Hoewel de lang verbeide invasie van de geallieerden op de kust van West-Europa ook in de zomer van 1943 nog niet plaatsvond, deden zich in die periode in het oorlogsverloop dramatische ontwikkelingen voor. In juli van dat jaar landden Amerikaanse en Engelse troepen op Sicilië, waarna korte tijd later de Italiaanse dictator Mussolini werd afgezet, hetgeen begin september mede tot de capitulatie van Italië leidde. In dezelfde periode mislukte het Duitse zomer-offensief in de Sovjetunie. In bezet gebied gonsde het in die tijd van de geruchten: zou de bevrijding aanstaande zijn?
Zoals in het inleidende hoofdstuk van dit boek werd opgemerkt, werden verreweg de meeste ondergrondse tijdschriften tijdens de bezettingsjaren eerst in de periode vanaf augustus 1943 opgericht. Naast andere factoren die hierbij van invloed kunnen zijn geweest - zo waren er in de eerste oorlogsjaren nog enkele officiële tijdschriften waarin literaire bijdragen konden worden gepubliceerd, waarna sinds 1942 de situatie in dit opzicht duidelijk verslechterde -, zal de verwachting spoedig te worden bevrijd daarbij wellicht stimulerend hebben gewerkt.
Een van de ondergrondse bladen die in deze tijd begonnen te verschijnen - Hans Engelman, Gerrit Jan de Jongh en Gerrit Kouwenaar wachtten intussen in de Utrechtse gevangenis op hun berechting -, was het maandschrift Stijl, waarvan het eerste nummer in september 1943 in Den Haag uitkwam. Het idee dit blad op te richten was in de zomer van 1943 opgekomen bij de drieëntwintigjarige ambtenaar Willem Karel van Loon.
Willem Karel van Loon was in 1919 te 's-Gravenhage geboren in een Nederlands-Hervormd milieu. In de jaren dertig bezocht hij het Vrijzinnig Christelijk Lyceum in Scheveningen, waar hij de opleiding gymnasium-alfa volgde en als voorzitter van de - op zijn initiatief opgerichte - kunstclub enige tijd deel uitmaakte van het bestuur van de
leerlingenbond vclb. Intussen publiceerde hij geregeld in Contact, het bij uitgeverij Hollandia te Baarn verschijnende maandblad voor de middelbare-schooljeugd. Hij werkte ook mee aan de publikaties Wat zegt de jeugd ervan... (1939) en De jongste lichting (1942). Van Loon, die zich herinnert dat hij al als kind een voorkeur had voor predikanten die het meer ‘over de mens hadden dan over de hemel’,1 sloot zich op negentienjarige leeftijd aan bij de Remonstrantse Broederschap.
In het najaar van 1939 werd Van Loon volontair bij de redactie van de Delftsche Courant, waarna hij in januari 1940 in Den Haag ging werken bij het christelijk-historisch dagblad De Nederlander. In juli van dat jaar nam hij ontslag bij deze krant, omdat intussen duidelijk was geworden dat de officiële Nederlandse dagbladen tijdens de bezetting alleen onder Duits toezicht zouden kunnen blijven verschijnen. Na zijn ontslagname bij De Nederlander was het zijn bedoeling te gaan studeren, maar door allerlei omstandigheden kwam het daar niet van. Begin 1941 ging hij vervolgens als ambtenaar werken bij het Rijksbureau voor het Hotel-, Café-, Restaurant- en Pensionbedrijf aan de Raamweg in Den Haag. Na enige tijd werd hij bij deze organisatie correspondent. Van Loon zou tijdens de oorlog bij zijn ouders in Voorburg blijven wonen.
Willem Karel van Loon, die in die periode sterke behoefte had aan contact met geestverwanten, las in juni 1942 in het Haagse dagblad Het

Willem Karel van Loon.
Vaderland een gedicht, dat geschreven was door een zekere Eb van de Beld. Het was getiteld ‘Studeerkamer’:
Van Loon, die het gevoel had dat dit gedicht speciaal voor hem was geschreven - zo groot leek de geestelijke verwantschap -, informeerde bij Het Vaderland naar het adres van Eb van de Beld en schreef hem vervolgens een uitvoerige brief. Korte tijd later hadden ze op de - in het gedicht beschreven - studeerkamer van Van de Beld aan de Fabritiusstraat in Delft een lang gesprek, wat het begin betekende van een intense vriendschap.
Egbert Jacobus van de Beld (1919-'55), die te Delft geboren was, had na zijn schooltijd diverse betrekkingen gehad, waarna hij kort voor de oorlog een klein jaar in de Verenigde Staten had doorgebracht. In januari 1940 was hij Van Loon opgevolgd als volontair bij de Delftsche Courant. Intussen publiceerde hij gedichten in verscheidene tijdschriften, waaronder De Vriend Des Huizes en Het Schouwvenster, alsmede in het dagblad De Rotterdammer. Nadat Nederland door de Duitsers was bezet, besloot hij zich voortaan uitsluitend aan de literatuur te wijden.
Van Loon schreef later over zijn vriendschap met Van de Beld: ‘Delft en Voorburg lagen zo'n tien kilometer van elkaar vandaan. We hebben elkaar dan ook zeer regelmatig ontmoet, vooral in Den Haag. En we schreven elkaar lange brieven, toevallig allebei met groene inkt.
Zijn verblijf in Amerika noemde hij in een brief van 9 februari 1943 “een cadeautje van een tante met poen” en “de gelukkigste periode van mijn leven”.’3
Kort nadat Willem Karel van Loon de zojuist genoemde brief van Eb van de Beld ontvangen had, plaatste hij in het tijdschrift Succes - een collega bij het Rijksbureau had hem op het bestaan van dit blad attent gemaakt - een advertentie, waarin hij belangstellenden opriep voor een wereldreis. Op dit voor de oorlogsjaren nogal ambitieuze voorstel reageerde de jonge journaliste Ammy de Muynck uit Middelburg. Ammy de Muynck herinnert zich: ‘Mijn vader kwam ermee boven: “Er staat nu een advertentie in de Succes, dat is wat voor jou, daar moet je op schrijven”.’4
Amelia Libert de Muynck was in 1921 te Middelburg geboren en had daar de Rijks-hbs bezocht, waar ze geschiedenislessen kreeg van dr. P.J. Bouman, de latere hoogleraar sociologie te Groningen. Haar vader, die eigenaar was van een fabriek voor veiligheidsbrillen, was bevriend met verscheidene schilders in Zeeland en zelf bestuurslid van het Middelburgs Kunstmuseum. Daarnaast werd in het ouderlijk huis van Ammy de Muynck ook de literatuur op de voet gevolgd. Ook in andere opzichten kreeg ze de kans een brede ontwikkeling op te doen. Zo was ze in de jaren dertig lid van een zweefvliegclub.

Ammy de Muynck.
Bij het bombardement van Middelburg op 17 mei 1940 werden het huis van de familie De Muynck en de fabriek verwoest. Kort daarna ging Ammy de Muynck als ‘duvelstoejager’ werken bij de Provinciale Zeeuwsche Courant, waarin ze vooral over gebeurtenissen van lokaal belang schreef.
Naar aanleiding van Van Loons advertentie in Succes vroeg ze hem in een brief van 5 maart 1943 om nadere informatie, waarop hij haar op 16 maart een brief en een pasfotootje van zichzelf- Ammy de Muynck in 1988: ‘een grauw plaatje met een bewolkt gezicht’5 - stuurde. Van Loon schreef haar: ‘Eerst nu heb ik even gelegenheid Uw enthousiasten brief van 5 dezer te beantwoorden; feitelijk is dit misschien nog niet eens zóó laat. Ik ben dus degene, die de advertentie in succes geplaatst heeft en zooals U reeds van mijn foto heeft kunnen aflezen, is mijn gezicht vrij somber gesteld - dit is iets, wat m.i. vrij normaal is, aangezien “ik ben geboren in het najaar van een wereld” (A. Roland Holst) en bovendien nog “ontgoocheld” om met Marsman, den onvergetelijken, te spreken.’ En verder: ‘[...] ik ben min of meer een “cultuur-mensch”, een woord, dat heel veel inhoudt en misschien ook wel aangeeft, wat er schuil gaat onder den naam W.K. van Loon. Ik bedoel hiermede, dat ik, in mijn kern, mij nogal “druk maak” over de cultuur an sich - hierover heb ik dan vrij veel gelezen [...] en ook over gepubliceerd. Dit is één zijde van mijn liefhebberijen, de andere is, geheel tegenovergesteld, volkomen actief-actueel en ook min of meer zich voorbereidend op het komende. In dit laatste is dus o.a. begrepen mijn plan om eens een wereldreis te maken. Ik ben mij er echter van bewust dat hiervoor zeer veel komt kijken; zoowel op het gebied van talenkennis als op het terrein van algemeene ontwikkeling, welke nooit algemeen en compleet genoeg kan zijn m.i. Bovendien liggen de mogelijkheden daartoe niet voor het opscheppen en zullen, na den oorlog, voorloopig even schaarsch zijn als reepen pure chocolade thans.’6
Ook tussen Willem Karel van Loon en Ammy de Muynck ontwikkelde zich hierna een uitgebreide correspondentie. In hun brieven - tot een persoonlijke ontmoeting kwam het voorlopig niet - vertelden ze elkaar over hun literaire voorkeuren en dagelijkse belevenissen en vooral ook over hun toekomstplannen, waarbij beiden een journalistieke loopbaan als een lichtend ideaal voor ogen hielden.
Op 30 juni 1943 schreef Willem Karel van Loon aan Ammy de
Muynck over een idee dat hem sinds enige tijd bezighield: ‘Ik heb een plan in voorbereiding en daarvan moet jij maar eens kennis nemen. Ik meen, dat jij daar behoefte aan hebt. Ik wil een soort Van Loon-kring trachten te vormen, bestaande uit jongelui (beide sexen), welke belang stellen in: tooneel, letterkunde, nog andere kunst en (of) journalistiek. Met deze lui wil ik dan - het is niet verboden, maar als er maar iets verkeerd gaat, wordt het waarschijnlijk verboden - permanent contact houden. Hoe? Door geregeld, bijv. veertiendaagsch een circulaire rond te zenden, waarop de bewuste deelnemers (waarvan mij in zekere zin moet blijken, dat zij inderdaad belangstelling hebben voor het bovengenoemde en het plan) om de beurt, doch steeds in groepen van ongeveer 15, met elkaar in contact worden gebracht doordat hun naam, kleine autobiografie, takken van toewijding en belangstelling e.d. in die circulaire worden opgenomen. In de eerste plaats kan men dan vrijwillig en zonder verdere bemiddeling van den plan-leider met diegenen, welke men wenscht, in correspondentie treden (Voor het stencillen, papier e.d., moet voorloopig F. 2.50 betaald worden) - de circulaire zal echter meer en meer het karakter krijgen van een verbindingsorgaan en daarin kunnen artikeltjes over de onderwerpen, eigen gedichten e.d. geplaatst worden. Voor het goede doel dient een ieder wat papier en enveloppen te pakken zien te krijgen en aan mij op te zenden. Verder wilde ik dan de gelegenheid openstellen om bemiddeling, advies in levenskwesties, psychologie, takken van kunst e.d. te verkrijgen; daarvoor zijn dan enkele “experts” uit den kring geschikt (te maken). Ook zooveel correspondentie wil ik dan uit handen geven, en hierbij had ik speciaal gedacht aan o.a. jou. Een tweede mogelijkheid (feitelijk is tweede onjuist) is het beleggen van regionale of locale bijeenkomsten van deze kunstzinnige jongelui (niet meer dan 20). Verder nog een heeleboel. Daartoe heb ik dus lui noodig, en daarom zal ik eenige advertenties plaatsen (ook daarvoor is de aanvangsgave van F. 2.50) en indien eenigszins mogelijk hoop ik de eerste circulaire aan de reflectanten op de advertentie te verzenden. In ieder geval moeten die lui warm gemaakt worden, en zij moeten niet schromen voor dat bedrag van F. 2.50, hetgeen onontbeerlijk is.’7
Nadat Ammy de Muynck positief op dit plan gereageerd had, deelde Van Loon haar op 5 juli 1943 mee dat hij intussen een advertentie had opgegeven bij het tijdschrift Contact, waarmee hij ‘middelbare scholieren, studenten, aankomende letterkundigen en kunstzinnigen e.d.’8 hoopte te bereiken. Op dinsdag 10 augustus 1943 verscheen vervolgens ook in het Haagse dagblad Het Vaderland een advertentie van Van Loon. De tekst hiervan luidt: ‘kunstzinnig jongmensch
zoekt geestverwanten (ml. & vrl.) Br. no 7144 bureau van dit blad.’9
De volgende dag schreef Van Loon aan Ammy de Muynck: ‘In Het Vad. stond deze annonce in groote opvallende opmaak gisteravond; vandaag kreeg ik via de courant een brief thuisbezorgd van een meisje uit Den Haag, dat schreef niet kunstzinnig te zijn, doch die blijkens haar brief sterk afweek van de conventioneele menschen en welke ik - juist omdat zij gereflecteerd heeft - onmiddellijk zal trachten voor mijn plan te winnen. Ik hoop en verwacht ook wel nog enkele brieven. Dezelfde tekst heb ik vanavond doorgegeven aan de nrc; de Haagsche Crt wilde hem niet plaatsen. Ik weet nu werkelijk niet meer waarin ik moet adverteeren. De laatstbedoelde advertentie lijkt mij bij nader inzien beter geslaagd dan die van Contact. Ik zou je willen voorstellen een gelijkluidende annonce in jouw krant te plaatsen - de kosten krijg je dan binnenkort terug zoodra het plan aan het draaien is en er wat geld is binnengekomen. Zou je dat willen doen Ammy? Indien ik een flink aantal brieven krijg op de diverse advertenties zal ik enkele brieven met kantteekeningen aan je toezenden, welke jij wel wilt beantwoorden.’ En vervolgens: ‘Mijn enthousiasme stijgt met den dag, ja met het uur. Er zijn ongekende moeilijkheden - de menschen komen niet zooals ik me had voorgesteld, doch we moeten en zullen ook wel overwinnen. Wil jij nog eens je best doen in jouw regio? Graag. Ik heb natuurlijk open oog ook voor de beklemmende toestand dezer dagen - weg of niet weg, wanneer en waarheen enz. en toch, we moeten er doorheen.’ En ten slotte: ‘Heb je nog naar papier uitgekeken en enveloppen? Is het je gelukt? Alles wordt t.z.t. vergoed. Zelf heb ik op den kop kunnen tikken 2000 enveloppen, maat 9.5 bij 12 cm. Hebben is hebben!’10

Advertentie in Het Vaderland van 10 augustus 1943.
Na het plaatsen van de advertenties braken voor Van Loon drukke tijden aan. In eerste instantie reageerden ongeveer twintig belangstellenden, die eerst op politieke betrouwbaarheid onderzocht werden. Als een arts hield hij daartoe spreekuur: voor iedereen was een half uur uitgetrokken. Niemand behoefde te worden afgewezen, een enkeling trok zich terug.
Een van degenen met wie Van Loon bij deze gelegenheid in contact kwam, was de Haagse muziekstudente Sylvia van Ameringen, die in 1921 te Hilversum geboren was en het grootste deel van haar jeugd in Duitsland had doorgebracht. Haar vader was afkomstig uit een joodse familie in Amsterdam, haar moeder was niet-joods en kwam uit Duitsland. In november 1938 maakte Sylvia van Ameringen in Neurenberg de ‘Reichskristallnacht’ mee. Ze vertelde hierover: ‘Ik hoorde 's ochtends in de tram van arbeiders: “Gôh, wat hebben we toch een lol gehad vannacht. We kregen gisteren bevel om bij synagogen en joodse winkels de boel kort en klein te slaan.” Het leek alsof ze het over een voetbalwedstrijd hadden. Dat was volgens ons het bewijs dat het helemaal niet spontaan was. En dat we wég moesten!’11
Nadat zij en haar familie in mei 1939 naar Nederland waren gekomen, leerde Sylvia van Ameringen, die thuis altijd Duits had gesproken, eerst Nederlands, waarna ze in 1941 tegen de zin van haar vader naar Wenen vertrok, om daar aan het conservatorium muziektheorie te gaan studeren. Ze werd in die tijd vooral geboeid door de opera, de muziek van Bach en Bruckner en door het werk van - toen - moderne componisten zoals Debussy, Ravel, Hindemith en Orff, terwijl ook verscheidene composities van de Nederlanders Pijper, Orthel en Badings haar sterk aanspraken. Ze herinnert zich van haar tijd in Wenen: ‘Ik had daar een leraar die het nog aandurfde om over Hindemith te praten. Dat was allemaal “ontaarde kunst”, dat kon eigenlijk niet meer.’ In 1942 keerde ze naar Nederland terug en zette ze haar studie voort aan het Rijksconservatorium - vroeger: Koninklijk Conservatorium - in Den Haag. Ook aan de Academie voor Beeldende Kunsten in de residentie liet ze zich inschrijven.
Over haar motieven om op de advertentie van Willem Karel van Loon te reageren, schreef Sylvia van Ameringen op 31 augustus 1943 in een kennismakingsbrief aan Ammy de Muynck: ‘Ten eerste ben ik hier heelemaal alleen; mijn vriendin woont in Duitschl. en stel ik vooral te hooge eischen aan een vriendschap, om hier zo vlug een te “ontdekken”. En vooral om over diepere, innerlijke problemen te praten, moet men volkomen vertrouwen tot elkaar hebben. Maar ik zou al blij zijn, menschen te ontmoeten, die ook kunstzinnig zijn en met die men daarover discuteeren kan.’12
Een ander met wie Van Loon over zijn plannen sprak, was Maarten Vrolijk (geb. 1919), de latere minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (1965-'66) en commissaris van de koningin in Zuid-Holland (1972-'84). Van Loon en Vrolijk kenden elkaar al van S.V. '35, een Scheveningse sportvereniging waarin ze beiden gehockeyd hadden, Vrolijk als spil, Van Loon in de voorhoede. Vrolijk, die te Scheveningen geboren was, had op de middelbare school een grote liefde opgevat voor de literatuur, waarbij vooral de gedichten van Marsman en Slauerhoff hem boeiden. Van 1936 tot '38 werkte hij als volontair op de redactie van De Nederlander. Intussen had hij in 1936 poëzie gepubliceerd in het protestants-christelijke literaire tijdschrift De Werkplaats. Later werkte hij mee aan verscheidene andere bladen, waarbij hij weinig lette op de politieke strekking: zo verscheen een gedicht van hem in de communistische krant Het Volksdagblad en publiceerde hij verzen in het fascistische tijdschrift Aristo.13 Na zijn volontairschap ging hij studeren voor het staatsexamen gymnasium-bèta, waarna hij zich in 1940 te Leiden inschreef voor de studie rechten. Nadat enkele maanden later de universiteit door de Duitsers gesloten was, werkte Vrolijk onder meer korte tijd op het kantoor van zijn vader en studeerde hij verder op eigen gelegenheid. In deze periode verschenen van hem enkele poëziebundels, waaronder In mora (1942). Van Loon merkte in 1979 op: ‘Tot mijn stomme verbazing kreeg ik van hem naar aanleiding van een van mijn advertenties een brief en tot zijn stomme verbazing kreeg hij van mij een reactie. En toen is hij net als alle anderen bij mij in de wachtkamer gekomen bij wijze van spreken.’ Maarten Vrolijk, die zich overigens niet herinnert bij Van Loon ‘in de wachtkamer’ te zijn geweest, schreef in 1989: ‘De hockeyclub - waarvan ik een der oprichters was - was geen genootschap waarin culturele zaken hoog opgeld deden. De verhoudingen waren redelijk “nuchter” en gericht op sportieve effectiviteit. Wellicht - maar het is lang geleden - waren Willem Karel en ik beiden verbaasd over die andere kant van de elftalgenoot. Vervolgens ging het mij vooral om de practische mogelijkheid nog eens af en toe een gedicht te publiceren; met de “sociëteits”-aspecten [...] had ik geen bemoeienissen en de neiging tot “filosoferen” van W.K. deelde ik ook niet.’14
Ook van buiten Den Haag kwamen reacties. Zo ontving Van Loon een brief van Hans Berghuis (geb. 1924), die op zeventienjarige leeftijd wegens tbc was opgenomen in het sanatorium Hornerheide in de Limburgse gemeente Horn. In het Aloysius-paviljoen lag Berghuis daar samen met andere jongeren zoals Léon Veugen en Leo Herberghs. Een belangrijke mentor voor hen was Otto J.C. van Loo, die wat ouder
was en na de oorlog een helpende hand zou bieden bij de uitgave van de eerste dichtbundel van Hans Berghuis. Via Willem Karel van Loon kwam Berghuis ook in contact met een andere Hagenaar, Gerard Messelaar. Vooral met hem ontstond een uitgebreide briefwisseling, waarbij Messelaar, die een grote belangstelling had voor toneel en later dramaturg wilde worden, Berghuis op de hoogte bracht van wat zich in het Haagse culturele leven afspeelde. Berghuis van zijn kant spoorde zijn vriend en medepatiënt Léon Veugen aan ook contact op te nemen met Van Loon.
Nadat Van Loon er op deze wijze binnen enige weken in geslaagd was een twintigtal belangstellenden voor zijn culturele kring te winnen, werd op zondagavond 29 augustus 1943 in de grote voorkamer van zijn ouderlijk huis aan de Admiraal de Ruyterlaan - vóór de oorlog: Koningin Wilhelminalaan - in Voorburg een kennismakingsbijeenkomst gehouden. Tijdens deze bijeenkomst besloten de aanwezigen de ‘officieuze sociëteit Stijl, gewijd aan kunst en wetenschap’ op te richten. De naam Stijl, die door Van Loon bedacht was, herinnerde aan het internationale tijdschrift De Stijl van Theo van Doesburg en Piet Mondriaan omstreeks 1920. Van Loon merkte hierover in 1979 op: ‘Dat waren baanbrekers, dat was vernieuwing.’ De bedoeling was dat er plaatselijke en regionale kringen van jongeren zouden worden gevormd, om samen te praten over allerlei cultuuruitingen en kennis te nemen van elkaars artistieke prestaties, en dat er bij wijze van samenbindend element een gestencild blad - genaamd: Stijl - zou verschijnen. Omdat sinds de oprichting van de Nederlandsche Kultuurkamer in 1942 alleen schrijvers die zich bij deze organisatie hadden aangemeld, tijdschriften mochten redigeren, wilde Van Loon daarbij de term ‘tijdschrift’ zoveel mogelijk vermijden en gaf hij de voorkeur aan het begrip ‘maandschrift’.
Kort na deze kennismakingsbijeenkomst - deze werd onder meer bijgewoond door Ernst Groenevelt, die in 1916 een van de oprichters was geweest van het literaire tijdschrift Het Getij; aan Stijl zou hij overigens niet meewerken - schreef Willem Karel van Loon in ‘Publicatie no. 1’, gedateerd eind augustus 1943: ‘De aandacht zij er op gevestigd, dat stijl geen vereeniging is. Bestuursleden, reglement zijn onbekende dingen. Wel zal er een redactieraad gevormd worden.’ En over de financiële bijdrage van de leden schreef hij: ‘Voorloopig een vrijwillige bijdrage, minimum f 2.50; daarna een maandelijksche vrijwillige bijdrage
met een nog vast te stellen minimum. Alles geschiedt pro deo, doch uiteraard dienen normale kosten (papier, stencillen, porti enz.) gezamenlijk gedragen te worden.’15 Het maandschrift Stijl zou verder gratis aan de leden worden toegestuurd.
In een andere gestencilde brief, getiteld ‘Stijl-mededelingen in ijlstijl’, merkte Van Loon kort hierna op: ‘Het is wenschelijk, dat ieder zich een pseudoniem aanmeet; gaarna ontvang ik opgave hiervan aan het adres, dat vermeld is op de vorige publicatie. Dit pseudoniem zal slechts gebruikt worden voor en bij publicatie's in het blad. Zoodra de Posterijen met iets te maken krijgen, wordt de werkelijke naam weer aangenomen. Dus geen schuilnaam op enveloppen e.d. Mocht men verzuimd hebben den gekozen schuilnaam aan mij mede te deelen, dan zal de redactie, zoodra dat noodig is, zelf een naam fingeeren en dezen voortaan bezigen.’
Diende het gebruik van pseudoniemen duidelijk als middel om al te snelle ontdekking door de Duitsers te bemoeilijken, ook de volgende opmerking in ‘Stijl-mededelingen in ijl-stijl’ had kennelijk daarmee te maken: ‘Binnenkort verschijnt een circulaire, waarop voorkomen alle stijl-kennissen; ieder heeft daarbij slechts een nummer; wil nu bijv. no. 1 met no. 10 gaan correspondeeren, dan richte hij een brief voor no. 10 aan mijn adres, met verzoek om doorzending. Andere adressen komen hierdoor dus niet in circulatie.’
Typerend voor de tijdsomstandigheden was ook de passage: ‘De groote gele enveloppe, waarin het blad wordt verzonden, gelieve men voorzichtig te openen en na gebruik te retourneeren, opdat deze nogmaals gebruikt kan worden. Hebt gij al nagegaan, of er nog dergelijke enveloppes te koop zijn?’ Sylvia van Ameringen merkte hierover in 1982 op: ‘We hebben, geloof ik, de recycling toen al toegepast.’
In hetzelfde stencil werd meegedeeld dat de redactie van Stijl als volgt was samengesteld: Algemeen: Willem Karel van Loon (pseudoniem Peter de Raedt), Literatuur: Eb van de Beld (ps. Carel Corte), Beeldende Kunsten: Ammy de Muynck (ps. Amélie Libert) en Toonkunst: Sylvia van Ameringen (ps. Idzy van Rooy).16
Kort hierna - in september 1943 - verscheen het eerste nummer van Stijl met als ondertitel ‘maandschrift der officieuze sociëteit / gewijd aan / kunst en wetenschap’. Deze aflevering telde twintig bladzijden in octavo-formaat en was gestencild in een oplage van vijfenzeventig exemplaren. Voor het type- en stencilwerk had Van Loon een politiek betrouwbare ‘beroepskracht’ gevonden: mej. Bep Olthoff, die aan de Lijnbaan in Den Haag een stencilbureau had. Het omslag van het blad - voorstellende een in strakke horizontale en verticale lijnen opgetrok-
ken gebouw volgens de ideeën van De Stijl, waarboven in gebogen lijnen de lucht gesuggereerd werd - was ontworpen door Eb van de Beld.
De eerste aflevering opende met een beschouwing, getiteld ‘Ten geleide’, waarin de redactie onder meer schreef: ‘Belangstelling voor de kunst - in haar wijdst vertakte uitingen - is niet zonder méér aan te kweken.’
De redactie vervolgde: ‘Wij voeren dan ook niet de pretentie in staat te zijn de ten dele of geheel apathisch tegenover kunst staanden véél begrip of véél liefde er voor bij te brengen. Wij kunnen slechts door ons enthousiasme stimuleren, in de hoop en stille verwachting, dat hiervan een lichtglans op de zich afzijdig houdenden moge afstralen.
Want kunst - in welke vorm dan ook - kun je alleen maar ondergáán, zij laat zich niet beredeneren, niet analyseren. Zij moet volkomen bezit van ons nemen, zij moet iedere zenuw doen meetrillen. Zij moet rampzalig en gelukkig maken ter zelfder tijd. Zij moet ons opheffen boven de tijd en meteen er ons in onderdompelen. Zij moet sterk maken en zwak, ruw en zacht, groot en klein. Zij moet ons opzwepen en vertederen, blij stemmen en verdrietig. Maar altijd, altijd moet zij ons vasthouden, tot zij vergroeid is met en een deel is van onszelf.’
Over het verband tussen kunst en wetenschap - Stijl zou aan beide aspecten van de cultuur aandacht besteden - merkte de redactie verder op: ‘Kunst kan niet zonder wetenschap. Wetenschap niet zonder kunst. Hierbij dienen de grenzen van kunst en wetenschap niet te nauw getrokken te worden, ofschoon wij wel van één idee en één criterium dienen uit te gaan, willen we de begrippen kunst en wetenschap definiëren. Dat zullen wij hier niet doen. Wij weten dat kunst en wetenschap, ieder in de breedst mogelijke vorm, aan elkaar verwant zijn, gelijk mens en dier.’
Ten slotte schreef de redactie: ‘Kunst vermag ons op te heffen boven het tijdelijke en in contact met het eeuwige, immortale te brengen. Kunst vermag ons te ontroeren, wetenschap verstaat de kunst ontzag bij te brengen voor de macht die is in de mens, maar die is terug te leiden tot de Inspirator, in Wien kunst en wetenschap verenigd zijn. Doch wij dienen te bedenken dat wetenschap niets is als zij niet is: wijsheid. Wanneer wetenschap geen wijsheid is, is zij ten dode opgeschreven. Wanneer kunst zonder ontroering is, is zij even sterfelijk.’17
Hierna volgde een artikel van Amélie Libert (Ammy de Muynck) over ‘Rembrandt's teekeningen’. Haar belangstelling voor dit onderwerp was vooral gewekt tijdens een besloten bijeenkomst in april 1943
in Goes, waar de kunsthistoricus Karel Schuurman uit Amsterdam over de tekeningen van Rembrandt een lezing met lichtbeelden had gehouden. Bij die bijeenkomst was ook de jonge Zeeuwse dichter Hans Warren aanwezig geweest. In haar artikel schreef Amélie Libert onder meer: ‘Zelfs door het aandachtig bestudeeren van zijn groote werken - hier doel ik niet alleen op de Nachtwacht en andere wereldberoemde werken, maar ook op Rembrandt's schitterend gecomponeerde bijbelsche tafereelen, zijn fraaie portretten en landschappen - komt men Rembrandt niet zoo na als door het zien van, het inleven in zijn teekeningen. Zij zijn vaak eenvoudig, uit op krassen lijkende lijnen opgebouwd, maar juist door dien eenvoud zijn ze zoo treffend mooi en ontroerend.’18
In de eerste aflevering van Stijl werd ook een essay van Carel Corte (Eb van de Beld) opgenomen, waarin de actuele situatie van de Nederlandse literatuur aan de orde werd gesteld. In dit essay, getiteld ‘Van '80 tot heden’, merkte Corte hierover op: ‘Sinds enkele jaren is in onze literatuur een nieuwe generatie aan 't woord, zich groeperend rond het tijdschrift “Criterium”, thans ter ziele. Het is moeilijk het wezen van deze generatie te schetsen, omdat uit haar midden opmerkelijk weinig programma's zijn voortgekomen. Degene, die in dit verband nog het meest van zich liet horen en het karakter van deze groep trachtte te kenschetsen is Ed. Hoornik [...]. In het werk van deze jongeren tekent zich af “een sterke aesthetische gevoeligheid, die als erfenis van 1880 en 1900 expressionisme en Forum heeft overleefd”, “een nog maar ten dele opgelost conflict, dat aanleiding geeft tot romantische escapades, ironie en zelfbeschaming [zelfbeschouwing]” (v. Heerikhuizen).’ Deze, citaten waren afkomstig uit de inleiding tot de - door F.W. van Heerikhuizen samengestelde - bloemlezing Stille opmars. Verzen van de nieuwe generatie in Nederland (1942).19
Carel Corte schreef verder: ‘Wat onze tijd kenmerkt, onze schuld en onze verwarring, onze moed en onze hoop, zal men zelden door deze dichters bevredigend geformuleerd vinden en nog minder vindt men bij hen het antwoord op onze vragen. Wie zich met die verwachting wendt tot de contemporaine literatuur, komt bijna altijd bedrogen uit.
Het is merkwaardig - en men ontkomt niet aan die indruk - dat deze jongeren zo weinig zich één voelen, dat zó weinig enthousiasme voor wat zij propageren, te constateren valt. Want een generatie wordt
geboren onder aandrang van idealen. Het élan en de spirit, die b.v. Marsman bezielden, zijn bij geen van deze dichters aanwezig. Zij worden niet gestimuleerd door één gemeenschappelijke idee. Ware dit wel zo, dan zou men toch op zijn minst een duidelijker omlijnd program kunnen verwachten.’
En verder: ‘Het is de vraag of, en zo ja, hoe deze generatie zich in de toekomst verder zal ontwikkelen. Wij kunnen het niet eens zijn met van Heerikhuizen als hij zegt: “Maar misschien zal juist deze generatie door haar inslag van bescheidenheid en scepticisme meer weten te bereiken dan haar voorgangsters”. Daarvoor is ze te zwak van structuur en o.i. te weinig bezielend. De dikdoenerij en het bravour van enkele dezer jongeren, het schermen met z.g. “duistere” poëzie en hol-klinkende, niets-suggererende beelden, vermoeit en is evenmin het kenmerk van waarachtige poëzie. Wij zijn van mening, dat het meer dan tijd is terug te keren tot de eenvoud, die méér ontroert dan alle dweperij en mooie woorden. Dezelfde eenvoud waar M. Nijhoff naar streefde en die ook zo treffend verklankt wordt in de zeer merkwaardige poëzie van de dichteres M. Vasalis, die weliswaar tot de nieuwe generatie gerekend wordt, maar er o.i. door haar volkomen aparte verschijning geheel los van staat.’20 Ook de hier aangehaalde opmerking van Van Heerikhuizen was afkomstig uit de inleiding tot diens bloemlezing Stille opmars.21
De eerste aflevering van Stijl bevatte verder onder meer poëzie van Hans van Nijevelt (ps. van Hans Neher) en Carel Corte (Eb van de Beld). Daarnaast werden in dit nummer beschouwingen gepubliceerd over ‘Christus in de Russische kunst’ en ‘De Noord-Nederlandse schilderkunst van 1800 tot 1850’.
Hierna verscheen in oktober 1943 de tweede aflevering van Stijl, die opnieuw twintig pagina's telde. In dit nummer was het gedicht ‘Ontwaken’ van M. de Jonge (schuilnaam van Maarten Vrolijk) opgenomen:
Vervolgens werd onder de titel ‘Onweer’ een brief gepubliceerd van Amélie (Ammy de Muynck) met als aanhef ‘Willem’ (Willem Karel van Loon). Het begin hiervan luidt: ‘Kan jij je ook zo opgelucht en helder voelen na een onweer? Ik was suf en moe vanavond, toen ik na het eten voor het raam van mijn kamer uitkeek over de dijk naar de bomen en de huizen aan de andere zijde van het kanaal. Het was windstil en over alles hing een loommakende warmte. Ik had wat geschreven 's middags, maar ik had hoofdpijn toen en ik moest er nu eens goed over nadenken of ik alles wel zo zou laten staan. Ik kon niet denken; het was alsof ik mijn hersens voelde kronkelen. De mensen wandelden en fietsten traag voorbij. Langzaam voer een schip langs. Haar vlag hing slap. Doods hing de wolkenhemel, die erg donker was geworden over de wereld. Dan ineens kwam van ver een ruisen, dat steeds naderbijkwam. Het was als een plotseling opkomende vloedgolf. De bomen bewogen eerst moeizaam, dan vlugger en levendiger hun kruinen. Bruine, droge blaren dwarrelden omlaag. Een rosse gloed zette de omgeving in vlam. De hemel was opengescheurd met een helse knettering.’23
Het tweede nummer bevatte verder een korte beschouwing, getiteld ‘Eenvoud in de poëzie?’, van H. Brands (schuilnaam van de Limburger Hans Berghuis), waarin deze stelling nam tegen het betoog van Carel Corte (Eb van de Beld) dat onder de titel ‘Van '80 tot heden’ in de eerste aflevering van Stijl was opgenomen. Over dit betoog schreef Brands: ‘Er wordt daarin geconstateerd, dat de jongste generatie op gebied van dichtkunst niet al te veel presteert en iedereen kan het daarmee eens zijn. Het gemis aan eenvoud en de onbegrijpelijkheid van de poëzie wordt [worden] aangemerkt als oorzaak van het lage peil der huidige dichtkunst.’
Brands vervolgde: ‘Naar mijn mening heeft de z.g. onbegrijpelijkheid helemaal geen schuld aan dat lage peil en ook kan de programmaleuze “Eenvoud!” - die moet worden aangewend om de onbegrijpelijkheid te doen verdwijnen - mij niet bekoren. Wat aan de moderne poëzie ontbreekt is niet eenvoud maar waarachtigheid. Er bestaat geen dichtkunst zonder waarachtigheid van emotie en juist deze levensvoorwaarde ontbreekt m.i. maar al te vaak.’
Verder merkte hij op: ‘Een meerdere of mindere mate van onbegrijpelijkheid behoeft helemaal geen bewijs, zelfs geen aanwijzing te zijn tegen de waarachtigheid en de schoonheid van de emotie, waaruit het gedicht is ontstaan, en dus tegen de schoonheid en echtheid van het gedicht zelf. Integendeel! De Hoogste Schoonheid zelf waarover Shelley spreekt als:
is in zich onbegrijpelijker dan het meest gecompliceerde gedicht, dat men zich denken kan. De schoonheidsemotie van den dichter vindt haar weerklank in onze ziel en wij allen trachten de zin ervan te verklaren. Hoe die verklaring bij ieder van ons apart uitvalt, komt er weinig op aan, indien het doel van het gedicht - de weerklank der ontroering - maar bereikt is.’
Brands besloot zijn beschouwing: ‘Ik weet niet of mijn bedoeling voldoende duidelijk is, het volgende kan echter eenig licht op de zaak werpen: Hölderlin is krankzinnig geworden en zijn steeds gecompliceerder wordende emoties konden niet meer in taal worden uitgedrukt. En ik vind dit een waardiger besluit van zijn dichterschap dan wanneer hij zijn hoge en “onbegrijpelijke” dichtkunst vereenvoudigd, meer alledaags gemaakt zou hebben.’24
In de tweede aflevering van Stijl werd verder onder meer een uitvoerige beschouwing van Idzy van Rooy (ps. van Sylvia van Ameringen) over de componist Anton Bruckner gepubliceerd.
Zoals eerder werd opgemerkt, was Stijl in de eerste plaats een sociëteit, waar gelijkgezinden elkaar konden ontmoeten. Er werden - in de regel bij een van de leden thuis - lezingen gehouden, niet alleen in Den Haag, maar ook in Rotterdam, waar een groep belangstellenden zich bij Stijl had aangesloten. Al snel bleek het enthousiasme voor de sociëteit te verminderen. Op 4 oktober 1943 schreef Sylvia van Ameringen aan Ammy de Muynck: ‘Met “Stijl” gaat het op het moment helaas niet goed; maar die er nog over zijn, zijn op ieder geval “goed”, d.w.z. werkelijk belangstellend.’25 Een probleem hierbij was dat verscheidene leden van de sociëteit buiten Den Haag of Rotterdam woonden, waardoor onderling contact bemoeilijkt werd. Zo heeft Ammy de Muynck, die in de redactie van Stijl zat, in die periode de andere redactieleden nauwelijks ontmoet. Wel onderhield ze een uitgebreide correspondentie met vooral Willem Karel van Loon en Sylvia van Ameringen. De laatste schreef haar in die tijd lange brieven, waarin ze
openhartig vertelde over haar ideeën, over de betekenis van de muziek in haar leven en over haar kinderjaren in Duitsland.
De derde aflevering van Stijl verscheen vervolgens begin november 1943 en had een omvang van twintig bladzijden. Hierin werd het gedicht ‘Nacht’ van Peter de Raedt (Willem Karel van Loon) opgenomen, waarin een visie op het leven werd verbeeld die sterk beïnvloed was door de oorlogsgebeurtenissen:
In de derde aflevering van Stijl reageerde Carel Corte (Eb van de Beld) op de beschouwing ‘Eenvoud in de poëzie?’ van H. Brands (Hans Berghuis), die in het tweede nummer was opgenomen. Tegenover Brands' pleidooi voor het bestaansrecht van ‘onbegrijpelijke’ poëzie stelde Corte onder meer: ‘De dichter moet er naar streven in zijn werk zóveel eenvoud te brengen, dat het, als ik het zo mag noemen, gemeengoed wordt. Dit zal wel altijd een vrome wens blijven, alleen maar een vrome wens, maar moeten we daarom van dit streven maar afstand doen? Is het overigens niet merkwaardig, dat in de evolutie van het werk van oudere dichters [...] altijd meer eenvoud te constateren valt? Ik noem als voorbeeld een dichter die mij nu te binnen schiet: de Vlaming Raymond Herreman. Lees zijn hele oeuvre en men zal dezelfde ontdekking doen. En deze poëzie is mij duizendmaal liever, ontroerender, dan die van Achterberg en Hölderlin, enkele verzen uitgezonderd. Laat Hölderlin dan krankzinnig worden en laat Brands dat een schoner besluit vinden van zijn dichterschap, dan wanneer hij zijn poëzie vereenvoudigd had - wat “doet” mij persoonlijk zijn vers? Men kan dan tegen hen [hem] opzien, en zijn grootheid toegeven, wat heb ik aan die grootheid, als zijn werk mij niet aanspreekt en ontroert?’27
Het derde nummer van Stijl bevatte verder onder meer essays over de poëzie van A. Roland Holst, over de Franse componist Gabriël Fauré en over Constantijn Huygens.

Omslag van het derde nummer van Stijl.
Kort nadat de derde aflevering van Stijl was uitgekomen - op 7 november 1943 - schreef Sylvia van Ameringen aan Ammy de Muynck, die intussen van Middelburg naar Amsterdam was verhuisd en daar in een boekhandel was gaan werken, over een ‘Stijl-avond’, die kort daarvoor in Den Haag gehouden was en waarop Sylvia van Ameringen een inleiding had gehouden over een van haar favoriete componisten, Anton Bruckner - ze had over hem in de tweede aflevering van Stijl een enthousiast artikel gepubliceerd -: ‘In de Brucknercursus waren er zelfs 4 Stijl-leden uit Rotterdam gekomen, die om 9 uur weer wegreden. Willem was ziek. Eerlijk gezegd viel het mij een beetje tegen; ik was met mij niet tevreden. Niet alleen, dat ik vele belangrijke dingen tenslotte toch ben vergeten te zeggen (in toekomst ga ik toch steekwoorden opschrijven) maar heeft me de taal meer moeilijkheden opgeleverd, dan verwacht. Juist zoo intime, diep liggende wezenstrekken zijn ontzettend moeilijk in een vreemde taal te zeggen. Ik geloof wel, dat de anderen (de toehoorders) wel begrepen, wat ik allemaal vertelde, maar de fijne nuanceeringen, juist het bepaalde iets, gaat er toch vanaf.’28
Dezelfde dag, 7 november, schreef Willem Karel van Loon aan Ammy de Muynck: ‘Ik ben doende Stijl iets te veranderen. We - d.w.z. Eb en ik en (later) ook jij - zijn van plan een programma op te maken, antwoordende op de vraag: Stijl, quo vadis? We moeten nl. een richting uitgaan. Hierover zal wel 't een en ander te spreken zijn; fijn daarom dat je in A. nu woont - dat is gemakkelijker.’29
Ruim een week later - op 15 november - vond in Utrecht het proces tegen de Lichting-groep plaats. Veertien dagen na dit proces, op 29 november, schreef Willem Karel van Loon aan Ammy de Muynck: ‘In Den Haag gaat alles zijn oude gang. Alleen ben ik angstig geworden over het blad (in Utrecht zijn vijf studenten opgepikt omdat ze zonder de Kultuurkamer er in te kennen, een literair blad uitgaven). En ík mag nog zoo voorzichtig zijn, als één “lid” onvoorzichtig is, loopt alles verder spaak, met alle nare konsekwensies (huiszoekingen). Ik zoek naar een oplossing, doch kan hieraan momenteel niets doen, omdat ik van een keelontsteking maar matig herstel. Anderzijds moet het karakter van st. toch veranderen, omdat de meeste artikelen uitsluitend vormend zijn en niet scheppend en critisch; stijl is geen schooltje.’30 Aangenomen mag worden dat Van Loon met zijn opmerking over de arrestaties in Utrecht doelde op de maatregelen van de Duitsers ten aanzien van het blad Lichting. Naar aanleiding van het - door hem tussen haakjes geplaatste - woord ‘huiszoekingen’ schreef Van Loon in 1988: ‘[...] zeer kort tevoren hadden ons onbekende figuren overdag
bij mij thuis een huiszoeking gedaan en allerhande boeken en paperassen, die mijn ouders toebehoorden, meegenomen. Mijn vader was voorganger van een religieus genootschap.’31
In dezelfde maand waarin Van Loon zijn brief aan Ammy de Muynck schreef, werd zijn mederedactrice Sylvia van Ameringen samen met haar ouders op een vroege ochtend door de Nederlandse politie opgehaald en naar Huize Windekind aan de Nieuwe Parklaan in Scheveningen gebracht. Daar werden ze na uren wachten voor de Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des sd, Franz Fischer, geleid, aan wie meegedeeld werd dat bij de ouders van Sylvia van Ameringen van een ‘gemengd huwelijk’ sprake was. Sylvia van Ameringen vertelde hierover in 1982: ‘Hij zei: “Nu, dan zijn jullie nog niet aan de beurt, want gemengd-gehuwden hoeven zich nog niet te melden.”’ De familie kon hierna naar huis terugkeren. Haar vader werd wel aangeraden zich te laten steriliseren om deportatie te voorkomen. Hij heeft dan ook deze - in dergelijke omstandigheden vernederende - ingreep laten verrichten.32
Korte tijd later kwam aan het blad Stijl een einde, hoewel de sociëteit als zodanig bleef bestaan. Het vierde en laatste nummer, dat in december 1943 verscheen en zestien pagina's telde, was voor een belangrijk deel met kerstpoëzie gevuld.
Een voorbeeld hiervan is ‘Kerstliedje’ van Carel Corte (Eb van de Beld):
Van Peter de Raedt (Willem Karel van Loon) werd het gedicht ‘Klaagmuur’ opgenomen, waarvan de eerste strofe luidt:
In een ‘Uitgeleide’ aan het slot van de vierde aflevering schreef de redactie: ‘Een niet-officieuze, doch officiële mededeling is, dat het maandschrift stijl met ingang van heden heeft opgehouden te bestaan. Het is ons namelijk niet meer mogelijk gebleken de weg te bewandelen, welke wij ons voorgesteld hadden. Meer dan een enkele maal tonen de feiten aan, dat in deze “getraliede tijd” individuele belangen verre uit gaan boven de algemene. stijl evenwel kan en kon onmogelijk “zichzelf” voeden. Zodoende is stijl [...] zacht en kalm op reeds jeugdige leeftijd overleden, ondanks de huidige vitaminen-mode.’
De redactie vervolgde: ‘Toch moet er terdege rekening mede gehouden worden, dat stijl niet iedereen heeft kunnen bereiken en dat niet iedereen van het bestaan van stijl afwist. Deze motieven hebben wel zeer sterk bijgedragen tot de likwidatie.
Het reeds meer en op andere plaatsen geconstateerde feit, dat deze tijd arm is aan goed proza en in zekere zin overladen wordt met goede en minder goede poëzij, heeft ook ons maandschrift bewezen; dit laatste nummer wel in het bijzonder.
Wij hebben bewust in dit afscheidsnummer meer poëzij van een lager schoonheidsgehalte willen publiceren dan wij in andere uitgaven wilden doen.
Ofschoon wij ons steeds - het spreekt vanzelf - dienden te houden aan zekere criteria, hebben wij deze voor dit nummer in enige mate laten varen; zulks vindt zijn oorzaak in het feit, dat wij wensten te tonen iets van de mentaliteit, heersende onder de generatie, “ontgoocheld” (Marsman) geboren in of kort na de eerste wereldoorlog. Deze
gesteldheid is van een melancholie, een ironie, een tastend zoeken vanuit een alles doordringend duister, op weg naar dorado.
stijl was niet gesticht vanuit de idee een vormend karakter te dragen; veeleer heeft het gehoopt en getracht inspirerend en bevruchtend te werken. Dat het hierin niet is geslaagd, valt zeer te betreuren, maar mag ons niet euvel geduid worden.
De taak, welke stijl en de redactie zich had [hadden] gesteld, is derhalve nu, 't zij onvoltooid, geëindigd. Onvoltooid, omdat stijl, zowel [als] de redactie, op de grens van de dood, tot leven is geschapen.
Gestaald, niet verslapt, door de tijd en haar invloeden, gaan wij voort op de weg van romantisch individualisme; romantisch - omdat wij tastend het schone zoeken; individualisme, omdat ook de stijl - ervaring ons geleerd heeft dat het voor den kunstzinnigen mens onvergankelijk is.
En gij - bewaart stijl I, II, III, IV en leest het als ge werkelijk niets anders te doen hebt. En gedenkt dan de ijdel gebleken pogingen van de Redactie.
“Die in de hemel woont, zal lachen” (Prediker) ...?’35
Dat ook enige acute bezorgdheid voor ontdekking door de Duitsers bij de opheffing van Stijl een rol heeft gespeeld, kan worden opgemaakt uit een brief van 14 januari 1944 van Willem Karel van Loon aan Ammy de Muynck: ‘stijl is dood - redenen als vermeld in “Uitgeleide” en voorts te wijten aan grenzelooze onvoorzichtigheid van een der “leden” welke bijkans de heele zaak in duigen had doen vallen. stijl is dood, vive stijl. Er komt wat anders: allereerst een bundel (gestencild met 21 of 24 gedichten van de beste stijlisten), prijs f 1.50 en verder zijn we, dwz. Eb en ik, bezig om een nieuw orgaan uit te geven, waarvoor dichters van naam worden uitgenodigd - zal in hoofdzaak lit. zijn.’36 Uit de laatste zin blijkt overigens dat van al te grote angst voor Duitse bemoeienissen geen sprake was.
De bundel waarover Van Loon in zijn brief schreef, verscheen half maart 1944 en was getiteld Stijlbloempjes. In deze bloemlezing, samengesteld door Peter de Raedt (Willem Karel van Loon), waren vierentwintig gedichten opgenomen, geschreven door acht vroegere medewerkers van Stijl: Carel Corte (Eb van de Beld), Ton van Dort (A.A. Ashoff), Max de Jonge (Maarten Vrolijk), Amélie Libert (Ammy de Muynck), Gabriël Mull (Gerard Messelaar), Hans van Nijevelt (Hans Neher), Peter de Raedt (Willem Karel van Loon) en Frits van Wijk (J. Linthorst). Het in twee kleuren uitgevoerde omslag, voorzien van bloemmotieven, was getekend door Sary Heykoop, studente aan
de Avondacademie voor Beeldende Kunsten in Den Haag. De oplage was ongeveer honderd gestencilde exemplaren.
Intussen troffen Van Loon en zijn vriend Eb van de Beld ook voorbereidingen voor de uitgave van een ‘nieuw orgaan’, waarover Van Loon in januari 1944 aan Ammy de Muynck geschreven had, zij het dat er inmiddels van was afgezien ‘dichters van naam’ tot medewerking aan het tijdschrift uit te nodigen. Op 7 april 1944 kon hij haar berichten: ‘Er komt volgende week een nieuw blad uit! “Maecenas”.’37 De naam herinnerde aan de legendarische bevorderaar van kunsten en wetenschappen in de Romeinse oudheid Caius Cilnius Maecenas.
Om medewerkers voor het blad te winnen, plaatste Van Loon op 12 april 1944 opnieuw een advertentie in Het Vaderland. Deze advertentie luidt: ‘Jongelui met belangstelling voor literatuur, muziek, tooneel, beeld. kunsten en alg. wijsbegeerte, zoeken contact met gelijkgezinden. Brieven No. 1510, bureau van dit blad’.38 Gerard Messelaar, een van de Haagse kennissen van Van Loon, schreef een dag later - 13 april - aan Hans Berghuis in het sanatorium ‘Hornerheide’: ‘A.s. Zaterdag verschijnt de herrezen Stijlphoenix, zij het onder een andere naam.’39 Wellicht kan hieruit worden afgeleid dat het eerste nummer van Maecenas op of omstreeks zaterdag 15 april 1944 verschenen is.
Opgemerkt moet hierbij worden dat op de eerste pagina van het persoonlijk exemplaar van Willem Karel van Loon later als maand van verschijnen ‘Juni 1944’ werd getypt, maar het is waarschijnlijk dat deze datering niet juist is. Zoals uit een brief, waaruit hierna nog geciteerd zal worden, van Van Loon aan Ammy de Muynck van 11 mei 1944 kan worden afgeleid, was het eerste nummer van Maecenas immers toen al verschenen.
De eerste aflevering, die - evenals bij de nummers van Stijl het geval was geweest - door mej. Bep Olthoff getypt en gestencild werd, telde twintig bladzijden in octavo-formaat en werd vervaardigd in een oplage van tussen de vijfenzeventig en honderd exemplaren, die voor ongeveer zeventig procent in Den Haag en omgeving verspreid werden.
Op de eerste bladzijde van Maecenas werd medegedeeld: ‘communicatiemiddel onder redactie / van peter de raedt. / Letterkundig adviseur Robert Damman.’ Zoals eerder werd vermeld, wilde Van Loon in verband met de bepalingen van de Kultuurkamer de term ‘tijdschrift’ zoveel mogelijk vermijden, wat hem ertoe gebracht zal hebben hier de term ‘communicatiemiddel’ te hanteren.
Wat de redactie betreft, kan worden opgemerkt dat deze dus alleen werd gevormd door Peter de Raedt (Willem Karel van Loon), terwijl de redactie van Stijl bestaan had uit Willem Karel van Loon, Eb van de Beld, Ammy de Muynck en Sylvia van Ameringen. Wel was Robert Damman - een pseudoniem van Eb van de Beld - als letterkundig adviseur aan de redactie toegevoegd.
De eerste aflevering van Maecenas opende met een beschouwing van Peter de Raedt (Willem Karel van Loon) onder de titel ‘Levensdrift’. Als motto had hij de volgende regels uit het gedicht ‘Lex barbarorum’ van H. Marsman gekozen:
Peter de Raedt schreef naar aanleiding hiervan onder meer: ‘Het leven moet gelééfd worden tot op den bodem. Het moge klein-burgerlijk klinken: het onderste moet uit de door het leven aan ieder geschonken kan met nectar [...] gehaald worden. Verban de vrees het lid op de neus te krijgen. “Het doel van het leven is nog meer te leven. Intens te leven is het leidende beginsel van den vereerder van het leven” (Huxley). De futuristische schilder is het er om te doen het leven tot de grootst mogelijke intensiteit op te voeren. Hij is de man, die zich ergert aan het rustige, het gelijkmatige. Zijn wet is: Leven is rhythme.’
De Raedt vervolgde: ‘Waarom dan te spreken over den dood? Waarom dan verzen te schrijven over den dood? Waarom dan somber en droefgeestig te zijn? Waarom dan te schilderen schedels?
Is dat zoo vreemd? Zijn wij niet gebaard op de grens tusschen het leven en den dood? Loopen wij niet met het leven op onze lippen en dragen wij niet den dood in onze handen? Leven zonder dood is niet bestaanbaar, het omgekeerde evenmin. De dood zit in het leven verankerd, hij is gelijk met ons bloed geschapen. Georg Simmel zegt in zijn “Lebensanschauung” dat wij in elk moment van ons leven menschen zijn, die sterven gaan.’
Ten slotte merkte De Raedt op: ‘Waarom dan verzen over den dood te schrijven? Waarom dan schedels te schilderen? Omdat wie het leven waarlijk doorleven wil, trachten moet den dood te verstaan.’40
De eerste aflevering van Maecenas bevatte verder een reeks aantekeningen van Robert Damman (Eb van de Beld) over de Franse dichter Arthur Rimbaud. Hij schreef hierin onder meer over Rimbaud: ‘Naast zijn gebondenheid aan het vergankelijke, voelt hij zich voortdurend gekweld door het absolute, het eeuwige - en de plaats die de emble-
men van de oneindigheid in het werk van Rimbaud innemen, is zeer belangrijk, als daar zijn: het uitspansel, de zee, de grote stad, de dood. Alleen de liefde is in zijn werk en in zijn hele leven trouwens nooit aanwezig geweest. Hij coquetteert wel eens met de vrouw, maar als hij ernstig wordt, stelt hij wetenschap en dood als troosters bóven haar. Maar in die drang naar het eeuwige weet hij zich gebonden door het tijdelijke, het eindige. En zo blijft hij zijn hele leven de opstandeling en dáárom alleen kunnen we hem, de dichter van de “Illuminations”, van “Bateau ivre”, als zodanig aanvaarden. Moet hieruit ook wellicht, ofschoon de meningen hieromtrent nogal uiteenlopen, zijn volkomen breken met de literatuur op nog zo jeugdige leeftijd verklaard worden? “La littérature? ... absurde, ridicule, dégoûtante!” - “je ne m'occupe plus de ça” - “c'est passé”, zegt hij herhaaldelijk. En het vagebonderen, hem opgelegd als een noodlot, blijft zijn enige bestemming, want ruimte en eenzaamheid zijn hem levensvoorwaarden.’41
Daarnaast werd in het eerste nummer, behalve poëzie, een aantal essays gepubliceerd over - onder meer - de Nederlandse film, het spinozisme en de literatuurkritiek. Han van Doorn - pseudoniem van Alex van Amerongen, die na de oorlog als pianist en als muziekcriticus van NRC Handelsblad bekendheid zou krijgen - werkte aan deze aflevering mee met een beschouwing over de Franse componisten Ernest Chausson en Claude Debussy.
Waarschijnlijk kort nadat het eerste nummer van Maecenas vervaardigd was, - omstreeks 17 april 1944 - werd Eb van de Beld gearresteerd. Op 28 april schreef Gerard Messelaar hierover aan Hans Berghuis: ‘Tot mijn spijt moet ik je [...] meedelen, dat Eb van de Beld verleden week is opgepakt en naar Amersfoort is overgebracht. Hij schijnt voor het een of ander ondergedoken te zijn, in ieder geval heeft het niets te maken met Stijl.’42 Eb van de Beld werd vervolgens voor gedwongen tewerkstelling naar Duitsland gevoerd.
Bijna twee weken later - op 11 mei - schreef Willem Karel van Loon aan Ammy de Muynck: ‘Je critiek op Maecenas stel ik zeer op prijs. Het is vooral een communicatiemiddel tusschen de nog overgebleven Stijl-menschen en eventueele nieuwe aanwinsten of (en) relaties.’43
Kort daarna, op 17 mei, schreef Eb van de Beld vanuit het Ostarbeiterlager Voszbeck Düsselerhöhe über Wuppertal-Vohwinkel aan Willem Karel van Loon: ‘Helaas heb ik je moeten achterlaten zonder afscheid te nemen. [...] Ik zit hier op een kalkfabriek (schrik niet). Wie had zulks ooit kunnen dromen, broeder. 's Avonds kom ik witbestoven in 't Lager. Van alles is het ergste echter, dat ik hier zo volkomen uit mijn eigen werk gerukt ben. Dat stemt je verdrietig en je
begrijpt, dat het tussen 85 andere knapen onmogelijk is je op enig werk te concentreren. [...] Ik ben nu al een maand weg. Binnen dezelfde tijd hoop ik je terug te zien, maar ook thans zal deze hoop wel weer ijdel blijken te zijn. [...] Waar is de dag, dat we elkaar weer zullen begroeten, broeder? O, gedroomd Dorado! Stuur mij ook wat poëzie. Ik bezit hier niets, ik citeer slechts mijn geheugen.’44 Hierna stuurde Van Loon aan Eb van de Beld gedichten van Werumeus Buning, Nijhoff en Marsman.
Intussen bleef Van Loon op zoek naar nieuwe medewerkers voor zijn tijdschrift. Op 17 juni 1944 werd van hem in het weekblad Haagsche Post de volgende advertentie opgenomen: ‘gedichten. Welke jongelui voelen er voor om eigen gedichten en ander werk met mij uit te wisselen? Gaarne uitv. br. en werk. Br. No 6611 Bur. H P Haag.’45
Een van degenen die deze advertentie lazen, was de tweeëntwintigjarige dichter Hans Warren, die aan de zeedijk van het Zeeuwse dorp Borssele woonde.
Johannes Adrianus Menne Warren was in 1921 te Borssele geboren. Al in zijn jeugd vatte hij een grote liefde op voor de natuur, wat ertoe leidde dat hij tijdens zijn middelbare-schooltijd in Goes artikelen over vogels begon te publiceren in het tijdschrift De Levende Natuur. Daarnaast schreef hij in deze periode gedichten, waarin vooral natuurim- pressies werden weergegeven. In april 1942 - Warren was toen twintig jaar - begon hij een ‘Geheim dagboek’46 bij te houden, waarin hij onder meer schreef over zijn homoseksualiteit en de gevoelens van eenzaamheid die hij - homoseksueel gedrag werd immers in die tijd maatschappelijk nauwelijks geaccepteerd - als gevolg hiervan ondervond. Deze gevoelens werden nog versterkt doordat zijn ouders met hun sympathie aan Duitse kant stonden.
Na lezing van de advertentie in de Haagsche Post besloot Warren hierop te reageren. Hij vertelde in 1982: ‘Ik las in de Haagsche Post destijds een advertentie, dat iemand contact zocht met schrijvers of dergelijken. Ik zat daar helemaal afgesloten in dat Borssele. In een soort opwelling van verveling en nieuwsgierigheid schreef ik een briefje. Ik dacht alleen: als 't maar geen nsb'er of weet ik wat voor een soort figuur is, want dat vertrouwde ik niet zo erg. Dus ik heb een briefje, een beetje afstandelijk briefje aan hem geschreven.’47 Omdat in de advertentie gevraagd was om eigen werk uit te wisselen, sloot Warren bij zijn brief ook het gedicht ‘Zelfkant’ in.
Op 22 juni 1944 antwoordde Van Loon aan Warren met een brief waarin hij hem uitnodigde aan Maecenas mee te werken. Over het gedicht ‘Zelfkant’ schreef hij: ‘Wat jouw vers betreft: 't is wel dichterlijk gevoeld en heeft ook voor mij zeker bekoring; wel min of meer mijn genre. Jammer echter dat de techniek niet zoo best is. Metrum en rijm zijn in de huidige poëzie toch wel gangbaar. Maar - zooals gezegd-de idee niet kwaad.’48
Enkele dagen later, op 26 juni, schreef Warren in zijn dagboek: ‘Zaterdag kreeg ik antwoord op de brief die ik op die rare advertentie geshreven had. Van Willem Karel van Loon, uit Voorburg. Een ook al niet erg sympathiek schrijven met drie kleurloze epigonenverzen vol elysisch jargon-de titels spreken: “Witte Nachten”, “Omneveld Paradjis” - waarop ik uit verveling en zucht naar iets nieuws toch direct teruggeschreven heb. Oprecht: dat ik de verzen slecht vind en groene inkt haat. Overigens schreef hij ook neerbuigend-vriendelijk over “Zelfkant”, zo in de trant van “wel aardig dichterlijk gevoeld, jammer dat de techniek zo gebrekkig is”. Nou ja -. Gelukkig staat hij

Advertenties in de Haagsche Post van 17 juni 1944 met daarbij een advertentie van Willem Karel van Loon.
aan de goede kant. Dat was ook nog even de - duidelijk door mij gestelde - vraag geweest.’49
Op 4 juli schreef Van Loon weer terug: ‘Eerlijk gezegd heb ik nu een merkwaardigen indruk van jou. Jij hebt bezwaar tegen mijn groene inkt en mijn oude spelling. Is dat nu ernst? Laat mij dan mogen opmerken, dat eensdeels deze bezwaren jouwerzijds mij totaal niet deeren en dat bovendien, anderzijds, m.i. een en ander iets weg heeft van wat men zou kunnen noemen: burgerlijkheid. Ik geloof dat wij beiden rare knaapjes zijn en ons niet te veel moeten bekommeren overigens over merkwaardigheden in karakters en brievenschrijven.’ Over de nieuwe gedichten die Warren hem intussen had laten lezen, was Van Loons oordeel veel positiever: ‘Vooral Baadster en Liggend in de zon troffen mij door hun fijne eenvoud en muzikale inslag. Graag zal ik ook nog meer van je lezen c.q. plaatsen.’50
Hierna volgde opnieuw een brief van Warren met kritische opmerkingen over Van Loons poëzie, waarna deze laatste op 14 juli onder de aanspreektitel ‘M'n waarde’ antwoordde: ‘Ik kan nu, na jouw eerlijk schrijven, moeilijk iets anders doen dan “een laatsten brief” zenden. Denk vooral niet dat ik gekrenkt ben, ik ben je dankbaar voor je oor deel en veroordeeling.’ En over het tijdschrift Maecenas: ‘Indien wij

Hans Warren.
meer contact, vooral ook persoonlijk, zouden kunnen hebben, ware het wellicht mogelijk, dat we meer karakter in literairen zin konden geven aan de uitgave, ofschoon dan bijv. de naam al veranderd moest worden. Dat gaat nu niet, eenmaal, en dat is jammer en anderzijds begrijp ik volkomen dat jij je te goed vindt en te hoog acht om [je] af te geven met en te publiceeren in een blaadje van prutsers.’51
Waarschijnlijk kort nadat Van Loon deze brief aan Warren geschreven had, - omstreeks 25 juli - verscheen het tweede nummer van Maecenas. Dit kan worden opgemaakt uit een brief die Van Loon op 26 juli aan Ammy de Muynck schreef en waarin hij opmerkte: ‘Zie hier Maecenas II.’52 Dat de trage verschijning van het tweede nummer te maken zou hebben gehad met de arrestatie van Eb van de Beld, is niet waarschijnlijk. Overigens werd Van de Beld onder de schuilnaam Robert Damman nog steeds als ‘letterkundig adviseur’ in de kop van de tweede aflevering vermeld.
Het tweede nummer van Maecenas, dat twintig bladzijden telde, opende met het verhaal ‘Ontmoeting met Angela’ van Gabriël Mull (schuilnaam van de jonge Hagenaar Gerard Messelaar). In dit verhaal met een ondertoon van melancholie werden als in een droom herinneringen aan een vrouw beschreven. Een fragment van het verhaal luidt: ‘Je bleef niet de kerstengel van de eerste jaren, langzamerhand begon je vormen te krijgen, je groeide als het ware met mijn verlangens mee. Eerst werd je een pril meisje met loshangende haren en pastelkleurige japonnetjes. Je had verrukkelijke jonge borsten. Ik maakte wel gedichten over je maar nooit kon ik een juiste beschrijving daarvan geven. Later heb ik het gevonden in het Hooglied: “Uwe twee borsten zijn gelijk twee welpen. Tweelingen van ene ree, die onder de leliën weiden”. Toen deze dweepzieke periode afgelopen was, evolueerde je geleidelijk tot Vrouw. Een gevaarlijke vrouw, je kreeg iets van een courtisane, een verrukkelijke vrouw werd je. Niet om mee te dwepen maar een om een man in een wervelstorm van hartstocht te sleuren. Je kleedde je niet meer in zachte hemelse halftinten, rose, blauw en matzilver maar in felle demonische opzwepende kleuren, purper, goud, donker violet en rood, vlamrood, hel als een vuur van passie. Je bleef desondanks onbereikbaar. Afwerend blond waren je haren, verdedigend staalblauw je ogen en je hals, o die hals van je, was om nogmaals met Salomo te spreken “als een wapentoren”[,] een toren van ivoor en marmer. Bijna iedere nacht zag ik je en verlamde onder je blik, mijn verlangende handen vielen neer, machteloos als de wieken van een aangeschoten vogel. Tot vannacht ... je was weer het meisje, je kleed was wit, je lichaam niet meer ongenaakbaar wit maar
rose als de kleur van een pas ontbloeide roos in de morgen. Ik tastte naar je, je weerde niet af, vochtig waren je ogen als zouden ze schreien in overgave, je haren geurden, bedwelmender dan wierook, zoeter dan de eerste lenteviooltjes. Bevend van opwinding nam ik je in mijn armen, zoekend naar al de tere en betoverende geheimen welke je voor me verborgen hield. Maar toch ontglipte je me wederom en als een dwaas staarde ik met opengesperde ogen mijn kamer in, hard in het grijze morgenlicht, troosteloos, desolaat.’53
Over dit verhaal van Gerard Messelaar vertelde Willem Karel van Loon in 1988: ‘Opgetogen kwam G.M. mij zijn verhaal brengen. Een dag of drie tevoren hadden wij samen een “deftige bar”, Plaza op de Plaats in Den Haag, bezocht. Plotseling liep daar, in gezelschap van twee heren en een dame, een bevriende oud-klasgenote van het Vrijzinnig Christelijk Lyceum binnen. Zij en ik onderhielden zich enige tijd met elkaar. Teruggekeerd bij G.M. vertelde ik hem dat mijn klasgenote-van-weleer zich in slechts enkele jaren tij ds ontwikkeld had tot een wat “vampachtige” verschijning. G.M. begon zijn “Ontmoeting met Angela” met de zin: “Dit is het verhaal van een ware gebeurtenis” ...’54
De tweede aflevering van Maecenas bevatte verder het sonnet ‘Broodmusicus’ van Eugène van Lon (ps. van Léon Veugen, die-zoals eerder vermeld werd - patiënt was in het sanatorium Hornerheide):
De tweede aflevering van Maecenas bevatte verder onder meer een dialoog, getiteld ‘Gevechten’ van Peter de Raedt (Willem Karel van

Eerste pagina van het tweede nummer van Maecenas met het begin van het verhaal ‘Ontmoeting met Angela’ van Gabriël Mull (Gerard Messelaar).
Loon), waarin religieuze twijfels werden uitgesproken, en een beschouwing van Idzy van Rooy (Sylvia van Ameringen), waarin zij commentaar leverde op het essay van Han van Doorn (Alex van Amerongen) over Chausson en Debussy dat in het vorige nummer gepubliceerd was.
Intussen bleef Van Loon druk bezig in ruimere kring belangstelling voor zijn blad te wekken. Op 4 augustus schreef hij aan Ammy de Muynck: ‘Ik heb juist een nieuwen kring van medewerkers geschapen en ik geloof dat we langzaam maar zeker op hooger plan komen, en ook dat we beter worden dan stijl ooit geweest is.’56
Kort hierna - halverwege augustus 1944 - verscheen het derde nummer van Maecenas. Op de eerste bladzijde van deze aflevering, die vierentwintig pagina's telde, merkte Peter de Raedt (Willem Karel van Loon) over Robert Damman (Eb van de Beid) op: ‘Helaas is het Robert Damman, die aan “Maecenas” verbonden was als letterkundig adviseur en medewerker, niet meer mogelijk iets voor het blad te doen, wijl hij in het buitenland is te werk gesteld.’57 Op dezelfde pagina werd meegedeeld: ‘Toegevoegd aan de redactie: Gabriël Mull.’58 Deze laatste naam was - zoals we gezien hebben - het pseudoniem van de Hagenaar Gerard Messelaar, die het verhaal ‘Ontmoeting met Angela’ had geschreven.
Gerardus Messelaar (1919-'71) was afkomstig uit Rotterdam. Nadat hij halverwege de jaren dertig naar Den Haag was verhuisd, bezocht hij daar het Aloysius-college. In deze periode vatte hij een grote bewondering op voor het werk van Louis Couperus. Na het behalen van het hbs-diploma ging hij op een kantoor werken. In Maecenas (november 1944) zou Messelaar, die van katholieke afkomst was maar zich al vroeg van het geloof vervreemd had gevoeld, over zichzelf opmerken: ‘Tijdens mijn kantooruren slijp ik potloden, waarmede ik t.z.t. het beroerde Nederlandse toneel te lijf wens te gaan.’59 Hij zag in die tijd veel toneelstukken en was ook verbonden aan een amateurgezelschap.
Op de eerste bladzijde van de derde aflevering merkte Peter de Raedt (Willem Karel van Loon) verder op: ‘Er wordt meer en meer naar gestreefd ‘Maecenas’ een eigen karakter te geven. Iedere stem en stemming kan er zich doen gelden - een bepaalde richting is nl. (nog) niet de bedoeling, op artistiek noch religieus terrein. Aan de persoonlijke idee (gedachte), zoo mogelijk origineel of nieuw, wordt gaarne de voorkeur gegeven. Geen enkele idee is te vreemd om te worden gegoten in den vorm van een artikel. Aan alle bijdragen wordt een toets van gematigde critiek gesteld.’60
Een van de medewerkers aan het derde nummer van Maecenas was de tweeëntwintigjarige Haagse dichter Paul van 't Veer, met wie Willem Karel van Loon waarschijnlijk al in de herfstmaanden van 1943 via Van 't Veers twee jaar oudere zus Dolly in contact was gekomen.
Paul van 't Veer (1922-'79) was te 's-Gravenhage geboren. Hij was afkomstig uit een familie met duidelijk literaire belangstelling. Zijn vader, Piet van 't Veer - een zoon van radicaal-linkse ouders, die nog bij Van Eedens kolonie ‘Walden’ betrokken waren geweest -, was een bewonderaar van Colijn en een journalist van liberale stempel, die geregeld hoorspelen voor de avro schreef. Paul van 't Veer vertelde in 1979 hoe zijn vader een keer thuiskwam met de bloemlezing Nieuwste dichtkunst (1934), samengesteld door C.J. Kelk en Halbo C. Kool. Het voorlezen van gedichten hieruit in de huiselijke kring maakte diepe indruk op hem. Vooral de eerste kennismaking met het beroemde gedicht van Paul van Ostaijen, ‘Marc groet 's morgens de dingen’, bleef hem bij: ‘Dat was overdonderend voor mij. Dat dit kon, dat dit bestond.’61 In latere jaren werd Van 't Veer vooral ook geboeid door de poëzie van Marsman en de ironische gedichten van Willem van Iependaal en Jac. van Hattum.
Paul van 't Veer, die vóór de oorlog ook zelf poëzie begon te schrijven, ging in 1941 Nederlands studeren aan de School voor Taal- en Letterkunde in Den Haag, waar hij les kreeg van bezielende docenten als K. Heeroma en C.B. van Haeringen. In die tijd kwam hij in aanraking met de Haagse schilder Willem Schrofer en diens zoon, de graficus Jurri - of Jurriaan - Schrofer, die om de veertien dagen in hun atelier bijeenkomsten hielden waar gesproken werd over allerlei culturele onderwerpen, onder meer de toekomstige plaats van de kunst in de maatschappij. Een van de schilders die Van 't Veer daar ontmoette, was Herman Berserik. Enkele dagen vóór het einde van de oorlog zou - zoals al in het inleidende hoofdstuk van dit boek werd vermeld - uit deze kring het gestencilde tijdschrift Debuut voortkomen, waarvan slechts één nummer is verschenen.
Van Paul van 't Veer werd in de derde aflevering van Maecenas onder de schuilnaam Paul Reefsen - de achternaam was ten dele een omkering van de naam van de dichter en verder een toespeling op de zeventiende-eeuwse schrijver Jacobus Revius - het sonnet ‘Icarus bekkeerd?’ gepubliceerd:
Een andere jonge schrijver die aan de derde aflevering van Maecenas meewerkte, was de Hagenaar Paul Rodenko, die in februari 1944 bij Willem Karel van Loon was langs gekomen om kennis te maken. Van

Vrienden op de schaats: eerste van links Olga Rodenko, vierde van links haar broer Paul.
Loon noemde hem in 1979 ‘een man van weinig woorden, die eerder nadacht dan wat zei. Een hyper-, hyperintellectuele figuur’.
Paul Thomas Basilius Rodenko (1920-'76) was te 's-Gravenhage geboren als zoon van een Russische vader, die na de Oktoberrevolutie in 1917 vanuit Polen naar Nederland was vertrokken, en een Nederlandse moeder. Toen Paul Rodenko nog geen jaar oud was, verhuisde het gezin, waar Nederlands de voertaal was, naar Riga in het toenmalige Letland. Twee jaar later keerde de familie Rodenko terug naar Nederland, waarna ze drie jaar later naar Berlijn verhuisde. Daar bleven de Rodenko's anderhalf jaar; hierna kwamen ze opnieuw naar Nederland. Toen Paul Rodenko tien jaar was, verhuisde de familie voor de tweede keer naar Riga, waar ze vier jaar bleef wonen. Na de terugkeer van de Rodenko's in Nederland ging Paul Rodenko naar het Tweede Gymnasium in Den Haag. In die jaren schreef hij gedichten die in de schoolkrant werden gepubliceerd.
Tijdens zijn middelbare-schooltijd verzorgde Paul Rodenko samen met zijn vier jaar jongere zuster Olga en enige anderen met Russische jakken aan optredens op feesten van diverse middelbare scholen, waarbij zowel Willem Karel van Loon als Paul van 't Veer - zonder dat zij elkaar toen al kenden - aanwezig waren. Van 't Veer vertelde hierover in 1979: ‘Paul speelde een zekere rol in het Haagse schoolleven met zijn beroemde balalaika-orkest. Daardoor was hij een zeer populaire man, hoewel een gesprek met hem nooit eenvoudig was, want hij was een van de heftigste stotteraars die ik ooit van mijn leven ontmoet heb. Ik was zelf trouwens ook nogal een stotteraar. Dat gaf ook een zekere band.’ In latere jaren zouden Van 't Veer, die gitaar speelde, en Rodenko met zijn balalaika nog wel eens samen musiceren.
Intussen was Paul Rodenko na het behalen van het gymnasiumdiploma in Utrecht psychologie en Slavische talen gaan studeren. Hoewel hij in 1943 nog wel de ‘loyaliteitsverklaring’ tekende-hij was intussen bij de illegaliteit betrokken geraakt en hoopte volgens zijn zuster Olga63 door te tekenen ‘mobieler’ te blijven-, staakte hij korte tijd later de studie.
Vooral in de laatste periode van de oorlog gingen Paul van 't Veer en Paul Rodenko veel met elkaar om. Samen met enige anderen kwam Van 't Veer geregeld in het huis van de Rodenko's om te gokken. Van 't Veer: ‘Soms pokerden we, meestal speelden we een spel dat ik me niet meer voor de geest kan halen, maar dat we van Rodenko hadden geleerd en dat hij Russisch banken noemde. Hij won altijd, maar we hadden toch geen geld zodat het meestal bij schriftelijke schuldbekentenissen moest blijven, die voor zover ik me kan herinneren, nimmer
verzilverd zijn. Toch bleven we in de buurt van de realiteit. Als we onze paar guldens verspeeld hadden - ik verdiende een habbekrats als (onbevoegd) leraar aan een particuliere hbs - werkten we met bonnen waarop snel een bedrag werd gekrabbeld. Het had voor de aardigheid tienduizend gulden of een miljoen kunnen wezen, het bleef bij een veel realistischer “goed voor tien gulden”.’64
Herinneringen aan de omgang met Paul Rodenko in deze periode inspireerden Paul van 't Veer later bij het schrijven van zijn korte roman ‘Het dubbelleven van Max Leeuwerik’, die nooit gepubliceerd werd. In deze roman, die uit het begin van de jaren vijftig dateert65 en waarin talrijke autobiografische elementen kunnen worden opgemerkt, beschreef Van 't Veer ook een bezoek van de hoofdpersoon Max aan het ouderlijk huis van diens vriend Karel Gluter, die in sommige opzichten - vooral wat zijn liefde voor het spelen op de balalaika betreft - aan Paul Rodenko doet denken: ‘Karel speelde een langzame melodie, waarvoor elke mineur uit het instrument gehaald werd. Dit moesten rivierslepers zijn, oude mannen met baarden en kapotte laarzen; zuchtend en steunend trokken zij een zware boot voort, iemand zong een rhythmisch treurlied. Het rhythme versnelde zich tot een dans. De slepers vergaten hun vermoeidheid en vormden een kring rond een van de kameraden, die met een boerenmeisje danspassen maakte (of kon dat niet? alleen een manlijke kozakkendans dan). Mevrouw Gluter begon rhythmisch in de handen te klappen, de ogen nog steeds gesloten. Met een wilde cadans besloot het lied.’66
In de derde aflevering van Maecenas publiceerde Paul Rodenko het korte verhaal ‘De fout’. Hierbij gebruikte hij de schuilnaam Juan Paró, waarbij we in het woord ‘Paró’ de eerste letters van de voor- en achternaam van de schrijver terugvinden, terwijl we in ‘Juan’ misschien een verwijzing kunnen zien naar ‘Don Juan’, een figuur die Rodenko speciaal boeide. In het verhaal ‘De fout’ vertelt een ik-figuur, die alleen met zijn vader in een groot, somber huis woont, over het merkwaardige feit dat eigenlijk alleen roodharige meisjes bij zijn buren over de vloer komen: ‘Niet alleen bleef het vreemd dat deze jongemannen, die in geen enkele familiebetrekking tot elkaar staan, zulk een meer dan broederlijke overeenstemming vertoonden in hun erotische voorkeur, maar vreemder bleef nog het feit dat zij er in deze stad, die toch niet groot genoemd mag worden, inderdaad in geslaagd waren hun exclusieve verlangens te verwezenlijken, in aanmerking genomen dat het aantal roodharigen op zichzelf al klein is, om niet te spreken van het aantal roodharige meisjes. En goed beschouwd kwamen nog niet eens alle roodharige meisjes in aanmerking, maar uitsluitend die meisjes,
die niet alleen aantrekkelijk genoeg waren om mijn buurlieden te kunnen boeien (want ik ken hen als jongelieden over wier smaak, al mag deze een weinig ongewoon zijn, niet te twisten valt), maar tevens frivool genoeg om hun hofmakerij zonder ernstige protesten te aanvaarden, ja naar alle waarschijnlijkheid zelfs aan te moedigen; en ofschoon deze twee eigenschappen, aantrekkelijkheid en frivoliteit, volgens de beste vrouwenkenners in de praktijk meestal samengaan en ook het algemeen zedelijk peil van de hedendaagse jeugd onrustbarend daalt, kon men het aantal roodharige meisjes dat aan deze vereisten voldeed met de beste wil ter wereld toch niet hoger schatten dan op een kwart van hun totale aantal.’67 Met ijzeren consequentie in dezelfde lichtvoetige toon voortredenerend, komt de hoofdpersoon van het verhaal er ten slotte achter dat er een fout moet schuilen in zijn eigen constitutie en dat hij daarom van alle andere mensen afwijkt.
Op dit verhaal van Juan Paró zou in het vierde nummer van Maecenas in de rubriek ‘Critiek’ door verschillende lezers gereageerd worden: ‘“In zijn soort is het - zeker volgens moderne psychologen - knap, voor mijn gevoel is dit geschrijf steriel” - “kan ik persoonlijk niet waardeeren” - “zeldzaam goed van stijl, technisch zeer knap, blijk van goed-ontwikkeld analytisch vermogen” - “buitengewoon suggestief geschreven, hoewel kop en staart nog zwak zijn”.’68
De derde aflevering van Maecenas bevatte verder een essays, getiteld ‘De beoordeeling van schilderkunst’, van Amélie Libert (Ammy de Muynck) en het eerste gedeelte van het verhaal ‘Reis naar Bologna’ van G. Mull (Gerard Messelaar). Van Peter de Raedt (Willem Karel van Loon) werd een kritische beschouwing opgenomen over het tijdschrift Overtocht dat ontstaan was in de kring van onder meer enkele Limburgse medewerkers van Maecenas - Léon Veugen en Hans Berghuis - en waarvan het eerste nummer in mei 1944 was verschenen; deze kritische beschouwing zal ter sprake komen in het hoofdstuk dat aan Overtocht wordt gewijd.
In de periode waarin het derde nummer van Maecenas verscheen - op 5 augustus 1944 - ontmoette Willem Karel van Loon de jonge Utrechtse dichter Jan Praas, die een van de redacteuren was van het ondergrondse tijdschrift Parade der Profeten. Afgesproken werd dat aan dichters uit de kring rond Van Loon gevraagd zou worden mee te werken aan het speciale poëzienummer van Parade der Profeten dat in het najaar van 1944 zou verschijnen.
Begin september 1944 kwam vervolgens het vierde nummer van Maecenas uit. Deze aflevering, die twintig pagina's telde, opende met een beschouwing onder de titel ‘“Maecenas” ... quo?’ van Peter de Raedt (Willem Karel van Loon), waarin hij schreef: ‘Antwoordende op sommige opmerkingen ten aanzien van de tot nu toe verschenen nummers, wil ik er de aandacht op vestigen, dat nergens en nimmer beweerd werd dat maecenas een literair tijdschrift zou zijn (is); nergens prijkt er een titel of regel, die daarop zou wijzen. Ook daarom zal men geen maatstaven mogen aanleggen als gelegd zouden worden aan wél letterkundige uitgaven - men weet, dat het “afzetgebied” klein is en lang niet iedere belangstellende en mogelijk creatieve geest bereikt wordt.’
Van Loon schreef verder: ‘Met ingang van het volgende nummer (5) zal echter een ietwat nieuwere koers ingeslagen worden. In den vervolge zullen over het algemeen geen artikelen meer opgenomen worden van instructieven en opvoedenden aard, afgezien van de verdienste, welke deze categorie bijdragen ook vermogen afte werpen - een enkele uitzondering zal mogelijk zijn, indien daarvoor naar het oordeel van de redactie termen aanwezig zijn. Er zal vooral eigen werk opgenomen worden, als: proza, poëzie, persoonlijke critieken en beschouwingen (objectiveeringen van persoonlijke gevoelens ten aanzien van belangrijke aangelegenheden op het gebied van kunst, leven, menschzijn, religie). Het gevolg hiervan is dat de waarde van het blad zal kunnen stijgen, omdat het leven primair is en het verleden (met wijsheid, die in de anderen vorm elders te waardeeren valt) daaraan ondergeschikt is geworden. Wij zullen ons derhalve volkomen stellen en trachten te handhaven in het heden en de toekomst - het is niet, dat wij ons zelf zoo belangrijk achten en van meer importantie dan alles wat onze vaderen met veel strijd en doodsgevaar tot stand hebben weten te brengen, neen, doch wij willen een reflector worden van de geestesgesteldheid van onze generatie (globaal genomen: geboren na 1914), haar scheppen op artistiek terrein (voorzoover zich dat publiceeren hat) en haar denken op het terrein van het leven.’69 De koerswijziging die Van Loon hiermee aankondigde - het streven naar een meer creatief en kritisch tijdschrift dan Maecenas tot dusver was geweest - was geheel in overeenstemming met de plannen waarmee Eb van de Beld en hij al bij het verschijnen van de laatste nummers van Stijl hadden rondgelopen. Wellicht heeft de ontmoeting met Jan Praas mede tot deze koerswijziging gestimuleerd.
Hierna werd het eerste deel van een essay gepubliceerd, dat Paul
Reefsen (Paul van 't Veer) gewijd had aan het epische gedicht Mattheus (1938) van Ed. Hoornik. Over dit (uit tien taferelen bestaande) gedicht, waarin de zwerftocht van een - uit een gesticht ontsnapte - psychopaat beschreven wordt, merkte Reefsen onder meer op: ‘Verschillende motieven zijn in “Mattheus” dooreengevlochten: Mattheus zelf, de psychopaath, verenigt in zich den apostel en den dichter terwijl het verhaal soms snel voortgaat en dan weer in meesterlijke beschrijvingen van een “oud-episch” genre [...] verwijlt.’70
De vierde aflevering bevatte verder het vers ‘Don Juan’ van Juan Paró (Paul Rodenko):
In de rubriek ‘Op de weegschaal’ in het zesde nummer (november 1944) van Maecenas, waarin reacties van lezers werden gepubliceerd,
zou over dit gedicht achtereenvolgens worden opgemerkt: ‘“zeer goed” - “opmerkelijk zijn de regels: in trotse Spaanse vrouwenogen / staat vaak het leven op een kier” - “het leven staat op een kier is geen juist beeld”.’72
In de vierde aflevering van Maecenas werd verder het gedicht ‘De kleine uren’ van Han Brands (Hans Berghuis) opgenomen: