terug  begin  verderprepost
[p. 357]

Hoofdstuk 6
Podium (I): poëzie op de puinhopen

Kort na het verschijnen van het eerste nummer van Overtocht in mei 1944 speelde zich een van de belangrijkste gebeurtenissen van de tweede wereldoorlog af: de invasie van de geallieerde troepen op dinsdag 6 juni in Normandië. Voor het eerst kregen hierdoor de bewoners van de bezette gebieden in West-Europa het gevoel dat de bevrijding werkelijk aanstaande was. Tegelijkertijd moesten ook de meest optimistische Duitsers er ernstig rekening mee gaan houden dat de ondergang van het Duizendjarig Rijk van Hitler niet al te lang meer op zich zou laten wachten.

In de periode waarin de invasie plaatsvond, werd intussen de uitgave voorbereid van de eerste aflevering van een nieuw ondergronds literair tijdschrift: Podium. Het initiatief tot oprichting van dit blad was in het voorjaar van 1944 genomen door enkele jongeren uit Leeuwarden, onder wie Gerrit - of Ger - Meinsma.

Gerrit Lenze Meinsma was in 1924 in de Friese hoofdstad geboren. Hij bezocht daar de Gemeentelijke hbs, waar hij - ondanks het feit dat tijdens de lessen Nederlands nauwelijks aandacht besteed werd aan schrijvers na 1880 - sterk door de literatuur geboeid werd: in deze tijd schreef hij ook zijn eerste gedichten. Na het behalen van het diploma hbs-a in de zomer van 1941 was hij van plan sociale economie, gecombineerd met rechten, te gaan studeren. Omdat voor deze studie een gymnasiumdiploma vereist was, besloot hij zich te gaan voorbereiden op het staatsexamen gymnasium. Terwijl hij overdag op een accountantskantoor werkte, studeerde hij in de avonduren Latijn en Grieks. In januari 1943 ging hij als toehoorder lessen in de klassieke talen volgen aan het Stedelijk Gymnasium te Leeuwarden.

Ongeveer een jaar later - in de winter van 1943-'44 - ontmoette Meinsma via zijn vriend Jan van Male de drieëntwintigjarige Corrie van der Noord. Zij maakte deel uit van een vriendenkring waartoe - behalve Jan van Male - de kunstschilder Pieter Kooistra behoorde.

[p. 358]

Tussen Gerrit Meinsma en Corrie van der Noord ontstond hierna een amoureuze relatie.

Cornelia van der Noord was in 1920 te Leeuwarden geboren. Haar moeder was een zuster van de dichter J. Slauerhoff. Corrie van der Noord ontmoette haar oom wel eens, als ze in het huis van haar grootmoeder - die toen in Haarlem woonde - logeerde. Ze herinnert zich: ‘Ik had zoveel ontzag voor hem, dat ik geluidloos om hem heen liep.’1 Over een van de familiebijeenkomsten, waarbij Slauerhoff aanwezig was, vertelde ze in 1982: ‘We zaten in een heel grote familiekring - want met Kerstmis kwam iedereen altijd bij mijn grootmoeder - en daar deden we een of ander dobbelspel en ik zat naast hem en toen deed ik iets met die dobbelstenen. Ik zei: het is vijf en het was zes, en toen werd ik geprezen. Dat vond hij heel mooi. Dat is typisch iets voor Slauerhoff om iemand die vals speelt, een compliment te geven.’

In 1937 - Corrie van der Noord bezocht in die tijd de Gemeentelijke hbs, waar ze enkele klassen hoger zat dan Gerrit Meinsma - werd ze lid van de Nederlandse Bond van Abstinent Studerenden (nbas). In deze organisatie, waarin niet alleen het ideaal van geheelonthouding,

illustratie
Corrie van der Noord en Gerrit Meinsma. (Foto: Jan van Male)

[p. 359]

maar ook allerlei in politiek opzicht vooruitstrevende opvattingen werden uitgedragen tijdens met geestdrift beleefde zomerkampen, werd ze tot lid van het hoofdbestuur gekozen. In 1941 werd de nbas opgeheven.

Twee jaar daarvoor had Corrie van der Noord het diploma hbs-a behaald, waarna ze allerlei kantoorbaantjes had, totdat zij in 1943 ging werken bij de Openbare Leeszaal in Leeuwarden.

In dezelfde periode waarin Gerrit Meinsma kennismaakte met Corrie van der Noord, kwam hij ook in contact met de toen zeventienjarige Wim Hijmans, die leerling was aan het Stedelijk Gymnasium, waar Meinsma als toehoorder lessen volgde. Meinsma had Hijmans overigens voor het eerst gezien in de Buma-bibliotheek - de bekende klassieke bibliotheek in Leeuwarden -, waar de vader van Hijmans, die leraar Latijn en Grieks was aan hetzelfde gymnasium, de functie van bibliothecaris uitoefende. Meinsma vertelde in 1982 over zijn eerste persoonlijke contact met Hijmans: ‘Er was gewoon een herkenning, toen we op dat plein rondliepen bij het gymnasium. Daardoor is eigenlijk het gesprek ontstaan, wat uiteindelijk geleid heeft tot het oprichten van Podium.’2

Willem Hijmans (1926-'80), die te Groningen geboren was, kwam uit een milieu waar grote belangstelling bestond voor schilderkunst, muziek en literatuur. Zijn jongere broer, dr. B.L. Hijmans jr., schreef in 1986 over hun beider vader: ‘Zijn grote liefde naast de antieke literatuur was de Nederlandse literatuur vanaf de tachtigers. Al in zijn schooljaren [...] ging al zijn zakgeld naar de aanschaf van nieuw verschenen dichtbundels. Boutens, Leopold, Nijhoff, Bloem, Herman van den Bergh en Marsman, maar ook de romans van [Van] Oudshoorn, Nescio, Vestdijk enz. enz. - ze waren aanwezig en werden gelezen en herlezen, en omdat hij een fabelachtig geheugen had kon hij met name uit de dichters lange lappen zonder meer uit het hoofd voordragen. Uiteraard was dus de Nederlandse literatuur een levende zaak bij ons thuis, die bij alle kinderen, maar bij mijn oudste broer wel in het bijzonder, een weerklank vond.’3 Deze ‘oudste broer’ - Wim - werd in de jaren dat hij de middelbare school in Leeuwarden bezocht, vooral geboeid door het werk van de dichters Leopold, Nijhoff, Marsman en Aafjes. Ook de poëzie van Jan Engelman maakte een diepe indruk op hem; in het bijzonder diens cantilene ‘Vera Janacopoulos’ met de beroemde beginregel ‘Ambrosia, wat vloeit mij aan?’ verrukte hem.

Wim Hijmans, die ervan droomde later schrijver te worden, was omstreeks 1940 bevriend geraakt met de drie jaar jongere Marten Brouwer, die ook grote belangstelling voor literatuur had. Marten

[p. 360]

Brouwer, die in 1929 te Leeuwarden was geboren, was een zoon van dr. Jelle Brouwer, die in het begin van de oorlog als adjunct-bibliothecaris bij de Buma-bibliotheek werkte, waar - zoals eerder werd vermeld - de vader van Wim Hijmans bibliothecaris was. Nadat Marten Brouwer in het najaar van 1941 - in verband met de benoeming van zijn vader tot hoogleraar Fries en Gotisch aan de Rijksuniversiteit van Groningen - naar die stad was verhuisd, werd hij leerling van het Praedinius Gymnasium aldaar. Aan het contact tussen hem en Wim Hijmans was intussen met de verhuizing geen einde gekomen: ze bleven elkaar geregeld bezoeken en hielden verder een drukke correspondentie bij.

Uit deze correspondentie blijkt hoezeer beide vrienden uitzagen naar een mogelijkheid om te publiceren. Naar aanleiding van een voorstel van de toen twaalfjarige Marten Brouwer - hij was evenals Wim Hijmans lid van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie (njn) -, om getypte opstellen over natuurkundige onderwerpen rond te sturen, schreef Hijmans hem op 28 oktober 1941: ‘[...] is de kring van lezers van die getikte opstellen wel zo groot, dat we daarmee kunnen volstaan? Zou een tijdschrift niet veel doelmatiger zijn? M.i. wel! Maar nu de grote vraag: hoe komen we aan voldoende abonné's? Want hét ideaal zou zijn, om te laten drukken bij de een of andere uitgeverij, maar dan moeten we natuurlijk kunnen betalen! En zelf ben ik niet zo

illustratie
Wim Hijmans met zijn ouders en zuster Janie.

[p. 361]

goed bij kas! [...] Dat is nog de enige, voor mij duistere zaak. Lukte ik [het], dan zou ik, mee door jouw toedoen gekomen zijn tot mijn ideaal: zelf redacteur van een blad te zijn. Wel is er een spreuk: “Waar een wil is, is een weg,” maar bij mij wàs de wíl er, tot nog toe de wég echter niet.’4

Uit andere brieven blijkt dat Wim Hijmans in deze periode bezig was een boek te schrijven, getiteld ‘Die winter is verghangen’ en gewijd aan ‘vogels, planten en mensen van Friesland’,5 waarna hij in 1942 begon aan het schrijven van een ander boek onder de titel ‘De dood in de natuur’. Marten Brouwer van zijn kant hield zich in het najaar van 1942 bezig met het bestuderen van de geschiedenis van de Friese kloosters. Op 11 oktober 1942 schreef Hijmans hem hierover: ‘Nu heb ik je een voorstel te doen. Jij bent dus bezig met de kloostergeschiedenis van Friesland, en, zoals ik uit je brief (toch niet verkeerdelijk?) begreep, wil je daarover ook een werkje schrijven.’

Hijmans vervolgde: ‘Schrijf me nu eerst eens, hoe je het denkt in te delen, net als ik met het mijne hiervoor deed. Laten we dan beiden “naarstiglijk” aan 't werk gaan, en schrijven. Wanneer ik dan een hoofdstuk af heb, stuur ik het jou, om door te lezen, en er op[-] en aanmerkingen bij te maken. Jij doet dat met het jouwe aan mij. Goed? Schrijf maar gauw, want ik verlang naar 't antwoord.’6

Ruim twee weken later - op 29 oktober - schreef Wim Hijmans aan zijn vriend: ‘Jij vindt het lezen van kronieken een tijdrovend werk. Dat ben ik met je eens, maar toch is het de moeite waard! Ik heb er ook ontzettend tijdrovend werk tussen zitten, maar toch doe ik het ook, om de eenvoudige reden, dat het onmisbaar is.’7

Fokke Sierksma

Had Wim Hijmans al in de herfst van 1941 aan Marten Brouwer geschreven over zijn ideaal ‘zelf redacteur van een blad te zijn’, dit ideaal kwam tweeëneenhalf jaar later - in het voorjaar van 1944 - opnieuw ter sprake tijdens zijn ontmoetingen met Gerrit Meinsma. Ook Meinsma klonk de mogelijkheid een eigen tijdschrift op te richten, als muziek in de oren, niet alleen omdat hij dan de kans zou krijgen zijn eigen gedichten te publiceren, maar ook omdat het blad in strijd met de voorschriften van de Kultuurkamer zou verschijnen en dus in principe tegen de Duitsers zou zijn gericht. Meinsma sprak hierover vervolgens met zijn zeven jaar oudere vriend Fokke Sierksma, die adjunct-bibliothecaris van de Buma-bibliotheek was en die enthousiast op de plannen van Hijmans en Meinsma reageerde.

[p. 362]

Fokke Sierksma (1917-'77) was te Dantumawoude (gemeente Dantumadeel) in de omgeving van Dokkum geboren als zoon van een garagehouder. Hij kwam uit een orthodox Nederlands-Hervormd milieu. In Sierksma's sterk autobiografische roman Grensconflict - waarvan in 1948 onder het pseudoniem Frank Wilders de eerste druk verscheen en in 1970 onder Sierksma's eigen naam de tweede druk - herinnert de ik-figuur zich het dorpskerkje uit zijn jeugd: ‘De muren zijn witgepleisterd. Het orgel speelt traag en traag zingen de mensen. Moeder houdt even op met zingen, kijkt naar mij en glimlacht. Als het stil is, staat wit en zwart in de verte de dominee. Van zijn woorden begrijp ik niets, maar ergens is God en dat geeft een diep en donker gevoel.’8

Sierksma bezocht in zijn jeugd eerst de mulo in Dokkum en later - op aanraden van de plaatselijke predikant - het Gereformeerd Gymnasium in Huizum, een dorp dat thans tot de gemeente Leeuwarden behoort maar toen nog zelfstandig was. Na het behalen van het gymnasiumdiploma ging Sierksma aan de Universiteit van Groningen theologie studeren, waarbij een belangrijke overweging was dat de theologiestudie minder geld kostte dan andere universitaire opleidingen. Hoewel hij in zijn studententijd nog wel belijdenis aflegde, maakte hij zich kort daarna van de kerk los. Een van zijn hoogleraren in Groningen was de godsdienstfenomenoloog dr. Gerardus van der Leeuw - in het eerste naoorlogse kabinet zou hij minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen worden -, die met zijn inspirerende colleges een diepe indruk op hem maakte.

In deze periode begon Sierksma gedichten te schrijven, waarvan hij er een aantal stuurde aan de redactie van het Groningse studentenblad Der Clercke Cronike. Een van deze gedichten was ‘Afsluitdijk’, gepubliceerd in het nummer van 30 januari 1937 van dit blad onder de schuilnaam cyriacus th.:

 
de lucht en de zee zijn een stemming in grijs.
 
monotoon zingen motor en wind een droeve wijs.
 
 
 
mijn ene hand ligt dwaas alleen op 't stuur;
 
exacte kilometers vullen een ontnuchterd uur.
 
 
 
waarom houdt jouw hand mijn andre nog vast?
 
onze lichte liefde werd immers een last...
[p. 363]
 
straks zullen we koel uit elkander gaan
 
en de slag van 't portier zal het einde slaan...
 
 
 
we racen zonder spraak en wil naar grijze landen,
 
waar rode lichten dreigend branden.
 
 
 
de lucht en de zee zijn een stemming in grijs.
 
langs de ruit fluit de wind een schrille wijs.9

In juni 1939 werd Fokke Sierksma redacteur van Der Clercke Cronike. Nog geen jaar later - in het nummer van 17 mei 1940 van dit blad - werd meegedeeld, ‘dat als Redacteur van der Clercke Cronike ontslag heeft aangevraagd de Heer F. Sierksma’.10 Het is waarschijnlijk dat dit opgeven van het redacteurschap verband hield met de bezetting van ons land door de Duitsers.

In het najaar van 1941 - Sierksma had enige jaren daarvoor met goed gevolg het kandidaatsexamen theologie afgelegd, maar de oorlog bracht hem ertoe zijn studie te onderbreken - werd hij door het provinciaal bestuur van Friesland benoemd tot adjunct-bibliothecaris van de Buma-bibliotheek in Leeuwarden. Hij was de opvolger van dr. Jelle Brouwer, die - zoals we gezien hebben - kort daarvoor hoogleraar aan de Groningse universiteit was geworden. Sierksma ging in Leeuwarden op kamers wonen. Enige tijd later vond hij onderdak in het zogenaamde Mienskipshûs - het vroegere centrum van de Jongfryske Mienskip, een door de culturele voorvechter Douwe Kalma opgerichte groep in de Friese beweging -, dat gelegen was aan de Raadhuisstraat te Huizum en dat door de Friese dichter Douwe Tamminga en diens vrouw werd bewoond. Omdat Tamminga eind 1943 besloot te verhuizen, kreeg Sierksma plotseling de kans het hele huis te betrekken: in januari 1944 trouwde hij met Sjouk Tjepkema, die hij begin 1938 tijdens een studentenfeest in Groningen had ontmoet en die intussen lerares koken en voedingsleer te Winschoten was geworden, en ging het jonge paar in het Mienskipshûs wonen.

Als adjunct-bibliothecaris van de Buma-bibliotheek had Sierksma kort daarvoor Gerrit Meinsma leren kennen, die - zoals eerder werd vermeld - zich in die tijd voorbereidde op het staatsexamen gymnasium en die in de Buma-bibliotheek geregeld boeken over de klassieke literatuur kwam lenen. Hun contacten beperkten zich in het begin tot gesprekken over allerlei klassieke schrijvers, maar al snel spraken zij ook over hun favoriete Nederlandse dichters, onder wie met name Marsman een belangrijke plaats innam. Via Gerrit Meinsma kwam Sierksma hierna ook in contact met diens vriendin Corrie van der Noord.

[p. 364]

Juist in deze tijd ontstond de gewoonte in Sierksma's vriendenkring om geregeld bijeen te komen om met elkaar over culturele onderwerpen te spreken. Vaak ontmoetten ze elkaar in het huis van Meinsma's vriend Jan van Male, maar ook wel bij anderen, onder wie Sjouk en Fokke Sierksma. Er werd poëzie voorgelezen, vooral van door de Duitsers verboden dichters. Corrie van der Noord herinnert zich: ‘Daar heb ik voor het eerst gemerkt wat literatuur was.’ En: ‘Die avondjes waren openbaringen.’ Gerrit Meinsma vertelde dat Sierksma tijdens die culturele samenkomsten het boek Wegen en grenzen (1932) van zijn bewonderde hoogleraar dr. G. van der Leeuw besprak, ‘omdat dat de hele cultuur in zo'n breed kader zette.’ Jan van Male herinnert zich over Sierksma: ‘Die las eens een keer Slauerhoff voor tijdens een daverend onweer. Dat was zeer indrukwekkend. En dan die dreiging van de oorlog op de achtergrond.’11 Op deze bijeenkomsten werd overigens niet alleen over literatuur gesproken, maar ook over muziek, waarbij vooral aan jazz veel aandacht werd besteed. Jan van Male vertelde over een avond waarop hijzelf een lezing over Chopin hield, waarna een meisje stukken van deze componist op de piano speelde: ‘Diezelfde avond is er een enorme bom gevallen ongeveer drie straten verder. Dat gaf een grote consternatie.’

Fokke Sierksma, die ouder was dan de anderen en al verscheidene jaren aan de universiteit had gestudeerd, maakte op zijn jonge vrienden een grote indruk. Corrie van der Noord merkte over hem op: ‘Fokke was voor mij iemand die ontzaglijk op een voetstuk stond. Hij was gewoon iemand uit een andere wereld.’ Daarbij kwam dat sommigen vermoedden dat Sierksma betrokken was bij de illegaliteit, hoewel daarover verder niet gesproken werd.

In het huis van de Sierksma's werden inderdaad geregeld bijeenkomsten gehouden van illegale werkers, terwijl ook koeriersters en andere verzetsmensen er vaak een schuilplaats vonden. Een van deze verzetsmensen was Pieter Miedema, die predikant was in Drachtstercompagnie en Rottevalle en die betrokken was bij het doen onderduiken van joden en geallieerde piloten; enkele dagen nadat de Sierksma's getrouwd waren, dook hij in hun huis onder. Pieter Wijbenga, die in die tijd een van de leiders was van de Friese kp - de organisatie van knokploegen die overvallen pleegden, sabotage-acties uitvoerden en op allerlei andere manieren deelnamen aan het gewapend verzet -, vertelde over zijn koerierster Tiny Mulder, die ongeveer zeventig geallieerde piloten geholpen heeft onder te duiken en die na de oorlog bekendheid kreeg als dichteres: ‘Die koerierster, die moest op een bepaald moment in Huizum onderdak hebben. Nou, die kon zo bij Fok-

[p. 365]

ke Sierksma terecht.’12 Bovendien wist Sierksma ook de Buma-bibliotheek in te schakelen voor het illegale werk. Mevrouw Sjouk Sierksma-Tjepkema herinnert zich: ‘Er waren van die holle boeken, waar ze papieren in konden stoppen. Die stonden mooi in de Buma-bibliotheek opgeborgen.’13

Bij zijn werk in de illegaliteit werkte Fokke Sierksma in die tijd samen met Pieter Kalma, die in dezelfde buurt woonde. Kalma, die als getuige bij het huwelijk van Sjouk en Fokke Sierksma was opgetreden, kwam geregeld - in het laatste oorlogsjaar zelfs dagelijks - bij hen langs.

Pieter Kalma was in 1917 geboren te Jellum, een dorp ten zuidwesten van Leeuwarden in de gemeente Baarderadeel. Toen hij twaalf jaar was, verhuisden zijn ouders naar Leeuwarden, waarna hij het Gereformeerd Gymnasium in Huizum bezocht. In het eerste en tweede schooljaar zaten Fokke Sierksma en hij in dezelfde klas; omdat Pieter Kalma de tweede klas moest doubleren, kwam hieraan een einde. Kort hierna - Pieter Kalma had intussen de poëzie van A. Roland Holst en Marsman ontdekt - schreef hij zijn eerste gedichten. Nadat hij in 1937 het gymnasiumdiploma behaald had, ging hij in Utrecht rechten studeren. In september 1939 werd hij opgeroepen voor militaire dienst; zijn diensttijd bracht hij grotendeels door in Alkmaar bij het Depot Luchtdoelartillerie. Nadat hij in juli 1940 uit krijgsgevangenschap was ontslagen, ging hij weer in Utrecht studeren, waar hij met goed gevolg het kandidaatsexamen aflegde. Omdat hij weigerde de ‘loyaliteitsverklaring’ te tekenen, keerde hij in 1943 terug naar Leeuwarden, waar hij opnieuw Fokke Sierksma ontmoette. Bij de Sierksma's thuis leerde hij in 1944 een nicht van Sjouk Sierksma-Tjepkema, Sjouk Schregardus, kennen, met wie hij later zou trouwen.

De oprichting van Podium

Tijdens een van zijn gesprekken met Gerrit Meinsma over de oprichting van een nieuw tijdschrift stelde Fokke Sierksma voor het blad Podium te noemen en het batig saldo ervan te bestemmen voor het werk van de illegaliteit: beide voorstellen werden door Gerrit Meinsma en Wim Hijmans met instemming begroet. Bovendien werd afgesproken dat het blad - indien dit in verband met de oorlog mogelijk zou zijn - voorlopig om de drie maanden zou verschijnen: in juni, september en december 1944 en maart 1945. Ook andere vrienden werden van de plannen op de hoogte gesteld en uitgenodigd mee te werken. Voor het drukken van het tijdschrift werd hierna contact gezocht met de handelsdrukkerij Friso te Leeuwarden.

[p. 366]

Verder werd besloten dat de redactie van Podium zou bestaan uit Corrie van der Noord, Wim Hijmans en Gerrit Meinsma, terwijl Hijmans tevens als redactiesecretaris zou optreden. Dat de redactie uit deze drie personen bestond, kan worden afgeleid uit een tweetal brieffragmenten. Op 31 augustus 1944 schreef Wim Hijmans aan zijn vriend Marten Brouwer over de poëzie van een Groningse dichter: ‘Wat gaat Alsema vooruit! Doe hem mijn gelukwensen en zeg hem dat hij zo tegen begin December eens wat voor het Decembernummer moet sturen, maar dan voor de rest van de Redactie onder een andere schuilnaam, want deze wekt té beroerde gedachten op bij hen.’14 Uit de keuze van het woord ‘hen’ kan worden geconcludeerd dat er eind augustus behalve Hijmans nog minstens twee andere redacteuren waren. Meer nauwkeurige informatie hierover is te vinden in een brief die Hijmans op 8 februari 1945 aan Brouwer schreef: ‘Morgenavond (Vrijdag) is er een Redactievergadering ten mijnen huize, van de schone Redactie Cornot-Nisla-Whimpysinger.’15 Zoals later duidelijk zal worden, werden met deze drie pseudoniemen achtereenvolgens Gerrit Meinsma, Corrie van der Noord en Wim Hijmans bedoeld. Vooral omdat het onwaarschijnlijk is dat er andere personen deel uitmaakten van de redactie - aanstonds zal blijken dat Fokke Sierksma aanvankelijk geen redacteur was -, kunnen we aannemen dat Hijmans in zijn brief van eind augustus 1944 met ‘hen’ Corrie van der Noord en Gerrit Meinsma bedoeld heeft. De veronderstelling ligt voor de hand dat twee maanden eerder - toen Podium begon te verschijnen - de redactie zal hebben bestaan uit Corrie van der Noord, Wim Hijmans en Gerrit Meinsma.

Dat Fokke Sierksma in het begin geen redacteur van Podium was, kan worden afgeleid uit enkele brieven in de Friese taal die hij in die tijd schreef aan Marten Brouwer. Fokke Sierksma, die Marten Brouwer via diens vader kende, schreef hem in een ongedateerde brief - waarschijnlijk in september 1944, zoals uit enkele gegevens in de brief kan worden opgemaakt -: ‘Jister sach ik by jimme Heit, det it nije nûmer fen Podium der is. My tinkt, dou scilst wol nûmers to keap hawwe. Wolst ien for myn [my] klear lizze, den helje ik it joun foar achten efkes op.’16 (‘Gisteren zag ik bij jullie Vader, dat het nieuwe nummer van Podium er is. Ik denk dat je wel nummers te koop zult hebben. Wil je er een voor mij klaarleggen, dan haal ik het vanavond voor achten even op.’) En in een andere, eveneens ongedateerde brief: ‘Dy fersen dystou my jown hast, haw ik lêzen fensels. En do haw ik se oan de heer Hymans junior jown “ter beoordeling”. De redactie moat mar útmeitsje eft hja der gûn fen opnimme wol en hofolle. Dèr scil yn elts

[p. 367]

gefal oer praet wirde, bigriep ik wol fen Wim.’17 (‘De verzen die je me gegeven hebt, heb ik natuurlijk gelezen. En daarna heb ik ze aan de heer Hijmans junior gegeven “ter beoordeling”. De redactie moet maar uitmaken of zij er enkele van opnemen wil en hoeveel. Er zal in elk geval over gepraat worden, begreep ik wel van Wim.’) Overigens speelde de oudere Fokke Sierksma op de achtergrond wel een stimulerende rol. Intussen moet ook bij Podium - zoals bij andere jongerentijdschriften in de oorlogsjaren - in het oog worden gehouden, dat alles nogal spontaan gebeurde en dat niet steeds een duidelijk onderscheid werd gemaakt tussen redacteuren en - min of meer vaste - medewerkers.

Ten aanzien van de verspreiding van het nieuwe tijdschrift was duidelijk dat hierbij in de eerste plaats zou moeten worden gezocht naar literair geïnteresseerde en politiek betrouwbare abonnees in Leeuwarden en omstreken. Daarnaast suggereerde Wim Hijmans om zijn vriend Marten Brouwer, die - zoals we gezien hebben - in Groningen woonde, te vragen de verspreiding van Podium in die stad op zich te nemen en daar eventueel ook medewerkers te zoeken.

Marten Brouwer, die toen vijftien jaar was, bleek daartoe graag bereid. Hij vertelde hierover in 1985: ‘Ik vond dat een prachtig plan en ik heb dat geheel op eigen houtje - als iets illegaal is, dan moet je zo weinig mogelijk mensen ervan vertellen - dus buiten mijn ouders om heb ik toen op mij genomen om dingen in Groningen te doen en met name dus abonnees te werven.’18 Hij zocht deze vooral onder zijn kennissen en onder de leraren en leerlingen van zijn school, het Praedinius Gymnasium. Op zondag 25 juni 1944 schreef hij aan Wim Hijmans: ‘Het is nu zover, dat ikje het aantal gewonnen abbonés [abonnees] kan meedelen. Mijzelf meegerekend zijn het er 10, maar ik hoop nog wel heel wat losse nummers te kunnen verkopen, dus neem maar flink wat mee (of stuur je het?). Alleen nog wel dit: Je kunt veel beter weinig goeds dan veel slechts hebben. Hiermee bedoel ik dit: krimp liever de omvang wat in dan dat je de rest opvult met producten van minder allooi. Ik hoor van F. Sierksma, dat je er ook eigen verzen in denkt te plaatsen, en zijn oordeel over je werk was niet ongunstig. Ik ben er erg benieuwd naar. Ik heb gisteravond een hele poos met hem zitten praten, en heb gehoord dat je, met de nodige taken, over bent. Gefeliciteerd.’19

Drie dagen later - op woensdag 28 juni - antwoordde Wim Hijmans aan Marten Brouwer: ‘Allereerst mijn intense dank voor de 9 nieuwe abonné's. Kerel! Jij bent nog eens iemand waar we wat aan hebben!’

Hijmans schreef verder: ‘Hier is dan het eerste nummer. In vele op-

[p. 368]

zichten valt het tegen. Ik zou zeggen, kom daar eens over praten.’ Hieruit kan worden geconcludeerd dat de eerste aflevering van Podium kort vóór of op 28 juni 1944 verschenen is.

Hijmans merkte in deze brief ook op: ‘Zou je aan niemand willen zeggen dat er werk van mij instaat? Ik wil dit absoluut geheim houden. Bovendien is het gevaarlijk. Je snapt wel wat van mij is, en als je het niet snapt is het ook niet erg.’20

De eerste aflevering

Het eerste nummer van Podium, dat op de drukkerij Friso met de hand gezet was, had een crème-kleurig omslag, waarop alleen de naam van het tijdschrift was vermeld. Het nummer telde twintig pagina's in octavo-formaat en bevatte uitsluitend poëzie.

De eerste aflevering opende met een reeks gedichten van Gerrit Meinsma, die zich hierbij achter het pseudoniem G. Cornot verborg. In deze schuilnaam waren de aanvangsletters van de naam van zijn geliefde, Corrie van der Noord, opgenomen. Aan het eerste vers had Cornot de titel ‘Afscheid’ gegeven:

 
Met luiken sluit ik mijn huis voor het licht,
 
heb het laatste leven verbannen.
 
Hol klinken mijn stappen in donkere gangen.
 
Ik heb mijn laatste ronde verricht.21

Een ander gedicht van Cornot is getiteld ‘Cactus’:

 
Enkling, groene stekel
 
In de tuin.
 
 
 
Immer lege, steeds weer
 
Bloemenkale pennenkruin.22

Hierna werd een drietal gedichten van Fokke Sierksma gepubliceerd, waarvoor achtereenvolgens de schuilnamen J. van Dockum - een verwijzing naar de stad waar Sierksma een deel van zijn jeugd had doorgebracht - en Johnny gebruikt werden. Het eerste van deze gedichten was ‘S.O.S.’, een iets gewijzigde versie van een vroeger vers van Sierksma, dat in april 1937 in het Groningse studentenblad Der Clercke Cronike was verschenen:23

[p. 369]
 
God
 
deze angst
 
is niet te dragen.
 
Een rood signaal
 
dat danst
 
op wilde vlagen
 
in de grenzeloze nacht.
 
Ik weet niet
 
waar ik vluchten moet
 
voor 't staag gehamer
 
van mijn bloed.
 
Wie scheurt de vaalheid
 
dezer nacht.
 
God,
 
deze wacht...24

Van Pieter Kalma, Sierksma's vriend uit de illegaliteit, werden vervolgens onder het pseudoniem Theophiel van der Swet twee verzen opgenomen. Over dit pseudoniem - het aan het Grieks ontleende Theophiel wees op gevoelens van liefde tot God - vertelde Kalma, die in een gereformeerd boerenmilieu is opgegroeid: ‘Ik ben altijd een heel vroom jongetje geweest in mijn jeugd. Het is dus eigenlijk meer een weerom kijken naar mijn jeugd. De naam Van der Swet ook. De Zwette, dat is de Sneeker trekvaart, die liep achter onze landerijen.’25 Een van de - in het eerste nummer van Podium gepubliceerde - verzen van Theophiel van der Swet was ‘Vioolconcert van Joh. Brahms’:

I
 
Hier nadert statig stil
 
De moegezongen romantiek -
 
Haar huivering die door de stilte waart
 
Geleidt de zang van een verweende snaar
 
Die, aarz'lend nu en dan
 
Langs het ravijn van onze diepten gaat...
II
 
Dan boeit zij ons als met een eeuwenoud verhaal,
 
't Is of zij het in lange strophen zegt
 
Hoe vaak een man zijn leed om 't nooit bereikte ideaal
 
In schoonheid drenkt...
[p. 370]
III
 
Natuur rondom wordt blij verrast
 
Wanneer opeens een snikkend hart
 
Door hoop gesterkt met vreugdezang
 
Den eigen boezem tart.26

Ook Corrie van der Noord werkte aan dit eerste nummer mee met een reeks gedichten. Zij koos hiervoor de schuilnaam C. Nisla, waarbij zij verwees naar het feit dat zij een nicht van Slauerhoff was en bovendien een afkeer had van geweld (‘niet slaan’). Haar poëtische bijdrage opende met de cyclus ‘Debet - credit’, waarvan het slotgedicht luidt:

 
In sommige ogen
 
meen ik iets te vinden
 
van waarnaar ik eens terug zal gaan.
 
 
 
Maar waarom leidt het verlangen
 
om nu al samen te gaan
 
juist tot ‘voortbestaan’?
 
 
 
Mijn enige hoop is dat eens
 
alle stof teniet wordt gedaan.27

Ten slotte werden van Wim Hijmans vier gedichten - waaronder twee kwatrijnen - in dit eerste nummer van Podium opgenomen. Hijmans gebruikte hierbij het pseudoniem Whimpysinger, waarbij hij door de naam van een van de personages - evenals hijzelf leerling van een middelbare school - in Bordewijks bekende roman Bint (1934) zal zijn geïnspireerd. Het eerste gedicht is getiteld ‘Menuetto’ en heeft als opdracht ‘voor jou’:

 
Het matte aanschijn van de maan valt door de hoge ramen
 
waar in het licht van enkele kaarsen in een kroon
 
de menuet gedanst wordt door ons samen,
 
die met veel anderen naar dit feest toekwamen,
 
en enkel klinkt der dansmuziek gedragen toon.
 
 
 
Ik zie de mensen statig gaan, alleen, bij paren,
 
ik zie hun buigen en hun gangen stil belicht.
 
Ik zie hoe zij zich - kort slechts - langs de wanden scharen
 
en dan een buigend ogenblik naar 'n ander staren:
 
in vreemde ogen spiegelt zich verwrongen hun gezicht.
[p. 371]
 
Dan dansen zij weer verder, veel figuren,
 
en evenveel verlangens naar een ver geluk.
 
De flakkerende lichten werpen schimmen op de muren,
 
als van de dansenden verkilde karricaturen [karikaturen]:
 
de schaduw van mijn mond raakt jou als ik mij buk...
 
 
 
Ik denk, jij bent de enige met wie ik steeds wil dansen
 
mijn leven lang diezelfde zachte menuet;
 
misschien worden wij oud, maar in je ogen glansen [glanzen]
 
nu lichten van je jonge jeugd - verlangend door alle transen
 
te gaan, die door brillanten van mijn liefde werden afgezet.
 
 
 
Ik zag het statig gaan van vele jonge paren,
 
hun gave gang werd door een enkele kaars belicht...
 
Ik zag: hoe zij zich even langs de wanden scharen,
 
en buigend langs een vreemde dame staren -
 
zij dromen nog, maar jij bent naast mij in een wonder licht.28

Over de eerste aflevering van Podium schreef Marten Brouwer op 4 juli 1944 aan Wim Hijmans: ‘Cornot hoogtepunten, maar soms niet hele-

illustratie
Wim Hijmans.

[p. 372]

maal gaf [gaaf]. Afscheid heel mooi.’ En verder: ‘v. Dockum S.O.S.: Ongeveer het gaafste en mooiste gedicht van het geheel. Ik kan het als 't ware geheel meevoelen. Zeldzaam mooi.’ En over ‘Menuetto’ van Whimpysinger: ‘Buitengewoon en verrassend. (Ik zou eigenlijk dit gedicht graag geschreven willen hebben evenals S.O.S.) Ook heel gaaf.’ Ten slotte schreef Brouwer over een van de andere verzen van Whimpysinger, getiteld ‘Oorlog’: ‘Aan dit gedicht herkende ik (behalve aan de naam) jou, of raad ik mis?’29

Het eerste nummer van Podium, dat in een oplage van honderd exemplaren gedrukt was, werd snel verspreid. De prijs voor een jaarabonnement van vier nummers was f 2,50, terwijl een los nummer f 1,- kostte. Op 10 juli schreef Wim Hijmans aan Marten Brouwer: ‘De 1e druk was in de dagen van Donderdag-Maandag daaropvolgende (de Maandag 3 Juli) weg. De oplage was 100 exemplaren. Onmiddellijk moest er een 2e druk op de pers gegooid worden. We hadden het ongeluk, dat de zetsels al vernietigd waren. Deze was Zaterdag 8 Juli klaar. Onmiddellijk is ook daarvan de expeditie en de verkoop begonnen (hiervan zijn er eveneens 100 exemplaren). De 1e druk leverde 51 abonné's op (tot nog toe). Je begrijpt dat we er nog veel meer nodig hebben. Mocht de 2e druk echter weer 50 opleveren dan zullen we met de resultaten zeer tevreden zijn.’ De tweede druk verscheen met de toevoeging op het omslag: ‘(2e ongewijzigde druk)’. Overigens was in deze herdruk een tweetal veranderingen aangebracht: een zetfout in een gedicht van Nisla (Corrie van der Noord) was gecorrigeerd en het gedicht ‘Vioolconcert van Joh. Brahms’ van Theophiel van der Swet (Pieter Kalma) was van plaats veranderd, waardoor ten onrechte de indruk ontstond dat het gedicht door Johnny (Fokke Sierksma) geschreven was.

In het vervolg van zijn brief schreef Hijmans: ‘Nu nog enkele opmerkingen over wat je over 't 1e nummer schreef. Dat je Cornot “soms niet helemaal gaaf” vindt vind ik een zeer zacht oordeel. Th. v.d. Swet wordt hier door sommigen niet begrepen. [...] Nisla: niet veel bijzonders al zit er wel geest in. De persoon in kwestie heeft wel “ziel”!’30

Een week later, op 17 juli, schreef Wim Hijmans aan Marten Brouwer: ‘Van het volgende nummer worden er minstens 300 gedrukt. [...] Ik kan je beloven dat Nisla en Cornot niet vertegenwoordigd zullen zijn. Ook zal Whimpysinger nooit meer verschijnen. Misschien wel eens een dubbelganger van hem, maar hoogstwaarschijnlijk niet voor het volgende nummer. Als het nog mocht gebeuren wordt het je nog bericht.’31

[p. 373]

Podium en de illegaliteit

Marten Brouwer, die intussen druk bezig was in Groningen en omgeving abonnees te werven, schreef op 25 juli aan Wim Hijmans: ‘Ik heb nogal wat geld, een gaf mij f 10 voor dichters uit je kring, die door omstandigheden v.h. tegenwoordige getroffen waren.’32 En op 30 juli: ‘Ik kreeg, zoals ik schreef, f 7.50 extra voor dichters in moeilijke omstandigheden door de oorlog: komt het ook goed terecht? Zeg het me eerlijk, het is principiëel [principieel] van groot belang dit te weten.’33

Op 1 augustus antwoordde Wim Hijmans hem: ‘De f 7.50 komen goed op z'n plaats. We hebben ettelijke van dergelijke klanten, en ook mensen die het kunnen gebruiken!’34

Zoals eerder vermeld, had Fokke Sierksma bij de oprichting van Podium gesuggereerd het batig saldo van het blad te bestemmen voor het ondergrondse verzet. Hijzelf was in het laatste oorlogsjaar betrokken bij de zogenaamde ‘Natura-commissie’, een illegale distributiedienst van voedselpakketten, bestemd voor allerlei mensen die er slecht aan toe waren en wier adressen hij van instanties als Maatschappelijk Hulpbetoon en het Leger des Heils gekregen had. Deze hulpverlening beperkte zich overigens niet tot illegale werkers. In zijn driedelig standaardwerk Bezettingstijd in Friesland (1970-'75-'78) schreef Pieter Wijbenga hierover: ‘Voor de voedselvoorziening der patiënten werd zelfs een speciaal bureau gevormd onder leiding van Fokke Sierksma. Het vet, dikwijls geroofd door de kp/nbs, werd omgesmolten in handzame pakjes, die langs de geëigende kanalen op de juiste adressen werden bezorgd - waartoe ook gezinnen van onderduikers behoorden. Daarnaast vonden ook andere versterkende middelen hun weg naar de juiste plaats.’35 Met ‘kp/nbs’ werden de Knokploegen/Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten bedoeld.

Mevrouw Sjouk Sierksma-Tjepkema vertelde over dit vet: ‘Dat was gesmolten in grote jutezakken. Dus dat kregen we in zulke grote klompen aan, met allemaal jutehaartjes en weet ik wat voor viezigheid erin. Dus dat moesten we op ons potkacheltje allemaal smelten en dan moest je het zeven.’ Voor de verdeling van het voedsel was een kaartregister aangelegd, dat door Pieter Kalma werd bijgehouden. Kalma: ‘Dagelijks moest iemand zich met dat kaartregister bezighouden en met die distributie en zo, en dat is de reden geweest dat ik elke dag bij Fokke langs kwam.’

Het is niet uitgesloten dat de opbrengst van Podium ten goede kwam aan deze hulpverlening, hoewel hierbij moet worden opgemerkt dat mevrouw Sierksma zich hiervan niets herinnert. Corrie van der

[p. 374]

Noord en Gerrit Meinsma, die deel uitmaakten van de redactie van Podium, verklaarden in 1982 dat ze niet wisten op welke wijze het batig saldo van het blad werd gebruikt voor het illegale werk. Pieter Kalma merkte hierover in 1985 op: ‘Dat heeft Fokke precies geweten, maar dat weet ik niet.’

‘De mens verandert iedere dag’

Zoals we gezien hebben, had Wim Hijmans op 17 juli 1944 aan Marten Brouwer geschreven dat hij ‘hoogstwaarschijnlijk’ niet aan het tweede nummer van Podium zou meewerken. Kort hierna veranderde hij van mening. Op 26 juli 1944 schreef hij aan Brouwer: ‘Wat vind je van onderstaand gedicht? Ik schreef het gisteren nadat ik van een orgelbespeling in de Grote Kerk van [door] George Stam thuisgekomen was. Solist was daar de 13-jarige jongenssopraan Dick Holscher (D.H.). Het was stampvol en ik was er met tegenzin heengegaan want ik heb een vreselijke afkeer van “wonderkinderen”. Maar het was prachtig. Ik dacht er over het in het volgende nummer te plaatsen.’36

Het gedicht dat Hijmans bij zijn brief voegde, is getiteld ‘Er weidet seine Heerde... (G.F. Händel)’ en heeft als opdracht ‘voor D.H.’:

 
Hoe zingt een kinderstem van het verlangen?
 
 
 
Ik had gezien, hoe deze dag verbitterd was begonnen -
 
O bloed, dat tot een donkere koralenstreng geronnen
 
herschittert in de zangen...
 
 
 
O God, dat boven alles nog een lied kan staan,
 
uit deze duisternis een traan glimlachend blinken...
 
 
 
Zo, zonder meer en willoos weg te zinken
 
en met de moede kudde naar Uw zangers gaan.
 
 
 
Blijf mij nabij tot ik de dood mag drinken
 
roerloos uit de vijver aan het eind der baan.37

In de eerder genoemde brief die Marten Brouwer op 30 juli aan Wim Hijmans schreef, merkte hij hierover op: ‘Händel. Tja, allereerst dit: onlangs schreef je me niets te zullen plaatsen in no. 2, en nu ben je verrukt van “Er weidet” en trekt je vorige besluit in. Denk aan wat Greshoff gezegd moet hebben: de mens verandert iedere dag, maar

[p. 375]

staat over 3 maand principiëel [principieel] afwijzend tegenover de mens van nu. Kan dan bij je maatstaf je werk van 3 maand terug stand houden, dan is het over het algemeen wel goed. Natuurlijk is deze tijd geen conditio sine qua non, maar er moet toch enige tijd over verlopen.’

Marten Brouwer schreef in dezelfde brief over de reactie van Fokke Sierksma op het gedicht: ‘Ik liet het den heer F.S. lezen, die enige van mijn bezwaren weerlegde, maar zei niet van zulk aesthetisme te houden. Ik vertaalde dit, door het te “uiterlijk” te noemen, hetgeen zijn goedkeuring kon weg dragen. Hij zei o.m.: bloed is niet poëtisch.

De uiterlijke vorm is dan ook mooi, b.v. regel 3 mooi van klank, r. 2 verbitterd - r. 4 herschittert e.d. De laatste regel is metrisch zeer storend: “roerloos uit vijvers” of iets derg. zou in dat opzicht beter zijn.

Mijn oordeel weet je nu. Plaats het niet in het 2de, misschien in het 3de. Maak dat laatste met jezelf uit, als er enige tijd over verlopen is. En stuur mij nog eens vaker wat van jou.’38

In de eerder genoemde brief die Wim Hijmans op 1 augustus aan Marten Brouwer schreef, merkte hij over de publikatie van het gedicht op: ‘[...] ik zal er nog eens tot het volgende nummer mee wachten. Echter ben ik niet met je eens dat het geval uiterlijk is, maar wel degelijk doorvoeld. Dat bloed niet poëtisch is vond ik een waarlijk originele zienswijze. Trouwens...! Al houdt de heer S. niet van zulk aesthetisme daarom kan het gedicht nog wel goed zijn! Enfin, we zullen zien!’39 Met de opmerking dat hij ‘er nog eens tot het volgende nummer’ mee zou wachten, bedoelde Hijmans kennelijk dat hij het gedicht niet in de tweede aflevering van Podium zou publiceren.

De kritiek van Peter Verhoeff

In die tijd maakte Wim Hijmans deel uit van een groepje vrienden en vriendinnen, die met elkaar literaire samenkomsten hielden, waarin over allerlei favoriete dichters werd gepraat. Tot dit groepje behoorde Marianne Guibal, die in 1927 te Leeuwarden geboren was en sinds enige jaren de Meisjes-hbs in die stad bezocht. Tussen Marianne Guibal en Wim Hijmans was een liefdesverhouding ontstaan.

Een van de vrienden van Marianne Guibal was Peter Verhoeff (geb. 1926), die in die periode leerling was van de Christelijke hbs in de Friese hoofdstad. Verhoeff was afkomstig uit een gereformeerd milieu, maar hij voelde zich al vroeg vervreemd van het geloof van zijn ouders. Toen hij zestien jaar was, begon hij verhalen en gedichten te

[p. 376]

schrijven. Enthousiast zocht hij contact met andere jongeren met wie hij over zijn literaire plannen kon praten. Peter Verhoeff: ‘De eerste was [...] Waling Dijkstra, [...] die eigenlijk een beetje dezelfde instelling had als ik: eigenlijk al dat gepieter met woorden, dat is niks, je moet op de Engelse manier schrijven. Goeie verhalen vertellen, daar gaat het in feite om.’40 Over zijn vriend Jan Waling Dijkstra vertelde Verhoeff: ‘Waling Dijkstra was een wilde, gretige jongen, een wat vreemde jongen ook.’

Peter Verhoeff, die in die jaren toneelstukjes schreef voor feesten van middelbare scholen in Leeuwarden, had ook een toneelstuk geschreven voor de Meisjes-hbs waarop Marianne Guibal zat. Wellicht vertelde zij hem over het bestaan van Podium. Daarop bood Verhoeff - waarschijnlijk via haar - twee van zijn gedichten ter plaatsing in dit tijdschrift aan, die vervolgens door de redactie werden geaccepteerd.

Dat Verhoeff overigens weinig enthousiast was over het beleid van de Podium-redactie, bleek uit een brief die hij met de aanhef ‘Geachte Heer’ en onder de schuilnaam Peter van den Burch op 24 augustus 1944 aan een van de redacteuren schreef. Na enkele kritische opmerkingen te hebben gemaakt over de inhoud van een deel van het eerste nummer, merkte Verhoeff op: ‘Ik begrijp niet goed wat de redactie wil. Het heeft toch geen zin om ons een illegaal blaadje op ons dak te sturen dat voor driekwart gevuld is met onzin?’

Verhoeff vervolgde: ‘Ik meen dat als Podium illegaal is, het ons ook zoveel moet brengen dat het die illegaliteit waard is!

En dat was het eerste nummer niet. Het gebrek aan relaties kan geen verontschuldiging zijn, beter niets, dan onzin.’

En verder: ‘Wat wil Podium?

Wij hoorden van een blad dat “nam wat kwam” en zonden in. Waarom heeft de redactie geen verantwoording in het eerste nummer geplaatst, niet gezegd naar welke maatstaven gemeten zal worden? niet gewaarschuwd tegen overhaaste inzending? Dat was eerste eis! Onzin wordt niet gerechtvaardigd door illegaliteit! Temeer daar mij ter oore kwam dat het de bedoeling is na de oorlog voort te gaan, lijkt het mij nodig dat er een verklaring v.d. redactie komt. Nogmaals: Wat wìl Podium?’

In het vervolg van zijn brief merkte Verhoeff nog op: ‘Ik zal de laatste zijn die bezwaar maakt tegen een “maar raak plaatsen” van het ingezonden werk, maar dan zal het publiek het blad blijven beschouwen als een “Podiumpje” in een schunnig theatertje, waar de debutanten hun smerige voeten afvegen en de modder achterlaten om met schone onderdanen de grote Podiën, de “echte” bladen, te beklimmen.

[p. 377]

Dit zal de redactie niet willen. Daarom moet er gewerkt worden, streng geselecteerd en critiek uitgeoefend worden. Natuurlijk moet ze van ons, jongeren, geen meesterwerken verwachten, maar wel eisen dat “er iets ìn zit”[.] Daar schijnt mij de taak van Podium te liggen.’41

Dezelfde dag waarop Peter Verhoeff deze brief schreef - 24 augustus -, schreef de in Amsterdam wonende dichter Adriaan Morriën aan Gerrit Meinsma: ‘Dank voor de toezending van de eerste aflevering van uw tijdschrift. Ik wil mij graag abonneeren, en verzoek u daarom mij uw gironr. bekend te maken, dan kan ik u de f 2.50 overmaken. Ik heb het op het oogenblik nogal druk om u uitvoerig over het verschenen nr. te schrijven of u copie van mijn hand te zenden. Maar ik hoop op een en ander nog terug te komen. Is het tweede nr. al op komst?’42

De medewerking van Hendrik de Vries

Intussen had Marten Brouwer aan de redactie van Podium verzen ingestuurd van de achtenveertigjarige dichter Hendrik de Vries, die geregeld bij de familie Brouwer op bezoek kwam.

Hendrik de Vries was in 1896 te Groningen geboren. Omstreeks 1920 werkte hij mee aan het literaire tijdschrift Het Getij, waarin geregeld expressionistische gedichten werden opgenomen. Ook de poëzie van Hendrik de Vries - onder meer verzameld in de bundels De nacht (1920) en Nergal (1937) - vertoonde expressionistische kenmerken. Daarnaast werd zijn poëzie sterk beïnvloed door het retorische taalgebruik van de negentiende-eeuwse dichter Willem Bilderdijk en door de Spaanse volkspoëzie.

Marten Brouwer deelde in 1985 over Hendrik de Vries mee: ‘Hij woonde in een soort tropisch oerwoud in huis, het was een soort broeikas met allemaal planten en zo.’ Brouwer vroeg De Vries om een bijdrage voor Podium en deze gaf hem toen twee gedichten die onder het pseudoniem I. de Getijer - een verwijzing naar zijn medewerking aan Het Getij - gepubliceerd mochten worden. Brouwer stuurde deze gedichten onder vermelding van De Vries' schuilnaam naar Podium, waarbij de werkelijke naam van de dichter verborgen bleef. Op 28 augustus 1944 berichtte Wim Hijmans aan Marten Brouwer dat een gedicht van De Getijer, dat met de woorden ‘Kind, geef mij mijn kroon weerom’ begon, door de redactie geaccepteerd was. Over een ander vers van De Getijer, beginnend met de woorden ‘Vier zwarte zusters’, schreef hij: ‘Verzoek: vier zwarte zusters omwerken, hebben

[p. 378]

[...] hierover geaarzeld.’43 En in de eerder genoemde brief van 31 augustus, eveneens aan Marten Brouwer: ‘De zusters van De Getijer zijn candidaten met veel kans voor het 3e nummer. Verzoek hem om meer copy - hij is iemand waar wat van te verwachten valt.’ En verder - kennelijk in antwoord op een opmerking van Brouwer -: ‘Moderne zakelijkheid in de wijze van uitdrukken mogelijkerwijze, maar het geheel doet wat “Romantisch” aan, waardoor het eerst ter zijde gelegd is.’ Nadat Brouwer vervolgens Fokke Sierksma had ingelicht over de ware identiteit van I. de Getijer en Sierksma deze informatie vertrouwelijk aan Gerrit Meinsma had doorgegeven - Wim Hijmans werd hiervan niet op de hoogte gesteld -, besloot de redactie toch diens gedicht op te nemen. Het zou in het derde nummer van Podium gepubliceerd worden.

In dezelfde brief van 31 augustus aan Marten Brouwer schreef Wim Hijmans: ‘Scherp criticus ben ik, fel, en ontmoedigend vaak voor werk van jonge mensen, die hun hoop en vertrouwen opsturen naar Podium, maar het met een sneer in de prullemand terecht zien komen. De redactie richt zich naar mij met de beoordeling. En dat is beroerd. Want zó fel wenste ik niet geweest te zijn - het zijn de gevolgen van het oude verhaal: hoe God soms de wegen van mensen die liefhebben anders laat lopen dan een van beiden het graag wilde. Ik hoop over het té scherpe van m'n critiek heen te komen.’

In het vervolg van zijn brief schreef Hijmans: ‘Tot onze spijt kunnen we de lieden geen hon. sturen: wel helpen we graag waar het nodig is maar we kunnen er geen liefdadigheidsinstelling van maken, naar je begrijpt.’

En verder: ‘Het 2e nummer is ter perse en verschijnt over een week of twee.’44

De tweede aflevering

Waarschijnlijk ruim een week later - wellicht op vrijdag 8 of zaterdag 9 september 1944 - schreef Wim Hijmans een ongedateerde brief aan Marten Brouwer, waarin hij opmerkte: ‘Hierbij de exemplaren van het nieuwe nummer die je toekomen. Tot mijn spijt heb ik bemerkt dat er van Bifrons toch maar drie zijn opgenomen terwijl ik naar ik meen schreef van vier.’ Uit de laatste zin blijkt dat het hier het verschijnen van het tweede nummer betreft, waarin inderdaad drie gedichten van Janus Bifrons werden gepubliceerd.

In het vervolg van zijn brief schreef Hijmans: ‘Let erop dat [er] voor de dichters en voor jou als harde werker een luxe-exemplaar is. In de

[p. 379]



illustratie
Omslag van de tweede aflevering van Podium.

[p. 380]

colophon staat vermeld voor wien het is.’ Ten slotte vroeg Hijmans aan Brouwer hem onmiddellijk de ‘behouden aankomst’ van het pakket te berichten: ‘In deze tijd v.h. grootste belang!’45

Op dinsdag 12 september berichtte Wim Hijmans vervolgens aan Marten Brouwer: ‘Bedankt voor je briefkaart. Ik ben blij dat alles nu in orde is. Ik zat er over in angst dat de boel niet aan zou komen. Losse nummers bleven op f 1.- p. stuk.’46 Als we ervan uitgaan dat Brouwer inderdaad ‘onmiddellijk’ de behouden aankomst van de Podium-nummers gemeld heeft, kunnen we aannemen dat het tweede nummer omstreeks 8 september 1944 verschenen is.

De tweede aflevering, die opnieuw twintig pagina's telde en uitsluitend poëzie bevatte, opende met een drietal gedichten van de ondergedoken Groningse theologiestudent Jan Groenewold, die het pseudoniem Janus Bifrons had gekozen. Met de naam Janus Bifrons - de Latijnse benaming van ‘Janus met het dubbele aangezicht’ - wilde Groenewold op speelse manier verwijzen naar het feit dat hij zichzelf was, maar tegelijkertijd was ondergedoken.47 Een van de gedichten van Janus Bifrons is getiteld ‘De ambtenaar’:

 
Ik haat het leven en ik haat de deugd,
 
en boven alles den ambtenaar,
 
die achter ons woont, met zijn suffe vreugd,
 
tevreden met zijn surrogaatsigaar.
 
 
 
Als ik zie, hoe hij zijn konijnen voert,
 
- en ik weet, dat hij zich niet-jood verklaarde -
 
dan voel ik, hoe moord in mijn ogen loert
 
en ik kots van de gezapigheid op aarde.48

Van Peter Verhoeff, die in augustus felle kritiek op het eerste nummer van Podium had uitgeoefend, werden onder de schuilnaam Peter van den Burch twee verzen opgenomen, waaronder een gedicht over de invasie in Normandië, getiteld ‘6 Juni 1944’:

 
Wie zal nu nog mijn lied verstaan?
 
Ik hoor het vloeken der kanonnen.
 
Zie! 't Brandt in Arromanches en Caen!
 
Liefste, nu is het toch begonnen!
[p. 381]
 
Ik zie de schepen, donk're groepen
 
tegen het strand van Quistreham [Ouistreham]:
 
Zie! Eind'lijk dalen valschermtroepen
 
in vuur en rook bij Carentan!
 
Hoor je mijn stem door de kanonnen?
 
Wees maar niet bang, hier is mijn hand.
 
Cherbourg en Deauville staan in brand...
 
Liefste, nu is het toch begonnen!49

Daarnaast werd in dit nummer ook een gedicht gepubliceerd van Marianne Guibal, de geliefde van Wim Hijmans. Haar gedicht, dat met het pseudoniem S. Eeker ondertekend is, heeft als titel ‘Onrust’:

 
Toen ik na lange tijd
 
Weer in die kleine kamer ging,
 
Was het, of ieder ding
 
Mij daar stil had verbeid.
 
 
 
Het eerst zag ik de boeken staan
 
En voor de kast de lage stoel,
 
De ogen zwierven verder zonder doel,
 
Rustten toen op open raam.
 
 
 
De zon ging net de wind verslaan,
 
En de geur van 't jonge leven
 
Werd er langzaam ingedreven...
 
 
 
.................................
 
En, nu, nu de ogen vandaar weer zijn,
 
Is 't in de kamer zo eng, zo klein.50

Verder werd in deze aflevering ook het gedicht van I. de Getijer (Hendrik de Vries) dat al door de redactie geaccepteerd was, opgenomen:

 
Kind, geef mij mijn kroon weerom.
 
Ik woon in donkere gebouwen
 
vol droefenis, - kom, o kom.
 
 
 
Vuur troost nu mijn kille schouwen,
 
verheldert mijn heiligdom;
 
hoogfeestelijk tooit zich de drom
 
der dienaars en statievrouwen.
[p. 382]
 
Ik wacht in hoop en vertrouwen,
 
met vorstelijk loon, - kom, o kom.
 
 
 
Voorwaar, 't zal U nooit berouwen; -
 
 
 
kind, geef mij mijn kroon weerom.51

Een opmerkelijke publikatie in het tweede nummer was verder het gedicht ‘Diewertje Diekema’ van Kees Stip, dat buiten medeweten van de auteur - hij zou er eerst na de oorlog van vernemen - in Podium verscheen.

Cornelis Jan Stip, van wie - zoals in het vierde hoofdstuk vermeld werd - in 1945 ook poëzie gepubliceerd zou worden in het Utrechtse blad Parade der Profeten, was in 1913 te Veenendaal (gemeente Ede) geboren. Nadat hij de hbs in Amersfoort had bezocht, was hij onder meer gelegerd in Kampen voor de opleiding tot reserve-officier. Daar las hij in 1933 het lange, romantische gedicht Mária Lécina - handelend over de liefde tot een Spaanse schone - van de dichter J.W.F. Werumeus Buning, dat één jaar daarvoor gepubliceerd was. In 1935 schreef Stip zich in aan de Utrechtse universiteit voor de opleiding klassieke talen. Hij werd er - evenals de biologiestudent en dichter Leo Vroman en de neerlandicus Max de Jong - lid van de studentenvereniging Unitas. Stip kende in die tijd Vroman - zoals hij in 1986 opmerkte - ‘vaag’,52 maar las wel de gedichten die deze in het tijdschrift van Unitas, Vivos Voco, publiceerde. Geregeld bezocht hij in die periode de bekende Utrechtse boekhandel Broese, waarvan Chris Leeflang directeur was en waar Stip onder meer een voordracht van de dichter Marsman bijwoonde. Nadat Stip het kandidaatsdiploma behaald had, werd hij in september 1939 in verband met de mobilisatie in militaire dienst geroepen. Tijdens de meidagen van 1940 vocht hij aan de Grebbelinie.

Na de capitulatie voor de Duitsers keerde Stip naar de Utrechtse universiteit terug, waar hij nog wel zijn studie in de klassieken voortzette, maar zich al spoedig ging verdiepen in het Sanskriet. In 1943 - alle reserve-officieren hadden intussen bevel gekregen zich aan te melden om in krijgsgevangenschap te worden weggevoerd - dook hij onder in het Veluwse dorp Kootwijkerbroek. Hij stond in die tijd in contact met enkele jonge cabaretiers, onder wie Hetty Blok en Wim Ibo, die hem vroegen liedjes voor hen te schrijven. Kees Stip vertelde in 1986 over zijn verblijf in Kootwijkerbroek: ‘Daar heb ik toen à bout portant - om iets te doen - “Diewertje Diekema” geschreven.’ Stip herinnert zich dat hij deze parodie op Mária Lécina van Werumeus Buning in ‘een dag of drie’ in het najaar van 1943 schreef. Stip: ‘Zonder

[p. 383]

ook maar het flauwste idee dat het misschien eens voor iets bijzonders zou kunnen worden gehouden, en dat is de mentaliteit waarin je - geloof ik - scheppend werk moet verrichten. Zo gauw als ze iets van je verwachten, wordt het al moeilijker.’

Het idee voor het schrijven van een parodie op Mária Lécina had Kees Stip kort daarvoor gekregen, toen hij aan het Schildmeer in Groningen verbleef. Stip deelde hierover mee: ‘Eigenlijk heb ik daar min of meer de inspiratie ervoor opgedaan, het is dus eigenlijk meer Gronings dan Fries. De oorspronkelijke Diewertje was ook met “ie”, wat een Groningse vorm is: Diewer en Diewertje.’

Nadat gebleken was dat zijn vrienden ‘Diewertje Diekema’ niet voor hun cabaret konden gebruiken, stuurde Stip zijn parodie begin januari 1944 toe aan de dichter Werumeus Buning te Amsterdam. Deze antwoordde hem in een ongedateerde brief - het poststempel vermeldt als datum: 12 januari 1944 - en met de aanhef ‘Waarde heer Stip’: ‘Toen ik hedenmorgen uw brief opende, vreesde ik dat er weer een persoon van het vrouwelijk of mannelijk geslacht was, die noodig moest weten of hij poezie [poëzie] schreef, of niet, en waarom niet, en hoe het dan wel moest. Maar ik ben nog nooit [met] zoo veel genoegen uit de rijen der Edelgermanen gestooten als door u.’ De opmerking over ‘de rijen der Edelgermanen’ was waarschijnlijk een ironische verwijzing naar de pogingen van de nationaal-socialisten hem bij de ‘Germaanse’ dichters in te lijven.

Werumeus Buning vervolgde: ‘Er waren al eenige parodieën, zelfs een uit Indië, maar deze is verreweg de beste, ik vind ze zelfs voortreffelijk, en ik heb in geen tijden zoo gelachen. Het goede is ook dat u een zeker “verhaal” hebt aangehouden, terwijl de anderen zoo maar in het wilde parodieerden. Ik vermoed dat men het a.s. zomer gaarne eens in een cabaret als van Cees Laseur zal voordragen; en het is ook zeker de publicatie waard. Als u voor een en ander voelt wil ik gaarne bemiddelen. En nu een vreemde vraag: u moet toch meer de poëtische pennehouder gehanteerd hebben? Die stieren in Dieren en wolven in Wolvega zijn b.v. lang niet mis. Als het zoo is, laat het mij dan eens weten, want het geval maakt mij nieuwsgierig.’53

Kort hierna bezocht Kees Stip in Amsterdam Werumeus Buning, die hem toezegde een uitgever te zullen benaderen in verband met publikatie. Dit leidde ertoe dat Stips parodie nog in 1944 in een clandestiene uitgave - typografisch verzorgd door de ontwerper Charles Nypels - onder auspiciën van Chris Leeflang werd gepubliceerd. Hierbij was de spelling van de naam ‘Diewertje’ veranderd in ‘Dieuwertje’. Stip herinnert zich dat dit op aandringen van Leeflang gebeurde: ‘Die

[p. 384]

zei: dat “Diewertje”, dat kan niet, dat accepteert niemand. Die ging ervan uit dat het woord “Diewertje” alleen maar behoorlijk leesbaar kon zijn, als er een “u” in stond, en zo kinderachtig ben ik dan niet, om daar aan te blijven hangen.’

Intussen was een aantal gestencilde exemplaren van de parodie in kleine kring verspreid.54 Eén van degenen die de tekst onder ogen kregen, was de Amsterdamse neerlandicus en publicist Fred Batten - Kees Stip kende hem in die tijd niet -, die ‘Diewertje Diekema’ in april 1944 naar de redactie van Podium stuurde. Zoals we gezien hebben, zou het toen nog enige maanden duren voordat het eerste nummer van dit blad zou verschijnen, maar Fred Batten in Amsterdam was van het voornemen een tijdschrift op te richten kennelijk al op de hoogte. Batten schreef aan de Podium-redactie: ‘Ik zend u hierbij ter verspreiding een kostelijke parodie op het zozeer overschatte “Maria Lecina” van de hand van een uwer landgenoten. Misschien zoudt u het in uw eerste nummer kunnen publiceren als een staaltje van Friese humor op zijn best!’55 Overigens was Kees Stip niet van Friese afkomst.

Op het oorspronkelijke typoscript, dat in het Podium-archief bewaard gebleven is, was met potlood de inleidende tekst geschreven: ‘Deze parodie op het schone, hoewel “zeer overschatte Maria-Lecina” van Werumeus Buning werd ons door één onzer medewerkers ter opneming toegezonden. De Redactie meende, ditmaal een parodie op te mogen nemen, hoewel dit eigenlijk een litterair blad niet past.’56 Deze inleidende tekst was in het nummer zelf ingekort: ‘Onderstaande parodie op Maria Lecina van J.F. [J.W.F.] Werumeus Buning werd ons door één onzer medewerkers toegezonden.’57

Onder de titel ‘Diewertje Diekema’ werd vermeld: ‘Een lied in ruim dertig verzen zonder refrein, onfatsoenlijke strekking of Spaanse woorden.’58 In feite telde ‘Diewertje Diekema’ slechts negenentwintig kwatrijnen, waardoor de parodistische kracht nog versterkt leek te worden. J.W.F. Werumeus Buning had immers in zijn boek Een ontmoeting met vreemde gevolgen (1938) opgemerkt dat hij in zijn Mária Lécina met als ondertitel ‘Een lied in honderd verzen met een zangwijs’ slechts negenennegentig strofen had opgenomen, om daarmee ‘een bekend Nederlandsch criticus’59 tot enige malen natellen uit te nodigen. Overigens telde Mária Lécina in werkelijkheid niet negenennegentig, maar honderdenéén strofen.60 Kees Stip deelde in 1986 over dit ‘grapje’ van Werumeus Buning mee: ‘Dat heeft Buning mij verteld, daar had hij vreselijk veel plezier om, en dat grapje heb ik doorgezet, door hier ruim dertig verzen van te maken, terwijl het er maar negenentwintig waren.’

[p. 385]

In het tweede nummer van Podium werd ‘Diewertje Diekema’ gepubliceerd zonder vermelding van auteursnaam. Een fragment uit het gedicht waarin beschreven wordt hoe het barmeisje Diewertje door een dronken schipper wordt belaagd, luidt:

 
Diewertje Diekema sloeg aan het gillen
 
en riep: ‘Mijnheer, kom mij niet te na,
 
blijf met permissie van mijn billen
 
want zoo meteen dan komt mijn pa’.
 
 
 
Wie heeft afgerekend met het leven,
 
en lacht om de Dood van Pierlala,
 
die heeft nog geen reden om te lachen
 
om den pa van Diewertje Diekema.
 
 
 
Honderd stieren in Dieren doen Dieren tieren,
 
en tweehonderd wolven Wolvega,
 
maar geen stier kan zo met z'n vieren tieren
 
als de pa van Diewertje Diekema.
 
 
 
Hij greep den schipper bij zijn lurven
 
en schudde hem als een tombola,
 
en smeet hem tweemaal tegen de tapkast
 
en driemaal tegen de toonbankla.
 
 
 
Toen hief hij hem op met beide armen
 
en slingerde hem door het bovenraam,
 
hij rolde buiten van de stoep af,
 
en lag in de goot als in het graf.
 
 
 
In Huizen suizen de lichtgasbuizen
 
en de waterleiding in Amsterdam,
 
maar geen buis kan zoo in het duister suizen,
 
als het suisde in zijn hersenpan.61

Tot de andere gedichten die in deze aflevering van Podium werden gepubliceerd, behoorden het vers ‘April 1944’ van P.W.G. - het pseudoniem van Thijs van Veen, wiens ouders bevriend waren met de familie Brouwer; tussen 1961 en '68 zou hij hoofdredacteur van het dagblad Het Vrije Volk zijn -, een tweetal verzen van Gerrit Meinsma onder de schuilnaam Wim van der Linden, een gedicht van C. Nisla (Corrie van

[p. 386]

der Noord) en twee gedichten van Theophiel van der Swet (Pieter Kalma). Van de redacteur Wim Hijmans werd het vers ‘Er weidet seine Heerde... (G.F. Händel)’, dat hij Marten Brouwer had laten lezen, niet in deze aflevering opgenomen.

De onderduik en een pruik met pijpekrulletjes

Intussen werden in de periode waarin het tweede nummer verspreid werd, de oorlogsomstandigheden steeds moeilijker. In de eerder genoemde brief die Wim Hijmans op 12 september 1944 aan Marten Brouwer schreef, berichtte hij in een mengeling van Nederlands en potjeslatijn: ‘Wij zijn 's nachts “in alio loco dormiendi causa.” Bovendien: “Podium non est in bono sententio Germaniorum, causae sunt luce clariae [...].[”].’62 (‘Wij zijn 's nachts op een andere plaats om te slapen. Bovendien: Podium valt bij de Duitsers niet in de smaak, de redenen hiervoor zijn zonneklaar.’) Kort hierna dook Wim Hijmans onder.

Marten Brouwer, die eind augustus 1944 al meer dan dertig abonnees voor Podium geworven had, slaagde er in de maand september nog wel in vrijwel alle abonnees in Groningen en omgeving het tweede nummer te bezorgen, maar aan het eind van die maand dook ook hij onder: dit gebeurde omdat zijn ouders bang waren dat hij - hoewel hij pas vijftien jaar oud was - gedwongen zou worden voor de Duitsers te spitten.63 Marten Brouwer zou tot aan de bevrijding van Groningen in april 1945 ondergedoken blijven in een boerderij in het Friese dorp Ureterp-Vallaat. Van daaruit kon hij alleen schriftelijk contact met Groningen en Leeuwarden onderhouden.

Ruim een maand nadat Hijmans en Brouwer ondergedoken waren - in november 1944 -, werd de Podium-redacteur Gerrit Meinsma tijdens een razzia opgepakt en naar een werkkamp in Drente overgebracht, waar hij dwangarbeid moest verrichten. Hij had in die tijd zijn favoriete dichtbundel, Tempel en kruis (1940) van Marsman, op zak. Na twaalf dagen werd hij door toedoen van zijn vriendin Corrie van der Noord bevrijd. Meinsma deelde hierover in 1982 mee: ‘Toen heeft Corrie van der Noord me opgehaald. Het was zo dat meisjes daar wel konden binnenkomen, binnen dat afgesloten gebied. Nou, toen heeft ze me opgehaald op een wat ingewikkelde manier. Ze heeft me een pruik gebracht met pijpekrulletjes, en ik was nog net jong genoeg om niet al te veel baardhaar te hebben en zo, het gezicht was nog wat bollig. Toen ben ik op een fiets met banden - gemaakt van harde rubber, waar geen lucht inging - de poort uitgefietst, al flirtend naar de Duitse soldaten.’ Corrie van der Noord, die een pruik had geleend bij

[p. 387]

een toneelgezelschap te Leeuwarden en verder meisjeskleren had meegenomen, vertelde over het flirten met de Duitsers: ‘Dat zie ik ook nog voor me. Dat was het enige, echt angstige moment, dat we nagefloten werden.’ Deze gebeurtenis doet denken aan een voorval in de roman De donkere kamer van Damocles (1958) van Willem Frederik Hermans, waar de hoofdpersoon Henri Osewoudt, als verpleegster verkleed, de amoureuze aandacht van een groepje militairen trekt.64

Het eerste contact tussen de redactie van Podium en de redactie van een ander jongerentijdschrift ontstond kort nadat Gerrit Meinsma uit het Drentse werkkamp was ontsnapt. Corrie van der Noord stelde haar Zaanse vriend Siem Sjollema, die zij vóór de oorlog bij de Nederlandse Bond van Abstinent Studerenden had leren kennen, op de hoogte van het bestaan van Podium. Sjollema, die in het najaar van 1944 betrokken was geraakt bij de uitgave van een ondergronds jongerenblad dat Zaans Groen heette en dat door de jonge dichter-drukker Klaas Woudt, diens zuster Mart Woudt en andere vrienden uit de Zaanstreek was opgericht, gaf vervolgens haar adres door aan Mart Woudt, de redactiesecretaresse van Zaans Groen. Op 3 januari 1945 schreef deze laatste aan Corrie van der Noord: ‘Siem Sjollema vroeg ons, U, als lid van de Podiumgroep, als abonnee op Zaans Groen te willen noteren.



illustratie
Corrie van der Noord en Gerrit Meinsma in travestie. (Foto: Jan van Male)

[p. 388]

Aan zijn verzoek hebben we graag voldaan en we sturen U hierbij het eerste nummer.

Zou het mogelijk zijn, dat U mijn broer, Klaas Woudt, en mij inschreef als abonné op Uw blad Podium? Wij interesseren ons zeer voor het werk van de hele jongere dichtergeneratie. Wij staan o.a. in geregeld contact met de redactie van het Utrechtse blad Parade der Profeten, en voelen veel voor een “fusie” na de oorlog van alle, nu veelal slechts plaatselijke bladen, tot één landelijk blad. Eén mogelijkheid voor jongeren en debutanten om hun werk over het gehele land verspreid te zien.’65

Het onbehagen van Wim Hijmans

Intussen was het derde nummer van Podium, dat volgens het oorspronkelijke plan in december 1944 had moeten uitkomen, niet in die maand verschenen, en was ook het enthousiasme voor het blad bij de redacteur Wim Hijmans sterk verminderd. Zoals al uit zijn correspondentie met Marten Brouwer gebleken is, dacht hij niet erg gunstig over het peil van een aantal gedichten die in het eerste nummer van Podium waren opgenomen. Uit latere brieven zou duidelijk worden dat hij ook veel kritiek had op de inhoud van de tweede aflevering. Daarbij kwam dat hij intussen in contact gekomen was met een van de vrienden van Marianne Guibal, Peter Verhoeff, die zich - zoals we gezien hebben - in augustus 1944 kritisch had uitgelaten over het beleid van de Podium-redactie. Hijmans' onbehagen bleek uit een brief die hij op 7 januari 1945 aan Corrie van der Noord schreef. Hijmans merkte hierin op: ‘Ik verwacht jullie Vrijdag a.s. Zou je de copy die jullie gekregen hebben mee willen brengen? Het is toch beter nog een nummer te geven, maar in godsnaam, laat het goed zijn. Eén troost voor me [...] was, dat Zaans Groen nog 3x zo slecht als Podium was... wat Podium overigens niet goedpraat!! En verder: hoeveel geld hebben we nog?’66

Tien dagen later - op 17 januari - schreef Wim Hijmans aan Marten Brouwer, die in die tijd in Ureterp ondergedoken was, een brief waarin hij in een omkaderde zin meedeelde: ‘Podium is op de fles’. Hij vervolgde: ‘Lang zal die leven!! Hoera!!! Van de aardbodem verdwenen!!!! Hoera, hoera!! Er komt nog één nummer, zónder gedichten, maar mét wat anders, waar de wereld versteld van zal staan! Het geld dat je nog hebt moet je me als [het] enigszins kan zo gauw mogelijk sturen. Het is verboden nieuwe abonné's te werven, te laten of te doen werven, te interesseren of enigszins met Podium bevriend te maken.

[p. 389]

Het is bevolen alle slechte gedichten uit Podium af te maken zijnde dit volgens mij de volgende: Cornot (in z'n geheel). Van Dockum (laatste 2 regels). [...] Nisla: in z'n geheel, Zwart Paard voor de helft. Whimpysinger: Menuet (behalve couplet 2 en 3), 2e kwatrijn (inhoud. te litterair). (Podium 2:) Janus Bifrons: alles te oppervlakkig. Peter van den Burch: een grond kan niet verzanden!! (o,o,o) I. de Getijer: nonsens, kafferachtig, naïef, rotzooi.’ Het gedicht ‘Leeg’, handelend over een zwart paard, van C. Nisla (Corrie van der Noord) was in het eerste nummer verschenen. In het gedicht ‘Maak mij los van Holland’ van Peter van den Burch (Peter Verhoeff), opgenomen in de tweede aflevering, kwam de regel voor: ‘geef mij een grond die niet verzanden kan’.

Hijmans schreef verder in zijn brief: ‘dit is een staatsgreep in buitengewone vorm. hallo, hallo, hallo. “illegaliteit rechtvaardigt geen nonsens” (Peter v.d. Buch [Burch]).’67

In deze periode ontstond in de vriendenkring van Jan Waling Dijkstra en Peter Verhoeff het plan een eigen blad, genaamd De Distel, op te richten, dat - de naam suggereerde dit al - een sterk polemische inslag zou krijgen. Ook Wim Hijmans, voor wie - zoals we gezien hebben - Podium al ‘op de fles’ was, werd hier via Verhoeff bij betrokken. Op 25 januari 1945 schreef Hijmans aan Gerrit Meinsma, die sinds zijn terugkeer uit Drente ondergedoken was: ‘Inderdaad ben ik - hoewel niet zó goed als je misschien wel denkt - in de gelegenheid geweest, je te schrijven, maar er waren dingen, die mij verhinderden dat te doen. Het deed me eigenaardig aan, dat je zo zonder meer over Podium sprak - In deze tijd ben ik alles rond Podium nog eens goed nagegaan, en ik kwam tot de conclusie dat het niet door kan gaan.

Wij - Podium - hebben geen bestaansrecht. De nummers die verschenen zijn, bevatten maar zeer weinig wat er nog mee door kan, en er was practisch niets in wat uitgesproken goed was. Begrijp je niet, dat we, als we zo doorgaan, voor gek komen te staan? En ik ben niet van plan om me voor Podium te geven, als het zo doorgaat: dit blad zal, zo gauw er weer wat normaal verschijnt, afgemaakt worden op een manier, die meer dan verschrikkelijk zal zijn. Wij, als redactie, waren volkomen a-capabel voor 't werk, en we hebben rómmel opgenomen.’

Hijmans vervolgde: ‘Er is voor ons maar één weg: opheffen. Maar niet zonder meer. We moeten nòg een nummer geven (na de oorlog) zónder gedichten, maar met stukken over de voorgaande Podia. We kunnen beter zélf het blad zo opheffen, dan dat we het door Criterium etc. laten afmaken.

[p. 390]

Ik heb dit uitvoerig met Peter en Marianne besproken. Het is de enige weg.

Hoe in godsnaam is het mogelijk, dat er nog bladen zijn die met P. samen willen gaan? Of zijn die even slecht??

Ik weet natuurlijk niet, hoe jullie hier tegenover staan. Ieder weldenkend mens zal begrijpen, dat dit de enige weg is. Ik blijf er bij, en mochten jullie het blad door willen zetten, dan treed ik uit. We moeten geen herhaling van Opw. Wegen en “Nu” hebben - en bovendien: een blad moet een programma hebben, en dat hebben wij niet.’ Met ‘Opw. Wegen’ werd uiteraard het vooroorlogse protestants-christelijke tijdschrift Opwaartsche Wegen bedoeld, met ‘Nu’ het algemeen maandblad Nu, dat tussen 1927 en '29 verschenen was en waarvan Is. Querido en A.M. de Jong redacteuren waren geweest.

Hijmans schreef verder: ‘Copy had ik niet gekregen. Zelf “lever” ik niets meer (evenals Peter en Marianne.) Uit Groningen kreeg ik bericht, dat Brouwer ondergedoken is, en dus niet klaar is gekomen met de verspreiding van nummer II.

Er verschijnt hier binnenkort een satiriek blad “De Distel”, dat echter ook creatief werk opneemt. Voel je voor een proefnummer? 't Is gestencild, op litterair-politiek gebied, bestemd om later in 't groot voortgezet te worden. Moet, naar wat ik er van heb gehoord, heel goed worden.

Ik zou je dringend aanraden P. stop te zetten. Ik weet dat ik alleen niets kan doen. Aan jullie is het inzicht, en aan jullie wat er met Podium zal gebeuren. Maar àls het in deze slechte mate doorgaat, zal ik, om der wille van “de kunst” [,] niet nalaten, méé het blad af te maken.

Overigens, hoewel laat, moet ik jou en Corrie nog een voor jullie beiden heel gelukkig 1945 toewensen!’68

Twee weken later, op 8 februari, schreef Wim Hijmans aan Marten Brouwer een brief waarin hij naar aanleiding van de twee ingestuurde gedichten van I. de Getijer (Hendrik de Vries) opmerkte: ‘Voor alles, Marten: je moet me vertellen wie IJsbrand de Getijer is. Dat gedicht (evenals dat wat wij afkeurden) was bar slecht. Er zijn hier echter idioten, die beweren dat er een vent achter zit met een nààm (snap je, een die al eens gepubliceerd heeft). Als dat zo is, dan waren die twee pestgedichten òf een valstrik om te laten zien hoe slecht de Podiumredactie voor haar taak berekend was, òf de vent heeft het eerste het beste prutsding dat uit z'n schrijftafella viel, naar ons gestuurd, zonder er verder meer op te letten, wàt hij stuurde. Ik verwacht antwoord! Althans: ik wil weten, of die praatjes juist zijn.’

Over Podium zelf schreef Hijmans in deze brief: ‘Podium is nog niet

[p. 391]

helemaal op de fles, maar er zal waarschijnlijk nog een nummer verschijnen. De mensen worden anders kwaad: ze hebben voor 4 nummers betaald.’

En verder: ‘Morgenavond (Vrijdag) is er een Redactievergadering ten mijnen huize, van de schone Redactie Cornot-Nisla-Whimpysinger. Ik treed in ieder geval af als Redacteur. Ahum. Mijn inzichten, hm hm, stroken niet meer geheel, hm, hm, met de resultaten van Podium, mijne heren! Verder hebben zowel Peter, als Marianne, als ik geweigerd nog één gedicht aan Podium ter publicatie af te staan.’

Over De Distel deelde Hijmans vervolgens mee: ‘Peter van den Burch is vaste meewerker op critisch gebied, ik los-vaste, maar met kans op vaste. Het blad wordt na de oorlog één der grote litteraire periodieken van Nederland. Aan een dergelijk blad (dat Wild-Westromannetjes en Kerkbode-versjes afmaakt met mokers; dingetjes van A.M. de Jong zaliger nagedachtenis en consorten van de wereld wil trappen etc.) was dringende behoefte. 't Wordt een levenspositie, als ik daaraan vast meewerker kan worden.’

En verder - naar aanleiding van een recensie van het eerste nummer van Zaans Groen die Wim Hijmans voor De Distel geschreven had -: ‘In het eerste nummer, dat ter perse is, staat een critiek op een N.H.-blad, zoiets als Podium, maar veel mooier uitgevoerd, met een nòg slechtere inhoud dan P. (hoe is 't in 's hemelsnaam bij dit en dat in vrede mogelijk??) van mij. Dat blad wordt door mij afgemaakt op een manier, dat ze bij het lezen van die critiek daar allemaal flauwtes krijgen. Dit was zeer naar genoegen van de Redactie van De Distel.’69 Met ‘een N.H.-blad’ werd uiteraard ‘een Noordhollands blad’ bedoeld.

Hijmans stapt uit de redactie

Waarschijnlijk de volgende dag, vrijdag 9 februari, werd er een redactievergadering gehouden, waarin de meningsverschillen die tussen Wim Hijmans aan de ene kant en Corrie van der Noord en Gerrit Meinsma aan de andere kant ontstaan waren, werden besproken. Die meningsverschillen betroffen - zoals uit de correspondentie tot dusver gebleken is - vooral het peil van de in Podium opgenomen poëzie. Het is mogelijk dat hierbij ook een tegenstelling naar voren kwam met betrekking tot de vraag welke houding de dichters rond Podium tegenover de maatschappij zouden moeten innemen. Volgens Gerrit Meinsma stelde Wim Hijmans zich op het standpunt dat ze zich in de eerste plaats op de schoonheid zouden moeten richten, terwijl hijzelf, die hierover dikwijls met zijn oudere vriend Fokke Sierksma gesproken

[p. 392]

had, ook een sterke maatschappelijke betrokkenheid bepleitte en dus - geheel in de traditie van het tijdschrift Forum - in de toentertijd befaamde tegenstelling vorm-vent duidelijk voor de vent koos. Meinsma deelde in 1982 over deze episode in de vroege geschiedenis van Podium mee: ‘Dat vent-zijn, dat kwam op een gegeven moment er eigenlijk uit, ik meende met het tweede nummer, waarin dus ook een aantal echte verzetsverzen staan, en daar is nogal wat verzet tegen geweest. Ik dacht dat dat eigenlijk de grond was van de hele zaak.’ Overigens moet hierbij worden aangetekend dat in de correspondentie die tot dusver te voorschijn is gekomen, over deze tegenstelling niets te vinden is.

Marianne Guibal, die - zoals eerder werd vermeld - samen met Wim Hijmans, Peter Verhoeff en enkele anderen een literaire vriendenkring vormde, merkte in 1985 over de poëzie van Hijmans op: ‘Ik vond zijn gedichten heel mooi. Ik kan mij niet herinneren dat ik ooit het gevoel heb gehad: die gedichten moeten meer maatschappelijk betrokken zijn. Zo was ikzelf ook niet. Wij waren heel romantisch, allemaal, in die tijd. Alleen Peter schreef nog wel eens over de oorlog.’ En verder: ‘Je was helemaal ingesteld op jezelf. Dat waren die jongens toch heel sterk, ook natuurlijk omdat ze zo'n besloten leven leidden. Dus het ging allemaal om je eigen gevoelens. Als ik terugdenk, dan vind ik het toch een echte Ina Damman-sfeer, hè. Wandelen door de parken van Leeuwarden, de Prinsentuin - “De koperen tuin” -, het kerkhof waar Slauerhoff liep, en dat soort dingen. Het was inderdaad heel romantisch.’70

Tijdens de redactievergadering bleven Corrie van der Noord en Gerrit Meinsma bij hun opvatting dat de redactie verplichtingen had tegenover de abonnees, die voor een heel jaar abonnementsgeld hadden betaald en recht hadden op vier nummers, en dat daarom alleen al de uitgave van Podium moest worden voortgezet. Wim Hijmans, die omwille van de kunst niet langer de verantwoordelijkheid voor de uitgave van het blad op zich wilde nemen, trok zich vervolgens uit de redactie terug.

Kort hierna - op 17 februari - schreef Wim Hijmans aan Corrie van der Noord, die intussen het redactiesecretariaat van hem overgenomen had: ‘Hierbij Zaans Groen. 't Was bijzonder amusant. Ik weet niet precies meer, wat jullie van me in bewaring hadden. Was er niet een Rilkevertaling bij? Ik zou die dingen allemaal graag terug hebben.

Het adres van Brouwer is: Nassaulaan 52a, Groningen. Hij zit daar echter niet meer. Daar hij me strikt verboden heeft zijn tegenwoordig adres aan anderen te geven, zou het misschien het beste zijn, dat je, als

[p. 393]

je brieven voor hem had, deze in een blanco enveloppe aan mij gaf. Ik kan ze dan eerder bij hem krijgen, want over Groningen duurt het zeer lang. Stukken betreffende Podium van hem heb ik niet - onze correspondentie was persoonlijk-vriendschappelijk. Een week geleden schreef ik hem over mijn veranderde houding t.o.v. Podium; ik heb daarop nog geen antwoord. Over de Getijer heb ik alleen gevraagd: kun je me zeggen of dit iemand is die al meer gepubliceerd heeft; schuilnamen hoef je niet te “ont-dekken”. Dit was een redelijke vraag.’

In het vervolg van zijn brief schreef Hijmans over zijn gedicht ‘Er weidet seine Heerde... (G.F. Händel)’, dat de redactie nog in haar bezit had: ‘Wat betreft dat “vers” van mij, dat jullie nog hebben. Ik verbied de Redactie dit op te nemen. Dit is volkomen wettelijk: honorarium ontving ik er nooit voor, dus de auteursrechten zijn aan mij, en ik mag er dus mee doen en laten wat ik wil. Honorarium wil ik er ook nooit voor ontvangen, omdat het een hyper-sentimenteel prul is. Neem het dus niet op. Al heb ik het indertijd goedgekeurd, daarom kan ik het nu wel afkeuren! Bovendien: ik zou niets zeggen als het in het 2e nummer gekomen was: dan was het een feit geweest. Nu ik echter nòg eens voor de beslissing sta, weiger ik het te publiceren (stel je gerust: het komt ook niet in de Distel of iets van dien aard, het komt in de prullemand terecht.)

Inderdaad had ik jullie vroeger op de hoogte moeten stellen. Ik zal niet met excuses aankomen (hoewel die er wel zijn, en als je ze hebben wilt, kun je ze krijgen); ik ben hier inderdaad tekort geschoten, en dat spijt me.

Wat je over de Distel schrijft: het is niet waar. Die avond toen Peter en ik bij jou kwamen, wist ik net iets meer van de Distel. Ik zit niet in de redactie ervan. Ik weet dat de Redactie van de Distel veel liever niet met Podium in contact komt.

Het spijt me erg dat alles zo eindigt. Voor een groot deel was het mijn schuld; in laatste instantie hebben ook jullie schuld.

Ik blijf abonné van Podium. Denk niet dat ik critieken over volgende Podia ga schrijven. Peter zal dat wel doen, en anders een ander.

Tot slot: kun je me nog het adres v.d. Redactie van Zaans Groen bezorgen?

Corrie - en jij ook, Gerrit - er is maar één ding meer te zeggen, en dat is: ik hoop dat jullie tot hetzelfde inzicht komen als ik: Podium heeft geen bestaansrecht.’71

Vijf dagen later - op 22 februari - schreef Wim Hijmans aan Marten Brouwer: ‘Ongeveer 2 weken geleden ben ik afgetreden als Redactie-

[p. 394]

secreta