
voor carla
In 1989 verscheen Het ondergronds verwachten , waarin ik de geschiedenis vertelde van negen literaire tijdschriften die tijdens de tweede wereldoorlog in Nederland verschenen zijn. Het ging daarbij om ondergrondse bladen die volgeschreven en uitgegeven werden door jongeren die vóór 1940 in het algemeen nog niet gepubliceerd hadden. Zij gingen daarmee bewust en strijdbaar in tegen een dreigende gelijkschakeling onder regie van de nationaal-socialistische cultuurscheppers of - wat natuurlijk ook vaak voorkwam - zij hadden eenvoudigweg geen zin te wachten totdat de Duitsers eindelijk hun biezen zouden hebben gepakt. In allerlei bladen en blaadjes - soms gedrukt, dikwijls gestencild, een enkele keer zelfs alleen maar getypt - publiceerden ze hun gedichten en verhalen en namen ze in hun essays stelling.
Het boek dat de lezer thans voor zich heeft, geeft de geschiedenis weer van drie literaire jongerentijdschriften uit de eerste jaren nà de bevrijding: jaren waarin alle creatieve energie uit de bezettingstijd, die zo lang in toom gehouden moest worden, de kans kreeg uit te breken. Het zijn tijdschriften die voor mijn gevoel ‘bij elkaar horen’: Columbus, Proloog en Podium . De jongeren die in Columbus en Podium schreven, hadden onderling wel voortdurend grote meningsverschillen, uitlopend in felle ruzies, maar toch groeiden zij - als door een onzichtbare hand geleid - steeds meer naar elkaar toe, totdat zij elkaar tenslotte in een fusie omhelsden. Beide groepen koesterden tegelijkertijd de grootst mogelijke minachting voor het tijdschrift Proloog, maar uiteindelijk zou de ondergang van dit blad nieuwe kansen voor Podium scheppen. De een zijn dood is immers ook in de literatuur maar al te vaak de ander zijn brood.
Talrijke jongeren die aan deze drie tijdschriften meewerkten, hadden al tijdens de oorlog in illegale of clandestiene bladen acte de présence gegeven. Dit boek kan daarom als een vervolg op Het ondergronds verwachten worden beschouwd, maar het staat ook op zichzelf. Omdat wat ‘in het voorafgaande’ verteld werd, niet aan elke lezer bekend zal zijn, heb ik soms omwille van de duidelijkheid in enkele snelle zinnen samengevat wat in het vroegere boek met allerlei details beschreven werd.
Voor mijn uitgangspunten bij het schrijven wil ik kortheidshalve graag
verwijzen naar het ‘Woord vooraf’ bij Het ondergronds verwachten. Het heeft geen zin deze uitgangspunten hier opnieuw weer te geven.
Wel ben ik in één opzicht van dit boek afgeweken. De rubriek ‘Biografische gegevens’, waarin vermeld werd welke loopbaan de jongeren uit Het ondergronds verwachten na 1945 gevolgd hebben, ontbreekt hier. Velen van hen die tijdens de Duitse bezetting in illegale of clandestiene tijdschriften publiceerden, zouden immers na de oorlog geen rol in de literatuur meer spelen en dus vond ik het wel aardig te laten zien ‘wat er van hen geworden is’. Daarentegen zijn verreweg de meeste schrijvers die in Speeltuin van de titaantjes optreden, later literair wel actief gebleven, zodat dergelijke informatie overbodig is.
Verder worden in dit boek alleen die schrijvers uitvoerig geïntroduceerd bij wie dit in Het ondergronds verwachten nog niet is gebeurd.
Graag wil ik tot slot iedereen bedanken die mij inlichtingen heeft verschaft, brieven ter inzage heeft gegeven of waardevolle suggesties heeft gedaan, onder wie Han Foppe, Kees Lekkerkerker, Hans van Straten en in het bijzonder Kees Fens. Ook dank ik de medewerkers van het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage, van de Universiteitsbibliotheek en het P.C. Hoofthuis te Amsterdam en van uitgeverij Meulenhoff voor alle goede ‘raad en daad’. Geen moeite was hun te veel.