Ruim anderhalf jaar nadat Gertrude Pape en Theo van Baaren in april 1941 de eerste aflevering van De Schoone Zakdoek vervaardigd hadden, werd in Amsterdam een ander ondergronds tijdschrift opgericht - Lichting -, waarvan het eerste nummer in november 1942 uitkwam. In die periode was de situatie in bezet Nederland aanzienlijk grimmiger geworden. De terreur die door de Duitse bezetters werd uitgeoefend, was verscherpt. Velen werden gearresteerd en in gevangenissen of gijzelaarskampen opgesloten. Met name de vervolging van de joodse bevolkingsgroep, waartegen al in 1940 de eerste maatregelen genomen waren, had zich geïntensiveerd: de joden werden steeds meer geisoleerd en in aparte stadswijken samengebracht, terwijl in mei 1942 het dragen van een ‘jodenster’ verplicht werd gesteld. Nadat in de voorgaande periode al enkele razzia's op joden hadden plaatsgevonden - in februari 1941 had dit geleid tot het uitbreken van de Februaristaking in Amsterdam en omgeving -, waren in de zomer van 1942 de systematische deportaties van joden begonnen.
Op cultureel gebied was intussen in 1942 de Nederlandsche Kultuurkamer opgericht, wat ertoe geleid had dat alleen kunstenaars die zich bij deze organisatie hadden aangemeld, nog in het openbaar konden optreden of boeken publiceren. Zoals we in het inleidende hoofdstuk hebben gezien, werd in verband hiermee de publikatie van het literaire tijdschrift Criterium, waaraan gedurende de afgelopen periode vooral jonge auteurs hadden meegewerkt, in het voorjaar van 1942 gestaakt. Enkele maanden eerder - in januari 1942 - was het eerste nummer van het culturele tijdschrift De Schouw uitgekomen, dat het officiële orgaan van de Kultuurkamer was.
In deze omstandigheden leek het van belang een nieuw ondergronds literair blad op te richten waaraan jonge schrijvers die niets voor de nationaal-socialistische kunstopvattingen voelden, zouden kunnen meewerken. Het initiatief tot oprichting van een dergelijk blad werd
in het najaar van 1942 genomen door de Utrechtse student Gerrit Jan de Jongh.
Gerrit Johan Wilhelm de Jongh (geb. 1923) was afkomstig uit Oudewater. Nadat hij met zijn ouders naar Arnhem was verhuisd, bezocht hij daar het Stedelijk Gymnasium. Hij vatte in die periode een grote liefde op voor de literatuur: vooral de essays van Menno ter Braak en de poëzie van J. Slauerhoff en H. Marsman boeiden hem. In 1982 deelde hij over de literaire voorkeur van zichzelf en zijn vrienden in die tijd mee: ‘Slauerhoff was onze grote man.’1
Na het behalen van het gymnasiumdiploma ging De Jongh in 1940 in Utrecht Nederlandse taal- en letterkunde studeren. Hij werd lid van het Utrechtse Studentencorps en ontmoette daar de Haagse rechtenstudent Theo Hondius, die een jaargenoot van hem was.
Theodorus Jacobus Hondius, die in 1922 te Leiden was geboren, was aan het eind van de jaren twintig naar Amsterdam verhuisd, waar zijn vader, de classicus dr. J.J.E. Hondius, conrector werd van het Amsterdams Lyceum. In de hoofdstad bezocht Theo Hondius van 1934 tot '39 het Vossius Gymnasium, waar hij onder meer lessen Nederlands kreeg van de bekende essayist D.A.M. Binnendijk, die de literaire belangstelling van zijn leerlingen sterk probeerde te stimuleren. Een inspirerende invloed ging in deze richting ook uit van het gezin van een schoolvriend, Paul Katz, een joodse jongen die uit Duitsland afkomstig was. Theo Hondius herinnert zich dat hij bij dit gezin geregeld op zondagmorgen langs ging en dan ‘Kaffee mit Kuchen’ kreeg. Hondius vertelde over deze bezoeken: ‘Vader Katz las voor uit de Duitse klassieken, en ik heb daar - misschien een jaar lang - Goethe, Schiller, noem maar op, allemaal op die zondagmorgens perfect gehoord, voorgedragen door iemand die die traditie dus eigenlijk meebracht vanuit zijn eigen milieu in Duitsland.’2 In deze periode publiceerde Hondius gedichten in het schoolblad van het Vossius Gymnasium, Vulpes.
In 1939 werd de vader van Hondius benoemd tot rector van het Vrijzinnig Christelijk Lyceum te Scheveningen. Theo Hondius bezocht daarna in Den Haag de laatste klas van het Gymnasium Haganum, waar hij in 1940 eindexamen deed. Op aandringen van zijn vader, maar tegen zijn zin - hij wilde liever letteren studeren in Amsterdam -, schreef hij zich in september 1940 in voor de rechtenstudie aan de Rijksuniversiteit van Utrecht. Hij sloot zich aan bij het Studentencorps en kwam daar in contact met Gerrit Jan de Jongh.
Omdat het hem in Utrecht niet beviel, gaf Hondius na drie maanden de studie op en keerde hij naar Den Haag terug. Kort daarna - in april
1941 - publiceerde hij in eigen beheer zijn eerste boek, getiteld Breviarium, dat voor zijn vrienden was bestemd en in een oplage van honderd exemplaren bij een Scheveningse drukker werd vervaardigd. In dit boek, dat onder het pseudoniem Theo Haag verscheen en zesendertig pagina's telde, waren korte prozateksten - geschreven in de winter van 1939-'40 - verzameld.
In deze periode had Theo Hondius enkele baantjes, totdat hij zich in september 1941 inschreef als student rechten aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam. Daar huurde hij een kamer aan de Herengracht.
In het voorjaar van 1942 kreeg Theo Hondius een acute blindedarmontsteking, waarna hij dezelfde dag geopereerd werd en drie weken lang moest kuren in het Rode-Kruisziekenhuis te Den Haag. In deze periode schreef hij een cyclus van vijftien achtregelige gedichten die hij kort daarna in een bundel onder de titel Voorjaar in het ziekenhuis (1942) in eigen beheer uitgaf. In deze bundel, die hij (evenals Breviarium) bij een Scheveningse drukker had laten vervaardigen en onder het pseudoniem Theo Haag publiceerde - ter misleiding van de toenmalige culturele autoriteiten werd in de bundel over de uitgave meegedeeld: ‘Cologne / chez / Pierre Marteau / 1942’ -, werden Hondius' ervaringen tijdens en onmiddellijk na zijn verblijf in het ziekenhuis weergegeven, zoals in het laatste gedicht, waarin zijn thuiskomst wordt beschreven:
Teruggekeerd in Amsterdam, kreeg Theo Hondius in de herfst van 1942 bezoek van zijn Utrechtse vriend Gerrit Jan de Jongh, die ook gedichten schreef en met wie hij vaak over literaire onderwerpen had gesproken. Bij die gelegenheid ontvouwde De Jongh het plan een eigen jongerentijdschrift op te richten. Hondius deelde hierover in 1986 mee: ‘Hij kwam met het verhaal: “Luister eens, ik vind dat we wat weerbaarder moeten worden, ik stel voor dat we een tijdschrift in het leven roepen.”’
Het voorstel van De Jongh vond bij Hondius een enthousiast onthaal. Hij deelde mee dat hij enige van zijn vrienden zou vragen aan het nieuwe tijdschrift mee te werken. De Jongh en Hondius waren het er daarbij over eens dat bij de uitgave van een blad grote voorzichtigheid geboden zou zijn. Ze besloten dat alle bijdragen uitsluitend onder pseudoniem zouden worden gepubliceerd en dat ze zelfs elkaar niet zouden vertellen wie ze voor medewerking hadden uitgenodigd. Hun bedoelingen waren daarbij overigens niet speciaal van politieke aard. Gerrit Jan de Jongh merkte hierover in 1982 op: ‘De oorspronkelijke opzet was eigenlijk niet politiek. Op het moment dat wij het plan opvatten dat blad op te richten, hadden we niet in de eerste plaats politieke bedoelingen.’ Aan de andere kant was natuurlijk alleen al het laten verschijnen van een ondergronds blad een politieke daad, juist omdat dit door de Duitsers verboden was.
De naam voor het nieuwe tijdschrift - Lichting - werd door Theo Hondius bedacht. De Jongh herinnert zich: ‘De naam Lichting was een soort woordspeling tussen het woord “Lichtung”, dat een open plek in een bos is, en “lichting” als een generatie. Dus wij beschouwden ons echt wel als representanten van een bepaalde generatie.’
In de weken na hun eerste bespreking gingen De Jongh en Hondius ieder voor zich op pad om bijdragen te verzamelen. De Jongh nam contact op met Govert A. Gezelle Meerburg (geb. 1918), een vijf jaar oudere student die hij bij de colleges van zijn Utrechtse hoogleraar prof. dr. C.G.N. de Vooys had ontmoet. Govert Meerburg, die later onder de schuilnaam Marten Sikkema een belangrijke rol zou spelen in de Friese beweging - hij zou in 1944 ook meewerken aan het ondergrondse Friestalige blad De Rattelwacht -, had juist zijn kandidaatsexamen Nederlandse taal- en letterkunde gedaan. Hij beloofde voor Lichting enige gedichten in te sturen. De Jongh construeerde voor zijn vriend het pseudoniem A.G. De Meester Landsdorp: een vrijwel volmaakt spiegelbeeld van diens werkelijke naam G.A. Gezelle Meerburg. Kort daarna veranderde Meerburg zijn pseudoniem in Allard Landsdorp uit ‘bewondering voor de cosmopoliet Allard Pierson’.4
Een andere vriend van De Jongh was de schilder Hans Engelman (geb. 1922), die een neef van de dichter Jan Engelman was en in die tijd studeerde aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten te Amsterdam. De Jongh en Engelman kenden elkaar, doordat hun beider ouders met elkaar bevriend waren. Engelman, die in Heiloo was opge-
groeid, beloofde elke maand een aantal exemplaren van Lichting onder zijn vrienden en kennissen te verspreiden.
Een van hen was de jonge dichter Gerrit Kouwenaar, met wie Engelman via wederzijdse kennissen in contact was gekomen. Hij vroeg Kouwenaar of hij poëzie voor het nieuwe tijdschrift wilde afstaan. Kouwenaar gaf hem twee gedichten en koos voor zich het pseudoniem K. van Ritger, waarbij Ritger een anagram (in dit geval een lettergreep-omzetting) is van Gerrit; de K staat uiteraard voor Kouwenaar.
Gerrit Kouwenaar was in 1923 te Amsterdam geboren. Hij bezocht daar het Amsterdams Lyceum, waar de vader van Hondius conrector was en waar later ook Remco Campert en Rudy Kousbroek als leerling zouden worden ingeschreven. In september 1940 verhuisde hij naar het Noordhollandse kunstenaarsdorp Bergen, waar de familie Kouwenaar een zomerhuis bezat. Hij ging vandaar naar de Rijks-hbs te Alkmaar, waar hij in de vierde klas kwam te zitten. Aan het eind van dat schooljaar, in juni 1941 - Kouwenaar was toen zeventien jaar -, besloot hij de hbs vaarwel te zeggen en zijn geluk te beproeven als dichter. Op 10 september van dat jaar verscheen bij gelegenheid van de vijfenzestigste verjaardag van zijn vader David Kouwenaar, die tot aan zijn pensionering hoofdstedelijk correspondent van de Nieuwe Rotterdamsche Courant was geweest, de eerste dichtbundel van Gerrit Kouwenaar, getiteld Vroege voorjaarsdag. Deze bundel, die Kouwenaar bij een Alkmaarse firma had laten drukken en die twaalf verzen telde, opent met het gedicht ‘Stil mijne ziele...’:
Ook Theo Hondius zocht intussen allerlei jonge mensen die aan het nieuwe tijdschrift zouden kunnen meewerken. Een van zijn vrienden was Theo Joekes (geb. 1923), die twee jaar op het Vrijzinnig Christelijk Lyceum in Scheveningen had gezeten, waar - zoals eerder werd vermeld - de vader van Hondius vanaf 1939 rector was. Theo Joekes, die na 1963 bekendheid zou krijgen als Tweede-Kamerlid voor de vvd en schrijver van gedichten, romans en detectiveverhalen, had in het begin van de bezettingstijd in het schoolblad, V.C.L.-nieuws, enige verzen gepubliceerd die de aandacht van Theo Hondius hadden getrokken. Tussen hen ontstond een intense vriendschap. Joekes herinnert zich: ‘Hondius was voor mij het soort boezemvriend dat je in de hoogste klasse van de middelbare school hebt. We kenden elkaar nog geen week of we schreven al gedichten over en weer naar elkaar toe.’6 Theo Hondius vertelde van zijn kant over zijn vriendschap met Joekes: ‘We zaten daar gezellig op zijn kamer met het gashaardje. Er bleek ook nog een jongedame in huis te zijn waar we alle twee onmiddellijk verliefd op werden, en dat hebben we uitgeleefd in een serie dichtwerken, aan elkaar gericht, waarbij dat meisje natuurlijk geen enkele rol speelde, want we waren alleen maar bezig om elkaar te overtroeven in poëtische vorm.’ Mede om veiligheidsredenen - de vader van Theo Joekes, mr. A.M. Joekes, was als fractievoorzitter van de vooroorlogse Vrijzinnig Democratische Bond betrokken bij het werk van het illegale Politiek Convent - trok de familie Joekes zich in 1942 vanuit Den Haag terug in een buitenhuisje te Wezep (gemeente Oldebroek) op de Noord-Veluwe. In hetzelfde jaar verscheen in eigen beheer een getypte poëziebundel in vijf exemplaren van Theo Haag (Theo Hondius) onder de titel Lift up your heart, waarvan het colofon onder meer vermeldde: ‘Deze 1e druk van lift up your heart werd in 1942 getypt bij Joekes en Haag, 's-Gravenhage-Wezep.’7 De bundel, voorzien van de ondertitel ‘Vaderlands dicht’, bevatte elf verzen die handelden over de oorlog en de Duitse bezetting.
In het buitenhuisje te Wezep, dat heel romantisch ‘Blokhuis Mexico’ heette en diep in de bossen verscholen lag, vertelde Hondius zijn vriend Theo Joekes over het nieuwe tijdschrift. Ook Joekes, die in die jaren een typografenopleiding bij Tjeenk Willink in Zwolle volgde en 's avonds de ambachtsschool bezocht, beloofde gedichten in te sturen. Bij het vervaardigen van zijn pseudoniem zette hij de letters van zijn eigen naam in een andere volgorde, waardoor het anagram Joost Heeke ontstond.
Een andere jonge dichter die Hondius voor medewerking aan Lichting benaderde, was de Amsterdammer Leo Frijda, met wie Hondius bevriend was en met wie hij enige maanden zijn kamer aan de Herengracht had gedeeld.
Leo Herman Frijda was in 1923 te Amsterdam geboren. Zijn lagereschooltijd bracht hij door op de zogenaamde ‘Openluchtschool’ in Amsterdam-Zuid. Daarna ging hij naar het Vossius Gymnasium. Toen hij dertien jaar was, sloot hij zich aan bij de padvinderij, waarvan hij twee jaar lid zou blijven.
Op het Vossius Gymnasium, waar hij een klas lager zat dan Hondius, kreeg hij evenals deze laatste Binnendijk als leraar Nederlands. In deze tijd vatte Frijda een grote belangstelling op voor literatuur: met name de poëzie van Marsman greep hem sterk aan. Hij begon ook zelf verzen te schrijven. Verder speelde hij viool en piano en zong hij graag liederen uit Die Dreigroschenoper. In de zomer van 1940 bleek dat hij

Van links naar rechts: Leo, Nico en Jetteke Frijda omstreeks 1928.
niet bevorderd werd naar de zesde klas van het Vossius Gymnasium, waarna hij naar het Amsterdams Lyceum overging. In 1941 behaalde hij daar het gymnasiumdiploma.
Intussen was de vader van Leo Frijda, de Amsterdamse hoogleraar in de economie prof. dr. H. Frijda - hij was bij het veertigjarig regeringsjubileum van koningin Wilhelmina in 1938 als haar erepromotor opgetreden en genoot vooral daardoor bij het grote publiek bekendheid -, in het najaar van 1940 wegens zijn joodse afkomst als hoogleraar ontslagen. Leo Frijda, die medicijnen wilde studeren, zag zich om dezelfde reden de toegang tot de universiteit versperd en hij besloot daarom in de zomer van 1941 een opleiding tot medisch analist te gaan volgen.
In die tijd bestonden er grote spanningen tussen Leo Frijda en zijn vader, omdat deze laatste zijn zoon onder meer verweet dat hij te grote risico's nam. Leo Frijda's vier jaar jongere broer, Nico Frijda, herinnert zich over de houding van zijn broer: ‘Een zeer eigenzinnige en onorthodoxe en [...] risico-nemende manier van leven; zeker voor een joodse jongen durfde hij nogal wat. Dan kwam hij op een goed moment thuis - dat weet ik nog wel -, hij had een Leica en dan had hij foto's genomen van de bordjes “Voor joden verboden” hier en daar bij de Nieuwe Herengracht en dergelijke. Nou, dat was op zich natuurlijk een niet al te voorzichtige manier van doen, maar zeker voor een joodse jongen niet, en daar schrokken wij dus ons allemaal ook de pleuris van.’8
In verband met de huiselijke spanningen besloot Leo Frijda na het behalen van het gymnasiumdiploma op kamers te gaan wonen in Aalsmeer. Daar ontmoette hij de dochter des huizes, Mien Harmsen (geb. 1915), die acht jaar ouder was dan hijzelf en die een grote bewondering voor hem opvatte. Mien Harmsen vertelde hierover in 1986: ‘Het was de meest geniale jongen die ik ooit heb ontmoet. Absoluut. Hij was briljant, intelligent. Hij kon ook alles. Hij studeerde medicijnen, hij schreef, hij componeerde, wist heel veel van muziek. [...] Alles bloeide bij hem, alles, alles kwam op. Hij was fantastisch, maar het was verder niet een aardige jongen natuurlijk. Dat gaat niet samen.’9
In de herfst van 1941 - kort nadat Leo Frijda weer in contact was gekomen met zijn vroegere medeleerling Theo Hondius - verhuisde Frijda naar diens ruime kamer aan de Herengracht, waar ze 's avonds lange gesprekken hadden over literatuur en vooral over de poëzie van Marsman. In een cahier schreef Theo Hondius - waarschijnlijk in de winter van 1941 op '42 - over zijn contacten met Leo Frijda onder meer: ‘Vaak hield ik mij slapend als ik de laarzen hoorde stappen op de
houten wenteltrap en onder de vilten hoedrand het ronde, blozende gelaat verscheen om de openschuivende deur. Met de handen in de zakken van zijn korte grijze winterjas ijsbeerde F. al reciterend heen en weer. Van het ene, verduisterde raam tot [het] andere, en tussen de schaarse meubelstukken door. Zag hij, dat ik nog wakker was, dan stevende hij op mijn bed af, boog zich, heftig gebarend over mij heen, en sproeide mij de verzen in het gezicht. Dreigend naderden zijn ogen de mijne[:]
Kort en fel beet hij de woorden af, en toch was deze stem een zang, zoals [door] geen dichter ooit gezongen werd. F. richtte zich weer op, en schreed door de kamer met de zware stap van zijn laarzen.
Zo leerde ik Marsman kennen. Eigen verzen toonde F. mij nooit: het bleek mij later, dat hij na elke nieuwe poging alle vorige, vernietigde. Soms vond ik in de asla van het salamandertje een halfverkoold papier tussen de blokken; ik streek het glad en vormde zo allengs een kleine verzameling, waar ik zijn verzen uit leerde kennen. Zij waren zo als hij zelf, wild, vurig en rijk aan zang, geen woord te veel; de regels verliepen onregelmatig over het blad, soms vormde zich vanzelf een harmonie, waar de gespletenheid in het rijm zijn meester vond. Toch begreep ik dat de angst en de onzekerheid de drijfveer waren van zijn bestaan.’10 Met de versregels die Hondius aanhaalde - zelf schreef hij al in de kantlijn: ‘iets anders’ -, doelde hij op enkele regels uit Marsmans gedicht ‘Virgo’:
Leo Frijda en Theo Hondius vatten kort nadat Frijda op de kamer van Hondius was komen wonen, het plan op met een boot uit Nederland te ontsnappen. Via een advertentie probeerden ze een ‘zeewaardige zeilboot’ te kopen, maar tijdens een tocht door het duingebied bij Scheveningen bleek hun dat het vrijwel onmogelijk was clandestien weg te komen. Later - in het voorjaar van 1942 - verhuisde Frijda naar het pand Nieuwe Herengracht 17 te Amsterdam, waar zijn vriendin Mien Harmsen intussen was gaan wonen. Volgens deze laatste was hierbij niet van een erotische relatie sprake. Zij vertelde hierover in 1986: ‘Het was meer een broertje. Hij ging ook in de buurt door voor
mijn broer. Hij was blond en ik ook. En hij had het persoonsbewijs van mijn broer.’
Toen Hondius in het najaar van 1942 met Frijda over het nieuwe tijdschrift sprak, zegde deze hem zijn medewerking toe. Hij koos voor zich het pseudoniem Edgar Fossan.
Aanvankelijk hoopten Gerrit Jan de Jongh en Theo Hondius dat ze Lichting zouden kunnen laten drukken. Theo Hondius sprak hierover met de Haagse uitgever A.A.M. Stols, voor wie hij twee boekjes van Rilke had vertaald, maar deze zag geen kans Lichting uit te geven. Hierna nam De Jongh contact op met vroegere personeelsleden van het Utrechtse Studentencorps, dat door de Duitsers opgeheven was. Met hen maakte hij de afspraak dat het nieuwe tijdschrift op de stencilinrichting van het Corps zou worden vermenigvuldigd.
Wat de redactie van Lichting betreft, werd waarschijnlijk besloten dat deze zou bestaan uit Gerrit Jan de Jongh en Theo Hondius. De laatste schreef in 1982 dat De Jongh en hij ‘en geen anderen’ de redactie vormden.12
Een complicatie hierbij is dat Gerrit Jan de Jongh in hetzelfde jaar schriftelijk meedeelde: ‘Zelf heb ik het steeds zo opgevat, dat de redactie werd gevormd door Hondius, Frijda en mij.’13 Daarbij lijkt het niet uitgesloten dat De Jongh er vroeger toch anders over heeft gedacht. Een aanwijzing hiervoor vormt het feit dat de taalkundige P.J. Meertens in zijn essay ‘De poëzie der allerjongsten’, dat in oktober 1945 in het literaire tijdschrift Ad Interim verscheen en waarvoor Gerrit Jan de Jongh gegevens heeft verstrekt,14 schreef: ‘Het initiatief tot de oprichting ging uit van den jongen Utrechtsen student G.J.W. de Jongh, die met een ander Utrechts student, Theo J. Hondius, de redactie vormde.’15 De schrijfster Lydia Winkel, met wie De Jongh eveneens contact heeft gehad16, is in haar boek De ondergrondse pers 1940-1945 (1954) weliswaar iets vager - ‘De redactie bestond uit een Amsterdamse groep onder leiding van Th.J. Hondius en een Utrechtse onder leiding van G.J. de Jongh, beiden ondergedoken Utrechtse studenten’17 -, maar ook hier worden nadrukkelijk alleen deze twee namen genoemd. Het feit dat beide publikaties niet lang na de oorlog verschenen zijn, lijkt in dit verband niet zonder belang.
Gerrit Jan de Jongh schreef over de samenstelling van de redactie in 1988: ‘Deze is nooit formeel vastgelegd. Wij hadden geen uitgever en behoefden dus ook niet aan juridische consequenties te denken. Ik her-
me niet meer wat ik aan de heer Meertens en Lydia Winkel heb gezegd, maar wel, dat in alle bijeenkomsten waar besluiten werden genomen over de plaatsing van de ingezonden bijdragen ook Leo Frijda aanwezig was en zijn mening gaf [...].’18
Govert Meerburg merkte in 1988 op: ‘Ik wist destijds wel, dat er een Utrechtse red. was, nl. mijn vriend G.J. de Jongh, en een Amsterdamse, maar ik wist uiteraard niet wie dat was of waren. Ik weet wel, dat De Jongh nu en dan naar A'dam reisde voor een redaktiebespreking. Het ging allemaal een beetje “Uit de losse hand”, dat moest ook wel wegens de geheimhouding. De Jongh liet mij wel eens iets lezen dat bij hem ingekomen was, maar vertelde uiteraard niet wie achter het pseudoniem schuilging.’19
Zoals ook hieruit al blijkt, hoeft de scheidslijn tussen redactie en vaste medewerkers niet al te strak getrokken te worden. In de informele sfeer waarin Lichting vervaardigd werd, zal niemand zich er veel zorgen over hebben gemaakt, wie redacteuren waren en wie medewerkers. Daarbij komt dat door het ondergronds karakter van het blad vermelding van de namen van de redacteuren achterwege bleef, waardoor ook een zekere vervaging in de hand gewerkt werd. Typerend hiervoor is dat Theo Joekes, die van het bestaan van Gerrit Jan de Jongh in die tijd geen flauw vermoeden had, op zijn beurt van mening was dat de redactie gevormd werd door Theo Hondius en hemzelf. Joekes deelde hierover in 1982 mee: ‘Ik heb altijd gedacht dat wij eigenlijk met z'n tweeën met enige inzending van buiten dat blad maakten.’ Wat hieruit wel blijkt is dat de redacteuren met grote voorzichtigheid te werk gingen.
Na alle voorbereidingen verscheen dan in november 1942 het eerste nummer van Lichting, dat als ondertitel meekreeg: ‘Litterair maandblad van de jongeren’. In de kop van deze aflevering werd vermeld: ‘Eerste jaargang’. Het eerste nummer werd in een oplage van ongeveer vijftig exemplaren gestencild. Later zou de oplage van Lichting tot ongeveer vijfentwintig exemplaren worden teruggebracht.
Het eerste nummer telde dertien pagina's in folio-formaat. Op de laatste bladzijde werd meegedeeld: ‘“lichting”, letterkundig maandblad, zal in het begin van elke maand uitkomen. De abonnementsprijs bedraagt f 4.- per half jaar; losse nummers kosten f 0.75. Het geld wordt in ontvangst genomen door degeen die U dit nummer bezorgde. Ook bijdragen (altijd onder pseudoniem!) bereiken de re-
dactie via hem. Het spreekt verder vanzelf, dat met betrekking tot deze uitgave de meest stipte geheimhouding in acht genomen dient te worden. Men late dus de afleveringen niet slingeren, noch aan mensen lezen, die niet volkomen te vertrouwen zijn (aan anderen natuurlijk daarentegen hoe meer hoe liever!) en dele bij verdere verspreiding (die overigens zeer op prijs gesteld wordt) onder geen voorwaarde mee door wie men zelf eraan gekomen is.’20
De eerste aflevering werd geopend met een beschouwing onder de titel ‘Ter introductie’, waarboven de schrijver H. ten Doohuis - een anagram van Theo Hondius - als motto had geplaatst: ‘Hommes: 40 / Chevaux: 8 (en long)’.21 Met deze tekst - afkomstig van de spoorwagons van het Franse leger - werd al onmiddellijk gesuggereerd dat het blad een heterogeen karakter zou krijgen.
Ten Doohuis merkte hierna op - de volgende passage werd ook in het inleidende hoofdstuk van dit boek geciteerd -: ‘De eerste Lichting is uit! en de triomfantelijke voldoening die deze mare verwekt bij de kleine groep van schrijvers en lezers, die het tot stand komen van dit dunne, gestencilde blaadje mogelijk maakten laat zich vooral, voor de buitenstaander misschien alleen, verklaren uit de omstandigheden van dit initiatief. Ondanks papierschaarste en Kultuurkamer, in weerwil van de censuur der Duitse overheid en de pressie op het gehele culturele leven uitgeoefend, klinkt hier de stem van jonge, meest onbekende Nederlandse dichters, die gehoord wil worden, vrij van politieke dreigementen of ideologische dwang.’
Ten Doohuis vervolgde: ‘Zeker, wij hebben gekozen, tegen tyrannie en willekeur, hartstochtelijk gekozen voor de vrijheid van overtuiging en meningsuiting - maar een dergelijke stellingname op zichzelf rechtvaardigt niet het aanzien van een nieuwe litteraire periodiek. Wel versmalde ook hier het nog toegestane terrein: “Werk” en “Criterium”, de voornaamste afzetgebieden der jongste poëzie, zijn verdwenen - maar het enthousiasme, dat ons in Lichting samenbracht beoogt meer dan voortgezette litteraire activiteit alleen. Voor ons was geen plaats.
“Werk”, door “Criterium” voortgezet en oorspronkelijk bedoeld als een algemeen tijdschrift voor de poëzie der jongeren, verstarde meer en meer tot een vaste, dogmatische kern van dichters en hun epigonen, door Ed. Hoornik vergaard en weldra verheven tot de adelstand van “Romantisch Realisme”, “Een synthese, die in de romantiek van ‘De Vrije Bladen’ het rationalisme van ‘Forum’ wil opnemen”, schrijft Hoornik in het Januari-nummer van 1941 en wijst dan tenslotte heen naar een bezielde idee, “een beeld van synthetische beheer-
sing en volledige humaniteit”. Ook Bertus Aafjes, in zijn inleiding op de Criterium-middag, doet het niet minder. Wel geeft hij toe dat de nieuwe generatie (het gesol met het begrip “generatie” laten wij nu maar verder rusten) geen programma bezat noch bezit, zij heeft dan toch “een ideaal, dat anders is dan dat der vorige generatie, maar allerminst vijandig daaraan”.’ Met de hier genoemde ‘inleiding op de Criterium-middag’ doelde Ten Doohuis op Aafjes' beschouwing ‘Inleiding op de Criterium-middag te Amsterdam’ - gepubliceerd in het nummer van april 1941 van het tijdschrift Criterium -, waarin Aafjes had vastgesteld: ‘Het is overbodig [...] op te merken dat de nieuwe generatie ontstaan is zonder enige breuk met de vorige. Zij bezat en bezit nog geen programma. Zij bezit alleen een ideaal, dat anders is dan dat der vorige generatie, maar allerminst vijandig daaraan.’22
Ten Doohuis schreef verder: ‘Met zulke en soortgelijke uitlatingen van de erkende woordvoerders der jongeren [...] voor ogen is het niet te verwonderen dat velen uitzagen naar nieuwe wegen, zonder maximum snelheid - of voorrangbordjes.’
Over de oprichting van Lichting merkte hij vervolgens op: ‘Intussen greep de bezettende macht, ondanks haar aanvankelijke beloften, steeds meer in het culturele leven in, en al spoedig werd het ons duidelijk dat wij langs sluippaden bij nacht en ontij ons gestelde doel moesten bereiken. De beslissing viel tenslotte ten gunste van het “goedkope” blaadje, dat nu voor het eerst in stencilvorm verschenen is. Tegelijkertijd voerden wij echter besprekingen om dit eigen blad na de oorlog in een normaal tijdschrift in behoorlijke oplaag bij een vaste uitgever om te zetten. Ook hierin slaagden wij, onder vanzelfsprekend voorbehoud van levensvatbaarheid.’ De ‘vaste uitgever’ over wie Ten Doohuis hier schreef, was - zoals eerder werd opgemerkt - de Haagse uitgever Stols.
Over de zojuist genoemde ‘levensvatbaarheid’ schreef Ten Doohuis verder: ‘Die te verwezenlijken is ons doel; te bewijzen dat niet alleen ondanks maar juist in deze tijd van chaos der gevestigde waarden en wapengeweld dat de wereld tot in haar uithoeken met ellende vervult, dat ondanks dit alles scheppend werk kan worden voortgebracht dat de tijdelijke wisselvalligheden tebovengaat.
Er zijn bezwaren: de noodzakelijke anonymiteit der inzendingen zal auteurs met reeds gevestigde naam ervan afhouden hun werk met dat van onbekenden te vermengen, maar naar onze mening kan juist die aanvankelijke naamloosheid althans die onbekende jongeren prikkelen zich in te zetten en te onderscheiden, ook en juist zonder de steun van een ingevoerde klank.
Er zijn financiële, typografische, organisatorische bezwaren. Ons aantal is nog gering en zelf verkeren wij wel eens in twijfel of wij het spoor niet bijster werden. Doch met het werk van onze grote voorgangers en ons geloof in de toekomst voor ogen, ga deze Lichting vooruit!’
En ten slotte: ‘Met deze inleiding menen wij voor het eerst te kunnen volstaan. Wij stellen geen autoritair program op, creëren geen premature “generaties”, maar de redactie, even naamloos als haar medewerkers, roept een ieder die zich bij deze Lichting aan wil sluiten op, nu en ter stonde. Voor ieder die wat te zeggen heeft is er plaats. De uiteindelijke beslissing omtrent al of niet plaatsing der ingezonden bijdragen behoudt zij zich natuurlijk voor, maar van tijd tot tijd zal zij volledige verantwoording van haar beleid in deze bladzijden afleggen.
Over de naam van ons tijdschrift kan getwist worden; wij geven haar voor beter. Voor ons drukt zij echter uit wat wij willen: ruimte, concreet en in abstracte [abstracto], voor vrije gezonde activiteit in een ontzinde wereld; ruimte ook in de actuele zin van een geestelijk exercitieterrein om ons te harden voor de strijd, waaraan wij ons direct niet kunnen geven.
Lichting - voorwaarts - marsch!’23
De versregels die Ten Doohuis aan het slot van zijn beschouwing had opgenomen, waren - met een kleine wijziging - afkomstig uit het gedicht ‘De daad’24 dat in 1942 was gepubliceerd in de eerder vermelde getypte bundel Lift up your heart van Theo Haag (Theo Hondius).
Hierna volgde een gedicht van H. ten Doohuis (Theo Hondius), getiteld ‘X’. Tot het schrijven hiervan was Hondius geïnspireerd door de tragische dood van zijn jeugdvriend Paul Katz, bij wie hij - zoals we gezien hebben - op zondagochtend vaak op bezoek was geweest. Katz was bij een razzia door de Duitsers opgepakt. Hondius deelde hierover in 1986 mee: ‘Paul Katz behoorde tot [...] de allereerste groep die - naar we later hebben begrepen - naar Mauthausen is afgevoerd en daar in de kortst mogelijke tijd vermoord door ze rotsblokken te laten sjouwen die beruchte stenen trap op en af.’ Het gedicht luidt:
Een groot deel van het eerste nummer - vijfeneenhalve bladzijde van de in totaal twaalf bladzijden inhoud - werd in beslag genomen door poëzie. Daartoe behoorde het volgende kwatrijn van Edgar Fossan (Leo Frijda):26

Paul Katz (links), Betty Santcroos en Theo Hondius, klasgenoten aan het Vossius Gymnasium, in de Euterpestraat te Amsterdam (zomer 1939).
Verder werden twee gedichten opgenomen van A.G. De Meester Landsdorp (Govert Meerburg), die achtereenvolgens getiteld waren ‘Vermoeidheid van het reizen’ en ‘Avond en morgen’. Het laatste gedicht bestond uit twee gedeelten:
Van Joost Heeke (Theo Joekes) werden in dit nummer drie gedichten gepubliceerd, waaronder het sonnet ‘Voor een vriend’, dat geschreven was voor Theo Hondius, die - zoals eerder werd vermeld - samen met Leo Frijda van plan was geweest per boot uit Nederland te ontsnappen:
Een andere medewerker aan dit eerste nummer was Gerrit Kouwenaar, van wie onder de schuilnaam K. van Ritger twee gedichten werden opgenomen onder de titel ‘Een is twee’. Het eerste gedicht hiervan luidt:
Behalve poëzie werd in deze aflevering van Lichting ook een vertaling opgenomen van een fragment uit ‘Le mur’ van de Franse schrijver Jean-Paul Sartre, een verhaal dat deel uitmaakte van de gelijknamige verhalenbundel, die in 1939 te Parijs verschenen was. De vertaling was van Edgar Fossan (Leo Frijda). Gerrit Kouwenaar herinnert zich: ‘Curieus is dat ik in Lichting voor het eerst de naam Sartre ben tegengekomen. Er stond een fragment uit De muur in, dat op mij zeer veel indruk maakte. Ik kon het boek zelf toen nergens vinden.’31 Hij wist overigens niet wie zich achter het pseudoniem Edgar Fossan verborg. Kouwenaar: ‘Frijda was mij niet alleen als persoon maar ook als naam geheel onbekend. Hetzelfde geldt voor de andere mensen van de groep. De namen Joekes en Hondius zijn pas na de oorlog tot mij doorgedrongen; ik heb nooit enig contact met hen gehad.’32 Hij kende alleen Hans Engelman, aan wie hij zijn gedichten meegaf en die hem de nummers van Lichting bezorgde, en - zoals later zal blijken - de medewerker Theo van der Wal.
Begin december 1942 verscheen vervolgens de tweede aflevering van Lichting. In de kop van dit nummer, dat zestien pagina's telde, bleek intussen de ondertitel te zijn veranderd van ‘Litterair maandblad van de jongeren’ in ‘Maandblad voor letterkunde’.
De tweede aflevering van Lichting opende met een min of meer programmatische beschouwing van Gerrit Jan de Jongh - aan het eerste nummer had hij niet meegewerkt -, die zich hierbij de schuilnaam Caspar Dringenberg had gekozen. Bij de keuze van deze naam liet hij zich leiden door het feit dat een van zijn voorouders, die in Duitsland woonde, Dringenberg heette, terwijl de naam Caspar in de familie van zijn moeder voorkwam. In zijn beschouwing, getiteld ‘Het verschijnsel “Tijd-schrift” in 1942’, schreef Dringenberg onder meer: ‘[...] wij maken in dit tijdsgewricht (een prachtig woord, waarom “verouderd”?) de strijd mee tussen (individualisme) en collectivisme, tussen persoonlijkheid en massamens; in litteris: tussen “Kultuurkamer” en... ja, wat? Wat stellen de soepelen van geest, die desniettemin weigeren zich voor de volkse boerekar te laten
spannen, tegenover “De Schouw” en [...] dergelijke? (Een behoudziek Groot-Mokums cenakel als “Criterium” toch zeker niet!) De taak van een Nederlands maandblad op literair gebied verschilt (in 1942) duidelijk van wat men zich als zodanig tot dusver placht voor te stellen; ze bestaat niet langer in het propageren of conserveren van een bepaalde meer of minder eng omschreven houding t.a.v. de schoonheid in geschrifte, evenmin in het voorlichten van bezadigde fijnproevers, neen, maar in het verzamelen van de krachten waaruit een intellectueel-artistieke keurbende gevormd worden kan, zonder uniform en tevens toch (n.l. innerlijk) gedisciplineerd.’
Dringenberg schreef verder: ‘Wie konden die taak op zich nemen? Een aantal werkelijk jongeren heeft de “euvele” moed en de geestelijke beweeglijkheid gehad de periodiekvorm die actuële [actuele] zin te geven: van een stafkwartier om de “lichting” te regelen, een centrale post, vanwaaruit het terrein verkend wordt.’
Hierna ging Dringenberg in op een drietal bezwaren die kennelijk tegen het eerste nummer van Lichting waren geopperd. Deze bezwaren waren: de inhoud van het eerste nummer zou niet homogeen genoeg zijn geweest, de bijdragen hadden onvoldoende van originaliteit getuigd en de eerste aflevering had niet geklonken ‘als een klok’. Dringenberg merkte hierover op: ‘Homogeniteit, een uitvloeisel van een programmatische band, die hier absoluut ongewenst zou zijn, mag dus niemand verwachten, niet van de eerste aflevering en niet van de volgende, ten hoogste is het een niet eens noodzakelijkerwijs verheugende bijkomstigheid; oorspronkelijkheid blijft natuurlijk een eerste eis, is evenwel nooit te bereiken wanneer men bang is opgelicht te worden in plaats van gelicht, of zich wèl laat lichten, als een brievenbus; een eerste nummer “dat klinkt als een klok”, tenslotte, is, dat moet iedereen begrijpen die enigszins nadenkt over de literaire situatie in ons land op dit ogenblik, een naïeve illusie uit de tijd toen het uitzicht nog vrij was en een redactie inderdaad moeiteloos kiezen kon.’
Dringenberg besloot: ‘Is men bereid in te zien dat de drie gebreken die sommigen in de eerste aflevring [aflevering] meenden te bespeuren uitsluitend gebreken zijn van een traditioneel Gezichtspunt uit en wil men inderdaad “het sympathieke idee steunen”, d.w.z. in de eerste plaats mee de consequenties trekken van het denkbeeld een tijdschrift als contactmiddel, als zoeklicht, te gebruiken, dan zal “Lichting” steeds beter aan zijn doel kunnen gaan beantwoorden. Lieden met een in het practischtechnische traagwerkende fantasie hebben daarentegen een eventuele mislukking niet de redactie maar zichzelf te wijten.’33
Rechtstreeks betrokken op de oorlogssituatie was het gedicht ‘Nog niet gezel...’ van Joost Heeke (Theo Joekes), dat in het tweede nummer werd gepubliceerd. In dit gedicht wordt door de Dood in persoon aan de ik-figuur meegedeeld dat de eeuwigheid hem wacht. De ikfiguur antwoordt hierop onder meer:
Wat het slot van dit fragment betreft: kort voordat dit nummer van Lichting verscheen - op 19 november 1942 -, was het Russische offensief tegen het Duitse Zesde Leger bij Stalingrad begonnen, wat begin februari 1943 tot een verpletterende nederlaag van de Duitsers zou leiden.
Van Edgar Fossan (Leo Frijda) werden in deze aflevering drie gedichten gepubliceerd, waaronder ‘Loop’:
Een andere medewerker aan het tweede nummer was de toen tweeendertigjarige schrijver Theo J. van der Wal, die van Gerrit Kouwenaar - die hij uit Bergen kende - gehoord had over het bestaan van het tijdschrift.
Theo Jacob van der Wal (1910-'84), die te Maastricht geboren was, studeerde psychologie te Amsterdam. In 1933 debuteerde hij met het boek Ambtenaren, waarna hij verscheidene romans en novellen schreef, waaronder Jacht op het noodlot (1939), Vreemdelingen (1939), Ontmoetingen (1941) en Koert (1941). Intussen was Van der Wal, die tijdens de oorlog aan de Burmanstraat in Amsterdam-Oost woonde, gaan werken als grafoloog. Theo van der Wal vertelde hierover in 1981: ‘De mensen hadden geld te veel, dus de grafologie trok wel belangstelling.’36 In die periode schreef Van der Wal samen met Hettie Bodak de brochure Schuinschrift of blokschrift (1941), waarin met grafologische argumenten een vrije keuze tussen beide soorten schrift werd gepropageerd.
In de tweede aflevering van Lichting publiceerde Van der Wal onder de schuilnaam r = 0, 530 n2 ä (de getypte weergave van r = 0.530 n2 Å = de wiskundige formule voor de straal van het waterstofatoom37) het verhaal ‘Het vuur’. Theo van der Wal schreef over dit pseudoniem in 1982: ‘De formule van de straal van het waterstofatoom heb ik gekozen doordat ik afwist (via Duitse immigranten al sinds 1939) van de pogingen in de V.S., Duitsland en trouwens ook Rusland om de zonne-energie, de kernenergie dus, om te zetten in wapens.’38
Het begin van het verhaal ‘Het vuur’, waarin de haat van een jongen ten opzichte van zijn vader werd beschreven, luidt als volgt: ‘De jongen rende voorovergebogen het huis uit en de tuin in, waar hij zich krampachtig in het hoge gras neerwierp. Hij haatte de man, die hij ontvlucht was en met wilde blik achterom kijkend, zag hij hem voor het raampje van de tuindeur, mager, bleek met smalle blikken, zijn vader.
Toen was het weer stil en eenzaam. Ook in de aangrenzende tuinen zag hij geen jongens, op wie hij zijn wisselende stemmingen van woede en schamper leedvermaak kon uitleven en toch wist hij, opstaande,
dat hij iets moest doen om een einde aan de spanning te maken, waarin hij verkeerde.
Er was niets te vernielen. Er waren sierbloemen noch groenten. Doornige heesters en vruchtbomen, appels en peren, met zware stammen sloten de weelderige, vochtige grasvlakte af, zo natuurlijk, dat de brede sloot erachter overbodig leek. Tot de horizon toe, ja, tot het einde der wereld had de boomgaard zich kunnen uitstrekken, niets zou veranderd zijn aan het beeld, dat hij zich van deze tuin had gevormd: een kaal paradijs, waaruit niet alleen Adam en Eva, maar ook alle dieren des velds en al het gevogelte des hemels waren verdwenen. Ongeënt waren de bomen, kleine schrompelige vruchten dragend, aangepikt en aangestoken, soms neergevallen en daar wegrottend bij de stammen.
Zijn antipathie was van het grote, grauwe, vierkante huis, dat in de rij van soortgelijke huizen stond, oud en lelijk, overgegaan op dit stuk grond. Een plein van een gevangenis, een plaats voor strafexercitie, waar elke blik weer dwaalde naar de grijze muren, de herinnering oproepend aan zich moe wegslepende uren.
Er was niets te vernielen.’39
Daarnaast werd in de tweede aflevering van Lichting onder meer poëzie gepubliceerd van K. van Ritger (Gerrit Kouwenaar), terwijl een vertaling werd opgenomen van het resterende gedeelte van Sartres verhaal ‘Le mur’.
Begin januari 1943 kwam het derde nummer van Lichting uit - in de kop werd als maand van verschijnen bij vergissing ‘Januari 1942’ vermeld -, waarvan de ondertitel deze keer luidde: ‘Letterkundig maandblad voor de jongeren’. Dit nummer telde veertien pagina's.
De derde aflevering opende met een beschouwing van E.G. Fossan (Leo Frijda), getiteld ‘Poëtiese synthese’. Boven deze beschouwing was een motto geplaatst, bestaande uit enkele versregels uit de bundel Tempel en kruis (1940) van H. Marsman:
In zijn essay merkte Fossan op: ‘Het is ons zo langzamerhand wel zeer duidelijk geworden, dat ons moeizaam geweven gewaad, het statiekleed [staatsiekleed] van onze schijnwaarden, inmiddels tot op de draad is versleten. Telkenmale worden wij opnieuw getroffen door de volmaakte onbelangrijkheid van datgene waarvoor wij eenmaal in vuur meenden te moeten geraken. Spreekt U over lucifers of over het sexuele vraagstuk? In godsnaam zwijgt U daar nu over want wij worden zeer onwel van de lucifers en het sexuele vraagstuk. U kunt Uw plaats in het massagraf morgen immers beter innemen, op- en doorgebrand, als een weinig witte as, dan als een stapeltje vale vodden. Alleen in de brand waren wij gelukkig. Niets is van belang! Uitsluitend een rücksichtlos [rücksichtslos] najagen van genietingen behoeven wij nog als levensvoorwaarde te beschouwen.’
Fossan vervolgde: ‘Aangezien wij de kunst als een der meest essentiële uitingen van het leven zien, kunnen slechts die producties daarvan als zodanig betiteld worden, die aan bovengenoemd streven dienstbaar zijn.
Wat betreft de methode volgens welke wij aan deze onze levensfunctie zullen tegemoetkomen, hebben wij bemerkt dat wij goed doen, voor het te laat is, die langzaam opgetrokken wal van geest, van intellect, met bekwame spoed te slechten, dat ons nog rest de volledige bevrediging van lichaam en ziel te zoeken.
Wanneer wij ons voorshands tot de ziel beperken, moeten wij dus als conditio sine qua non voor alle vormen van kunst stellen een volkomen eliminatie van het verstandelijk element. De kunstenaar, casu quo de dichter mag onder geen omstandigheid filosoof of denker worden; het spel der gedachten dient elders te worden gespeeld. Hem past slechts representatie van bloed en gevoel; hij heeft slechts één doel: de zielsontroering.’
Fossan schreef verder: ‘Muziek is de kunstvorm die, mits onder overgave geschreven, van nature reeds aan deze eisen voldoet door de volkomen absentie van alle factoren van verstandelijke aard, en zonder
nochtans Rembrandt als Turkse trom te willen gebruiken (Vestdijk) kunnen wij zeggen dat de andere kunstvormen en in dit geval dus de poezie [poëzie] zich, teneinde kunst te mogen heten, naar haar moet richten.
Waar het spelen met klanken in de muziek tot onze doelen kan leiden, zo dient het gedicht een spel met woorden te zijn, geenszins in verband met hun klank, doch zuiver om de (superindividuele) associaties die zij tevoorschijn kunnen roepen.’ De omschrijving ‘spel met woorden’ deed sterk denken aan wat de Zuidnederlandse dichter Paul van Ostaijen in de jaren twintig als uitgangspunt voor de poëzie had gepropageerd.
Fossan besloot zijn betoog: ‘Zo ontstaat het gedicht dat, beheerst door een gevoel, eventueel een gevoelsidee, deze verwezenlijkt door een associatief woordenspel of door een associatieve realiteit.’40
Van Armand (schuilnaam van de jonge Rotterdammer Benno Wissing41 werden in dit nummer twee gedichten opgenomen, waaronder ‘October '42’, dat geschreven was naar aanleiding van de jodenvervolging. Een fragment uit dit gedicht luidt:
Een van de andere medewerkers aan het derde nummer was de Utrechtse student George Puchinger. Van hem werden in deze af-
levering een twaalftal kwatrijnen en twee langere gedichten gepubliceerd.
George Puchinger, die uit een gereformeerd en anti-revolutionair milieu kwam, was in 1921 te Amsterdam geboren. Nadat hij in 1933 naar Zeist was verhuisd, bezocht hij daar de hbs. Hij had al in die tijd een onverzadigbare leeslust. Vooral middeleeuwse dichters, de zeventiende-eeuwse dichters Bredero, Hooft en Vondel en schrijvers uit de Beweging van Tachtig boeiden hem.
Na het behalen van het hbs-diploma ging Puchinger in 1940 Nederlandse taal- en letterkunde studeren aan de Rijksuniversiteit te Utrecht, waar Gerrit Jan de Jongh een van zijn jaargenoten was. Al snel vatte Puchinger ook een grote passie op voor de filosofie en theologie. Onzeker welke richting hij zou inslaan, liep hij in die tijd colleges in alle mogelijke vakken. Zo studeerde hij Nederlandse letterkunde, theologie, filosofie, rechten en geschiedenis en legde hij later het kandidaatsexamen Indisch recht en het doctoraal examen wijsbegeerte af.
Puchinger publiceerde de twaalf kwatrijnen die in Lichting werden opgenomen, onder een dubbele schuilnaam: Regnihcup-Unfinished. De beide andere gedichten waren alleen van het pseudoniem Unfinish-

George Puchinger.
ed voorzien. Regnihcup was uiteraard een volledige omkering van zijn eigen naam. Over de schuilnaam Unfinished merkte Puchinger in 1982 op: ‘Mijn gedachte was destijds: een mens blijft altijd onvoltooid. Daar zit in zekere mate een christelijke gedachte in, namelijk wat Paulus zegt: “Eens zullen we gekend zijn, zoals we zijn.” We zijn hier onaf, en in het hiernamaals, dan zullen we voltooid zijn.’43
Tot de gedichten die van Regnihcup-Unfinished in het derde nummer van Lichting werden gepubliceerd, behoorden de volgende twee kwatrijnen:
Daarnaast bevatte de derde aflevering van Lichting onder meer gedichten van Joost Heeke (Theo Joekes) en K. van Ritger (Gerrit Kouwenaar) en een kort verhaal - getiteld ‘Stappen op de trap’ en handelend over een brokje Amsterdamse bohème, gezien door een poes - van H. ten Doohuis (Theo Hondius).
In dezelfde periode waarin het derde nummer van Lichting verscheen, - in januari 1943 - gaven Theo Haag (Theo Hondius) en Edgar Fossan (Leo Frijda) een poëziebundel in eigen beheer uit, getiteld Op leven en dood. Deze bundel, die in een oplage van veertig exemplaren gestencild werd, was onderverdeeld in twee rubrieken: in de rubriek ‘Leven’ waren vier gedichten van Theo Haag opgenomen en in de rubriek ‘Dood’ een zelfde aantal verzen van Edgar Fossan. Overigens werden de meeste van deze gedichten ook in Lichting gepubliceerd. In het colofon van de bundel werd onder meer meegedeeld: ‘op leven en dood, een bundel maximale en minimale (optimistische - pessimistische, positieve - negatieve) tijdspoëzie door Theo Haag en Edgar Fossan werd gezet uit de Erika-letter op prima grijs rotpapier.’45 De term ‘maximale’ poëzie, die in 1988 door een groep jonge dichters als leuze zou worden gelanceerd, beleefde hier dus al een vroege première.
Kort na de publikatie van Op leven en dood - begin februari 1943 - verscheen het vierde nummer van Lichting. Deze aflevering, die zestien bladzijden telde en voorzien was van de ondertitel ‘Letterkundig maandblad voor de jongeren’, opende met een essay onder de titel ‘Poëtiese synthese of nihilistische revolutie?’ Dit essay, geschreven door Unfinished (George Puchinger), was een antwoord op de beschouwing ‘Poëtiese synthese’, die E.G. Fossan (Leo Frijda) in het vorige nummer gepubliceerd had.
George Puchinger en Leo Frijda kenden elkaar, doordat Puchinger ervoor gezorgd had dat de vader van Leo Frijda, prof. dr. H. Frijda, zijn zuster Jetteke en zijn broer Nico een onderduikadres hadden gekregen. Nico Frijda deelde hierover in 1986 mee: ‘Leo kende George Puchinger [...], want George Puchinger was [...] de contactfiguur van Leo naar de familie toe, want Leo wist natuurlijk niet waar wij zaten, dus als er post kwam, kwam dat via George Puchinger.’
Bij een van zijn bezoeken aan George Puchinger thuis in Zeist overhandigde Leo Frijda hem het derde nummer van Lichting met daarin zijn eigen beschouwing over de poëzie. Puchinger vertelde in 1982: ‘Daarin heb ik natuurlijk zijn artikel gelezen. We hebben er uitvoerig over gepraat.’ Hierna besloot Puchinger, gestimuleerd door Frijda, zijn opvattingen in een essay onder de titel ‘Poëtiese synthese of nihilistische revolutie?’ weer te geven.
In dit essay, dat gedateerd was: ‘9-1-'43’ en voorzien van de opdracht: ‘Aan mijn vriend E.G. Fossan’, schreef Unfinished (George Puchinger) onder meer: ‘Het is mij zoo langzamerhand nog heelemaal niet zoo duidelijk geworden, dat ons moeizaam geweven gewaad “het statiekleed van onze schijnwaarden” inmiddels tot op de draad toe is versleten.’
Unfinished vervolgde: ‘Uit bovenstaande zin zal Fossan dan op kunnen maken dat ik imbeciel ben (al of niet geworden), het zij zoo!! Zijn levensleer is de mijne niet, en wij zullen daar geen van beiden rouwig om zijn... tenminste nú niet! Allereerst ben ik van meening dat een gewaad dat versleten is, blijkbaar zijn diensten intens heeft bewezen. Dit moge in schijn geparadeer met woorden, met woord-waarden zijn, volgens Fossan ongetwijfeld het gevolg van mijn schijnwaarden, feit is dat in alle onzin een beetje zin steekt naar het woord van Van Schendel: [“] Een zondig mensch is nooit geheel zondig, zooals een arme, hoe arm ook, nooit geheel en al niets bezit”, en dùs hoop ik dat Fossan uit de onzin van deze zin de zin haalt.’
Unfinished schreef verder over Fossans opvattingen: ‘[...] ik geloof

Eerste bladzijde van het vierde nummer van Lichting.
van die eliminatie van het verstand geen woord! Een dermatig volkomen uitschakelen van het verstand acht ik even erg als een consequent rationalisme. Maar hierover nu niet. Het gaat bij Fossan over de vraag wat een dichter is. En dan geloof ik dat er bij Fossan behalve een paar erotische daden en opwellingen, gedachten en verlangens de basis door niet veel meer wordt gevormd dan door een revolutionait [revolutionair] nihilisme. Nu zal ik geen poging doen te beschrijven wàt een dichter is, daarom slechts het volgende. Een dichter behoort allereerst mensch te zijn, en niet een stukje mensch. Hij behoort natúúrlijk mensch te zijn, dat wil zeggen niét naar de normen van datgene wat Fossan onder “natuur” verstaat, maar de dichter behoort ál zijn gevoelens, óók zijn verstandelijke gevoelens te laten uitbloeien als mensch, en als zóódanig behoort hij als één mensch te spreken over wat hem op een zeker moment lief is, of wat hij haat.’
En verder: ‘Zóó ontstaat een poetiese synthese, maar via de weg van Fossan ontstaat een Nihilistische Revolutie in de Literatuur. Alles wordt nihil verklaard, alles tot schijnwaarden gedegradeerd en wat men dan nog mag behouden wordt bijelkaar geharkt en “synthese” genoemd.’46
Onmiddellijk na de beschouwing van Unfinished werd een - door Theo Hondius geschreven- ‘Naschrift’ opgenomen, waarin de redactie van Lichting onder meer opmerkte: ‘Onder de eigen-aardige omstandigheden waarin ons blad verschijnt, zal Unfinished het ons wel niet kwalijk nemen als wij nu reeds enige kreten slaken bij zijn vriendschappelijke competitie met de studie van Edgar Fossan in het derde nummer (men weet ook nooit hoe spoedig een nieuwe lichting klaar moet staan om de altijd te verwachten verliezen in onze gelederen aan te vullen. Krieg ist Krieg.)’
De redactie merkte verder op dat er aanleiding was ‘met alle man en macht elk vonkje revolutie aan te wakkeren’: ‘De eerste revolutionaire daad bewijst juist dat het dode punt (in literariis, laat ons zeggen: de volstrekte illusieloosheid van ter Braak en du Perron, de ziel-togende cerebraliteit van V-esse-t-dijk en de wrange anecdote zonder stijgkracht van Criterium) overwonnen is. Van niets tot iets, van het enkele woord opwaarts tot een verstaanbaar gevoel, een ritme, een idee - dit perspectief is bijna tè verleidelijk!’
En verder: ‘De realiteit. Aan een poëtische synthese, ik ben het met Unfinished (!) eens, zijn wij nog lang niet toe - gelukkig: het zou wel eens onze eerste, nieuwe desillusie kunnen blijken. De waaibron (“dit” - Fossan) moet nog veel sperma- en andere onvruchtbaar gebleken oude resten wegsproeien, maar laten wij, en nu toch misschien
maar weer in godesnaam, (omlaag omhoog? - ontslagen van 't caeleste speuren - extasevol verlangen - van leegtedingen toch ontdaan + zoek zelf maar uit), schijn, vicieuse [vicieuze] zelfs concentrische cirkels vermijdend, de spriraal [spiraal] begeren. De springveer, die onder druk zijn spanning krijgt.’47 De opmerking over ‘extasevol verlangen’ was een verwijzing naar een van de eerder geciteerde kwatrijnen van Regnihcup-Unfinished (George Puchinger).
Hierna werd het volgend ‘Anarchistisch manifest’ van Casper [Caspar] Dringenberg (Gerrit Jan de Jongh) opgenomen:
Een van de andere medewerkers aan het vierde nummer was de jonge Amsterdamse dichter Elfred van der Vliet, van wie in deze aflevering een vers werd opgenomen.
Elfred van der Vliet (1923-'85) was te Amsterdam geboren. Over zijn eerste pennevruchten schreef hij in 1985: ‘Dichtte al toen ik zelf nog niet kon schrijven, mijn moeder schreef ze voor mij op.’49 Hij bezocht het Amsterdams Lyceum, waar hij Leo Frijda ontmoette. Via Theo Hondius, wiens vader conrector van dit lyceum was geweest, raakte hij betrokken bij Lichting. Hij merkte hierover op: ‘Ik gaf mijn kopij aan Theo Hondius, waarschuwde hem en Theo Joekes, dat hun pseudoniemen ‘H. ten Doohuis’ en ‘Joost Heeke’ te doorzichtig waren.’50 Zelf publiceerde Elfred van der Vliet in Lichting onder de schuilnaam Leblond; hierover schreef hij: ‘Ik heb aan [...] Lichting [...] meegewerkt onder het pseudoniem “Leblond”, omdat ik als kind platinablond was en door mijn jongste ooms [...] schertsenderwijze “Witkopkoning” werd genoemd.’51
Het vers van Leblond dat in het vierde nummer van Lichting werd opgenomen, was getiteld ‘(Cel a-63)’ en had als motto: ‘Niemand weet, niemand weet, / dat ik Repelsteeltje heet!’:
Ook in het vierde nummer kwam de jodenvervolging ter sprake, en wel in de gedichtenreeks ‘Modern tryptiek’ van H. ten Doohuis (Theo Hondius). In het gedicht ‘Amsterdam’ - de beide andere verzen handelden over Rotterdam en Den Haag - schreef hij:
K. van Ritger (Gerrit Kouwenaar) werkte aan de vierde aflevering van Lichting mee met een prozafragment, getiteld ‘De binnenplaats’, datzoals bij het fragment vermeld werd - in het najaar van 1942 geschreven was. Dit prozafragment was afkomstig uit het verhaal ‘Vergeefs gebed’, dat in 1946 in Kouwenaars novellenbundel Uren en sigaretten zou worden gepubliceerd, waarbij in het fragment een aantal stilistische wijzigingen zou worden aangebracht. Het begin van het fragment in Lichting luidt: ‘De binnenplaats was groot en vierkant. De zonnestralen vielen loodrecht naar beneden op de stenen. Het was zomer en warm. Er was weinig schaduw.
Dit zijn de feiten.
Landerig ging ik in een gore hoek zitten. Het rook hier muskusachtig. Met mijn schouders hing ik slap en scheef tegen de muur. De muur was met klimop begroeid. Mijn hoofd duwde ik diep in de dofgroene leermassa, waardoor een verkoelende luchtstroom viel, die zachtjes in mijn oren kriebelde. Ik had mijn knieën half opgetrokken, en steunde mijn lichaam op mijn naakte onderarmen: vreemd wit, behaard vlees tegen de zanderige, rode klinkers van het plaveisel. Af en toe hief ik mijn hand op, om de vele vliegen, die irriterend staken, te verjagen. Ik zag, dat mijn polsslagader blauw was opgezwollen tussen de strakke, trillende pezen. Klef trok mijn groezelige, linnen broek om mijn smalle dijen. Ik droeg zeer sportieve schoenen van wit en lichtbruin leer, dat soepel om mijn voeten sloot. De vlijmscherpe slagschaduw van de muur viel juist over mijn ritmies op en neer bewegende tenen, af en toe in strakheid onderbroken door een geprojecteerd stuk schoorsteenpijp en harde, ongenaakbare radiomasten. Ritmies bewogen mijn tenen op de grens van heter en heet.
Het was zomer en warm. Ik duwde mijn rug dieper in de welige klimop. De zon blikkerde goedkoop in de vensters der kazernewoningen. Overal waren de gordijnen neergelaten. Witte rolgordijnen met gele kwastjes.
Recht tegenover me, was een klein, rechthoekig, zwart gat in de muur. Het was het enige waar mijn gebrilde blik zonder knipperen kon verwijlen.’54
Het vierde nummer bevatte verder onder meer het gedicht ‘Laatste groet’ van Unfinished (George Puchinger) - geschreven ter herinnering aan de dichter H. Marsman - en een prozafragment, getiteld ‘Het tweede gezicht’, van Joost Heeke (Theo Joekes).
Intussen was Leo Frijda, die - zoals eerder vermeld werd - vanaf het voorjaar van 1942 in het huis van zijn vriendin Mien Harmsen aan de Nieuwe Herengracht te Amsterdam woonde, betrokken geraakt bij het werk van de illegale groep cs-6. Over de stemming waarin Frijda in die tijd ten opzichte van de Duitse bezetters verkeerde, deelde Mien Harmsen in 1986 mee: ‘Begin '43, zoiets, toen was hij in de stemming: hij zei: “Ik zal zorgen dat ik een machinegeweer krijg, en daarmee ga ik de straat op, en ik schiet ze gewoon neer.” Dat méénde hij, dat was niet zomaar een loze kreet, die wij allemaal dan wel zouden hebben, nee, hij meende dat. Dan werd ik bang voor hem.’
De groep cs-6 was genoemd naar het adres Corellistraat 6 in Amsterdam-Zuid, van waaruit allerlei ondergrondse activiteiten werden ondernomen. Het ouderlijk huis van Leo Frijda lag daar schuin tegenover - Corellistraat 3 -, zodat Leo Frijda de initiatiefnemers van de groep - de broers Jan Karel en Gideon Boissevain, die op Corellistraat 6 woonden - goed kende. Tot het illegale werk van cs-6 behoorden het plegen van sabotage en het verzamelen van militaire inlichtingen. Begin 1943 besloten leden van de groep ook gebruik te gaan maken van een strijdmiddel dat in Nederland tijdens de oorlog nog niet was toegepast: het doelbewust - dus niet bij wijze van directe zelfverdediging - neerschieten van vooraanstaande collaborateurs.
De eerste op wie een dergelijke aanslag zou worden gepleegd, was de toen zeventigjarige gepensioneerde luitenant-generaal b.d. Hendrik Alexander Seyffardt. Deze militair, die vóór de tweede wereldoorlog onder meer chef van de Generale Staf van het Nederlandse leger was geweest, had zich in 1941 bereid verklaard de leiding op zich te nemen over het zogenaamde Nederlands Vrijwilligerslegioen, dat aan het oostfront tegen de Russen zou vechten. Het plan voor de aanslag kwam op bij de communistische zenuwarts dr. Gerrit Kastein, die zich bij cs-6 had aangesloten. Afgesproken werd dat de aanslag zelf zou worden uitgevoerd door de drieëntwintigjarige katholieke kantoorbediende Jan Verleun, lid van cs-6, en Leo Frijda.
Luitenant-generaal Seyffardt woonde in Den Haag. Op vrijdagavond 5 februari 1943 gingen Verleun en Frijda naar diens huis en belden aan. Nadat Seyffardt in de deuropening was verschenen en bevestigd had dat hij Seyffardt was, werd hij neergeschoten. Hij raakte zwaar gewond en zou de volgende dag in een Haags ziekenhuis sterven.
Een medestudent van Leo Frijda, wiens naam hier op zijn verzoek niet wordt genoemd, schreef hierover in 1982: ‘De aanslag met dodelijke afloop op generaal Seyffardt is een kernpunt in de verdere ontwikkeling, die maar gedeeltelijk met Lichting te maken heeft. Frijda was een van de twee daders, die met uiterst primitieve wapens waren toegerust, die bovendien zo schaars voor handen waren dat ze terstond weer moesten worden ingeleverd. Frijda overtuigde zich er eerst van, dat zij de gezochte voor zich hadden, door de generaal naar zijn naam te vragen. Leo: “Hij had zo'n mooie stem”.’ En verder: ‘De bezetter had een vaag signalement; vermoedde dat het studenten waren geweest, liet de stations afzetten, maar [...] te laat om de daders of degenen die de wapens van Amsterdam naar Den Haag en terug vervoerden te vatten. Zoals ik het mij herinner, gingen de universiteiten kort
daarop, en in duidelijke samenhang met deze actie, definitief dicht.’55 Wat de laatste opmerking betreft: de dag na de aanslag op Seyffardt werden in Amsterdam, Delft, Utrecht en Wageningen razzia's gehouden, waarbij meer dan zeshonderd studenten werden opgepakt, die vervolgens naar het concentratiekamp Vught werden gevoerd. Kort daarop werd bepaald dat elke student een zogenaamde ‘loyaliteitsverklaring’ zou moeten tekenen, waarbij hij zich verplichtte geen illegale activiteiten tegen de bezetters te zullen ondernemen.
In verband met de aanslag op Seyffardt deelde de eerder bedoelde medestudent van Leo Frijda enkele jaren nadat hij de zojuist vermelde brief had geschreven, mee dat Leo Frijda hem onmiddellijk na de aanslag was komen opzoeken in zijn ouderlijk huis in Den Haag: ‘Hij is [...] naar mijn herinnering - [...] niks anders dan herinnering - twee minuten binnen geweest, kwam met een pakje aan, zei: “Hier is het.” Dus ik wist al wat dat was: de twee wapens die getransporteerd moesten worden, en hij zei - dat heb ik geschreven en dat is iets wat je natuurlijk je leven lang niet vergeet -: “Hij had zo'n mooie stem.” [...] Leo kwam dus met die - om zo te zeggen - nog gloeiende revolver aan plus nog een tweede wapen [...] in een stukje papier zullen we maar zeggen - het was ook geen groot pakje - en of dat nu volgens afspraak was of spontaan: ik had duidelijk de opdracht of kreeg op dat moment het verzoek - dat weet ik ook niet meer - om het terug te brengen naar

Portret Leo Frijda omstreeks 1941.
Amsterdam waar het vandaan kwam, en ben - hoe weet ik niet meer: misschien wel met de fiets of tram, ik weet het niet - naar het Hollands Spoor gegaan, station Hollands Spoor, en vandaar naar Amsterdam.’
Dezelfde avond waarop deze medestudent de wapens naar Amsterdam bracht, keerde ook Leo Frijda naar de hoofdstad terug, waar hij in het huis van Mien Harmsen overnachtte. Mien Harmsen vertelde hierover in 1986: ‘Ik herinner me dat hij zei: “O, het was heel eenvoudig. We belden aan, en hij deed zelf open, en hij was heel vriendelijk, want wij zeiden dat we ons kwamen aanmelden voor [...] Rusland. Dus het was heel eenvoudig. Toen schoten we hem meteen neer.”’
Over de directe betrokkenheid van Jan Verleun en Leo Frijda bij de aanslag en de indirecte betrokkenheid van Gerrit Kastein deelde Mien Harmsen in 1986 mee: ‘Ik weet heel zeker dat Leo en Jan samen naar die deur zijn gelopen. Dat heeft hij mij levendig beschreven, en Gerrit was het brein achter de aanslag, en het was Leo zijn eerste verzetsdaad. Hij was echt overgehaald door Gerrit.’
Kort na de aanslag zocht Leo Frijda zijn zeventienjarige zus Jetteke op in Zeist, waar zij ondergedoken was. Jetteke Frijda vertelde hierover in 1988: ‘Toen heb ik Leo ontmoet buiten op straat en toen hebben we een uurtje gewandeld en toen zei hij tegen mij: “Ik heb Seyffardt gedood. Ik wil toch dat er iemand is van de familie die dit weet.” Nou, dat was ik dan. En toen zei ik: “Weet je dan wat daar de consequenties van zijn?” Ja, dat realiseerde hij zich heel goed.’ En verder: ‘Ik herinner me ook dat Leo tegen me zei dat hij eigenlijk niet wist wat hij na de oorlog moest gaan doen. Dat heb ik hem toen ook gevraagd op die dag [...]. Want als je dus tot deze daden gekomen bent, kun je dan straks nog opgenomen worden in het normale leven. Dat betwijfelde hij sterk.’56
Precies veertien dagen na de aanslag op Seyffardt, op 19 februari, werd Gerrit Kastein in een café in Delft door rechercheurs van de Sicherheitspolizei gearresteerd. Hij werd naar een van de bureaus van de Sicherheitspolizei op het Binnenhof in Den Haag gebracht, waar hij - wellicht uit angst gefolterd te worden en daarbij zijn vrienden te zullen verraden - met geboeide handen door een gesloten raam van de tweede verdieping sprong en de dood vond.
Dat Leo Frijda in deze periode in grote spanningen leefde, kan worden opgemaakt uit een gedicht dat hij drie dagen na de arrestatie van Kastein - op 22 februari - met rode inkt in een boek schreef dat hij Mien Harmsen bij gelegenheid van haar achtentwintigste verjaardag ten geschenke gaf. Het gedicht dat ondertekend is met Frijda's schuilnaam Edgar Fossan, luidt:
Kort hierna - begin maart 1943 - verscheen de vijfde aflevering van Lichting. Dit nummer, voorzien van de ondertitel ‘Maandblad voor de jongeren’, had een omvang van elf pagina's en opende met een beschouwing, getiteld ‘Front der kunst’, van H. ten Doohuis (Theo Hondius). In deze beschouwing merkte Ten Doohuis over Lichting op: ‘Ons geesteskind lijkt een fausse couche te zijn; wij althans kunnen niet wachten wat of het algemeen belang van deze ongelegen driften verwachten kan - “nu, over negen maanden” (Fossan - loop). Nu, na vier en een halve maand, doet een overzicht van Lichting nog altijd meer denken aan een landelijk ruiterfeest dan aan een militante vrijschaar. Hier een hups jagertje in vol ornaat (Fossan), daar een werkman zo weggelopen in zijn overall (Landsdorp), ginds [...] een ernstige jongeling (Van Ritger), of een geëncanailleerde graaf met de voorvaderlijke achterlader bij de voet (Heeke). Helaas ontbreekt de amazone.’
Ten Doohuis vervolgde: ‘Wij weigeren het uniform. Dat is wat onze belagers, van buiten en van binnen, niet kunnen verkroppen: zij willen ons vangen, in de enge cellen van hun (geestelijke) concentratiekampen, zij willen ons in hun kaartsysteem registreren als nummers zo en zoveel... no passeran! ze zullen ons niet krijgen.’ De uitdrukking ‘no passeran!’ verwees naar de republikeinse strijdkreet uit de Spaanse burgeroorlog ‘¡No pasaran!’ (‘Ze komen er niet door!’), waarmee op de nationalistische troepen van Franco werd gedoeld.
Ten Doohuis schreef verder: ‘Dit moeten wij weten, het risico van den franc-tireur, gevreesd bij den burger die hem niet in zijn huis durft houden in het uur van het gevaar, den franc-tireur voor wien de vijand slechts de kogel heeft. Wij weten het, en dan vragen wij ons af (en de sceptici met ons): is het de moeite waard? kunnen wij iets bereiken?
Wij hebben, het spreekt vanzelf, die vragen reeds gesteld lang voor het eerste nummer van Lichting in zee ging. Wij hebben ja gezegd. Wij zeggen het nog; terwijl de gevangenissen overvol, het land geplun-
derd, de arbeidende stand tot slavernij gedwongen en de algemene terreur ten top gestegen is. Het is ja - voor ons. De illusie van een spontane, eensgezinde reactie is nu wel vervlogen.
Terwijl wij ons dagelijks afvragen waar materiaal vandaan te krijgen, gooit onze lezer zijn nummertje in de kachel “omdat hij er toch zo voorzic