Zoals in het eerste hoofdstuk werd vermeld, besloten Gertrude Papel en Theo van Baaren, die sinds april 1941 het tijdschrift De Schone Zakdoek hadden geredigeerd, na het uitkomen van aflevering 35-36 (februari -maart 1944) geen nummer van hun blad meer te vervaardigen. Door de oorlogsomstandigheden was het immers vrijwel onmogelijk geworden de traditionele maandagavondbijeenkomsten in het huis van Gertrude Pape in Utrecht voort te zetten. Daardoor was de basis voor hun tijdschrift voor een groot deel weggevallen.
Lang zou dit tijdschriftloze tijdperk voor Utrecht niet duren. Ongeveer een maand nadat De Schone Zakdoek zijn zwanezang gezongen had -in april 1944-, verscheen het eerste nummer van Ad Interim, een literair tijdschrift waaraan hier - zoals in het inleidende hoofdstuk werd uiteengezet- verder geen aandacht zal worden besteed, waarna enkele weken later, eveneens in Utrecht, opnieuw een ondergronds blad het levenslicht aanschouwde. Dit tijdschrift, Parade der Profeten, zal in dit hoofdstuk uitvoerig ter sprake komen.
Sinds september 1943, toen de eerste aflevering van het Haagse ondergrondse blad Stijl was verschenen, waren meer dan zes maanden verlopen. In deze periode hadden de Russen Kiev heroverd (november 1943) en de Duitsers uit de omgeving van Leningrad verdreven (januari 1944). Kort daarna - eind maart 1944 - bereikten de Russische troepen aan het zuidelijk front de oude Russisch-Roemeense grens. Op 10 april werd vervolgens Odessa ingenomen.
Boekten de Russen dus opzienbarende successen, veel moeizamer bleek de opmars van de Amerikanen en Britten in Italië, waar de Duitsers bij Monte Cassino - een ten zuidoosten van Rome gelegen bergeen reusachtige verdedigingslinie hadden aangelegd. Eind januari 1944 slaagden de geallieerden erin ten noorden van deze verdedigingslinie een bruggehoofd te vestigen, maar pas vier maanden later zou het komen tot een effectief offensief in de richting van Rome.
Terwijl de vorderingen van de Russen op de publieke opinie in ons land duidelijk indruk maakten, moet de langzame opmars van de geallierden in Italië voor vele Nederlanders een diepe teleurstelling hebben betekend. Had men in het najaar van 1943 nog de hoop kunnen koesteren dat Duitsland binnen korte tijd ook zelf zou worden aangevallen, het verloop van de strijd in Italië maakte het onwaarschijnlijk dat het Derde Rijk spoedig vanuit het zuiden op de knieën kon worden gedwongen. De invasie van de geallieerden op de westkust van het continent, waarnaar al zo lang was uitgekeken, leek nog de enige mogelijkheid te zijn om Duitsland op korte termijn te verslaan.
In deze periode van gespannen afwachting van de invasie verscheen in Utrecht het eerste nummer van een nieuw ondergronds blad: Parade der Profeten. De belangrijkste stimulans bij het oprichten van dit tijdschrift ging uit van de drieëntwintigjarige student Jan Praas.
Jan Gerrit Praas was in 1921 te Almelo in een sociaal-democratisch milieu geboren. Tijdens zijn jeugdjaren verhuisde hij achtereenvolgens naar Amsterdam, Enschede, Almelo en Hengelo. Nadat Jan Praas in Hengelo het mulo-diploma had behaald, verhuisde het gezin in 1938 naar Utrecht. Daar bezocht Praas de Middelbare Handelsdagschool. Een van zijn leraren Frans aan deze school was dr. Johan Brouwer, die verscheidene boeken over de Spaanse cultuur geschreven had en kort daarvoor als journalist de Spaanse burgeroorlog had meegemaakt. Brouwer maakte op Jan Praas een diepe indruk. Later zou Praas in zijn boek In de ban van Johan Brouwer (1986) - gepubliceerd onder de schuilnaam Floris d'Arkeneel - over hem schrijven: ‘Hij moedigde ons aan om Frans te lezen, wees op boeken als Vol de Nuit en Terre des Hommes van Antoine de Saint-Exupéry en behandelde op een simpele, heldere manier begrippen uit diens werk als menselijke waardigheid en solidariteit. Er kwamen ook heel andere onderwerpen aan de orde, zo boeiend dat hij zelfs de dufste figuren liet luisteren. Over occulte verschijnselen, over reïncarnatie, over een oude Spaanse boerenvrouw, die ijlend ging praten in een taal die niemand in het ziekenhuis kon thuisbrengen en waarvan taalgeleerden veronderstelden dat het wellicht het Egyptisch uit de tijd van de farao's was.’1
Na het behalen van het einddiploma van de Handelsdagschool in 1940 ging Praas naar de Gemeentelijke hbs met vijfjarige cursus A aan de Van Asch van Wijckskade in Utrecht, waar hij in de vierde klas werd geplaatst.
Op deze hbs bestond aan het eind van de jaren dertig en in het begin van de oorlog een bloeiend schoolleven. Op feesten, georganiseerd door de leerlingenvereniging Animo, traden muzikale coryfeeën op
als de tenorsaxofonist Coleman Hawkins, begeleid door het dansorkest The Ramblers. Ook van verscheidene docenten ging een stimulerende invloed uit. Een van hen was de leraar Nederlands Gerrit Jan van der Keuken, schrijver van talrijke leerboeken Nederlands en Engels en vader van de latere filmer Johan van der Keuken. Een andere docent was de tekenleraar Tjomme de Vries, die na een veelzijdige carrière - hij was matroos op de wilde vaart en radiotelegrafist bij de klm geweest - vooral als schilder en graficus bekendheid genoot. De Vries was in die tijd onder meer secretaris van het Genootschap Kunstliefde in Utrecht en gaf ook les aan de Vrije Academie, die - zoals in het eerste hoofdstuk werd vermeld - vóór de oorlog door de kunsthandelaar en schilder Willy Wagenaar was opgericht.
Enige maanden nadat Jan Praas leerling van de hbs was geworden - in november 1940 -, kreeg hij een nieuwe klasgenoot, Frits Planije, met wie hij spoedig vriendschap sloot.
Clemens August Godefridus Planije was in 1921 te Alkmaar geboren. Enkele maanden na zijn geboorte verhuisde het gezin naar Utrecht, waar Frits Planije later de hbs aan de Van Asch van Wijckskade zou bezoeken. Omdat in 1939 bij hem tbc werd geconstateerd,

Jan Praas (derde pan links) met vrienden en vriendinnen. Met zonnebril: Karel Blom.
werd hij in juli van dat jaar in het sanatorium Zonnegloren te Soestduinen opgenomen, hetzelfde sanatorium waar drie jaar later ook C. Buddingh' zou gaan kuren. In de meidagen van 1940 werd Planije geëvacueerd naar Noordwijk, vanwaar hij de vuurgloed boven het brandende Rotterdam kon zien. Teruggekeerd in Zonnegloren, bleef hij daar tot november 1940, toen hij genezen werd verklaard en naar Utrecht kon terugkeren.
Jan Praas en Frits Planije bleken beiden sterk door de literatuur te worden geboeid, waarbij hun voorkeuren wel uiteenliepen. Terwijl Praas vooral werd aangetrokken door het werk van H. Marsman, J. Slauerhoff, Menno ter Braak en E. du Perron, had Planije meer belangstelling voor de poëzie van A. Roland Holst en M. Nijhoff.
Tijdens een bezoek aan Enschede in de kerstvakantie van 1940-'41 vervaardigde Jan Praas - gestimuleerd door de geest van verzet die van Johan Brouwer uitging - een illegaal blaadje, dat door Praas' vriend Henk (‘Hennek’) Wennink en diens joodse vriend Aron van Gelder werd verspreid. In 1986 schreef Floris d'Arkeneel (Jan Praas) hierover in zijn boek In de ban van Johan Brouwer: ‘Het blaadje dat we wilden uitgeven, zou “De Mare” heten, gebaseerd op de twee betekenissen in Koenens woordenboek: voor Nederlanders een “tijding”, voor Duitsers en hun trawanten een “nachtmerrie”. De inhoud van het eerste nummer bestond uit artikelen over De Persvrijheid “eingesperrt”, het innemen van sleutelposities door Duitsers en hun handlangers, de jodenwetten, de deportatie van arbeiders naar Duitsland en een verhaaltje over een Hollandse herdershond en een bastaard, door “Hennek” “vertaald” in het Twents, want we begrepen dat je de lezers, waar mogelijk, in hun eigen taal moest aanspreken. Verder de tekst van het door Brouwer meegegeven pamflet: “Richtlijnen van het Comité voor Vrij Nederland”, een achteraf gezien nogal naïef relaas, waaruit bleek dat de opstellers er van uitgingen dat een spoedig vertrek van de bezetters aanstaande was!’2
En verder: ‘In 1954 vond ik “De Mare” vermeld in Lydia Winkels “De Ondergrondse Pers 1940-1945”. Hoe was het mogelijk dat er van zo'n onooglijk blaadje met zo'n kleine oplaag een exemplaar bewaard was gebleven? Toen herinnerde ik me dat “Hennek” begin januari er één in de brievenbus van de Enschedese Ortskommandantur had gestopt. Het bewuste exemplaar moest uit het nauwgezet bijgehouden archief van de moffen afkomstig zijn; vandaar ook de vermelding in het boek: “6 Jan. '41”.’3 Wenninks vriend Aron van Gelder zou in september 1941 bij een razzia worden opgepakt en ruim een maand later omkomen in het vernietigingskamp Mauthausen,4 Henk Wen-
nink zelf zou in maart 1945 kort vóór de bevrijding van Enschede door de Duitsers worden doodgeschoten.5
In zijn laatste schooljaar op de hbs werd Jan Praas voorzitter van de leerlingenvereniging Animo. Hij organiseerde in die tijd - in verband met de bezetting werden er geen schoolfeesten meer gehouden - voordrachtswedstrijden, een wekelijkse tafeltennisavond en één lezing waarvoor de dichter en essayist Garmt Stuiveling werd uitgenodigd. Praas vertelde hierover in 1979: ‘Voor tien gulden hield Stuiveling een lezing en hij stuurde van tevoren een uitvoerige brief, waarin hij ongeveer vijftien onderwerpen opschreef waaruit we konden kiezen en waarover hij dan zou komen praten. Stuiveling kon alles.’6
Na het behalen van het diploma hbs-A in de zomer van 1942 ging Jan Praas bij de taalkundige en leraar dr. AJ. de Jong in Amsterdam, die studenten opleidde voor de mo-akte, Nederlands studeren. Hij sprak hierover met Frits Planije, die toen ook besloot bij De Jong lessen te gaan volgen. Samen reisden ze voortaan één keer per week 's avonds naar de hoofdstad.
In dezelfde tijd - zomer 1942 - publiceerde Jan Praas onder de titel Expositie een bundel gedichten, die hij in kleine oplaag bij een drukkerij waar een van zijn oud-klasgenoten werkte, kon laten drukken. Hij deelde de bundel uit aan vrienden en relaties, onder wie zijn leraar A.J. de Jong, die in 1946 een van de gedichten uit deze bundel zou opnemen in de vierde, herziene druk van zijn boek Nederlandse letterkunde (tweede deel), een inleiding voor het middelbaar en gymnasiaal onderwijs. Het gedicht, dat getiteld was ‘Amsterdam 1942’, werd in deze inleiding onder de foutieve titel ‘Amsterdam 1492’ opgenomen: dit jaartal zou als een onbedoelde verwijzing kunnen worden beschouwd naar Columbus, de ontdekkingsreiziger die in 1492 voet aan land in de Nieuwe Wereld zette en in 1945 zijn naam zou lenen aan een mede door Praas geredigeerd literair tijdschrift. Het gedicht luidt:
In die tijd werden de lessen van De Jong ook bijgewoond door de
Alkmaarse student Huib N. Appel. In Alkmaar en omgeving woonden enkele jonge schrijvers - Simon P. Kapteijn (ps. Michaël Deak), Jan N. Grootenboers en W.J. (‘Wim’) van der Molen -, die met elkaar bevriend waren. Door bemiddeling van Huib Appel kwamen Planije, Praas en enkele jongeren uit Alkmaar - onder wie Grootenboers en Kapteijn - in mei 1943 in Amsterdam bijeen om te kijken of ze literair tot samenwerking konden komen. Praas schreef hierover later: ‘Men las voor uit eigen werk, dronk bier à la Grootenboers, bezocht na afloop de Nieuwedijk [Nieuwendijk], sprak overmoedig boute woorden aan het adres van gevestigde literatoren, en besloot stilzwijgend, ondanks bier, Limburgia en Nieuwedijk, een soortgelijk festijn niet te herhalen.’8 Limburgia was een café met animeermeisjes in de buurt van het Rembrandtsplein.
Ruim een maand later - op 1 juli 1943 - werd Praas' vroegere leraar Frans, Johan Brouwer, die hij na zijn eindexamen aan de Handelsdag-school geregeld in diens huis aan de Tolsteegsingel in Utrecht had bezocht, samen met twaalf anderen doodgeschoten. Brouwer was betrokken geweest bij de bekende aanslag op het Amsterdamse bevolkingsregister eind maart 1943. In zijn boek In de ban van Johan Brouwer schreef Floris d'Arkeneel (Jan Praas) hierover: ‘In de laatste week van juni 1943 kwam mijn vader thuis met het onthutsende bericht dat Johan Brouwer - in april al - samen met anderen was gearresteerd in verband met de aanslag op het Amsterdamse Bevolkingsregister. Onmiddellijk ging ik naar de Tolsteegsingel, waar ik vrijwel gelijk binnen kwam met M. Nijhoff die, begreep ik later, indirect ook bij de operatie betrokken was geweest. “We kunnen niets doen,” zei hij. Mijn vader, die voedselpakketten verzorgde voor gijzelaars in Sint-Michielsgestel, liet direct een doos met rookwaren en versnaperingen voor Brouwer en de zijnen bezorgen bij mevrouw Brouwer. Te laat. Twee dagen later meldde de avondkrant dat hij met een aantal lotgenoten in de ochtend van 1 juli was geëxecuteerd.’9 De vader van Praas werkte bij de Haka, het centrale inkoop- en produktiebedrijf van de lokale verbruikscoëperaties.
Intussen was Jan Praas, die in deze periode één exemplaar typte van een bundel eigen poëzie onder de titel Het klein geluk, begonnen in zijn ouderlijk huis aan de Socrateslaan in Utrecht geregeld, gewoonlijk op zondagavond, allerlei vrienden die van literatuur hielden, te ontvangen. Daartoe behoorden, behalve Frits Planije, ook andere oud-leer-
lingen vande hbs, zoals Will Wegman (geb. 1924), die, evenals Praas, afkomstig was uit een sociaal-democratisch milieu en zich sterk voor politiek interesseerde.
Een andere oud-hbs'er die de bijeenkomsten bij Praas thuis bezocht, was de jonge schilder en tekenaar Joost Baljeu, die zich later tot een belangrijk constructivistisch kunstenaar zou ontwikkelen.
Joost Baljeu10 was in 1925 te Middelburg geboren. Omstreeks 1940 - hij woonde toen in Bilthoven en was leerling van de Gemeentelijke hbs-a in Utrecht - vatte hij een grote bewondering op voor de schilderijen van Vincent van Gogh en Paul Gauguin, terwijl ook het werk van de schilder Dick Ket hem sterk boeide. Daarnaast hadden de tekenlessen van Tjomme de Vries een stimulerende invloed op hem. Hij begon te schilderen en schreef zich in 1943 - na het behalen van het hbs-diploma - in aan het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs te Amsterdam. In hetzelfde jaar werd Baljeu lid van het Utrechtse genootschap van beeldende kunstenaars Jan van Scorel.
De literaire bijeenkomsten in Praas' ouderlijk huis werden verder bijgewoond door Karel Blom, die op de hbs een klas lager had gezeten dan Praas en Planije.
Karel Blom (geb. 1924) was afkomstig uit Hees (bij Nijmegen). Nadat hij in 1936 naar Utrecht was verhuisd, bezocht hij de Gemeentelijke hbs-a aan de Van Asch van Wijckskade. Tijdens zijn middelbare-schooltijd raakte hij geboeid door het werk van de Tachtigers. Karel Blom deelde hierover in 1983 mee: ‘Ik had heel sterk het gevoel: ik zou best in de tijd van de impressionisten hebben kunnen leven en met de Toulouse Lautrecs en de figuren van toen omgaan. Dat was een geestelijk klimaat dat ik aanvoelde en waar ik me erg mee kon identificeren.’11 In augustus 1942 - Blom was toen achttien jaar - bracht hij samen met Jan Praas in Haarlem een bezoek aan de laatste nog levende Tachtiger, Lodewijk van Deyssel. Later schreef hij over de auteur Nico van Suchtelen, die na de oorlog zijn schoonvader zou worden, een opstel dat bij zijn leraar Nederlands, Van der Keuken, zo in de smaak viel, dat Blom het opstel mocht overschrijven in een soort ‘ereboek’, waarin de meest geslaagde opstellen werden opgenomen. Hierdoor werd de aandacht van Frits Planije op hem gevestigd. Ook in het ouderlijk huis van Karel Blom aan de Croeselaan in Utrecht kwamen de vrienden bij elkaar.
Uit het najaar van 1943 is een brief bewaard gebleven, waarin Jan Praas zijn vriend Frits Planije een bijeenkomst aankondigde die kort vóór Kerstmis 1943 zou plaatsvinden. In deze brief, gedateerd 29 november 1943, schreef Praas: ‘Ik maak je reeds nu attent op de laatste
“Zondagavond”, die dit jaar te mijnen huize zal worden gehouden, en gehouden, nl. op 19 December.
Ik nodig je uit voor die gelegenheid te schrijven een kort verhaal over “de zonderlingste ontmoeting”, die je in het afgelopen jaar had. Je kunt natuurlijk je fantasie inschakelen!
Het, naar de mening der aanwezigen, beste verhaal zal worden bekroond met de “socrates-prijs 1943”, bestaande uit een pakje voor-oorlogse sigaretten.
Bij slecht weer wordt deze avond naar een nader te bepalen datum verchoven.’12
Korte tijd later, in februari 1944, toen Willem Karel van Loon in Den Haag na het verschijnen van het laatste nummer van Stijl alweer speelde met de gedachte aan een nieuw blad, vatte ook Jan Praas het plan op een literair tijdschrift op te richten. Hij werd hierbij niet geïnspireerd door Stijl, want hij wist toen nog niet dat dit blad verschenen was, maar vooral door het tijdschrift De Schone Zakdoek van Gertrude Pape en Theo van Baaren, waarover hij had horen spreken; het tijdschrift zelf was hem niet onder ogen gekomen. Praas sprak over zijn plan met de twintigjarige Carla Scheidler, die hij begin 1944 had leren kennen.
Johanna Petronella Carolina Scheidler, die in 1923 te Utrecht geboren was, schreef al vanaf haar tiende jaar korte verhalen en was verder vooral geïnteresseerd in ballet. Ook zij bezocht de hbs aan de Van Asch van Wijckskade, waar ze enkele klassen lager zat dan Praas en Planije. Ze heeft hen in die periode niet leren kennen. Later kwam ze via de vriendenkring waartoe ook Planije en Praas behoorden, met hen in contact. Toen Carla Scheidler en Jan Praas, tussen wie een liefdesverhouding was ontstaan, in die tijd op de Oude Gracht in Utrecht liepen te wandelen, bedacht Praas de naam van het nieuwe tijdschrift: Parade der Profeten.13
Ook met anderen uit zijn vriendenkring sprak Jan Praas over zijn plannen. Een van hen was de zeventienjarige Ad. van Noppen.
Adriaan Cornelis van Noppen was in 1926 te Voorburg geboren en als jongetje van drie jaar naar Utrecht verhuisd. Later bezocht hij de Dr. Vissersschool in de Domstad, waar hij in 1942 het mulo-diploma behaalde. Hierna ging Ad. van Noppen, die intussen gedichten en korte verhalen was gaan schrijven, werken op een administratiekantoor van de Nederlands-Hervormde Kerk. In 1943 kwam hij via de jonge dichter Henk Bartelson, die op de hbs aan de Van Asch van Wijckskade was geweest en in dezelfde straat als Van Noppen woonde, in aanraking met Jan Praas. Ad. van Noppen, die ‘een soort ver-
zameldrift’14 in zich had, was in de laatste jaren van de bezetting druk bezig een zo volledig mogelijke collectie bibliografische bijzonderheden van Nederlandse schrijvers aan te leggen en in verband hiermee zocht hij contact met allerlei personen. Van Noppen deelde hierover in 1982 mee: ‘Ik wist de mensen ook kennelijk te vinden en op te sporen, zelfs in de benarde tijden waar we toen in leefden.’ Zo schreef hij drie brieven aan C. Buddingh', waarin deze dichter steeds dringender - eerst met bijsluiting van een postzegel voor antwoord, later met bijsluiting van een gefrankeerde enveloppe - gevraagd werd om informatie over zijn al verschenen werk en verdere literaire plannen. In een brief van 21 december 1943 deelde Van Noppen aan Buddingh' mee: ‘Ik ben 17 jaar en heb een eerlijke en vurige belangstelling voor de jonge Ned. literatuur. Ik mocht reeds van verschillende auteurs volledige opgave van hun na-oorlogse plannen vernemen, o.m. van de H.H. S. Vestdijk, Theun de Vries, Max Dendermonde, Ferdinand Langen, Ab Visser, Johan Redeker, Theo J. v.d. Wal; hetgeen natuurlijk niet inhoudt dat u ze mij ook moet geven; ik laat dit geheel aan Uw vriendelijkheid over. Doch ik zou het ten zeerste op prijs stellen.’15 Op 6 januari 1944 reageerde Buddingh' op deze brief. Vooral omdat Van Noppen veel mensen kende, zou zijn medewerking aan Parade der Profeten van groot belang blijken te zijn. Hij herinnert zich overigens: ‘Ik kwam daar als vreemde eend in de bijt, omdat het geheel kwam uit de hbs-sfeer van leraren tot leerlingen.’
In april 1944 namen vervolgens de plannen voor het nieuwe tijdschrift vastere vorm aan. Besloten werd dat de redactie van Parade der Profeten zou bestaan uit Carla Scheidler en Jan Praas, terwijl Ad. van Noppen als redactiesecretaris zou optreden. Hierna verspreidden de redactieleden een getypte oproep, bestemd voor hun vrienden en vriendinnen, waarin ze opmerkten: ‘Reeds zoeken de eerste ooievaars hun nestelplaatsen. Een nieuwe lente buigt zich over bezet Nederland. Een prille stroom van jonge kracht, die zich niet neer laat slaan, richt zich op, en uit de bron van een beperkt, maar zuiver enthousiasme, ontstaat een litterair tijdschrift.
De redactie houdt het ten doop, en het verrijst uit de doopvont als:
“Parade der Profeten”
Met een kern van Utrechtse jonge auteurs als achtergrond, verschijnt dit nieuwe blad. Programma's geven we, zolang de oorlogs-
toestand duurt, niet. We willen slechts een groep jonge kunstenaars verzamelen, en met elkaar in contact brengen.
“Parade der Profeten” verschijnt in de tweede helft van de maand. Bijdragen moeten steeds vòor de 5e binnen zijn. De oplaag is klein: Twaalf genummerde en getypte exemplaren. Ieder nummer is met de hand geïllustreerd. De omvang is ong. 20 pag. Het aantal vaste lezers zal de 36 niet overschrijden. “Parade der Profeten” is dus uitdrukkelijk bestemd voor een beperkte lezerskring. Voor iedere 3 lezers is eén ex. beschikbaar. Elke medewerker ontvangt gratis een ex. ter inzage, dat binnen 4 dagen na ontvangst naar een opgegeven adres moet worden doorgestuurd.’16
Zoals uit deze oproep blijkt, was de opzet bescheiden: twaalf getypte exemplaren. Op 15 april 1944 - waarschijnlijk op of omstreeks dezelfde dag zag de eerste aflevering van het Haagse blad Maecenas het licht - verscheen het eerste nummer, dat later in de kring van Parade der Profeten als het ‘oer-nummer’ zou worden aangeduid. Deze aflevering17 telde - afgezien van het omslag - vierendertig pagina's in kwarto-formaat. De prijs ervan was f 2,-.
Het omslag van dit nummer bestond uit een lichtdruk van Joost Baljeu, waarin een man met gleufhoed was afgebeeld met in zijn rechterhand een pen en in zijn linkerhand een papier met zegel; de man werd gevolgd door een groep personen, terwijl hoge huizenblokken links en rechts plaats voor hem maakten.
Een van de medewerkers aan het ‘oer-nummer’ was Ad. van Noppen, van wie het sonnet ‘Beleg’ werd opgenomen:

Omslag van het ‘oer-nummer’ van Parade der Profeten met lichtdruk van Joost Baljeu.
Aan het slot van het ‘oer-nummer’ was een kolderiek aanhangsel opgenomen, getiteld ‘De Baard’, dat door Carla Scheidler was samengesteld. De illustratrice Adri Hoonhout had voor deze rubriek een kop getekend, bestaande uit de woorden ‘De Baard’, waarin door de letter B een profeet met baard zichtbaar was. Het motto van dit aanhangsel luidde: ‘De Cost gaet voor de baard uyt.’19
Van Joost Baljeu werd in deze rubriek een sonnet gepubliceerd, getiteld ‘Aan hen die van techniek hun god maken’:
Een lino van Joost Baljeu, voorstellende de ongewenste botsing tussen sigaar en schilderij, was bij dit gedicht afgedrukt.
Floris d'Arkeneel (ps. van Jan Praas) werkte aan de rubriek ‘De Baard’ mee met het gedicht ‘De bibliophiele uitgaaf’:
Over Floris d'Arkeneel werd op dezelfde pagina meegedeeld dat hij op 1 april 994 te Dorestad geboren was. En verder: ‘Vocht onder Dirk III in 1018 tegen de Keizerlijke troepen, en legde zo mede de grondslag voor de Geestelijke en Morele Herbewapening. Was gehuwd met Suusje van Woerden en Kee van Velzen. Stierf op 86[-]jarige leeftijd, ten gevolge van erotische uitspattingen. Gereïncarneerd 12/8 1919 te Amsterdam, waar hij nu nog in kanari's en andere zangartikelen handelt.’22
Verder bevatte het ‘oer-nummer’ onder meer de inleiding van een nog onvoltooide roman over Johannes Calvijn, geschreven door C.A.G. Planije, en een verhaal, getiteld ‘Dinja en Svati’, dat Karel Blom - blijkens een onderschrift bij het manuscript23 van dit verhaal - op 4 september 1943 voltooid had. Karel Blom bevond zich in de periode dat het ‘oer-nummer’ verscheen, overigens in een kamp in de nabijheid van een militair vliegveld bij de Duitse stad Fritzlar (dicht bij Kassel), waar hij in het kader van de ‘Arbeitseinsatz’ sinds september 1943 te werk was gesteld. Door brieven van Praas was hij van het bestaan van Parade der Profeten op de hoogte.
In april 1944 schreef de redactiesecretaris Ad. van Noppen onder de aanhef ‘Waarde Profeet’ aan Frits Planije: ‘Iedere Dinsdagmiddag van 5 uur tot ½6 wordt er Profetenvergadering gehouden in het Spinnewiel, Leidscheweg naast Cafetaria. U wordt vriendelijk verzocht aanwezig te zijn.’24 Het café Het Spinnewiel, gelegen in de Utrechtse binnenstad, zou een vast contactpunt voor redactie en medewerkers worden, waar onder het genot van een kopje surrogaatkoffie de taken verdeeld en de plannen met de medewerkers doorgesproken werden.
Al snel bleek het aantal lezers dat belangstelling voor het nieuwe tijdschrift had, zo groot dat in de loop van april 1944 besloten werd de

Lino van Joost Baljeu in het ‘oer-nummer’ van Parade der Profeten.
nummers voortaan te laten stencilen. Afgesproken werd dat dit zou gebeuren bij de stencilinrichting Elinkwijk aan de Amsterdamsestraatweg in Utrecht. Voor papier zou de vader van Jan Praas zorgen, die - zoals eerder werd vermeld - bij de Haka werkte.
De redactie van Parade der Profeten, die de samenhang tussen literatuur en beeldende kunst wilde versterken, streefde ernaar - ook nu Parade der Profeten gestencild zou worden - illustraties in het blad te blijven opnemen. Besloten werd dat het illustratieve werk gedaan zou worden door een groep schilders en tekenaars die elkaar in Utrecht en omgeving hadden leren kennen. Hiertoe behoorden Hans Aalderink, Joost Baljeu, Adri Hoonhout, Wouter G. Spitzers en Piet Wildschut. Hans Aalderink, die in die tijd aan de Grafische School te Amsterdam studeerde, zou hierbij als een soort ‘chef’ optreden: hij zou de te verluchten teksten verdelen, de illustraties inzamelen en - in overleg met de betrokkenen - beslissen over het al dan niet opnemen van de ingeleverde illustraties.
In verband met het afdrukken van de illustraties nam de vader van Praas vervolgens contact op met een van zijn zaken-relaties, Frans van Amerongen, directeur van drukkerij Dico te Amsterdam, die toezegde dat deze illustraties door Dico gedrukt zouden worden. Verder zouden de lichtdrukken ontwikkeld worden door de firma Gadella aan de Oude Gracht in Utrecht.
Intussen nodigde de redactie verscheidene jonge schrijvers met wie vooral Ad. van Noppen in contact stond, uit mee te werken. Een van hen was de vierentwintigjarige dichter Rob Cijfer.
Robbert Cijfer, die in de familiekring Bob werd genoemd, maar door zijn vrienden gewoonlijk Rob, was in 1919 te Amsterdam geboren. Zijn vader, die theemakelaar was, kwam uit een joodse familie - hij was overigens niet bij een kerkgenootschap aangesloten en beschouwde zich als humanist -, zijn moeder niet. Rob Cijfer bezocht enkele jaren het Vossius Gymnasium in Amsterdam en volgde later nog een tweetal andere gymnasiumopleidingen in de hoofdstad. In deze periode publiceerde hij gedichten in het blad voor middelbare scholieren Contact. Nadat hij het staatsexamen gymnasium-alfa met goed gevolg had afgelegd, schreef hij zich in 1941 in voor de studie Nederlandse taal- en letterkunde (met als bijvak geschiedenis) aan de Gemeentelijke Universiteit in Amsterdam. Tijdens zijn studententijd publiceerde Rob Cijfer, die E. du Perron als zijn ‘lievelingsdichter’25 beschouwde, poëzie onder de schuilnaam Nummer in de Lustrumalmanak 1941 van de studentenvereniging Unitas. Ook in de bloemlezing De jongste lichting (1942) werden bijdragen van hem opgenomen. In het
voorjaar van 1943 weigerde Cijfer de ‘loyaliteitsverklaring’ te tekenen en staakte hij de studie. Op 22 maart 1944 deelde hij aan Ad. van Noppen mee dat hij niet langer studeerde: ‘Door de bijzondere omstandigheden liggen mijn werkzaamheden momenteel elders.’26
Ongeveer anderhalve maand later, op 4 mei 1944, schreef Rob Cijfer in antwoord op een brief van Van Noppen, waarin hij werd uitgenodigd aan Parade der Profeten mee te werken, hem onder meer: ‘[...] is er gevaar bij? Ik heb niet veel zin mijn leven of gezondheid ter wille van een letterkundige publicatie in de waagschaal te stellen. Het geheel is toch geen ondergronds blad in de trant van de “Vrije Kunstenaar”? Het liefst publiceer ik onder eigen naam, maar als er ook maar enig risiko bij is, en ik laat het aan U over dat te beoordelen, dan heb ik gaarne dat mijn werk getekend werd met het pseudoniem “G. Etal”.’27
Nadat Van Noppen hem op 6 mei 1944 over het karakter van Parade der Profeten nadere informatie had verschaft, antwoordde Cijfer hem op 9 mei: ‘Naar aanleiding van het mij in Uw schrijven van 6 Mei j.l. medegedeelde bericht ik U, dat ik er geen bezwaar tegen heb onder eigen naam te publiceren.’28
Hierna verscheen in de tweede helft van mei 1944 de eerste gestencilde aflevering van Parade der Profeten, die direct een dubbelnummer (nr. 1-2) bleek te zijn. De omvang van deze aflevering, die gedateerd was ‘April-Mei 1944’, was - afgezien van het omslag - vierenvijftig pagina's in kwarto-formaat. De oplaag was ongeveer zestig exemplaren. De prijs van een abonnement per kwartaal bedroeg voor medewerkers f 3,-, voor niet-medewerkers f 4,50.
Op het cognackleurige, van stevig papier vervaardigde omslag van deze aflevering - de omslagen van de verschillende afleveringen zouden in wisselende kleuren worden uitgevoerd - prijkte niet de lichtdruk die Joost Baljeu voor het ‘oer-nummer’ vervaardigd had. Jan Praas was over deze lichtdruk niet tevreden en vroeg zijn vroegere tekenleraar aan de hbs, Tjomme de Vries, een nieuwe illustratie voor het omslag te vervaardigen. De Vries sneed hierop een houtgravure, waarop een vogel was afgebeeld die uit een gebarsten ei opvloog; het ei was omringd door delen van een omgevallen zuil en een ontwortelde boom, terwijl in de verte een tempel, een bloeiend boompje en sterren zichtbaar waren. Onderaan op deze houtgravure was - grotendeels op een lint - de naam van het tijdschrift in hoofdletters weergegeven.
Op pagina 1 werd als ondertitel vermeld: ‘Litterair tijdschrift’. Verder werd op deze bladzijde meegedeeld: ‘Verschijnt maandelijks te Amsterdam, in een zeer beperkte, genummerde oplaag.
Alleen zij, die nog niet publiceerden, kunnen meewerken. Werk

Houtgravure van Tjomme de Vries op het omslag van Parade der Profeten.
van hen, die reeds publiceerden, wordt slechts bij uitzondering - onder de verwijzing “gast” - geplaatst.’29
Dat als plaats van verschijnen Amsterdam genoemd werd, was om de Duitsers te misleiden, Jan Praas merkte hierover in 1979 op: ‘Natuurlijk was dit een volmaakt zinloze camouflage, want als men inderdaad iets tegen het tijdschrift had willen ondernemen, dan had men dit toch onmiddellijk gelokaliseerd. Het is altijd een typisch Utrechtse aangelegenheid geweest.’ Omdat het niet de bedoeling was dat in Parade der Profeten politieke onderwerpen behandeld zouden worden, besloot de redactie dat de medewerkers - indien ze dit wensten - onder hun eigen naam in het tijdschrift konden publiceren.
Op pagina 2 van de eerste aflevering werd meegedeeld wie de voorlopige medewerkers waren. Hierbij werden twintig namen genoemd; omdat Jan Praas zowel onder zijn eigen naam als onder het pseudoniem Floris d'Arkeneel vermeld werd, was er in feite sprake van negentien personen. Tot hen behoorden Huib Appel, W Joh. Barnard, Henk Bartelson, Jan N. Grootenboers, W.J. van der Molen, C.A.G. Planije, Hein Roethof - later lid van de Tweede Kamer voor de Partij van de Arbeid - en G.E. Tal (schuilnaam van Rob Cijfer). Enige dichters uit Alkmaar hadden zich dus bij de groep rond Parade der Profeten aangesloten.
Verder deelde de redactie op dezelfde pagina mee: ‘De medewerkers aan de “parade der profeten” manifesteren geen “generatie” of bepaalde richting, en streven dit ook in de toekomst - in dit verband - niet na.
Ieder gaat na de oorlog zijn eigen weg.
Men neme dus alleen het werk, de profetie niet ernstig.’30
Het eerste nummer van Parade der Profeten opende met drie gedichten van W.Joh. (‘Will’) Barnard, een van de vrienden van Jan Praas. Will Barnard (geb. 1923) - een neef van Willem Barnard, die als dichter bekend zou worden onder het pseudoniem Guillaume van der Graft - woonde in een dienstwoning bij een internaat voor schipperskinderen te Vreeswijk (het tegenwoordige Nieuwegein-Zuid), waar zijn vader administrateur en later directeur was. Herinneringen aan dit internaat en aan de vriendschap met Will Barnard zouden in het voorjaar van 1945 Jan Praas inspireren bij het schrijven van het sonnet ‘Uitzicht / bij de dichter Will Barnard’, dat in 1978 zou worden opgenomen in Praas' dichtbundel Utrechtse sonnetten van weleer:
Het eerste gedicht van W.Joh. Barnard in Parade der Profeten - en dus het eerste gedicht dat in gestencilde vorm in dit tijdschrift werd gepubliceerd - is getiteld ‘Tantalus’:
De eerste aflevering bevatte verder het verhaal ‘Dinja en Svati’ van Karel Blom, dat al in het ‘oer-nummer’ gepubliceerd was. Het begin van dit verhaal luidt: ‘De mensen weten eigenlijk niet langer, of het land van geluk, vanwaar Svati kwam, wel ooit in waarheid heeft bestaan. Enkel weinigen kunnen het klaar wederbrengen in het beeld van hunnen geest, - en alleen dezulken weten, dat het niet gelijk is, wàaruit het geluk gevonden werd.
Want voor ieder is het anders en voor allen is het eender. Het is allen gebracht uit een ver land en voor allen was het gelijk; maar elkeen verwacht nu den brenger en ieder moet eenmaal Svati zijn.
Maar velen zijn niet open voor de gaven van een leven, dat zo zeer genomen heeft. En zij kennen slechts de waarde van de stof, om te rekenen naar de winst van het verleden; en van het verre land hebben zij geen heugenis meer.’33
Een andere medewerker aan het eerste nummer was C.A.G. Planije, van wie - zoals ook in het ‘oer-nummer’ het geval was geweest - de inleiding opgenomen werd van een nog onvoltooide roman over Johannes Calvijn. De titel van deze inleiding was een tekst die ontleend was aan de geschriften van de vroeg-christelijke Latijnse dichter Paulinus van Nola (353-431): ‘Vivere mundo mortis opus, viva est vivere vita Deo’ (in de vertaling van Planije: ‘Der wereld te leven is een werk des doods, / Gode te leven is een levend leven.’34). Het begin van deze inleiding luidt: ‘Twee levensbeschouwingen hebben door alle eeuwen de mensheid beheerst en vervoerd. De enkele universele en brandende geesten, die ideologisch en cultureel de volkeren leiden, hebben twee explicaties gegeven van het doel van ons leven. De een had slechts oog voor die mannen en vrouwen, wier ogen immer weer op magische wijze zich van de aarde afwendden, als wilden zij het heelal doorschouwen tot in de verste uithoeken en met hun vuren extatische blik de hemelpoort dwingen zich te openen. De ander zag, hoe onze voeten zich aan de aarde vastzogen, zodat zij helder zagen waar zij hun volgende schreden zouden plaatsen, hoe vrolijk ons gelaat kleurde bij spel en dans, op het veld en in de musea.’35 Vervolgens beschreef Planije de geschiedenis van de zojuist genoemde tegenstelling vanaf de oude Grieken tot in de tijd van Luther en Calvijn.
C.A.G. Planije merkte in 1982 over het onderwerp van zijn roman, die nooit voltooid werd, op: ‘De figuur van Calvijn, zuiver cultuurhistorisch gezien, niet religieus gezien, boeide mij. Hoe kon een zo zwaarwichtige, ascetisch levende figuur zo'n invloed uitoefenen op een klein, maar gedurende de zestiende en zeventiende eeuw uitermate vitaal en krachtig deel van onze bevolking? Die paar voor die tijd streng gereformeerden domineerden enorme hoeveelheden mensen om zich heen.’36 Het proza van Planije was in die tijd duidelijk beïnvloed door de literaire stijl van de Portugese dichter en filosoof Teixeira de Pascoaes (1877-1952); diens biografie Hiëronymus, de dichter der vriendschap (1939) - een door H. Marsman en A.V. Thelen vervaardigde vertaling van São Jerónimo e a trovoada (1936) - had hij met bewondering gelezen.
Evenals in het ‘oer-nummer’ was aan het slot van de eerste aflevering een kolderiek aanhangsel opgenomen, getiteld ‘De Baard’, dat ook nu door Carla Scheidler was samengesteld.
De rubriek opende met een verhaal van Carla Scheidler, getiteld ‘Drama op het Arkeneel’, waarin verteld werd hoe een jonge dichter met ‘kaal jasje en lange haren’,37 die er nooit in geslaagd was één dichtbundel te publiceren, overwoog om zelfmoord te plegen. Nadat zijn situatie uiterst penibel geworden was, kreeg hij bericht van een uitgever dat zijn verzen geaccepteerd waren. Zijn vriendin Clarisse, die in een bontjas gehuld door het leven ging en van een bestaan in weelde droomde, besloot hem hierna opnieuw vurig lief te hebben.
In de rubriek ‘De Baard’ was ook een sonnet van de Alkmaarse dichter Jan N. Grootenboers (geb. 1923) opgenomen, getiteld ‘Aan de profeten’:
Jan Praas antwoordde op dit gedicht, waarin op speelse wijze stelling genomen werd tegen het lanceren van poëtische programma's, met het sonnet ‘Aan Jan N. Grootenboers’:
Het eerste dubbelnummer van Parade der Profeten bevatte verder onder Inieer gedichten van Marijke de Jong en Wim de Vos, een fragment uit de novelle ‘Ballast van de dood’ van W.J. van der Molen en een verhaal van Ad. van Noppen onder de titel ‘Zeven muzikanten’.
In juni 1944 verscheen de volgende aflevering van Parade der Profeten (nr. 3). Deze aflevering, die een omvang had van tweeëndertig bladzijden en gedateerd was ‘Juni 1944’, opende met drie gedichten van Guillaume van der Graft, de schuilnaam van de drieëntwintigjarige student theologie Willem Barnard, die via zijn neef Will Barnard met de kring rond Parade der Profeten in contact gekomen was.
Wilhelmus Barnard was in 1920 te Rotterdam geboren. Hij bezocht daar het Marnix Gymnasium, waar hij geboeid raakte door de poëzie van Nijhoff en Marsman. Toen hij ongeveer vijftien jaar was, begon hij ook zelf gedichten te schrijven. Na het behalen van het gymnasiumdiploma ging hij in 1938 Nederlands studeren aan de Universiteit van Leiden, maar de colleges die er gegeven werden - onder meer door de dichter P.N. van Eyck over het gedicht ‘Mei’ van Herman Gorter -, stelden hem teleur. In 1939 werd hij opgeroepen voor militaire dienst, waarna hij bij de opleiding voor reserve-officieren in Breda werd geplaatst. Na zijn demobilisatie in de zomer van 1940 besloot hij niet naar Leiden terug te keren. Willem Barnard deelde hierover in 1983 mee: ‘Ik ben toen onder de indruk van de schok, de gebeurtenissen van de oorlog, naar Utrecht gegaan, omdat ik een nieuw begin wilde maken en theologie wilde studeren.’40 En verder: ‘Ik dacht: ik wil mij bezighouden met eventueel de zin van het bestaan. Ik had op de
een of andere manier een vermoeden gekregen dat ik geloofde of althans dat ik bij het christelijk geloof betrokken was.’ In Utrecht sloot Willem Barnard zich niet aan bij het theologisch dispuutgezelschap Excelsior Deo iuvante, waarvan Jan Wit in hetzelfde jaar en Ad den Besten één jaar later lid zouden worden en dat sterk literair georiënteerd was: Barnard wilde zich na zijn teleurstellende ervaringen in Leiden voorlopig vooral in de theologie verdiepen. Ook de maandagavondbijeenkomsten van de kring rond De Schone Zakdoek bezocht hij niet. Hij werd wel lid van het theologisch dispuutgezelschap Progredior41: ‘Dat was veel minder artistiek, dat was veel meer degelijk theologisch, exegetisch enzovoorts bezig.’ Tijdens zijn studententijd leerde hij al snel Jan Wit kennen. Ad den Besten, die drie jaar jonger was, kende hij alleen van gezicht; eerst na de oorlog zou hij nader met hem in contact komen.
In zijn studententijd fietste Willem Barnard geregeld vanuit Utrecht naar Vreeswijk, waar hij met zijn neef Will Barnard lange gesprekken

Bewijs van inschrijving van Willem Barnard bij de Rijksuniversiteit te Leiden.
had over de door hen gelezen boeken. Ook het buitenleven in Vreeswijk trok hem aan. Willem Barnard: ‘Dat huis waarin zij woonden, had aan de voorkant bomen, water en schepen en aan de achterkant een tuin en weer water. Ze woonden op zo'n schiereiland daar. Nu, voor zo'n stadsjongen, die altijd op een verdieping had gewoond, was dat natuurlijk iets ongekends. En dan gingen we eindeloze wandelingen maken daar in dat rivierenlandschap. Dus daar heb ik iets ontdekt, daar is me iets geopenbaard, wat voor mijn hele leven wezenlijk en bepalend is geweest.’
Tijdens zijn studietijd in Utrecht werd Willem Barnard vooral gegrepen door de opvattingen van de Zwitserse protestantse theoloog Karl Barth (1886-1968), die zich onder meer keerde tegen het al te gemakkelijk sluiten van compromissen tussen kerkelijke leiders en wereldlijke autoriteiten en in de jaren dertig een van de meest vooraanstaande figuren werd in de strijd tegen het nationaal-socialisme. Barnard herinnert zich: ‘Ik had het idee dat dat op de een of andere manier iets was van grote allure, die theologie van de crisis, zo radicaal in vele opzichten, ook hierin dat alle mogelijke zorgvuldige constructies van christelijke cultuur en christelijke staatkunde en dergelijke werden weggeblazen.’ In literair opzicht verdiepte hij zich vooral in de poëzie van Nijhoff: ‘Ik heb in hem iets zeer verwants gevonden, ook theologisch, wat hem verwonderen zou, denk ik.’ Vooral het gedicht ‘Het steenen kindje’ uit Nijhoffs bundel Vormen (1924) - met de woorden: ‘O zoontje in me, o woord ongeschreven’42 - sprak hem aan. Barnard merkte hierover in 1983 op: ‘Het is [...] een thema, dat mij ook enorm heeft geboeid, altijd. Ik vind het ook terug in de zinswendingen van het “Credo” - het “Credo” is een hymnische theologie! -, waar staat: geboren, niet gemaakt. Dat is een formule die je meteen kunt toepassen op alle kunstwerken die echt zijn, die levend zijn. Die zijn niet gemaakt, die zijn geboren. Dat heeft dus allemaal een zekere parallel met die gedachte van de Incarnatie. Nu, dat vind je bij Nijhoff terug en dat boeide mij dus theologisch heel erg. En bovendien: dat als een strandvonder zoeken naar uit het spraakwater aangespoelde taal en die dan opheffen tot een meer dan dagelijkse betekenis, dat is iets wat mij sterk bezighield.’
De eerste bekende schrijver met wie Willem Barnard in die jaren in contact kwam, was de dichter en essayist Roel Houwink, die vóór de oorlog redacteur was geweest van het tijdschrift der protestantse jongeren, Opwaartsche Wegen. In de zomer van 1942 bezocht Barnard hem in Zeist. Ook stuurde hij Houwink enkele van zijn gedichten toe.
In mei 1943 werd Willem Barnard in het kader van de ‘Arbeitsein-
satz’ - hij had geweigerd de ‘loyaliteitsverklaring’ te tekenen - naar Duitsland getransporteerd. Hij werkte er eerst in een fabriek, maar werd al snel ziek. Na maandenlang in een hospitaal te hebben gelegen, kreeg hij in mei 1944 toestemming naar huis terug te gaan. Barnard: ‘Ik ben legaal - wat heet “legaal”? - weer teruggekeerd in Nederland op grond van een geestelijk ambt, dat nogal opgeblazen was, vrees ik.’ In de jaren daarvoor had Barnard in Rotterdam wel eens predikanten geholpen bij hun werk.
Na terugkeer in Nederland ging hij weer bij zijn ouders in Rotterdam wonen, maar hij bracht spoedig een bezoek aan Vreeswijk, waar zijn neef hem op de hoogte bracht van het bestaan van Parade der Profeten. Ook Willem Barnard besloot aan het blad mee te werken en zo debuteerde hij in het derde nummer van dit tijdschrift onder de schuilnaam Guillaume van der Graft, het pseudoniem waaronder Barnard later een groot deel van zijn poëtisch werk zou publiceren. Het eerste van de drie gedichten die in deze aflevering van Parade der Profeten werden opgenomen, is getiteld ‘De laatste dagen...’:
In het derde nummer werd vervolgens in de rubriek ‘De Baard’ een polemisch stuk opgenomen onder het pseudoniem Floris d' Arkeneel (Jan Praas). Onder de titel ‘Reportage van het wielercriterium der Criteriaantjes’ werd hierin een verslag gegeven van een wielerfestijn, dat de voorafgaande zondag op de Valkenburgse Cauberg zou hebben plaatsgevonden. De verslaggever noteerde: ‘De afgelopen Zondag is een wel zeer belangrijke geweest in de wereld der dichterbroekemannetjes. Reeds vroeg in de ochtend had zich op de Cauberg, waar het jaarlijkse criterium voor vlotte rijmtechniekers zou worden gehou-
den, een grote menigte verzameld. Van de eretribune woeien tal van gele vlaggen met het bekende blauwe “Criterium” embleem.
Naast de promotors voor deze wedstrijd, S. Vestdijk en M. Nijhoff, hadden er ook de uitgever Meulenhoff en zijn vrouw plaats genomen. Een ganse schare vrouwen dekte verder de wegen. Reeds spoedig nadat wij waren gearriveerd, stelden de renners zich aan de start op. Ontelbaar is welhaast het gilde der Criterium-mannen. Van heinde en ver was alles dat ooit poëzie gesnoven had Caubergwaarts getogen. Het was een bont gewemel, al deze renners naar de eeuwigheid en een bundel in 300 exemplaren.
[...] Toen loste de ober van “Scheltema” het startschot en onder luide toejuichingen van de abonnés zette de colonne zich in beweging. Voorop de favorieten: Aafjes (Voor het merk “Des Knaben Wunderhorn”), Den Brabander (Voor het “Sonnet door Dik en Dun”), Van Hattum (voor “de Broekspijpen van het Hoogste”). Hoornik (voor Heinekens Bierbrouwerijen) werd gevolgd door een gehele generatie: Lehmann, Dendermonde, Den Tex, Buddingh['], Bosman enz. (alle voor het merk “De Epigoon”).
[...] We zagen verder Hoekstra en Dubois nog, en geheel in zijn eentje reed Gerrit Achterberg, “Wezen buiten de Wet”.’
Ten slotte werd beschreven hoe Bertus Aafjes de overwinning behaalde: ‘Onder daverende toejuichingen, nam de kampioen van poetisch [poëtisch] Nederland het kleine groepje; hij passeerde, en vloog gillend van vreugde als eerste over de eindstreep! Hulde Aafjes! Kranige kerel! Bundelen, die man!

Kop van de rubriek ‘De Baard’ in het derde nummer van Parade der Profeten.
De avond kwam, en deze schone dag liep ten einde, [.] Het was een daverend succes voor alle partijen. Dat onze poezie [poëzie] moge bloeien! Met enkele variaties op Lehmann besluiten wij:
Naast het slot van deze tekst was een illustratie van Adri Hoonhout opgenomen, voorstellende een zwoegende wielrenner, waarbij een fragment was geciteerd uit het gedicht ‘Lied in het bos’, gepubliceerd in de bundel Het gevecht met de muze (1940) van Bertus Aafjes45:
Deze beide dichtregels werden buiten medeweten van de illustratrice Adri Hoonhout bij de tekening geplaatst. Ze was hierover zo boos dat zij haar medewerking aan het blad staakte.47
De derde aflevering van Parade der Profeten bevatte verder onder meer gedichten van Henk Bartelson en Henk de Wringer, een verhaal, getiteld ‘Terugkeer’, van Carla Scheidler en een fragment uit ‘Hélène in het heelal’ van Ferdinand Langen (ps. van Egbertus Pannekoek), een roman die eerst na de oorlog, in 1945, zou verschijnen. Het contact met Langen was tot stand gekomen via Ad. van Noppen, die hem - zoals hij in december 1943 aan C. Buddingh' geschreven had - om inlichtingen had gevraagd over zijn literaire plannen. Omdat Langen al in Opwaartsche Wegen, Criterium en andere tijdschriften had gepubliceerd, werkte hij aan Parade der Profeten als ‘gast’ mee.
In het derde nummer werd verder meegedeeld: ‘Het dichterfeest te Vreeswijk in Augustus a.s. is in beperkte mate ook voor belangstellenden toegankelijk. Inlichtingen bij het redactie-secretariaat.’48 De bedoeling was dat het feest zou plaatsvinden in het internaat voor schipperskinderen waarbij Will Barnard woonde. Dit internaat zou in de vakantiemaand grotendeels leeg zijn. Carla Scheidler was intussen met een aantal meisjes bezig enige dansen in te studeren die het feest meer luister zouden moeten bijzetten.
In juli 1944 verscheen vervolgens het vierde nummer van Parade der Profeten. Deze aflevering, die vierendertig bladzijden telde en gedateerd was ‘Juli 1944’, opende met een gedicht van Jan Praas, dat geti-
teld was ‘Geus en ketter (1567)’. Dit gedicht handelde over de onderdrukking door de Spanjaarden in de periode onmiddellijk vóór de tachtigjarige oorlog, maar verwees door het onderschrift ‘1 Juli 1944’ tegelijkertijd naar de dood van Praas' vroegere leraar Frans, Johan Brouwer, die precies één jaar eerder door de Duitsers was doodgeschoten:
Verder werden in het vierde nummer zes gedichten gepubliceerd van de jonge Amsterdammer R. Cijfer. Het eerste van deze gedichten is getiteld ‘Aap’:
In het vierde nummer van Parade der Profeten werd ook een nieuwe rubriek, getiteld ‘De muizenval’, opgenomen, waarin ‘Critieken van moordenaars’51 werden verzameld. Over de bundel Het gevecht met de muze (1940) van Bertus Aafjes werd hierin opgemerkt: ‘Zoals mijn vrouw 's morgens naar den groenteboer gaat om een kilo spruitjes, gaat Aafjes 's morgens naar den muzenboer en bestelt een kilo modewoorden, flink gesorteerd: Nymphen, saters, schedels, bloesem, rozen (rood en wit), mijn liefjes, zeemeerminnen, baarden, faunen en fluiten, gemengd met een paars, grauw en wit kleurtje. Als hij de deur uitgaat, keert hij zich om: “Ach, doet U er ook een paar ons hoeren bij. Heeft U nog blonde”?[?”]’52 Deze tekst, die anoniem werd gepubliceerd, was geschreven door Jan Praas.
In de rubriek ‘De Baard’ werd vervolgens een sonnet onder de titel ‘Criterium-clublied’ opgenomen, geschreven door een zekere Harry Hunnekens - nadere gegevens over deze persoon heb ik niet kunnen ontdekken -:
In de rubriek ‘De Baard’ werd verder een sonnet gepubliceerd van Gérard Q. Bleyenburgh, achter welk pseudoniem zich de jonge dichter Gerrit Kouwenaar verborg. Zoals in het tweede hoofdstuk werd vermeld, had Kouwenaar, die wegens zijn betrokkenheid bij het tijdschrift Lichting gearresteerd was, halverwege november 1943 de gevangenis in Utrecht kunnen verlaten. Hij was daarna bij zijn ouders aan de Cantonlaan in Baarn gaan wonen. Daar kreeg hij in het voorjaar van 1944 bezoek van Ad. van Noppen en Jan Praas: de romanschrijver Theo J. van der Wal, die - zoals we gezien hebben - ook aan Lichting had meegewerkt en met Kouwenaar gevangen had gezeten, had Van Noppen op hem attent gemaakt. In eerste instantie zegde Kouwenaar aan Praas en Van Noppen toe dat hij aan Parade der Profeten zou meewerken - in het vierde nummer van dit blad werd dan ook aangekondigd54 dat in de volgende aflevering poëzie van hem zou worden gepubliceerd -, maar later bedacht hij zich. Gerrit Kouwenaar deelde hierover in 1981 mee: ‘Bij nader inzien dacht ik: “Nee toch maar niet. Het is me toch te link.”’55 Intussen had hij onder de schuilnaam Gérard Q. Bleyenburgh - de achternaam van zijn grootmoeder was Van Bleyenburgh - wel een sonnet ingezonden, waarin speelse kritiek werd geleverd op het artikel dat Floris d' Arkeneel (Jan Praas) in het vorige nummer onder de titel ‘Reportage van het wielercriterium der Criteriaantjes’ had gepubliceerd. Het sonnet is getiteld ‘Aan den Here Baard-man Floris d'Arkeneel’:
Floris d'Arkeneel (Jan Praas) antwoordde hierop met een sonnet onder de titel ‘Aan den heldhaftigen verdediger op de puinhopen van Hoornecrit: Gérard Q. Bleyenburgh’:

Over de strekking van zijn hekeldicht tegen Floris d'Arkeneel deelde Gerrit Kouwenaar in 1981 mee: ‘Er werd voortdurend in dat blad van leer getrokken tegen Hoornik en de zijnen en dat vond ik op zichzelf natuurlijk uitstekend, maar wat ik erin aantrof, waren vrijwel allemaal Criterium-achtige verzen. Dus ik dacht: “Ja, dat is gemakkelijk. Wèl op ze schelden, maar tegelijk hun soort poëzie imiteren. Als ze dan iets anders willen, laat ze dat dan waarmaken in de praktijk.”’ Kouwenaar wist trouwens in die tijd niet dat zich achter het pseudoniem Floris d'Arkeneel Jan Praas verborg.
Jan Praas merkte in 1979 over de invloed van de dichters rond Criterium op de poëzie die in Parade der Profeten gepubliceerd werd, op: ‘Je zult èn bij anderen èn bij mezelf zonder moeite de elementen van Criterium terugvinden. Alleen het wat overdreven romantische gedoe dat daarbij te voorschijn kwam, lag ons kennelijk toch iets minder.’
Over het ‘dichterfeest’ dat in het internaat voor schipperskinderen te Vreeswijk zou plaatsvinden, werd in het vierde nummer van Parade der Profeten opgemerkt: ‘In verband met de wekenlange stilzwijgendheid van den organisator W.Joh. Barnard, vermoeden wij dat het Dichterfeest te Vreeswijk helaas geen doorgang zal vinden.’58 Ook werd meegedeeld dat in oktober 1944 een speciaal poëzienummer zou verschijnen, dat een omvang van vijftig pagina's zou hebben.59
De vierde aflevering bevatte verder onder meer poëzie van Karel Blom en W.Joh. Barnard en een fragment uit een novelle van Jan Praas, getiteld ‘De eerste nacht van Mirna Lakooi’.
Kort nadat het vierde nummer verschenen was - op 5 augustus 1944-, ontmoette Jan Praas in Den Haag de redacteur van het ondergrondse blad Maecenas, Willem Karel van Loon. Waarschijnlijk was dit contact tot stand gekomen via Ad. van Noppen, aan wie Van Loons vriend Eb van de Beld - deze was intussen in Duitsland te werk gesteld - al op 19 maart 1944 in een brief60 verteld had over zijn literaire plannen.
Willem Karel van Loon deelde in 1979 mee dat Jan Praas vóór hun ontmoeting niet had geweten dat zich achter hem een hele groep Haagse dichters verzameld had. Praas zou alleen gekomen zijn om Van Loon zelf voor medewerking aan Parade der Profeten uit te nodigen.61 Jan Praas van zijn kant merkte in 1979 over zijn ontmoeting met Van Loon op: ‘Hij keek zijn ogen uit toen ik hem vertelde dat wij onder eigen naam publiceerden. In Maecenas, daar publiceerden ze allemaal onder schuilnaam.’
Van Loon gaf bij deze gelegenheid niet alleen aan Praas enkele van zijn eigen gedichten mee om in Parade der Profeten te publiceren, maar ook beloofde hij hem aan dichters uit zijn kring te vragen mee te werken aan het speciale poëzienummer van Parade der Profeten dat in het najaar van 1944 zou verschijnen.
De dag na zijn ontmoeting met Willem Karel van Loon, 6 augustus 1944, schreef Jan Praas aan zijn vriend Frits Planije: ‘Gisteren in Den Haag 20 medewerkers overgenomen van het blad “Maecenas”, met wie we samen in Parade-uitvoering het Poëzie-no. uitgeven. In het Zuiden werkt nog een tijdschriftje waar we ook mee gaan samenwerken.’62 Met dit ‘tijdschriftje’ werd het in Maastricht verschijnende blad Overtocht bedoeld, waaraan in het volgende hoofdstuk aandacht zal worden besteed. Dat Praas in deze periode nog maar weinig over dit blad wist, blijkt overigens uit een gestencilde circulaire die de redactie van Parade der Profeten korte tijd later zou verspreiden en waarin zij het verschijnen van het speciale poëzienummer aankondigde. In deze circulaire63 werd over ‘het Brabantse blad “overtocht”’ geschreven.
Na zijn gesprek met Jan Praas benaderde Willem Karel van Loon verscheidene dichters uit zijn kring om hen tot medewerking aan het poëzienummer van Parade der Profeten te stimuleren. Zo schreef hij op 31 augustus 1944 aan de Zeeuwse dichter Hans Warren: ‘Dan nog wat: in October/November komt er een poëzienummer uit van het zwarte literaire tijdschrift Parade der Profeten; kwarto formaat, in een stukken fraaiere uitgave dan Maecenas; ook de inhoud staat op hooger peil, omdat daaraan lui uit het heele land meewerken en men over veel rela-
ties en bronnen beschikte (wat bij Maec. niet het geval was) - nu is het de bedoeling dat aan dat herfst-poëzie-nummer geheel dichtend Nederland (onze generatie) meedoet; er wordt gepubliceerd naar wensch onder eigen naam dan wel pseudo; van Maecenas doen de beste mee; zelf zend ik betere verzen in dan “Witte nachten” bijv. Mijn verzoek is, wil jij ook meedoen, dan zal ik gaarne een tiental gedichten ontvangen, opdat ik in samenwerking met den redacteur van het blad een keuze kan doen uit jouw werk.’64 Met ‘Witte nachten’ bedoelde Van Loon teen gedicht van hemzelf dat hij in juni 1944 aan Hans Warren had gestuurd en waarover deze weinig enthousiast was geweest.
In de eerder genoemde brief die Jan Praas op 6 augustus 1944 aan Frits Planije schreef, deelde hij ook mee: ‘Maandag een conferentie met Evenhuis, Schuur en Elburg. Vandaag ontmoet ik Guillaume van de[r] Graft, die terug is uit Duitsland.’65 De dichters Eddy Evenhuis, Koos Schuur en Jan Elburg hadden enkele jaren daarvoor aan het tijdschrift Criterium meegewerkt. Al voordat Praas zijn brief aan Planije schreef, was Ad. van Noppen met Eddy Evenhuis in contact gekomen: ook hem had hij om inlichtingen over zijn literaire plannen gevraagd. Op 8 juli 1944 had Evenhuis aan Van Noppen geschreven: ‘Voor afdruk van “Request” in de “Parade der Profeten” geef ik gaarne mijn toestemming. Het clandestiene hiervan is geen bezwaar, maar een voorwaarde.’66 Evenhuis' gedicht ‘Request’ zou in aflevering 5-6 van Parade der Profeten worden opgenomen.
Of de ‘conferentie met Evenhuis, Schuur en Elburg’ waarover Praas in zijn brief aan Frits Planije schreef, inderdaad op de aangekondigde dag-maandag 7 augustus 1944-heeft plaatsgevonden, is onzeker: Jan Praas en Carla Scheidler herinneren zich dat zij samen Eddy Evenhuis, Koos Schuur en Jan Elburg in het Utrechtse hotel ‘Terminus’ hebben ontmoet - Carla Scheidler in 1988: ‘[...] ik zie die drie nog duidelijk voor me [...]’67 -, maar Elburg, Evenhuis en Schuur deelden, onafhankelijk van elkaar, in 1988 mee dat zij zich van een dergelijke ontmoeting niets herinneren.68 Volgens Jan Praas schreef Koos Schuur bij deze gelegenheid op een blocnote-velletje het gedicht ‘Bezet gebied’ dat in het volgende nummer van Parade der Profeten zou worden opgenomen; een blocnote-velletje met daarop dit gedicht van Schuur bevindt zich inderdaad in het archief van het Letterkundig Museum in Den Haag, evenals trouwens een soortgelijk blocnote-velletje met het gedicht ‘Request’ van Evenhuis. Dat Praas in ieder geval Koos Schuur in deze periode heeft ontmoet, kan worden afgeleid uit een brief die hij op 11 augustus 1944 aan Frits Planije schreef: ‘Koos Schuur is een moord-vent! Ik heb “Bedauwde Rekening” aan hem opgedragen.’69
‘Bedauwde Rekening’ was een gedicht van Praas dat later in het speciale poëzienummer zou verschijnen.
Eind augustus/begin september 1944 kwam vervolgens een dubbel- nummer (nr. 5-6) van Parade der Profeten uit, gedateerd ‘Augustus-September 1944’. Deze aflevering, die zesenvijftig pagina's telde, bevatte drie verzen van de Amsterdamse dichteres Willy Berg, waaronder een gedicht onder de titel ‘Het moet niet regenen’:
Vermeldenswaard bij dit gedicht is onder meer dat in de tweede strofe de woorden ‘klein geluk’ voorkomen. Het begrip ‘klein geluk’ zou later in de discussies rond de poëzie die in Parade der Profeten gepubliceerd werd, een belangrijke rol spelen; ik zal hierop in het slothoofdstuk van dit boek (pag. 490) terugkomen.
Een andere medewerker aan dit nummer was de twintigjarige dichter W.J. van der Molen, van wie al in de eerste aflevering van Parade der Profeten een prozafragment was opgenomen.
Willem Johan van der Molen was in 1923 te Broek op Langendijk geboren. Hij bezocht de Rijks-hbs te Alkmaar, waar hij grote belangstelling opvatte voor literatuur - vooral het proza van Marcellus Emants boeide hem - en ook zelf gedichten begon te schrijven. Hij kwam in deze periode in contact met Gerrit Kouwenaar, die in het schooljaar 1940-'41 dezelfde hbs bezocht, en met Jan Grootenboers met wie hij vriendschap sloot. Na het behalen van het hbs-diploma studeerde Van der Molen enige tijd voor de mo-akte Nederlands bij dr. A.J. de Jong in Amsterdam, bij wie ook Planije en Praas lessen
volgden. Van der Molen vatte een grote bewondering op voor de poëzie van Gerrit Achterberg en L. Th. Lehmann. Van Lehmann kende hij verscheidene gedichten uit het hoofd. In 1988 deelde hij over zijn belangstelling voor deze dichter mee: ‘Omdat ik daar toen zo in geënteresseerd was, heb ik Lehmann zelfs nog een keer opgezocht in Amsterdam. Hij woonde toen op een heel klein kamertje. Hij moest zelf, geloof ik, op bed zitten, wilde hij je te woord kunnen staan.’71 Nadat aan de studie Nederlands een einde gekomen was, leidde Van der Molen - op en neer reizend tussen Amsterdam en zijn ouderlijk huis in Broek op Langendijk - een zwervend bestaan.
Van hem werd in aflevering 5-6 van Parade der Profeten onder meer het gedicht ‘Kerstmorgen’ gepubliceerd: