terug  begin  verderprepost
[p. 27]

Hoofdstuk 1
Columbus of de ontdekking van het engagement

Het tijdschrift dat in dit hoofdstuk centraal zal staan, is Columbus , waaraan verscheidene jonge schrijvers die al tijdens de Duitse bezetting in ondergrondse bladen gepubliceerd hadden - vooral in het Utrechtse blad Parade der Profeten -, zouden meewerken.

Zoals ik in Het ondergronds verwachten beschreven heb, was de geestelijke vader van de Parade de jonge Utrechtse dichter en essayist Jan Praas, die in 1921 te Almelo geboren was. Afkomstig uit een sociaal-democratisch milieu, had hij in het begin van de oorlog de Gemeentelijke hbs in de Domstad bezocht en daar een grote liefde voor de literatuur opgevat. Samen met zijn vriend C.A.G. (‘Frits’) Planije besloot hij voor de akte m.o. Nederlands te gaan studeren. Nadat hij de hbs verlaten had, organiseerde hij geregeld literaire avondjes, waarvoor ook vroegere klasgenoten werden uitgenodigd.

In het voorjaar van 1944 besloot Praas zijn vleugels wijder uit te slaan en bedacht hij het plan een ondergronds tijdschrift op te richten. Dit tijdschrift, dat eerst getypt, maar weldra gestencild werd, kreeg de enigszins ironische naam Parade der Profeten. De redactie van het blad, dat voorlopig maandelijks zou verschijnen, werd gevormd door Praas, zijn vriendin Carla Scheidler en de jonge Utrechtse dichter Ad. van Noppen. Al snel werkten vele jongeren - ook van buiten Utrecht - mee, onder wie Guillaume van der Graft (ps. van Willem Barnard), W.J. van der Molen en Willem Frederik Hermans. Later publiceerden ook de jonge Leidse schrijvers Jan Vermeulen en Hans van Straten verzen in de Parade.

In augustus 1944 ontmoette Praas in Den Haag de ambtenaar en dichter Willem Karel van Loon, die in 1943 het initiatief genomen had tot de oprichting van het tijdschrift Stijl . Nadat dit blad aan het eind van dat jaar verdwenen was, richtte de energieke Van Loon in het voorjaar van 1944 een nieuw tijdschrift op, Maecenas . Aan dit blad werkten de jonge Haagse schrijvers Paul Rodenko, zijn zuster Olga Rodenko en Paul van 't Veer mee. Ook van de dichter Hans Warren, die in Zeeland woonde, werd in Maecenas poëzie gepubliceerd.

In het najaar van 1944 kwam de redactie van Parade der Profeten bovendien in aanraking met enkele jonge dichters in de Zaanstreek, onder wie de drukker Klaas Woudt en zijn zuster Mart Woudt. Zij zouden in december

[p. 28]

van dat jaar samen met enkele vrienden een eigen jongerenblad, Zaans Groen , oprichten. Kort daarvoor publiceerden zij gedichten in een omvangrijk poëzienummer van de Parade.

Al deze contacten gaven Jan Praas de overtuiging dat er onder de jonge schrijvers een enorm enthousiasme bestond om direct na de oorlog in een eigen tijdschrift acte de présence te geven. Bovendien had de bekendmaking van het Tijdelijk Persbesluit van september 1944 duidelijk gemaakt dat de redacties van de ondergrondse bladen het recht kregen na de oorlog door te gaan. Dit was dus een uitgelezen kans om tot bundeling van de jonge generatie in een eigen blad te komen.

Ondernemend als hij was, besloot Praas zo snel mogelijk spijkers met koppen te slaan. Zijn vader, die bij de Haka - het inkoop - en produktie-bedrijf van de plaatselijke coöperaties - werkte en daardoor veel zakelijke relaties had, kon hem daarbij een duwtje in de rug geven. Dat had hij trouwens ook al bij de voorbereidingen voor Parade der Profeten gedaan. Dit keer wilde het gelukkige toeval dat de directeur van de Haka over een broer beschikte, die zelf ook weer directeur was en wel van een uitgeverij! Deze broer was L. Veenstra, die deel uitmaakte van de directie van een jonge, ambitieuze uitgeverij in de hoofdstad, de Amsterdamsche Boek- en Courantmaatschappij. In het najaar van 1944 nam Jan Praas daarmee contact op. Zoals hij op 18 oktober 1944 aan zijn vriend Frits Planije schreef,1 had hij dit gedaan met de bedoeling Parade der Profeten na de bevrijding in gedrukte vorm voort te zetten.

De ABC

De Amsterdamsche Boek- en Courantmaatschappij - afgekort: ABC - was in 1938 opgericht. Het initiatief hiertoe werd genomen door Frederic (‘Fred.’) von Eugen (1897-1989), die in hetzelfde jaar hoofd van de uitgeverij van De Arbeiderspers was geworden. Omdat er bij een aantal boekhandels bezwaar tegen bestond publikaties van De Arbeiderspers, ‘een rode uitgeverij’, te koop aan te bieden, richtte Von Eugen de neutrale ABC op om met sommige uitgaven, waaronder vooral Het boek voor de jeugd , een groter publiek te kunnen bereiken.

Toen De Arbeiderspers in 1940 onder beheer van de bezetter was gekomen, nam Von Eugen daar ontslag en kon hij zijn activiteiten als zelfstandig uitgever voortzetten in de ABC. Hij werkte daar samen met Veenstra, die de leiding had gehad over de exploitatie van het dagblad Het Volk , en met Johan Winkler, chef van de redactie van dezelfde krant; deze hadden in de zomer van 1940 eveneens ontslag bij De Arbeiderspers genomen. Tijdens de

[p. 29]

oorlog werd het team verder uitgebreid met de schrijver Albert Helman, die als literair adviseur ging optreden.

Begin 1941 werd de ABC gevestigd in het pand Singel 262 in de hoofdstad, dat vanaf 1945 ook het adres van uitgeverij Querido zou worden. Doordat de ABC niet onder beheer van de nazi's kwam, kon de uitgeverij joden die elders ontslagen waren, in dienst nemen.2

‘De resultaten waren buiten verwachting!’

Op 16 januari 1945 - ongeveer drie maanden nadat Praas contact met de ABC had opgenomen - kon hij Planije berichten dat Veenstra vrijdagmiddag 26 januari bij hem thuis aan de Socrateslaan te Utrecht langs zou komen ‘voor de eerste bespreking!’ Hij vroeg Planije die middag ook te komen. Kennelijk maakte Praas zich er zorgen over dat zij beiden - jonge schrijvers immers zonder enige reputatie - voor de ABC niet attractief genoeg zouden zijn om het avontuur van een nieuw tijdschrift te wagen, en daarom dacht hij dat het wellicht handig zou zijn ook iemand met althans enige bekendheid erbij te betrekken. Hij schreef aan Planije: ‘Zouden we Ad. den Besten nog uitnodigen eveneens aanwezig te zijn? Liever doe ik 't natuurlijk met twee, maar hij heeft wàt “naam”.’3 De Utrechtse dichter Ad den Besten, twee jaar jonger dan Praas, had al verscheidene jaren daarvoor in bladen als Opwaartsche Wegen en Criterium poëzie gepubliceerd. Praas kende Den Besten, die met vijf gedichten aan het poëzienummer van de Parade had meegewerkt, sinds kort. Waarschijnlijk drong Planije er na ontvangst van Praas' brief niet op aan Den Besten uit te nodigen, want deze zou bij de bespreking niet aanwezig zijn.

Praas' verlangen om het gestencilde Parade der Profeten in de toekomst te laten drukken, werd in deze periode nog eens extra gestimuleerd, doordat hij het eerste nummer van Zaans Groen van Mart en Klaas Woudt onder ogen kreeg. Dat blad zag er typografisch fraai uit en was bovendien gedrukt! Op 19 januari schreef Praas aan Planije: ‘De Parade is over alle fronten geslagen! De inhoud is - begrijpelijk - veel minder: 1½ goeie dichter, buiten Klaas zelf.’ En in dezelfde brief: ‘Woudt stelt samenwerking voor, nà de oorlog, waartegen natuurlijk geen bezwaar is. Hij wil zo spoedig mogelijk een bespreking te A'dam of Hilversum [...].’4 Al eerder had ook Willem Karel van Loon van het Haagse Maecenas aan Praas meegedeeld dat hij wel voelde voor een toekomstige fusie tussen zijn blad en Parade der Profeten. Dat betekende dat Praas en Planije bij hun bespreking met Veenstra konden suggereren, dat ze niet alleen de kring rond de Parade vertegenwoordigden, maar ook andere groepen van jonge schrijvers - ja, zelfs vrijwel de hele jon-

[p. 30]

ge generatie! -, waardoor een uitgever wel gek moest zijn om niet met hen in zee te gaan.

Het gesprek met Veenstra verliep beter dan Praas en Planije hadden durven dromen. Vier dagen later, dinsdag 30 januari, schreef Praas aan Ad den Besten: ‘Zoals je vluchtig wellicht had opgevangen, bestonden er ernstige plannen de Parade nà de oorlog voort te zetten (onder andere naam en redactie). We waren daartoe in onderhandeling getreden met een A'damse uitgeverij. De onderhandelingen vlotten echter niet erg, omdat persoonlijk contact niet mogelijk was.’

Praas vervolgde: ‘Daarin is vorige week verandering gekomen. Vrijdag j.l. hadden Frits en ik een onderhoud met eén van de directeuren, die zo vriendelijk was, hiervoor naar Utrecht te komen. In het kort gezegd: De resultaten waren buiten verwachting! We kwamen volledig tot overeenstemming, en waarschijnlijk staat nu niets meer het verschijnen van een fors, geïllustreerd tijdschrift in de weg. Het is de wens van de uitgever, dat jonge tekenaars ruimschoots in de gelegenheid worden gesteld hun krachten te geven aan een sierlijk blad, dat toch niet te duur mag worden.’ Denkbaar is dat de directie van de ABC op de hoogte was van het Tijdelijk Persbesluit en dat zij zich realiseerde dat de jongeren rond Parade der Profeten dus het recht zouden hebben - in tegenstelling tot de ABC - na de oorlog een eigen tijdschrift uit te geven, maar zeker is dit niet.

Praas schreef verder: ‘In dat nieuwe blad zullen Parade, Maecenas en Zaans Groen (een nieuw blad onder redactie van Klaas Woudt) worden ondergebracht. (Eventueel Podium, dat in Leeuwarden verschijnt).’ De laatste opmerking sloeg op het illegale literaire tijdschrift Podium, waarvan het eerste nummer eind juni 1944 in de Friese hoofdstad verschenen was en waarvan de redactie in die tijd bestond uit drie jonge dichters: Corrie van der Noord, Gerrit Meinsma en Wim Hijmans. Klaas Woudt, die sinds kort van het bestaan van het blad op de hoogte was, zal Praas over de literaire activiteiten van de jonge Friezen hebben ingelicht.

Praas schreef verder aan Den Besten: ‘Het ogenblik is er dus nu, ons tot de medewerkers en relaties te wenden om hen aan te sporen hun beste krachten te geven aan het blad van de nieuwe generatie. Graag hoor ik van jou, hoe je hier tegenover staat en of je in principe iets voor medewerking voelt aan dit tijdschrift, dat geen enge richting wil vertegenwoordigen, doch dat op ruime basis wil trachten mee te werken aan de vernieuwing en de culturele opbouw.’5 Hieruit blijkt dat Praas in die tijd vooral dacht aan een blad dat het werk van jongeren van allerlei schakering zou publiceren, en niet aan een tijdschrift waarin alleen één stroming zou zijn vertegenwoordigd.

Praas' vreugde over de toezeggingen van Veenstra zou van korte duur

[p. 31]

zijn. Na Veenstra's gesprek met Praas en Planije realiseerden hij en de andere directeuren van de ABC zich al snel dat deze jongeren toch wel erg onbekend waren voor een breder lezerspubliek en dat het risico groot was dat hun tijdschrift op een fiasco zou uitlopen. Bij de ABC werd toen bedacht dat het komende tijdschrift het best een combinatie van twee bladen zou kunnen worden: één voor oudere, meer bekende auteurs en één voor de jonge generatie. De beide bladen, ieder met een eigen, onafhankelijke redactie, zouden dan gecombineerd moeten uitkomen. Het voordeel hiervan was dat de vergunning behouden bleef.

Op 27 februari berichtte Praas aan zijn vriend Planije, dat Veenstra had voorgesteld een tijdschrift voor jongeren én ouderen uit te geven, waarbij ‘ieder der redacties in eigen huis volledig zelfstandig blijft’.6 Voor Praas en Planije betekende dit een bittere pil. De jonge generatie zou zich aan een breder publiek moeten presenteren samen met ouderen: daar kon geen sprake van zijn! Eind april 1945 zou Praas hierover aan Willem Karel van Loon in Den Haag schrijven: ‘M.i. is in ons land, op den duur, plaats voor eén jongerenblad, en wanneer we zo zakkerig als bijblad beginnen, worden we zò tot worst gedraaid. De jongeren willen vanzelfsprekend in een, ook materieel, zelfstandig blad publiceren.’7

Op 18 april 1945 stelde Praas aan Planije voor het nieuwe blad Delta te noemen: voor het handhaven van de naam Parade der Profeten voelde hij weinig, omdat er te veel poëzie van middelmatig niveau in het blad gestaan had. Bij zijn brief aan Planije voegde Praas het ontwerp van een brief aan Veenstra, waarin hij - met diplomatieke omzichtigheid - schreef: ‘Uw voorstel (twee tijdschriften in een band) was voor ons een onverwachte wijziging, en hoewel de heer Planije en ik na uitvoerige bespreking de voordelen van samenwerking inzien, achten wij de nadelen groter. Ik wijs alleen al op het feit, dat wanneer “Delta” (de nieuwe naam wrsch.) het tijdschrift voor jongeren moet worden, dezen zeer zeker een zelfstandig blad willen hebben. Daartegen kan de welsprekendheid van geén redactie het bolwerken.’8

‘Het blad van de nieuwe generatie’?

Zo was de situatie voor de jonge schrijvers rond Parade der Profeten, toen Nederland in mei 1945 bevrijd werd. Jan Praas en Frits Planije beseften heel goed dat - nu de ABC kennelijk niet stond te popelen om alleen een jongerenblad uit te geven - slechts samenwerking tussen zoveel mogelijk jonge schrijvers deze uitgeverij over de streep zou kunnen trekken. Tegelijkertijd speelde Praas, die diep teleurgesteld was door het laatste voorstel van de ABC, met de gedachte het tijdschrift op coöperatieve basis uit te geven. Af-

[p. 32]

komstig uit een familie, waar sterke sympathieën leefden voor de coöperatieve idealen, overwoog hij de mogelijkheid de exploitatie van het tijdschrift niet in handen van een commerciële uitgever te leggen, maar van de schrijvers zelf. Daarmee zouden manoeuvres zoals van de ABC, die in zijn ogen mede werden ingegeven door commerciële belangen, worden tegengegaan. In dezelfde periode werd trouwens ook de uitgeverij De Bezige Bij op coöperatieve basis opgericht.

Maar hoe het tijdschrift in de toekomst ook geëxploiteerd zou worden, van groot belang was dat er zoveel mogelijk jongeren aan mee zouden doen. Met de groepen rond Maecenas en Zaans Groen zou dat wel niet veel problemen opleveren: zij hadden al te kennen gegeven met Parade der Profeten te willen fuseren.

Dan was er nog een groep in Maastricht, die sinds mei 1944 het clandestiene blad Overtocht had uitgegeven. Deze kring bestond vooral uit Limburgse katholieken, die er het afgelopen jaar blijk van hadden gegeven naar zoveel mogelijk openheid te streven, maar die er waarschijnlijk niet voor zouden voelen in een landelijk, niet-confessioneel tijdschrift op te gaan. Overigens waren er na maart 1945 geen afleveringen van het blad meer verschenen.

Daarentegen leek er een behoorlijke kans te bestaan dat de schrijvers rond het Friese tijdschrift Podium er wel voor te vinden zouden zijn aan het nieuwe blad mee te werken. In februari was Wim Hijmans, die over het artistieke peil van Podium ontevreden was, uit de redactie van dit tijdschrift gestapt. De overblijvende redacteuren, Corrie van der Noord en Gerrit Meinsma, hadden hierna de al oudere Fokke Sierksma uitgenodigd de redactie te komen versterken. Sierksma, die theologiestudent en adjunctbibliothecaris van de klassieke Buma-bibliotheek te Leeuwarden was, had in die tijd met zijn zelfverzekerd optreden en helder omlijnde opvattingen een grote invloed op de Podium-jongeren. Toen hij tot de redactie toetrad, nam hij zijn vriend uit de illegaliteit, Pieter Kalma, mee. Dat Podium zou blijven verschijnen, leidde overigens bij de vroegere redacteur Wim Hijmans tot grote verontwaardiging. Samen met zijn vriend Peter van den Burch (schuilnaam van Peter Verhoeff) had hij geen goed woord voor de inhoud van het blad over en zij dachten erover in een eigen tijdschrift hun conflict met Podium uit te vechten.

Een signaal dat de vernieuwde Podium-redactie wel voor samenwerking met andere tijdschriften zou voelen, kwam op 18 mei uit Leeuwarden. Op die dag schreef Gerrit Meinsma aan de redactiesecretaresse van Zaans Groen, Mart Woudt: ‘Nederland bevrijd! Nog is het ons soms vreemd te moede, vooral in de laatste maanden waarin wij ook dikwijls onze gedach-

[p. 33]

ten lieten verwijlen bij ‘Zaans Groen’ en hun medewerkers. We kunnen nu dus legaal verschijnen. Diepgaande besprekingen met het Bureau voor Culturele Zaken hebben aan het licht gebracht, dat het wenselijk is de literaire bladen zoveel mogelijk samen te brengen. We hebben daartoe nu vanuit Lw. Het [het] initiatief genomen. Zoudt U in die richting met uw redactie besprekingen willen houden?’9

Kort na het ontvangen van deze brief ging Mart Woudt samen met haar broer Klaas en een andere medewerker van Zaans Groen, de jonge dichter Siem Sjollema, op een fiets en een gehuurde tandem en na twintig kilometer - toen de tandem het begaf- liftend met een Canadese jeep vanuit Zaandijk naar Leeuwarden voor een bezoek aan de Podium-groep. Klaas Woudt deelde hierover in 1979 mee: ‘We hadden het idee: wat we met Zaans Groen begonnen zijn, willen we landelijk uitbreiden.’ Over het gesprek zelf, waarbij een van de Friezen, die in handlijnkunde liefhebberde, nog zijn handafdruk maakte, vertelde Woudt: ‘Dat ging een beetje boven mijn pet allemaal. Ik was nog wat de uit de klei getrokken provinciaal. Ik geloof dat zij het idealistischer en theoretischer benaderden dan ik.’10

Via de Zaans Groen-redactie kwam nu ook een contact tot stand tussen de Podium-groep en die rond Parade der Profeten. Op 11 juni vroeg Gerrit Meinsma aan Ad. van Noppen, die van de redactie van de Parade deel uitmaakte: ‘Zou het geen aanbeveling verdienen een fusie tot stand te brengen tussen verschillende voormalig “illegaal” verschijnende leetterkundige [letterkundige] bladen?’1112 Dezelfde dag attendeerde Meinsma verscheidene uitgevers, onder wie de Haagse uitgever A.A.M. Stols, op het bestaan van Podium: hoe meer ijzers er in het vuur zouden liggen, des te beter zou het zijn!

Nog geen twee weken later ontmoetten een aantal jonge schrijvers uit de kring rond Podium en Parade der Profeten (uitgebreid met Maecenas en Zaans Groen) elkaar voor het eerst persoonlijk. In het Haka-gebouw te Jutphaas (dicht bij Utrecht), waar tijdens de oorlog de redactie van de Parade wel eens bijeengekomen was, werd in het weekend van 23 op 24 juni ‘een soort monstervergadering’ van ongeveer twintig personen gehouden. Tot de jongeren uit de Parade-groep die daarbij aanwezig waren, behoorden Jan Praas, die de bijeenkomst georganiseerd had, Frits Planije, Ad den Besten en de Leidse dichter Jan Vermeulen. Podium, waar het conflict tussen de redactie en de vroegere redacteur Wim Hijmans en diens vriend Peter van den Burch juist was bijgelegd - Van den Burch was redacteur geworden -, werd vertegenwoordigd door Fokke Sierksma, Pieter Kalma, Gerrit Meinsma en Peter van den Burch.

De bedoeling van de bijeenkomst was dus met elkaar te praten over de

[p. 34]

mogelijkheid een gezamenlijk jongerentijdschrift uit te geven. De redactie van de Parade kon er daarbij op wijzen dat ze al contact met een uitgeverij had, die mogelijkerwijs voor uitgave van een tijdschrift zou voelen, hoewel Praas zelf de voorkeur gaf aan een uitgave op coöperatieve basis. De Parade-groep had overigens nog niet de vereiste papiervergunning van het Militair Gezag, iets waarover de Podium-redactie al wel beschikte. Van Podium was enkele weken eerder het vierde nummer verschenen, waarin het essay ‘Doelstelling’ van Frank Wilders (ps. van Fokke Sierksma) was gepubliceerd. Daarin had Wilders zijn opvattingen over de literatuur van de jongeren na de oorlog in strijdbare termen geformuleerd. Dat geëngageerde essay werd nu door de groep rond Podium als een soort program beschouwd en aan de andere jongeren voorgelegd om bij wijze van lakmoesproef te kijken hoe ze daarop zouden reageren.

Jan Praas vertelde in 1979 over deze bijeenkomst: ‘Ik herinner me dat we daar boven op de eerste verdieping in zo'n vleugel hebben gezeten, aan alle kanten glas, achter grote tafels. En ik weet nog wel dat we vrij lang hebben gesproken over de naam die het nieuwe tijdschrift moest hebben, maar dat duidde er eigenlijk op dat er een zekere mate van overeenstemming was bereikt.’13

Ad den Besten herinnert zich dat de Friezen vooral dachten aan een literair-cultureel blad waarin ook aandacht aan de politiek zou worden besteed. De grondslag hiervan moest zijn: een weerbaar, gewapend humanisme. Den Besten: ‘In die termen dachten wij in die tijd eigenlijk helemaal niet. Je kunt zeggen: wij waren veel esthetischer.’14

's Nachts sliepen de deelnemers op de zolder van Praas' ouderlijk huis in Utrecht. Jan Vermeulen vertelde in 1984 over dit nachtelijk samenzijn: ‘Fokke Sierksma en ik hebben heel lang nog gedebatteerd over Marsman: vooral zijn bundel “Tempel en kruis”. Hij lag de hele tijd maar “Tempel en kruis” te citeren en ik was daar in die tijd niet zo van gecharmeerd. Er was een soort gezond wantrouwen tussen die Friezen en ons. Dat is eigenlijk altijd blijven bestaan volgens mij, hoewel het toch wel aardige jongens waren.’15

Dat de groep rond Podium en de anderen niet zo goed bij elkaar pasten, blijkt ook uit een brief die de Podium-redacteur Gerrit Meinsma ruim een week na de bijeenkomst, op 3 juli, in het Fries aan Marten Brouwer schreef. Brouwer, die pas zestien jaar oud was, had Podium in het laatste oorlogsjaar in Groningen verspreid. Meinsma berichtte hem: ‘Wy binne nei Utert ta west om oer fusy-plannen to praten mei oare “illegale” letterkundige blêden. It is nou foar inoar. Mar it is noch net sa wis, det Podium der ek by komt, hwent de jongere generaesje liket der net op sa as F[.] Wilders it foarstelt yn Doelstelling. Allegearre binne se der tsjinoer. Miskien is der wol

[p. 35]

hwet út to meitsjen, hwent der binne wol by dy't krekt sa tinke, mar it liket my net bêst ta.’ (‘Wij zijn naar Utrecht geweest om over fusieplannen te praten met andere “illegale” letterkundige bladen. Het is nu voor elkaar. Maar het is nog niet zo zeker, dat Podium er ook bij komt, want de jongere generatie komt niet overeen met het beeld dat F. Wilders ervan geeft in Doelstelling. Ze staan er allemaal lijnrecht tegenover. Misschien is er wel iets van te maken, want er zijn er wel bij die precies zo denken, maar het lijkt mij niet best toe.’)

Meinsma schreef verder over een eventuele fusie met de andere tijdschriften: ‘Wy moatte mar ris sjin. Wy geane noch mar troch.’16 (‘Wij moeten maar eens zien. Wij gaan voorlopig maar door.’)

Dat de Podium-redactie tijdens de bespreking grote twijfels had over de mogelijkheid van samenwerking, kan ook worden opgemaakt uit een brief die Fokke Sierksma enkele maanden later, op 29 september, aan de vroegere Parade-medewerker Albert Jan Govers schreef. Sierksma merkte hierin op: ‘Reeds dadelijk merkten wij in Utrecht, dat wij niet bij geestverwanten waren aangekomen.’ En verder: ‘[...] wij voelden, dat zij niet de lef hadden om uit de vicieuze cirkel te breken en het avontuur aan te durven van de honnête homme. Zij wilden in geen geval een tijdschrift, dat zich een doel stelde. Voor mijn gevoel zat daarachter ook de tendenz om ten koste van alles een tijdschrift te krijgen. En dat was iets dat ons minder kon schelen. Wij wilden ons zelf zijn in de eerste plaats, met of zonder tijdschrift. Toch besloten wij in eerste instantie om mee te doen, daar wij in geen geval spelbrekers wilden zijn en men ons uitdrukkelijk verzekerde, dat er voor ons plaats zou zijn.’17

De besluiten die in Jutphaas tijdens de vaak rumoerige vergadering genomen werden, hielden in dat Podium en de drie andere tijdschriften zouden fuseren tot één blad en dat Jan Praas voorlopig als redactiesecretaris zou optreden. Fokke Sierksma zou als vertegenwoordiger van de Podium-groep in de redactie worden opgenomen. Over de vraag wat de naam van het nieuwe tijdschrift zou worden, werd nog niets beslist: de naam Delta kon de Friezen, die trouwens geografisch met welke rivierendelta dan ook niets te maken hebben, niet bekoren. Aan de andere kant voelde de Parade-groep weinig voor de namen Facet en Ariël, die door Sierksma werden voorgesteld.

Een van de andere punten die tijdens de bijeenkomst ter sprake kwamen, was dat de Parade-groep - en daarin vooral Jan Praas - het toekomstige tijdschrift het liefst op coöperatieve basis wilde uitgeven, waartoe een stichting zou moeten worden gevormd: de vergadering vond trouwens plaats in een gebouw van de coöperatie! Praas stelde voor de schrijvers zelf het tijdschrift te laten exploiteren. De Podium-groep voelde hier weinig voor: ze vreesde

[p. 36]

dat de jongeren daarmee te grote financiële risico's zouden lopen. Ook hierover werd nog geen beslissing genomen. Wel werd afgesproken dat Klaas Woudt alvast circulaires voor abonnees en medewerkers zou drukken.

Eenheid in de tegenstellingen?

Intussen had de Haagse uitgever Stols op vrijdag 22 juni - de dag voordat de Podium-redactie naar de bijeenkomst te Jutphaas zou afreizen - aan Gerrit Meinsma geschreven dat hij met belangstelling van de inhoud van Podium had kennisgenomen, waarna hij opmerkte: ‘Wij voelen er wel wat voor om als uitgever van Uw blad op te treden en vernemen gaarne van U bijzonderheden, waarna we de zaak kunnen regelen.’18 Dat de Podium-redactie al vóór haar vertrek naar Jutphaas van deze brief op de hoogte is geweest, is onwaarschijnlijk gezien de traagheid van het postverkeer tussen Den Haag en Friesland kort na de oorlog.

Twee dagen nadat de bijeenkomst in Jutphaas beëindigd was, 26 juni, berichtte Jan Praas aan Gerrit Meinsma over een bezoek dat hij en Frits Planije aan het provinciale kantoor van het Militair Gezag gebracht hadden: ‘Planije en ik waren bij het m.g. om toestemming voor ons blad te verwerven. De beslissing valt uiterlijk begin volgende week. Ik telegrafeer Sierksma dan.’19

De beslissing over de vergunning werd inderdaad snel genomen, want ruim een week later, op 4 juli, deelde Praas aan Fokke Sierksma mee: ‘Gisteren kwam de toestemming van het m.g. binnen; enerzijds teleurstellend. Toewijzing nml. voor een maandblad van 24 pag., octavoformaat, 1000 ex. Dus veel minder dan jullie voor Podium hebben.’20 Praas deelde hierna mee dat hij de volgende dag naar Den Haag zou gaan om bij de centrale instantie van het Militair Gezag gedaan te krijgen dat het maandblad tweeëndertig bladzijden zou mogen tellen en in kwartoformaat zou kunnen worden uitgegeven.

Zoals we gezien hebben, voelde de Podium-redactie al in Jutphaas duidelijke verschillen tussen haar eigen houding tegenover de literatuur en die van de Parade-groep. Dat gevoel werd daarna gaandeweg sterker. Op 7 juli schreef Fokke Sierksma aan Praas en Planije over het concept van een verantwoording dat zij beiden voor het eerste nummer van het nieuwe tijdschrift geschreven hadden. Hoewel er volgens hem ‘beste dingen in het stuk’ stonden, was het voor zijn gevoel ‘te veel academisch vertoog geworden, dat verschillende standpunten voorzichtig confronteert en er een even voorzichtige synthese uit haalt’. Sierksma stelde daarom voor in de eerste aflevering een korte algemene verantwoording - hijzelf had er al een con-

[p. 37]

cept voor geschreven! - op te nemen, gevolgd door twee uitvoeriger beschouwingen: zijn eigen ‘Doelstelling’ uit het vierde nummer van Podium en het essay ‘Verengde kringen’ van Planije en Praas, dat in het najaar van 1944 in het gestencilde eerste poëzienummer van Parade der Profeten gepubliceerd was. Sierksma: ‘Wanneer wij nu, na een korte algemene verantwoording, beide stukken opnamen - ze komen toch bij een veel groter publiek en kunnen herplaatsing best verdragen, vooral omdat Verengde kringen alleen nog maar gestencild verschenen is - zou dat aan ons blad meteen een eigen karakter geven. Wij laten de eenheid in de tegenstellingen zien en geven daarmee tegelijkertijd aan, dat er voor allen plaats is. Daarbij zijn wij literair verantwoord.’21

De eenheid in de tegenstellingen! Het was vriendelijk geformuleerd, maar waren de tegenstellingen niet zo groot dat er van eenheid nauwelijks sprake zou zijn?

Dat er bij de Podium-redactie inderdaad stevige twijfels bestonden over een vruchtbare samenwerking met Praas en zijn vrienden, kan ook worden opgemaakt uit een brief van uitgever Stols aan Gerrit Meinsma op 6 juli, waarin hij schreef: ‘In antwoord op Uw brief van 3 Juli deelen wij U mede dat indien er van de voorgenomen fusie niets mocht komen, wij toch wel bereid zijn met U in zee te gaan. Wij wachten dus Uw verdere berichten maar even af.’22 Kennelijk had Meinsma in zijn brief aan Stols al betwijfeld of de fusie zou doorgaan.

‘What's in a name?’

Typerend voor de moeilijke relatie tussen de Parade- en de Podium-groep was ook het geharrewar rond de naam voor het nieuwe tijdschrift dat komische en welhaast kosmische proporties aannam. Op 26 juni - kort na de vergadering in Jutphaas - schreef Jan Praas aan Gerrit Meinsma: ‘Nadat jullie wegwaren vond Ad. den Besten een naam voor de periodiek, die ons allen zeer beviel, nml. “museion” (tempel der muzen). Ik hoop van harte dat ze ook bij jullie in de smaak valt. Sierksma vroeg ik jullie oordeel even door te geven aan Klaas Woudt, in verband met de circulaires aan abonné's en medewerkers.’23

De Podium-redactie bleek van Museion niet gecharmeerd. Op 2 juli maakte Sierksma in een brief aan Planije en Praas bezwaar tegen ‘het afgezaagde van deze naam’ - waarbij hij de schrijfwijze stilzwijgend verbeterde in Mouseion - en merkte hij op: ‘Welke naam jullie wilt nemen, kan mij niet veel schelen. Alleen zou ik hem graag oorspronkelijk en zinvol willen hebben. Een echt mouseion zou alle kunsten moeten omvatten, iets wat met

[p. 38]

Helikon niet het geval was. En onze productie hoopt toch iets meer te zijn dan de traditionele wijzen, die Apollo's olympische dameskapel sinds eeuwen speelt. Ze zijn zo oud geworden, die muzen; zij voelen zich toch altijd het best thuis bij Pindarus en Sophocles. Daar blijft hun kapsel onberispelijk zitten, terwijl het bij ons met onze onverwoestbare Westerse oneindigheidsdrang in de wind een warboel dreigt te worden. Kortom: ons tijdschrift zou in de literaire geschiedenis met deze naam een plaats krijgen als de vale museumvitrine voor de even vaal geworden gipsafdrukken van de eens levende zangeressen van Griekenland.’24

Twee dagen later, op 4 juli, antwoordde Praas aan Sierksma: ‘Vanmorgen ontving ik je derde brief, die de nekslag gaf aan Mouseion! Ongelijk geven kan ik jullie niet, alleen, wat is een betere naam. Eranos en Panspermia lijkt de lieden hier even matig als M. Het is echter zaak dat hierin spoedig een beslissing wordt genomen, al was het uitsluitend uit materiele [materiële] overwegingen (die trouwens toch even de doorslag zullen geven).’ Praas merkte hierna op: ‘Om verdere moeilijkheden te voorkomen stel ik nu voor: podium. Ik weet niets anders of beters en we kùnnen niet langer wachten. Vermoedelijk zijn tegen die naam van jullie kant geen bezwaren.’25

Dezelfde dag berichtte Praas aan Planije: ‘Sierksma en de andere Friezen willen geen mouseion; ik heb nu ten einde raad podium voorgesteld. Verder kunnen ze allemaal barsten.’26

Met dit voorstel van Praas, met hoeveel tegenzin ongetwijfeld ook gedaan, leek een oplossing in zicht te komen. Drie dagen later, 7 juli, schreef Sierksma aan Praas en Planije: ‘Natuurlijk hebben wij geen bezwaar tegen Podium. Dat is echter iets anders dan dat wij er enthousiast over zouden zijn. Een nieuwe naam was beter geweest. Facet en Ariël houden voor mij nog steeds hun charme. Soit. Met de naam Podium kunnen we waarschijnlijk meer bereiken.’27

Wie zou menen dat met de keuze voor de naam Podium de zaak beslist was, onderschat het talent van beide groepen om met elkaar van mening te verschillen. Op 10 juli schreef Jan Praas aan Gerrit Meinsma: ‘Gelijk hiermee schrijf ik Fokke in verband met de naam voor ons tijdschrift, waar de diverse lieden het nog niet over eens zijn blijkbaar. Ik gaf daarbij een grote lijst met titels; hopelijk is daar iets bij of inspireert het jullie tot een ander voorstel.’28

Een van de namen die nog ter sprake kwamen, was De Windroos, die door Albert Helman, adviseur van de ABC, tijdens een bespreking met Praas was voorgesteld. Die naam viel toen niet in goede aarde, maar Ad den Besten zou hem enkele jaren later gebruiken voor zijn bekende serie dichtbundels, waarin verscheidene Vijftigers zouden debuteren.

Uit de licht sarcastische toon in Praas' brieven over de naamskwestie

[p. 39]

blijkt dat hij er steeds meer door geïrriteerd raakte. Het moeizame gedoe rond de naam - het was langzamerhand een ‘running gag’ geworden! - droeg er niet toe bij zijn plezier in het tijdschrift te vergroten, integendeel. Op 4 juli - dezelfde dag waarop hij aan Sierksma de naam Podium voorstelde - schreef hij in een postscriptum bij een brief aan Planije: ‘Ik trek me geheel uit het tijdschrift terug. Ik ga studeren [...]. Jan Vermeulen verzoek ik redactie-secretaris te worden; hij lijkt er me de aangewezen man voor. - Nu ik dit besluit genomen heb voel ik me gelukkiger dan in tijden het geval is geweest.’29

Dat het besluit van Praas om zich uit het tijdschrift terug te trekken en zich weer aan de studie m.o. Nederlands te gaan wijden, vrij plotseling opgekomen was, blijkt uit de brief die hij eerder op die dag aan Sierksma geschreven had: daarin had hij opgemerkt dat hij zijn studie nog maar een jaar zou laten schieten, ‘want op het ogenblik gaat het tijdschrift vóór alles’.30 Overigens zou Praas zich - zoals weldra zou blijken - niet geheel uit het tijdschrift, dat tenslotte voor een groot deel zijn geesteskind was, terugtrekken. Hij bleef bij de voorbereidingen nauw betrokken, maar legde alleen de functie van redactiesecretaris neer.

Jan Vermeulen

Jan Vermeulen (1923-'85), die hierna redactiesecretaris van het nieuwe tijdschrift werd, was afkomstig uit Leiden. Hij bezocht daar de Gemeentelijke hbs, waar hij enige jaren lang een klasgenoot was van de latere schrijver Hans van Straten: tussen hen ontstond een vriendschap voor het leven. Nadat Vermeulen in de zomer van 1942 het diploma hbs-a behaald had, ging hij als jongste bediende werken bij de bekende Leidse boekhandel Burgersdijk & Niermans in de Breestraat. Daarnaast studeerde hij enige tijd Nederlands aan de School voor Taal- en Letterkunde in Den Haag.

Intussen had hij de poëzie van Gerrit Achterberg ontdekt, die een overweldigende indruk op hem maakte. In januari 1943 kwam hij met deze dichter, die kort daarvoor vanuit de Rekkense Inrichtingen naar de psychiatrische kliniek Rhijngeest te Oegstgeest was overgeplaatst, ook in persoonlijk contact. In de maanden hierna ontmoette Vermeulen Achterberg geregeld - zo ondernam hij in het voorjaar van 1943 samen met de dichter een expeditie naar diens ouderlijk huis te Neerlangbroek, waar ze een dichtgespijkerde kast, gevuld met ongepubliceerde gedichten van hem, aantroffen -, totdat Achterberg in augustus van dat jaar Rhijngeest weer verliet.

In de zomer van 1943 ontmoette Jan Vermeulen ook de twee jaar jongere Jan Wolkers, die toen aan de Leidse Schilderakademie studeerde. Wolkers

[p. 40]

zag in de etalage van Burgersdijk & Niermans een boek over de impressionisten liggen, waarin vooral een reproduktie van een danseres van Degas hem aantrok. Hij vertelde hierover in 1992: ‘Ik moest en zou de winkel in om te vragen of ik het boekwerk in mocht kijken. Toen ik, bijna wankelend om die schoonheid van roze tule en roze vlees tegen een achtergrond van een regenboog van verfijnde pasteltinten die als een waas op mijn netvlies leek te zitten, de winkel binnenging, kwam een dichterlijke jongeman met sluik blond haar en smalle lange handen als van een pianist me tegemoet. Hij was bijzonder hartelijk voor de door de schoonheid tot stamelen gedoemde schildersleerling. Toen hij begreep wat me bezielde boog hij zich de etalage in, en zette me op een stoel met het zware boek op mijn schoot. Hoe lang ik daar heb zitten kijken en bladeren, terwijl hij met gedempte stem klanten hielp en er een muur van gemurmel om me heen werd opgetrokken, weet ik niet meer precies, maar ik vraag me nog vaak met verwondering af hoe hij me voor sluitingstijd de winkel uit gekregen heeft.’31 Ook Wolkers en Vermeulen werden vrienden voor het leven.

In het voorjaar van 1944 moest Vermeulen, nadat hij zich aan gedwongen tewerkstelling in Wijk aan Zee onttrokken had, in zijn ouderlijk huis onderduiken. Hij sprak toen met Gerrit Achterberg af dat hij een keuze zou maken uit diens onuitgegeven gedichten om daarmee een nieuwe bundel samen te stellen. Dit werd de bundel Morendo , die hij in mei 1944 in vijfhonderd exemplaren publiceerde. Kort daarna startte Vermeulen, die de smaak van het uitgeven te pakken had gekregen, een eigen clandestiene reeks onder de naam Molenpers. In deze reeks zouden in het laatste oorlogsjaar twaalf uitgaven het licht zien, waaronder de dichtbundel Elf sonnetten op Friesland (1944) van Bertus Aafjes en de rijmprent Bevrijding (1945) van Jac. Vermeulen, de vader van Jan. Van Jan Vermeulen zelf verschenen in de Molenreeks de dichtbundels De terugtocht , die in de zomer van 1944 uitkwam, en Het ontoereikende , die in november van hetzelfde jaar het licht zag. De terugtocht, waarin zestien verzen uit de jaren 1941-'43 werden opgenomen, opende met een gedicht onder dezelfde titel:

 
Ik had vanavond naar het stadspark willen gaan
 
Om voorgoed af te rekenen met het verleden,
 
Maar 'k bracht het niet verder dan halverwege,
 
Toen heb ik voor een venster stilgestaan
 
Waar ik iemand piano hoorde spelen.
 
Achter de bomen wies een stille maan
 
En al het leed is van mij afgegleden.
 
Langzaam ben ik de weg naar huis gegaan.32
[p. 41]

In het najaar van 1944 - enkele maanden nadat De terugtocht verschenen was - kwam Jan Vermeulen in contact met Jan Praas, die in Utrecht bezig was bijdragen te verzamelen voor het eerste poëzienummer van Parade der profeten . Hoe dit contact tot stand is gekomen, is niet meer bekend: misschien gebeurde dit via de redactiesecretaris van de Parade, Ad. van Noppen, die in die tijd allerlei schrijvers aanschreef en die De terugtocht wellicht gelezen had. In ieder geval werden in het eerste poëzienummer van de Parade gedichten van Jan Vermeulen en van diens vriend Hans van Straten gepubliceerd. Van Straten was in juli 1944 wegens het verspreiden van een illegale krant door de Duitsers opgepakt.

Na de oorlog besloot Vermeulen zijn studie Nederlands niet meer voort te zetten - hij had er de afgelopen jaren weinig aan gedaan - en werk te zoeken bij een uitgeverij. Begin september 1945 zou hij ‘als een soort factotum’33 in dienst komen bij de Haagse uitgever Stols. Vermeulen vertelde in 1984 over hem: ‘In die tijd gold hij toch voor iedereen eigenlijk als dé literaire uitgever, want hij had Bloem, Roland Holst, Nijhoff in zijn fonds, Jan van Nijlen, noem maar op, en dat was ook de reden waarom ik bij hem wilde gaan werken.’

Een nieuw fusievoorstel

De dag nadat Praas voorgesteld had dat Vermeulen de redactiesecretaris van het nieuwe tijdschrift zou worden, werd de redactie van Podium benaderd met een ander fusievoorstel. Op 5 juli schreef de dichter Koos Schuur haar mede namens de romanschrijver Ferdinand Langen, dat zij beiden bij De Bezige Bij een nieuw tijdschrift, Het Woord , wilden uitgeven. Hij merkte op dat zij veel sympathie hadden voor Podium en hij vroeg of het mogelijk was tot samenwerking - of zelfs fusie - te komen. Daarmee zou versnippering van krachten worden tegengegaan.34

Op 11 juli reageerde Gerrit Meinsma namens de Podium-redactie op deze brief: ‘Het deed ons genoegen Uw brief te lezen [van] 5 dezer, waarin U samenwerking tussen onze bladen voorstelde. Was niet “De Bezige Bij” immers ook voor ons Noorderlingen het ideaal van een synthese tussen illegaliteit en cultuur? Ook wij zijn van mening, dat men literair Nederland in deze tijd maar niet willekeurig kan versnipperen. Hoewel onze oproep niet zonder effect is gebleven en wij reeds met enkele groepen besprekingen hebben gevoerd, die in een vrij gevorderd stadium zijn gekomen, lijkt het ons zeer vruchtbaar om mondeling met U verschillende mogelijkheden te bespreken. Op één ding zouden wij echter aan willen dringen: haast. Over drie weken zijn de meesten van ons met vacantie. Bovendien hebben andere

[p. 42]

plannen dan misschien een reeds te vaste vorm gekregen. En, hoewel podium reeds papier etc. heeft en er een behoorlijke hoeveelheid copie aanwezig is, zouden wij samenwerking zeer op prijs stellen, om de eenvoudige reden dat men niet tijdschriftje dient te spelen maar op onze plaats het volk te dienen. Uw brief leek ons van dezelfde mening uit te gaan.’35

Dezelfde dag schreef Meinsma aan Jan Praas over het aanbod van Koos Schuur: ‘Dezer dagen ontvingen wij, als de redactie van het voormalige Podium, een brief van de “Bezige Bij”, waarin zij hun instemming betuigden met het door ons geredigeerde blad en ons vroegen om fusie met het bij hen uit te geven tijdschrift.

‘Een man een man, een woord een woord - het spreekt vanzelf dat wij ons gegeven woord aan Parade en Zaans Groen gestand doen. Maar liggen er hier niet gemeenschappelijke mogelijkheden? En onderbrenging van Podium - het grote - bij de “Bezige Bij” zou bezwaren van jullie kant om een uitgever in de arm te nemen geheel te niet doen, daar deze uitgeverij coöperatief werkt en dus een waarborg biedt voor behoorlijke honoraria. Bovendien zou onze stichting door al de risico's gemakkelijk een catastrophe - vooral geldelijk - kunnen worden. En: Wie zal dat betalen zoete lieve Gerritje! Jullie en wij willen eenheid. Ook de lui van de “Bezige Bij” zijn jongeren. Wij horen dus bij elkaar. Hierbij komt nog dat het een stijlvol geheel zou zijn om als jongeren met elkaar de heel of half illegale traditie voort te zetten bij een illegale uitgeverij van een standing als de “Bezige Bij”. Als jullie ons vrij willen geven tot onderhandeling - het voorstel van hun zijde was aan het oude Podium - dan willen wij voorstellen om de gehele nieuwe Podium redactie over te brengen en twee van hen toe te voegen. Het allerbelangrijkste is wel dat we zo doende Hutjes-vorming en overbodige concurrentie vermijden en de literatuur dienen. Hoe groter, des te beter en mooier. En principiële bezwaren zullen er van jullie kant niet zijn, gezien jullie spiegel-standpunt.’ Met dit laatste bedoelde Meinsma dat het nieuwe tijdschrift volgens de Parade-groep geen bepaalde richting moest vertegenwoordigen, maar een ‘spiegel’ moest zijn van alles wat er door de jonge generatie geschreven werd.

Meinsma merkte verder op: ‘Graag zouden wij zo spoedig mogelijk bericht van jullie ontvangen; daarom dringen wij er ook op aan de zaak zo spoedig mogelijk te overpeinzen. Mede in naam van Sierksma stelde ik dit epistel op [...].’36

Jan Praas en - kort daarna - de nieuwe redactiesecretaris Jan Vermeulen voelden evenwel niets voor het voorstel van de Podium-redactie. De Bezige Bij - een coöperatieve uitgeverij! - was voor Praas wel aantrekkelijk, maar hij was bang dat bij een zo omvangrijke fusie het eigen karakter van de

[p. 43]

vriendenclub die de Parade-groep in feite was, verloren zou gaan. Het feit dat de Friezen bij de onderhandelingen de touwtjes in handen zouden hebben, versterkte dit gevoel nog.

Daarbij kwam dat de samenwerking met de Podium -groep tot dusver uiterst moeizaam verlopen was: Praas en Vermeulen hadden er eigenlijk geen zin meer in. Zou het niet beter zijn wanneer Sierksma en zijn vrienden met De Bezige Bij verder gingen en de Parade-groep - versterkt met de kring rond Maecenas en Zaans Groen - haar eigen weg zocht?

Op 17 juli schreef Vermeulen aan Planije een brief waarin hij voorstelde binnenkort een tweede landelijke conferentie te houden met alle vroegere redacties die bij het tijdschriftplan betrokken waren. Verder merkte hij op: ‘Mijn voorstel op de nieuwe conferentie zou o.a. zijn: i. Podium gaat samenwerken met de Bezige Bij (hierover straks uitleg) ii. Wij zetten het nieuwe tijdschrift voort in de geest van de oude Parade - alleen veel selectiever en mèt de goede medewerkers van Maecenas en Zaans Groen.

iii. Jan Praas komt in elk geval terug in de “gezuiverde” redactie - zij het ook niet als secretaris.

‘Commentaar bij punt i: Jan Praas stuurde mij een brief door van Meinsma uit Leeuwarden. Ik denk dat de inhoud ervan je nog onbekend is. Het komt in 't kort hierop neer, dat de Bezige Bij aan het oude Podium een voorstel tot fusie heeft gedaan. Jan kan hiermee absoluut niet accoord gaan - ik evenmin ik denk wel om dezelfde redenen.

‘Over dit alles uitvoeriger op de conferentie. Er is weer nieuw gedonder over de naam ontstaan - ditmaal v/d zijde van Zaans Groen. Het houdt niet op! Omdat de situatie met de dag verwarder wordt, leek het me noodzakelijk een nieuwe conferentie bijeen te roepen.’37

Zes dagen later, op 23 juli, deelde Vermeulen aan Planije mee dat de door hem uitgeschreven conferentie op zaterdagmiddag 28 juli zou plaatsvinden in het café-restaurant D' Vijff Vlieghen aan de Spuistraat te Amsterdam. Vermeulen: ‘Fokke Sierksma zal wel verstek laten gaan, maar je kunt tenslotte niet van hem vergen dat hij uit Leeuwarden komt.’38

De conferentie in Amsterdam

Hans van Straten schreef in 1985 over de bijeenkomst op 28 juli, waar hij samen met onder meer zijn vriend Jan Vermeulen heenging: ‘Jan V. en ik reisden naar A'dam in een open goederenwagon. Ook Jan Zitman was van de partij [...] en nog enkele anderen, ik ben vergeten wie. Het begon te regenen, maar er lag een zeil, waar wij onder kropen. Gezamenlijk hebben wij toen een sonnet gecomponeerd, waarvan alleen de eerste regel mij is bij-

[p. 44]

gebleven: “Het moet niet regenen in een open trein.” In A'dam troffen wij de Utrechters voor de deur van D' Vijff Vlieghen en begroetten hen luidkeels met: “Heil u, heil u, marcherende Profeten!” Omdat de tent nog gesloten was, begaven wij ons naar cafetaria De Bo¢k. Pas later gingen wij naar d.v.v.39 Jan Zitman was een Leidse dichter, die tijdens de oorlog aan de Parade had meegewerkt, terwijl het in de trein vervaardigde sonnet een parodie was op een vers van de Amsterdamse dichteres Willy Berg dat in de Parade verschenen was en dat begon met de regel: ‘Het moet niet regenen in een kleine stad...’ De uitroep ‘Heil u’ werd ontleend aan een spotvers van de Alkmaarse dichter Jan N. Grootenboers, eveneens uit de Parade.

Bij de bijeenkomst kwam Fokke Sierksma of een van de andere Podium-redacteuren inderdaad niet opdagen: zij hadden intussen besloten van een fusie met de Parade-groep af te zien. De belangrijkste reden hiervoor was dat de literaire opvattingen van beide groepen volgens hen te veel uiteenliepen, zoals duidelijk was gebleken bij de beoordeling van de ingezonden bijdragen. Op 29 september 1945 zou Sierksma hierover aan de vroegere Parade-medewerker Albert Jan Govers schrijven: ‘Spoedig bleek, dat er voor ons geen plaats was, om de eenvoudige reden, dat verzen, die zij goed vonden, voor ons besef belabberd waren en omgekeerd. Onze intuïtie bleek gelijk gehad te hebben. Daar wij onze goede wil hadden getoond, konden wij toen met ere er uit stappen. En wij voelden dat als een verademing; de fusie had ons, eenmaal terug in Leeuwarden en andere plaatsen in Ultima Thule, danig zwaar op de maag gelegen: wij voelden dat er iets niet klopte.’40

Nu de Podium-groep was afgevallen, werd in Amsterdam besloten dat het de voorkeur verdiende het nieuwe tijdschrift toch bij de Amsterdamsche Boek- en Courantmaatschappij te laten verschijnen: het idee van een uitgave op coöperatieve basis werd dus losgelaten - ongetwijfeld om financiële redenen. De directie van de ABC had weliswaar te kennen gegeven liever een literair blad van ouderen én jongeren uit te geven, maar was intussen tot de ontdekking gekomen dat veel ouderen hun medewerking al aan andere tijdschriften hadden toegezegd. Het feit dat de groep rond de Parade met andere jongeren versterkt was, vergrootte de kans dat het blad een succes zou worden.

Verder werd in Amsterdam afgesproken dat het eerste nummer op 1 september zou verschijnen en dat de redactie van het nieuwe tijdschrift zou bestaan uit Ad den Besten, C.A.G. Planije, Jan Praas, Paul van 't Veer en Jan Vermeulen. De laatste zou tegelijkertijd als redactiesecretaris blijven fungeren.

Wat hierbij opvalt is dat geen vertegenwoordiger van Zaans Groen in de redactie werd opgenomen - Klaas Woudt zou wel het drukken van het tijd-

[p. 45]

schrift op zich nemen - en ook dat namens het Haagse blad Maecenas niet Willem Karel van Loon - hij was op de vergadering in Amsterdam afwezig -, maar de jonge dichter en essayist Paul van 't Veer redacteur zou worden. Van Loon was immers de man geweest, die tijdens de Duitse bezetting het initiatief genomen had tot de oprichting van maar liefst drie opeenvolgende tijdschriften: Stijl, Maecenas en En Passant . Paul van 't Veer, die de vergadering in Amsterdam wel bijwoonde, had aan de beide laatste bladen meegewerkt.

Op de achtergrond hiervan speelde dat Van 't Veer weinig vertrouwen had in Van Loon als redacteur van het nieuwe tijdschrift. Op 4 juli 1945 berichtte Jan Praas aan Fokke Sierksma dat Van 't Veer hem hierover het volgende geschreven had: ‘De Haagse verhoudingen in de jonge kunstenaarswereld zijn als volgt. Vanaf ong. '43 werkten Rodenko, Messelaar, Goverts, onderget. en nog anderen mee aan Van Loon's Maecenas. Dit was noodzaak: M was het enige communicatiemiddel en Willem Karel van Loon een zeer actieve knaap - waarmee dan weer alles gezegd is, want hij praesteert au fond te weinig om een positie als redacteur (vertegenwoordiger van “litterairici”) te gedogen. Het “vertrouwelijk” van dit epistel is dat je liever niet met W.K. van Loon hierover moet spreken. Als mens is 't een geschikte, vlotte kerel en ruzie wil ik niet met hem hebben.’ Praas voegde hier met het oog op de samenstelling van de toekomstige redactie aan toe: ‘Ik hoop morgen in gesprekken met Van Loon en Van 't Veer [...] een beeld te krijgen van de juiste verhoudingen. Valt Van Loon af dan is Van 't Veer de enige die in aanmerking komt voor een red. post.’41 De daarop volgende dag zou Praas overigens niet naar Den Haag gaan om met Van Loon en Van 't Veer ove deze kwestie te praten.

Paul van 't Veer deelde in 1979 mee dat tijdens de bijeenkomst in Amsterdam de aanwezige jongeren niet veel voelden voor Van Loon als redacteur: ‘Ik denk dat ze toen zochten naar iemand uit Den Haag die misschien meer dan Willem Karel van wanten wist.’42

Over de naam die het tijdschrift zou krijgen, werd ook nu nog geen definitieve beslissing genomen. De volgende dag schreef Praas aan Planije, die op de vergadering niet aanwezig was geweest: ‘[...] we aarzelen tussen Atrium, Columbus, Delta. Morgen wordt beslist.’43 Het werd Columbus. Hans van Straten merkte in 1983 over deze naam op: ‘Die heb ik bedacht. We waren allemaal grote bewonderaars van Maurice Gilliams, wiens verzen werden verzameld in de bundel “Het verleden van Columbus”. Paul van 't Veer was er een bewonderaar van, Jan Praas, Jan Vermeulen. Dus dat werd Columbus.’44

Zoals in Amsterdam was afgesproken, verscheen in augustus een door de drukkerij van Klaas Woudt verzorgde circulaire, gericht aan ‘de medewer-

[p. 46]

kers van “Maecenas”, “Parade der Profeten”, “Zaans Groen”, en aan alle andere jonge Nederlandse letterkundigen’. Hierin werd meegedeeld: ‘Het is een verheugend verschijnsel, dat de redacties van bovengenoemde bladen bij het beëindigen der bezettingsperiode onmiddellijk pogingen in het werk hebben gesteld een gemeenschappelijk tijdschrift te stichten, waarin jong litterair Nederland uitingsmogelijkheid zou kunnen vinden.

‘Deze opzet is geslaagd en eind Augustus a.s. verschijnt reeds het eerste nummer van het litterair-cultureel maandblad

“Columbus”

Dit blad bedoelt te zijn een tijdschrift: geïllustreerd, zo mogelijk van behoorlijke omvang, typografisch uitstekend verzorgd. Wij zijn ons terdege bewust van de verantwoordelijke taak die wij hiermede op ons genomen hebben. Het gaat er immers om, de jonge generatie een eigen periodiek te bieden en daarmede ons deel bij te dragen aan de opbouw van onze cultuur.

‘Daarom doen wij een beroep op u, jonge auteurs, ons in staat te stellen een zo representatief mogelijk beeld te geven van de kansen en mogelijkheden onzer Nederlandse litteratuur.

‘Zendt ons uw werk! Maar ook: weest propagandist voor uw eigen blad, abonneert u!

‘Wij hopen spoedig persoonlijk met u in contact te komen.’45

De roode lantaarn

Kort hierna, in augustus 1945, verscheen het eerste nummer van een ander blad waartoe de ondernemende Jan Praas het initiatief genomen had: het bibliofiele tijdschrift De Roode Lantaarn , dat ook in het inleidend hoofdstuk ter sprake gekomen is.

Al tijdens de hongerwinter had Praas, die een grote liefde had voor fraai verzorgde boeken en bovendien vond dat in een tijdschrift literatuur en beeldende kunsten elkaar konden versterken, het idee gekregen dit blad op te richten. Op 25 februari 1945 had hij hierover aan Frits Planije geschreven: ‘Het ligt in m'n bedoeling te gaan uitgeven een klein bibliophiel periodiekje, met de hand gezet en gedrukt op mooi papier in ten hoogste 50 exemplaren, die ter beschikking moeten blijven voor onze vrienden en beste literaire relaties. Geén redactie.’ En: ‘Ik wil ± 7 mensen tot geregelde medewerking uitnodigen, niet meer [...].’46

Kort daarna besloot Praas het blad De Roode Lantaarn te noemen. Planije herinnert zich dat de naam verwees naar het satirische blad De Lantaarn van de achttiende-eeuwer Pieter van Woensel. Of het begrip ‘rode’

[p. 47]



illustratie
Omslag van De Roode Lantaarn.

[p. 48]



illustratie
Perskaart van Frits Planije, in de zomer van 1945 uitgegeven door de vroegere ondergrondse tijdschriften Zaans Groen en Parade der Profeten.



illustratie
Linosnede van Piet Wildschut bij een gedicht van Ad den Besten in De Roode Lantaarn.



illustratie
Ad den Besten.

[p. 49]

ook een politieke bijbetekenis heeft gehad, weet hij niet meer.47 Praas merkte hierover in 1979 op: ‘[...] ach, er was zoveel rood in 1945.’48

Op 17 maart 1945 schreef Praas ook Ad den Besten over De Roode Lantaarn : ‘Behalve jou, die ik hierbij uitnodig aan de “Roode Lantaarn” mee te werken, nodigde ik uit: Guillaume van der Graft, W.J. van der Molen, Frits Planije, Gerrit Kouwenaar. De zevende man komt nog. Het is de bedoeling dat deze zeven mensen het periodiekje hoofdzakelijk vullen, daarnaast zo nu en dan werk van anderen.’49

De eerste aflevering van De Roode Lantaarn verscheen in een oplage van honderd exemplaren en telde - afgezien van het omslag - twintig bladzijden. Het nummer is door een zetfout gedateerd: augustus 1495. Het blad verscheen zonder dat het Militair Gezag er papier voor beschikbaar gesteld had. Een van de zakenrelaties van Praas' vader, Frans van Amerongen - de directeur van de Amsterdamse drukkerij Dico, die tijdens de oorlog de illustraties voor Parade der Profeten had verzorgd -, had nog een riem papier liggen, waarvan bij het drukken van het tijdschrift gebruik gemaakt werd.

Op het omslag van De Roode Lantaarn, dat als ondertitel meekreeg ‘Litterair tijdschrift’, was een middeleeuwse monnik afgebeeld, schrijvend in een foliant. Daaromheen was een lantaarn getekend, waarvan de houder tegelijkertijd de eerste letter vormde van het woord ‘Lantaarn’.

Het eerste nummer bevatte uitsluitend gedichten en illustraties. De verzen waren van Thomas Vodijn (ps. van Karel Blom), Ad den Besten, Jan Praas, Paul van 't Veer, Guillaume van der Graft, Jan Vermeulen, W. Joh Barnard en Gerrit Kouwenaar. Van de laatste werden tien acht-regelige gedichten gepubliceerd. De Roode Lantaarn was verder typografisch fraai verzorgd. In het eerste nummer werden illustraties opgenomen van Joost Baljeu, Wouter G. Spitzers en Piet Wildschut, die ook al aan Parade der Profeten hadden meegewerkt.

De Roode Lantaarn viel bij de redactie van Podium niet erg in de smaak. Dat kan worden afgeleid uit een brief die de redacteur van dit blad Peter van den Burch op 28 augustus aan Ad den Besten schreef. In deze brief, waarin hij ook inging op de mislukte fusiebesprekingen tussen de Podium- en de Parade-groep, merkte hij op: ‘Ik zal volkomen eerlijk zijn en dus beginnen met te erkennen dat jullie formeel bereikt hebben wat bereikt moest worden. Wij van Podium hebben de weg gevolgd die wij meenden te moeten volgen en zijn blijkbaar de Westerse gewoonten in aanmerking genomen (met W-se gew. bedoel ik de big-bussinessgeest [big-businessgeest] die daar en vooral in A[']dam, te constateren valt) te openhartig en vooral te consequent geweest. Wij hebben in zo verre onze zin gekregen dat niet een Stichting ontstond, maar een uitgever opgezocht werd, questie die toch de aan-

[p. 50]

leiding tot het conflict was, maar: aanleiding en niet meer. En wij zouden ook ruiterlijk amende honorable gedaan hebben als de zaak niet dieper ging.’

Toen Van den Burch deze brief schreef, had Podium nog geen uitgever terwijl de bespreking met de redactie van Het Woord over samenwerking - vandaar de opmerking over de ‘big-bussinessgeest’ in Amsterdam? - op niets was uitgelopen. Mogelijk kan hieruit de enigszins teleurgestelde toon van deze brief verklaard worden.

Van den Burch schreef verder: ‘Jullie hebben formeel veel, ideëel bitter weinig bereikt. Ook uit jullie circulaire aan de medewerkers blijkt dat Columbus zonder meer orgaan van alle jongeren hoopt te worden. En ik ben er zeker van dat jullie program (als dat er ooit komt) los zand zal blijken. Podium hoopt hartstochtelijk partij te kiezen. En Ad, als Columbus de geest ademt van De roode lantaarn, en ik ben bang dat dit het geval zal blijken dan komt Columbus de haven niet eens uit.’50

‘Nog niet voldoende groene zeep’

Met zijn laatste opmerking leek Van den Burch meer gelijk te krijgen dan zelfs hij vermoed zal hebben. De voorbereidingen voor het eerste nummer van Columbus, dat begin september zou moeten verschijnen, gingen - zacht gezegd - niet van een leien dakje. Zo was tijdens de vergadering in Amsterdam afgesproken dat aan Frits Planije gevraagd zou worden een verantwoording voor de eerste aflevering te schrijven. Hij kon daarbij gebruik maken van een concept dat hij en Jan Praas al in januari geschreven hadden. Maar Planije, die weer druk aan het studeren was en wiens geestdrift voor het tijdschrift de laatste maanden danig was bekoeld, kwam er niet toe. Op 6 augustus schreef Praas hierover aan Ad den Besten: ‘Vanavond ontving ik laat een brief van Frits, waarin ik de Verantwoording voor Columbus vermoedde. Helaas... Bijgaande stukken ontvielen aan de enveloppe en daarna aan mijn hand: Het oude in Januari opgestelde concept van Frits en mij, enkele aantekeningen erbij en een no. van Podium.’

Praas vervolgde: ‘Het trieste geraamte voor wat twee pagina's sobere maar programmatische tekst dient te worden.

‘Zou jij... Ik durf bijna niet bij je aan te komen, nu van alle kanten een lawine van Columbus-werk op je neerdaalt. Zou jij die twee bladz. willen samenstellen? Daartoe hierbij de gegevens, die je naar hartelust kunt aanvullen, zolang het geheel tenminste strak en fors blijft.

‘Je kunt het onmiddellijk opzenden naar Klaas. Wij lezen het wel in het eerste nummer.’51 Vooral de laatste zin - vier van de vijf redacteuren zouden

[p. 51]



illustratie
Affiche voor Columbus-middag in Leiden.

[p. 52]



illustratie
Columbus-middag in Leiden, 8 september 1945. Zittend van links naar rechts: Jan Zitman, Jan Praas, Jan Vermeulen en Willem Karel van Loon. Staand van links naar rechts: Wout Blok, Thomas Vodijn, André van Holk, Hans van Straten, Carla Scheidler, Eb van de Beld en Gerard Messelaar. Foto Maarten Zaalberg.



illustratie
Hans Warren, in een (te krappe) witte trui van Jan Vermeulen, op bezoek in diens kamer thuis in Leiden. Foto Jan Vermeulen.

[p. 53]

hun eigen verantwoording pas bij het verschijnen van het blad onder ogen krijgen! - is om zijn laconieke toon veelzeggend voor het gebrek aan enthousiasme waarmee althans Praas op dat moment over Columbus dacht.

Ook verder vlotte het niet erg met de voorbereiding voor de eerste aflevering. Op 15 augustus schreef Jan Praas aan Hans van Straten: ‘Morgen te 12 uur is er een bespreking tussen redactie, drukker en uitgever bij de A.B.C. Veenstra schrijft me dat de zaak stroef loopt, waarom snap ik niet.’52 Tien dagen later telegrafeerde Ad den Besten aan Frits Planije: ‘Ik ga vanavond met trein 17.45 naar Leiden kom ook moeilijkheden.’53 En op 14 september - twee weken na de geplande verschijningsdatum! - noteerde Praas op een briefkaart aan Van Straten: ‘Er schijnt nog niet voldoende groene zeep te zijn om Columbus van stapel te laten lopen. Of ontbreekt de fles champagne?’54

Het eerste openbare optreden van de schrijvers rond Columbus had intussen op zaterdagmiddag 8 september plaatsgevonden in het gebouw Gerecht 10 te Leiden. Vier dagen later merkte Hans van Straten hierover in een brief aan Ad den Besten op: ‘Onze middag is zeker geslaagd. Persbeschouwingen zijn nog niet verschenen [...].’55 Dat Van Straten, die tijdens de bijeenkomst in het koele, vochtige lokaal pleuritis opliep, de middag ‘geslaagd’ noemde, mag wel als overtuigend bewijs van zijn liefde voor de literatuur gelden.

Jan Praas schreef later over de bijeenkomst: ‘Van enige schroom was bij de jeugdige literaten niets te merken, getuige de onderwerpen van de inleiders. Jan Vermeulen sprak over “Dichter en wereld”, Jan Zitman over “Zoeklichten naar richtlijnen”, ikzelf over “Anderhalf jaar literatuurgeschiedenis”! In een aftands zaaltje stonden de dichters achter een kathedertje hun verzen te lezen voor een begripvol, bescheiden publiek.’56 Tot deze dichters behoorden ook de schrijvers uit de Maecenas -groep Willem Karel van Loon, Gerard Messelaar en de kort daarvoor uit een Duits werkkamp teruggekeerde Eb van de Beld.

Het weekend op de Assumburg

Intussen was het plan ontstaan om de medewerkers van Columbus met elkaar in contact te brengen tijdens een weekend, dat op 6 en 7 oktober gehouden zou worden op de Assumburg, een kasteel, dat dichtbij de Noordhollandse gemeente Heemskerk ligt en als jeugdherberg wordt gebruikt. Begin september werd door Klaas Woudt een gedrukte uitnodiging rondgestuurd, waarin over het programma werd meegedeeld: ‘De groep “Zaans Groen” zal de eerste avond verzorgen met muziek en voordracht. Verder

[p. 54]



illustratie
Brief over het weekend op de Assumburg.

[p. 55]

staan op het programma een lezing door een bekend kunstenaar, wandeltochten, de vergadering voor illustratoren, een kampvuur, en een bonte avond (het ligt namelijk in de bedoeling dat het gezelschap Maandagmorgen weer vertrekt). Voor deze bonte avond vragen wij aller medewerking.’57

Begin oktober werd nog een brief met nadere bijzonderheden over het weekend verzonden. In deze brief - een mooi tijdsdocument, waarin vooral de schaarste van kort na de oorlog opvalt - werd opgemerkt: ‘Assumburg bezit wel bedden, maar dekens zijn er niet. Neemt deze dus mee, evenals een slaapzak of een laken met een sloop. Bij een Uitgeester bakker bestelden wij brood, neemt dus bonnen mee en geen boterhammen. Wel boter!, en liefst wat broodbelegging. Eetgerei, d.w.z. bord, mes, vork en lepel, moet worden meegenomen.’ En verder: ‘Het programma is nog uitgebreid met een voetbalwedstrijd tussen Utrechtse en Zuidhollandse po-eten [poëten]. De “bonte avond” wordt, zo mogelijk, bij een kampvuur gehouden. Alle bijdragen zijn welkom. Dichters die op de eerste (dit is niet de “bonte”) avond uit eigen werk willen lezen, kunnen dit Zaterdagmiddag nog opgeven.’58

Een van de deelnemers aan het weekend was de Zeeuwse dichter Hans Warren, die tijdens de oorlog aan Maecenas had meegewerkt. Warren, die samen met Jan Vermeulen per trein uit Leiden was gekomen, schreef in zijn dagboek over de aankomst op het station van Uitgeest: ‘Direct na het uitstappen hadden we contact met anderen. Jan kende velen van hen, en de onbekenden herkenden we aan valiezen, lange haren of andere artistieke uiterlijke kentekenen.

‘Van de velen die me op het perron de hand drukten herinner ik me alleen Adriaan Morriën, een heel lange, soepele kerel met lang krullend haar, een opvallende bril en iets breekbaars over zijn hele wezen. Hij was de “bekende kunstenaar” die een lezing zou houden. Verder: Mart Woudt in haar vuurrode trui en met haar felblonde haardos en gulle, noordelijke lach. Twee sterk opgemaakte kleine meisjes, waarvan éen in een pompeus bontjasje, dat waren de dametjes Scheidler, en dan Frans Obers, zich aandienend onder het lachwekkend pseudoniem Babylon, een vrij knappe, kleine jongeman met mooi haar, die toch een onaangename herinnering bij me heeft nagelaten.

‘Het weer, in de morgen vrij belovend, was verzuurd; uit de sombere, lage wolken viel af en toe een spat.’59

En over de aankomst op het kasteel: ‘In de hal was een hele drukte. Er hingen monsterlijke schilderijen die vooral opvielen door het luide geklapper dat ze met hun in de tocht trillende doek tegen de wanden veroorzaakten, en ik herkende Ammy de Muynck, aan haar gebogen neus en vooruitstekende tanden. Eer ik haar kon begroeten werden mijn handen gedrukt

[p. 56]

door die van een lange, bleke jongeman met een zorgelijk-decadent, niet onknap gezicht onder een lange, krullende Apollopruik. Zacht, geanimeerd zei hij: “Ik ben Wim van Loon”.’60 Met hem was Hans Warren in juni 1944 door een advertentie in het weekblad Haagsche Post in contact gekomen, wat ertoe leidde dat Warren in november van dat jaar met een gedicht in Maecenas debuteerde.

Warren vervolgde: ‘In de grote zaal, een recreatieruimte, hoorde ik spoedig bij een coterie die rond éen tafel bijeenbleef, en waartoe behalve Van Loon, Vermeulen en Ammy ook als vaste leden behoorden Paul Rodenko en Gerard Messelaar. Tussen Paul en mij ontstond direct een band; ik bewonderde de dingen die ik van hem gelezen had, en hij zag iets in mijn werk. Misschien een beetje zonder woorden voelden we ons beiden outsiders. Paul is lang, niet onknap, hij heeft een geelbleke huid en fijne, slavische gelaatstrekken. Hij spreekt buitengewoon beschaafd Nederlands met een iets uitheemse tongval, maar hij hort, zoekt, stottert tijdens het spreken, het lijkt of hij tasten moet naar de juiste woorden. Hij liep daar als een volmaakte kosmopoliet, boeiend in alles.’61

Over de zaterdagavond: ‘Na eten, eindeloze debatten, voordrachten, waren we naar de slaapzalen gegaan. Alle bruikbare, met linnen omhulde matrassen werden naar de vrouwenzaal gebracht, de mannen stelden zich tevreden met de strozakken die hard en stekelig waren, en met stugge paardedekens. Stiekem waren een paar amoureuze afspraken gemaakt, naar later bleek; er kwam een hoop last van.’62

Jan Vermeulen deelde in 1984 mee: ‘Dat was inderdaad een heel komische ervaring. Een waanzinnige toestand natuurlijk met een jeugdherbergvader en -moeder. De meisjes en de jongens, de bokken en de schapen zo van elkaar gescheiden in een oud kasteel, heel middeleeuws, en natuurlijk gewoon de bekende slaapzaal-geintjes van kussengevechten en pornografische poëzie declameren in bed. Willem Hermans heeft toen een gedicht geciteerd, dat maakte een grote indruk op ons. Dat begon met: “Wanneer mijn lief op haar handen staat...”. Hij was in onze ogen veel verder dan wij, want wij waren toch allemaal nogal brave, burgerlijke jongetjes. We keken erg tegen hem op, toen al. En iedereen probeerde natuurlijk ook een duit in het zakje te doen, en zo begon het een beetje. Baldadigheid, mensen die stierven van de honger - want het was natuurlijk vlak na de oorlog, dus iedereen was half ondervoed -, dus eerst ging een groepje mensen stiekem naar de keukens om daar broden te bemachtigen, en die kwamen weer op de slaapzalen met halve broden. Maar Hermans, Van der Molen, Praas en ik hadden meer erotische avonturen in onze gedachten en wij zijn in het donker naar die meisjeszalen geslopen en zorgden daar voor de nodige paniek.’

[p. 57]

Carla Scheidler, die in de oorlog redactrice was geweest van Parade der Profeten en tijdens het weekend op de Assumburg samen met haar zus Willy een gavotte danste, vertelde in 1979: ‘Willem Hermans, die verscheen 's nachts op de meisjesslaapzaal, daar lag ik ook, en in het donker ging hij op het bed van een willekeurige dame zitten en deed daar dus minder eerbare voorstellen. En die dame werd ontzettend kwaad en zei: “Wat denkt u wel?” en “Mijn man is hier!” Toen zei Willem: “Nou, dat geeft toch niks.” En toen werd ze pas goed kwaad en stapte uit bed en deed het licht aan. Toen heeft ze die herbergvader van Assumburg gewaarschuwd en ja, toen is de volgende morgen de marechaussee gekomen en die nam Willem mee. Toen was voor ons allemaal de pret er een beetje af.’63

Willem Frederik Hermans vertelde in 1987 over de nachtelijke escapade: ‘We hadden natuurlijk het een en ander gedronken. En dat meisje was getrouwd met een zeer gereformeerde dichter, die daar ook was, en die is dus naar de politie gelopen. Die heeft de zaak verschrikkelijk opgeblazen. Het was meer branie dan ernst.’

En verder: ‘De marechaussee is gekomen, maar ik was niet de enige die erbij betrokken was. Ik geloof: ook Van der Molen en anderen. Wij werden in het kamertje van de herbergvader gehaald - dat herinner ik me - en toen werden we verhoord door die marechaussee. In die tijd had je nog een persoonsbewijs: dat was uit de oorlog, maar dat moest je toen nog hebben. Die marechaussee vroeg dus om mijn persoonsbewijs en daarop stond als beroep: “assistent bij het hoger onderwijs”. Toen zei die marechaussee: “Meneer, ik zie hier op uw persoonsbewijs, dat u assistent bij het hoger onderwijs bent. U moest toch verstandiger wezen.” Daarmee was het afgelopen.’64 Hermans herinnert zich niet dat hij door de marechaussee werd meegenomen.

Hans van Straten, die door zijn pleuritis niet op de Assumburg aanwezig kon zijn, schreef kort daarna een ballade in zesendertig strofen, getiteld ‘De maagdenmoord van de Assumburg’. In dit - grotendeels aan zijn romantische fantasie ontsproten - gedicht rijmde hij:

 
Wim Hermans werd ruw beetgepakt
 
en op een kamerpot gekwakt.
 
 
 
Als in een oud chanson de geste
 
riep hij: Val jij maar dood, Den Besten!
 
 
 
Vermeulen had het zwaar benauwd
 
en kreet Genade, ik ben getrouwd!
[p. 58]
 
Jan Praas schoot met een reuzevaart
 
dwars door de hekjes van de haard.
 
 
 
Hij zwaaide met zijn achterlader
 
en riep maar telkens Sterf, verrader!
 
 
 
Maar alle rovers moesten mee
 
naar Alkmaar naar de marechaussee.
 
 
 
En toen ze aan de galleg hingen,
 
ging men Lang zal die leven zingen.
 
 
 
Maar Van der Molen was abuis
 
en zong We gaan nog niet naar huis.
 
 
 
Dat was het einde van de bende
 
die meelij noch genade kende.
 
 
 
Dus burgers, gij begrijpt mij wel,
 
geeft iets voor Neerlands Volksherstel.65

Dat ook de weg naar literaire roem soms via het ledikant kan lopen, bleek ook weer bij deze gelegenheid. Een van de dichters wiens vriendin die nacht mede het doelwit van de amoureuze expeditie was geweest, protesteerde heftig, waarna hem beloofd werd dat hij in Columbus zijn poëtisch debuut zou mogen maken! Dit debuut vond in het nummer van december 1945 plaats.

Gemengde herinneringen aan het weekend had ook Hans Warren, die nader contact had gezocht met een van de bezoekers - Marcel Paap uit Amsterdam -, die hem met zijn exotisch uiterlijk en ongewone optreden had geboeid. In zijn dagboek noteerde Warren: ‘De anderen stelden zich duidelijk tussen ons op, dat irriteerde me, en toen Marcel even wat afdwaalde, spelend met een kleine bruine hond, kwam het heel grof: “Wat zoek je bij die vent, je weet toch wel dat het een homo is, daar moet je niet mee omgaan, kom mee met ons, vooruit!”’66

Twee dagen na het weekend, op 9 oktober, schreef Ad den Besten aan Hans van Straten: ‘Inderdaad, de Assumburg is achter de rug. Welke vervelende dingen zich hebben voorgedaan, zul je van Jan wel hebben vernomen. Voor mijn gevoel is daardoor het hele weekend verpest, al mag ik niet ontkennen, dat wij een zeer pleizierige Zondagavond hebben gehad, die feitelijk unaniem nog geslaagder dan de vorige werd bevonden.’67

[p. 59]

Afgezien van wat tijdens het weekend op de Assumburg besproken is, zal dit samentreffen nog in minstens één opzicht van belang zijn geweest. De nachtelijke escapade van enkele dichters en de politionele actie daarna, die zo'n aardige kijk op die tijd geven, riepen onder de aanwezige jongeren allerlei reacties op: sommigen keurden de expeditie naar de meisjesslaapzaal af, anderen de komst van de marechaussee! In ieder geval bleek hieruit een zeker verschil in mentaliteit. Het lijkt me aannemelijk dat enkele Utrechtse dichters met minder plezier terugkeken op wat zich in het kasteel had afgespeeld - de brief van Den Besten geeft daar een aanwijzing voor - dan Jan Vermeulen, wiens vriend Hans van Straten er de eerder genoemde ballade over schreef. Latere tegenstellingen tussen enkele Utrechtse redacteuren aan de ene kant en Vermeulen en Van Straten aan de andere kant kunnen er mede door worden verklaard.

Tijdens het weekend op de Assumburg zal ongetwijfeld ook gesproken zijn over het feit dat Columbus - meer dan een maand na de afgesproken datum! - nog altijd niet verschenen was. Dit in tegenstelling tot Podium , waarvan het eerste nummer van de nieuwe jaargang intussen al was uitgekomen.

Ook hierna moesten de jongeren rond Columbus nog enige tijd geduld oefenen. Op 11 oktober schreef Jan Vermeulen aan Frits Planije: ‘De situatie van Columbus is critiek!’68 En op dezelfde dag stelde Jan Praas in een brief aan Hans van Straten als diagnose: ‘Het embryo van Columbus lijkt me al zachtmoedig gesmoord.’69

Columbus verschijnt

Ruim twee weken later, op vrijdag 26 oktober, kon Jan Praas aan Ad den Besten berichten: ‘Klaas vertelde mij vanmiddag telefonisch dat “Columbus” gereed is. Hij verwacht dat ze Maandag bezorgd worden.’70 Zoals eerder werd vermeld, verzorgde Klaas Woudt het drukken van Columbus.

Deze eerste aflevering, die