In het eerste hoofdstuk van dit boek is het literaire tijdschrift Podium al geregeld ter sprake gekomen: vooral in verband met de fusiebesprekingen voor een gezamenlijk jongerenblad in de zomer van 1945. Daarbij stond overigens Parade der Profeten centraal, terwijl in dít hoofdstuk de schijnwerper in het bijzonder op Podium gericht zal worden. Hoe was de situatie bij de bevrijding voor de jonge Friese schrijvers die zich rond dit illegale blad verzameld hadden?
Zoals ik in Het ondergronds verwachten beschreven heb, was Podium in het voorjaar van 1944 door twee dichters in Leeuwarden, Gerrit Meinsma en Wim Hijmans, opgericht. Meinsma was in die tijd twintig jaar, Hijmans achttien en ze hadden elkaar op het Stedelijk Gymnasium in de Friese hoofdstad leren kennen. Hun bedoeling was in een eigen tijdschrift - vrij van de censuur door de Duitsers - verzen van henzelf en van hun vrienden en vriendinnen te publiceren en daardoor geld bijeen te brengen voor de illegaliteit. Meinsma en Hijmans vormden de redactie samen met Meinsma's vierentwintigjarige vriendin Corrie van der Noord, die in die tijd ook gedichten schreef.
Eind juni 1944 kwam het eerste nummer van Podium uit, begin september gevolgd door het tweede. Daarna moesten zowel Meinsma als Hijmans onderduiken, waardoor er geen afleveringen van het blad konden uitkomen. Begin 1945 bleek dat Wim Hijmans intussen uiterst kritisch was gaan denken over het peil van de twee verschenen nummers en trad hij uit de redactie. Corrie van der Noord en Gerrit Meinsma vroegen toen hun vriend, de zevenentwintigjarige Fokke Sierksma (1917-'77), om redacteur te worden.
Sierksma was een gedreven persoonlijkheid met een opvallende uitstraling, die op de andere Friese jongeren rond Podium haar uitwerking niet miste. Hij studeerde theologie en werkte in die tijd als adjunct-bibliothecaris bij de klassieke Buma-bibliotheek in de Friese hoofdstad. Sinds begin 1944 was hij getrouwd met Sjouk Tjepkema, die hij tijdens een studentenfeest in Groningen had ontmoet. Hij deed illegaal werk en zou in de laatste weken van de Duitse bezetting betrokken raken bij de activiteiten van de zogenaamde ‘luisterpost’, waarmee enkele bureaus van de sd in Leeuwarden afgeluisterd konden worden.
Toen Sierksma in de redactie van Podium kwam, nam hij een vriend uit de illegaliteit, de zevenentwintigjarige dichter Pieter Kalma, mee. Halverwege maart zorgde daarna de vernieuwde redactie voor de uitgave van het derde nummer van Podium, dat, evenals de beide vorige afleveringen, geheel met poëzie gevuld was.
De plannen om het tijdschrift na de oorlog voort te zetten, dateerden, zoals uit brieven blijkt, in ieder geval al vanaf het voorjaar van 1945. Beslissend hiervoor waren vooral de inzet en ambitie van Fokke Sierksma, die duidelijke opvattingen had over de rol die de schrijvers in het naoorlogse Nederland zouden moeten spelen, en die - nu hij eenmaal in de redactie van een tijdschrift zat - vast van plan was deze opvattingen in een zo breed mogelijke kring uit te dragen. Vaak werd Sierksma overigens, zoals uit de rest van dit boek nog wel zal blijken, heen en weer geslingerd tussen geloof in de toekomst en grondeloos pessimisme.
Het feit dat Podium was blijven verschijnen, was intussen bij de vroegere redacteur Wim Hijmans allerminst in goede aarde gevallen. Zijn vriend Peter van den Burch (pseudoniem van de achttienjarige Peter Verhoeff) versterkte zijn gevoel van onbehagen nog. Ze waren dan ook van plan de inhoud van het blad in de nabije toekomst in een eigen tijdschrift met de stekelige naam De Distel scherp aan te vallen.
Die aanval had nog niet plaatsgevonden, toen begin juni - ongeveer zes weken na de bevrijding van Leeuwarden - het vierde nummer van Podium uitkwam. Dit nummer bevatte, zoals tot dusver gebruikelijk was, gedichten, maar daarnaast ook enkele essays. Een van die essays was getiteld ‘Doelstelling’: een door Fokke Sierksma onder het pseudoniem Frank Wilders geschreven stuk dat met zijn strijdbare toon op vele jongeren een diepe indruk zou maken.
Na het verschijnen van de vierde aflevering meende de redactie van Podium dat - nu de reacties op dit nummer zo gunstig waren - de tijd rijp was geworden om enkele uitgevers op het bestaan van het blad attent te maken. Op maandag 11 juni 1945 schreef Gerrit Meinsma aan de Amsterdamse boekhandelaar en uitgever A.A. Balkema: ‘Hierbijgesloten vindt U het laatste nummer van de “illegale” editie, dat al tijdens de bevrijding verscheen. Heeft U eventueel belang bij de uitgave? Een vaste uitgever hebben we nog niet. Wel zijn er reeds besprekingen gaande.’1
Dezelfde dag schreef Meinsma aan uitgever Stols in Den Haag: ‘Wij hebben nog geen uitgever: interesseert U zich voor de uitgave?’2 En aan De Bezige Bij in Amsterdam, eveneens op 11 juni: ‘Heeft U eventueel belang bij de uitgave van dit tijdschrift? Ter nadere orientatie [oriëntatie] diene, dat de voorbereidende maatregelen reeds vergevorderd zijn.’3
Op dezelfde 11e juni schreef Gerrit Meinsma ook een brief aan H.J. Prakke, die een van de directeuren was van de uitgeverij Van Gorcum & Comp. n.v. te Assen. Prakke was een zwager van prof.dr. Jelle Brouwer, de vader van de zestienjarige scholier Marten Brouwer, die Podium tijdens de oorlog in Groningen verspreid had. Meinsma schreef aan Prakke: ‘Zoals U misschien bekend zal zijn verscheen vanuit Leeuwarden een letterkundig periodiekje “Podium”, dat voornamelijk poëzie publiceerde. Het ligt in de bedoeling der huidige redactie - die voor wijziging vatbaar is - er een maandblad van te maken, dat zich niet alleen tot de poëzie zal bepalen.’
Meinsma vervolgde: ‘Prof. Brouwer uit Groningen ried mij aan me eens tot U te wenden om adressen van scheppende kunstenaars op literair gebied. Onze adressenverzameling is nog lang niet [...] compleet. Zoudt U ons van dienst kunnen zijn?’4 Meinsma verzocht uitgever Prakke dus alleen maar om hem adressen te verschaffen en vroeg hem niet of hij ook geïnteresseerd was in het uitgeven van Podium, zoals hij bij de andere uitgevers wel deed. De reden hiervoor was dat Prakke nog door zijn zwager Jelle Brouwer benaderd zou worden met het verzoek de uitgave van Podium op zich te nemen.5
Intussen had Fokke Sierksma - ongetwijfeld vanwege zijn illegale werk - kort na de bevrijding de leiding gekregen over het Bureau voor Culturele Zaken in Friesland, een instantie van het Militair Gezag (mg). Hij zat dus dicht bij het vuur, wat een voordeel voor Podium kon betekenen; het blad had overigens als voormalig ondergronds tijdschrift toch al recht op een papiertoewijzing. Op 12 juni, één dag nadat Gerrit Meinsma de zojuist genoemde brief aan uitgever Prakke geschreven had, deelde het Rijksbureau voor Papier, Papierverwerkende en Grafische Industrie aan Meinsma mee: ‘In overleg met het m.g. afd. Culturele Zaken wordt U hiermede vergunning verleend tot het laten vervaardigen van een periodiek “podium”.
‘Daar de data van verschijning en de naam van de drukker niet konden worden opgegeven is het noodzakelijk dat de drukker voor het vervaardigen van elke oplage vandeze [van deze] uitgave, een vergunning tot drukken aanvraagt.’
Vervolgens werd meegedeeld dat de omvang tweeëndertig pagina's mocht bedragen, waarna werd opgemerkt: ‘Deze vergunning heeft door de tijdsomstandigheden een voorlopig karakter en kan zo nodig ten alle tijde worden ingetrokken.’6
Kort hierna, half juni, werd het conflict tussen de Podium-redactie en Wim Hijmans, die samen met Peter Verhoeff de strijd met Podium had willen aanbinden, bijgelegd, waardoor de Podium-groep weer in gesloten formatie kon optreden.
Zoals we in het eerste hoofdstuk gezien hebben, vonden later in die maand gesprekken plaats over een fusie tussen Podium en de voormalige ondergrondse bladen Parade der Profeten, Maecenas en Zaans Groen , waarna de Podium-redactie eind juli besloot van deze fusie af te zien.
Ook een fusie met het Amsterdamse tijdschrift Het Woord, waartoe door de redacteuren van dit blad, Koos Schuur en Ferdinand Langen, een voorstel gedaan was, ging niet door. Bij een - waarschijnlijk op maandag 16 juli gehouden - bespreking te Amsterdam werd duidelijk dat de onderlinge tegenstellingen zo groot waren, dat beide groepen besloten hun eigen weg te gaan.
Bovendien bleek ook het contact met de Haagse uitgever Stols, die aanvankelijk wel voor uitgave van Podium gevoeld had, geen vruchten af te werpen: mogelijk heeft het feit dat de Columbus-redacteur Jan Vermeulen in september bij Stols zou gaan werken - Sierksma was hiervan op de hoogte -, de redactie van Podium niet aangemoedigd verdere stappen in deze richting te ondernemen.
De pogingen tot fusie waren dus mislukt, terwijl tot dusver ook nog geen uitgeverij voor Podium gevonden was. Alle hoop was nu gevestigd op Jelle Brouwer, die hierover - zoals afgesproken was - zijn zwager Prakke zou benaderen. Deze poging bleek succesvol: begin september 1945 besloot Prakke de uitgave van Podium op zich te nemen.
De firma Van Gorcum was in 1800 opgericht door de drukker Claas van Gorcum, die te Sneek een drukkerij vestigde, die ook enkele eigen uitgaven verzorgde. In 1816 bleek er in Drente behoefte te bestaan aan een eigen provinciale drukkerij, waarna het bedrijf op uitnodiging van de Gouverneur des Konings naar Assen verhuisde. In de loop der jaren breidde het bedrijf zich verder uit met onder meer een boekhandel.
In 1925 - toen de achterkleinzoon van de oprichter, H.P. van Gorcum, wegens ziekte de uitgeverij moest verlaten - werd Hendricus Johannes (‘Henk’) Prakke (1900-'92), die te Alphen aan de Rijn geboren was en sinds 1919 bij Wolters' Uitgeversmaatschappij te Groningen werkte, tot directeur benoemd. Zijn compagnon was Gerard Hak, die vooral de zorg voor de boekhandel had.
Prakke, die er sinds zijn eindexamen hbs van gedroomd had zelf boeken uit te geven - in 1923 hadden hij en zijn vrouw het initiatief genomen tot oprichting van de ‘Bibliofilen-Liga Den Enck’ te Eelderwolde, waarvan ook de dichter Hendrik de Vries en de drukker H.N. Werkman deel zouden uitmaken -, begon al snel een eigen fonds te vormen. Tot de boeken die hij
in deze periode publiceerde, behoorde de bloemlezing Dichterland (1928), die door de criticus W.L.M.E. van Leeuwen werd samengesteld. In de tweede helft van de jaren dertig verschenen bij Van Gorcum ook talrijke brochures van het Comité van Waakzaamheid, waarin vooral tegen het nationaal-socialisme stelling genomen werd.
Tijdens de oorlog maakte de uitgeverij een moeilijke periode door. Omdat er niet veel werk was, besloot Prakke, die geen universitaire opleiding gevolgd had, in Groningen sociologie te gaan studeren. Hij was toen ruim veertig jaar. Omdat hij de ‘loyaliteitsverklaring’ niet wilde tekenen, volgde hij hierbij geen colleges. In 1944 legde hij in het geheim - op een boerderij! - het kandidaatsexamen af.
Begin 1945 werd Prakke - nadat kopij voor het illegale blad Vrij Nederland in handen van de Duitsers gevallen was - gearresteerd en in ‘Zelle 30’ van de gevangenis te Assen opgesloten. Daar bleef hij tot aan de bevrijding van de Drentse hoofdstad in april. Over zijn enerverende belevenissen in die periode schreef hij later zijn boek In en om Zelle Dreiszig (1946).
Prakke deelde in 1986 over de uitgeverij na de oorlog mee: ‘Je kreeg ineens met zoveel, dingen te maken. Je had een leeg bedrijf, dus zakelijk had je het idee: “Het moet gevuld worden.”’7 En over het uitgeven van Podium: ‘Ik was er direct warm voor.’
Over zijn contacten met Sierksma vertelde Prakke, die zelf geregeld gedichten schreef: ‘Fokke Sierksma had een levendige geest en was zeer strijdbaar en dat heeft mij altijd gelegen. Strijdbaarheid is in vele gevallen ook wel een kenmerk van mijn eigen optreden.’
Op 14 september 1945, kort nadat Prakke besloten had Podium uit te geven, schreef hij aan Gerrit Meinsma: ‘Het verheugt ons, dat wij de uitgave van “Podium” verder ter hand kunnen nemen. Wij stellen ons er veel van voor.’8
De redactie en Prakke kwamen overeen dat Van Gorcum de uitgave van het blad - na een proefperiode - zou voortzetten, als de redactie erin zou slagen op zijn minst vierhonderd abonnees te winnen. Afgesproken werd ook dat de redacteuren voorlopig geen honorarium zouden ontvangen.
Intussen was de redactie van Podium , die in de zomer van 1945 bestond uit Corrie van der Noord, Pieter Kalma, Gerrit Meinsma en Fokke Sierksma, ingrijpend gewijzigd. Gerrit Meinsma, die een eerder plan om in Groningen te gaan studeren, opgegeven had en zich in plaats hiervan in september 1945 als student Nederlands in Amsterdam inschreef, vond het beter uit de
redactie te stappen. Meinsma vertelde hierover in 1982: ‘Ik meende dat ik niet bekwaam genoeg was om daar redacteur van te zijn. Dat kwam natuurlijk ook door de intellectuele suprematie die er van de zijde van Fokke Sierksma en sommige van zijn vrienden uitging. Die waren veel verder.’9 Ook Corrie van der Noord, die in deze periode ziek werd en anderhalf jaar zou moeten kuren, besloot haar plaats in de redactie op te geven.
Overeenkomstig de afspraak die tijdens de besprekingen met de groep rond Wim Hijmans en Peter Verhoeff gemaakt was, werd Verhoeff hierna in de redactie opgenomen. Nu waren er dus drie redacteuren: Sierksma, Kalma en de nog erg jonge Verhoeff. Sierksma vond deze ploeg niet solide genoeg, waarna de redactie op zijn voorstel werd uitgebreid met een van zijn vrienden: de predikant drs. P.P. Miedema.
Pieter Pieters Miedema was in 1915 te Exmorra (bij Bolsward) geboren. Nadat hij evenals Sierksma het Gereformeerd Gymnasium te Huizum bezocht had, ging hij in Utrecht theologie studeren, waar hij in 1936 het kandidaatsdiploma haalde. In deze jaren kwam hij sterk onder de invloed van de Deense filosoof Sören Kierkegaard, die in de vorige eeuw voor een radicaal christendom gepleit had.
In 1940 werd hij predikant van de Nederlands-Hervormde Kerk in de Friese dorpen Drachtstercompagnie en Rottevalle. In hetzelfde jaar sloot Miedema, die een aanhanger van de Friese beweging was, zich aan bij de in 1938 opgerichte Fryske Folkspartij, waarvan vooraanstaande figuren - kennelijk in de hoop daarmee de ‘Friese zaak’ vooruit te brengen - met de Duitsers gingen samenwerken.10 Later in de bezettingstijd raakte Miedema, die als predikant een profetische indruk maakte, betrokken bij de illegaliteit. Pieter Wijbenga, die tijdens de oorlog een van de leiders van de Friese Knokploegen was, vertelde in 1985 over Miedema, die graag op jacht ging in de bossen bij Appelscha: ‘Daar heeft hij kans gezien om in een soort hol joden onder te brengen.’11 Toen de winter voor de deur stond en de tientallen joden die zich intussen in de bossen bij Appelscha verzameld hadden, daar niet langer konden blijven, zorgde Miedema voor onderdak. In illegale kringen werd Drachtstercompagnie daarom in deze tijd wel ‘het nieuwe Jeruzalem’ genoemd. Ook hielp Miedema mee om geallieerde piloten een schuilplaats te bezorgen.
Zoals in Het ondergronds verwachten vermeld werd, vond Miedema begin 1944 bij Sjouk en Fokke Sierksma een schuilplaats, toen hij door de Duitsers gezocht werd. De Sierksma's waren enkele dagen eerder getrouwd en woonden in het zogenaamde Mienskipshûs te Huizum dicht bij Leeuwarden. Op 1 mei 1944 moest vervolgens Miedema's hele gezin onderduiken, waarna de pastorie door de sd verzegeld werd.
Over deze bewogen jaren, waarin Miedema met zijn sociaal-geëngageerde opvatting van het christendom geregeld in botsing kwam met sommige gemeenteleden, zou hij later verslag uitbrengen in zijn memoires die hij onder de typerende verzameltitel Wrakseling om frijheit (Worsteling om vrijheid, 1978-'79-'82) in drie delen publiceerde.
Met het toetreden van Miedema bestond de redactie van Podium dus uit Peter Verhoeff - hij publiceerde onder de schuilnaam Peter van den Burch -, Pieter Kalma, Pieter Miedema en Fokke Sierksma. Het redactie-secretariaat zou door Wim Hijmans beheerd worden.
Intussen werd voortvarend aan de uitgave van Podium gewerkt. De redactie, die - gezien het weinig ‘artistieke’ karakter van het fonds van Van Gorcum - aanvankelijk geen hoge verwachtingen gekoesterd had over de uiterlijke verzorging van het blad, kwam daar snel van terug. Op 14 september 1945 schreef Fokke Sierksma aan uitgever Prakke: ‘Met bewondering en erkentelijkheid aanschouwt onze redactie Uw voortvarendheid en zorg ten aanzien van ons blad. Ik haast me dan ook om ons vermoeden - hoe durfden wij het uiten?! - als zou Podium een Asschepoestertje zijn, voor 100% te herroepen, iets wat wij dermate belangrijk achtten, dat wij het vandaag reeds telegrafisch deden. Men moet zijn ongelijk durven bekennen. En ongelijk hebben wij, naar de feiten bewijzen.
‘Het uiterlijk van ons blad overtreft - laten wij eerlijk zijn - onze stoutste verwachtingen. Het lijkt ons aesthetisch zeer verantwoord. Een betere introductie van den uiterlijken kant mogen wij niet vragen. Als er minder belangstelling mocht zijn dan wij verwachten, dan ligt dat stellig niet aan U.’
Over de kleur van het omslag merkte Sierksma hierna op: ‘Gevraagd naar ons oordeel, vinden wij de combinatie blauw-geel de mooiste. Ten aanzien van het lettertype achten wij de gothische minder geslaagd. De andere letter is zakelijker en past, dunkt ons, beter bij de mentaliteit van het blad.’
‘Het twee-kolommenstelsel is iets, waaraan wij moeten wennen, maar wij leggen ons gaarne neer bij het oordeel van den vakman, dat de nadruk legt op leesbaarheid bij een klein lettersoort.’
In een postscriptum deelde Sierksma nog mee dat de redacteur Peter Verhoeff erover teleurgesteld was dat de redactie voorlopig geen honorarium zou ontvangen. Sierksma schreef: ‘Misschien is het mogelijk om zijn inzendingen matig te honoreren. Zo lang Podium geen vaste basis heeft, kunt U ervan overtuigd zijn, dat geen enkel redactielid dit als een antecedent zal beschouwen. Zij achten de geest onverkoopbaar en vinden geld in dit verband zeer secundair.’12 Verhoeff, die in het laatste jaar van de oorlog - tot hij moest onderduiken - in de vierde klas van de Christelijke hbs te
Leeuwarden gezeten had, maakte deze opleiding na de bevrijding niet af. Later zou hij bij het weekblad Vrij Nederland in Amsterdam gaan werken.
Op 19 september, kort nadat Sierksma deze brief aan Prakke geschreven had, deelde de nieuwe redactiesecretaris Wim Hijmans aan Gerrit Meinsma, die intussen in Haarlem op kamers woonde, mee: ‘Je weet, dat Van Gorcum het met 400 abonné's voort wil zetten. We zitten nu ongeveer op 200, terwijl ik er weer wat heb, die ik hem kan berichten. Ken jij nog mensen, in Holland, die er voor zouden voelen?’13
Intussen was de redactie druk bezig nieuwe medewerkers te zoeken. Op 11 september vroeg Sierksma aan de jonge Friese dichter Anne Wadman, die hij nog nooit ontmoet had, hem een aantal van zijn ongepubliceerde verzen toe te sturen, waaruit de redactie dan een keuze zou kunnen maken. Met een verwijzing naar de Friese dichter Freark Dam, die in die tijd bij hem in huis woonde, schreef Sierksma: ‘Jo hawwe faeks fen Freark Dam al heard, det it blêd tsjin de suprematy fen Hollân rjuchte is en det wy ek dêrom plak jaen wolle oan Fryske poëzije as lykbirjuchtige en lykweardich. Us foarnimmen is: yn elts nûmer in pear bêste Fryske fersen.’14 (‘U hebt waarschijnlijk van Freark Dam al gehoord dat het blad tegen de suprematie van Holland gericht is en dat wij ook daarom plaats willen geven aan Friese poëzie als gelijkgerechtigd en gelijkwaardig. Ons plan is: in elk nummer een paar zeer goede Friese verzen.’)
Anne Sybe Wadman, die op deze wijze bij Podium betrokken raakte, was in 1919 te Langweer (Friesland) geboren. Hij kwam uit een buitenkerkelijk, socialistisch ambtenaarsmilieu. Hij bezocht de lagere school te Langweer, daarna de ulo te Joure en vervolgens de hbs te Heerenveen. Al op jonge leeftijd leerde hij vioolspelen. Verder knipte hij uit de krant foto's van schrijvers uit, die hij in cahiers plakte en van een informatieve tekst voorzag. Over zijn favoriete auteurs deelde hij in 1986 mee: ‘Mijn jeugdheld was Den Doolaard, niet omdat hij goed schrijven kon, maar omdat hij bergen beklom en naar de Balkan ging. Ik ben zelf nooit in de Balkan geweest en ik heb geen bergen beklommen, maar hij was mijn jeugdheld. Theun de Vries misschien een klein beetje. En ik las met veel ontroering Herman Robbers en dat soort mensen. Het ouderwetse realisme lag me wel een beetje, het ligt me nog wel.’15
Omstreeks 1936 sloot Wadman zich aan bij de Boun fen Frysk-Nasjonale Jongerein (Bond van Fries-nationale jongeren) en schreef hij zijn eerste bijdragen in Friese tijdschriften. Op 4 november 1936 noteerde hij in zijn dag-
boek: ‘Nu ik aan het einde dezer met de hand der half-spelenden geschreven en gedachte bladzijden gekomen ben, stel ik er prijs op een kort woord van weemoedige herinnering te wijden aan de tijd die dit alles omvatte, een tijd van geestelijke verzet, van zelf-kritiek, van Fries-voelend worden, van bewust worden van eigen en anderer zwakheid, en tegelijkertijd van eigen innerlijke, stil en gestadig voortwroetende kracht, tot uitdrukking gebracht door weet- (niet leer-)gierigheid. Ik weet dat ik meer wil weten, en dat weten en dat willen beheerst mijn daden, mijn optreden. Ik besef grotere dingen des levens, en niet slechts h.b.s.-nietigheden, doch waarlijk, ik voel me meer mezelf dan enige jaren geleden, en ook nog dan verleden jaar. Over de laatste twee, drie maanden kan ik gerust zeggen: Ik kwam van niet bewust-weten tot het opgroeiend besef van een persoonlijkheid worden - zij het hoofdzakelijk in eigen ogen... Dit vindt wellicht zijn oorzaak in het feit, dat ik mijn optreden, ook voor de Friese beweging, gewaardeerd weet, en iets heb waaraan ik mijn jonge kracht kan wijden, zij het op bescheiden schaal.’16
In 1939 vertrok Wadman naar Amsterdam, waar hij Nederlands ging studeren aan de Gemeentelijke Universiteit. Daar kreeg hij als jaargenoot de ruim twee jaar oudere Gerrit Borgers, die met zijn brede kennis een diepe indruk op hem maakte. Kort vóór de Duitse inval gingen Wadman en Borgers, die met elkaar vriendschap gesloten hadden, naar een lezing van Menno ter Braak in het Universiteitsgebouw aan de Oudemanhuispoort. Daarbij zaten Elisabeth de Roos en E. du Perron op de voorste rij. Wadman vertelde over zijn bezoek aan deze lezing: ‘Dat heeft me wel in de Forumrichting gedreven, hoewel ik er niet zoveel van afwist. Ik ben toen als een gek boeken van Ter Braak gaan kopen.’
Omdat Wadman er in 1942 over dacht met de studie Nederlands te stoppen en in de muziek te gaan - hij deed in januari 1943 nog wel kandidaats-examen -, keerde hij naar Friesland terug, waar hij in Gorredijk onderdook. Daar ging hij spelen in het clandestiene dansorkest The Snake Charmers, dat na de bevrijding ook voor de Canadezen zou optreden. Wadman speelde in dit orkest viool, trompet en slagbas.
Tijdens de oorlog vatten enkele Friese schrijvers, die in 1944 betrokken waren bij het clandestiene blad De Rattelwacht , het plan op om na de bevrijding een eigen Fries literair tijdschrift, De Tsjerne , op te richten. De dichter Fedde Schurer kwam hierover met Wadman praten, die hem beloofde mee te zullen werken. In de zomer van 1945 publiceerde Wadman vervolgens zijn eerste bundel met Friese poëzie, getiteld Op koart front (Op kort front), waarna korte tijd later een tweede dichtbundel, Fan tsien wâllen (Van tien wallen, 1945), het licht zag.



Veertien dagen na zijn eerste brief, op 25 september, schreef Fokke Sierksma aan Wadman: ‘Neffens Peter van den Burch is Podium is [in] twadde Forum, mar det is my to eigenwiis omt wy snotjonges binne en de Forumljue “knapen”. Mar snotjonges en “knapen” hawwe ien voorkeur: de vent.’17 (‘Volgens Peter van den Burch is Podium een tweede Forum, maar dat is mij te eigenwijs, omdat wij snotjongens zijn en de Forumlui “knapen”. Maar snotjongens en “knapen” hebben één voorkeur: de vent.’)
Een andere schrijver aan wie de redactie van Podium vroeg mee te werken, was de toen zesenveertigjarige Simon Vestdijk, in die tijd al een beroemd auteur. Op 26 september schreef Vestdijk aan de redactiesecretaris Wim Hijmans: ‘Aan Podium wil ik graag medewerken, niet alleen omdat het zich eenigszins op “Forum” vermocht te inspireeren, maar ook omdat het mij in staat stelt de banden met mijn geboorteprovincie iets nauwer aan te halen. Hierbij doe ik U een kort essay toekomen en enkele gedichten. Een novelle heb ik momenteel niet voor u. Wel bestaat de mogelijkheid, dat ik u een vervolgroman afsta, indien daar plaats voor is. Daarbij had ik gedacht aan mijn roman “De andere school”, een vervolg op “Terug tot Ina Damman”, en van dezelfde omvang. Het zou aardig zijn deze roman in uw tijdschrift te publiceeren, daar hij grootendeels in Leeuwarden speelt. Mag ik vernemen hoe de redactie hierover denkt?’18 Een aardig detail hierbij is dat een van de klasgenoten van Anton Wachter, de hoofdpersoon in De andere school, Piet Kalma heet, dus vrijwel dezelfde naam heeft als de Podium-redacteur Pieter Kalma. Over Piet Kalma wordt in de roman verteld dat hij literaire neigingen had en samen met Anton Wachter ‘een klassekrant had gesticht’!19
Drie dagen nadat Vestdijk zijn brief aan Hijmans geschreven had, op zaterdag 29 september, verscheen het eerste nummer van de tweede jaargang van Podium. Dat was dus - ondanks het feit dat Podium tot voor kort geen uitgever had - nog eerder dan de eerste aflevering van Columbus of Proloog ! Een psychologisch voordeel in een tijd waarin de jongeren met elkaar in hevige concurrentiestrijd gewikkeld waren. Dit nummer van Podium, gedateerd september 1945, was gestoken in een geel-met-paars omslag en had als ondertitel ‘Onafhankelijk tijdschrift voor literaire, culturele en politieke zaken’. Meegedeeld werd dat het blad iedere twee maanden zou verschijnen. De abonnementsprijs bedroeg f 7,50 per jaargang.
Bij de eerste aflevering was een blauwe folder gevoegd, waarin over Podium strijdbaar werd opgemerkt: ‘Redactie en medewerkers zijn van me-
ning, dat de poëzie bij de jongste - hun eigen - generatie een kasplant dreigt te worden. Van dit aestheticisme, dat de dichtkunst uitmergelt met de wel of niet geslaagde literaire vondst, hebben wij meer dan genoeg.’20
Het eerste nummer, dat tweeëndertig pagina's telde - ook de volgende afleveringen van de tweede jaargang zouden deze omvang hebben -, opende met een door de redacteuren Peter van den Burch, P. Kalma, P.P. Miedema en Fokke Sierksma ondertekende beginselverklaring, die getiteld was: ‘Bij de eerste legale jaargang’.
In deze, door Sierksma geschreven, inleiding merkte de redactie allereerst op: ‘De doelstelling, waarmee Podium na het illegale begin wilde doorgaan, was meer een signaal dan een exposé. Zij kan dit karakter behouden. Een herkenningsteken is duidelijker dan een dogmatiek of statuten.’ Hiermee verwees de redactie naar het essay van Frank Wilders (Fokke Sierksma), getiteld ‘Doelstelling’, dat in het vierde nummer van de eerste jaargang verschenen was.
De redactie vervolgde: ‘De hoop, dat dit signaal zou gelden voor een generatie, bleek gedeeltelijk ongegrond. Een positieve reactie kwam van enkelingen, niet van groepen. De jongste literatoren van Nederland wisten zich, voorzover zij zich in de oorlog reeds min of meer in groepsverband hadden georganiseerd, “dichters in een windstilte”, of zij droomden vaag-idealistische mensheidsidealen. Tegen het een en het ander kiest de Podium-groep partij. Een windstilte, die niet de sereniteit van luchtlagen boven de aarde, maar de luwte van een schuilplaats is, wensen wij noch als uitgangspunt noch als doel. Het klein geluk, dat deze poëzie belijdt, is voor ons hoogstens aanvaardbaar als het veroverd werd in een storm. Maar wij kunnen, zonder hieraan kwalificaties te willen verbinden, slechts constateren, dat de oorlogsstorm weinig meer dan tocht in het klein geluk dezer dichters heeft veroorzaakt. Andererzijds [Anderzijds] is de kleur van vage mensheidsdromen, onder het dreigement van raketwapens en atoomsplitsende bommen, voor ons gevoel te flets. Tussen onze tijd en een eventuele gouden eeuw der Mensheid ligt een kloof, waarvoor iedere polsstok te klein is, ook de dichterlijke. En profeten zijn er onder ons niet meer.
‘Om deze reden zetten wij de uitgave van Podium voort. Het zal niet een zuiver literaire periodiek zijn. Poëzie is een te smalle basis voor enkeling en gemeenschap, temeer daar zij in onze tijd is verschraald tot een armetierige lyriek - een impasse, waaruit ook wij niet de pretentie hebben haar wonderbaarlijk te redden. Wij zijn niet enkel dichter. Misschien omdat wij geen grote dichters zijn. Een tijd heeft haar noodlot te aanvaarden. Daarin is verlies en winst. Want wij wìllen ook niet enkel dichter zijn.’
Hierna schreef de redactie dat Podium een grote plaats zou inruimen

Omslag van het Podium-nummer van september
1945.
‘voor het essay, dat evenzeer op politiek, sociaal als literair terrein den geest verdedigt tegen geest-loosheid, geest-pose en geest-drijverij. Wij willen dit gevecht verbeten voeren. Wil men ons humanisten noemen, het is ons goed. Als het dan maar een humanisme met haar op de tanden is. Maar aan het eind van offensief of defensief zal er de glimlach zijn over de ernst van het clowneske spel, dat onder de sterren wordt opgevoerd tegen een achtergrond, die raadsel is - een spel, waarin wijzelf even trotse als zielige medeacteurs zijn. Over de vraag of boven deze navrante vertoning God of een vraagteken staat, verschillen de medewerkers van Podium. Maar het zal, gezien de populariteit van het debat over christendom en humanisme, misschien enkele lezers interesseren, dat deze medewerkers orthodox-christelijk, heterodox-humanistisch en ongeëtiketteerd zijn. Door de kloof tussen gelovige en ongelovige niet te camoufleren, vonden zij elkaar in de menselijke standing.’
En verder - met een verwijzing naar de illegale Knokploegen (kp) tijdens de bezettingstijd -: ‘De geest der k.p., die eigen leven riskeerde en gaf, maar even rustig verzekerde, dat het na de oorlog wel weer een zoodje zou zijn, erkennen, wij als een voorbeeld ter navolging in het klein.
‘Ten aanzien van staat en maatschappij is het wel overbodig te zeggen, dat wij niet aan partijpolitiek gaan doen, maar slechts hopen revolutionnairen te zijn “with a great, big smile”, die de ernst eerder accentueert dan verkleint. Ten aanzien van de literatuur willen wij openhartig verzekeren, dat wij, alle aestheten ten spijt, dikwijls dat, wat een dichter te zeggen heeft, interessanter en belangrijker vinden dan zijn dictie en techniek. Wij hebben meer dan genoeg van het aestheticisme, dat de poëzie uitmergelt met de wel of niet geslaagde vondst.’
De redactie merkte tenslotte op: ‘Wij zijn ons verwantschap en tegenstelling met de vorigen bewust. Marsman, Ter Braak, Slauerhoff en Roland Holst hebben ons gevormd. Wij blijven hun trouw en wij verlaten hen, zoals wij tegenover onze ouders gehandeld hebben. Maar één ding is zeker: als drie van hen niet gestorven waren, hadden wij, literaire kwajongens, het niet zo spoedig gewaagd een zelfstandig tijdschrift uit te geven. Nu geldt alleen: il faut travailler, travailler toujours... faute des mieux.
‘Medewerking van schrijvers en dichters, die op hetzelfde standpunt staan, stellen wij zeer op prijs.’21
De redactie van Podium wilde zich dus keren zowel tegen de ‘dichters in een windstilte’, die zich een schuilplaats zochten in het ‘klein geluk’, als tegen de schrijvers die zich aan ‘vaag-idealistische mensheidsidealen’ overgaven: kennelijk een uitval naar de dichters rond Columbus, die naar de mening van Sierksma en zijn vrienden niet geëngageerd genoeg waren. Vol-
gens de redactie van Podium kon de moderne intellectueel niet slechts toeschouwer bij het wereldgebeuren blijven, maar moest hij het spel meespelen. Podium zou dan ook een grote plaats inruimen voor het essay, ‘dat evenzeer op politiek, sociaal als literair terrein den geest verdedigt tegen geest-loosheid, geest-pose en geest-drijverij’. De redactie voegde hieraan toe: ‘Wij willen dit gevecht verbeten voeren. Wil men ons humanisten noemen, het is ons goed. Als het dan maar een humanisme met haar op de tanden is.’ Vooral de laatste zin - wellicht de meest geciteerde zin uit alle jaargangen van Podium - zou al snel worden beschouwd als een strijdkreet, die alles omvatte waarvoor de Podium-redactie zich wilde inzetten.
Over de poëzie schreef de redactie, dat deze ‘een te smalle basis voor enkeling en gemeenschap’ was, ‘temeer daar zij in onze tijd is verschraald tot een armetierige lyriek [...]’. Een verrassende uitspraak voor wie bedenkt dat ongeveer negentig procent van de eerste jaargang van Podium met poëzie gevuld was! Ook al zou het te ver gaan hierbij over een veranderde houding ten opzichte van de poëzie te spreken - de eerste jaargang verscheen immers in heel andere omstandigheden -, kon toch uit deze opmerking worden geconcludeerd dat de poëzie voortaan een heel wat bescheidener plaats in het blad zou innemen.
Over de poëzie merkte de redactie verder op dat ‘wij, alle aestheten ten spijt, dikwijls dat, wat een dichter te zeggen heeft, interessanter en belangrijker vinden dan zijn dictie en techniek’. Hieruit kan worden opgemaakt dat de redacteuren van Podium - evenals Ter Braak, Du Perron en andere schrijvers rond het tijdschrift Forum in de jaren dertig - de persoonlijkheid van de kunstenaar van groter belang vonden dan de wijze waarop deze persoonlijkheid zich in zijn werk uitspreekt.
Typerend is tenslotte dat de redactie in deze beschouwing, waarin - nog geen twee maanden na het vallen van atoombommen op Hirosjima en Nagasaki - gewag gemaakt werd van ‘atoomsplitsende bommen’, met bewondering schreef over de ‘geest der k.p.’ als een ‘voorbeeld ter navolging in het klein’. Eerder al, in het vierde nummer van de eerste jaargang, had Sierksma ervoor gepleit de problemen van de naoorlogse maatschappij met dezelfde strijdbaarheid tegemoet te treden die tot het verzet tegen de Duitsers geïnspireerd had.
Ook in een drietal gedichten van Frank Wilders (Fokke Sierksma) in deze aflevering werd aan de illegaliteit herinnerd. Een daarvan was getiteld ‘In memoriam Johan J. Erich’ en was geschreven ter nagedachtenis aan een jeugdvriend uit Dokkum, met wie Sierksma tijdens zijn middelbareschooltijd vaak naar Leeuwarden was gereisd. Erich, die vanuit het kantoor van de belastinginspectie te Drachten belangrijk ondergronds werk had
gedaan - onder meer door de illegale verspreiding van bonkaarten -, was op 26 mei 1944 bij een overval door de sd doodgeschoten. Het begin van het gedicht luidt:
Zoals we gezien hebben, was de redactie van Podium van plan in elke aflevering enkele Friese gedichten op te nemen. In het eerste nummer waren dit verzen van Freark Dam en J.J. van Weringh.
Freark Wigers Dam, die het eerste Friese gedicht schreef dat in Podium gepubliceerd werd, is in 1924 uit niet-Friese ouders geboren te Katlijk (bij Heerenveen). Hij stamt uit een geslacht van Overijsselse turfgravers, die omstreeks 1800 naar Friesland kwamen. In zijn familiekring werd naast het Fries nog lang het zogenaamd Giethoorns dialect gesproken. In zijn jeugd werd Freark Dam vooral geboeid door de poëzie van Greshoff, Van Nijlen, Marsman en Slauerhoff, terwijl ook het werk van de Duitse dichter Rainer Maria Rilke hem sterk aansprak. Over het begin van zijn schrijversloopbaan vertelde hij in 1985: ‘Als je de drang hebt te gaan schrijven, dan probeer je dat eerst in het Nederlands, en dan blijkt dat - dat is mijn persoonlijke ervaring - om welke reden dan ook beslist niet te lukken. Dan kom je toevalligerwijs in aanraking met de Friese poëzie en dat opent dan blijkbaar een luikje dat anders dicht was blijven zitten.’23
Freark Dam, die in 1944 in verband met de ‘Arbeitseinsatz’ was opgepakt en in verscheidene Duitse kampen opgesloten was geweest, woonde na de bevrijding enige maanden in het Mienskipshûs bij Sjouk en Fokke Sierksma. In die tijd werkte hij als assistent van de Fryske Akademy te Leeuwarden.
Het gedicht van Freark Dam dat in dit nummer van Podium gepubliceerd werd, was getiteld ‘In memoriam Patris’ (Ter herinnering aan Vader):
Een door Anne Wadman vervaardigde vertaling hiervan luidt:
De andere dichter van wie in dit nummer een Fries gedicht gepubliceerd werd, J.J. van Weringh, was een theoloog; hij maakte deel uit van de vriendenkring waartoe ook Fokke Sierksma en Pieter Miedema behoorden.
In de polemische rubriek ‘De proppenschieter’ haalde Sierksma vervolgens onder het kopje ‘“Papierkrieg”’ een herinnering op aan een bijeenkomst die kort daarvoor in de hoofdstad had plaatsgevonden: ‘Amsterdam. Enkele weken na de bevrijding. Een kamer in old finish. Pratende jongemannen, die volgens authentieke opgave behoren tot de jonge dichtergeneratie van Nederland. Zij spreken over poëzie. Waarover zouden zij anders spreken? Het is reeds spoedig duidelijk, dat men in dit gezelschap slechts dan kan meepraten, wanneer men niet alleen gedichten, die hoogstens enkele weken oud mogen zijn, maar ook de fabrikanten van deze poëmen persoonlijk kent. Met hartstocht wordt elk détail gewogen, zowel van dicht als dichter. De waardeschaal loopt van verdomd goed naar onsympathiek. Een beschaafd gesprek heeft echter enkele lichte contrasten nodig. En plotseling is er het onderwerp: illegale werkers. En met het dédain, waarvan ik tot op dat ogenblik meende, dat het een monopolie van een bepaalde soort Hollandse schoolmeesters was, valt luchtig het oordeel: och, niets dan avonturiers. Herhaling en hoofdgeknik volgen. Geest van Slauerhoff, koersend op de wateren der eeuwigheid, vergeef mij, dat ik U toen in Uw rust heb gestoord.
‘Dat deze bloem der natie niet de lef had om de cultuur, waarop zij parasiteerde, te verdedigen, dat is hun eigen zaak. Maar ik meende, dat poëzie nog altijd iets van een avontuur had en dat poëten nog altijd een geheime verwantschap voelden met den avonturier. Dichtkunst is avontuur. Dichters zijn avonturiers. Zij waren het. Nu zijn zij schoolmeesters, die het proefwerk der beginnelingen corrigeren en hemel en aarde bewegen over de vraag, of het een 6 dan wel een 6 - kan halen.
‘Verontwaardiging zou hier slecht passen. Dat zou den Hollandsen dominee tegenover den Hollandsen schoolmeester brengen.
‘Het grote gevaar, als daarvan nog sprake is, is een papieren gevaar geworden. Hier is slechts één wapen effectief: de proppenschieter, waarvan de papieren projectielen even ongevaarlijk zijn als hun doelwit. Alleen de knal bewijst nog, dat het ernst is - ook op papier.’26
De eerste aflevering bevatte verder poëzie van Peter van den Burch (Peter Verhoeff), Th. van der Swet (Pieter Kalma), Willem Hijmans en Elfred van der Vliet en een symbolisch verhaal, getiteld ‘Fijnaert en de gouden vogel’, van Th. van der Swet.
Op 29 september - dezelfde dag waarop het Podium-nummer verscheen - schreef Fokke Sierksma aan Simon Vestdijk: ‘Met vreugde ontvingen wij
Uw inzending voor “Podium”. Wij stellen het zeer op prijs, dat U ons de gelegenheid geeft op deze wijze de hand te kunnen reiken aan de enige generatie uit de moderne Nederlandse literatuur, die voor ons betekenis heeft: Forum. Podium is niet in een enthousiaste roes ontstaan. In eerlijke of geveinsde bescheidenheid voelden wij ons literaire kwajongens. Toen ons echter bleek, dat wij minstens evenveel presteerden als de overige jongeren, terwijl wij bovendien meenden ook nog iets eigens te zeggen te hebben, hebben wij het plan doorgezet. Maar toen stond ook voor ons vast, dat we wilden aansluiten bij Forum. Wanneer het zou blijken dat wij geen formaat hebben, zal men altijd van ons moeten zeggen, dat we in ieder geval oog voor formaat hebben gehad. En zelfs dat ontbreekt voor ons besef bij vele jongeren.’
Sierksma merkte verder op: ‘Het deed ons genoegen dat U via “Podium” de banden met Uw geboorte-provincie iets nauwer wilt aanhalen. Hoewel wij ons in de eerste plaats Europeanen voelen, is er toch een sterke band met het kleine land, waar wij zijn geboren.
‘Het zou prachtig zijn, als wij Uw vervolg op “Terug tot Ina Damman” konden publiceren. Het enige bezwaar zal de papierschaarste zijn. Wij zullen echter trachten uitgever en officiele [officiële] instanties te bewegen tot een grotere papiertoewijzing.’
Sierksma schreef verder: ‘Staat U mij nog een persoonlijke vraag toe. Uw figuur is voor mij nimmer inspirerend geweest, zoals Ter Braak, Marsman en Roland Holst. Veeleer was U de verre en strenge criticus, voor wiens werk - vooral de essays en romans - ik een diep ontzag had. Maar wel had ik dikwijls de gedachte: als ik ooit mijn werk naar een crack stuur, zal het naar Vestdijk gaan. Een Friese trots (met de daaraan verbonden schroom?) gaf mij een afkeer van wat ik meestal niet anders dan als indringerigheid van vele jongeren kan zien: het opsturen van hun werk naar ieder die op de een of andere wijze een “naam” heeft. Nu er zakelijk een contact is ontstaan, zeg ik U gaarne, dat ik het zeer op prijs zal stellen, wanneer U Uw oordeel eens zou willen geven over Podium in het algemeen en mijn werk speciaal. Wanneer U daartoe lust en tijd hebt, zal ik U dankbaar zijn. Essays onderteken ik met eigen naam. Verzen met Frank Wilders.’
En verder: ‘Nogmaals dank ik U voor Uw medewerking. Hoewel het dwaas zou zijn, als de jongeren zelf hun blad niet vulden en ik ook niet om Uw geregelde medewerking durf vragen, zouden wij het ten zeerste appreciëren, als U zo nu en dan eens aan Podium wilde denken. Mogen wij U dat verzoeken?’27
Dezelfde dag, 29 september, schreef Sierksma ook een brief aan Albert Jan Govers, die in het laatste oorlogsjaar aan Parade der Profeten had mee-
gewerkt. In deze brief, waaruit in het eerste hoofdstuk al enkele gedeelten werden geciteerd, ging Sierksma uitvoerig in op de verschillen tussen de Podium- en de Columbus -groep - vooral naar aanleiding van de mislukte fusie tussen beide bladen -: ‘Wij wilden, in alle bescheidenheid - voor ons besef ontbrak die hier en daar bij de Columbianen te veel, omdat ze figuren van formaat te klein en zichzelf te groot zagen [...] -, een meer totale poëzie en een meer totale mens achter de poëzie. Vooropgesteld is natuurlijk, dat deze eis de schoonheid niet mag aantasten. Poëzie is in laatste instantie een der facetten van de menselijke geest en alszodanig [als zodanig] mag zij niet voorbijgaan aan de stroom, die die geest momenteel beheerst. Marsmans Tempel en Kruis is voor mij een magistraal voorbeeld van poëzie mèt geest. Poëzie die denkt. Dit denken behoeft allerminst abstract te zijn, mag dat in de poëzie zelfs niet zijn. Filosofie denkt met begrippen, poëzie met sentimenten en symbolen. Maar beide denken en beide hebben, als ze tenminste belangrijk zijn, een plaats in de geschiedenis van West-Europa. Poëzie bezingt of de eeuwige simpelheden van bloemen, zon en liefde (hoewel de laatste een “filosofischer” kant kan hebben), of zij vecht om een nieuw bewustzijn. Voor de rest kan ze mij gestolen worden. Feitelijk weet ik geen beter definitie dan die van A. Roland Holst: schoonheid is de waarheid der ziel. Deze omschrijving houdt alles in, zowel de eeuwigheid der eenvoudigste dingen als de worsteling om een nieuw bewustzijnsniveau. Wij wilden rede en ziel beide recht doen. Forum is een evenement in Nederland geweest. A. Roland een dichter voor meer dan 25 jaar. Beide eindjes wilden wij vasthouden. Nu wij ons losgemaakt hadden van Columbus, konden wij weer ons zelf zijn.’ En verder: ‘Eerst wilden wij Podium maar stopzetten. Door omstandigheden zijn wij doorgegaan. En nu het eerste nummer vandaag verschenen is, hebben wij er geen spijt van.’28
Bijna twee weken later, op 10 oktober, schreef Fokke Sierksma aan Anne Wadman: ‘Det wy bisykje om Forum to forfolgjen, scil Jo nei 't sin wêze. Faeks ek de wize hwerop wy det dogge. Oer dit foarste nûmer bin ik net foldien, mar wol tofreden. Dit lêste yn forbân mei hwet der oars forskynt. My tinkt, det wy sa wol in plakje skjin hâlde kinne yn de Nederlanske literatuer. Nei Jo miening bin ik tige binijd. Hawwe Jo it oan tiid, skriuw den ris in brief mei Jo oardiel.’29 (‘Dat wij proberen Forum voort te zetten, zal U bevallen. Waarschijnlijk ook de manier waarop wij dat doen. Over dit eerste nummer ben ik niet voldaan, maar wel tevreden. Dit laatste in verband met wat er daarnaast verschijnt. Mij dunkt, dat wij zo wel een plaatsje in de Nederlandse literatuur kunnen innemen. Naar Uw mening ben ik erg benieuwd. Als U tijd hebt, schrijf dan eens een brief met Uw oordeel.’)
Dat Sierksma's kritische opmerkingen over de houding van de jonge
dichters tegenover de illegaliteit in het eerste nummer sommige van hen geïrriteerd hadden, kan worden opgemaakt uit een brief die de Columbus-medewerker Hans van Straten op 31 oktober aan de redactie van Podium stuurde. Van Straten, die vijf dagen eerder enige gedichten voor dit tijdschrift had ingezonden, schreef in deze brief ‘mede namens vele mijner “broeders in Columbus”’: ‘De bijdragen die ik dezer dagen aan het oude redactie-secretariaat deed toekomen, trek ik onder de huidige omstandigheden liever terug, tenzij de Heer Sierksma bereid blijkt de onaangename sfeer, door zijn stukje teweeggebracht, teniet te doen. Ik ben namelijk van mening dat ondanks de principiële verschillen tussen Columbus en Podium (die trouwens in werkelijkheid lang zo groot niet zijn als wel lijkt) de strijd met de “great big smile” verre de voorkeur verdient boven het smijten met vuil. En ik geloof eerlijk gezegd dat de redacteurs van “Podium” daar stuk voor stuk net zo over denken, óók de Heer Sierksma. Aan hem nu te verklaren dat zijn stukje een vergissing was.
‘De hele kwestie Columbus-Podium, zo het een kwestie is, is in het Westen steeds met humor opgenomen, en ik meende dat dit in Friesland ook het geval was. Mocht dit zo zijn, dan hoop ik dat Noord en West elkaar spoedig weer in de “Papierkrieg” zullen treffen, maar met open vizier!’30
Bijna vier weken later, op 26 november, noteerde Anne Wadman in zijn dagboek: ‘Hjoed [...] myn stik oer Huizinga ôfmakke. Ik wit noch net, sil ik it oan Fokke Sierksma stjûre of oan de Waarheid? De earste sil it wol net ha wolle, omdat it to lang is en net goed genôch.’31 (‘Vandaag [...] mijn stuk over Huizinga afgemaakt. Ik weet nog niet of ik het aan Fokke Sierksma zal sturen of aan de Waarheid. De eerste zal het wel niet willen hebben, omdat het te lang is en niet goed genoeg.’) Het ‘stik oer Huizinga’ was het essay ‘Avontuur met de twijfel’, waarin Wadman bij het laatste boek van prof.dr. J. Huizinga, Geschonden wereld (1945), een aantal kritische kanttekeningen plaatste. Aan de Friese editie van het dagblad De Waarheid werkte Wadman vanaf 1945 tot maart 1948 mee.
Nadat hij vervolgens zijn essay over Huizinga toch aan Sierksma had opgestuurd, kon Wadman op 30 november in zijn dagboek schrijven: ‘Juster ûnforhoeds in brief fan Fokke S., dêr't er heech yn opjowt oer myn Avontuur met de twijfel, dat er fuortdaliks yn Podium opnimme wol. Hwàt ik forwachte hie, dit net. Ik ha by soksoarte wurk altyd it gefoel: Skriuw ik nou wierheden of kolder? Miskien is it itselde. Lykwols, ik wie sa bliid as in protter oer dit birjocht, it jowt jin sa'n moed en selsbitrouwen.’32 (‘Gisteren onverwachts een brief van Fokke S., waarin hij grote waardering uitspreekt voor mijn Avontuur met de twijfel, dat hij direct in Podium wil opnemen. Wàt ik ook verwacht had, dit niet. Ik heb bij dit soort werk altijd het gevoel:
Schrijf ik nu waarheden of kolder? Misschien is dat hetzelfde. Niettemin, ik was bijzonder blij met dit bericht, het geeft je zo'n moed en zelfvertrouwen.’)
Kort hierna, in december, verscheen de tweede aflevering van Podium . Dit nummer, gedateerd november 1945, bevatte - naast de beschouwing van Wadman over Huizinga - een essay van S. Vestdijk, getiteld ‘De gulden middenweg’. Dit essay, dat Vestdijk in september aan de redactie van Podium toegestuurd had, zou later ook in zijn bundel Essays in duodecimo (1952) gepubliceerd worden. In deze filosofische beschouwing verdiepte hij zich in de vraag in hoeverre het ideaal van ‘de gulden middenweg’ paste in de levensbeschouwing van de klassieke oudheid.
Daarnaast publiceerde Vestdijk in dit nummer het sonnet ‘Phaëton’, dat in 1949 zou worden opgenomen in zijn bundel Gestelsche liederen :
Een andere dichter die aan deze aflevering meewerkte, was Cola Debrot, die van 1940 tot '42 deel had uitgemaakt van de redactie van Criterium. Van hem werd het sonnet ‘Einde van het lied’ opgenomen:
Een opvallende bijdrage aan het tweede nummer was een beschouwing over de dichter J.W.F. Werumeus Buning, die geschreven was door de Podium-redacteur P.P. Miedema. Zoals in het inleidend hoofdstuk vermeld werd, had Werumeus Buning - vooral omdat hij zich tijdens de oorlog bij de Nederlandsche Kultuurkamer aangemeld had - een publikatieverbod opgelegd gekregen. In zijn essay, dat voorzien was van de aan de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche ontleende ondertitel ‘eine unzeitgemäsze Betrachtung’, beschreef Miedema de door hem bewonderde dichter als ‘een profeet, spreekbuis van een oordelenden God’.35 Over de dichter in het algemeen merkte hij op: ‘Hij legt de zweep er over en hij geselt U het land binnen, dat overvloeit van melk en honig. Hij jaagt en hij terroriseert. Van kruiperige halfheid, van zanikend gevlei weet hij niet. Hij is onafhankelijk, onafhankelijker dan de zelfmoord-commando's, onafhankelijker dan de absolute nihilist. Hij mag het wagen, tegen de ganse beschaafde wereld in, het barbarendom der Nazi's vriendelijk te bejegenen.’ Miedema voegde hieraan toe: ‘Had dit iets met Werumeus Buning te maken? Dit te beoordelen is aan U en aan God.’36
Het is de vraag of Werumeus Buning met deze verdediging erg blij was - van een vriendelijke houding tegenover de Nazi's was trouwens geen sprake geweest -, maar het lijkt nauwelijks aan twijfel onderhevig dat Sierksma er allerminst gelukkig mee was. Wat Miedema hier schreef, ging immers lijnrecht in tegen zijn eigen standpunt over de plaats van de dichter in de maatschappij. Hoe hij precies op dit essay gereageerd heeft, heb ik niet kunnen nagaan: in brieven die ik onder ogen heb gekregen, wordt er niet op gezin-
speeld en ook Miedema doet er in zijn autobiografie het zwijgen toe. Niet ondenkbaar is dat er tussen beide vrienden een hartig woordje over gewisseld zal zijn. Overigens had Miedema, die in het begin van de oorlog lid geweest was van de fascistische Fryske Folkspartij, een wat tegendraads karakter en had hij in principe een grote bewondering voor onafhankelijke persoonlijkheden. Veelzeggend is wel dat hij verder geen bijdragen in Podium gepubliceerd heeft.
Ook in het tweede nummer werden weer enkele Friese gedichten opgenomen, waaronder dit sonnet van Anne Wadman:
De Nederlandse vertaling hiervan luidt:
Ook verder, naast de bijdrage van Miedema, ontbrak de polemiek in deze aflevering niet De dichters rond het tijdschrift Columbus werden op de korrel genomen in het gedicht ‘Klein geluk’ van Frank Wilders (Fokke Sierksma). Het vers had als motto: ‘Techniek voor Columbus / Sentiment voor haar / Afrekening voor mijzelf’:
Was dit gedicht, waarin een reclame voor Ster-tabak zo'n verrassende rol bleek te spelen, de enige toespeling in dit nummer op Columbus, veel feller kritiek leverde Sierksma op de redacteur van Het Woord , Koos Schuur. De aanleiding hiervoor was een korte beschouwing van Schuur, getiteld ‘Poëtisch pamflettisme en de paddestoelen’, die in Het Woord gepubliceerd was. Daarin had Schuur zich beklaagd over het lage gehalte van de recente poëzie en als een van de oorzaken daarvan de verzetspoëzie uit de oorlogsjaren genoemd. Om een breed publiek te bereiken - een werkelijke volksgemeenschap was er immers niet - zouden de dichters van deze verzen vaak
hun toevlucht hebben gezocht in straatwoorden of hun gedicht toegankelijker hebben gemaakt ‘door een verschuiving in de richting van het sentiment en dikwijls zelfs van het sentimenteele’.39
In zijn kritiek merkte Sierksma hierover op: ‘Het kan misschien geen kwaad er aan te herinneren, dat ook in de Spaanse tijd, toen de Geuzenliederen werden geschreven, waarvoor Koos Schuur natuurlijk een kleine beleefdheidsbuiging maakt, omdat deze volkomen ongevaarlijk is, het verzet door een kleine groep werd gedragen. Ook in de grootste periode van ons volk is er dus geen volk geweest. Maar verder nemen wij er gaarne nota van, dat een vers niet in de richting van het sentiment mag verschuiven, zodat we de poëzie dan maar in haar geheel zullen opdoeken en ons heil zoeken bij de prachtige reeksen formules in chemische handboeken; die zijn voor den man in de straat stellig niet verstaanbaar.
‘Zo'n man van de straat schreef eens in zijn cel een vers:
Sierksma vervolgde: ‘Ik weet helemaal niet, of deze dichter straatwoorden heeft gebruikt, of dat hij het woord heeft laten verschuiven in de richting van het sentimentele. Het kan mij niet schelen ook. Misschien had hij wel, voor hij werd gefusilleerd, een briefje achter moeten laten, dat dit vers pas na toestemming van een erkend dichter-criticus gepubliceerd mocht wor-
den. Ik weet alleen, dat deze man iets heeft gezegd, dat de moeite waard is, en dat hij het zo heeft gezegd, dat ik het nooit vergeet. Mocht dit gedicht dan geen poëzie, maar iets als poëtisch pamflettisme zijn, dan heb ik de eer lak te hebben aan de poëzie. Zei Ter Braak niet: je m'en fiche de vos poètes? Niettemin beweert Het Woord fleurig, dat het een voortzetting van Forum wil zijn. Maar over het verschil tussen een woord en een vent zullen wij maar niet spreken. Het zou te pijnlijk zijn.’40
Verder bevatte het tweede nummer onder meer het gedicht ‘X-day’ van Fokke Sierksma, waarin de gruwelen van een oorlog met ‘atoomsplitsende bommen’ beschreven werden. Het nummer werd besloten met de mededeling dat een tweede redactiesecretariaat te Amsterdam gevestigd was, bestemd voor de ‘Hollandse medewerkers’. Dit secretariaat zou beheerd worden door Peter Verhoeff, die in het najaar in de hoofdstad was gaan wonen.
Kort nadat de tweede aflevering van Podium verschenen was, op zondag 30 december, schreef Anne Wadman in zijn dagboek: ‘Lang mei Fokke S. praet, Freedojoun. Wy komme elkoar neijer, - en dochs haw ik him noch net troch. Ter Braakje boartet er? Of is it him tinken? Dit cinisme leit my dochs net, it is my to guodkeap.’41 (‘Lang met Fokke S. gepraat, vrijdagavond. Wij komen dichter bij elkaar, - en toch heb ik hem nog niet door. Speelt hij een spelletje-Ter Braak? Of is het hem ernst? Dit cynisme ligt mij toch niet, het is mij te goedkoop.’)
Kort hierna verscheen het derde nummer van Podium , gedateerd januari 1946. Bij deze aflevering was een reclamefolder gevoegd, waarin geschreven werd: ‘Een ieder die de culturele uitingen in Nederland-na-de-bevrijding volgt, is het opgevallen hoeveel periodieken van min of meer literaire aard verrezen of in het licht getreden zijn. Lichtelijk verbijsterd heeft menigeen menige spotternij geuit, bestaansrechten ernstig betwijfeld of wantrouwen uitgesproken in de mogelijkheden van voortbestaan bij een dergelijke veelheid. Nuchtere waarneming van de feiten doet inderdaad een kortstondig leven van meer dan een, met veel gerucht aangekondigde literaire of culturele ambitie, verwachten.’ En verder: ‘Over gerucht kan ten aanzien van “podium” niet gesproken worden. Het werd opgericht in alle stilte en gedrukt en verspreid onder vele voorzorgen. Het was een kind van de illegaliteit. Na de bevrijding, in nieuwe gedaante in de openbaarheid getreden, ondervond het een niet onbevredigende belangstelling. En met recht; Podium heeft zonder twijfel als een der weinige thans verschijnende periodieken, een uitgesproken eigen karakter. Na de halve jaargang die met het juist verschenen nummer voltooid is, kan dit ondubbelzinnig worden vastgesteld.’42
Ook in de belangrijkste bijdrage aan het derde nummer, het uitvoerige essay ‘Schoonheid als eigenbelang’ van Fokke Sierksma, kwamen de opvattingen over de poëzie die door Koos Schuur naar voren waren gebracht, ter sprake. In deze sterk programmatische beschouwing - Sierksma zou in 1948 aan zijn eerste essaybundel eveneens de titel Schoonheid als eigenbelang geven - merkte hij op dat Menno ter Braak in zijn boek Démasqué der schoonheid (1932) het uitgangspunt van de estheten terecht had afgewezen: een gedicht mag niet in de eerste plaats op fraaie vormkenmerken worden beoordeeld. Maar over de vraag door welk gedicht iemand al of niet getroffen wordt, kan verder weinig worden gezegd; dat is volgens Sierksma een uiterst persoonlijke zaak waarbij het eigenbelang een doorslaggevende rol speelt. Hij schreef: ‘Of schoonheid nu bevrijdt dan wel bindt, naar het verloren paradijs terugvoert of in het inferno stort, of zij mij dwingt tot zelfverlies of mij overreedt tot zelfbehoud, vervoert tot heiligheid of