De drastische seizoenopruiming in de Podium -gelederen in de zomer van 1946 - Kalma en Miedema verlieten de redactie en Hijmans was geen redactiesecretaris meer - leek in de herfst van dat jaar nog een vervolg te krijgen. De redacteur Peter Verhoeff, die in Amsterdam woonde, liet sinds enige tijd nauwelijks meer van zich horen. Vooral Fokke Sierksma maakte zich er kwaad over, dat hij op allerlei brieven geen antwoord kreeg. Daarbij kwam dat er tussen hen beiden ook op het persoonlijke vlak irritaties waren ontstaan. Gerrit Borgers en Anne Wadman stelden daarom voor Verhoeff uit de redactie te zetten. Afgesproken werd dat deze kwestie tijdens een redactievergadering besproken zou worden.
Met het oog hierop schreef Sierksma op 5 november aan Borgers: ‘[...] alleen wanneer jullie er nog iets in zien en hem voor 100% weer kunnen accepteren, nemen jullie hem weer in genade aan. En anders onder geen voorwaarde. Doe het niet omdat hij een oude redacteur is, of omdat het voor mij een ietwat vervelende figuur zou zijn. Dat zijn geen argumenten méér [...].’1
Kort hierna, waarschijnlijk in het weekend van 9 op 10 november, vond het gesprek met Peter Verhoeff plaats. Anne Wadman was er niet bij. Nadat er enige tijd heen en weer gepraat was, neigde Borgers ertoe om water in de wijn te doen. Hij vond de situatie voor Verhoeff erg vervelend en wilde hem nog een kans geven. Sierksma daarentegen wilde de bespreking zakelijk houden en drong erop aan dat Verhoeff zijn plaats in de redactie zou opgeven. Een definitief besluit hierover werd niet genomen - Peter Verhoeff zou tot aan het eind van de derde jaargang als redacteur op het omslag van Podium vermeld blijven -, maar de verhouding tussen hem en de andere redacteuren was grondig verstoord. Intussen werd wel besloten dat Borgers en Wadman nu ook feitelijk het redactiesecretariaat zouden overnemen. Wadman zou daarbij vooral de contacten met Friesland onderhouden.
Sierksma hield aan het gesprek met Verhoeff een katterig gevoel over. Borgers en Wadman hadden immers voorgesteld hem uit de redactie te zetten, maar aan het slot van het gesprek leek Sierksma wel de gebeten hond! Verhoeff was zo boos op hem geworden dat hij had meegedeeld op verder contact met hem geen prijs meer te stellen, iets wat de redactionele werkzaamheden niet zou vergemakkelijken.
Op zondag 17 november - Borgers was diezelfde ochtend na een logeerpartij bij Sjouk en Fokke Sierksma uit Groningen vertrokken - schreef de laatste aan Borgers: ‘In een toestand van lucidité, zoals die mij helaas te zelden wordt geschonken, ben ik vanmorgen om 11 uit mijn bed gestapt. En met deze lucidité du cognac zag ik klaar, dat we een genoegelijk weekend hebben gehad. Maar even scherp is het mij nu bewust, dat er één minder positieve kant is geweest. Zonder in een eerlijkheidsdogmatisme te vervallen, wil ik toch zo veel eerlijkheid betrachten als tussen vrienden nuttig en nodig is. Het moet mij van het hart, dat ik mij de gang van zaken ten aanzien van Podium anders had voorgesteld. Jij hebt het juiste vermoeden uitgesproken, dunkt mij, toen je de oorzaak van dit alles in het redactiesecretariaat zocht. Niet dat dit alles “dekt”, maar de verschillende kanten van deze teleurstelling snijden elkaar daar wel. En redactiesecretariaat betekent Peter. Daarom moet het mij van het hart, dat jullie toch te weinig onderscheid hebben gemaakt tussen de zakelijke en de persoonlijke zijden van Podium.’
Sierksma schreef verder over de vergadering met Verhoeff: ‘En nu blijf ik er hardnekkig bij, dat niet ik jou, maar jij mij hebt laten stikken bij dat gesprek. Jij had ogenblikkelijk solidair moeten zijn en moeten beletten, dat hij een wig in de redactie kon drijven. Of jij had openlijk de zaak een persoonlijk accent, een menselijk accent moeten geven, zodat wij in het menselijke solidair waren geweest. Daar ligt de fout: de weifeling tussen persoonlijk en zakelijk, terwijl [we] op één van de twee fronten samen hadden moeten staan. Jij had dat moeten doen. Want van jullie was het royeringsvoorstel uitgegaan en ik had Peter al te lang verdedigd om dat nog verder te kunnen doen - nu het niet anders kon schijnen dan dat jullie de persoonlijke kant niet wilden zien. En ik vind het onplezierig om in de ongelukkigste positie ook nog de schuld te krijgen.’
En verder: ‘Wat het zwaarst weegt zijn de vriendschappelijke verhoudingen. Het moet altijd even opgelost worden, wanneer twee vrienden zich door elkaar bedonderd voelen. Ik meen gelijk te hebben. Verkeer jij in hetzelfde geval, dan zand erover. Na deze brief heb ik tenminste voor mijzelf verantwoord dat ik jou niet heb laten stikken toen. Onnodig nog te zeggen, dat ik met deze brief de vriendschap niet heb willen schaden, maar veeleer bevestigen.’2
Nadat Borgers in een brief aan Sierksma, die ik niet heb kunnen vinden, zijn kijk op de zaak weergegeven had, antwoordde de laatste op 25 november: ‘De kwestie Peter - ik had al gedacht en geschreven, dat die al meer aandacht gekregen had dan nodig was. Na jouw brief ben ik daar meer dan ooit van overtuigd. Wanneer ik zo kiele-kiele zou zijn om nog eens jouw argu-
menten onder het vergrootglas te nemen, zou de zaak zonder twijfel dermate gecompliceerd worde [worden], dat alleen vier flessen cognac er enige helderheid in konden brengen; maar dat zou zonde zijn van dit elixir. Der halve [Derhalve] kan ik en kun jij er rustig een punt achter zetten.’3
Dezelfde dag, 25 november, schreef Sierksma aan D.H. (‘Dik’) Landwehr, medewerker van uitgever Prakke: ‘U zult intussen al wel gemerkt hebben, dat het nieuwe redactie-secretariaat de zaken ietwat anders aanpakt dan het oude. Ik weet tenminste niet wat mij overkomt. En niet alleen, dat de beide heren hun correspondentie snel afwikkelen, steeds bezig zijn contacten te leggen, maar zij zijn bovendien ijverige propagandisten. Wanneer het nu niet goed komt met Podium, dan komt het nooit goed.’4
In dezelfde periode kwam het eerste nummer van de derde jaargang van Podium uit. Deze aflevering, die november 1946 gedateerd was, telde tweeendertig pagina's en was gestoken in een soortgelijk geel omslag als de nummers van de vorige jaargang. Alleen werd nu als tweede kleur op het omslag niet langer paars gebruikt, maar blauw. Zoals dit ook in de tweede jaargang het geval was, werd op het omslag als ondertitel vermeld: ‘Onafhankelijk tijdschrift voor literaire, culturele en politieke zaken’. Als redacteuren werden vermeld: Jaap Mulder, Fokke Sierksma, Anne Wadman en Peter van den Burch.
Bij de eerste aflevering was een reclamefolder gevoegd, waarin geschreven werd: ‘Wat Podium [...] wil? Het bezit geen toverformule die in staat zal zijn om met één forse ruk onze letterkunde uit de na-oorlogse impasse te halen en evenmin het alleenvertoningsrecht van de enkele goede schrijvers die Nederland nog over heeft. Maar wel durft het de erkenning aan dat de jonge Nederlandse letterkunde nog danig in het moeras zit en het weigert pertinent te geloven in de mogelijkheid om zich aan de eigen haren hieruit op te trekken door een of ander vaag, op de wolken geprojecteerd ideaal na te streven. En nog minder ziet het een mogelijkheid om zich in ditzelfde moeras een particulier modderbad aan te leggen, waarin het verblijf aangenaam te maken zou zijn, de mogelijkheid om zich met genoegen te isoleren van wat we “deze tijd” en “Westeuropese cultuur” hebben leren noemen. Willen wij uit deze precaire positie raken, dan zal het nodig zijn vaste grond onder de voeten te zoeken en geen geloof te hechten aan zalvende vermaningen of briesende opwekkingen om een voetsteun te proberen die een verrotte plank of een hallucinatie blijkt te zijn.’
En verder: ‘Het antwoord, tenslotte, op de boven gestelde vraag: wat Po-
dium nu eigenlijk wil, kan voorlopig het best als volgt worden geformuleerd: Podium wil een tijdschrift zijn voor de groepering van jonge schrijvers die, in het volle besef van hun feilbaarheid, partij kiezen voor die vorm van leven, welke de literatuur in zich opgezogen heeft zonder een literaire spons te worden, en voor die vorm van literatuur, welke, zonder zich er aan te overeten, toch hard en onmiddellijk reageert op de toegediende rantsoenen leven.’5
Het eerste nummer opende met een korte verklaring, getiteld ‘Bij de derde jaargang’, die door S. - Fokke Sierksma - ondertekend was. Hij schreef: ‘Er zou geen speciale reden zijn om bij de derde jaargang van Podium stil te staan, wanneer er niet enkele misverstanden ten aanzien van dit blad waren gerezen dan wel gelanceerd. Podium zou namelijk een regionaal karakter hebben en een tijdschrift van “jongeren” zijn.
‘Het begrip regionaal heeft voor velen, die zich met literatuur bezig houden, een inferieure klank. Vanuit dit gezichtspunt stelt de redactie er prijs op te verklaren, dat zij nimmer het gevoel gehad heeft een regionaal blad te redigeren. Redactie en medewerkers wonen in Nederland, schrijven Nederlands en richten zich tot (een niet regionaal bepaald deel van) Nederland. Dat in elk nummer van Podium twee Friese gedichten werden opgenomen was een plicht van hoffelijkheid jegens de in Nederland woonachtige Friese dichters, die soms minstens even knappe verzen schrijven als hun Hollandse confraters en dikwijls meer te zeggen hebben. Overigens stellen wij de geuzennaam regionaal op prijs, wanneer deze de boerennuchterheid aanduidt, die zich niet laat imponeren door literaire grote monden.
‘Verder zullen wij ons door de ouderen - een Vestdijk, een Debrot - graag jong laten noemen, maar wanneer een poëet van 31 jaar du haut de son grandeur Podium als een blad van jongeren gelieft te karakteriseren, dan is het misschien dienstig mede te delen, dat drie der redacteuren de dertig dicht genaderd zijn. Dit neemt niet weg, dat wij, in tegenstelling met de literatoren, die hun literatuur en zichzelf reeds voor de eeuwigheid hebben ingeblikt, met genoegen “jong” zullen zijn en blijven. Ook de redacteuren en medewerkers van Podium schreven beneden en boven de twintig hun versjes, maar zij publiceerden ze met minder haast dan de jonge ouden.’ Sierksma bedoelde met ‘een poëet van 31 jaar’ een van de redacteuren van Het Woord , Koos Schuur.
Hij schreef verder: ‘Tenslotte - Podium zal verder gaan zoals het tot nu toe deed. Zo nodig zullen wij gaarne onze literaire reinigingsdiensten aanbieden en uitvoeren.
‘Dat er nog idealen zijn, die dieper liggen dan polemiek is iets, waaraan men beter kan werken dan er over spreken in een tijd, die ieder ideaal - ook het bescheidenste - als een vloek laat klinken. Wij hopen, dat er in proza en
poëzie iets van dit werk te speuren zal zijn.
‘Blijkbaar is dit een tijd van verzwegen idealen. Dat is geen ramp voor dichters en prozaïsten, die steeds te veel praten. Voor den essayist zal voorlopig hoofdzaak zijn de desinfectie van het denken en het smeden van de geest tot een eerlijk en eenvoudig wapen in de strijd om het bestaan.’6
In dit eerste nummer van de nieuwe jaargang viel vooral het essay ‘Toch gebiedsuitbreiding?’ op waarin Jaap Mulder (Gerrit Borgers) aandacht besteedde aan nieuwe mogelijkheden voor het proza. Hij ging daarbij uit van romans en verhalen waarin de schrijver zijn ervaringen en gevoelens tijdens de tweede wereldoorlog wilde weergeven om er daardoor mee af te rekenen. Mulder vroeg zich af waarom het beeld van die oorlog in veel modern proza niet overtuigend was. Beperkten de auteurs ervan zich niet te veel tot alleen een weergave van de realiteit, terwijl irreële elementen misschien een vollediger beeld zouden kunnen scheppen? In dat geval was het van belang niet slechts op te gaan in een irreële wereld - zoals sommige surrealisten gedaan hadden -, maar evenals Franz Kafka juist ook de band met de werkelijkheid te behouden.
Als recent voorbeeld Van dergelijk proza noemde Mulder een fragment uit de roman De geboorte van Jan Klaassen van J.J. Klant, dat in het tijdschrift Criterium gepubliceerd was. Hij schreef over dit fragment: ‘Met zijn volkomen wegvallen van de scheiding tussen het reële en surreële “pakt” dit door de indruk van volledigheid en het opheffen van alle restricties. Zo lijkt mij het binnenkort verschijnen van deze roman, na de voorlopige kennismaking met de fragmenten, een gebeurtenis in de Nederlandse litteratuur van na de oorlog die ons een ogenblik het eenstemmig gezang van onze poëten in de even eenstemmige periodieken totaal doet vergeten. Merkwaardig ook dat toch nog het zorgenkind “proza” het eerst blijkt te leren lopen! Ter voorkoming van het verwijt van contemporaine overschatting moet misschien nog gezegd, dat in de eerste plaats dit fragment van Klant zo belangrijk is om de mogelijkheden die het demonstreert.’7
Mulder schreef verder: ‘Staat Klant in deze laatste groepering van bezettingsproductie (een term hiervoor is moeilijk te vinden: naast realisme en surrealisme nu soms “panrealisme”?) voorlopig alleen? Zeker niet, lijkt me. Hoewel we door ons uitgangspunt, de literatuur die de bezetting te verwerken kreeg, bij hem wel het duidelijkste voorbeeld vonden, geven Johan Daisne in zijn Trap van Steen en Wolken en W.F. Hermans in zijn fragmenten uit Conserve ons toch duidelijk dezelfde smaak (opmerkelijk dat bij deze laatste zijn poëzie weer ver onder dit proza blijft!). En met deze voorbeelden raken we alweer losser van de oorlog, hoewel toch alleen in de strikte zin van het woord: immers niet los van deze oorlogstijd.’
Mulder pleitte dus voor een opheffing van de scheiding tussen het reëele en surreële, waarbij hij niet alleen het proza van Klant noemde, maar ook dat van Daisne en Hermans. Hij suggereerde in dit verband - weliswaar met een vraagteken - de term ‘panrealisme’. Zoals in het vorige hoofdstuk vermeld werd, had Borgers al in maart van dat jaar aan Wadman geschreven over zijn gesprekken met Klant, waarin zij beiden een voorkeur bleken te hebben voor het zogenaamde ‘barok-surrealisme’. Hieronder verstond Borgers: ‘surrealisme (overigens zonder een onderbewustzijn: alles is gevoel) in een realistische vorm’. Als voorloper van dit ‘barok-surrealisme’ had hij in deze brief vooral Kafka genoemd: een schrijver die ook in zijn essay met nadruk vermeld werd.
In deze aflevering van Podium werd verder het gedicht ‘Man en paard’ van J.B. Charles (Wim Nagel) opgenomen. Dit gedicht, dat - zoals we in het vorige hoofdstuk gezien hebben - volgens Sierksma door de redactie van Het Woord geweigerd zou zijn, omdat het woord ‘kont’ erin stond, was opgedragen aan ‘den schrijver van Aktaion’. Hiermee werd Simon Vestdijk bedoeld, van wie in 1941 de roman Aktaion onder de sterren gepubliceerd was. In dit gedicht - de eerste bijdrage van Charles aan Podium - worden de vierde, vijfde en zesde strofe uitgesproken door Cheiron, de bekende centaur (half mens, half paard) uit de Griekse mythologie, die Aktaion opvoedde en om zijn sprankelende geest en gevoel voor rechtvaardigheid legendarisch is geworden:
Dit gedicht zou later in gewijzigde vorm ook opgenomen worden in Charles' verzamelbundel Gedichten (1955).9
Het eerste nummer van Podium bevatte verder een nieuw essay van Sierksma over de verzetspoëzie, polemische opmerkingen van dezelfde auteur aan het adres van Het Woord en een beschouwing van S. Vestdijk onder de titel ‘Historische contingentie’. Ook een fragment uit de roman Bewolkt bestaan van Cola Debrot - het fragment dat (zie het vorige hoofdstuk) eerder zoek geraakt was - werd in deze aflevering gepubliceerd. In 1948 zou Debrots roman in boekvorm verschijnen.
Kort nadat dit nummer van Podium uitgekomen was, verscheen in de rubriek ‘Op het spoor der tijdschriften’ in het weekblad De Vrije Katheder van 29 november een recensie door Annie Romein-Verschoor. Hierin schreef zij: ‘Podium is een van de vele, al te vele bladen van “jongeren”, die we na de
oorlog rijk zijn geworden, maar zeker niet dat met de minste reden van bestaan. Het verraadt niet alleen in het opnemen van een enkel Fries gedicht zijn afkomst uit de provincie. Ik zeg niet: zijn provinciale afkomst, want dat zou een onredelijk verwijt inhouden, terwijl wij ons èn om het verschijnsel alleen èn om de uitkomst er alleen maar over mogen verheugen, dat dit blad nu eens niet uit Amsterdam komt. Niet provinciaal, zowel in de toon, die zeer zelfbewust is (daar zijn het “jongeren” voor), als in de kwaliteit van de bijdragen in het algemeen. Het zelfbewustzijn van Podium is niet zonder zelfkritiek en een gezonde afkeer van blab[la] en holle woorden.
‘Van de bijdragen lijkt me de poëzie in het algemeen zwak, en schaars is wat men tegenwoordig “creatief proza” noemt. Ik zeg maar liever verhaal, omdat ik daarbij aan vooroorlogse taartjes kan denken en niet aan surrogaat lekkers met aesthetische vitamines. Opmerkelijk goed in het algemeen zijn de critische beschouwingen en kanttekeningen van Anne Wadman en Fokke Sierksma.’
En verder: ‘De enige provinciale trek, die te onderkennen valt, verraadt zich misschien in het streven ook af en toe eens iets uit de Amsterdamse grote wereld voor Podium te verwerven. En zoals het meer gaat, daar is men dan niet gelukkig in. Vestdijk heeft diepzinniger en deskundiger artikelen geschreven dan deze paar bladzijden over “Historische contingentie” en een fragment uit “De Overnachting”, roman in brieven van Jeanne van Schaik-Willing en S. Vestdijk laat ons in volslagen onzekerheid of mevr. Van Schaik de schrijfster van haar brief serieus neemt of niet. Wij hopen het laatste.’10
Een kritischer geluid over Podium klonk een dag later, 30 november, in een ‘Letterkundige kroniek’ die in de Heerenveense Koerier verscheen. De schrijver ervan was de dichter en essayist Fedde Schurer, die met Anne Wadman deel uitmaakte van de redactie van het Friese tijdschrift De Tsjerne . In zijn kroniek vroeg Schurer zich onder de titel ‘De stijl der negatie’ af, welke waarde Podium in de Nederlandse literatuur vertegenwoordigde. Hij schreef: ‘Deze waarde ligt vooral in het essayistische, het beschouwende en polemische, in de gebieden waar literatuur en filosofie elkander raken.’
Schurer vervolgde: ‘Fokke Sierksma moet hier ongetwijfeld genoemd worden als de eerste onder zijns gelijken: diepborend en scherp denker, hard en brillant formuleerder, slagvaardig en gevaarlijk polemist, heeft hij dit tijdschrift met zijn naam gestempeld. Anne Wadman weet ook van dit Nederlandse podium met zijn vlijmende pijlen de roos te raken. En het feit, dat schrijvers als S. Vestdijk, Cola Debrot en Max Nord hier bij tijd en wijle hospiteren, draagt in niet geringe mate bij tot de belangwekkendheid van deze periodiek.
‘In het overwegend essayistische karakter van Podium ligt zowel zijn kracht als zijn zwakheid. Kracht, omdat de schrijvers hier gelegenheid hebben ons te overtuigen van hun onmiskenbaar talent; zwakheid, omdat deze beschouwingen buiten hun stylistische en aesthetische betekenis weinig positiefs bevatten. Ik bekijk de zaak literair en spreek als zodanig mijn oprechte bewondering uit voor hun vermogen tot vormgeving. Ik weet intussen dat zij op deze bewondering zullen spuwen. Het komt er niet zoveel op aan, zo menen de Podium-mannen, hoe een dichter het zegt, maar wat hij te zeggen heeft, dat is belangrijk. En als ik dan beweer dat ze niet tevreden zijn met hun dichterschap en profeet willen zijn, dan snauwt men mij bij voorbaat toe: Profeten zijn er niet meer. Goed, maar ik besta het toch vol te houden dat er nog wel dominees zijn.
‘Dominees, die hun homiletiek bij Menno ter Braak hebben geleerd, en hun vormscheppend talent benutten ter stylering van de negatie.
‘Het is geen wonder, dat onder deze essayistische, filosofische en theologische dril het dichterschap veroordeeld is tot een schrale en kwijnende bloei. Hier worden geen nieuwe wegen gezocht, althans niet gewezen, maar de oude wegen worden met wrange wellust afgezet of opgeblazen door deze vakkundige dynamiteros.
‘Als het dan zo belangrijk is wat de dichter te zeggen heeft; waarin bestaat deze boodschap? Waar is het constructieve deel der scherpzinnige oratie? Dit proza schijnt strijdbaar, maar het mist het doel, dat alleen een strijd rechtvaardigt. Het sist en blaast naar links en rechts, maar doet het iets meer dan een vechtinstinct uitleven op het spoor van een verouderd en eenzijdig vitalisme?
‘Greshoff en Marsman, en zelfs Ter Braak en Du Perron, ze bewogen zich nog tegen de achtergrond der christelijke en humanistische idealen. Deze generatie is bezig deze laatste wand af te breken. Nog teert ze bij haar aesthetische vormgeving op de reserves van een vorig geslacht; maar wat, wanneer het tot haar begint door te dringen dat dit schrijven en profeteren zelf baarlijke nonsens is, omdat het zowel achtergrond als ideaal ontbeert?
‘Luister eens naar de dichters op dit Podium, en merk op hoe ze het schone leven aanranden en ontluisteren. Zeker, ze kennen het vak en de ritus der schoonheid nog, ze schrijven “een knap vers”. Maar in de vormen der aanbidding vervloeken, op de wijze der verering honen en op de melodie der liefde haten ze.’
Schurer schreef verder: ‘Laat hier geen misverstand bestaan: ik heb geen bezwaar tegen erotische vrijmoedigheid en onomwondenheid, maar ik verdraag dit gekanker op het koninklijke leven, deze vervloekte en in waarheid helse vreugdeloosheid niet. Een dichter heeft beter dingen te doen dan te
wroeten in de modder van een problematiek, die hem niet aangaat. Neen, geen protesten; die gaan hem niet aan. Zijn taak is het te zingen en de dingen der wereld in schoonheid op te heffen. Niet voor niets zijn deze mannen zo gebeten op Bertus Aafjes, den onproblematischen dichter, die de vreugde en de heerlijkheid van het leven waagt te zingen. O, ze zullen nog wel enkele jaargangen op de vreugdereserves van hun voorgangers blijven teren, maar dan, als geloof en hoop en liefde grondig verwoest zijn, zullen ze in hun laatste godslastering smoren, en zwijgen.’
Schurer besloot zijn betoog: ‘Dit zou ik allemaal menen, wanneer ik de Podiumgarde zo ernstig nam als ze zelf doet. Maar waarachtig, dat kan ik niet. Daarvoor zijn het au fond veel te fidele kerels. Ze moesten alleen niet zo nijdig doen tegen het leven en niet zo geprikkeld tegen hun minder begaafde medeschepselen. Wanneer ze zich eens wijdden aan hun eigen goddelijk beroep, de dichtkunst, dan kwam het met de culturele en politieke zaken evengoed of even slecht in orde, en de dichter die toch slechts een broeder van den troubadoer is werd bewaard voor geestelijke zelfoverschatting. Daarom eindig ik met de Podiumdichters een lang en productief leven te wensen: in de grond der zaak ben ik overtuigd, dat ze met hun gevloek en gevuilbek niets anders bedoelen dan wat alle dichters hebben bedoeld te zeggen:
In december - dus slechts één maand na het verschijnen van het eerste nummer: de redactie ging er kennelijk van uit dat de derde jaargang niet zes, maar tien nummers zou tellen - kwam de tweede aflevering van Podium uit. Dit nummer, gedateerd december 1946, bevatte een uitvoerig essay van Fokke Sierksma over het boek Grey eminence (1941) van Aldous Huxley en opnieuw een fragment uit de roman Bewolkt bestaan van Cola Debrot.
In de polemische rubriek ‘Proppenschieter’ verscheen verder een parodie op het vers ‘De dichter’, dat Paul Rodenko in september 1946 in Criterium gepubliceerd had Aan deze parodie, die door Gerrit Borgers geschreven was, ging een korte inleiding vooraf onder de titel ‘De beslissende nuance’: ‘Naar aanleiding van enige recente publicaties over beinvloeding [beïnvloeding], plagiaat en epigonisme in de poëzie, menen wij met het onderstaande vers een bescheiden, maar wellicht welkome bijdrage te kunnen leveren voor de studie van dit interessante vraagstuk, speciaal in de
Nieuwe Nederlandse Verskunst. Het betreft hier een ons toegezonden gedicht, dat na kritische analyse o.i. wel een zeer hoge graad van verwantschap met een ongeveer gelijktijdig in Criterium geopenbaard vers vertoont, waardoor er ernstige moeilijkheden bij de vaststelling van de objectieve kunstwaarde van deze dubbelster rijzen. Niet dat het ons toegezonden vers in klankenrijkdom en treffende woordkeus voor het laatstgenoemde onder doet, maar de gelijkenis is zo obsederend dat hier de datum van ontstaan het doorslaggevend criterium ter bepaling van de kunstwaarde moet zijn. Daar de juiste datering van beide verzen ons echter niet bekend is, moet deze uiterst belangrijke beslissing helaas aan latere, gelukkiger onderzoekers worden overgelaten.’12
Het slot van het vers van Rodenko en van de parodie luidt:
Zoals in het eerste hoofdstuk vermeld werd, maakte Paul Rodenko, die later het vers ‘De dichter’ in zijn eerste bundel, Gedichten (1951), zou opnemen, sinds oktober 1946 deel uit van de redactie van Columbus .
Fokke Sierksma, die de afgelopen jaren veel tijd aan Podium besteed had, vroeg zich in deze periode sterk af of hij in de literatuur verder zou gaan of zich vooral moest gaan bezighouden met zijn theologische studie. Nadat Gerrit Borgers en zijn vriendin Annie van Poelgeest tijdens de kerstdagen van 1946 bij Sjouk en Fokke Sierksma gelogeerd hadden, schreef de laatste aan Borgers een brief, die 1 januari 1947 gedateerd werd, maar die blijkens de inhoud eerder geschreven was. Na enkele opmerkingen te heb-
ben gemaakt over de prettige dagen die ze samen hadden doorgebracht, merkte Sierksma op: ‘Een en ander heeft ten gevolge, dat ik ook met genoegen schrijf over dit blad Podium, dat langzaam - maar als ik me niet vergis: zeker - uit mijn gezicht gaat verdwijnen. Met genoegen, omdat het klaarblijkelijk niet alleen Podiumrelaties zijn, die onze verhouding bepalen. Podium kan derhalve rustig de weg van alle tijdschriften gaan. Dat wil niet zeggen, dat het voortbestaan me alszodanig koud zou laten. Natuurlijk had ik ook liever gezien, dat het zakelijk en mentaal gedijde. Het heeft nog steeds zijn nut. Maar ikzelf ben yoeng poe tsjoe, of hoe heet die bundel van Slauerhoff anders: van geen nut.’
En verder: ‘Natuurlijk blijf ik voor Podium werken. Anne en jou blijf ik trouw als de zwarte vrouw van het straatlied. Maar hoe ik die trouw in een essay of vers moet omzetten, is me een raadsel.’14
Op nieuwjaarsdag 1947 - de dag waarop de vorige brief gedateerd werd - schreef Sierksma overigens twee kwatrijnen, die hij dezelfde dag nog aan Borgers stuurde. Hierbij schreef hij hem: ‘Ik ben mij bewust, na mijn vorige brief en al de vaste plannen om er mee op te houden, een figuur als modder te slaan. Maar de oplossing zal wel zijn, dat een onderbewust schuldgevoel tegenover Podium en zijn redactie de katalysator van deze dingen is geweest!’ En in een naschrift verzekerde hij: ‘De “plannen” zijn door deze kwatrijnen niet veranderd!’15
Kort hierna, halverwege januari, slaagden Gerrit Borgers en Anne Wadman erin een onbewoonbaar verklaarde woning in de Amsterdamse Jordaan te huren. In dit vroegere winkelhuis - 1e Looiersdwarsstraat 21-huis -, dat gemeubileerd verhuurd werd, gingen Borgers en Annie van Poelgeest samen met Wadman en zijn drie jaar jongere zuster Martha wonen. Deze laatste volgde in die tijd een tekenopleiding aan het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs te Amsterdam.
Over dit huis, dat al spoedig het ‘Podium Building’ genoemd werd en in de kring van jonge schrijvers een zekere vermaardheid kreeg, vertelde Gerrit Borgers in 1986: ‘Als je de voordeur opendeed, dan stond je meteen in de voorkamer, die heel hoog was. Het leek wel een expressionistisch toneelstuk, want je zag een klein trapje naar boven en daar was weer een kamer - dat was de kamer van Annie en mij - en een trapje naar beneden. Als je dat afliep, kwam je in een soort souterrain en daar was onze gemeenschappelijke eetkamer. Daar zaten we ook koffie te drinken en daar was een kachel. De enige deur in het hele huis was naar de wc. Verder waren er nergens
deuren. Dus je kon, als je binnenkwam, én in de bovenkamer én in de benedenkamer kijken.’16 Verder was er een kleine binnenplaats. Anne Wadman vertelde in 1986: ‘Dat noemde de eigenaar “de patio”: een ruimte van anderhalf bij anderhalve meter, waar een beeld van een juffrouw stond, een soort Venus van Milo.’17
In het huis woonde Anne Wadman gelijkvloers, terwijl het souterrain voor zijn zus bestemd was. Gerrit Borgers vertelde: ‘Als er bezoek kwam, dan ging dat gewoon langs Anne's bed en dan klaagde hij: “Wat is het weer druk aan de rijweg.”’
Anne Wadman deelde op zijn beurt over Gerrit Borgers mee: ‘Typerend voor hem was de spreuk die een beetje de huisspreuk van het Looiersdwarshuis was: “Er gaat niets boven het Hoogste.” Ik denk dat dat Gerrits reactie was op zijn theosofische tijd. Dat was zijn bijdrage. Mijn bijdrage was: “Er wordt veel stil leed geleden.”’
Op 20 januari schreef Fokke Sierksma aan Anne Wadman: ‘Oan Gerrit haw ik ek al in Franciskaenske segen stjûrd mei it nije hûs, mar ik wol binammen oan dyn adres it pax huic domui18 meijaen; Friezen hawwe in bult lêst fen de mankelike sykte en den is pax noch net sa'n bot literaire winsk, woe'k hawwe. Yn elts gefal det er in soad wille en as it sa útkomt in cataract fen drank streame mei yn dit hûs. Neffens Gerrit syn berjuchten is de entourage op libben en poëzij oanlein dêrre. Allinne dy iepen-doar-polityk, dêr't it hûs ta twingt, scil dy en my wol net tafalle. Mar den skoust der mar in fers foar.’19 (‘Aan Gerrit heb ik ook al een franciscaanse zegen gestuurd met het nieuwe huis, maar ik wil in het bijzonder aan jouw adres het pax huic domui meegeven; Friezen hebben veel last van de ziekte der melancholie en dan is pax nog niet zo'n zwaar literaire wens volgens mij. In elk geval dat er veel plezier en als het zo uitkomt een cataract van drank mogen stromen in dit huis. Volgens de berichten van Gerrit is de entourage op leven en poëzie ingesteld daar. Alleen die open-deur-politiek, waar het huis toe dwingt, zal jou en mij wel niet meevallen. Maar dan schuif je er maar een vers voor.’)
Intussen was in januari, dus opnieuw één maand na de vorige aflevering, het derde nummer van Podium verschenen. Dit nummer - gedateerd januari 1946, maar het jaartal was kennelijk een vergissing - opende met een uitgebreid essay van W.H. Nagel, getiteld ‘Critisch dubbelportret’. In deze beschouwing maakte Nagel naar aanleiding van het werk van Ferdinand Langen en Ab Visser een aantal kanttekeningen bij het moderne Neder-
landse proza. Volgens hem schoot dit proza vaak tekort, omdat de schrijvers ervan zich te veel in beschrijvingskunst uitleefden. Nagel merkte op: ‘Het is merkwaardig, hoe de aesthetiek van het fin de siècle zich, zij het met moderner hulpmiddelen, in de kunst kan handhaven over twee oorlogen heen. Zo neemt, evenals 40 en 50 jaar geleden, de jeugdige romancier het palet, dat de veelheid van zijn woorden en beelden draagt, en schildert hij, schildert hij.’
Nagel vervolgde: ‘Als wij raffinement in lyrisme en het vinden van steeds oorspronkelijker beelden het beginsel van vertelkunst zouden achten, zouden de romanschrijvers van thans aanspraak maken op meesterschap. Maar zo is het niet. Integendeel, wij worden ziek van dit picturale gespeel, wij hebben er meer dan genoeg van de geluids- en de optische verbeelding van het wegrijden van een auto, regel na regel, te moeten volgen. Hoe de banden door de modder sliffen, het achterlicht als een rode komeet verdwijnt (ik kan het niet mooier) enz., enz.’
Hij constateerde dan ook: ‘Er is ten onzent een ontstellende wanverhouding in het scenische en het picturale van de roman, schildersvolk, dat wij zijn [...].’20
Nagel maakte ook een kanttekening over de erotiek. Hij schreef: ‘Ik geraak hier op een ander punt, waar mijns inziens veel der jongere letterkundigen te kort schieten: hun verhouding tot de kuisheid.
‘In het algemeen stellen wij gemakkelijk twee dingen vast: ten eerste, dat men meent dat er in de poëzie meer op door kan dan in het proza en ten tweede, dat men in Nederland neigingen vertoont om in dezen in uitersten te vervallen.
‘De helft van de onderwerpen, die de jongere dichtergeneraties bezig houden, betreffen [betreft], uiteraard, erotiek. Hetgeen van avontuur naar avontuur, van bed naar bed, ervaren is, wordt vlot in sonnetten beleden en zonder schaamte. Deze schaamteloosheid gaat hinderen, als men na het 50-ste vleugje amour ontdekt, dat vrouwen in deze poëzie veelal slechts existeren beneden de kin.
‘Het proza daarentegen vertoont groter terughoudendheid, dan enige decennia geleden. Men zou kunnen zeggen, dat de jonge romanciers kuis zijn.
‘Is het, dat de vrijwillige, en meestal conscientieuse [consciëntieuze], binding aan maat en rijm de dichters, naar hun mening, aanspraak gaf op groter, openhartiger losheid van gevoel en gedachte?
‘De prozaïsten missen het betrekkelijke voordeel van dichterlijke vrijheid (in de zin die ik bedoel) en blijven over het algemeen verdacht netjes. Zij tonen eerder een a-sexualiteit (in het werk dan) die hun jeugd bijzonder
misstaat. Dit mede, doet de rijkdom hunner fantasie er een lijken zonder weelde; een droog technisch vermogen.
‘Zeker, zij zinspelen op “geruchtmakende zaken” en “schandalen”. Langen vertelt in een vrij leesbaar (zij het ± 2500 woorden te lang) verhaal in Het Woord van Mei-Juni j.l. over een episode in het leven van een toneelspeelster: “Daar werden feesten gevierd, en wat men daarvan hoorde, overtrof de orgieën uit de oudheid”. Dit is met het bekende gemak neergeschreven, maar de lezer, die daarvan nu juist wel eens wat meer zou willen horen, wordt teleurgesteld.
‘Het is geenszins mijn bedoeling, om bijvoorbeeld het verhaal van Lady Chatterley en haar minnaar als exempel aan te prijzen. Ten eerste maakte Lawrence zelf genoeg reclame voor zijn boek (Skirmish with jolly Roger) en verder bederft hij veel, door op zijn beurt van de weelde weer beslist ernst te willen maken, waarmee hij een Van der [de] Velde der liefdesgeschiedenissen gaat lijken.
‘Het subtiel balancement, om een beeld van ter Braak te variëren, tussen heilgymnastiek en apostolaat, in de erotiek van de romankunst nu, ligt ons niet. Wij worden schichtig als het plezierige ons als “zuiver” wordt aanbevolen.
‘Kuisheid is wat anders dan onrijpheid en steriliteit. Kuisheid heeft een spanning van het overeind blijven uit innerlijke noodzaak, of die van verworven, bevochten beheersing. Het a-sexuele in de roman is spanningloos, maakt van elk verhaal een neutraal vertelsel en ontmenselijkt de kunst evenzeer als de pornografie, het andere uiterste.’21
Uit dit essay blijkt verder dat Nagel de voorkeur gaf aan het werk van Ab Visser boven dat van Ferdinand Langen, wiens roman Hélène in het heelal (1946) door hem scherp op de korrel genomen werd. Hij vond dat het proza van Visser bij alle tekortkomingen ervan een grotere betrokkenheid van de auteur toonde dan de roman van Langen met zijn ‘lyrische, naturalistische en mythische woordenlucht’.22
In de polemische rubriek ‘Proppenschieter’ reageerde Fokke Sierksma vervolgens op een essay dat Willem Frederik Hermans in oktober 1946 in Criterium gepubliceerd had. Hierin had deze Bertus Aafjes verdedigd tegen Sierksma's verwijt in Podium (maart 1946), dat Aafjes in zijn poëtische fragment ‘In het atrium der Vestalinnen’ de historische waarheid verdraaid had weergegeven. Sierksma ging in zijn bijdrage in op de opmerkingen van Hermans, maar vond dat de kern van de kwestie toch ergens anders lag - met name in de grote bewondering die Aafjes' poëzie in brede kring genoot - en dat Hermans ook daarover had moeten schrijven. Sierksma merkte over Hermans op: ‘Hij zou er goed aan hebben gedaan te laten weten, of
deze Aafjes-cultus ook voor hem een symptoom van literaire laag-conjunctuur is.’23
Over ‘In het atrium der Vestalinnen’ schreef hij verder: ‘Aafjes wil de minnaar uit zich weren en afscheid nemen van het lichaam, maar laat zijn dagen lustig open en dicht gaan naar de luim van het seizoen en zoekt onverstoord naar Eros. Hij weent, omdat hij de Muzen nooit meer zal zien en laat de Muze even later uit zichzelf buikspreken, zoals hij Venus vaarwel roept en Eros binnenhaalt. Hij haspelt kortom, zoals ik zwart op wit schreef, twee motieven à la Marsman en à la Holst dooreen. Het zij verre den dichter hier op “logische” tegenspraak te willen betrappen. Men moet alleen constateren, dat hij nu niet bepaald helder is in zijn bedoelingen en dat deze troebelheid geen meesterwerk maakt. Al zijn charmes verhinderen niet, dat hij onverbeterlijk wazig is en daarom vlucht in algemeenheden en grote woorden. En algemeenheden en grote woorden zijn de kenmerken van den journalist. Naast hem staat Marsman, hard, concreet, een kerel, die voelde, dacht en dichtte. Daarom ging het en daarover zwijgt Hermans, die om de keus tussen schoonschrijver en dichter te vermijden, mij verwijt dat ik onvoorwaardelijk in de historie geloof. Dat is niet geheel juist. Tot mijn spijt kan ik mijn relatie tot wetenschap en historie niet zo kort en simplistisch formuleren als hij. Wel weet ik, dat de geschiedenis een nuttig middel is om zich poëtische journalisten en hun tros, die van een mug een olifant maken, van het lijf te houden[.] Wij hebben geen behoefte meer aan algemeenheden en grote woorden, ook niet als deze grote woorden mooie woorden zijn. De Nederlandse letterkunde heeft niet taart en crême nodig, maar kinine. Omdat we anders gaan voméren, zo we daar niet reeds mee bezig zijn.’24
Willem Frederik Hermans merkte in 1987 over dit meningsverschil tussen Sierksma en hemzelf op: ‘Sierksma viel Aafjes aan en dat vond ik zo' n erg schoolmeesterachtige, Ter Braakiaanse aanval dat ik daar tegen in geschreven heb.’ En verder: ‘In de houding van Podium tegenover Aafjes vind je het steile calvinisme terug. Dat Aafjes naar Rome was gegaan, dat was verschrikkelijk. Dat was Satan, dat kon helemaal niet. Ik voelde dat dit er bij Podium achter zat. Aafjes ging met een gitaar op weg naar Rome, allemaal flauwekul! En dan was Aafjes ook nog seminarist geweest! Zeer verdacht voor die lui van Podium.’25
Het derde nummer bevatte verder een reeks gedichten van Max Nord, een fragment uit Sierksma's kort daarvoor voltooide roman Grensconflict - de nieuwe titel voor het boek Close up - en het essay ‘Het troosteloos gelijk’ van Anne Wadman. Hierin beschreef deze met veel sarcasme hoe allerlei idealistische verwachtingen uit de bezettingstijd in het naoorlogse Nederland gefrustreerd werden.
Dat dit nummer niet bij iedereen in goede aarde viel, kan worden opgemaakt uit een ongedateerde briefkaart die een lezer uit Almen (Gelderland) tot de ‘Heeren Uitgevers en Critici’ van Podium richtte. De briefkaart bevatte een kort gedicht, getiteld ‘Podium no 3...’:
Dat dit gedicht vooral ontstaan was uit verontwaardiging over opmerkingen van W.H. Nagel over de romanschrijver Aart van der Leeuw - zoals ‘de roze bril, waarmee een schrijver als Aart van der Leeuw zich zijn faam verwierf, omdat de mensen de wereld nu eenmaal graag zien als frambozenpudding’26 - en van Fokke Sierksma over Bertus Aafjes, blijkt uit een tekst op dezelfde briefkaart: ‘Aart v/d. Leeuw en Aafjes †! foei.’27
Op donderdag 30 januari, kort nadat het derde nummer uitgekomen was, schreef Fokke Sierksma een briefkaart aan Gerrit Borgers en Anne Wadman, die door hem (het was in de ijzig koude winter van 1946 op '47) als ‘Broeders in de kou’ werden toegesproken. In zijn briefkaart verwees Sierksma naar een redactievergadering van Podium , die op de daaropvolgende zaterdag in Amsterdam gehouden zou worden. Sierksma schreef: ‘Veel zin heb ik niet om met dit weer te reizen. Maar het wordt anders te lang uitgesteld. Bovendien kreeg ik een brief van Columbus, waarover behoorlijk gepraat moet worden. Het is een fusievoorstel en zal meteen aanleiding zijn om onze partij-politiek überhaupt los of vast te stellen.’28 De ‘brief van Columbus’ die Sierksma ontvangen had, was geschreven door de redactiesecretaris van dit tijdschrift, Hans van Straten.
Een nieuw fusievoorstel van de redactie van Columbus! En dat nadat de vroegere gesprekken over een mogelijke fusie tussen de Podium- en de Columbus-groep - eerst in de zomer van 1945 en later nogmaals in augustus 1946 - op niets waren uitgelopen. Maar de kansen op samenwerking leken duidelijk verbeterd, doordat Columbus met ingang van de tweede jaargang
onder een vernieuwde redactie - bestaande uit Jan Praas, Paul Rodenko, Hans van Straten en Jan Vermeulen - een andere, meer programmatische koers had ingeslagen: een koers die sterk overeenkwam met die van Podium .
Daarbij kwam dat de Podium-redactie nog steeds ontevreden was over uitgeverij Van Gorcum. Ze vond dat de geringe hoeveelheid abonnees - tussen de twee- en driehonderd - vooral te wijten was aan de manier waarop Podium gepresenteerd werd: omslag, papiersoort en lettertype waren volgens de redactie niet aantrekkelijk genoeg. Bovendien zag het er in die tijd naar uit dat Van Gorcum de derde jaargang van Podium niet uit tien nummers zou laten bestaan, zoals de redactie gehoopt had, maar slechts uit zes: evenveel dus als in de vorige jaargang. In een ongedateerde brief die Fokke Sierksma wellicht in januari 1947 aan Gerrit Borgers stuurde, schreef hij: ‘Op 10 nummers behoef je niet te rekenen, zou 'k zeggen.’29 Mede hierdoor zal de neiging van Sierksma om het fusievoorstel van Columbus serieus aan de orde te stellen, zijn versterkt.
De vergadering van de Podium-redactie op zaterdag 1 februari te Amsterdam ging overigens niet door: via een telegram liet Sierksma weten dat hij zich ziek voelde en daarom niet kon komen. Wel schreef hij die zaterdag een brief aan Gerrit Borgers, waarin hij meedeelde van plan te zijn de daaropvolgende zaterdag, 8 februari, naar de hoofdstad te komen. Over hun beider mederedacteur Peter Verhoeff schreef Sierksma in deze brief: ‘Peter, die met mij absoluut, maar dan ook absoluut gebroken had, was zo inconsequent om mij dezer dagen maar weer eens een brief te sturen, waarin hij er zich over verwondert dat hij geen bericht over een redactie-vergadering ontvangen heeft en mij - dit onder ons - een vervloekt weerbarstige persoonlijkheid noemt, wat ik maar als compliment zal incasseren. Hebben jullie hem vergeten of is het opzet geweest om geen “bebloede koppen” te krijgen!? Overigens had hij toch niet kunnen komen, schrijft hij verder, want hij heeft last van oorontsteking, 'k Heb met hem te doen, zij het niet in de eerste plaats vanwege die oorontsteking.’30
Intussen deed zich - voordat de vergadering op 8 februari gehouden zou worden - nog een nieuwe ontwikkeling voor. In de eerste week van februari ontving Sierksma een brief van Kees Lekkerkerker, die - zoals in het tweede hoofdstuk vermeld werd - niet alleen redactiesecretaris van Proloog was, maar ook literair adviseur bij de Amsterdamse uitgeverij Contact. In zijn - vertrouwelijke! - brief opperde Lekkerkerker de mogelijkheid van een fusie tussen Proloog en Podium, waarbij uitgeverij Contact betrokken zou worden. Lekkerkerker deelde hierover in 1986 mee: ‘Als adviseur van Contact had ik in de eerste plaats het belang van de uitgeverij op het oog, die gebaat was met een sterk tijdschrift. Ze konden dan voor hun fonds de beste schrij-
vers binnenhalen. In de tweede plaats zag ik in fusie de enige oplossing om een einde te maken aan die ongewenste versnippering van krachten: drie tijdschriften wilden immers nagenoeg hetzelfde, en alle drie waren ze om zo te zeggen noodlijdend.’31 Lekkerkerker bedoelde met deze ‘drie tijdschriften’ Proloog, Podium en Columbus.
Lekkerkerker had overigens zijn brief aan Sierksma geschreven, zonder dat een van de andere Proloog-redacteuren van zijn initiatief op de hoogte was! Op de achtergrond hiervan speelde het meningsverschil dat in oktober 1946 ontstaan was tussen Lekkerkerker en zijn mederedacteuren Max Schuchart, H.J. Scheepmaker en Bert Voeten over de door Schuchart geschreven inleiding voor de tweede jaargang. Tegen deze inleiding, getiteld ‘Nieuw beleid’, had Lekkerkerker grote bezwaren gehad. Bovendien was hij boos geworden over twee gedichten van Schuchart die deze in Proloog wilde plaatsen en die volgens Lekkerkerker nauwelijks meer waren dan Marsman-pastiches. Weliswaar was de inleiding hierna gedeeltelijk herschreven, waarbij aan Lekkerkerkers bezwaren tegemoet gekomen was, maar Schucharts verzen waren wel in het december-nummer van Proloog gepubliceerd. De ergernis hierover heeft ongetwijfeld een rol gespeeld bij Lekkerkerkers besluit om - buiten de andere redacteuren om - contact met Sierksma op te nemen.
Overigens merkte Lekkerkerker in 1986 op: ‘Het is moeilijk aan te nemen dat ik mijn fusievoorstel geheel buiten medeweten en zonder de goedkeuring van De Neve zou hebben gedaan. In een vroeger stadium zal er zeker over gesproken zijn.’32 Gilles Pieter de Neve was - zoals de lezer zich zal herinneren - een van de directeuren van Contact.
Ondanks de kou ging de vergadering van de Podium-redactie op zaterdag 8 februari in het ‘Podium Building’ te Amsterdam door. Tijdens deze vergadering besloten Fokke Sierksma, Gerrit Borgers en Anne Wadman - Peter Verhoeff was niet uitgenodigd -, om met de Columbus-groep onderhandelingen over een fusie te beginnen. Ook werd afgesproken, dat Sierksma aan Lekkerkerker een brief zou sturen met het verzoek zijn voorstel verder toe te lichten. Sierksma, die van plan was geweest de Columbus-redacteur Jan Vermeulen in hetzelfde weekend in Den Haag op te zoeken, moest hiervan afzien, omdat Vermeulen in die tijd in Parijs op vakantie was.
Enkele dagen later, op 12 februari, schreef Gerrit Borgers aan Hans van Straten, die hij tot dan toe nog nooit ontmoet had, een brief, waarin hij nader op het fusievoorstel van Columbus inging. Van Straten dacht in die tijd kennelijk dat Borgers en Wadman liever geen fusie hadden; hij zal op die gedachte gekomen zijn doordat Peter van den Burch (Peter Verhoeff) enkele maanden eerder aan de Columbus-redacteur Jan Vermeulen geschre-
ven had dat Wadman en Borgers nog minder voor een fusie voelden dan Sierksma en hijzelf. Borgers, die in deze brief meedeelde dat hij de eerste jaargang van Columbus nog niet onder ogen had gekregen, schreef: ‘Tenslotte het belangrijkste: het fusievoorstel. Om te beginnen moet ik zeggen dat noch Wadman, noch ik “er niet erg aan willen” en ook hebben we geen verkeerde voorstelling van Columbus, aangezien we er helemaal geen hadden tot het laatste nummer. In principe voelt de hele redactie (behalve V.d. Burch, die afwezig was) dan ook wèl voor fusie. Hierover kan echter beter gepraat dan geschreven worden. Het enige dat ons er van weerhoudt direct een afspraak te maken is een ander fusievoorstel, dat voor ons in de eerste plaats moet worden uitgezocht en waarover we noodgedwongen nog niet openlijk met U kunnen praten. Toch lijkt het me wel gewenst dat we elkaar eens spreken, ook al valt er niet direct een beslissing te nemen (het beste moment om te fuseren is o.i. toch September pas), want ook al zou de eerste fusie doorgaan blijven we in principe ook voor die met Columbus voelen. Alleen kunnen we voorlopig moeilijk een afspraak maken hoe de redactie er dan uit moet komen te zien.’33
Drie dagen later, op 15 februari, schreef Fokke Sierksma aan Gerrit Borgers over een brief die hij aan D.H. Landwehr van uitgeverij Van Gorcum gestuurd had. Sierksma: ‘Verder heb ik Landwehr geschreven, dat wij wel eens wilden weten, hoe zij over het voortbestaan van Podium dachten, dat wij er slecht over dachten enz. allemaal in nette woorden natuurlijk. Benieuwd wat ze zeggen.’34
Dezelfde dag schreef Sierksma aan de Columbus-redacteur Jan Vermeulen: ‘Op onze redactievergadering is Columbus’ voorstel tot fusie besproken. Van den Burch was niet aanwezig, maar de rest was er wel voor te vinden. We zitten alleen met een ander fusievoorstel, waarvan we de Urheber nog niet bekend mogen maken. Ik zal hem vanmiddag een brief schrijven en zodra het antwoord er is, krijgen jullie bericht. Het is onze bedoeling om zo mogelijk een groep uit een ander blad er ook bij te betrekken. Mocht dat lukken dan ben ik er vrijwel zeker van, dat jullie ook deze groep graag als mede-onderhandelaar zullen verwelkomen. Gelukt het niet, dan vinden jullie ons principiëel [principieel] altijd bereid. D.w.z. Mulder en Wadman. Ik schei er maar mee uit. 'k Geloof, dat dat beter voor mij is.’
Sierksma vervolgde: ‘Er zijn bij een fusie natuurlijk verschillende kwesties uit te knobelen. O.a. de uitgever en de naam. Voorop sta, dat die dingen nooit en te nimmer een struikelblok mogen zijn. Onze uitgever laten wij graag schieten. Dat Podium niet meer abonnementen heeft, is - zo voelen wij het allemaal - zijn schuld voornamelijk. Wat de naam betreft, daarover moet maar eens gepraat worden. Het spijt me, dat ik je niet kon treffen in
Den Haag. Wadman en Mulder zullen nu de mondelinge besprekingen met jullie opnemen, d.w.z. Mulder, want Wadman heeft de meestal sympathieke, maar soms lastige eigenschap van zwijgzaamheid. Ik hoor wel van de besprekingen. Mulder en Wadman staan maagdelijk tegenover de naam- en uitgeverskwesties, want wij hebben daar niet over gepraat of geschreven.’35
De naam van de ‘Urheber’ van een verbintenis tussen Podium en Proloog zou overigens niet lang geheim blijven! Op 16 februari schreef Hans van Straten aan Gerrit Borgers een brief waarin onder meer het fusievoorstel Columbus -Podium in de afgelopen zomer dat op niets was uitgelopen, ter sprake kwam. Hij schreef verder: ‘Wel hoorden wij dat Proloog avances in jullie richting maakte, een zekere meneer Lekkerkerker, redacteur van Proloog, bazuinde nl. al maanden geleden rond dat zijn blad met Podium zou samengaan. Toen Jan naar een en ander bij Sierksma informeerde kreeg hij ten antwoord dat het idee van een fusie Podium-Proloog “eenvoudig belachelijk” was. Begrijpt U mij goed, Podium is natuurlijk vrij om te doen wat het wil, ik verwonder mij alleen over de gretigheid waarmee jullie op een aanbod van een salontijdschrift als Proloog ingaan, en ondertussen de onderhandelingen met Columbus laten voor wat ze zijn. Overigens lijkt het idee van een drievoudige fusie Proloog-Podium-Columbus mij helemaal niet zo gek, alleen, wat voor voorwaarden stellen die Contact-mensen?’ De opmerking dat ‘al maanden geleden’ over een fusie tussen Podium en Proloog gesproken werd, had misschien te maken met de poging die A. Marja in de zomer van 1946 had ondernomen om tot een fusie van beide bladen te komen.
Van Straten schreef verder over zijn mederedacteur Paul Rodenko, die in die tijd in Parijs woonde: ‘[...] hij sympathiseert in vele opzichten met Podium, ik geloof echter niet dat hij de “existentiële hartstocht” van Bert Voeten en H.J. Scheepmaker erg hoog aanslaat. Het lijkt mij echter beter al deze pourparlers en quiproquo's te bewaren tot onze kennismaking, dat maakt de zaak een beetje spannender.’36
Op 18 februari antwoordde Borgers hierop dat het inderdaad beter was het fusievoorstel verder mondeling te bespreken: ‘[...] anders hebben we een aparte bijeenkomst nodig om misverstanden op te ruimen, zoals b.v. jullie idee dat we met Proloog in zee zouden willen - nog altijd is dit “eenvoudig belachelijk” en voelen we bijster weinig voor deze zeveraars met hun “nieuw beleid”.’37
Ook Sierksma bleek weinig enthousiast over Proloog, waarvan hij overi-
gens alleen het Slauerhoff-nummer onder ogen had gekregen. Op 24 februari schreef hij aan Borgers: ‘Afgezien van het feit, dat dit tijdschrift nu eens het maandblad van dé jonge generatie is (wij zijn de lullen-rozewater...), wordt het verleid door Lampo (doet me aan hazen denken), Lekkerkerker (doet me nergens aan denken), Scheepmaker (herinnert vagelijk aan moderne poëzij), Schuchart (sprekend iedereen; hele goeie van Hans van Straten) en Voeten (the girl with the dreamy eyes [...]). Kén jij die lui? Ik niet.’
Sierksma schreef verder: ‘Ik stap er liever uit. Natuurlijk zijn er vele dingen, die mij blijven trekken in het literaire carnaval. Voor mezélf was opstappen beter. Jij zet mij met je “dus Peter Podiumredactuer [Podiumredacteur] in de gefuseerde redactie” klem. Mijn eerste reactie was; [:] dan geen fusie en Podium een eerzame dood. Mijn twede [tweede]: Anne, Gerrit, Rodenko, Van Straten en ik de nieuwe redactie, here we go!! [...] Proppen zal ik ook in het vervolg wel kunnen schrijven. Wil jij perse redactie-secretaris met stem worden, mij best.’
Over een fusie met Columbus merkte Sierksma op: ‘Ik voel [...] er wel voor met Van Straten en Rodenko. De eerste is een mooie gek en heeft fighting spirit. De laatste heeft veel in zijn mars, laat dat iets te veel en te overbodig blijken, maar is verduiveld scherpzinnig. Benieuwd wat voor kerel het is. En misschien is het het begin van een concentratie die zeer gezond kan zijn.’
Ook de positie van de Podium-redacteur Peter van den Burch kwam in deze brief ter sprake. Sierksma schreef over hem: ‘Het lijkt me [...] het beste, dat jullie hem schrijven, hoe de zaken staan en hem vragen, of hij er zich mee kan verenigen (hij is de enige geweest, die een jaar geleden een fusie met Columbus in de minderwaardige vorm nog niet zo gek vond), tevens hem meedelende, dat hij zal begrijpen, gezien zijn redactorale activiteit en kwaliteiten, dat Peter van den Burch niet bij de gefuseerde redactie zal zijn. Ongetwijfeld zal hij het begrijpen en vergis ik mij niet, zelfs niet een redacteursplaats ambiëren. Zijn houding tegen mij is ietwat lullig. Misschien had hij gehoopt, dat ik hem ondanks het verbod toch een brief geschreven had. Enfin. Het enige, wat ik ervan kan zeggen is, dat zelfs een opgedrongen ruzie vervelend en overbodig is. Jullie houden hem wel als vaste medewerker en Gerrits goedertieren ogen houden hem wel in de gaten.’
Sierksma vervolgde: ‘Van Straten en Vermeulen had ik al geschreven, dat ik na deze jaargang niet weer in een redactie wilde zitten. Een dezer dagen zal ik ze vertellen, dat Podium gesloten optrekt en dat het mij een genoegen zal zijn etcetera.
‘[...] Hoe dan ook: de zaak staat voor mij nu zo: alle drie er in of alle drie er niet in. Dus: alle drie erin, voorlopig voor een jaar.’38
Intussen had Gerrit Borgers in het koude en vochtige ‘Podium Building’ een zware verkoudheid opgelopen, waarna hij bij de ouders van Annie van Poelgeest in Hilversum was gaan logeren. De geplande vergadering met de redactie van Columbus over een eventuele fusie zou daarom moeten worden uitgesteld. Vanuit Hilversum stuurde Borgers een ongedateerde brief aan Anne Wadman, waarin hij opmerkte: ‘Ik heb Fokke [...] geschreven dat de fusiebespreking waarschijnlijk pas op Zaterdag 8 Maart zal plaats vinden en dat we zijn voorstel voor de nieuwe redactie overnemen. Over de naam van het “nieuwe tijdschrift” heb ik voorgesteld: Podium - we hebben, essayistisch, waarachtig meer betekent [betekend] dan Columbus over de hele linie. En voor een nieuwe naam voel ik niets: dan komt er alweer een nieuw tijdschrift al sterven er ook twee af.’39
Kort daarvoor had Jaap Mulder (Gerrit Borgers) een ‘prop’ geschreven, die in het vierde nummer van Podium afgeschoten zou worden en waarin hij op spottende toon gewezen had op de treffende overeenkomst tussen enkele recente uitspraken in Columbus en Proloog en opvattingen die een jaar eerder in Podium verkondigd waren. Op 27 februari stuurde Fokke Sierksma de drukproeven van deze ‘prop’ aan Hans van Straten toe. Daarbij schreef hij dat de door Mulder gesignaleerde overeenkomst voor een klein deel verldaard zou kunnen worden, doordat zowel Columbus als Podium door het vroegere tijdschrift Forum beïnvloed waren, maar verder wilde hij niet gaan. Over Mulders ‘prop’ merkte Sierksma op: ‘Ik hoef er niets aan toe te voegen. Waarschijnlijk ben je het roerend met Mulder (en mij) eens. Dat wij gemeenschappelijk stoelen op Forum verklaart hier alleen het kleinste stuk van de overeenkomst. Jij kent Forum goed genoeg om te weten, dat onze doelstelling, door jullie overgenomen, 1o verder gaat dan Forum 2o Forum-fremde elementen heeft; laat ik het zo uitdrukken: ik heb de synthese gewild maar niet op de lullige manier van Criterium. [...] De ziel bijv. trap ik er niet uit. Forum wel. Religie idem idem. (Van den Burch is orthodox!).’
En verder: ‘Het spreekt wel vanzelf, dat de toezending van de prop en deze brief niet de bedoeling hebben om ons contact te verzwakken, maar om het te versterken. Ik hoop gauw gelegenheid te hebben de zaken met jullie te bepraten.’40 Een slimme zet van Sierksma, want het is duidelijk dat de ‘prop’ en de brief misschien niet het contact tussen Van Straten en hemzelf, maar wel de onderhandelingspositie van de Columbus-redactie - vooral over de vraag welke naam het nieuwe tijdschrift zou krijgen - danig zouden verzwakken. Sierksma zal daarbij met genoegen ook (de in die tijd vooral afwezige) Van den Burch hebben laten opdraven ter ondersteuning van zijn betoog!
De volgende dag, vrijdag 28 februari, schreef Sierksma aan Gerrit Borgers een brief, die volgens romantische traditie voorzien was van het opschrift in rode letters ‘strikt geheim’. Hierin deelde hij mee: ‘Krijg ik me daar een brief van Lekkerkerker, die me even buiten adem heeft gebracht. Hij stelt niets meer of minder voor dan een paleisrevolutie in Proloog, de uitgave van een nieuw blad bij Contact onder de naam podium, dat zal worden geredigeerd door drie redacteuren van het huidige Podium en twee anderen, in overleg te benoemen. De tegenwoordige redactie is volgens de heer Lekkerkerker “niets”, een constatering, waarvan het jou na mijn vorige brief niet zal verwonderen, dat ik haar niet tegenspreek. Lampo is een naam, Schuchart ten enemale onbetekenend en incompetent, hij zelf een vergissing, dit alles volgens gemelde brief.
‘Hoe dan ook, na een dergelijk voorstel kun je niet doen of je neus bloedt. Ik zal hem antwoorden, dat ik zeer binnekort [binnenkort] in A8dam [A'dam] kom en wil hem meteen maar zeggen, dat wij er alles voor voelen, mits het een fusie van drie kan worden onder de naam podium. Mijn God, wat heb jij me chauvinistisch gemaakt met je Podium-gezemel!
‘Als het even kan, moeten we er een klaverblad-van-drie van zien te maken. Ik weet niet of de pap bij Proloog zo warm zal worden gegeten als zij hier wordt opgediend, maar het openlijk eigen incompetentie erkennen en daarbij zonder blikken of blozen het woord paleisrevolutie laten vallen - dat is toch geen voorzichtige diplomatie meer. En anders ben ik te naïef voor deze wereld.’
Sierksma schreef verder: ‘Wanneer wij er aan mee kunnen werken, dat Nederland van drie literaire periodieken kan worden verlost en dat het voortreffelijke blad Podium (zonder hoofdletters) in vele gezinnen komt - dan mogen wij dat niet naleten [nalaten]. Ik stel dus voor: fusie van Columbus, Proloog en Podium onder de naam Podium met Anne, jij en ik, Rodenko, een Proloogman (eventueel zeven, dan kunnen er nog een Columbusman en Debrot bij).’ Sierksma zorgde er dus voor dat de Podium-groep steeds de meerderheid in de redactie zou krijgen: drie van de vijf of anders vier van de zeven redacteuren! Hij mocht immers aannemen dat Debrot het meest voor het Podium-standpunt zou voelen.
Sierksma drukte Borgers verder geheimhouding op het hart: ‘Vergeet niet, dat van deze brief alleen Lekkerkerker en ik weten, en dat de overige heren van Proloog onbewust van deze atoomsplitsing rustig ruziën over... vrouwen.’41 Ook de eerste elf woorden van deze alinea waren met rode letters getypt!
Intussen was inderdaad afgesproken dat op zaterdag 8 maart een fusie-
bespreking met enkele redacteuren van Columbus zou plaatsvinden. Enkele dagen daarvoor, op 5 maart, schreef Anne Wadman, die korte tijd in Friesland had doorgebracht en zojuist in Amsterdam was teruggekeerd, aan Gerrit Borgers in Hilversum: ‘Thuis laghier [lag hier] een briefkaart van Fokke, aan jou, waar in staat dat hij Vrijdagavond om 6.26 komt en godstamebij tot Dinsdag of Woensdag wil blijven, en offie hier kan slapen, al die tijd. Staat niet bij of we weer een veelacter te aanschouwen krijgen, maar dat zal wel.’42
Dezelfde dag, 5 maart, schreef Fokke Sierksma aan Hans van Straten: ‘Het surrealistische heb ik niet (Het spijt me min of meer dat ik genoodzaakt ben “ik” en “Podium” te identificeren, maar dat was meestal zo). Door Mulder is dit element er in gekomen. Hij dweept met dit genre. Ik verzet me ertegen, omdat ik het erg appreciëer [apprecieer], maar wat overbodig vind momenteel.’
Sierksma schreef verder naar aanleiding van de geruchten over een fusie tussen Proloog en Podium : ‘Jij kunt niet zeker weten, dat wij iets met Proloog te maken hebben gehad. Jullie kletsen te veel in Holland. Zaterdag zul je alle kaarten open krijgen. Ik moet nog één gesprek hebben. Maar met Proloog hadden wij niets te schaffen.’43 Bij de vergadering op zaterdag 8 maart zou ook Van Straten aanwezig zijn. Het gesprek waarop Sierksma doelde, was wellicht het gesprek dat hij - zoals hij intussen aan Kees Lekkerkerker had voorgesteld - op dezelfde dag met hem zou hebben.
Het gesprek tussen Sierksma en Lekkerkerker vond inderdaad op 8 maart in Amsterdam plaats. De laatste deelde in 1986 mee: ‘Sierksma en ik zouden elkaar in Américain ontmoeten. Daar hebben we de fusieplannen nader besproken. Op de vergadering zou ik wat later in de middag verschijnen.’44
Bij de bijeenkomst die op die zaterdagmiddag in het ‘Podium Building’ gehouden werd, waren behalve Gerrit Borgers en Anne Wadman ook Fokke Sierksma, Kees Lekkerkerker en de Columbus-redacteuren Hans van Straten en Jan Vermeulen aanwezig. De beide laatsten waren die dag uit Leiden gekomen. Van Straten schreef in 1986: ‘Op zaterdag 8 maart 1947 zijn Jan Vermeulen en ik naar Amsterdam getogen voor een gesprek met de Podium-redactie. Hoewel het voorjaar naderde, duurde de winter met onverminderde hevigheid voort. Over de bevroren sneeuwbergen strompelden Jan en ik naar een adres in de Jordaan, 1e Looiersdwarsstraat 21 hs, een bouwval die door Borgers “het Podium Building” werd geheten. Wij troffen daar Gerrit en Anne Wadman, twee gevorderde Neerlandici, die
het pand bewoonden samen met Gerrits verloofde Annie en Annes zusje Martha.’
Van Straten schreef verder: ‘Het interieur bestond uit een voorkamertje op straatniveau met daarachter een souterrain en daar weer boven een soort opkamer. De tussenwanden waren in de hongerwinter opgestookt, het was nu één doorlopende ruimte. Na enige tijd arriveerde ook Fokke Sierksma in een dikke witte coltrui. Hij was de meest sportieve van ons allemaal, hij zag er uit of hij op de schaats uit Groningen was komen aanzetten.’
En verder: ‘Na een uur of zo verscheen Lekkerkerker, die de fusie met Proloog kwam aanbieden. Daar keken wij nauwelijks van op, want het was al een week of wat eerder uitgelekt dat hij met deze plannen rondliep. Hij zou er met iemand (Max de Jong? Ik weet het niet meer) over hebben gepraat en ik had het weer aan Podium geschreven. Doordat wij er geen geheim van maakten dat wij al op de hoogte waren, kreeg het gesprek een wat gedwongen verloop. Iets concreets werd er niet afgesproken. Achteraf bezien is het een wonder dat uit dit aanvankelijk zo stroeve, weinig of niets belovende contact toch het nieuwe Podium is voortgekomen.’45
Jan Vermeulen vertelde in 1984: ‘Fokke Sierksma was een enorme drammer, die hield niet op, een soort terriër. Anne Wadman was een zachtaardige jongen, die niet veel zei en van die andere jongens herinner ik me niet zoveel.’
Ook al kwam het die middag niet tot concrete besluiten - er was immers nog zoveel onzeker -, voorlopige afspraken werden er wel gemaakt. Proloog, Columbus en Podium zouden fuseren tot een nieuw blad, dat bij uitgeverij Contact zou verschijnen, nadat de drie bij deze bladen betrokken uitgevers zakelijk tot overeenstemming zouden zijn gekomen. Deze drie uitgevers waren: Contact (Proloog), Stols (Columbus) en Van Gorcum (Podium). Over de naam van het nieuwe tijdschrift werd nog niets beslist.
Verder werd afgesproken dat - als er niets tussen zou komen - de nieuwe redactie zou bestaan uit de Podium-redacteuren Jaap Mulder (Gerrit Borgers), Fokke Sierksma en Anne Wadman en de Columbus-redacteuren Paul Rodenko en Hans van Straten, terwijl Fokke Sierksma aan Cola Debrot zou vragen eveneens tot de redactie toe te treden. De Proloog-redacteur Kees Lekkerkerker zou voorlopig - hij was van plan in het voorjaar naar Zuid-Afrika te vertrekken - redactiesecretaris zonder stem worden.
Dat ook de Proloog-medewerker Eldert Willems in aanmerking zou kunnen komen voor een plaats in de redactie, kan worden opgemaakt uit een velletje met aantekeningen van Lekkerkerker, dat bewaard gebleven is. Hierop staat: ‘Indien Debrot niet wil, dan Willems. Indien Willems niet wil, dan Van Straten schrappen.’ Op hetzelfde velletje staat geschreven: ‘Aange-
zien van alle 3 bladen het Februari-nummer gezet is, zouden wij het nieuwe blad met het Maart-nummer kunnen beginnen.’46 Hieruit kan de conclusie worden getrokken dat het aanvankelijk de bedoeling was de fusie al in maart 1947 te doen plaatsvinden: in feite zou het eerste nummer van het nieuwe tijdschrift pas in oktober van dat jaar verschijnen.
Over het verdere verloop van die zaterdag vertelde Hans van Straten in 1986: ‘'s Avonds - Lekkerkerker was intussen vertrokken - gingen wij met z'n zevenen (de vier bewoners van het Podiumbuilding, Fokke, Jan en ik) naar de Paradiso Bar in de Leidse Kruisstraat, waar op dat moment het bedienend personeel al uitbundig dronken was. De portier zong met klankvolle stem Italiaanse operaliederen.
‘De Podiumredaktie kon heel wat drank aan, ze dronken de man zeker tien borrels (ik voelde bij de vierde al dat ik niet verder moest gaan). Fokke raakte in gesprek met een paar opzienbarende dames en vertelde dat hij dichter was.
‘“Wij schrijven ook gedichten” zeiden ze.
‘“Zeker puntdichten?” vroeg Fokke.
‘Uitgeleide gedaan door Podium begaven wij ons naar de tramhalte op het Leidseplein, waar curieus genoeg ook Adriaan Morriën en zijn Guusje stonden te wachten. Wij reden met zijn vieren naar het Centraal Station, waar de laatste trein al klaar stond. Tot onze schrik kwamen Jan en ik onderweg tot de ontdekking dat deze trein niet naar Leiden reed, maar naar IJmuiden. In Haarlem stapten wij uit en legden ons te ruste op de radiatoren van de verwarming in de wachtkamer, want het was kervend koud. Na een uur kwam er weer een trein, die ons terugbracht naar Amsterdam.’47 Daar vonden Van Straten en Vermeulen in het ‘Podium Building’ een gastvrij onderdak.
De samenstelling van de nieuwe redactie, zoals op zaterdagmiddag afgesproken, kwam dus grotendeels overeen met het voorstel dat Sierksma op 28 februari aan Borgers gedaan had. Daarbij valt op dat Lekkerkerker het redactiesecretariaat zou waarnemen en dat geen van de andere Proloog-redacteuren in de nieuwe redactie een plaats zou krijgen. Lekkerkerker stemde met deze voorlopige afspraak in, zonder dat hij hierover met de rest van de Proloog-redactie contact had opgenomen. Dat een van deze redacteuren, Bert Voeten, begin maart nog van niets wist, kan worden opgemaakt uit een briefje dat hij op de 5e van die maand aan Lekkerkerker stuurde. Voeten, die op doorreis was naar Zuid-Frankrijk, vanwaar hij naar Algiers hoopte over te steken, schreef vanuit Antwerpen aan Lekkerkerker: ‘Je krijgt spoedig een hoop copie. Ik ga daar hard aan den arbeid. Houd me aanbevolen voor toezending van recensies, polemieken etc. Ik wil graag bij-
blijven. Hoop mijn roman geheel gereed mee terug te brengen, benevens een groot gedicht. Houd Proloog in het spoor! Ik doe altijd mee.’48
Met een verwijzing naar de - enkele maanden daarvoor door hem afgekeurde - verzen van Max Schuchart en de daaruit ontstane tegenstelling in de Proloog-redactie schreef Lekkerkerker in 1986 over zijn motieven om de vergadering in het ‘Podium Building’ bij te wonen: ‘Ik verkeerde in een moeilijke positie, na wat er gebeurd was met die verzen van Schuchart. Het was drie tegen één geworden, men vergaderde zonder mij, en in zo'n situatie zag ik een toekomstige samenwerking niet meer zo zitten. Alleen een fusie zou een oplossing brengen om het tijdschrift, al was het onder andere naam, voor Contact te behouden. Die zaterdagmiddag heb ik nog getracht Scheepmaker te bereiken om hem ervan op de hoogte te stellen dat ik