van deze speciale aflevering, die een omvang had van tweeëntachtig pagina's, was verfraaid met een halve zakdoek. Gertrude Pape vertelde in 1981: ‘Het was een zakdoek waar een gat in zat. Anders waren we natuurlijk niet zo “verschwenderisch” geweest. Textiel was op de bon, nietwaar.’

Deze aflevering bevatte een kort surrealistisch toneelstuk - getiteld ‘Rafflesia Arnoldi’ -, dat geschreven was door Theo van Baaren, L. Th. Lehmann en Gertrude Pape. ‘Rafflesia Arnoldi’ - de naam was

[p. 78]



illustratie
Omslag van De Schone Zakdoek (september 1941).

[p. 79]



illustratie
Omslag van het surrealisme-nummer van De Schone Zakdoek.

[p. 80]

ontleend aan de bekende vleesetende woekerplant in Borneo (het tegenwoordige Kalimantan) - begint als volgt:

 
Huiskamer. Er wordt gebeld. Even later wordt er
 
geklopt. Dienstmeisje op.
 
Meisje: Meneer, er is een dode voor U uit Boulogne.
 
Meneer: Wie kan dat zijn?
 
Mevrouw: Toch zeker geen schuldeiser?
 
Meneer: Dan is hij in alle geval onschadelijk.
 
Meisje: Moet ik hem maar binnenlaten, Meneer?
 
Meneer: Laat hem maar in de spreekkamer en zeg mijn
 
assistente de instrumenten klaar te leggen.
 
(Dienstmeisje af. Meneer roept haar achterna:) O Jansje,
 
zeg dat ze de messen nog even slijpt.
 
Mevrouw: Een raadselachtig geval.
 
Meneer: Och kom, iedereen gaat dood, wat is daar voor raadselachtigs aan?
 
(Er wordt geklopt. Dienstmeisje op)
 
Meisje: Meneer, hij zegt, dat hij niet langer wachten
 
wil.
 
Meneer: Zeg maar, dat ik direct kom. [(] Tot mevrouw): Ik ga er eerst maar even heen.
 
Mevrouw (roept hem angstig achterna:) Jan, ga niet.36

De basis voor dit toneelstuk was de zin ‘Er is een dode uit Boulogne’, die ontstaan was tijdens een zogenaamde kruisseance. Gertrude Pape: ‘Twee stokjes van b.v. 40 cm. worden in het midden haaks op elkaar gebonden met daar ook een kort naar beneden wijzend stokje. Vier deelnemers laten elk een uiteinde op hun rechterhand rusten. In het midden ligt een groot blad papier waarop rondom in vakjes het alfabet en de cijfers en “ja” en “nee”. Als het wil, voelt men dat het kruis gaat bewegen en wat rondzweeft boven de tafel. Men vraagt: “Is hier een intelligentie aanwezig?” waarop het kruis neerduikt met die benedenpunt op “ja”. “Wie bent U?” Het kruis gaat een naam spellen en zo verder.’37 Over de zin ‘Er is een dode uit Boulogne’ merkte Louis Lehmann in 1982 op: ‘Ik geloof eigenlijk dat het een samenstelling is van twee zinnen die door dat kruis gemaakt zijn.’ De hoofdpersoon van het toneelstuk is een dokter, die met het afgesneden hoofd van zijn assistente wordt geconfronteerd en ook verder nachtmerrie-achtige gebeurtenissen meemaakt. Zoals in vele surrealistische films heerste er in het stuk de sfeer van een droom waarin alles mogelijk lijkt.

[p. 81]

Het surrealisme-nummer van De Schone Zakdoek bevatte verder een ‘cadavre exquis’, dat omstreeks 1928 door de toen twaalfjarige Emiel van Moerkerken samen met zijn ouders en een vriendje was gemaakt:

 
Die heerlijke aardrijkskunde
 
Verslikte zich
 
Met Meneer
 
Boven op den Eiffeltoren
 
En er kwam een ontploffing van.38

In deze aflevering werden ook enkele resultaten opgenomen van de - eveneens door het surrealisme geïnspireerde - vraag- en antwoordspelletjes die Emiel van Moerkerken, Louis Lehmann en anderen met elkaar speelden en waarbij de beginwoorden van een vraag aan de ander werden meegedeeld. Enige voorbeelden:

Wat zijn likdorens? - De zomerschoenen van Asschepoester.
Wat is een ei? - Een uitgehaald breiwerk.
Wat is een zucht? - Een jas, zonder ophanglus.
Wat is Mengelberg? - Een engel met een slurf en twaalf zwarte klauwen.
Wat is surrealisme? - De mazen van het vischnet.39

In het surrealisme-nummer werd verder een lang gedicht - getiteld ‘Hormonopathicon’ - van Theo van Baaren gepubliceerd. Hierin werd een toespeling gemaakt op de in de oorlogsjaren geliefde uitdrukking ‘Oranje zal overwinnen’ (Ozo):

 
Manus zwijgt als zeven pauwen
 
in het bos van Wamiwo,
 
tot het jublen der getrouwen
 
'm doet ontwaken met: Ozo.40

Daarnaast bevatte dit nummer verscheidene ‘cadavres exquis’ die tijdens de maandagavondbijeenkomsten waren geschreven. Eén daarvan was vervaardigd door Theo van Baaren, L. Th. Lehmann, Henk Schellevis en Gertrude Pape:

 
De tot op de draad versleten
 
Zeester uit de baai van Biscuitje
 
Vernietigde met één blik
 
Zijn met zweren overdekte dochter.41
[p. 82]

Een ander ‘cadavre exquis’ was het sonnet ‘Beterschap’, dat door Theo van Baaren, Chr.J. van Geel, L. Th. Lehmann, Eric Terduyn (Emiel van Moerkerken) en Gertrude Pape in eendrachtige samenwerking geschreven was:

 
Gelijk de eenzame die op een vlot zat
 
(de kachel werd gevuld en brandt nog steeds),
 
Was haar japon ter linkerzijde sleets
 
Want zij gleed telkens uit over die rotmat.
 
 
 
O neen ik wil niet langer dit complotbad!
 
Vooral bij daglicht had zij iets ontkleeds
 
En schreef gedichten in de trant van Beets
 
En minde hem, omdat hij wat van Ot had.
 
 
 
Men kan zich deze moeite ook nog geven.
 
De vraag bleef aarzlend op haar lippen zweven.
 
De wilde dieren brullen in hun kooi.
 
 
 
Doch onverhoeds vielen in 't riet de zeilen,
 
Men heeft vrij zicht en proviand voor mijlen.
 
Met zijn bescherming is het leven mooi.42

Daarnaast werden in het surrealisme-nummer ‘cadavres exquis’ in het Duits en Frans opgenomen alsmede collages van Chr.J. van Geel en foto's van surrealistische objecten van E. van Moerkerken.

In januari 1942 kwam hierna de tiende aflevering van De Schone Zakdoek uit. Op het omslag van dit nummer, dat vijftig bladzijden telde, werd voor het eerst als ondertitel vermeld: ‘Onafhankelijk maandblad’.

Deze aflevering bevatte onder meer het gedicht ‘Dies irae’ van Jan Wit:

 
Een leviathan doet de waat'ren koken,
 
Waar wonderbaar mijn eerste visvangst was
 
En handen komen langs de muren spoken,
 
Waarop ik eens mijn roeping las.
 
 
 
Aan alle posten van bekende deuren
 
Is niet het bloed van 't paaslam, maar een kruis
 
Van beenderen, om eerstgeboornen treuren
 
De moeders in zo menig huis.
[p. 83]
 
En in de kreken, waar ik placht te landen
 
Drijven kadavers, de gezwollen buik
 
Omhoog. Er is geen wapen in mijn handen,
 
Maar Simson's afgeschoren pruik.43

In februari 1942 verscheen vervolgens het elfde nummer van De Schone Zakdoek. Het omslag van deze aflevering, die vijftig pagina's telde en gewijd was aan limericks, toonde een kaart van Ierland waarop de plaatsnaam Limerick was onderstreept. In totaal waren in dit nummer drieëntachtig limericks opgenomen, waaronder deze van Jan Wit:

 
Er was eens een foetus in Haren
 
Die wilde zich niet laten baren
 
Hij vond het zo goed
 
In het moederlijk bloed
 
En wilde zijn onschuld bewaren.44

In dit nummer stonden ook limericks in het Engels, Frans, Duits, Grieks en Latijn. Eén limerick in het Hebreeuws was vervaardigd door Jan Wit. Er was zelfs een limerick van Theo van Baaren bij die voor een deel uit hiërogliefen bestond.

Hierna kwam in maart 1942 het twaalfde nummer van De Schone Zakdoek uit. In deze aflevering, waarvan de omvang vierenveertig pagina's was, werd een kort verhaal, getiteld ‘Het schilderij’, van Eric Terduyn (Emiel van Moerkerken) gepubliceerd. Dit verhaal had Terduyn tijdens ‘een soort wederzijdse opstel-wedstrijd’45 met Chris van Geel in mei 1940 - enkele dagen vóór de Duitse inval - op één avond geschreven. De hoofdpersoon van ‘Het schilderij’, de schilder Bill Lepelnéus-Bunzing, was bedoeld als karikatuur van de dichter J.W.F. Werumeus Buning, die eind 1939 de degens had gekruist met S. Vestdijk. De aanleiding hiertoe was een anoniem artikel in het dagblad De Telegraaf van 4 oktober 1939,46 getiteld ‘Beschamende lectuur’ en gewijd aan de roman Schandaal in Holland (1939) van E. du Perron. In dit artikel was het boek van Du Perron om de inhoud, die volgens de schrijver van het artikel onsmakelijk zou zijn, scherp aangevallen. Vestdijk, die indertijd gemeend had dat dit artikel door de redacteur Werumeus Buning geschreven was, had hierop in november 1939 gereageerd met zijn essay ‘De fatsoensrakker’ in Groot Nederland. Vervolgens hadden Werumeus Buning en Vestdijk een felle, maar ook amusante polemiek in versvorm gevoerd. Vestdijk zou hierover in 1961 in het tijdschrift Maatstaf schrijven: ‘Ik vond die ondichterlijke

[p. 84]



illustratie
Collage van Chr.J. van Geel, getiteld “Portrait de l'artiste”.

[p. 85]

strijd wel grappig, te meer omdat Buning ermee begonnen was - naar aanleiding van het artikel De fatsoensrakker, reactie op een stuk in de Telegraaf, dat hij zelf niet eens geschreven had! - daarmee bewijzend, dat hier een punchingball geraakter kon zijn dan men van zo'n dood voorwerp mocht verwachten.’47 En verder: ‘[...] tenslotte was mijn stuk een “antwoord” geweest op een abjecte kritiek op Du Perron's Schandaal in Holland (niet van de hand van Buning, zoals ik al zei, het was anoniem; dit kon mij verder niet schelen; Buning had het kúnnen schrijven, of inspireren; ik híeld het in elk geval voor een artikel van Buning).’48

In ‘Het schilderij’ van Eric Terduyn wordt onder meer beschreven hoe Bill Lepelnéus-Bunzing een tentoonstelling met werk van de schilder V.d. Stoep - een toespeling op Du Perron - bespreekt: ‘Bill kon v.d. Stoep niet uitstaan. Deze, meende hij, miste innerlike beschaving en cultuur (Bill had ongelijk, want v.d. Stoep was, hoewel schilder, bizonder intelligent en erudiet), en, nee dat was geen schílderen, dat was literatúúr, ô Rubens (Bill's afgod).

En Bill trof het. Er bevond zich namelik op de tentoonstelling een schilderij, dat, hoe zal ik het zeggen, het niet te nauw nam met de burgerlike moraal. (En nog wel een meisje had er voor model gestaan, waar Bill een blauwtje bij had gelopen.[)] Ik zal verder dit schilderij niet beschrijven - het was een Bijbels tafereel -, doch volstaan met te zeggen dat het ronduit een meesterwerk was, en terecht in de artistieke wereld ook als zodanig beschouwd werd. Niet alzo door onze Bill. Hij wond zich vreselik op, en de volgende dag verscheen er een lang artikel in het dagblad van pa Bunzing, over de verwildering der goede zeden, over de pornograaf v.d. Stoep, die beter “i.d. goot” kon heten, over kunsthandelaars die vieze plaatjes verkochten, enz.’49

De tweede jaargang

In maart 1942 was intussen met het verschijnen van het twaalfde nummer van De Schone Zakdoek de eerste jaargang voltooid. Hierna besloten Gertrude Pape en Theo van Baaren voortaan elke twee maanden een dubbelnummer samen te stellen, dat - indien mogelijk - ongeveer een dubbele omvang zou hebben.

Kort hierna verscheen aflevering 13-14 (april-mei 1942), die tweeenzeventig pagina's telde. In dit nummer waren onder meer poëzie van Ko Rooduyn en Theo van Baaren en een tekening van L. Th. Lehmann opgenomen.

Een opvallend gedicht in dit nummer was in november 1895 ge-

[p. 86]

schreven door de toen achttienjarige P.H. van Moerkerken - de vader van Emiel van Moerkerken - en tot dan toe nooit gepubliceerd:

 
Als vlerken van nachtvooglen gleed de stront,
 
In najaarsschemering grijzig-transparant,
 
Met sierlijk zwieren over 't zwarte land
 
En werd verzwolgen in doorploegden grond.
 
 
 
Zij, eens gevallen uit der koeien kont,
 
Gevormd van knollen uit de volle mand,
 
Schonk levenskrachten aan het schrale land:
 
't Leven der dingen wankelt [wentelt] eeuwig rond.50

Emiel van Moerkerken merkte in 1982 over dit vers, dat in 1979 zou worden opgenomen in Gerrit Komrij's bloemlezing De Nederlandse poëzie van de negentiende en twintigste eeuw in duizend en enige gedichten,51 op: ‘Dit vind ik verreweg het beste gedicht van mijn vader.’

In de zomer van 1942 verscheen vervolgens nummer 15-16 (juni-juli 1942), dat opnieuw een omvang van tweeënzeventig bladzijden had. Deze aflevering opende met een gedicht dat werd toegeschreven aan de dichter H. Marsman, die in juni 1940 in het Kanaal verdronken was. Gertrude Pape had in een exemplaar van de poëziebundel Le laboratoire central (1921) van de Franse dichter Max Jacob dat zij bij een antiquariaat gekocht had - voorin stond vermeld: ‘Henny Marsman Paris, Sept. '22’ -, een blaadje gevonden waarop diagonaal over de pagina met potlood een gedicht geschreven was. Theo van Baaren, die wel eens met Marsman gecorrespondeerd had, herkende het handschrift. Geen van beiden wist dat de eerste twee strofen van dit gedicht - met toevoeging van een vijftal interlinies - onder de titel ‘Dordrecht’ gepubliceerd waren in Marsmans bundel Voorpost (1931), die in slechts vijftig exemplaren verschenen was.52 Marsman had voorin deze bundel geschreven: ‘De verzen, die hier volgen, dateeren uit den tijd waarin mijn eerste bundel (“Verzen”) ontstond. Ik nam ze daar niet in op, en ik geloof ook nu nog, dat dit, zuiver critisch bezien, juist is geweest. Maar de enkelen voor wie deze uitgave bestemd is, oordeelen hierin wellicht anders.’53 Het - in De Schone Zakdoek gepubliceerde - gedicht luidt:

[p. 87]
 
zon
 
op het plein
 
van de stroomen
 
springt
 
de fontein
 
van den dag
 
draai schijf slag
 
 
 
wijn
 
boomen
 
zijn
 
het gewei
 
van den dag
 
volkomen
 
doorzichtige
 
seinen
 
blauw
 
glad
 
 
 
vuur slag spat
 
vonk
 
uit den tronk
 
van den toren
 
 
 
onder-zon
 
langs de rails
 
van de stralen
 
morgen
 
schalen54

Van C. Buddingh' werd in dit nummer opgenomen het gedicht ‘Llamourr’:

 
Het paard van driehoog,
 
En de wasbeer van beneden,
 
Zij vormen een paar
 
Dat geen oorlog beroert.
 
 
 
Zij hinken langs de gracht
 
Als de dag is gaan slapen,
 
En kussen elkaar
 
Tot de maan opkomt.
[p. 88]
 
Want het paard van driehoog,
 
En de wasbeer van beneden,
 
Zij schuwen het licht
 
Als de builenpest.
 
 
 
Zij dromen een wereld
 
Waar 't altijd nacht is,
 
Waar liefde van suiker
 
En een hart van fondant is;
 
De wasbeer, het paard,
 
En de rest van de stad.55

Hierna verscheen nummer 17-18 (augustus-september 1942) van De Schone Zakdoek, dat geheel gewijd was aan vertalingen. In deze aflevering, die tachtig pagina's telde, waren vertalingen opgenomen uit het Engels, Frans, Duits, Spaans, Portugees, Italiaans, Latijn, Deens en Chinees, terwijl ook vertalingen van poëzie van de zogenaamde ‘Primitieven’ (onder meer een krijgslied, afkomstig van het eiland Samoa) in dit nummer werden gepubliceerd. Tot de vertaalde dichters behoorden Catullus, Luís de Góngora, Gérard de Nerval, Georg Trakl, T.S. Eliot, W.H. Auden en Benjamin Péret. De Dordrechtse dichter Anthony Bosman publiceerde daarnaast in deze aflevering een vertaalde samenvatting van het toneelstuk La vengeance d'une orpheline russe (De wraak van een Russische wees), dat de Franse schilder Henri Rousseau le Douanier waarschijnlijk omstreeks 1880 geschreven had.

Vervolgens kwam aflevering 19-20 (oktober-november 1942) uit, die een omvang had van achtenzestig bladzijden. In dit nummer werd onder meer een ballade van Theo van Baaren opgenomen:

 
Een bezemsteel ter kerke ging
 
Mirabile dictu
 
De dominee zich haast verhing
 
Mirabile dictu
 
Toen hij den bezem komen zag
 
Mirabile dictu
 
De koster met een brede lach
 
Mirabile dictu
 
Bood hem de collectezak
 
Mirabile dictu
 
De bezemsteel werd bleek en brak
 
Mirabile dictu
 
Heel 't dorp kwam ter begrafenis
[p. 89]
 
Mirabile dictu
 
Het vuilnisblik in droefenis
 
Mirabile dictu
 
Snikte heel het kerkhof vol
 
Mirabile dictu
 
De stofdoek was van smart haast dol
 
Mirabile dictu
 
De schuier en het schuurpapier
 
Mirabile dictu
 
Weenden als een bergrivier
 
Mirabile dictu
 
De weduwe slechts onverstoord
 
Mirabile dictu
 
Sprak lachende een afscheidswoord
 
Mirabile dictu.56

Deze ballade zou na de oorlog twee keer getoonzet worden, speciaal voor gebruik door fanfarekorpsen.

Na nummer 21-22 (december 1942-januari 1943), dat tweeënzeventig pagina's telde en bij gelegenheid van het sinterklaasfeest een Griekse en een - door Jan Wit, Hans Hospers en Theo van Baaren vervaardigde - Hebreeuwse vertaling van het lied ‘Zie, de maan schijnt door de bomen’ bevatte, verscheen begin februari 1943 de laatste aflevering van de tweede jaargang van De Schone Zakdoek: het dubbelnummer 23-24. In dit nummer (februari-maart 1943), dat een omvang had van vierenzestig bladzijden, werd onder meer de volgende ‘Hartewens’ van C. Buddingh' gepubliceerd:

 
De sterren van de luitenant
 
gaan slechts in klare onder.
 
God geev' dat eens het vaderland
 
ook voortbestaan kan zonder.57

Deze aflevering bevatte verder een viertal zogenaamde ‘décalcomanies’ van E. van Moerkerken. Het procédé hiervan, dat overigens al sinds mensenheugenis tot de geliefde kinderspelletjes behoorde, was in 1936 door de surrealistische schilder Oscar Dominguez gepropageerd als een middel om toegang tot het onderbewustzijn te krijgen. Hierbij werd inkt of waterverf op een blad papier aangebracht, dat daarna onmiddellijk met een ander blad papier bedekt werd. Hierna werd het tweede blad verwijderd, waarna de décalcomanie zichtbaar werd.

[p. 90]



illustratie
Décalcomanie van E. van Moerkerken, getiteld ‘Het oude joodse kerkhof te Praag’.

[p. 91]

Van E. van Moerkerken, die het procédé van het vervaardigen van décalcomanies overgenomen had uit het nummer van het Franse tijdschrift Minotaure dat in juni 1936 verschenen was, werden in deze aflevering van De Schone Zakdoek twee décalcomanies met groene en twee met blauwe inkt gepubliceerd.

De derde jaargang

In april 1943 kwam nummer 25-26 (april-mei 1943) van De Schone Zakdoek uit, het eerste nummer van de derde jaargang. Op de tweede bladzijde van deze aflevering, die zeventig pagina's telde en door Theo van Baaren getypt was, werd medegedeeld: ‘Dit eerste nummer van de derde jaargang is opgedragen aan Gertrude Pape en Bemuurde Weerd’. Hierna was een vers van Theo van Baaren opgenomen, bestemd voor Gertrude Pape. Het begin van dit vers luidt:

 
Alle vrinden,
 
welgezinden,
 
je beminde
 
't allermeest
 
zijn vol ijver,
 
teeknaar, schrijver,
 
fluks en nijver
 
druk geweest.
 
 
 
Ja, dit nommer
 
kostte kommer,
 
maar de lommer
 
van dit blad
 
zal je dekken,
 
schuts verstrekken
 
tegen 't lekken