terug  begin  verderprepost
[p. 111]

Hoofdstuk 2
Proloog: tussen droom en daad...

In het najaar van 1945 kreeg Nederland te maken met een ware geboortengolf van nieuwe literaire tijdschriften. Sommige daarvan, zoals Columbus, waren min of meer een voortzetting van clandestiene bladen uit de bezettingstijd, terwijl andere na de bevrijding voor het eerst verschenen. Tot deze laatste groep van bladen behoorde het literaire tijdschrift Proloog, dat in november 1945 het levenslicht aanschouwde. Het idee om dit tijdschrift op te richten was tijdens de oorlog bij de jonge dichter en prozaïst Jan Spierdijk ontstaan.

Jan Spierdijk was in 1919 te Amsterdam geboren. In de jaren dertig bezocht hij de Ruysdael-mulo, waar veel joodse kinderen op zaten. Samen met een vroegere medeleerling, David Bonn, begon hij na zijn schooltijd een zelf vervaardigd, gestencild blad te verspreiden, dat Opgang heette en waarin felle stukken stonden tegen het nationaal-socialisme. Door bemiddeling van een nicht van de componist en schrijver Bob Hanf, Brigitte Hanf, die in Keulen woonde en met wie Spierdijk tijdens een fietstocht door Vlaanderen in contact gekomen was, slaagde hij er zelfs in zijn blad aan joodse abonnees in Duitsland te doen toekomen.

Op 13 juli 1942 - Spierdijk was een jaar daarvoor getrouwd en woonde sindsdien aan de Amsterdamse Prinsengracht tussen Noorder- en Westerkerk - werd hij door twee sd'ers gearresteerd en als een van de jongste gijzelaars naar het groot seminarie in het Noordbrabantse dorp Haaren gebracht. In dit gijzelaarskamp, waar een bloeiend verenigingsleven bestond, werd hij secretaris van de bibliotheek en droeg hij voor een gezelschap medegijzelaars geregeld gedichten voor.

Spierdijk, die in vroeger jaren wel eens samen met de wat oudere dichters Han G. Hoekstra en Jan Campert het nachtelijk Amsterdam had verkend, zag in Haaren plotseling Campert, die daar in de gevangenis verbleef. Spierdijk vertelde in 1983: ‘Toen zag ik een man lopen in een vale regenjas. Ik zie het nog voor me, hoe hij daar werd uitgelaten op de binnenplaats met een heleboel anderen.’1 Enkele maanden later, in januari 1943, zou Campert in het Duitse concentratiekamp Neuengamme om het leven komen.

Kort vóór Kerstmis 1942 werd Spierdijk vrijgelaten, waarna hij diverse kantoorbaantjes had en in het hele land lezingen begon te houden over

[p. 112]

Engelse literatuur. Het huis van Jan Spierdijk en zijn vrouw Anneke aan de Prinsengracht werd in die laatste bezettingsjaren een trefpunt voor veel jonge schrijvers. Spierdijk, die zich tijdens de oorlog gretig in het hoofdstedelijke bohème-leven stortte, vertelde; ‘In dat kleine huisje met zijn twee kamers en een keukentje hadden we toch vaak nog heel mooie feesten. Mijn vrouw speelde piano, ik zong Schubert, veel jonge schrijvers kwamen uit Groningen: Koos Schuur en Ab Visser zijn er wel geweest en Eddy Evenhuis.’ Ook Ferdinand Langen, Albert Redeker en de Amsterdammer Jan Elburg kwamen bij hen over de vloer.

Intussen schreef Spierdijk gedichten, waarvan er een aantal werd opgenomen in zijn eerste dichtbundel, xvi Sonnetten. Deze uitgave verscheen in 1944 bij de clandestiene Bayard Pers van F.G. Kroonder te Bussum. Het openingsvers van deze bundel vol melancholische poëzie is getiteld ‘Herfst in Amsterdam’:

 
Draalde de herfst, nu hangt de eerste regen
 
Huiv'rig en teder om de oude stad.
 
De avond valt en komt mistroostig wegen
 
Op moede grachten en op 't moede hart.
 
 
 
Er is nu niet meer zoveel aan gelegen,
 
Dat 't leven mij verwierp en heeft verward.
 
Ik wandel en gelaten druilt de regen.
 
Ik wandel en gelaten druilt mijn hart.
 
 
 
En slechts de moeden gaan nog langs de grachten
 
Verregend en vereenzaamd als de bomen.
 
Als blaren vallen hun de laatste dromen,
 
Als takken breken hun de laatste klachten.
 
Zij weten niet meer dat zij verder gaan,
 
Zij kunnen zelfs elkaar niet meer verstaan.2

In de zomer van 1944 zou Spierdijk ook de korte roman Het dierbaar landschap schrijven, die zich gedeeltelijk in het Amsterdamse kunstenaarsmilieu afspeelt. Deze roman zou na de oorlog, in 1946, worden gepubliceerd.

Intussen had Spierdijk, hiertoe gestimuleerd door zijn vele contacten met kunstenaars, het plan opgevat om na de bevrijding een blad - speciaal voor jonge schrijvers - op te richten. Hij sprak erover met zijn vriend Han Hoekstra, die enthousiast op zijn plan reageerde, en met de jonge dichter Max Schuchart, die tijdens de oorlog aan de Rijnstraat te Amsterdam

[p. 113]

woonde en met wie Spierdijk - misschien via hun wederzijdse vriend Max Dendermonde, mogelijk ook in café Eylders bij het Leidseplein - kennis gemaakt had. Schuchart zegde hem zijn medewerking toe.

Max Schuchart, die in 1920 te Rotterdam geboren was, had een groot deel van zijn jeugd in Nijmegen doorgebracht, waar hij de hbs had bezocht. In die jaren werkte hij mee aan Contact , een landelijk maandblad voor middelbare scholieren. In de zomer van 1939 vertrok Schuchart, die journalist wilde worden, naar Londen, om aan de universiteit colleges in de journalistiek te gaan volgen, maar in augustus keerde hij in verband met de oorlogsdreiging naar Nederland terug. In die tijd ontdekte hij de poëzie van J. Greshoff, waarvan vooral de ironie hem boeide, en begon hij ook zelf gedichten te schrijven.

Kort nadat ook Nederland bij de oorlog betrokken was geraakt, kwam Schuchart in contact met Victor E. van Vriesland, die hem aanmoedigde met schrijven verder te gaan en hem een soort colleges gaf over literatuur. Nadat Van Vriesland naar het Noordhollandse kunstenaarsdorp Bergen verhuisd was, kwam Schuchart ruim een half jaar als ‘secretaris’ bij hem logeren. Hij typte daar brieven, die door Van Vriesland gedicteerd werden: ‘vaak tot diep in de nacht, want Victor verliet het slaapvertrek pas aan het einde van de middag!’3

In Bergen ontmoette Schuchart voor het eerst zijn latere mederedacteur Henk Scheepmaker, die ook korte tijd bij Van Vriesland logeerde. In die periode kwam Schuchart verder in contact met de oudere dichter Eric van der Steen (ps. van Dirk Zijlstra), die in Alkmaar woonde en met wiens werk Schuchart een grote verwantschap voelde. Samen met Van der Steen schreef hij tijdens de bezettingsjaren een reeks verzen, die in 1946 in de gezamenlijke bundel Vice versa zouden worden gepubliceerd.

In juni 1943 verscheen - in eigen beheer en clandestien - Schucharts eerste dichtbundel, Zwarte verzen , die door drukkerij De Boer te Den Helder in vijfenzeventig exemplaren gedrukt was. Schuchart deelde hierover in 1984 mee: ‘“Zwarte verzen” was een dubbelzinnige titel. Ze waren dus zwart verschenen en ze waren nogal somber.’4 De bundel, die verder voornamelijk sonnetten bevat, opent met ‘Twee kwatrijnen’:

 
Al moet ik steeds weer voor de woorden zwichten
 
Die mijn bedreigd bestaan slechts kort verlichten:
 
Ik zing, maar aan een afgrond vol verschrikking
 
En noem dit: met den moed der wanhoop dichten.
[p. 114]


illustratie
Jan Spierdijk en Anneke Jagtenberg bij hun huwelijk op 1 mei 1941.



illustratie
H.J. Scheepmaker, gefotografeerd door Eva Pennink.



illustratie
Max Schuchart.

[p. 115]
 
De nood is hoog, de deur blijft steeds bezet;
 
Van elken kant dreigt helm en bajonet -
 
Naar binnen of naar buiten is verboden;
 
Slechts een gaat in en uit zonder belet.5

Enkele maanden na het verschijnen van deze bundel spraken Spierdijk en Schuchart over de eventuele oprichting van een jongerentijdschrift na de oorlog. Schuchart, die veel voor dit plan voelde, lichtte er vervolgens Henk Scheepmaker per brief over in. Scheepmaker, die in die tijd in een huis aan de Amsterdamse Van Eeghenstraat ondergedoken was, schreef hem op 28 januari 1944 terug: ‘Met veel belangstelling heb ik je brief gelezen, waarin je je plannen voor een na-oorlogsch tijdschrift uiteenzet. Ik heb niet het minste bezwaar, daaraan mee te werken, integendeel, ik zou het erg prettig vinden en ik voel mij zeer vereerd met je uitnoodiging, gezien de zeer bescheiden omvang van mijn letterkundige werkzaamheden totnutoe. Hierbij zeg ik je dan ook mijn volledige medewerking toe, en ik twijfel er niet aan dat het je ernst is. Ik hoop dan ook van harte dat het plan door kan gaan en dat je alle eventueele moeilijkheden zult overwinnen. Mocht ik je daarbij op een of andere wijze van dienst kunnen zijn, zeg mij dat dan vooral - ook daadwerkelijk wil ik je graag steunen.’

Scheepmaker schreef verder: ‘Ik zal je met plezier eenige verzen ter beoordeeling sturen, als jij zegt hoeveel je er gebruiken kunt. Eerlijkheidshalve wil ik je echter wel zeggen, dat ik deze verzen, vóór het eerste nummer van het tijdschrift verschenen kan zijn, waarschijnlijk wel al gepubliceerd zal hebben, zij het in kleine kring. Zou dat een bezwaar zijn? Verder moet ik je nog waarschuwen dat mijn verzen verre van “modern” zijn, zooals je wel zult weten - je moet van mij vooral geen revolutionaire of geheel nieuwe poëzie verwachten, want mijn werk is zeer traditioneel. Trouwens, dat zul je wel al weten, en ik vermoed dan ook niet dat dat veel bezwaar zal opleveren.’6

Hendrik Jan Scheepmaker, die op deze wijze bij de plannen voor het tijdschrift betrokken raakte, was in 1921 te Amsterdam geboren en al vroeg met de literatuur in aanraking gekomen. Tot de geregelde gasten in zijn ouderlijk huis behoorde de dichter A. Roland Holst, die door hem ‘oom Jany’ werd genoemd. Scheepmaker bezocht het hoofdstedelijk Barlaeus Gymnasium, waar hij een jaargenoot was van Willem Frederik Hermans. Na het behalen van het diploma gymnasium-bèta ging hij naar Delft voor de opleiding tot werktuigkundig ingenieur. In de zomermaanden van 1941 en '42 woonde hij enige tijd te Bergen als ‘paying guest’ in het huis van Victor van Vriesland en diens vrouw, de jonge dichteres Tonny van der Horst, die vóór

[p. 116]

de oorlog in Helikon gedebuteerd had. In dit kunstzinnig milieu verdiepte zich zijn belangstelling voor literatuur: hij abonneerde zich op het tijdschrift Criterium en begon ook zelf verzen te schrijven. Scheepmaker vertelde hierover in 1983: ‘Ik was zeer beïnvloed door Roland Holst uiteraard. Dat was van het begin af aan een grote liefde van mij.’7 Andere favoriete schrijvers waren J.H. Leopold, Karel van de Woestijne en de - ook door Roland Holst bewonderde - Ierse dichter W.B. Yeats.

Nadat de t.h. in Delft door de Duitsers gesloten was, keerde Scheepmaker terug naar Amsterdam, waar hij een jaar rechten studeerde aan de Gemeentelijke Universiteit. Omdat hij weigerde de door de bezetter verlangde ‘loyaliteitsverklaring’ te tekenen, kwam ook hieraan een einde.

Kort na de aanslag op het Amsterdamse bevolkingsregister in maart 1943 werd de schrijver-schilder Willem Arondéus, die een huisvriend van de familie Scheepmaker was en bij deze aanslag een hoofdrol gespeeld had, in het huis van Scheepmakers moeder aan de Amsterdamse Courbetstraat gearresteerd. Ook Scheepmaker, die daar in die tijd woonde, werd door de sd meegenomen naar de gevangenis aan de Weteringschans. Omdat hij bij de aanslag niet betrokken was geweest, werd hij op 20 april 1943 vrijgelaten. Later dook hij onder in de woning van Clara Eggink, waar hij vele schrijvers ontmoette, onder wie Vasalis, J.C. Bloem, Anton van Duinkerken, Nico Donkersloot en Bertus Aafjes.

In december 1943 kwam Scheepmakers In memoriam Anton Marinus Pleyte (8 Juni 1921-1 October 1943) uit, een in dertig exemplaren gedrukt gedicht ter herinnering aan zijn jeugdvriend Ton Pleyte, die als lid van de verzetsgroep cs-6 opgepakt was en samen met achttien anderen, onder wie zijn broer Jan Pleyte en de jonge dichter Leo Frijda, gefusilleerd.

Toen Scheepmaker in januari 1944 aan Max Schuchart zijn medewerking aan een naoorlogs literair tijdschrift toezegde, was hij al in contact gekomen met A.A. Balkema, wiens boekhandel in ‘Het huis aan de drie grachten’ - gelegen aan de Grimburgwal en aan de Oudezijds Voor- en Achterburgwal te Amsterdam - onder boekenliefhebbers een grote vermaardheid genoot. Bij Balkema verscheen in april 1944 de eerste - clandestiene - editie van Scheepmakers bundel Het gedenken , die vierendertig pagina's telde en in honderd exemplaren gedrukt was. De bundel, die geantedateerd was - in verband met de oprichting van de Kultuurkamer (1942) werd als jaar van verschijnen 1941 opgegeven -, opent met een gedicht, getiteld ‘Rondeel’:

 
De dag kan soms zoo aarzelend beginnen,
 
alsof hij een verwijt ducht van den nacht
 
die nog iets zeggen wil, en of hij binnen
[p. 117]
 
den kring van 't vroege licht een teeken wacht
 
om weer met volle vlam te ontbranden in een
 
wereld die steeds zijn vuur argwanend wacht.
 
Nog schijnt de dag zich even te bezinnen,
 
- luistert hij of er al een vogel lacht? -
 
De dag kan soms zoo aarzelend beginnen.
 
 
 
Ik weet mijn lijf nog veilig tusschen 't linnen
 
en voel mij, slapende, zoo goed en zacht
 
in dit roerloos wegglijden uit den nacht -
 
De dag kan soms zoo aarzelend beginnen...8

Uitgeverij Contact doet mee

Intussen hadden de plannen voor het tijdschrift in de loop van 1944 meer concrete vorm aangenomen. Spierdijk sprak erover met talloze jonge dichters die hij op zijn tochten door de Amsterdamse binnenstad ontmoette, en ook met G.P. de Neve, een van de firmanten van de Amsterdamse uitgeverij Contact. Deze laatste bleek voor zijn plannen te voelen, waarna in principe werd afgesproken dat Contact het tijdschrift na de oorlog zou uitgeven.

Uitgeverij Contact was in 1933 opgericht door Gilles Pieter de Neve (1904-'73) en enkele jaren later gevestigd op Prinsengracht 795 (dicht bij de Nieuwe Spiegelstraat). In 1935 vroeg De Neve zijn vriend Christiaan (‘Chris’) Blom (geb. 1905), die in die tijd bij een drukkerij in Leiden werkte, zijn compagnon te worden. Blom nam deze uitnodiging aan, waardoor de uitgeverij hun gezamenlijk eigendom werd.

Contact kreeg in de jaren dertig bekendheid met een aantal sterk geëngageerde uitgaven, waaronder De Spaanse tragedie (1938) van Jef Last. Bovendien verscheen bij deze uitgeverij sinds 1934 het tijdschrift Het Fundament , dat een voortzetting was van het door Chris Blom opgerichte blad De Jonge Gids. Het Fundament bevatte bijdragen op het gebied van politiek, cultuur, economie en literatuur. Een van de redacteuren ervan was de uit Duitsland uitgeweken schrijver Wolfgang Cordan (ps. van Heinz Horn), die - zoals in Het ondergronds verwachten vermeld werd - in 1943 als getuige à décharge zou optreden bij het proces tegen de Lichting -groep. Het Fundament, waarin een duidelijk anti-fascistisch standpunt werd ingenomen, verscheen tot april 1940.

Intussen was Contact begin 1940 begonnen met de publikatie van de reeks ‘De onsterfelijken’, waarin vertalingen zouden verschijnen van literai-

[p. 118]

re coryfeeën als Edgar Allan Poe, Gustave Flaubert en Leo Tolstoj. Tijdens de bezettingstijd gaf de uitgeverij enkele tientallen ondergedoken Nederlandse auteurs vertaalopdrachten voor deze reeks.

Doordat Contact zich in de loop der jaren sterk had uitgebreid, was er in de directie een duidelijke werkverdeling ontstaan: Blom nam vooral de commerciële afdeling voor zijn rekening, terwijl De Neve als redacteur grotendeels de opbouw van het fonds bepaalde. Blom vertelde in 1986 over De Neve, die een sterk stempel op de uitgeverij drukte: ‘Hij is een tijd in Parijs geweest als schilder. Hij heeft een paar dingen geschilderd, niet eens onverdienstelijk, maar hij is ermee opgehouden. Nu kun je zeggen: zoals hij zijn schilderijen componeerde, zo componeerde hij ook de uitgeverij. Daarbij accepteerde hij wel van anderen alle mogelijke dingen, maar toch met moeite.’9

Een van de motieven die De Neve en Blom hadden, om na de oorlog een jongerentijdschrift uit te geven, was hun hoop daardoor in aanraking te komen met jonge auteurs, om met hun werk het fonds van Contact uit te breiden.

Kort nadat afgesproken was dat het tijdschrift van Jan Spierdijk en zijn vrienden bij Contact verschijnen zou, noteerde Spierdijk een aantal mogelijke namen voor het blad: De Negen Muzen, Proloog, Richting en Aansluiting, waarbij hij de naam Proloog onderstreepte.10 Kennelijk is in die tijd al voor deze naam gekozen. Spierdijk over Proloog: ‘Het is een vrij gangbare naam. De naam beantwoordt zeker aan mijn bedoelingen, dat het dus inderdaad een proloog was tot wat later zou komen. Je kon de zaak toen toch helemaal niet overzien.’

Tijdens de gesprekken over het nieuwe tijdschrift werd ook besloten dat de redactie in de eerste jaargang zou bestaan uit H.J. Scheepmaker, Max Schuchart en Jan Spierdijk, waarbij de laatste als redactiesecretaris zou optreden, en dat de redacteuren daarna hun plaats ter beschikking zouden stellen. De ingezonden kopij zou tussen hen circuleren in zogenaamde ‘circulatie-enveloppen’, waarop ieder zijn oordeel zou neerschrijven. Verder werd beslist dat er naast het tijdschrift een reeks boeken van jonge auteurs - onder de naam ‘Proloog-reeks’ - bij Contact zou verschijnen. Tenslotte werd een ‘Commissie van advies’ ingesteld, waarvan deel uitmaakten: De Neve, Blom en de tekstverzorger Kees Lekkerkerker, die sinds 1941 aan de uitgeverij verbonden was. Duidelijk is dat Contact met deze commissie een flinke vinger in de pap zou krijgen. Overigens merkte Chris Blom in 1986 over zijn werk voor deze commissie op: ‘Ik herinner me niet dat ik ooit enig advies heb uitgebracht.’

Intussen ging in het najaar van 1944 vooral Spierdijk veel op pad om

[p. 119]

medewerkers voor het nieuwe tijdschrift te winnen. Een van de jonge schrijvers die hij benaderde, was Jan G. Elburg, die eind 1942 de clandestiene dichtbundel Serenade voor Lena gepubliceerd had en die Spierdijk een aantal gedichten voor Proloog gaf, waarover deze veel enthousiaster bleek te zijn dan zijn mederedacteur Max Schuchart. De laatste schreef op 31 oktober aan Spierdijk: ‘Gisteravond en vanmorgen heb ik mij bezig gehouden met de copie die ik gisteren meenam. Hierbij de keuze die ik maakte uit de verzen van Jan Elburg, waar ik echter niet enthousiast over ben; wel vind ik het een grote vooruitgang op wat ik vroegers [vroeger] eens bij jou van hem las. Ik zou dan ook willen voorstellen dat wij ons niet verplichten teveel van hem op te nemen; wij krijgen vermoedelijk aan gedichten een ruime keuze en moeten alleen het allerbeste opnemen.’ En in een postscriptum: ‘Ik hoop dat de opbloei van een nieuwe lyriek geen opbloei van wat ik “requisieten-poëzie” noem, betekent, n.l. het uiterlijk verhogen van de poëzie door deze met poëtische onderwerpen (de maan, herten etc.) te laden, waardoor je wel een hoog voltage, maar geen groot poëtisch ampèrage krijgt!’11 Schuchart, die als bewonderaar van Greshoff een sterke voorkeur voor ironie en sarcasme in de poëzie had, moest niets hebben van wat hij beschouwde als lyrische gemeenplaatsen, iets waarover de romantische Spierdijk duidelijk anders dacht.

De laatste antwoordde op 6 november: ‘Met de keus, die je uit het werk van Jan Elburg maakte ben ik het grotendeels eens. Dat je er niet enthousiast over bent, kan ik me wel enigszins voorstellen, ofschoon je je geloof ik wel een wat al te grote voorstelling maakt van wat er al zo onder de jongeren wordt geschreven. Ik vind deze verzen goed, en een enkel vers als bezinning zelfs uitstekend. Ze zijn echter zelden gaaf. Op De [de] serenade voor lena betekent het een grote vooruitgang, inderdaad. Je term “requisietenpoëzie” is leuk gevonden en hier nogal van toepassing; de dichters zelf noemen het echter een nieuwe symboliek en waarom ook eigenlijk niet? Als ik maar niet hoef!’12

Groeiende irritaties in de redactie

Intussen bracht de bezettingssituatie met zich mee dat de redacteuren nog maar moeilijk contact met elkaar konden onderhouden. Op 15 november -enkele dagen nadat in Rotterdam grote razzia's hadden plaatsgevonden - schreef Schuchart aan Spierdijk: ‘Ik weet niet of ik voorlopig nog op straat kom. De heren die in Rotterdam zo hebben huis gehouden, zijn op het ogenblik hier aangekomen. Even de kat uit de boom kijken!’13 Spierdijk antwoordde op 19 november: ‘Je moet je vooral niet bang laten maken door

[p. 120]

die sterke verhalen uit Rotterdam, want men heeft zich daar voor een groot deel laten intimideren en is vrijwillig gegaan. Razzia's van een dergelijke aard kondigen zich altijd van tevoren aan en je kunt als je dat wilt altijd tijdig je maatregelen ertegen nemen. Ik zou mijn wekelijkse bezoeken aan De Neve maar rustig voortzetten.’14

Spierdijk zelf raakte tijdens de hongerwinter betrokken bij de Amsterdamse hulporganisatie ‘b2/c2’ - ‘b kwadraat/c kwadraat’ -, die op het platteland voedsel inkocht dat dan in Amsterdam gratis onder kunstenaars verdeeld werd. Het centrale punt was het St. Ignatiuscollege aan de Hobbema-kade. Spierdijk: ‘Daar gingen we een paar keer in de week eten halen en met een grote zak ging je dan mensen eten brengen. Had je allemaal een bepaalde wijk.’ Tot de mensen bij wie Spierdijk eten bracht, behoorden Marga Minco en Bert Voeten, die in die tijd op Kloveniersburgwal 49 woonden. Al snel ging ook Voeten samen met Spierdijk of de dichter Koos Schuur eten rondbrengen. Hij schreef er in 1981 over: ‘Ik deed de ene week met Jan en de andere week met Koos de binnenstad. De ons toegewezen partijen droegen we in jutezakken over de schouder, een volledig in het straatbeeld passende wijze van vervoer, want elke vierde Amsterdammer liep wel met een zak te sjouwen; als hij geen eetbare waar bevatte dan in ieder geval iets brandbaars.’15 Door bemiddeling van Spierdijk bood Voeten omstreeks de jaarwisseling 1944-'45 het al voltooide gedeelte van zijn oorlogsdagboek, dat in 1946 onder de titel Doortocht verschijnen zou, aan Contact aan. Ook gaf hij Spierdijk een reeks verzen ter publikatie in Proloog.

Via Spierdijk leerden Marga Minco en Bert Voeten in die tijd Gerrit Kouwenaar kennen, die later met de tekenares Tientje Louw zou trouwen en in hetzelfde huis aan de Kloveniersburgwal ging wonen. Op 2 maart 1945 schreef Spierdijk over Kouwenaar en een van diens verhalen aan De Neve: ‘ abelkaïn het nieuste [nieuwste] werk van K. wordt het allereerst aan Contact ter lezing gegeven. Voelt U iets voor een uitgave, dan hebben wij dus de eerste kans. [...] Ik vind dit werk van K. veelbelovend, maar nog wel erg gewild. Ik zou het erg prettig vinden, als U K. eens ontving. Het is een erg aardige jongeman van pas 21 jaar; voor een prozaïst wel erg jong en gezien zijn leeftijd is alles wat hij doet toch wel erg begaafd. abelkaïn is dus niet in de 1e plaats voor proloog.’16

Op 29 maart antwoordde De Neve aan Spierdijk: ‘Het werk van den Heer Kouwenaar is m.i. nog niet meer dan een belofte tot een belofte. Ik spreek hem hedenmiddag.’17

Ook doordat het voor de redacteuren in die periode moeilijk was elkaar te ontmoeten, ontstonden er vooral tussen Jan Spierdijk en Max Schuchart allerlei irritaties: Schuchart had de indruk dat er te weinig aan de voorberei-

[p. 121]

dingen voor het tijdschrift gedaan werd, terwijl Spierdijk het gevoel kreeg dat vooral hijzelf druk in de weer was om medewerkers te winnen en dat er van de beide andere redacteuren - veel meer introverte persoonlijkheden dan hij - in dit opzicht niet veel uitging.

In februari 1945 werd duidelijk dat Spierdijk en Schuchart ook over het karakter dat Proloog zou moeten krijgen, van mening verschilden. Een beginselverklaring die Schuchart voor het eerste nummer geschreven had, werd door Spierdijk uitvoerig bekritiseerd en ook Scheepmaker was er niet gelukkig mee. Daarnaast kwamen andere tegenstellingen sterker naar voren dan tot dusver het geval was geweest. Tijdens een redactievergadering die op 17 april bij Schuchart thuis gehouden werd, bleek dat Spierdijk en Schuchart het over het niveau van de tot dusver ingezonden bijdragen grondig met elkaar oneens waren: terwijl Spierdijk- een spontane persoonlijkheid, die snel in vuur en vlam kon raken - verscheidene van deze bijdragen acceptabel vond, meende de veel sceptischer Schuchart dat ze weinig interessant of ronduit ondermaats waren. Dit meningsverschil werd korte tijd later - tijdens een gesprek tussen Schuchart, Spierdijk en De Neve - voorlopig bijgelegd met de afspraak dat bij de beoordeling van nieuwe inzendingen zoveel mogelijk met eikaars standpunten rekening gehouden zou worden. In dezelfde periode - in april: de bevrijding naderde! - schreef Spierdijk een nieuwe beginselverklaring, die vervolgens aan de beide andere redacteuren werd voorgelegd.

Toen Nederland kort daarna bevrijd was, werd duidelijk dat Proloog tegen de verwachtingen van de redacteuren in voorlopig niet zou kunnen verschijnen. Allereerst was er natuurlijk het probleem dat de redactie als gevolg van het Tijdelijk Persbesluit niet zonder meer op een vergunning zou kunnen rekenen: zij had immers geen ondergronds blad uitgegeven. De directie van Contact meende dat daar wel een mouw aan te passen zou zijn. De Perscommissie zou uitzonderingen op de regel kunnen maken en Contact kwam daar als anti-fascistische uitgeverij bij uitstek voor in aanmerking. Maar hoe dan ook: de papierschaarste en de maatregelen van het Militair Gezag zouden, zoals dat ook bij andere tijdschriften het geval was, zonder twijfel tot uitstel van publikatie leiden. Voor Jan Spierdijk was dat een grote teleurstelling. Op 20 mei schreef hij aan De Neve: ‘Van Bert Voeten hoorde ik niets dan sombere berichten en ik moet zeggen, dat ik daar gisteren nogal van onder den indruk was. Wanneer Proloog inderdaad niet eerder dan Januari 1946 zou kunnen verschijnen, zou er veel copie die thans waardevol is door de tijd worden achterhaald. Bovendien en dat is veel belangrijker, zou het nog langer duren eer de jongeren zich kunnen manifesteren. Het was natuurlijk te voorzien, dat de regering die hier komt wei-

[p. 122]

nig oog voor kunstzaken zou hebben. Zij zal graag geneigd zijn om over de jeugd te spreken, maar alleen als probleem en zonder die jeugd in staat te stellen werkelijk zijn kansen te grijpen.’18

Op 25 mei antwoordde De Neve: ‘Op grond van diverse besprekingen heb ik den indruk gekregen, dat er in principe wel de mogelijkheid bestaat voor het uitgeven van een jongerentijdschrift, mits het peil der inzendingen van voldoende belang is. Het is dus van belang, dat de definitieve redactieverklaring wordt vastgesteld en bijv. de inhoud van het eerste nummer zoo spoedig mogelijk, zij het in groote trekken, komt vast te staan.’19

Schuchart stapt uit de redactie

Ruim een week later bleek dat Max Schuchart, die het gevoel had helemaal niet met Spierdijk te kunnen opschieten, geen zin had langer deel uit te maken van de redactie. Op 2 juni schreef hij aan De Neve: ‘Ongeveer anderhalve maand geleden waren Spierdijk en ik bij u om enkele moeilijkheden te bespreken die ten aanzien van Proloog waren gerezen. U zult zich herinneren dat deze moeilijkheden vrij diep gingen en dat mijn gebrek aan enthousiasme geenszins aan negativisme of onverschilligheid te wijten was; integendeel. Na ons onderhoud had ik het gevoel dat de diverse bezwaren wellicht nog te overwinnen waren, maar nu, anderhalve maand later, moet ik tot mijn spijt constateren dat de toestand onveranderd is en dat ik de verantwoordelijkheid als redacteur tegenover u, de medewerkers en toekomstige lezers niet langer op mij durf te nemen.

‘Mijn voornaamste bezwaar, het peil van de ingezonden copie, geldt nog onverminderd; de inzendingen die sedertdien zijn binnengekomen, zijn, ondanks het optimisme van Spierdijk, onbevredigend en zodanig dat ik mij er onmogelijk enthousiast over kan maken.

‘Als tweede bezwaar geloof ik dat de opvattingen van Spierdijk en mij t.a.v. het werk der jongeren te ver uiteenlopen (de beginselverklaring heeft dat eerst helder aan het licht gebracht) om een vruchtbare samenwerking binnen de redactie te waarborgen. De Inleiding, zoals deze thans door Spierdijk is opgesteld, is mij te vaag en op sommige punten kan ik het er onmogelijk mee eens zijn; wat hij een romantische opbloei noem [noemt], noem ik een nabloei; kortom, ik geloof niet dat wij het op dit punt eens zullen worden. Wanneer inderdaad de inzendingen de geest van de jongere generatie weerspiegelen, dan is deze mij onsympathiek, omdat zij niets nieuws brengt, geen eigen vitalisme heeft, maar op een zwakke wijze herhaalt wat door vorige generaties beter is uitgesproken.’

Schuchart schreef verder: ‘Voor het welslagen van Proloog onder deze

[p. 123]



illustratie
Brief van uitgever G.P. de Neve aan Max Schuchart.

[p. 124]

omstandigheden ben ik uitermate huiverig. Persoonlijk zie ik de taak van redacteur niet alleen als zifter van copie; maar zelf zou ik, zoals de toestand nu is, weinig anders kunnen doen. Ik geef u daarom in overweging (en na onze laatste bespreking kan het voor u geen verrassing zijn) mij uit de redactie te ontslaan en iemand in mijn plaats te zoeken die meer enthousiasme voor het werk van de jongere generatie kan voelen. Wanneer er tegen mij als medewerker aan Proloog geen bezwaar bestaat, zou ik hierdoor tevens vrijer tegenover de andere medewerkers komen te staan en wellicht beter werk kunnen leveren dan als redacteur, die zijn medewerkers toch moeilijk afbreuk kan doen.’

Schuchart besloot: ‘Mocht mijn aftreden als redacteur u, in dit stadium van de voorberedingen [voorbereidingen] bezwaarlijk zijn, dan ben ik gaarne bereid een en ander nog eens uitvoeriger met u te bespreken. Het is geenszins mijn bedoeling om roet in het eten te gooien, maar wel achtte ik het mijn plicht om u mijn standpunt uiteen te zetten, temeer waar ik ervan overtuigd ben dat mijn bezwaren gegrond zijn.’20

Twee dagen later, op 4 juni, antwoordde De Neve: ‘Het spijt mij uit Uw brief van 2 dezer te lezen, dat U zich genoodzaakt hebt gezien, als redacteur van Proloog te bedanken. Na ons gesprek te mijnen huize was Uw besluit geen verrassing voor mij.

‘Ik kan mij de tegenstelling tusschen U en den Heer Spierdijk begrijpen, maar meen afgezien hiervan dat U de perspectieven voor het werk van de jongere schrijvers te pessimistisch beoordeelt. In dit geval hoop ik dat de tijd mij en niet U gelijk zal geven.

‘Intusschen dank ik U nog voor de aandacht, die U aan het voorbereiden van Proloog hebt willen wijden en hoop dat de redactie vele gekwalificeerde stukken van haar medewerker Schuchart zal mogen plaatsen.’21

Schuchart merkte in 1985 over zijn uittreden op: ‘Ik geloof dat de “verwijdering” kwam omdat mij toen al een beeld voor ogen stond van een tijdschrift dat een “lijn” moest hebben, en dus in geen geval een bloemlezing moest zijn van willekeurig over een bepaalde termijn ingezonden bijdragen. Ik vond dat Spierdijk te weinig kritisch was, en het meteen al prachtig vond als hij weer iemand had gevonden die bereid was om mee te werken. Spierdijk zat inderdaad helemaal in de kunstwereld. Hij kende zowel schrijvers, schilders als toneelspelers, terwijl dat bij Scheepmaker en mij in aanzienlijk mindere mate het geval was.’22

[p. 125]

Lekkerkerker wordt redacteur

Na het opstappen van Schuchart werd besloten Kees Lekkerkerker, die als lid van de ‘Commissie van advies’ al eerder bij de voorbereidingen voor Proloog betrokken was geweest, als secretaris in de redactie op te nemen. Hij zou daarmee op de plaats van Spierdijk komen, die voortaan gewoon redacteur zou zijn.

Kees Lekkerkerker was in 1910 te Utrecht geboren en was dus ongeveer negen jaar ouder dan Spierdijk en elf jaar ouder dan Scheepmaker. Hij had al vroeg een grote belangstelling voor literatuur en ontdekte in zijn gymnasiumtijd het werk van de dichter J. Slauerhoff, dat hem sterk aansprak. Lekkerkerker vertelde hierover in 1984: ‘Het eerste vers van Slauerhoff dat ik gelezen heb, verscheen in het jaarboek “Erts” omstreeks 1925. Dat was “De krantenverkooper”. Dat trof mij, vooral de laatste twee strofen.’23 In 1930 begon hij uit allerlei tijdschriften en jaarboeken gedichten van Slauerhoff te verzamelen, die niet in bundels gepubliceerd waren. Toen Slauerhoff in oktober 1936 stierf, had Lekkerkerker al meer dan tachtig ongebundelde verzen van zijn favoriete dichter bijeengebracht. In een brief aan A. Roland Holst, die - naar de kranten, ten onrechte, berichtten - als executeur-testamentair van Slauerhoffs literaire nalatenschap zou optreden, bood hij zijn cahiers met ongebundelde gedichten aan. Groot was zijn verrassing toen hij in het voorjaar van 1937 in de krant las, dat hij benoemd was tot secretaris van een commissie die zich belasten zou met de uitgave van Slauerhoffs verzameld werk. Na de dood van zijn moeder in 1938 verhuisde hij naar Brussel, waar Greshoff - een van de leden van de Slauerhoff-commissie - woonde, om daar de uitgave van Slauerhoffs literaire nalatenschap verder voor te bereiden.

In die tijd kwam Lekkerkerker ook in contact met de uitgeefster Angèle Manteau, die kort vóór de oorlog het literaire tijdschrift Werk uitgaf en voor wie Lekkerkerker In aanbouw (1939) samenstelde, een bundel met bijdragen van jonge Noord- en Zuidnederlandse schrijvers.

De voorbereidingen voor een uitgave van het verzameld werk van Slauerhoff, dat bij Nijgh & Van Ditmar zou uitkomen, verliepen stroef, maar in mei 1940 waren de eerste vier delen vrijwel geheel gezet. Helaas werd bij het bombardement van Rotterdam het zetsel vernietigd, waardoor de publikatie moest worden uitgesteld.

Eind 1940 keerde Lekkerkerker vervolgens naar Nederland terug en kwam kort daarna als tekstverzorger bij Contact in dienst. Omdat hij de Nederlandse literatuur goed kende, vroeg De Neve hem geregeld om advies. Zo bracht hij samen met De Neve in het najaar van 1944 een bezoek aan Scheepmaker om met hem over diens medewerking aan Proloog te praten.

[p. 126]

Het is duidelijk dat de aanwezigheid van Lekkerkerker in de redactie ertoe zou leiden dat uitgeverij Contact meer in de melk te brokken kreeg. Jan Spierdijk, die het als journalist na de bevrijding erg druk kreeg en blij was dat de consciëntieuze Lekkerkerker het redactiesecretariaat van hem wilde overnemen, maakte hiertegen geen enkel bezwaar, maar Henk Scheepmaker, die Max Schuchart met tegenzin uit de redactie had zien vertrekken, was over deze nieuwe constructie niet erg enthousiast.

Nadat Lekkerkerker tot de redactie was toegetreden, kon verder worden gewerkt aan de uitgave van Proloog. Het bleek inderdaad voor Contact geen enkel probleem op te leveren om toestemming tot publikatie te krijgen. De uitgeverij kreeg een ruime toewijzing papier, onder meer in verband met haar plannen om verscheidene door haar uitgegeven boeken, waaronder delen van de reeks ‘De schoonheid van ons land’, naar België en Engeland te exporteren. Chris Blom vertelde hierover in 1986: ‘Zo hebben we dat papier gekregen, en daar floreerden natuurlijk alle mogelijke onderdelen van.’

Proloog verschijnt

Na alle voorbereidingen verscheen dan in november 1945 het eerste nummer van Proloog , dat als ondertitel meekreeg ‘Cultureel en literair tijdschrift van de jonge generatie’ en dat gestoken was in een - door de typograaf Jan van Krimpen ontworpen - grijs omslag met daarop in rode letters ‘Proloog’. Het nummer was gedrukt bij de vermaarde firma Joh. Enschedé & Zonen te Haarlem en telde achtenveertig bladzijden.

De eerste aflevering van Proloog opende met de inleiding die Jan Spierdijk kort vóór de bevrijding geschreven had en die ondertekend was door de redacteuren K. Lekkerkerker, H.J. Scheepmaker en Jan Spierdijk. In deze inleiding werd opgemerkt: ‘Men zal van een tijdschrift, dat thans, na den oorlog verschijnt en dat in de eerste plaats jonge schrijvers in de gelegenheid wil stellen hun werk te publiceeren en over voor hen en anderen belangrijke vraagstukken van gedachten te wisselen, een vast en nauwkeurig omlijnde beginselverklaring moeilijk kunnen verwachten. Weliswaar zullen er na den negatieven tijd die wij hebben moeten doormaken, weinig jongeren zijn, die zonder beginsel bleven, maar van een eenheid van opvattingen ten aanzien van de kunst en haar richtingen zal zeker vooralsnog geen sprake zijn. En waarom zou men dit ook als eisch willen stellen aan schrijvers, die door hun karakter, temperament en aanleg sterk verschillen en, wil men een gezonde literaire ontwikkeling bevorderen en direct een te groote groepsvorming tegengaan, ook sterk verschillen moeten? Reeds te vaak heeft men in ons land jonge schrijvers willen vangen met oude en

[p. 127]



illustratie
Omslag van het eerste nummer van Proloog.

[p. 128]

nieuwe “ismen”, heeft men met termen als vorm en persoonlijkheid “gevent”, en belangrijke bijdragen geweigerd, omdat zij niet aan bepaalde beginselen beantwoordden, en hierdoor ruim baan gemaakt voor de altijd voorhanden, beginselvaste onbelangrijkheid.

‘Een tijdschrift als Proloog ziet zijn taak dan ook niet in de eerste plaats in het classificeeren en in het volgens nieuw gevonden classificaties binnenof buitensluiten, doch in het stimuleeren; het zal daarbij moeten kunnen bogen op onafhankelijkheid, een niet-gebonden-zijn aan een bepaalde groep - hetzij politiek, godsdienstig, literair of anderszins - en op een cultureel verantwoordelijkheidsbesef.’

De redactie vervolgde: ‘Beschouwen wij het werk van de jonge schrijvers van voor den oorlog en het werk, dat tijdens de oorlog in de zoo talrijke clandestiene uitgaven werd gepubliceerd en nemen wij langs andere wegen van hun opvattingen kennis, dan mogen wij misschien niet direct te hooge verwachtingen koesteren, maar stellen wij toch vast, dat er zich een nieuwe geest in openbaart. Veelal openbaart deze zich negatief - hetgeen begrijpelijk is in een tijd, waarin wij vooral geleerd hebben te zien wat wij niet willen -, maar hier en daar wijst het jongste werk toch uit, dat er een nieuwe romantische opbloei op komst is en dat er weer en nog altijd zuivere lyriek geschreven wordt.’

De redactie merkte tenslotte op: ‘Terugziend op de jaren die achter ons liggen, vaststellend dat er in dien tijd een generatie van kunstenaars tot ontplooiing is gekomen, die, mede aangezet door jaren van gedwongen zwijgen en afwachten, in staat is en er naar verlangt op een eigen manier de oude, bijna verloren gedachte waarden te vernieuwen en nieuwe vormen te scheppen, menen wij juist te handelen, wanneer wij Proloog in de eerste plaats voor deze generatie openstellen.

‘Wij vertrouwen dat wij een afwisselend en betrouwbaar beeld van de jonge generatie kunnen geven, dank zij haar geestdriftige medewerking en dat in het essayistische en polemische gedeelte haar opvattingen beter en duidelijker naar voren zullen komen dan wij het hier vermogen aan te geven.’24

In deze inleiding werd Proloog dus uitdrukkelijk open gesteld voor jonge schrijvers van allerlei richtingen, waarbij een al te strak programma werd afgewezen. Verder constateerde de redactie dat er - na de periode van het tijdschrift Forum - weer ‘zuivere lyriek’ geschreven werd en sprak zij de verwachting uit dat er een ‘nieuwe romantische opbloei’ op komst was.

Hierna bevatte het eerste nummer gedichten van H.J. Scheepmaker, Ber-tus Aafjes, Koos Schuur, W.J. van der Molen, Michaël Deak (ps. van Simon P. Kapteijn) en Bert Voeten, een reeks korte notities van Adriaan Morriën,

[p. 129]

getiteld ‘Zondagmorgen in Holland’, waarin hij kritiek leverde op het eigentijdse christendom, en het eerste deel van de novelle ‘Théodore, nar’, die Spierdijk in de winter van 1942-'43 - na zijn gevangenschap in Haaren - geschreven had. In deze novelle gaf hij de gevangeniservaringen weer van eer nar tijdens het regime van een zekere Louis xix. De novelle was opgedragen aan Spierdijks vriend Han G. Hoekstra en aan de in Auschwitz omgekomen joodse componist Bob Hanf, over wie Spierdijk later een aantal impressies zou schrijven in de biografie Bob Hanf 1894-1944 door Toke van Helmond.25

Deze eerste aflevering van Proloog lokte een felle reactie uit van de Columbus -redacteur Jan Praas, die in het vierde nummer van zijn tijdschrift (januari 1946) vooral de redactionele inleiding tot Proloog op de korrel nam: ‘Werd ooit tevoren in Nederland een tijdschrift geopend machtelozer, hulpelozer en lavelozer dan het cultureel en literair tijdschrift van de jonge generatie “Proloog”? Is niet ieder woord in deze 1½ pagina omvattende inleiding een verontschuldiging, een compromis, een negatie, een vertoon van onbelangrijkheid?

‘Men zal thans, heet het er “een vast en nauwkeurig omlijnde beginverkaring [beginselverklaring] moeilijk kunnen verwachten” (curs. van mij, Pr.). Werd van een kind ooit een autobiographie tot z'n zestigste jaar verlangd? Gaf de “Nieuwe Gids” bij zijn verschijnen in 1885 een overzicht van zijn beginselen, zoals die nu door literair-historici over dat tijdvak wordt gegeven? Omdat er geen eenheid van opvattingen bestaat (de denkbeelden zijn er natuurlijk, pas op! wij leven op een “culturele basis”) geeft Proloog een salto mortale, die in het vangnet eindigt. Met “Reeds te vaak heeft men in ons land jonge schrijvers willen vangen met oude en nieuwe “ismen”, heeft men met termen als vorm en persoonlijkheid “gevent”” verwijst men Kloos, Marsman en ter Braak naar de bodemloze afgrond der “Prinzipienreiter”. Dat Proloog zijn taak ziet “in het stimuleren”, is een herkauwing van iets dat misschien tijdens de bezetting gold, maar nu niet. Ook de jonge nederlandse schrijver heeft een directe taak, die moet worden vervuld in het léven, en niet in het ziekelijk debat met de broeders in Apollo, of de nacht met de hoer en de wijn (die meestal wel bier zal zijn). Een nuchter man, die zich per ongeluk op éen der jongerenbladen had geabonneerd, merkte terecht op: “Ik raad deze jonge Poëten een gezond huwelijk aan, of ieder ochtend een koud bad, en dan hard werken”.

‘De alom tegenwoordige verslapping van de geest wil men ons voorzetten als “onafhankelijkheid, een niet gebonden zijn aan een bepaalde groep”, iets waarop men - god betere het - kan “bogen”!

‘Men kan blijven citeren uit deze inleiding, die is als een lijn met luiers,

[p. 130]



illustratie
Bij gelegenheid van een bezoek van de Vlaamse pen-club in mei 1946.
(van links naar rechts) Tonny van der Horst, H.J. Scheepmaker, Johan Daisne, Adriaan Morriën en Max Schuchart.




illustratie
(staand van links naar rechts) Piet van Aken, Sjoerd Leiker, Tonny van der Horst, Ben Stroman en Hubert Lampo; (gehurkt van links naar rechts) Jaap Romijn, Koos Schuur en Max Schuchart.



illustratie
K. Lekkerkerker.



illustratie
Victor Varangot.

[p. 131]

waaraan zelfs een doordringende geur ontbreekt (stonk het tenminste maar!), en die alleen opgehangen schijnt om frisse wind te lokken. De hemel zij dank “dat er een nieuwe romantische opbloei op komst is en dat er wèèr en nog altijd zuivere lyriek (curs. van mij. Pr.) geschreven wordt” (O. Greshoff, hebt gij ooit uw gesel gehaald over het gezwam-in-de-ruimte?).’26

Intussen was in december 1945 het tweede nummer van Proloog uitgekomen. Deze aflevering opende met een vers van de Zuidnederlandse dichter Bert Decorte, een vriend uit Lekkerkerkers Brusselse tijd. Lekkerkerker was kort na de oorlog naar België gegaan om allerlei schrijvers om hun medewerking te vragen voor de Vlaamse delen van de serie ‘De schoonheid van ons land’. Hij ontmoette toen ook Piet van Aken, van wiens roman De duivel vaart in ons (1946) een fragment in het vierde nummer van Proloog zou verschijnen.

Een andere dichter van wie in de tweede aflevering poëzie werd opgenomen, was Michaël Deak, van wie vier liefdessonnetten werden gepubliceerd. Eén daarvan was ‘Vraag om antwoord’:

 
Als je dit leest, - in het geheim wellicht,
 
want liefdes rijkste is zonder rijk gebleven, -
 
moet je maar denken dat dit klein gedicht
 
alleen voor jou vanavond is geschreven.
 
 
 
En siddren straks je spiegelborsten even,
 
op vingertoppen uit hun kleed gelicht,
 
dan is 't van zonden, allereerst bedreven,
 
die je mij schenken zou om dit gedicht.
 
 
 
Ik wil wel weten wat een lied aanricht
 
in 't meisjeshart met zijn verborgen leven,
 
en waar de brand woedt die ik heb gesticht.
 
 
 
Schrijf mij vannacht een brief van geen gewicht,
 
wat woorden die op de avondwind aandreven:
 
een billet doux dat ons tot niets verplicht.27

‘Waar blijven onze Nederlandse tomisten?’

Een ronduit verrassende bijdrage aan de tweede aflevering was een kort artikel van Victor Varangot, waarin hij de actuele situatie van de poëzie onder de loep nam.

[p. 132]

Victor Varangot (1912-'92) had zich in 1935 een zekere literaire faam verworven door de affaire rond zijn novelle ‘Virginia’, die de directe aanleiding vormde voor het opheffen van het tijdschrift Forum . In 1938 had hij te Brussel Kees Lekkerkerker ontmoet, met wie hij een hechte vriendschap sloot. Nadat Varangot in het begin van de oorlog naar Hilversum verhuisd was, werden de contacten met Lekkerkerker voortgezet, maar het was vooral na de oorlog dat beide vrienden elkaar geregeld zagen. Varangot had de gewoonte op dinsdagmiddag naar Amsterdam te gaan, waar hij Lekkerkerker ontmoette. De laatste schreef hierover in 1985: ‘[...] dan werd over het literaire wel en wee gesproken, in het bijzonder kwamen daarbij de onderwerpen aan de orde waarover Varangot voor Proloog zou schrijven.’28 Talrijke essays van zijn hand zouden in dit tijdschrift worden opgenomen.

In zijn artikel in het tweede nummer, dat getiteld was ‘De atoombom wijst den weg’, constateerde Varangot dat verscheidene internationale avantgardistische stromingen uit de periode tussen de beide wereldoorlogen - het surrealisme, het expressionisme en de nieuwe zakelijkheid - nauwelijks tot de Nederlandse literatuur waren doorgedrongen. Maar de bevrijding in 1945 bood nieuwe mogelijkheden. Varangot schreef: ‘Wij staan nu bij een mijlpaal. Want dat is het geboorteuur van den eeuwigen wereldvrede. Het oogenblik zou nu zoo geschikt zijn om de literatuur in nieuwe banen te leiden. De ontegenzeggelijk groote figuren die de oudere generatie telt, zullen hun eigen koers blijven volgen. Maar het is aan de jongere, de jongste generatie voorbehouden om, onbezwaard met een zoekend verleden, nieuwe vormen en nieuwe stijlen te scheppen. Zij alleen kan den moed bijeenbrengen om origineel te zijn. Oorspronkelijkheid is de laatste decennia zeer verschillend gequoteerd. In de jaren kort voor 1940 zeer laag. Doch men bedenke dat het even belachelijk is bang te zijn voor de originaliteit als voor de gemeenplaats.’

Varangot vervolgde: ‘In het laatste interbellum was de tijd nog niet rijp voor de talrijke modernismen die schuchter geprobeerd, weinig instemming vonden. Doch nu, nog maagdelijk wit, of door vijf jaren vuur blank gebrand, kunnen onze zielen onbevangen staan tegenover de schijnbaar mislukte experimenten van toen. Het is zoo bedroevend wanneer men nieuwe schrijvers in nieuwe tijdschriften met niets anders voor den dag ziet komen dan met de radicaalste renaissance van den meest macaberen macaronistijl. Laten wij liever onze blik richten op de atoombom. Tot nu toe heeft zij onder de literatoren slechts een moreele paniek verwekt. Men staart zich blind op haar verwoestende uitwerking, men beleeft wereld-ondergangsvisioenen. Veel belangwekkender dan haar effect is echter haar principe: de energie geleverd door de desintegratie van het atoom. Het

[p. 133]

atoom dat door zijn naam reeds het symbool van ondeelbaarheid was, kon gesplitst worden!

‘Men heeft het woord te lang als atoom behandeld. In een nog recent verleden zijn echter de krachten ontdekt die veroorzaakt worden door het splitsen van woorden. Eugene Jolas publiceerde in 1929 een manifest Revolution of the Word (geciteerd in zijn werkje The Language of Night, The Hague 1932), waarin hij als punt 6 decreteert: “The literary creator has the right to desintegrate the primal matter of words imposed on him by textbooks and dictionaries”. Dit kan een belangrijke energiebron voor de literatuur worden in dezen tijd, die nu misschien wel voldoende gerijpt is door het licht van de atoombom. Men zou deze nieuwe literaire richting gevoeglijk “tomisme” kunnen noemen. James Joyce maakt er in zijn helaas nog lang niet genoeg bekende Finnegans Wake een overvloedig gebruik van. Waar blijven onze Nederlandsche tomisten? Er ligt een toekomst voor hen open. Men heeft vrij spel, want zooals Jolas in punt 11 van zijn proclamatie zegt: “The writer expresses. He does not communicate.” Men behoeft in het geheel niet verstaanbaar of begrijpelijk te zijn. Het zij mij ten slotte dan ook vergund met levendige instemming punt 12 van Jolas' manifesto te citeeren: “The plain reader be damned” en de volgende tomistische rijmproeve van Nederlandsch fabrikaat te laten volgen:

Otopoema
 
Di runiglas dar kalifuiten
 
Di flanke flexen bibi blon
 
An dromalipa meiloluiten
 
En goulili damigazon
 
 
 
O virgrita tantalamore
 
O virgrita paradareis
 
Automa, miamie, stantore
 
Stagindoe riwi onagleis
 
 
 
Si doe se mi sin duva malen
 
In gilda vert von secuduur
 
Anastigwi in spamiralen
 
Til katastort in commorsuur29

Wat Victor Varangot hier in december 1945 naar voren bracht - de mogelijkheid woorden te splitsen en daardoor los te komen van de traditionele

[p. 134]

woordbetekenis - was, zoals hijzelf al opmerkte, niet nieuw: ook in de Nederlandse literatuur was omstreeks 1920 vooral door I.K. Bonset en Antony Kok met deze mogelijkheid geëxperimenteerd. Treffend was intussen wel dat Varangot het opnieuw naar voren brengen van deze mogelijkheid verbond met een oproep tot de schrijvers van de jongste generatie om de literatuur in deze richting te vernieuwen.

Opvallend is daarbij dat ook Paul Rodenko in de inleiding tot zijn bloemlezing Nieuwe griffels schone leien (1954) een relatie met de atoomenergie legde, waar hij wees op de ‘totale fonetische atomisering van de taal’: ‘De ontdekking nu dat pure klanken alleen al een hele wereld van betekenissen kunnen oproepen (waarbij aanzienlijke individuele verschillen bestaan in de wijze van klank-kleur-combinatie) bracht een ontmoeting tot stand tussen twee van huis uit zeer verschillende stromingen in de litteratuur: de revolutionnair-experimentalistische poëzie van Baudelaire-Rimbaud en de meer bescheiden klankpoëzie, die Verlaine in Frankrijk, Guido Gezelle en later Gorter en Leopold in de Nederlanden trachtten te verwezenlijken (waarbij ik met “bescheiden” niet bedoel dat er geen bewust raffinement aan te pas zou komen). De ontmoeting van deze beide stromingen, die elk op hun wijze de hegemonie van de logisch-constructieve geest in het gedicht ondermijnden, leidde uiteindelijk tot een totale fonetische atomisering van de taal, zoals wij die in de “zaoemnyjjazyk” (de “taal voorbij het verstand”) van de russische futuristen Kroetsjenych en Boerljoek, of bij dadaïsten als Hugo Ball en Kurt Schwitters zien [...].’30

In de tweede aflevering van Proloog werden verder het essay ‘Dichterschap’ van H.J. Scheepmaker en een beschouwing onder de titel ‘Over woord en cijfer’ van Hans Redeker opgenomen.

Na het derde nummer (januari 1946), dat een poëtische impressie van Bertus Aafjes en een viertal foto's van Emmy Andriesse uit de hongerwinter en de periode van de bevrijding bevatte, werd in de vierde aflevering (februari) opnieuw een essay van Victor Varangot over de poëzie gepubliceerd.

Hierin gaf Varangot onder de titel ‘Cryptomnese of synthetische poëzie?’ een gesprek weer tussen de ‘poematoloog’ K., de ‘poematophiel’ L. en zichzelf als ‘apoematicus’. Tijdens dit gesprek leverde vooral de poematoloog K. - achter deze initiaal ging Kees Lekkerkerker schuil31 - scherpe kritiek op het epigonisme - of het verschijnsel van de slecht verwerkte invloed (cryptomnese) - in de verzen van de jonge generatie. De reactie van de ik-figuur hierop was dat dit epigonisme toch een onvermijdelijk kwaad is en dat hij daarom niet begreep, waarom de poematoloog zich hierover zo opwond. De laatste antwoordde hierop: ‘Omdat het hier een heel ander soort epigonisme is dan gewoonlijk. De gewraakte dichters behooren niet tot dezelfde

[p. 135]

generatie als hun voorbeelden. Hoe het komt weet ik niet, maar het verschijnsel beangstigt mij dat de gebruikelijke opstandigheid tegen de vorige generatie bij deze jonge dichters geheel ontbreekt. Zij bewonderen, verheerlijken en imiteeren op matelooze wijze, in strijd met alle literaire tradities, hun voorgangers. Misschien omdat in hun eigen generatie nog werkelijk groote figuren ontbreken, maar dat is al evenzeer symptoom als oorzaak. Misschien omdat zij hun jeugdige opstandigheid in andere gevechten dan literaire uitgestreden hebben? Er heerscht blijkbaar een algemeene moeheid, een universeele verwarring, een ongebreidelde promiscuïteit, een verontrustende lauwheid waarin de lust vergaan schijnt zich in eigen stellingen terug te trekken en zich op een specifiek ideaal te richten. Een verschijnsel dat zich duidelijk manifesteert in het trouwens al meermalen gereleveerde feit dat, ondanks de groote verscheidenheid van letterkundige maandbladen, alle schrijvers aan alle tijdschriften medewerken. Je kunt de vrees voor het doodloopen van de literatuur trachten te camoufleeren door in dezen toestand een lofwaardige uiting van eensgezindheid te zien, maar je zult toch moeten toegeven dat hij uiterst onnatuurlijk is.’32

Een actuele bijdrage aan het vierde nummer van Proloog was een essay van H.J. Scheepmaker, getiteld ‘Het probleem der verzetspoëzie’, waarin hij stelde dat de verzetspoëzie uit de tweede wereldoorlog binnen het kader van de strijd tegen de Duitsers van betekenis was geweest, maar dat haar poëtische waarde veel geringer was. Scheepmaker: ‘Als tijdsuiting zal ik haar altijd blijven waardeeren, als bewijs van den krachtigen geest van verzet heeft zij ook mij veel troost en vertrouwen geschonken, maar als poëzie kon zij mij slechts zeer zelden ontroeren.’33 Hij keurde het dan ook af dat na de oorlog allerlei bundels met verzetspoëzie verschenen waren - alleen voor een toekomstige ‘“officieele” verzameling’34 wilde hij een uitzondering maken - en dat dichters van verzetspoëzie met letterkundige prijzen waren bekroond: ‘Dat men de leiders van het verzet, en ook van het geestelijk verzet, wil eeren, zal ongetwijfeld ieders instemming hebben, maar om dit te doen onder het mom van letterkundige verdiensten, is een betreurenswaardige vergissing. Het toekennen van letterkundige prijzen gaat, ongewild misschien, samen met een letterkundige voorlichting aan het publiek. Een werk dat bekroond is en dus “van hoogerhand” waardeering heeft gevonden, kan uiteraard meer belangstelling verwachten dan een onbekroond werk. Nog nimmer is zoo duidelijk gebleken dat hierin een gevaar schuilt, als nu na de bekroning van enkele bundels verzetspoëzie, die hiermee tot literaire meesterwerken zijn verklaard, ook al was dit misschien niet de bedoeling.’35

Na het verschijnen van de vierde aflevering van Proloog schreef Bert Voe-

[p. 136]

ten op 25 april aan Kees Lekkerkerker: ‘Ik moet je eerlijk zeggen, dat Proloog mij tegenvalt. Een “lijn” kan ik niet ontdekken. En de bijdragen van Varangot zijn heelemaal niet zoo “schokkend” als ik verwacht had. Een analyse als die in het laatste nummer over de epigonen is altijd te maken. Zulke vangsten doe je over de geheele linie, hetgeen lang niet altijd tegen de betreffende dichters pleit.’36

Ook in de vijfde aflevering (maart) werd een essay van Varangot opgenomen, waarin hij deze keer de literaire stijl van Bordewijk en Vestdijk analyseerde. Daarnaast bevatte dit nummer een kort polemisch artikel van Eldert Willems, van wie in de jaren zestig de dichtbundel In middeleeuws gevecht (1965) zou verschijnen en die in 1978 aan de Universiteit van Amsterdam zou promoveren op het geruchtmakende proefschrift Arph: kunstfilosofische onderzoekingen . In zijn artikel, getiteld ‘Een literaire moord’, plaatste Willems enkele kanttekeningen bij de grote populariteit die de boeken van Menno ter Braak na de bevrijding genoten: ‘Vrijwel elk literair program draagt tegenwoordig de sporen van het Terbrakianisme en zij, die zich opwerpen als de executeurs van zijn laatste wil, zien in de voltooiing van de “geestelijke schoonmaak”, welke met het Démasqué der Schoonheid begonnen was, de enige taak van de naoorlogse intelligentsia. Afgezien van het feit, dat Ter Braak zelf reeds (men sla er Van Oude en Nieuwe Christenen op na) aan andere zaken zijn aandacht besteedde, noopt nog de volgende overweging tot een grote mate van reserve ten opzichte van deze voortvarende “zuiveraars”. Waar men zonder enige overdrijving van een Ter Braak-rage spreken kan, is het uitgesloten, dat deze bewonderende schare de “nieuwe elite” vormt, waarop Ter Braak doelt. De pionier is qua talis een eenzame. Er is geen schriller tegenspraak denkbaar dan een massale minderheid.’37 Willems concludeerde dan ook: ‘De paradox doet zich hier voor, dat niet alleen het systeem, doch ook - het Terbrakianisme - de systeemloosheid op den duur tot dogma verstart!’38

In de vijfde aflevering verscheen verder het verhaal ‘Wij betalen onze schulden...’ van de jonge schrijver Jan Waling Dijkstra, een vriend van de Podium-redacteur Peter Verhoeff. Dit verhaal speelt zich af tijdens de tweede wereldoorlog in Frankrijk, waar Duitsers op een boerderij naar wapens zoeken. Een vrouw neemt daarbij wraak op een Duitse officier, die haar man op gruwelijke wijze om het leven gebracht heeft. De dramatische gebeurtenissen worden in dit verhaal suggestief beschreven.

Het zesde nummer (april) van Proloog bevatte - behalve een nieuw essay van Varangot, deze keer over Franz Kafka - poëzie van Hanny Michaelis en Bert Voeten en een fragment van ‘Het jaar Job’ van E. den Tex. Bij het schrijven van dit prozastuk werd Den Tex door zijn oorlogservaringen geïnspi-

[p. 137]

reerd, onder meer zijn verblijf in de gevangenis van Kleef, waar hij - zoals in Het ondergronds verwachten vermeld werd - een cel deelde met Albert Jan Govers, die later aan het clandestiene tijdschrift Parade der Profeten zou meewerken.

Over deze zesde aflevering van Proloog schreef Bert Voeten op 15 mei aan Kees Lekkerkerker: ‘Het laatste nummer van Proloog vond ik veel beter! Als je het mij vraagt, vind ik dat Varangot beter over proza dan over poezië [poëzie] kan schrijven.’39

In het zevende nummer (mei) van Proloog werd vervolgens een uitgebreid essay van H.A. Gomperts opgenomen, dat getiteld was: ‘De moderne Prometheus’. In dit essay, dat de inleiding vormde tot de tweede druk van de filosofische studie Prometheus (1919) van Carry van Bruggen, schreef Gomperts: ‘“De moderne Prometheus zal zonder geloof eenzijdig zijn en zonder hoop strijden.” Hiermee is niet alleen het nihilistische program gegeven, maar ook een gedragslijn, de enige die overblijft voor de sterken. Het is het oude, Perzische “de waarheid spreken en boogschieten” als moraal voor wie niet meer in “de waarheid” gelooft en weet, dat de moderne pijl en boog een atoombom is. Bij een desperate leer hoort een desperaat wapen. De moderne Prometheus zal inderdaad, zonder geloof in de waarheid, de waarheid moeten spreken en zonder hoop bereid zijn de atoombom te hanteren. De toekomst immers schijnt te zijn gereserveerd voor het volk, dat niet terugdeinst voor de hantering van dàt wapen...’40

Ook Hermans werkt mee aan proloog

Een opvallende publikatie in het achtste nummer (juni) van Proloog was een reeks fragmenten uit de roman Conserve van Willem Frederik Hermans. De jonge auteur, die het boek al in de zomer van 1943 had geschreven, had het manuscript intussen herzien en in het voorjaar van 1946 ter publikatie aangeboden aan uitgeverij Contact. Lekkerkerker, die deze roman als literair adviseur van de uitgeverij beoordelen moest, merkte in 1985 op: ‘Conserve, daar was ik enthousiast over en ik schreef in een rapportje dat ik sterk voor uitgave was. De Neve en Blom hebben het manuscript beiden gelezen, maar vonden het verhaal te negatief. Ik herinner mij dat Blom deze uitdrukking gebruikte, ze is me bijgebleven als iets dat geen criterium mocht zijn. “We vinden het te negatief,” zei hij, “het hoort niet in ons fonds.” Dat heb ik Hermans over moeten brengen, nadat hij al te lang op een beslissing had moeten wachten.’41

Wel koos Lekkerkerker in overleg met Hermans een aantal fragmenten uit het boek ter publikatie in Proloog. Op de ‘circulatie-envelop’, waarin de

[p. 138]



illustratie
‘Circulatie-envelop’ voor de roman Conserve van Willem Frederik Hermans.

[p. 139]

roman aan de verschillende redacteuren werd toegestuurd, schreef Lekkerkerker: ‘Hermans lijkt mij een van de meestbelovende prozaschrijvers.’ Scheepmaker, die - zoals eerder vermeld werd - een jaargenoot van Hermans was geweest op het hoofdstedelijk Barlaeus Gymnasium, noteerde: ‘Hoewel de roman als geheel m.i. niet geslaagd is, bevat hij vele waarborgen voor H.'s belangrijkheid als prozaïst. Vooral de stijl is opmerkelijk.’ En Spierdijk: ‘Voor. Goed geschreven, tamelijk onsympathiek.’42 Toen de gekozen fragmenten uit Conserve in Proloog werden gepubliceerd, was overigens al bekend dat het boek zou worden uitgegeven door de Amsterdamse uitgeverij W.L. Salm & Co.

In het achtste nummer van Proloog werd bovendien een fragment opgenomen uit een andere opvallende roman: De geboorte van Jan Klaassen van J.J. Klant. Dit boek zou kort daarna bij De Bezige Bij verschijnen.

Spanningen in de redactie

Intussen liet de samenwerking in de redactie al enige tijd te wensen over. Jan Spierdijk was als journalist voor het dagblad De Waarheid gaan werken, waarbij hij grote reportages maakte en vaak op reis moest. Daardoor kon hij aan het redactionele werk voor Proloog weinig aandacht besteden. Spierdijk vertelde hierover in 1983: ‘Ik heb bij voorbeeld de intocht van de Amerikanen in Berlijn meegemaakt en zat daardoor zes weken in Duitsland. Dan ben je niet zo geschikt om als redacteur van een jongerentijdschrift op te treden.’ Henk Scheepmaker en Kees Lekkerkerker, die zich aan Spierdijks geregelde afwezigheid ergerden, herinnerden zich dat de redacteuren bij hun aantreden hadden afgesproken, dat zij ieder na één jaargang hun redactieplaats ter beschikking zouden stellen. Dat bood dus een mooie gelegenheid om Spierdijk, die aanvankelijk het plan voor Proloog bedacht had, als redacteur aan de kant te zetten.

Een probleem was wel wie Spierdijk dan zou opvolgen. Henk Scheepmaker stelde zijn vriend Max Schuchart voor, de man die in het voorgaande jaar wegens onenigheid met Spierdijk uit de redactie gestapt was. Wat lag meer voor de hand dan hem een kans te geven? Scheepmaker had zijn voorstel al met Schuchart besproken en wist dat deze best weer mee wilde doen, maar Kees Lekkerkerker was minder enthousiast: hij waardeerde wel Schucharts internationale oriëntatie - deze had zich uitgebreid in de moderne Engelse literatuur verdiept -, maar had geen hoge dunk van diens kwaliteiten als dichter. Toen Scheepmaker hem evenwel verzekerde dat Schuchart de laatste tijd boeiende verzen geschreven had, was Lekkerkerker bereid met hem in zee te gaan.

[p. 140]

Op 14 juli 1946 schreven Scheepmaker en Lekkerkerker in een notitie - kennelijk bestemd voor uitgever De Neve -: ‘Nu het achtste nummer van “Proloog” ter perse is, lijkt het de redactie gewenscht zich rekenschap te geven van wat zij bereikt heeft, en zich te bezinnen op de toekomst van haar tijdschrift.

‘De samenwerking der redactieleden laat helaas te wenschen over, speciaal de laatste maanden. Jan Spierdijk is hiervan de oorzaak; hij zoekt te zelden contact met de andere redacteurs en houdt de bijdragen te lang onder zich.’ Na vervolgens te hebben opgemerkt dat zij ‘onder geen voorwaarde’ meer bereid waren Spierdijk ‘na December in de redactie te dulden’, stelden zij voor: ‘In zijn plaats zouden zij Max Schuchart willen uitnoodigen toe te treden, daar zij niemand anders zien van wien zij meer garantie hebben voor een goede samenwerking.’43

Op de ochtend van 5 augustus, ruim drie weken nadat Scheepmaker en Lekkerkerker deze notitie geschreven hadden, bespraken zij de situatie rond Proloog met De Neve. Deze was het eens met het voorstel Spierdijk als redacteur te vervangen door Schuchart, maar hij wilde tegelijkertijd verder gaan. Om in de concurrentieslag met het tijdschrift Het Woord niet achter te blijven, stelde hij voor de redactie uit te breiden, en wel met de dichter en prozaïst Bert Voeten. De Neve had Voeten ruim een jaar eerder leren kennen, was bereid zijn oorlogsdagboek Doortocht uit te geven en had veel verwachtingen van deze jonge schrijver. Scheepmaker en Lekkerkerker waren het met deze keuze eens.

In die tijd bevond Max Schuchart zich in Engeland, waar hij een operatie moest ondergaan. Hij logeerde er een weekend bij de romancier Graham Greene, met wie hij bevriend was geraakt - Greene zou later ook bij hem in Amsterdam logeren -, en ontdekte daar het literaire tijdschrift Horizon, dat sinds 1939 door de essayist Cyril Connolly geredigeerd werd en dat een grote indruk op hem maakte. Ook Scheepmaker las trouwens in die tijd Horizon en schreef er in september 1946 in Proloog over.

In Engeland ontving Schuchart een brief van Scheepmaker, gedateerd 5 augustus, waarin deze verslag uitbracht van de bijeenkomst van die ochtend. Nadat hij verteld had dat aan Spierdijk gevraagd zou worden zijn plaats in de redactie ter beschikking te stellen, merkte Scheepmaker op: ‘Verder moge ik je, als resultaat van het onderhoud van hedenmorgen, hierbij uitnoodigen tot de redactie toe te treden, waartegen je, naar ik gelukkig weet, geen bezwaar zult hebben. Er is evenwel een ander belangrijk besluit genomen, waar ik alleszins tevreden mee ben: namelijk dat Bert Voeten eveneens zal toetreden. Een redactie van vier dus, en, voorzoover wij het konden bekijken, een zeer homogene. Ik denk dat jij dit ook wel zult

[p. 141]

vinden. Schrijf me voor alle zekerheid even of je accoord gaat. De ideeën, die wij den laatsten tijd gezamenlijk gevormd hebben over de literatuur, en de nieuwe poëzie in het bijzonder, zullen zich uitstekend blijken aan te sluiten bij die van Voeten. Je weet, dat hij zich eveneens zeer interesseert voor de moderne Engelsche poëzie, en vermoedelijk is hij er beter van op de hoogte dan wij. Bovendien heeft hij een goede naam, zoodat wij tegenover Het Woord niet gek voor den dag komen. Ook schijnt hij zeer conscientieus te zijn en gemakkelijk om mee samen te werken.’

Scheepmaker schreef verder: ‘Het is mogelijk, dat de nieuwe redactie al dit jaar zal aantreden - en wel in het geval dat Het Woord nog dit jaar zijn redactie uitbreidt. De Neve wil, als “tegenzet”, dan niet achterblijven. Maar hieromtrent hoor je nog wel nader van mij. Verdere Proloog-plannen zijn: uitbreiding van den inhoud over alle kunsten (er is toch een kans dat we 64 pagina's krijgen), vaste kronieken, waarbij vooral één der redacteuren als essayist werkzaam zal moeten zijn (wat jij vermoedelijk het beste zou kunnen). Kortom, het geheele tijdschrift wordt levendiger - ook uiterlijk (omslag). Détails vertel ik je mondeling nog wel eens.’44

Een vernieuwde redactie

Half augustus, kort nadat Scheepmaker deze brief geschreven had, besloot Jan Spierdijk tijdens een bijeenkomst van de drie redacteuren met De Neve uit de redactie te stappen. Verder werd afgesproken niet alleen Bert Voeten uit te nodigen redacteur te worden, maar ook - vooral op aandringen van Lekkerkerker - de Zuidnederlander Hubert Lampo. Lekkerkerker, die Lampo persoonlijk kende, meende dat deze als jong prozaïst een belangrijke aanwinst voor het blad zou zijn en bovendien dat via hem nieuwe medewerkers en abonnees in Vlaanderen geworven zouden kunnen worden. Zowel Bert Voeten als Hubert Lampo namen vervolgens de uitnodiging aan.

Lambertus Hendrikus Voeten (1918-'92), die afkomstig was uit Breda, was tijdens zijn hbs-tijd voor het eerst met de literatuur in aanraking gekomen. Vooral de poëzie van Greshoff, Marsman en Slauerhoff boeide hem, terwijl hij tegelijkertijd aangetrokken werd door de atmosfeer van droefgeestigheid in het werk van Couperus. Voeten vertelde in 1983: ‘Ik weet wel dat ik De boeken der kleine zielen las, zittend aan het raam van mijn kamertje, en dan speelde er in de verte op een regenachtige herfstavond een harmonika op zo'n achterplaats, zoals je in Brabant had. En dat ging mij door merg en been.’45

Toen hij zeventien jaar was, bewerkte hij detectiveverhalen die in de zondagse bijvoegsels van Amerikaanse kranten waren afgedrukt en die zijn

[p. 142]



illustratie
K. Lekkerkerker (links) in gesprek met Constant van Wessem.



illustratie
Bert Voeten in juni 1947.
Foto Cas Oorthuys.


[p. 143]

oom in Chicago hem toestuurde. Een van deze verhalen werd in het socialistische dagblad Het Volk geplaatst.

In het najaar van 1938 werd Voeten journalist bij het Dagblad voor Noord-Brabant en Zeeland , een krant die later zou opgaan in De Stem . In oktober van dat jaar ontmoette hij bij een toneelvoorstelling door een amateurvereniging de jonge joodse journaliste Sara Minco, die in die tijd aan De Bredasche Courant verbonden was. Voeten: ‘Daar zat zij aan een tafeltje en daar kwam ik naast zitten, en toen was het liefde op het eerste gezicht.’

Kort vóór de oorlog werden van hem enkele gedichten opgenomen in het literaire tijdschrift Roeping , dat in die tijd vooral geleid werd door Gerard Knuvelder. Ook aan Criterium, Groot Nederland en Aristo - werkte hij mee.

In mei 1940 vluchtte Voeten samen met talloze andere inwoners van Breda naar België. Omdat het hem niet lukte Frankrijk te bereiken, keerde hij alweer snel naar Breda terug. Daar werd hij eind 1941 correspondent van de Nederlandsche Kultuurkamer, in welke functie hij sympathisanten voor deze instelling probeerde te winnen. Begin 1942 verhuisde hij vervolgens naar Roosendaal, waar hij als correspondent van zijn krant was aangesteld. Na enige tijd staakte hij zijn medewerking aan de Kultuurkamer.

In oktober 1943 ontmoette hij - voor het eerst na ruim twee jaar - Sara Minco weer, die intussen in Amsterdam en andere plaatsen ondergedoken was geweest en als enige van haar familie aan arrestatie door de Duitsers had weten te ontkomen. Sara, die verscheidene valse namen had gehad, bleek nu Marga te heten. In februari 1944 dook Voeten onder in de pottenbakkerij van Henk Koolhaas te Heemstede, waar sinds enige tijd ook Marga Minco een schuilplaats had. Ze sloten er vriendschap met de tekenares Tientje Louw, die als pottenbakster bij Koolhaas werkte.

In Heemstede schreef Voeten in die tijd het poëtisch pamflet Babylon herhaald , dat een aanklacht was tegen de jodenvervolging. Het pamflet werd op een distributiekantoor in 's-Hertogenbosch door een oom die daar werkte, in zestig exemplaren gestencild, die - verborgen in een glaskist, gevuld met hooi - naar Voeten gestuurd werden. Voor elk van de zestig exemplaren vervaardigde Tientje Louw daarop een omslag. In het colophon van het pamflet werd vermeld dat Babylon herhaald ‘in de zomer van het bevrijdingsjaar 1944’ verschenen was: een mededeling die later helaas te optimistisch zou blijken.

In juli 1944, toen Marga Minco en Bert Voeten vonden dat de situatie in Heemstede te gevaarlijk was geworden, verhuisden ze naar Amsterdam, waar Tientje Louw een leegstaand huis aan de Kloveniersburgwal gevonden had. Kort daarna kwam Voeten via Jan Spierdijk en Han Hoekstra in

[p. 144]

contact met Koos Schuur. In het najaar van 1945 zou Voeten aan het door Schuur en Ferdinand Langen geredigeerde tijdschrift Het Woord gaan meewerken.

De andere nieuwe redacteur van Proloog, de Zuidnederlander Hubert Lampo, zou in feite slechts zijdelings bij dit tijdschrift betrokken raken. Eigen bijdragen van hem werden niet in Proloog gepubliceerd, terwijl Lampo tijdens de korte periode dat het blad nog zou bestaan, ook geen redactievergaderingen heeft bijgewoond