terug  begin  verderprepost
[p. 15]

Hoofdstuk 1
Het Woord (1) en ‘het rijk der betovering’

Anders dan de apostel Johannes, die zijn evangelie indertijd kon beginnen met de schitterende zin ‘In het begin was het Woord’, moet ik dit hoofdstuk starten met de opmerking dat er in het begin van mijn verhaal juist geen sprake was van Het Woord, maar van een heel ander tijdschrift. Voordat het tot de uitgave van Het Woord kwam, hadden de jonge uitgever Geert Lubberhuizen en zijn vrienden, die in de jaren van de Duitse bezetting samen de illegale uitgeverij De Bezige Bij gevormd hadden, immers het plan een blad onder een andere naam uit te geven: Voorpost.

Nu is het eerste nummer van Voorpost nog wel verschenen, maar het heeft door de ingewikkelde situatie tijdens de hongerwinter de lezers niet echt weten te bereiken, zodat het begrip ‘verschijnen’ hier vooral in metafysische zin moet worden verstaan. Daarna is het blad nog één keer uitgekomen, maar ook toen zonder dat het publiek er kennis van kon nemen. En ook later bleek er op Voorpost geen zegen te rusten, want van dit tijdschrift, waarvan de uitgave met zoveel zorg voorbereid was, is nooit meer een aflevering gepubliceerd. In plaats daarvan zag dus Het Woord het levenslicht.

Om dat laatste blad goed te situeren, wil ik hierna allereerst kort ingaan op de geschiedenis van De Bezige Bij in oorlogstijd. Daarbij ligt het voor de hand ook aandacht te besteden aan de ongelukkige lotgevallen van Voorpost, omdat die mede het klimaat bepaald hebben waarin na de bevrijding Het Woord kon worden opgericht.

Van kindercomité tot uitgeverij

Als er iemand was die voor het ontstaan van De Bezige Bij van beslissend belang geweest is, dan is dat zonder twijfel Geert Lubberhuizen geweest: hij was de oprichter en vele jaren lang de motor achter de uitgeverij. Treffend daarbij is dat de weg die hij gegaan is eerder door de omstandigheden - de situatie tijdens de Duitse bezetting - lijkt te zijn aangegeven dan door zijn eigen keuze, maar daarin kan gezichtsbedrog schuilen. Aangenomen mag immers worden dat Lubberhuizen, toen hij zich eenmaal op die weg bevond, hem met grote passie heeft afgelegd, hoe graag hij zich ook tegenover de buitenwereld zo laconiek mogelijk probeerde op te stellen.

[p. 16]

Geertjan Lubberhuizen (1916-'84) was geboren in het dorpje Schoten bij Haarlem. Tijdens zijn kinderjaren woonde hij onder meer in Buenos Aires en Batavia, waar zijn vader, die werktuigbouwkundig ingenieur was, voor een handelsfirma werkte. Toen Geert dertien jaar was, verhuisde het gezin naar Arnhem. Daar volgde hij een hbs-opleiding.

Na het behalen van het einddiploma schreef hij zich in 1935 in als student chemie aan de Utrechtse universiteit. Hij werd er lid van het Utrechtsch Studenten Corps, waar hij volop meedeed aan het kroegleven. In Geert Lubberhuizen, uitgever. Het mysterie van de Van Miereveldstraat (1994) schreef Wim Wennekes over deze jaren: ‘In de Corpssociëteit phrm (Placet Hic Requiescere Musis = Het behaagt de muzen hier te vertoeven) lieten Lubberhuizen en de andere jongeheren zich bedienen door knechts in livrei, de tijd dodend met kroegjool, “boomen” in herenfauteuils bij de open haard en spelletjes als bridge, domino, schaak, biljart en toccadielje (een eenvoudige vorm van triktrak). Tijdens ouderejaarsavonden rookten zij lange Goudse pijpen en dronken zij warme bisschopwijn met kaneel. Tussendoor volgde hij colleges.’1

Lubberhuizen speelde in deze jaren verscheidene rollen bij het studententoneel en maakte in de swingband van het Corps furore met zijn altsax. Ook schreef hij onder de schuilnaam LiLaLub in het Utrechts studentenblad Vox Studiosorum, waarvan hij eind september 1940 redacteur werd.

In november van dat jaar was Lubberhuizen een van de studenten die in dit blad hun sympathie betuigden aan de joodse hoogleraren die kort daarvoor ontslagen waren. Dat was een opvallende daad: het Corps, vaandeldrager van het traditionele studentenleven, had zich altijd afzijdig gehouden van de politiek. Kennelijk was het nu ook daar duidelijk geworden dat die houding in de bezettingstijd niet langer volgehouden kon worden.

Drie maanden later werd het blad - na een kritische bijdrage van Lubberhuizen over de antisemitische film Jud Süss - door de bezetters verboden. De hoofdredacteur van Vox Studiosorum verdween in de gevangenis, terwijl Lubberhuizen zich drie maanden achtereen elke dag om vijf uur hij de sd aan de Maliebaan melden moest.

In de periode daarna raakte hij steeds meer bij het verzet betrokken. In december 1942 was hij een van de vijf studenten die de cartotheek van de Utrechtse universiteit in brand staken om te verhinderen dat de Duitsers de studenten voor de ‘Arbeitseinsatz’ zouden oppakken.

Intussen was Lubberhuizen enkele maanden eerder mee gaan helpen met het ‘Kindercomité’: een groep studenten, die vanaf juli 1942 - toen de systematische razzia's op joden begonnen - kinderen uit joodse gezinnen op onderduikadressen probeerde onder te brengen. Ongeveer driehonderd

[p. 17]

kinderen zouden op deze wijze gered worden. Lubberhuizen deed ook mee aan het vervalsen van persoonsbewijzen.

Om aan geld voor de opvang van de ondergedoken kinderen te komen, liet hij in het voorjaar van 1943 een rijmprent drukken met daarop het verzetsgedicht ‘De achttien dooden’ van Jan Campert, die in januari 1943 in het concentratiekamp Neuengamme gestorven was. Lubberhuizens vriendin Anne Maclaine Pont, een van de leden van het ‘Kindercomité’, had hem dit gedicht laten lezen. Deze uitgave bleek zo'n succes - tijdens de bezetting zouden er ongeveer vijftienduizend van verkocht worden -, dat Lubberhuizen en zijn illegale vrienden besloten meer bibliofiele uitgaven te vervaardigen. Daarmee was de clandestiene uitgeverij De Bezige Bij geboren. De naam ervan zou zijn afgeleid van Lubberhuizens verzetsnaam Bas Ruys, waarop Anne Maclaine Pont het zinnetje ‘Bas as busy as a bee can be’ uitgedacht had.

Lubberhuizen, die in die jaren een enerverend leven moet hebben geleid, maakte daarbij op velen een onverstoorbare indruk. Alle drukdoenerij was hem vreemd. Met zijn slanke, opvallend lange gestalte dook hij plotseling ergens op om daarna weer maandenlang te verdwijnen. Uit de verhalen die over hem verteld worden, kan worden opgemaakt dat hij eindeloos lang op straathoeken moet hebben gestaan.

Bij zijn werk voor de uitgeverij werkte hij vooral samen met zijn medestudent Charles van Blommestein, die in oktober 1942 - enkele maanden voordat van de studenten gevraagd werd een ‘loyaliteitsverklaring’ te tekenen - zijn doctoraal examen indologie gedaan had. Kort daarna was hij vanuit Utrecht naar Den Haag verhuisd waar Geert Lubberhuizen hem kwam opzoeken en over de uitgeverij vertelde. In 1944 keerde Van Blommestein weer naar Utrecht terug. Evenals Lubberhuizen maakte hij voor de uitgeverij grote tochten per trein: beiden beschikten ze over een vervalst bewijs dat ze inspecteur van de spoorwegen waren, waardoor ze gratis konden reizen.

Een van de andere medewerkers van Lubberhuizen was de jonge schrijver Sjoerd Leiker (1914-'88), die uit Friesland afkomstig was. In 1936 was hij gaan werken bij de uitgeverij Bosch en Keuningh in Baarn. Drie jaar later - bij de algemene mobilisatie van het Nederlandse leger - werd hij in Groningen bij de infanterie ingedeeld ter verdediging van de vesting Holland. Intussen was hij ook zelf gaan schrijven. Na de publicatie van enkele romans, die vooral bij een protestants-christelijk publiek in grote oplagen verspreid werden, schreef hij in de winter van 1941-'42 de roman Drie getuigen, die hij als zijn eigenlijke literaire debuut beschouwde en die nog tijdens de bezettingsjaren onder de schuilnaam Menno van Haarsma gepubliceerd zou worden.

[p. 18]

Lubberhuizen, die van de Utrechtse uitgever Jaap Romijn gehoord had over het bestaan van Sjoerd Leiker, zocht hem in Haarlem op en vroeg hem mee te werken aan de verspreiding van de uitgaven van de Bij. Kort daarna verhuisde Leiker naar een onderduikadres aan de Rijnstraat in Amsterdam.

Ook met de dichter Halbo C. Kool (1907-'68) had Lubberhuizen veel contact. Deze was afkomstig uit Groningen en had in 1930 naam gemaakt met een bundel expressionistische poëzie onder de titel De tooverformule. In later jaren was Kool, die ook in zijn gedichten blijk gaf van sociale bewogenheid, als secretaris van de hoofdredacteur gaan werken bij het socialistische dagblad Het Volk. In de bezettingstijd deed hij veel aan illegaal werk. In 1944 zou hij een van de samenstellers worden van de befaamde bloemlezing uit de verzetspoëzie Het vrij Nederlandsch liedboek, die bij De Bezige Bij verscheen.

Met de hulp van al deze medewerkers en vrienden kon de actieradius van de uitgeverij steeds groter worden. Daartoe droeg ook bij dat het centrale punt van waaruit De Bezige Bij geleid werd, in het voorjaar van 1944 van Utrecht naar Amsterdam verplaatst werd. Lubberhuizen, die het kandidaatsdiploma in de chemie behaald had, had toen al besloten deze studie na de oorlog niet voort te zetten, maar te proberen de uitgeverij verder uit te bouwen. In april van dat jaar was hij getrouwd met de apothekers-assistente Willy van Reenen, met wie hij sinds tien jaar verloofd was.

In totaal zouden er tijdens de bezettingsjaren bij De Bezige Bij ruim zeventig titels verschijnen. Bekend werd vooral de ‘Quousque Tandem’-reeks, waarvan de naam herinnerde aan Cicero's legendarische uitval tegen Catilina: ‘Hoe lang nog zult gij...?’ In deze serie kwamen poëziebundels van Anton van Duinkerken, Maurits Mok en Hendrik de Vries uit, terwijl er verhalend proza in gepubliceerd werd van F. Bordewijk en R. Blijstra. Van A. Roland Holst verscheen in deze reeks het gedicht In memoriam Charles Edgar du Perron et Menno ter Braak. Een van de meest opvallende uitgaven buiten deze serie was de novelle w.a.-man van Theun de Vries, die in die tijd in het concentratiekamp Amersfoort gevangen zat.

De opbrengst van al deze uitgaven van De Bezige Bij was een bedrag van ongeveer achthonderdduizend gulden, dat grotendeels bestemd werd voor het doen onderduiken van joodse kinderen. Ook verscheidene schrijvers en toneelspelers die geweigerd hadden zich bij de Nederlandsche Kultuurkamer aan te melden, werden financieel ondersteund.

[p. 19]

Voorpost

In de loop van 1944 besprak Geert Lubberhuizen geregeld met Charles van Blommestein, Halbo Kool en Sjoerd Leiker de toekomst van de uitgeverij. Een vast thema in die gesprekken was het idee De Bezige Bij na de bevrijding heel anders op te zetten dan tot dusver bij uitgeverijen in Nederland gebruikelijk was geweest: daarbij leek een coöperatieve opzet, waarbij de auteurs ook invloed op het beleid van de directie zouden hebben, een aantrekkelijke mogelijkheid. Iedereen was er zich overigens wel van bewust dat zoiets op allerlei praktische moeilijkheden zou kunnen stuiten. Leiker, die al vóór de oorlog ervaring bij een uitgeverij had opgedaan, was bij het uitwerken van deze plannen uiterst actief.

Door dit alles geïnspireerd, kreeg hij in het voorjaar van 1944 ook het idee een literair tijdschrift op te richten. Voor Leiker was daarbij vooral de ‘doorbraak-gedachte’ van belang. Hij wilde - sterk gegrepen als hij was door de idealen van de illegaliteit waarin mensen uit allerlei kringen eendrachtig samenwerkten - de invloed van de verzuiling die vóór de oorlog ook het literaire leven in allerlei segmenten en sekten had opgedeeld, tegengaan en schrijvers met verschillende wereldbeschouwingen in één tijdschrift samenbrengen.

Hij sprak over dit plan met Geert Lubberhuizen, die er enthousiast op reageerde. Ook hij wilde aan de vooroorlogse hokjesgeest graag zo spoedig mogelijk een einde maken en bovendien realiseerde hij zich dat de oprichting van een eigen tijdschrift een uitgelezen kans zou bieden om een grotere groep schrijvers aan de nog zo jonge uitgeverij te binden.

Tijdens de gesprekken tussen Leiker en Lubberhuizen kwam ook de gedachte op om het tijdschrift voor zowel oudere als jongere schrijvers open te stellen. Hoe dat in het vat gegoten moest worden, bleef nog vaag. Wel werd met het idee gespeeld daartoe twee zelfstandige redacties aan te stellen.

Leiker vertelde in 1983 over het tijdschrift: ‘Voor dat blad heb ik de naam Voorpost bedacht. Als oud-militair vond ik dat een geschikte naam voor een literair tijdschrift.’2 Denkbaar is overigens dat Leiker ook op dat idee gebracht werd door een blad onder de naam Voorpost dat de jonge schrijvers A. Marja en Hanno van Wagenvoorde al in 1940 hadden willen oprichten en waarbij ook Anna Blaman betrokken was geweest.3

Leiker vertelde verder: ‘Geert Lubberhuizen met zijn grote liefde voor het mooi verzorgde boek vond dat Voorpost in een portefeuille moest worden uitgegeven. Dus losse rijmprenten op klein formaat en een novelle in fraai gebonden vorm. Daar is ook materiaal voor verzameld. Mijn voorstel was om helemaal geen schuilnamen meer te gebruiken, maar om die prenten en die boekjes die dan in zo'n portefeuille zouden zitten, anoniem te

[p. 20]

publiceren. Voorpost zou dus een verzameling losse teksten en boekjes worden.’

Afgesproken werd een werkgroep te vormen, die de publicatie van het blad voorbereiden zou. Leiker ging daartoe allereerst op zoek in eigen kring. Kort nadat hij het idee van een tijdschrift met Lubberhuizen besproken had, werden de dichters Jan H. de Groot, Han G. Hoekstra en Halbo C. Kool, die enkele maanden eerder Het vrij Nederlandsch liedboek samengesteld hadden, van het plan op de hoogte gesteld. Zij allen gingen met Leiker deel uitmaken van de werkgroep, die in de wandeling ook wel ‘redactie’ genoemd werd.

Intussen had Leiker eveneens contact gezocht met de jonge dichter Koos Schuur, die hij al eerder in Groningen ontmoet had.

Koos Schuur

Jacobus Geradus Schuur (1915-'95), die in dit hoofdstuk een belangrijke rol zal spelen, was afkomstig uit Veendam. Zijn grootvader dreef daar een boekhandel met leesbibliotheek en bezat bovendien een kleine drukkerij, waar hij door hem zelf geschreven boekjes vervaardigde. Na de dood van deze grootvader werd de boekhandel voortgezet door een oom, bij wie de jonge Koos Schuur elke dag wel een boek kwam lenen. In zijn ouderlijk huis zelf bestond overigens geen literaire belangstelling; zijn vader, die als fietsenhandelaar de kost verdiende, was vooral verknocht aan operettes.

In Veendam bezocht Schuur de hbs. Toen hij in de vijfde klas van die school zat, werd via een kennis van zijn oom een afspraak gemaakt met de iets jongere Theo Mooij (1917-'64), die in Winschoten woonde en later als de schrijver A. Marja bekend zou worden. Schuur vertelde hierover in 1983: ‘Op een zaterdag ben ik op de fiets naar Winschoten gegaan, naar de Openbare Leeszaal, en daar zat Marja.’4

Schuur, die halverwege de jaren dertig als journalist bij het dagblad De Noord-Ooster ging werken, zou Marja in die tijd geregeld in cafés in Groningen ontmoeten. Deze werkte als journalist bij het socialistische dagblad Het Volk. Via Marja kwam Schuur in die vooroorlogse jaren ook in contact met andere jonge schrijvers zoals Ferdinand Langen, Ab Visser, Max Dendermonde en Eddy Evenhuis. Ook ontmoette hij in Groningen de bijna twintig jaar oudere dichter Hendrik de Vries.

In 1938 werd van Koos Schuur het gedicht ‘De oude koning’ gepubliceerd in het tijdschrift Den Gulden Winckel, drie jaar later gevolgd door het gedicht ‘Besluiteloos sprookje’ in Criterium.

In 1942 nam Schuur bij De Noord-Ooster ontslag. In die tijd maakte hij

[p. 21]

deel uit van een verzetsgroep, die zich bezighield met het doorgeven van berichten en het opvangen van - uit vliegtuigen uitgeworpen - wapens. Omdat in deze groep een verrader binnengedrongen was en Schuur bang was in het kader van de Arbeitseinsatz naar Duitsland gestuurd te worden, besloot hij in augustus 1942 - hij was toen zesentwintig jaar - per fiets naar Amsterdam te vertrekken. Daar zou hij het grootste deel van de bezettingstijd blijven: wel logeerde hij van tijd tot tijd bij zijn ouders in Veendam.

In die jaren maakte Schuur vooral een romantische indruk: hij speelde graag de rol van een verbannen koning, die tot zijn verbazing in een van elke luister ontdane wereld terechtgekomen was. Daarbij kon hij zich tegenover vrienden opvallend gul en openhartig tonen. Tegelijkertijd was er een zekere stugheid in hem, die mensen van een andere geestelijke planeet afweerde.

Een van Schuurs eerste contacten in de hoofdstad was de directeur van uitgeverij Contact, Gilles Pieter de Neve. Schuurs oom, de boekhandelaar, had hem gevraagd bij deze uitgeverij boeken te bestellen: voor elke zending zou hij met een mud aardappelen betalen! Toen Schuur bij Contact langsging, maakte De Neve van de gelegenheid gebruik om hem te vragen een roman te schrijven. Hij zou daarvoor bij wijze van voorschot tien maanden lang honderd gulden krijgen.

In die tijd kwam Schuur in café Eylders dicht bij het Leidseplein Gerard den Brabander tegen, die hij al bij een vooroorlogs bezoek ontmoet had. Den Brabander stelde hem hierna voor aan Jan G. Elburg. Deze laatste - vier jaar jonger dan Schuur - woonde toen nog bij zijn ouders in de omgeving van de Amsterdamse haven. Kort daarna ging Elburg met de tekenares en illustratrice Lotte Ruting samenwonen.

Tussen Schuur en Elburg ontstond al snel een hechte vriendschap. Ze waren beiden geïnteresseerd in het werk van de Franse symbolisten en surrealisten, hoewel ze wel moeite hadden met het idioom van een dichter als Eluard. Ook hielden ze van de poëzie van Eliot. Tot hun favoriete Nederlandse dichters behoorden Gorter, Leopold, A. Roland Holst en Van Ostaijen. Daarentegen stond de poëzie van Greshoff, Du Perron en Hoornik bij hen minder hoog genoteerd.

Waren er literair dus duidelijke overeenkomsten, in politiek opzicht waren de beide vrienden erg verschillend. Terwijl Elburg een grote politieke en sociale belangstelling had - volgens Schuur voelde zijn vriend in die tijd meer voor het communisme dan voor het socialisme -, interesseerde Schuur zich totaal niet voor politiek. Schuur: ‘Dat was voor mij gewoon abacadabra, iets waar ik geen enkel begrip van had.’

Intussen was Schuur verliefd geworden op Pauky Bigot, die betrokken

[p. 22]



illustratie
Foto boven: Ferdinand Langen



illustratie
Foto rechts: Sjoerd Leiker



illustratie
Koos Schuur

[p. 23]

was bij het illegale werk: zij hielp mee bij het doen onderduiken en naar Engeland ontkomen van gestrande piloten. Sjoerd Leiker vertelde: ‘Pauky liep in die tijd in een zwarte leren jas en had altijd een pistool op zak.’

‘Ik heb hem niet ingewijd’

In mei 1944 kwam Koos Schuur op uitnodiging van Sjoerd Leiker, die hem dus al uit het Groningse kende, bij hem op bezoek. Leiker vertelde hem bij die gelegenheid over De Bezige Bij en probeerde hem over te halen een bundel verzen af te staan aan de uitgeverij.

Op 24 mei berichtte Leiker hierover aan Geert Lubberhuizen: ‘Van Koos Schuur kreeg ik een toezegging van copie voor De Bezige Bij. Ik heb Zondag, na je bezoek, meteen geschreven naar zijn ouders in Veendam. Hij was vanmorgen al hier. Helaas had hij een aantal tijdverzen, “de zeven vloeken” [,] juist verkocht. Die komen eerstdaags uit in een oplage van 110 ex. - Hij had echter nog meer werk klaar en zou daaruit een bundel samenstellen voor jou. Over een of twee weken zou hij die aan mij toesturen.’

Leiker schreef verder: ‘Ik heb hem niet ingewijd in “het bezige plan” - alleen maar gezegd, dat “de bezige bij” na den oorlog zal blijven bestaan.’5

Anderhalve maand later - de invasie had intussen plaatsgevonden en de tijd leek te dringen - hadden de plannen voor Voorpost al een meer concrete vorm aangenomen: er was zelfs iets als een soort redactievergadering gehouden.

Op 12 juli nodigde Sjoerd Leiker - onder zijn illegale naam Menno van Haarsma - Charles van Blommestein uit voor een bijeenkomst die enkele weken later bij hem thuis aan de Rijnstraat gehouden zou worden: ‘29 Juli a.s. spreekt bij ons Koos Schuur over “Het dichterschap en over zijn eigen werk”. Ik heb zelf erg veel verwachting van deze inleiding, omdat Koos Schuur na den oorlog zeer waarschijnlijk één van de belangrijkste jongeren zal blijken te zijn en omdat ik met Schuur, Elburg, Ferd. Langen, Evenhuis, Visser, Van Wagenvoorde enz. tot dezelfde constellatie behoor. Ik zou het dan ook erg op prijs stellen als jij deze bijeenkomst kunt bijwonen. - Geert zal je wel het een en ander hebben verteld van het tijdschrift. De eerste redactievergadering is m.i. zeer verhelderend geweest. Als ik me niet vergis krijgen we na den oorlog een groep activisten (Jacobijnen), 2 een groep, die vooroorlogsche tradities zal voortzetten en 3 een groep jongeren (bovengenoemd). Aangaande de laatste durf ik nog geen voorspellingen te wagen. Wat hun vormgevoel betreft zijn enkelen van hen min of meer neo-classisisten.’6

Intussen had Sjoerd Leiker ook het contact vernieuwd met een andere

[p. 24]

jonge schrijver die hij indertijd al in Groningen had leren kennen: de vijfentwintigjarige Ferdinand Langen. Omdat hij in dit hoofdstuk geregeld acte de présence zal geven, is het van belang ook aan zijn levensgeschiedenis aandacht te besteden.

Ferdinand Langen

Ferdinand Langen (schuilnaam van Egbertus Pannekoek) was in 1918 te Eenrum, een dorp ten noordwesten van Groningen, geboren. Kort daarna verhuisde het gezin naar Coevorden, waar Langen tot ongeveer zijn tiende jaar woonde, waarna de familie naar Groningen vertrok.

Langen kwam uit een gereformeerd milieu. Zijn vader werkte voor het Christelijk Nationaal Vakverbond en was maatschappelijk sterk bewogen. In Coevorden bestonden in die tijd nog erbarmelijke sociale toestanden: zo woonden er mensen in plaggenhutten. Langens vader, die wethouder voor de Antirevolutionaire Partij was, probeerde in hun situatie verbetering te brengen.

Bij Langen thuis werd veel over boeken gepraat. Al als kind begon hij verhalen te schrijven.

In Groningen bezocht bij de hbs. In die tijd las hij boeken van romantische auteurs als Arthur van Schendel en Aart van der Leeuw die erg bij hem in de smaak vielen. Nadat hij het hbs-diploma behaald had, ging hij zich - in verband met zijn plan aan de universiteit letteren te gaan studeren - op het staatsexamen voorbereiden.

Een van de jonge schrijvers met wie hij omging, was A. Marja. Hij vertelde in 1983: ‘Ofschoon ik wel wat moeilijkheden met Marja had, vond ik het toch wel een aardige man.’7 In 1938 publiceerde Langen zijn eerste verhaal in het protestants-christelijke tijdschrift Opwaartsche Wegen.

Met zijn vriend Ab Visser, die meubelmaker was, richtte hij kort daarna de Groningse kunstkring Het Drieluik op, waar gemusiceerd werd en lezingen en tentoonstellingen werden gehouden. Er stond een kapotte divan, die ‘de Zeedijk’ genoemd werd, omdat kunstenaars daar bij jonge, veelbelovende modellen inspiratie hoopten op te doen. Ook ontstonden er al snel hoog oplopende ruzies, waarbij vooral Marja voor de nodige opwinding zorgde.

Langen: ‘Marja schreef toen een briefje, dat hij geen lid meer wenste te zijn van een club waar op een beschaafde manier genökt werd - hij schreef dat woord met een o en een Umlaut -, maar het lullige was dat Marja dat briefje niet aan mij stuurde, maar aan mijn vader. Dus mijn vader kreeg dat briefje en las voor: “genookt”. Toen vroeg hij mij: “Wat is dat?” Ik zei toen:

[p. 25]

“Dat weet ik ook niet. Het zal wel een of ander Fries balspel zijn.” Dat waren altijd van die rotstreken van Marja. Naderhand moest je er erg om lachen, maar op zo'n moment is het vervelend.’ Op de achtergrond hiervan speelde dat Marja met zijn bewondering voor Ter Braak en Du Perron weinig moest hebben van de romantische levenshouding van Ferdinand Langen en Ab Visser.

In 1939 schreef Langen zich voor de studie Nederlands in aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam. Een van zijn hoogleraren werd Nico Donkersloot. Aan deze studie kwam overigens al in 1940 een einde.

In de bezettingstijd kwamen allerlei Groningse jongeren, zoals Ab Visser, Max Dendermonde en Hans Redeker, in Amsterdam wonen. Langen ontmoette daarnaast ook geregeld Ed. Hoornik en Bertus Aafjes. Van uitgever John Meulenhoff kreeg hij een maandelijkse toelage in ruil waarvoor hij hem een optie-recht op zijn manuscripten gaf.

Over zijn literaire voorkeuren in deze jaren vertelde Langen, die gemakkelijk contacten legde en ook zeker belangstelling voor sociale ontwikkelingen had: ‘In de oorlog had ik een typisch romantische instelling: het afwijzen van een vijandige buitenwereld en het scheppen van een andere wereld die geen band had met de realiteit, want die realiteit was in de oorlog niet te accepteren. Dus ik ging voor mezelf een andere wereld scheppen. En daarop sloten schrijvers als Aart van der Leeuw en vooral Roland Holst heel sterk aan en die invloed vind je dan ook in mijn eerste boeken.’

In het najaar van 1942 raakte Ferdinand Langen betrokken bij een plan dat tussen uitgeverij Elsevier en de jonge essayist Hanno van Wagenvoorde gesmeed werd tot uitgave van een klein literair maandblad na de bevrijding. De redactie van dat blad zou uit Langen, Schuur en Van Wagenvoorde bestaan. Daartoe werd op 27 november 1942 een contract opgesteld, dat door Schuur en Van Wagenvoorde ondertekend werd. Langen had er bezwaar tegen dat er geen voorschot betaald zou worden en voelde er daarom niet voor zijn handtekening onder de overeenkomst te plaatsen.

Op 23 januari 1943 stuurde Koos Schuur hem hierover een brief met als aanhef ‘waarde fred’. Hierin schreef hij: ‘ik zelf heb wèl geteekend, omdat ondanks de behandeling, die mij niet aanstaat, elsevier een uitgever blijft, waarbij het de moeite waard is een tijdschrift uit te geven.’

En verder: ‘ik zou graag met jou in de redactie zitten en zou je dus willen aanraden, deze zaak goed te overzien.’ Bij zijn naam onder aan de brief tekende Schuur een bloemetje: de speelse groet waarmee hij gewoonlijk zijn brieven besloot.8

In dezelfde periode ontstond bij Koos Schuur het plan tot uitgave van een prozabundel waarvoor ruim twintig jonge schrijvers die zich niet bij

[p. 26]



illustratie
Brief van Koos Schuur aan Ferdinand Langen

[p. 27]

de Nederlandsche Kultuurkamer aangemeld hadden, uitgenodigd zouden worden. Het was de bedoeling dat deze bundel pas na de bevrijding verschijnen zou. Op 12 februari 1943 stuurde Schuur hierover een uitvoerige brief aan Langen, waarin hij schreef: ‘de redactie, die de inzendingen beoordeelt, zal bestaan uit max dendermonde, ferdinand langen en koos schuur.

tenminste, wanneer jij geen bezwaar hebt, want dat is eigenlijk de reden, waarom ik je zulk een langen en uitvoerigen brief doe toekomen.’

En verder: ‘wil mij per omgaande mededeelen of jij bereid bent in de redactie te treden, de laatste week van deze maand kom ik nog even in het noorden en hoop je even te kunnen spreken.’9 De publicatie van deze bloemlezing zou overigens niet doorgaan.

Intussen had Langen het korte verhaal ‘Tussen bed en man’ geschreven, dat in 1942 in het literaire tijdschrift Criterium gepubliceerd werd. Verder schreef hij de novelle Achter slot en grendel, die in 1944 door De Bezige Bij clandestien uitgegeven zou worden.

Tijdens de bezettingsjaren werd Langens vader, die aan het illegale Trouw meewerkte, gearresteerd en naar het concentratiekamp Mauthausen gevoerd, waar hij om het leven kwam. Ferdinand Langen belandde evenals zijn moeder en zuster in de gevangenis, waaruit hij na twee maanden weer vrijgelaten werd. Pas kort na de bevrijding zou hij vernemen dat zijn vader niet meer terugkeren zou.

‘Het is misschien erg stout van mij’

Sjoerd Leiker zocht dus in de zomer van 1944 ook contact met Ferdinand Langen. Daarbij wilde hij hem vragen mee te werken aan het tijdschrift dat bij De Bezige Bij verschijnen zou. Hij probeerde daartoe trouwens ook bijdragen van Koos Schuur en Hanno van Wagenvoorde los te krijgen, die nog altijd het plan een eigen tijdschrift op te richten, in hun achterhoofd hadden.

Bij Leikers ontmoeting met Langen bleek dat deze een roman onder de titel Hélène in het heelal geschreven had, waarvan hij het recht op publicatie aan Meulenhoff had toegezegd. Leiker, gretig in de weer voor De Bezige Bij, bleek zo geïnteresseerd te zijn in deze roman, dat Langen hem het manuscript meegaf.

Kort daarna, op 13 juli, schreef Leiker aan Geert Lubberhuizen: ‘Bijgaand de jongste roman van Ferdinand Langen, afgestaan aan “De Bezige Bij”. Het boek is van Meulenhoff, die er geen bezwaar tegen heeft als er een bibliophiel-uitgave van komt in jullie fonds. - Ferdinand Langen wil graag weten of je kans ziet het spoedig, vóór het einde van de oorlog, uit [te] geven. Het is zijn eenige voorwaarde.’ Hélène in het heelal zou nog tijdens de oorlog

[p. 28]

gezet worden, maar pas na de bevrijding uitkomen. John Meulenhoff bleek bereid de rechten op dat boek aan De Bezige Bij over te dragen. Langen herinnert zich: ‘Vooral Geert Lubberhuizen was daar erg happy mee.’

Verder schreef Leiker in zijn brief aan Lubberhuizen: ‘Voor het tijdschrift verwacht ik deze week werk van verschillende jongeren, ook van Langen en Schuur. Van Hanno, die ook essayist is krijg ik vermoedelijk een hoofdstuk van zijn essay over het Vitalisme, dat bij Meulenhoff ligt.’

Leiker voegde hieraan toe: ‘De jongeren bovengenoemd vormen de redactie van een literair maandblad, dat na den oorlog bij Elsevier verschijnen zal. Het is misschien erg stout van mij, maar ik ben bezig die redactie uiteen te rafelen. Koos Schuur en Ferdinand zijn al gewonnen voor “De Bezige Bij” en zullen zich gemakkelijk bij het tijdschrift aan sluiten. Hanno, die meer moeite geeft, hoef ik, als hij alleen staat, niet meer te annexeeren. Die loopt dan vanzelf wel mee.’10

‘Ik had er hoofdpijn van’

Intussen liep de samenwerking in de werkgroep niet helemaal op rolletjes. Er ontstonden vooral meningsverschillen tussen Jan H. de Groot, die van protestantse afkomst was, en de socialist Halbo C. Kool. Sjoerd Leiker, die alles op alles zette om ook maar een begin van verzuiling tegen te gaan, was er vooral op uit de tegenstellingen tussen zijn mederedacteuren door verbale massage weg te nemen.

Met name het schrijven van de beginselverklaring leek een testcase voor de verdere samenwerking te worden. Na veel vijven en zessen besloot Leiker, die die klus op zich genomen had, zoveel mogelijk de (Halbo C.) Kool en de geit te sparen en alles zo neutraal mogelijk te houden. In 1983 vertelde hij over zijn behoedzame manoeuvres: ‘Ik heb een beginselverklaring voor het blad geschreven, waarin gesteld werd dat dit de voorloper was van een ander tijdschrift, dat dan na de oorlog zou uitkomen.’ Een tekst, waarmee hij zich inderdaad geen buil zou kunnen vallen.

Op 3 augustus 1944 meldde hij aan Geert Lubberhuizen: ‘Ingesloten de redactieverklaring. Ik heb er nog eens over nagedacht en meen, dat ik er niets meer aan toe mag en kan voegen om geen nieuwe onrust te verwekken in de schoot der redactie en misschien ook daarbuiten. Een dergelijke verklaring dient voor alles sober te zijn. Meen niet, dat hij zoomaar is ontstaan. Ik heb er op zitten broeden, ik had er hoofdpijn van. Met deze formuleeringen kunnen zowel Jan als Hal accoord gaan.’11 Met ‘Jan’ en ‘Hal’ werden uiteraard Jan de Groot en Halbo Kool bedoeld.

In deze periode nodigde Sjoerd Leiker ook Koos Schuur uit deel uit te

[p. 29]

maken van de werkgroep voor Voorpost. Schuur zegde hem dit wel toe, maar had er tegelijkertijd weinig zin in. Diep in zijn hart voelde hij er niet veel voor aan Leikers tijdschrift mee te werken, omdat hij niets zag in een samenwerking tussen jong en oud. Hij wilde liever in een blad publiceren dat uitsluitend voor jongere schrijvers zou openstaan. Met dat voor ogen was hij indertijd met het plan van Hanno van Wagenvoorde in zee gegaan. Ook Schuurs vriend Jan G. Elburg werd bij Leikers tijdschrift betrokken, maar veel om het lijf had dat niet.

Ook met deze nieuwe redactieleden tegen wil en dank werden de tegenstellingen in de werkgroep er niet minder op. Sjoerd Leiker raakte er steeds meer door teleurgesteld. Op 24 november schreef hij aan de andere leden van de groep een ‘memorandum’, waarin hij voor het gevaar waarschuwde ‘dat de redactie na de bevrijding uiteen zou vallen, wanneer de binding van de gemeenschappelijke strijd de onderlinge verschillen niet meer zal compenseren’.12

In verband met de meningsverschillen in de werkgroep werd daarna afgesproken dat Sjoerd Leiker, die immers het initiatief tot oprichting van Voorpost genomen had, voorlopig alleen de leiding over het tijdschrift zou krijgen, terwijl de andere leden van de groep slechts een adviserende stem zouden hebben.

Helaas, ook verder in de bezettingstijd zou het pad van het blad allerminst over rozen gaan. In december 1944 werd het eerste nummer van Voorpost vervaardigd en vanuit de clandestiene drukkerij van Fokke Tamminga in Den Haag met een zolderschuit naar Amsterdam verstuurd, maar de zending werd al in Leiden door de Duitse politie in beslag genomen.

Daarna werd een tweede editie gedrukt, maar daarmee ging het zo mogelijk nog slechter. Lubberhuizens biograaf Wim Wennekes schreef hierover in 1994: ‘[...] het zetsel van een tweede editie van nummer 1 belandde bij een politie-inval op de zetterij in de gracht.’13

Wel verscheen in april 1945 nog een bundeltje Gedichten, waarin vooral verzen die oorspronkelijk voor de eerste aflevering van Voorpost bestemd waren geweest, gepubliceerd werden. In zijn studie Het literaire tijdschrift Het Woord 1945-1949 (1987) heeft Siem Bakker de inhoud van dit nummer gereconstrueerd. Naast poëzie was er ook het verhaal ‘In het web van den tijd’ van Sjoerd Leiker in opgenomen.14

Een coöperatieve uitgeverij

Zoals we gezien hebben, werd er in de kring rond Geert Lubberhuizen over gedacht De Bezige Bij in de toekomst een coöperatieve opzet te geven. Lang-

[p. 30]

zamerhand werden de plannen daarvoor concreter. Uitgangspunt werd dat de schrijvers een grotere invloed op het beleid zouden krijgen dan bij een traditionele uitgeverij en dat ze bovendien zouden meedelen in de winst, terwijl de directie toch een beslissende stem zou houden. Zo zou tenminste iets van het idealisme uit de bezettingsjaren bewaard kunnen blijven.

In december 1944 werd tenslotte na veel discussies in kleine kring de coöperatieve uitgeverij De Bezige Bij - de enige ter wereld! - in het geheim opgericht. Het passeren van de notariële akte werd gadegeslagen door de bestuursleden Sjoerd Leiker (voorzitter), Halbo C. Kool (secretaris) en Henriëtte van Eyk (penningmeester).

Daarnaast was er het probleem van de officiële erkenning waarmee de uitgeverij na de bevrijding ongetwijfeld te maken zou krijgen. Geert Lubberhuizen noch Charles van Blommestein beschikte over het daarvoor benodigde uitgeversdiploma. Nu kende Van Blommestein Wim Schouten, die tijdens de bezettingsjaren bij de bekende boekhandel W.P. van Stockum & Zn in Den Haag werkte. Hij verkocht daar ‘onder de toonbank’ geregeld illegale uitgaven van De Bezige Bij, die hem door Van Blommestein geleverd waren.

De vijfentwintigjarige Schouten, die zowel over een boekhandels- als uitgeversdiploma beschikte, leek Van Blommestein een prettige en bekwame man om mee samen te werken en daarom ging hij in de laatste oorlogsmaand bij Schouten op bezoek om met hem over de toekomstplannen van De Bezige Bij te praten. Schouten was in die tijd ondergedoken bij zijn ouders in Amsterdam. Via Van Blommestein ontmoette hij kort daarna ook Geert Lubberhuizen. Deze nodigde hem uit tot de directie toe te treden, wat Schouten, die zijn vleugels wijder wilde uitslaan, graag deed.

De directie van de uitgeverij zou daarmee tot 1949 uit drie man bestaan: in dat jaar zou Charles van Blommestein naar Batavia vertrekken, waar hij directeur van de Wolters-vestiging werd.

Er zouden in de maanden na Schoutens benoeming in uitgeverskringen nog heftige en soms bittere discussies gevoerd worden over de vraag of het stichtingskapitaal van De Bezige Bij wel eerlijk verkregen was. Dat bleek tenslotte het geval, zodat begin september 1945 aan deze uitgeverij inderdaad een officiële erkenning verleend kon worden.

Vestdijk in voorpost?

In zijn Een vak vol boeken. Herinneringen aan veertig jaar leven in en om de uitgeverij (1988) vertelde Wim Schouten: ‘Geert Lubberhuizen had begin '45, ter voorbereiding van de na-oorlogse activiteiten, Koos Schuur, die toen

[p. 31]

in Amsterdam woonde, opgezocht. [...] Tijdens dat bezoek vroeg Geert aan Koos of hij redacteur van De Bezige Bij wilde worden.’15

Hierover deelde Sjoerd Leiker mee: ‘Omdat Nijhoff en ook anderen in die tijd van Koos Schuur als dichter veel verwachtten, lag het voor de hand dat hij betrokken werd bij de inner circle van De Bezige Bij en dat hij ook wat adviseurswerk ging doen. Ander werk had Schuur niet. Hij had geen baan. Daar zie je al het gunstige effect van een coöperatie, zoals De Bezige Bij was. We konden onmiddellijk een dichter in dienst nemen.’ Doordat hij redacteur van de Bij geworden was, raakte Schuur overigens van lieverlede meer bij de plannen voor Voorpost betrokken dan hem lief was.

Toen enkele maanden later, in de dagen rond de bevrijding, het pand van de nsb-uitgeverij Westland, gelegen op Herengracht 418 te Amsterdam, door de mensen van De Bezige Bij bezet werd, was Koos Schuur van de partij. Wim Schouten vertelde erover: ‘Het haardvuur rookte nog van de verbrande documenten. [...] Koos nestelde zich in een klein kamertje op de eerste verdieping en hielp ons onder andere door de stroom oorlogsdagboeken heen te komen, die de brievenbus vulde.’16 Behalve Koos Schuur werd in die periode ook Adriaan Morriën tot redacteur van De Bezige Bij gebombardeerd.

Intussen was het enthousiasme van Sjoerd Leiker, die de leiding over Voorpost op zich genomen had, danig bekoeld door de tegenstellingen in de werkgroep die de naoorlogse uitgave van dit tijdschrift voorbereiden zou. Bovendien wilde hij de komende tijd zelf boeken schrijven en daarvoor had hij - naast zijn functie als psychologisch beroepsadviseur - toch al weinig tijd. Hij zag daarom geen kans meer het werk voor Voorpost te blijven doen, waarna de directeuren van De Bezige Bij - bij gebrek aan een alternatief - besloten dat maar van hem over te nemen. Zij kenden door hun ondergrondse werk in de bezettingstijd veel schrijvers en hadden in jeugdige overmoed het gevoel dat ook dit hun wel lukken zou. Afgesproken werd dat de auteurs die van de werkgroep deel uitmaakten, hen nog wel zouden blijven adviseren.

In het optimisme van die dagen was het de bedoeling dat het eerste naoorlogse nummer van Voorpost al in juli verschijnen zou: misschien zou het daarmee alle andere literaire bladen de loef afsteken... Bovendien zou het blad in een oplage van maar liefst vijfduizend exemplaren gedrukt worden! Als ondertitel - ook niet mis - werd gekozen: ‘Algemeen literair cultureel maandblad’. Het blad zou zowel voor jongere als oudere schrijvers openstaan; intussen was wel van het idee van afzonderlijke redacties afgezien.

Bij dit alles was het van doorslaggevend belang zo snel mogelijk een papiertoewijzing te krijgen die in deze eerste naoorlogse periode alleen door

[p. 32]

het Militair Gezag verleend kon worden. Daartoe schreef Wim Schouten - met zijn uitgeefdiploma leek hij de aangewezen man om deze klus te klaren - op 14 juni een brief aan de Chef van het Militair Gezag aan het Leidsebosje in Amsterdam.

Een probleem daarbij was dat volgens het Tijdelijk Persbesluit dat in september 1944 door de regering in Londen uitgevaardigd was, na de bevrijding alleen vooroorlogse kranten en tijdschriften die vanaf begin 1943 niet meer verschenen waren, of ondergrondse bladen zouden mogen uitkomen. Op die regel konden overigens wel uitzonderingen worden gemaakt. Welnu, Voorpost was wel ondergronds geweest, maar in feite niet echt verschenen, zodat Schouten een beroep op de uitzonderingsbepaling zou moeten doen. Daarbij zou het van belang zijn vooral het illegale en ook unieke karakter van De Bezige Bij naar voren te brengen.

In zijn brief schreef hij: ‘Hierbij verzoeken wij U ons een vergunning te willen verstrekken voor het maandblad “Voorpost”, waarover de volgende bijzonderheden.

Tijdschrift voor Literatuur.
Formaat: Octavo Royal,
32 pagina's voorlopig.
Oplage: 5000 ex.
Maandschrift.’

Schouten voegde daar bij wijze van toelichting aan toe: ‘Wij hadden als illegale uitgeverij reeds lang voor de bevrijding vergevorderde plannen om dit maandschrift uit te geven. Helaas is dit ons door ingrijpen van de s.d. onmogelijk gemaakt.

Een belangrijke groep jonge auteurs ontbrak het, zowel in oorlogstijd als nu, aan publicatiemogelijkheid. Wij hadden ons daarom voorgesteld dat het tijdschrift tot spreekbuis zou kunnen worden en zo hun bijdrage zou kunnen inhouden tot de vernieuwing van [en] tegelijk wederopbouw van ons vaderland. Het lijkt ons noodzakelijk dat ook nu dit plan doorgezet wordt.

Dit houdt in dat “Voorpost” niet alleen een Literair Maandblad zou worden, maar dat het tevens belangrijke bijdragen zou bevatten op het gebied van cultuur-historie en kunst in uitgebreide zin. De redactie bestaat uit de volgende auteurs:

Sjoerd Leiker,
Halbo C. Kool,
Jan H. de Groot,
Koos Schuur.’
[p. 33]

Schouten vermeldde dus als redactie een viertal schrijvers, die in feite alleen adviseurs waren (Han G. Hoekstra was daarbij al afgevallen). Hij deed dit ongetwijfeld, omdat de kans op een papiertoewijzing uiterst klein zou zijn, als vermeld zou worden dat de uitgevers zelf voor de inhoud van het blad verantwoordelijk zouden zijn.

Hij schreef verder: ‘Wij menen dat wij als voorheen illegale uitgeverij, die zo vele schrijvers die niet bij de Kultuurkamer aangesloten waren, een bestaans- en publicatiemogelijkheid heeft verschaft, een moreel recht hebben om als eerste een nieuw literair maandblad uit te geven.

Wij verzoeken U dan ook onze aanvrage in ernstige overweging te willen nemen en vertrouwen dat wij spoedig een gunstig antwoord van U mogen ontvangen.’17

Intussen was de directie van de Bij tussen de bedrijven door druk bezig met de voorbereiding van de eerste aflevering. Gelukkig lag er het een en ander in portefeuille en ook waren er nog de bijdragen die in het clandestiene nummer van Voorpost verschenen waren en die de lezers niet hadden kunnen bereiken. Sommige van deze bijdragen leken nog wel geschikt. Duidelijk was overigens dat er ook nieuwe medewerkers moesten worden aangezocht.

Een van de schrijvers die daartoe benaderd werden, was Simon Vestdijk, die sinds halverwege de jaren dertig in de literaire wereld een groot prestige genoot. Op 14 juni - dezelfde dag waarop Wim Schouten het verzoek om een papiertoewijzing ingediend had - schreef Charles van Blommestein aan Vestdijk: ‘Zoojuist kom ik terug van een redactie-vergadering van het op te richten litteraire tijdschrift “Voorpost”. Naar aanleiding daarvan wilde ik Uw medewerking vragen.

Voorpost zal opgezet worden als een zeer ruim tijdschrift, waarin naast de letterkundige bijdragen de essay's een belangrijke plaats zullen innemen.’

Na verder meegedeeld te hebben dat er in het blad ook korte redactionele artikelen zouden worden opgenomen, een rubriek over belangrijke culturele gebeurtenissen, boekbesprekingen en een lijst van de meest opvallende uitgaven in de Engelse en Franse taal, schreef Van Blommestein: ‘U ziet dus, dat de bedoeling van dit tijdschrift is te trachten een grooter publiek te trekken dan vroeger de litteraire periodieken konden bereiken. Om dit doel te bereiken wordt getracht een interessanter inhoud te geven. Wij hebben ons hierbij eigenlijk eenigszins gericht naar het Zweedsche Bonniers Litteräre [Litterära] Magasin, dat ongeveer een dergelijke inhoud heeft en mede dank zij de prettige uitvoering een geweldig succes in de Scandinavische landen heeft.

In verband met de aanvrage om goedkeuring van dit plan bij het Mili-

[p. 34]



illustratie
Wim Schouten en Geert Lubberhuizen (de ‘terrible twins’)



illustratie
Foto onder: Charles van Blommestein

[p. 35]

tair Gezag, die reeds eenige dagen in zee is en zeer waarschijnlijk wel door zal komen, wilde ik U vragen of U geneigd zou zijn als medewerker te willen toetreden. Het liefst zagen wij uiteraard, dat U genegen zoudt zijn als vaste medewerker bijdragen in de vorm van essay's te willen leveren. Mocht U hiertegen, om een of andere reden bezwaar hebben, dan zouden wij het toch zeer op prijs stellen, wanneer U een artikel voor ons eerste nummer tot onze beschikking zoudt willen stellen.’18

Vijf dagen later, op 19 juni, antwoordde Vestdijk op een briefkaart vanuit Doorn: ‘Medewerker van Voorpost wil ik in beginsel graag worden, al kan ik nu nog niet zeggen in welke frequentie dit zal kunnen geschieden. Een essay voor het openingsno zal ik allicht wel kunnen schrijven. Geeft u mij t.z.t. maar op hoe lang en wat voor soort onderwerpen de voorkeur genieten. Alleen voor boekbesprekingen kunt u niet op mij rekenen; dat kost mij te veel tijd (het lezen n.l.).

Kunt u ook gedichten gebruiken? Dat hoor ik t.z.t. wel van u.’19

Intussen had de directie van de Bij besloten dat de hele eerste aflevering van Voorpost- in overeenstemming met de afkomst van de uitgeverij - gewijd zou zijn aan de illegaliteit en aan de schrijvers die tijdens de Duitse bezetting om het leven gekomen waren. Een van de auteurs aan wie aandacht besteed zou worden, was H. Marsman. Charles van Blommestein vroeg daarom Jan Engelman, die deze dichter goed gekend had, een essay over hem te schrijven.

Een tweede tijdschrift?

Terwijl de directie van De Bezige Bij niet alleen Vestdijk, maar ook andere, bij een breed publiek geliefde schrijvers tot medewerking aan Voorpost wilde uitnodigen - dat zou ongetwijfeld tot een grotere naamsbekendheid leiden en wellicht dus ook tot een ruimere lezerskring -, was niet iedereen daar enthousiast over. Vooral enkele adviseurs begonnen zich er zorgen over te maken dat deze literaire grootheden een te duidelijk stempel op Voorpost zouden drukken. Het blad zou daardoor immers minder aantrekkelijk voor jongeren worden.

In de kring rond de Bij begonnen halverwege juni dan ook de eerste kiemen te ontstaan van een plan om met liefst twee tijdschriften voor het voetlicht te treden: Voorpost, bestemd voor de meer gevestigde auteurs, en een ander tijdschrift, dat zich op de jonge generatie richten zou. Daarin zouden dan schrijvers kunnen publiceren die elkaar tijdens de bezettingsjaren hadden leren kennen, zoals Koos Schuur, Jan G. Elburg, Sjoerd Leiker, Ferdinand Langen, Ab Visser en de jonge dichter Niek Verhaagen.

[p. 36]

Sjoerd Leiker bracht dat plan bij de directie van de Bij ter sprake, die daarover op dat moment nog geen beslissing wilde nemen. Wel ontstond in die dagen bij die directie het idee dat Vestdijk, die bereid bleek medewerker van Voorpost te worden, er misschien ook wel voor te porren zou zijn in naam het hoofdredacteurschap van dat tijdschrift op zich te nemen. Daarmee zou het blad direct een enorme uitstraling krijgen! In dat geval zou de gedachte om daarnaast nog een jongerentijdschrift op te richten, een stuk aantrekkelijker worden.

Op 21 juni - kort na ontvangst van Vestdijks briefkaart waarin hij zijn medewerking aan Voorpost toegezegd had -, schreef Charles van Blommestein hem terug: ‘Zoodra wij een rijvergunning hebben, wat hopelijk deze week nog in orde komt, hoop ik U per auto te kunnen bezoeken [...].

Dat U wil medewerken aan “Voorpost” heeft ons met veel vreugde vervuld. De frequentie is uiteraard niet het allergrootste belang, wanneer U ongeveer vijf maal per jaar voor ons iets zoudt willen schrijven, is dit uiteraard al van zeer veel waarde voor ons. Ook Uw gedichten zullen wij zeer gaarne opnemen.’

Blommestein schreef verder: ‘Bijzonder gaarne zagen wij Uw medewerking in de vorm van essays van circa 1500 tot 3000 woorden voor de rubriek “Van de Boekenplank”, die wellicht in den vervolge de naam “Nabestelling” zal dragen.

Voor deze rubriek zagen wij ook het liefst Uw eerste bijdrage. In verband met het feit, dat het eerste nummer van “Voorpost” een verzets-karakter zal dragen, zouden wij U willen vragen of U dan voor ons een boek zoudt willen bespreken, dat, zij het uit een vorige periode, toch zeer wel in deze tijd past. Het hoeft geen Nederlandsch boek te zijn, maar om een voorbeeld te noemen, denk ik hier bijvoorbeeld een [aan] de Oranje-trilogie van Maurits Dekker. Ik laat overigens de keuze geheel aan U over.’

Hierna maakte Van Blommestein zich voorzichtig op bij Vestdijk de kwestie van het hoofdredacteurschap aan te snijden, maar het duurde nog wel even voordat het hoge woord eruit kwam: ‘Wat de leiding van het tijdschrift betreft nog het volgende, dat U ongetwijfeld zal interesseeren, vooral omdat ik daarmede ook nog een beroep op U zou willen doen. Oorspronkelijk, gedurende de bezetting zou eigenlijk ons eerste nummer al hebben moeten verschijnen, was het plan het tijdschrift onder redactie te plaatsen van een zestal auteurs w.o. Halbo C. Kool, Jan H. de Groot, Han G. Hoekstra, Sjoerd Leiker en Koos Schuur. Deze redactie was zoo gedacht in verband met het feit, dat het tijdschrift een algemeen karakter zou dragen.

Weldra bleek echter dat deze oplossing een zeer ongelukkige was. De meeningen van deze auteurs zou [zouden] te gemakkelijk in botsing kun-

[p. 37]

nen komen. Het plan werd toen zoodanig gewijzigd, dat Sjoerd Leiker de eenhoofdige leiding op zich zou nemen, terwijl de andere reeds genoemden als adviseurs zouden blijven optreden.

Na de bevrijding bleek echter dat de heer Leiker niet voldoende tijd vrij kon maken om de leiding op zich te nemen. Wij hebben toen besloten, dat wijzelf de practische werkzaamheden zouden voeren, waarbij wij zelf weer geadviseerd zouden worden door de reeds genoemde auteurs. Het ligt dus nu eigenlijk zoo, dat wij als directeuren van De Bezige Bij uiteraard veel contact hebben met verschillende schrijvers en dan mede gebruik kunnen maken van de connecties van de adviseurs. Aangezien wij toch zeer veel administratief werk opknappen, ligt dit zelfs eenigszins in onze lijn en wij kunnen er bovendien voldoende tijd aan besteden. Het eenige bezwaar is, dat wij onze naam niet als die van den hoofdredacteur kunnen noemen. Tevens zagen wij gaarne toch iemand, die uiteindelijk de copy voor het komende nummer even controleert. Wij wilden U thans vragen in naam de hoofdredactie op U te willen nemen. Dit wil dus zeggen, dat U er geen tijd aan hoeft te besteden, maar dat U circa twee weken voor het beginnen van de druk de geheele copy ter inzage krijgt, waar U uiteraard zeggenschap over hebt.

Wij hopen de copy voor het eerste nummer Zaterdag 30 Juni bijeen te hebben. De papiertoewijzing zal waarschijnlijk ook niet erg lang meer op zich laten wachten. Er zit dus al eenig schot in de zaak.’20

Klonk hierin een nogal optimistische toon, minder vrolijk was een brief die Sjoerd Leiker dezelfde 21ste juni aan Geert Lubberhuizen schreef. Hij was bezig geweest voor het tijdschrift kopij te verzamelen: ‘Van Halbo en Han G nog steeds niets ontvangen. Van Jan H. een klein mager boekbesprekinkje. Niemand heeft momenteel bepaald iets te zeggen. Er is niet veel animo.’

Verder schreef Leiker - kennelijk met een verwijzing naar de mogelijkheid van een tweede tijdschrift -: ‘De constellatie Ferdinand Langen, Ab Visser, Verhaagen, Koos etc., die een zekere verwantschapsbasis bezit, ligt mijzelf ook het meest. Deze menschen hoeven alleen maar even zich te gewennen aan een beetje regelmatig teamwerk. Dan ligt hun tijdschrift klaar.’21

Het Woord

Omdat enige haast geboden was - ook vanuit andere hoeken schenen er jongerenbladen in aantocht te zijn -, besloot de directie van de Bij nu met het oog op een tweede tijdschrift de knoop snel door te hakken. Omdat Sjoerd Leiker te weinig tijd had om redactioneel werk te doen en omdat

[p. 38]

voor Koos Schuur dat probleem niet telde, leek het verstandig met hem in zee te gaan: hij was immers al als redacteur aan de Bij verbonden.

Verder lag het voor de hand - naast Schuur als dichter - ook een prozaschrijver en een essayist voor de redactie uit te nodigen. Een essayist werd zo snel niet gevonden, maar als prozaschrijver leek Ferdinand Langen geschikt. Hij en Schuur kenden elkaar al vanuit Groningen en Langen was kort daarvoor van Meulenhoff naar de Bij overgestapt.

Over de samenstelling van de redactie voor het nieuwe tijdschrift vertelde Wim Schouten later: ‘Op een middag riepen Geert en ik Koos naar beneden en deelden hem mede, dat hij met Ferdinand Langen de redactie van een literair tijdschrift op zich moest nemen, alsof je als uitgever zomaar een redactie van een tijdschrift aan kunt stellen zonder enig vooroverleg. Onze gedachte was waarschijnlijk: je neemt een dichter en een prozaschrijver en klaar ben je. Op het gebied van het proza hadden wij weinig keus.’22

Schuur beloofde bij die gelegenheid aan Lubberhuizen en Schouten een inleiding voor het eerste nummer van het tijdschrift te zullen schrijven en zijn best te zullen doen bijdragen te verzamelen. Ook Langen bleek bereid redacteur te worden.

Het is niet helemaal duidelijk hoe Koos Schuur en Ferdinand Langen in die tijd tegenover elkaar gestaan hebben. In 1983 vertelde Schuur dat hij weinig verwantschap met zijn mederedacteur voelde. Dat kwam volgens hem, doordat deze uit een gereformeerd milieu kwam, terwijl Schuur zelf ongodsdienstig opgevoed was, hoewel hij samen met Marja tijdens kerkdiensten wel eens achter het orgel gezeten had. Langens proza werd door Schuur ‘een beetje eigenaardig’ genoemd: ‘een zeer speciaal, een beetje Henriëtte van Eyk-achtig proza’. Schuur deelde bij die gelegenheid ook mee dat hijzelf liever Jan Elburg als mederedacteur had gehad.

Wim Schouten, die in de loop der jaren intens bevriend met Schuur zou raken, schreef hierover in Een vak vol boeken: ‘Voor Koos Schuur was de naam Ferdinand Langen een teleurstelling. In het Groningen van voor de oorlog hadden zij elkaar leren kennen. Ferdinand had daar op een zolder van een huis een imitatie van de Amsterdamse kunstenaarssociëteit “De Kring” opgericht, waar na twaalf uur 's nachts nog een glas kon worden gedronken. De dichter Marja bezocht dat lokaal ook en was er een meester in de boel in het honderd te schoppen. Een duidelijk verschil van geaardheid tussen Ferdinand en Koos was in die tijd al boven water gekomen. Koos was de man van: alles mag en kan. Ferdinand was bij Koos overgekomen als de man van: hoe kan ik je een vlieg afvangen?’23

Aan de andere kant hebben we eerder in dit hoofdstuk gezien dat Koos Schuur begin 1943 aan Ferdinand Langen meedeelde dat hij ‘graag’ met hem

[p. 39]

in de redactie van een tijdschrift zou zitten dat bij Elsevier verschijnen zou. Ook vroeg hij Langen op eigen initiatief samen met hem en Max Dendermonde de inzendingen te beoordelen voor een na de oorlog te verschijnen prozabundel. Geen uitlatingen van iemand die er weinig voor voelt met een ander samen te werken! Wat natuurlijk heel goed kan, is dat na verloop van tijd de verschillen in mentaliteit en karakter duidelijker aan de oppervlakte kwamen.

Langen vertelde in 1983 over de eerste maanden van zijn samenwerking met Schuur: ‘Koos was een zeer gecompliceerde figuur. Vaak aarzelde hij om welke reden dan ook. Ik weet nog dat ik met hem op een Amsterdamse brug stond en dat hij tegen me zei: “Laten we dat met dat tijdschrift maar niet doen.” Ik moest hem dan weer oppeppen. Alle waardering verder voor Koos, maar hij was soms een nogal moeilijke man.’

Schuur en Langen werden het in die periode al snel eens over de richting waarin het tijdschrift zich zou moeten ontwikkelen. Er werd een programma opgesteld dat bij de romantische houding aansloot die zij beiden toen innamen en die voor een deel uit de oorlogssituatie voortkwam.

Langen: ‘Het was een soort neoromantiek dat ons voor ogen stond. In tegenstelling tot een tijdschrift als Podium, dat veel meer een voortzetting van Forum wilde zijn, was dit een tijdschrift dat een grote plaats gaf aan de verbeelding.’

Over de eerste activiteiten van de nieuwe redactie vertelde Schuur: ‘Toen zijn we begonnen. En kort daarna zei Ferdinand Langen: “Okay, verzamel maar poëzie. Ik zal wel proza verzamelen.” Het gekke is: we hebben daarover verder geen contact gehouden. Een echt gek begin.’

Nog in juni werd door Schuur de naam voor het nieuwe tijdschrift bedacht: Het Woord. In 1983 merkte hij daarover op: ‘Voor mij was de poëzie het belangrijkste. Nu, poëzie bestaat uit woorden, die apart gezet zijn. Ik bedacht: als wij ons blad Het Woord noemen, dan mogen anderen Podium, Criterium en noem maar op heten, maar Het Woord heeft meer met literatuur te maken dan die andere namen. Bovendien: er had in Duitsland, dacht ik, een tijdschrift bestaan dat Das Wort heette. Dat heeft er ook toe bijgedragen dat ik ons blad Het Woord wilde noemen.’

Er was overigens een kleine twintig jaar daarvoor in Den Haag al een tijdschrift verschenen dat Het Woord heette. Van dit blad waaraan vooral expressionistische schrijvers meewerkten, zijn maar vier nummers uitgekomen. Koos Schuur was hiervan in 1945 niet op de hoogte.24

Onmiddellijk nadat de naam bedacht was, werd er speciaal briefpapier voor Het Woord ontworpen en gedrukt. Daarmee was de nog zo jonge, niet eens erkende uitgeverij De Bezige Bij begonnen aan de voorbereiding voor

[p. 40]

maar liefst twee literaire tijdschriften. In uitgeverskringen zullen talloze wenkbrauwen gefronst zijn...

Vestdijk doet mee

Intussen had Simon Vestdijk nagedacht over het aanbod van Charles van Blommestein om hoofdredacteur van Voorpost te worden. Dat aanbod was voor hem in zoverre aantrekkelijk dat hij met zijn overvloedige literaire productie graag een vast afzetgebied had. Vóór de oorlog had hij dat gehad in het tijdschrift Groot Nederland, maar het was de vraag of dat blad na de bevrijding opnieuw verschijnen zou. Kort nadat Vestdijk in 1943 de redactie van Groot Nederland verlaten had - hij was intussen als gijzelaar in Sint-Michielsgestel opgesloten geweest -, was het blad immers onder nationaal-socialistische invloed geraakt en dat maakte de kans op een wederopstanding uiterst klein. Hij besloot daarom op het aanbod van De Bezige Bij in te gaan.

Op 27 juni, zes dagen nadat Charles van Blommestein zijn brief verstuurd had, schreef Vestdijk hem terug: ‘In beginsel wil ik gaarne de functie op mij nemen van hoofdredacteur van “Voorpost”. Het komt mij voor, dat ik daar ook wel enige tijd aan zal kunnen geven, vooral wanneer Groot-Nederland niet meer herleven zal, waar m.i. wel enige kans op is. Zoo zou ik mijn relaties kunnen uitbuiten, auteurs aanschrijven, voor bepaalde, aan éen onderwerp (b.v. een herdenking) gewijde nummers voorbereidend werk doen. Alles in overleg met het directorium natuurlijk. Als voorwaarde moet ik hierbij wèl stellen, dat ik geheel de handen vrij heb en niet in overleg hoef te treden, noch op enigerlei wijze rekening te houden met de door u genoemde auteurs, die trouwens, naar uw eigen woorden, slechts een adviserende stem zouden hebben, waar van mijn kant natuurlijk niets tegen is. Honorarium hoef ik niet te hebben; daarentegen zou het mij aangenaam zijn, wanneer copy van mij geregeld (dus wel iets vaker dan vijf maal per jaar) in het tijdschrift opgenomen wordt, ongeveer in dezelfde frequentie, waarin dit ook in Groot-Nederland geschiedde, en, indien mogelijk, ook een vervolgroman. Dit laatste hangt natuurlijk af van de beschikbare ruimte, maar de ervaring heeft geleerd, dat vervolgromans, mits de overige copy niet dooddrukkend, een extra attractie van een tijdschrift vormen (de lezer krijgt nu een roman cadeau, die hij niet meer hoeft te kopen). Dit kunnen wij t.z.t. dan wel overleggen. Hoofdzaak voor mij is een débouché25 voor mijn copy te hebben. Ik vermoed niet dat hiertegen bezwaren bestaan.’

Verder schreef hij: ‘Hierbij doe ik u reeds wat copy toekomen: drie gedichten en twee essays. Voor een boekbespreking voor het eerste nummer

[p. 41]

ontbreekt mij de tijd; in het algemeen zal ik daar ook in de toekomst weinig tijd aan kunnen geven, tenzij in bijzondere gevallen; zoo zijn er enkele schrijvers, vooral buitenlandsche, voor wie ik mij speciaal interesseer en wier boeken ik graag zou willen bespreken; wanneer ik geregeld de lijst van ingekomen boeken toegezonden krijg, zou ik daaruit een keuze kunnen doen. Maar ik heb iets anders voor het eerste nummer, n.l. de lezing over Kafka, die ik in Sint Michiels Gestel voor de gijzelaars hield. Het komt mij voor, dat dit veel lezers interesseeren zal, terwijl de inhoud in een “verzetsnummer” allerminst misstaan zal! Hopelijk is het niet te groot (4800 woorden ongeveer).

Ik hoor dan wel van u, en zie uw komst met belangstelling tegemoet.’26

De onvrede van Sjoerd Leiker

Leek alles tot dusver tamelijk voorspoedig te verlopen, begin juli pakten zich enkele donkere wolken aan de - op het eerste gezicht heldere - hemel samen. Op maandagavond 2 juli ontmoette Ferdinand Langen bij de schrijfster Emmy van Lokhorst thuis in Amsterdam zijn vroegere hoogleraar Nico Donkersloot, die in die tijd als functionaris aan het Militair Gezag verbonden was. Langen maakte toen van de gelegenheid gebruik om Donkersloot te polsen over de kans dat er voor Het Woord een papiervergunning verleend zou worden. Deze maakte daarop duidelijk dat het niet waarschijnlijk was dat De Bezige Bij behalve een vergunning voor Voorpost er ook een voor Het Woord krijgen zou.

De volgende avond, 3 juli, vond er een rumoerige vergadering plaats van de adviescommissie van Voorpost. Daarbij kwamen de spanningen die in dat gezelschap al een jaar lang gesluimerd hadden, tot een uitbarsting.

Een van de commissieleden die uitvoerig over zijn onvrede sprak, was Sjoerd Leiker. Dat gebeurde nadat hem gezegd was dat hij in de commissie vooral als een vertegenwoordiger van de protestanten beschouwd werd. In verband met de nagestreefde doorbraak-gedachte was dat niet zonder belang, maar Leiker voelde er niets voor bij de zonen van de Reformatie te worden ingedeeld.

Op de achtergrond hiervan speelde dat hij teleurgesteld was over de hele situatie rond de twee tijdschriften. Het door hemzelf bedachte Voorpost, dat bedoeld was om vernieuwing te brengen, zou zich nu onder leiding van Simon Vestdijk vooral op oudere, gevestigde schrijvers richten, terwijl het de bedoeling was dat de jongeren zich zouden verzamelen rondom Het Woord, dat wèl vernieuwing beloofde. De ironie van het geval wilde bovendien dat dit blad onder redactie kwam te staan van Koos Schuur en Fer-

[p. 42]

dinand Langen, schrijvers die een jaar eerder nog deel uitmaakten van de redactie van het tijdschrift dat bij Elsevier verschijnen zou: een redactie die door Leiker met zoveel voldoening ‘uiteengerafeld’ was. De druiven waren met dit alles voor Leiker wel erg zuur.

Daar kwam bij dat hij diep in zijn hart een lichte wrevel voelde over de gretigheid waarmee de directie van de Bij geprobeerd had een grote naam - Vestdijk - aan Voorpost te verbinden. Leiker, die toch al bang was dat het aanvankelijke idealisme bij de Bij snel door commerciële belangen verdrongen zou worden, zag hierin een veeg teken. Tijdens de vergadering op 3 juli liet hij weten dat hij zich niet thuis voelde in een blad dat onder leiding van Vestdijk verschijnen zou.

Zijn onvrede werd tijdens de vergadering niet weggenomen, integendeel. De volgende dag, 4 juli, schreef hij aan Geert Lubberhuizen en Charles van Blommestein - met een verwijzing naar ‘Rein’, met wie waarschijnlijk de schrijver en journalist Rein Blijstra, een van de relaties uit de kring van de Bij, bedoeld werd -: ‘Hoewel ik destijds zelf het plan voor het verschijnen van voorpost geopperd heb en ook met de naam naar voren gekomen ben en daarom nog altijd bij het afstaan van copie wil overwegen om de voorkeur te geven aan Vp, lijkt het me in de huidige situatie toch beter af te zien van een plaats in de commissie van advies. Vooral het feit dat Rein en Halbo mij, zij het dan ook louter uit noodzaak om de posities te verdeelen, samen met Jan H. als vertegenwoordiger van een voormalige protestantsche groep beschouwen heeft den doorslag gegeven tot dit besluit. Jan H. is voor deze groep ongetwijfeld representatief[,] ik ben dat niet en wil ook niet den indruk wekken dit te zijn. Integendeel. Bij mijn aanvankelijke opzet van een eenheid van tegendeelen in Vp hield ik misschien te weinig rekening met mijzelf, m'n persoonlijke literaire geaardheid en de identificatie met een groep en vertrouwde wellicht te veel op de mogelijkheden van samenwerking, die ik zag en nog wel zie in de bb.’

Verder deelde Leiker mee dat hij ook wilde aftreden als voorzitter van het voorlopig bestuur van De Bezige Bij. Dit omdat hij het gevoel had onvoldoende op de hoogte te zijn van wat er bij de uitgeverij gebeurde.27

Ook Han G. Hoekstra besloot zich na de vergadering van 3 juli definitief uit de adviescommissie voor Voorpost terug te trekken. Hij was overigens veel minder dan Leiker bij de voorbereidingen voor dit tijdschrift betrokken geweest.

Dezelfde dag, 4 juli, waarop Sjoerd Leiker zijn brief schreef, reisde Charles van Blommestein naar Doorn, waar hij Simon Vestdijk bezocht om daar met hem de verdere details van diens hoofdredacteurschap te bespreken. Daarbij zou hij Vestdijk duidelijk moeten maken dat deze niet helemaal op

[p. 43]

eigen houtje zou kunnen opereren, maar dat hij ook rekening zou moeten houden met de keuze uit de kopij die door de adviseurs van de Bij gemaakt was. Bovendien kreeg Van Blommestein de delicate opdracht mee Vestdijk in zijn enthousiasme iets af te remmen, zodat er niet al te veel bijdragen van hem in Voorpost verschijnen zouden.

Na terugkeer uit Doorn kreeg Charles van Blommestein de brief van Sjoerd Leiker onder ogen, waarna hij besloot hem onmiddellijk terug te schrijven: ‘Niet geheel tot mijn verbazing, maar wel tot mijn groote teleurstelling en spijt ontving ik zoojuist je brief. Dat juist jij, zooals jezelf zegt de opperaar van het plan voor Voorpost en [die] de keuze van de naam hebt gemaakt, je nu wilt terug trekken, terwijl [...] jij juist als een jongere prozaïst mijn inziens geheel in deze advies-commissie thuis behoort, doet het mij leed je eventueel te zien vertrekken.

Ik doe dan hierbij nog een dringend beroep op je om ons hier niet te verlaten. Wij mogen dan samen wel eens van meening verschillen op litterair gebied, m.i. is dit juist een stimulans tot het geven van grootere prestaties aan beide zijden.

In vervolge op deze kwestie ten aanzien van Voorpost wilde ik je tevens mededeelen, dat ik vandaag bij S. Vestdijk ben geweest, waar ik een volledige overeenstemming kon bereiken in de geest zooals jullie die mij gisterenavond hadden medegedeeld. Jouw opinie, dat jij niet zou kunnen schrijven in een tijdschrift, waar Vestdijk aan het hoofd staat is mijns inziens onjuist. Wij hebben vandaag nog over de advies-commissie gesproken, waarbij hij in het geheel geen bezwaren maakte tegen de samenstelling, integendeel, deze direct goedkeurde. Er is dus geen sprake van dat jij je niet “in dit milieu thuis zou voelen”. Waar zou ìk dan moeten blijven?’28

Dezelfde dag, 4 juli, schreef Charles van Blommestein ook een brief aan Jan H. de Groot: ‘Na de rumoerige advies-commissie-vergadering van gisterenavond heb ik vanochtend mijn biezen gepakt en ben naar Doorn vertrokken, waar ik met Vestdijk over Voorpost uitvoerig heb gesproken.

Het resultaat was verbluffend! We hebben letterlijk in alles succes gehad. Het is geheel zooals de vergadering gisteren heeft besloten. Vestdijk blijft hoofdredacteur. Wij met zijn allen maken het tijdschrift en ik ga daarmee eens per nummer naar Doorn en bespreek met hem de heele zaak. Hij zal niet meer dan 9 maal in Voorpost per jaar schrijven, behalve eventueel in kroniekjes en boekbesprekingen. Hij zal geen bijdragen door ons bijeengehaald verwerpen evenmin als wij dat uiteraard met die van hem zullen doen (die hij dus verzamelde), want hij en wij kunnen er van op aan dat dat geen slecht werk zal zijn. Groot Nederland zal niet onder zijn redactie herrijzen, als het herrijst. Dus de zaak is zoo gezond als een visch.

[p. 44]

Het is echter jammer dat zoowel Han g als Sjoerd thans hebben bedankt voor een plaats in de advies-commissie. Sjoerd heb ik uitdrukkelijk gevraagd om er bij te blijven.’29

Na ontvangst van de brief van Charles van Blommestein besloot Sjoerd Leiker nog niet definitief uit de adviescommissie te stappen. Op 6 juli antwoordde hij hem: ‘Het is niet mijn bedoeling jullie in de steek te laten. Integendeel. Als ik de commissie en het voorzitterschap er aan geef kan ik me deste [des te] beter en te rustiger wijden aan m'n werk, waaraan jullie, hoop ik, in de toekomst meer zullen kunnen hebben dan aan mijn adviezen. Ik raak nu langzamerhand weer aan het schrijven en moet, dat is nu eenmaal de voorwaarde bij dit eenzelvig werk, zooveel mogelijk alle hindernissen uitschakelen. Zelfs de Psychotechniek zou ik er graag aan geven als ik ergens conservator kon worden van een klein museum of als ik de zekerheid had dat ik zonder baantje rond kan komen. Ik moet m'n handen zooveel mogelijk vrij hebben.

Wat de commissie betreft: Als ook Vestdijk er prijs op stelt dat ik mee blijf doen aan de adviescommissie wil ik wel aan blijven. Als dat niet het geval is of wanneer hij meent hierover geen beslissing te kunnen nemen o.a. om het feit dat hij mogelijk mijn werk niet kent, lijkt mij de verhouding vrij zinneloos. Dan ben ik veel liever medewerker. Ik stuur mijn bijdragen dan naar Vestdijk ter beoordeeling, want hij is per slot prozaist [prozaïst]. De andere commissieleden zijn dichters.’30

Ook als voorzitter van De Bezige Bij zou Leiker overigens nog aanblijven. Eerst in de zomer van 1946 zou hij door Victor E. van Vriesland worden opgevolgd.31

Hoe aan papier te komen?

Intussen keek Ferdinand Langen met weinig voldoening terug op zijn gesprek op maandagavond 2 juli met Nico Donkersloot over de kans dat Het Woord een papiertoewijzing zou krijgen. Hij besloot daarom per brief zijn argumenten nog eens op een rij te zetten. Op 4 juli schreef hij hem: ‘In aansluiting op het korte gesprek, dat ik eergisteravond met U had ten huize van Emmy van Lokhorst over het tijdschrift het woord, wil ik U gaarne, ook namens mijn mede-redacteur Koos Schuur, nog op het volgende wijzen.

De opmerking, die U maakte, dat de uitgeverij de bezige bij geen vergunning zal krijgen twee tijdschriften te laten verschijnen, lijkt mij, achteraf gezien[,] wel heel vreemd. Immers de activiteit van een uitgever en de som van het aantal plannen, dat hij heeft, kàn toch nimmer een maatstaf zijn voor het verstrekken van vergunningen. Die maatstaf ligt m.i. alleen bij de

[p. 45]

urgentie van hetgeen hij van plan is uit te geven. Bovendien, wanneer de papiersituatie in ons land het instellen van vergunningen noodzakelijk heeft gemaakt, en dat neem ik aan, dan is het toch ook in het geheel niet belangrijk, wààr de tijdschriften zullen verschijnen, alleen wèlke er zullen uitkomen. En wanneer wij van de aard en het actuele belang van een uitgave de vergunning laten afhangen (m.i. de enige juiste methode), dan zijn er toch wel zeer geldende redenen voor ons om U te verzoeken alles wat in Uw mogelijkheid ligt aan te wenden, om de toestemming voor het verschijnen van het tijdschrift het woord te verkrijgen. Immers, dat tijdschrift, waaraan zich reeds veel auteurs hebben verbonden, zal de neerslag zijn van de nieuwe gedachten en ideeën, die tijdens en ten gevolge van den oorlog ook in de Nederlandse literatuur zijn ontstaan. Nieuwe gedachten en ideeën, die de enige mogelijkheid zijn, om de Nederlandse literatuur uit de huidige impasse te redden, de schrijvers te stimuleren en het gevoel van onzekerheid, dat zich op het oogenblik van hen meester heeft gemaakt, weg te nemen. Dat is zeer in het kort de taak, die het tijdschrift het woord op zich heeft genomen. Wij zijn ervan overtuigd, dat wij daarmede een belangrijke en positieve bijdrage leveren tot de heropbouw van onze letterkunde en de Nederlandse cultuur in het algemeen. Een vergunning voor dit tijdschrift is dan ook niet zozeer een belang van uitgever, redactie of schrijvers alleen, maar tevens van het gehele culturele en geestelijke leven in ons land. Immers, waarom krijgt het Nederlandse volk wel kennis van de nieuwe stromingen, die er op het politieke, economische en andere terreinen zijn ontstaan, en niet van de stromingen, die daarmee corresponderen in de literatuur en andere kunsten? Acht U dat laatste niet van evengroot belang?’

Langen besloot: ‘Wij blijven altijd bereid, U alle inlichtingen te geven over het tijdschrift het woord, die U maar wenst, en hopen intussen, dat het U mag gelukken, een voor ons gunstige beschikking te verkrijgen, waarvoor wij U reeds bij voorbaat ten zeerste danken.’32

Was Langen er in zijn brief aan Donkersloot kennelijk nog van uitgegaan dat er in ieder geval wel toestemming voor het verschijnen van Voorpost zou komen, kort daarna bleek dat zelfs dit helemaal niet zo zeker was. Op dezelfde 4de juli waarop Langen zijn brief geschreven had, berichtte majoor J. Sikkema van het Militair Gezag aan De Bezige Bij ‘dat wij voorlopig geen toestemming kunnen geven tot het verschijnen van het literaire maandblad Voorpost. Het k.b., 5 Sept. 1944 e 69 laat nieuwe creaties, in welken vorm dan ook, niet toe.’33

De teleurstelling was groot: niemand bij De Bezige Bij had verwacht dat het Militair Gezag zich zo formeel zou opstellen en een papiervergunning weigeren zou. Bovendien: in dat persbesluit was toch rekening gehouden

[p. 46]

met de mogelijkheid een uitzondering te maken? Zou de Bij met haar vlekkeloze illegale reputatie daar geen recht op hebben? Daar kwam verder nog bij dat hier toestemming gevraagd was voor nog maar één literair blad, terwijl er twee in de maak waren! Alle tijdschriftplannen kwamen ineens op losse schroeven te staan.

De gedachte komt op dat deze beslissing van het Militair Gezag een manier was om de vroegere illegaliteit een toontje lager te laten zingen. Die gedachte werd in die dagen ook in de kring van de Bij uitgesproken en zorgde daar voor een begrijpelijke verbittering. Mede door dit soort manoeuvres heeft al kort na de bevrijding vooral bij de vroegere ondergrondse werkers het idee post gevat dat het establishment al weer bezig was zijn vooroorlogse posities te heroveren.

Hoe het ook zij: nadat de brief van het Militair Gezag door de brievenbus gevallen was, werd besloten snel verdere actie te ondernemen. Eerst zou er weer een brief aan het Militair Gezag gestuurd worden, waarna - als dat opnieuw niets opleverde - Geert Lubberhuizen altijd nog persoonlijk met majoor Sikkema of zelfs met de minister van Onderwijs, de bekende godsdienstfenomenoloog dr. Gerardus van der Leeuw, kon gaan praten. Het uitgangspunt bleef dat er geprobeerd zou worden toestemming te krijgen voor twee tijdschriften.

Op 8 juli, enkele dagen na de ontvangst van Sikkema's brief, schreef Lubberhuizen aan de sectie Pers en Papier van het Militair Gezag dat Voorpost niet als ‘nieuwe creatie’ mocht worden betiteld, omdat het blad al in de bezettingstijd bestond, ook al had het door de Duitse maatregelen de lezers niet kunnen bereiken.34

Lubberhuizen schreef in deze brief in één moeite door ook over Het Woord dat het tijdschrift zou worden ‘van de generatie die in de oorlog mondig was geworden’.35

Twee bladen op zoek naar medewerkers

Intussen waren de directeuren van de Bij begonnen bijdragen voor Voorpost te verzamelen. We hebben al gezien dat Charles van Blommestein aan de Utrechtse dichter en essayist Jan Engelman een essay over Marsman vroeg. Op 8 juli stuurde Engelman hem dat: ‘Hierbij het artikel - ik hoop dat het geschikt is. Krijg ik zelf de drukproeven te corrigeeren en zend je mij 2 afleveringen toe?’36

Na ontvangst hiervan berichtte Charles van Blommestein hem op 10 juli: ‘Hierbij een berichtje dat ik je artikel in goede orde ontvangen heb. We zijn er zeer tevreden over en hopen het indien eenigszins mogelijk [...] in het

[p. 47]

eerste nummer te plaatsen. Dit eerste nummer is namelijk in principe bedoeld als een nummer gewijd aan het verzet. Ik hoop nog een essay over verzetslitteratuur te ontvangen. Mocht dat onverhoopt niet komen, dan wilde ik jouw essay plaatsen. Ga je er anders mee accoord, dat ik het tot een volgend nummer laat overstaan.’37

Intussen had Geert Lubberhuizen op 9 juli aan de dichter Hendrik de Vries in Groningen geschreven: ‘Het is al weer lang geleden, dat U iets van ons gehoord hebt. Van bevriende zijde vernamen wij, dat U het goed maakt en dat U evenals wij heelhuids den oorlog is doorgekomen.’

Hierna vroeg Lubberhuizen aan De Vries hem tijdverzen van zijn hand toe te sturen ter publicatie in een bloemlezing die aan verzetspoëzie gewijd zou zijn. Verder schreef hij: ‘In de tweede plaats zouden wij gaarne enkele tijdverzen van U willen plaatsen in het litteraire tijdschrift “Voorpost”, dat bij ons hopenlijk spoedig zal verschijnen.’38

Van hun kant gingen ook Koos Schuur en Ferdinand Langen voor hun tijdschrift aan de slag. Dat deden ze allereerst in hun eigen vriendenkring. Zo vroeg Schuur zijn boezemvriend Jan Elburg en ook Bert Voeten, in wiens huis aan de Kloveniersburgwal hij in die tijd geregeld op bezoek kwam, mee te werken.

Daarnaast nam Schuur - ook op aandringen van Geert Lubberhuizen en Wim Schouten, die hoopten dat vooral veel jongeren in het nieuwe blad publiceren zouden - contact op met de Podium-groep in Leeuwarden. Voor Ferdinand Langen en voor hemzelf was daarbij een belangrijk punt dat deze jonge schrijvers ook uit Noord-Nederland kwamen.

De ideeën over literatuur die bij de Podium-groep - en vooral bij de belangrijkste vertegenwoordiger ervan: de dichter en essayist Fokke Sierksma - leefden, waren hun beiden waarschijnlijk nauwelijks bekend. Deze ideeën waren met veel nadruk uiteengezet in een essay, dat ‘Doelstelling’ heette en dat door Frank Wilders (Fokke Sierksma) begin juni 1945 in Podium gepubliceerd was: hierin was een hartstochtelijk pleidooi gehouden voor meer engagement in de literatuur. Schuur merkte hierover in 1983 op: ‘Ik betwijfel of ik dat gelezen had, want in dat geval zou ik wel geaarzeld hebben.’

Op 5 juli schreef Schuur - ook namens Langen - aan de redactie van Podium, dat zij beiden ‘bij de bovengedoken uitgeverij de bezige bij’ een tijdschrift, genaamd Het Woord, wilden uitgeven, ‘dat de moeilijke taak voor den boeg heeft, de nieuwe Nederlandse letterkunde te vertegenwoordigen en de ideën [ideeën] van de huidige jonge generatie van dichters en schrijvers, die in den afgelopen oorlog mondig werden, onder de ogen van het publiek te brengen.’

Schuur vervolgde: ‘Dit plan bestaat reeds sedert 1942 en de redactie van

[p. 48]

het woord heeft gedurende de bezetting dan ook met belangstelling kennis genomen van de weinige ondergrondse tijdschriften, die voor het merendeel gevuld werden met werk van in de letterkunde volkomen onbekende personen. De meeste sympathie ontstond bij hen voor het tijdschrift podium en - moge dit voor een gering deel zijn oorsprong vinden in het feit, dat beide redactieleden Groningers zijn en een onbepaalde verwantschap voelen met alles wat Noord-Nederlands is - voor het allergrootste deel is de oorzaak: de wijze waarop de redactie van podium zich van haar taak kweet, het werk dat zijzelf publiceerde en de ideën die zij naar voren bracht.’

En verder: ‘Dit alles tezamen genomen heeft ons doen besluiten, de redactie van podium als eerste en voorlopig zeker als enige uit te nodigen met ons tot een nauwere samenwerking te komen.’

Over de manier waarop die samenwerking vorm zou kunnen krijgen, schreef Schuur tenslotte: ‘Blijft podium voortbestaan, dan zal het woord natuurlijk een bijzondere voorkeur hechten aan de medewerking van de podium-redactie en -medewerkers. Blijkt de podium-redactie evenwel, dat de belangstelling voor haar plannen niet groot genoeg is om deze te verwezenlijken, dan brengen wij het plan tot een fusie naar voren.’39

Vier dagen later, op 9 juli, vroeg Koos Schuur ook zijn vriend, de vijfendertigjarige classicus Barend Rijdes (1910-'75), die in Haarlem woonde, aan Het Woord mee te werken. Hij schreef hem: ‘het woord zal het maandblad moeten worden voor “onze generatie” (als ik het zoo mag zeggen): niek verhaagen, ab visser, eddy evenhuis, sjoerd leiker, jan g elburg en jij en wij twee40 voorlopig als kerngroep bijvoorbeeld. Je kunt op het ogenblik niet in drie tellen uitmaken, wie tot deze nieuwe groep zullen behoren. Voorloopig hebben wij een tweehoofdige redactie gekozen, omdat de derde man slechtvindbaar is; het moet een bekwaam essayist zijn en van onze leeftijd en groep. Zoo'n man is niet snel te vinden en zal later bij de redactie worden gevoegd. Doel en streven is: de nieuwe ideeën, die tijdens den oorlog ontstaan zijn, en datgenen, wat ons verbindt, naar voren te brengen en een stimulans te zijn voor het streven naar een grootschere en meer bezielde kunst, die zich niet doodstaart op het detail, maar het kunstwerk als groote compositie ziet; een poging om los te komen uit het nederlandsche provincialisme.’

Schuur schreef verder: ‘[...] Ons verschil met de veertigjarigen is tè groot om thans nog onder hun vleugels te staan of arm in arm met hen op te trekken, vooral met niet te groote afkeuring voor hun werk. Het is thans den tijd in de literatuur nieuwe consignes uit te geven. Wij zijn tenslotte vijf jaren voorbij 1940 en dat wordt over het algemeen tezeer en onbewust ver-

[p. 49]

geten. De ons volgende generatie is zich notabene reeds aan het roeren.’41 Schuur vroeg Rijdes hierna of hij een novelle en gedichten wilde insturen ter publicatie in Het Woord.

Twee dagen later, 11 juli, antwoordde de redactiesecretaris van Podium, Gerrit Meinsma, dat hij met genoegen van Schuurs voorstel tot samenwerking kennis genomen had: ‘Was niet “De Bezige Bij” immers ook voor ons Noorderlingen het ideaal van een synthese tussen illegaliteit en cultuur?’ Bovendien had het geen zin literair Nederland willekeurig te ‘versnipperen’. Meinsma stemde dan ook met een gesprek over samenwerking in.42

Intussen had Ferdinand Langen de jonge dichter en essayist Hans Redeker, die hij in Groningen had leren kennen, uitgenodigd voor het eerste nummer van Het Woord een beschouwing te schrijven over de na-oorlogse situatie van de literatuur. Op 11 juli antwoordde Redeker hem: ‘Hartelijk dank voor brief en uitnoodiging, waar ik graag op in ga. Het is nu de 11de zoodat ik het artikel zeker op tijd klaar krijg. De opzet van het tijdschrift lokt mij erg aan en ik ben benieuwd hoe het verder zal uitvallen. Er wordt m.i. op het oogenblik teveel gelegenheid voorbijgegaan om dieper op de achtergronden der actueele problemen in te gaan, waarschijnlijk uit angst heilige huisjes te treffen en de toch al scherpe contrasten nog te verscherpen. Toch is een duurzamer eenheid alleen te bereiken door de bestaande tegenstellingen tot op de wortel toe te onderzoeken. Enfin, genoeg woorden daarover; nu de daad. Ik hoop je dus binnenkort een passend essay toe te sturen, litterair en actueel van onderwerp, waarin de tegenwoordige positie van de letterkunde op haar mogelijkheden wordt getoetst. Een soort rechtvaardiging dus ook van het tijdschrift, zooals ik deze uit jouw woorden begrepen heb.’ Het essay waarover Redeker schreef, was ‘Poëtisch perspectief’, dat in het eerste nummer van Het Woord gepubliceerd zou worden.

Redeker merkte verder op - met een verwijzing naar zijn vrouw Gretel, die balletdanseres was -: ‘Graag zal ik ook eens wat nader contact verkrijgen. Binnen niet al te lange tijd verdwijnen ook wij naar Amsterdam, zoodra er woonmogelijkheid voor ons is, en Gretel ruimte voor een school heeft, die ze daar gaat openen. Maar vooreerst zit ik nog tot mijn ooren toe in het werk, waarbij vooral ook artikelen in het Engelsch voor Engelsche dans-vaktijdschriften me veel hoofdbreken [hoofdbrekens] kosten.’43

Het einde van Voorpost

Intussen bestond er al enkele weken het plan een algemene ledenvergadering te houden van alle auteurs die bij De Bezige Bij betrokken waren. De bedoeling hiervan was vooral de coöperatieve gedachte achter de uitgeverij

[p. 50]

nader toe te lichten en verder allerlei lopende zaken te bespreken. Het zou de eerste ledenvergadering uit de geschiedenis van de Bij worden.

Een van de auteurs die uitgenodigd werden, was Jan Engelman. Op 11 juli schreef Geert Lubberhuizen hem: ‘Wij hebben de eer en het genoegen U uit te noodigen tot een bespreking, welke gehouden zal worden Maandag 16 Juli des avonds te 7.30 ure in het kantoor van de Bezige Bij, Heerengracht 418, Amsterdam-C. De bedoeling van deze bijeenkomst, waarvoor wij een vijf-en-twintigtal auteurs uitnoodigden, is een vrije gedachtenwisseling over de coöperatieve auteursvereeniging “De Bezige Bij”, waarbij U dan tevens in de gelegenheid bent alle mogelijke vragen te stellen en suggesties te doen.’

In een naschrift voegde Lubberhuizen eraan toe: ‘Indien de reis hierheen voor U te bezwaarlijk is, zullen wij U gaarne schriftelijk op de hoogte stellen, met de belangrijkste punten die besproken zijn.’44 Aan de andere leden van de Bij werd een soortgelijke brief verzonden.

Drie dagen later, 14 juli, deelde Simon Vestdijk per briefkaart mee: ‘Tot mijn spijt valt het mij op het oogenblik moeilijk in Amsterdam te komen. Ik zal dus gaarne schriftelijk ingelicht worden.’45

Waarschijnlijk op maandag 16 juli - dezelfde dag waarop de ledenvergadering gehouden zou worden - vond er te Amsterdam een bijeenkomst plaats tussen enkele redacteuren van Podium en Het Woord. Bij die gelegenheid werd duidelijk dat er zulke grote verschillen in hun houding tegenover de literatuur bestonden dat samenwerking weinig zinvol zou zijn.

Op de ledenvergadering zelf kwamen ook de tijdschriftplannen ter sprake. Daarbij leek er bij de leden van de Bij meer enthousiasme te bestaan voor Het Woord dan voor Voorpost.

Intussen was Geert Lubberhuizen bij majoor Sikkema van het Militair Gezag op bezoek geweest, wat tot resultaat had dat aan Voorpost inderdaad papier toegewezen werd: het argument dat het blad in feite al tijdens de oorlog verschenen was, bleek hierbij de doorslag te geven. Met betrekking tot Het Woord werd afgesproken dat Sikkema contact zou opnemen met Nico Donkersloot en dan een beslissing zou nemen.

Ferdinand Langen besloot hierna opnieuw een beroep op Donkersloot te doen. Op 22 juli schreef hij hem: ‘Uit een onderhoud dat de heer Lubberhuizen, directeur van de uitgeverij De Bezige Bij had met den heer Siccema [Sikkema] over de vergunning voor het verschijnen van het letterkundig tijdschrift het woord, is gebleken dat de heer Siccema voornemens is hierover Uw advies in te winnen. Dat is de reden dat ik deze kwestie nogmaals onder Uw aandacht breng.’

Langen schreef verder: ‘Ik doe dat niet alleen. Ik schrijf U uit naam van

[p. 51]

alle letterkundigen die aan dit tijdschrift mee zullen werken en waar onder zijn: Bertus Aafjes, Anna Blaman, Theo van Baarn [Baaren], C.C.S. Crone, Eddy Evenhuis, Hella Haasse, Sjoerd Leiker, Joh. E. Redeker, B. Rijdes, Koos Schuur, E. den Tex, Niek Verhaagen, Ab Visser en nog vele anderen. Wij zijn zonder uitzondering van mening dat het tijdschrift het woord van het hoogste actuele belang is, omdat daarin de nieuwe richting haar gestalte zal krijgen die tijdens de oorlog in ons is gegroeid en die naar alle waarschijnlijkheid de Nederlandse literatuur voor de eerst volgende jaren zal bepalen.’

Langen vervolgde: ‘De omvang zal voorlopig slechts 32 pag. zijn en de oplage niet meer dan 1000 ex. Wij zijn dus, in vergelijking met andere weeken maandbladen zeer bescheiden. De aanslag die wij op de papiervoorraad in Nederland zullen doen zal dus zeker geen catastrophale gevolgen hebben.

Wij willen U daarom nogmaals vriendelijk verzoeken om Uw medewerking te verlenen om een voor ons gunstig advies in deze kwestie uit te brengen. Tot eventuele inlichtingen blijven wij altijd bereid.’46

Een dag later, op 23 juli, berichtte Geert Lubberhuizen aan Simon Vestdijk: ‘Hierbij zend ik U een zeer verkort verslag van de bespreking van Maandag 16 dezer ten kantore van de Bezige Bij.

Aanwezig waren een 25-tal auteurs en het bleek van groot nut te, zijn om nu eindelijk in het openbaar contact te leggen tusschen de auteurs.

Inmiddels is de papiertoewijzing geregld [geregeld] door een bezoek bij majoor Sikkema: het is thans zoo, dat ons - ondanks het feit, dat we niet erkend zijn - papier zal worden toegewezen.’47

Dezelfde dag schreef Charles van Blommestein aan Sjoerd Leiker: ‘Op de laatste redactievergadering van Voorpost beloofde je mij verschillende bijdragen, o.a. die van Hendrik de Vries, die je nog in je bezit had, bij ons aan te reiken. Ik hoorde nog niets van je.

Zou ik ze een dezer dagen kunnen ontvangen, opdat ik eenige orde op de zaken kan stellen en een overzicht van de aanwezige copy kan krijgen?’48

Aangenomen mag worden dat er intussen buitengewoon weinig kopij voor Voorpost binnengekomen was. Ook verder waren de perspectieven voor dat blad niet gunstig. Zo was de adviescommissie gekrompen tot nog maar enkele leden: Halbo C. Kool, Jan H. de Groot en - met gezonde tegenzin - Sjoerd Leiker. De directie van de Bij voelde er ook niet voor zich al te veel voor het blad in te spannen: zij had genoeg andere zaken aan haar hoofd.

Bovendien leek Het Woord wèl een veelbelovende toekomst tegemoet te gaan. De directie besloot daarom de plannen voor Voorpost te schrappen en

[p. 52]

alles op de kaart van Het Woord te zetten. Dat was natuurlijk vervelend voor Simon Vestdijk, maar het kon nu eenmaal niet anders. Majoor Sikkema bleek hierna bereid de toestemming voor het verschijnen van Voorpost over te hevelen naar Het Woord.

Zo werd in de zomer van 1945 in het nest van Voorpost het koekoeksei Het Woord uitgebroed. Over het eerste tijdschrift is verder in de annalen van De Bezige Bij niet veel meer te vinden. In zijn biografie van Geert Lubberhuizen schreef Wim Wennekes nog: ‘In het halfjaarverslag over 1945 werd een bedrag van f 630,92 als voorbereidingskosten voor Voorpost afgeschreven: “De uitgave vindt echter geen doorgang, zoodat deze post is afgevoerd op de verlies- en winstrekening.”’49

Aan de andere kant was het nu duidelijk geworden dat Het Woord binnenkort inderdaad zou kunnen uitkomen. Dat had ook gevolgen voor een tijdschrift waarvan al eerder sprake was: het blad dat bij Elsevier verschijnen zou onder redactie van Hanno van Wagenvoorde, Koos Schuur en Ferdinand Langen. Omdat Schuur en Langen hun handen al vol hadden aan Het Woord, moest Van Wagenvoorde voor zijn blad, dat Symbool zou heten, ijlings naar nieuwe redacteuren op zoek gaan. Hij benaderde daartoe Bert Voeten en de jonge dichter Maarten Vrolijk.

Bert Voeten vertelde in 1983 dat de medewerkers van dit blad ‘fantastisch’ zouden worden gehonoreerd, maar dat het plan strandde bij een bespreking van de redactie met de directeur van Elsevier, drs. R.E.M. van den Brink. Voeten: ‘Toen deze een aantal namen noemde die in dat tijdschrift moesten figureren - hij noemde Piet Bakker en Jan de Hartog -, toen zeiden wij: “Dan zijn we helaas aan het verkeerde adres.”’50 Van Symbool is nooit een nummer verschenen.

De verdere voorbereidingen

In de eerste tijd was de samenwerking tussen Ferdinand Langen en Koos Schuur niet hecht, maar er had nog wel geregeld een redactievergadering plaats. Later tijdens de eerste jaargang zou het contact veel losser worden.

Schuur merkte hierover op: ‘Je zag elkaar nu en dan. En als de datum van inlevering naderde, dan belde je elkaar op en dan zeiden we: “Hoe ver staat het met jou? Heb je wat?”’ Schuur vertelde dat hijzelf vaak ‘weinig of niets had’ en dat het blad in het eerste jaar - in tegenstelling tot de latere jaargangen - meestal slecht geredigeerd werd. Ferdinand Langen deelde daarentegen mee: ‘Er had elke maand wel een redactievergadering plaats.’

In welke richting de redactie koerste, wordt duidelijk uit een brief die Koos Schuur op 18 september - ook namens Ferdinand Langen - aan de

[p. 53]

Utrechtse dichter Theo van Baaren (1912-'89) schreef. Van Baaren had tijdens de bezettingsjaren samen met zijn vriendin Gertrude Pape het tijdschrift-in-één-exemplaar De Schone Zakdoek vervaardigd en had bovendien in 1944 de dichtbundel Versteend zeewier gepubliceerd.

Schuur schreef hem: ‘[...] het is moeilijk binnen de ruimte van deze brief de doelstellingen van het tijdschrift uiteen te zetten. [...] “het woord” zal een tijdschrift zijn “op smalle basis”, dwz met een bepaalde doelstelling. de redactie is zich bewust dat zij een letterkundig tijdschrift wil redigeren, dat eventueel een vergelijking met de beste buitenlandsche tijdschriften kan doorstaan. reeds tijdens den oorlog was er in het werk van verschillende jongere dichters een verwantschap te bespeuren, die duidde op het toekennen van een grootere waarde aan den droom in de poetische [poëtische] beteekenis van dit woord, een romantisch symbolisme - voorzover oude termen een nieuwe beweging kunnen dekken - en daarmee een afscheid van de nogal naturalistische realiteit in veel wat voor 1942 voor poezie werd versleten, werd aanvaardbaar door de volkomen overtuiging, waarmee de dichters zich binnen dit gebied bewogen. voor mij persoonlijk beteekent dit, dat de poetische factor binnen de nederlandsche dichtkunst een overwinning heeft behaald op de a-poetische factor, die hier met de anecdotische poezie binnendrong.’

Schuur besloot: ‘uw gedichten in “versteend zeewier” hebben een niet geringe indruk op mij gemaakt en dat niet alleen om hun verstechnische kwaliteiten. ik zou het daarom ook zeer op prijs stellen, indien u uw medewerking aan “het woord” zou willen verleenen.’51 In de zesde aflevering van de eerste jaargang zouden inderdaad vier verzen van Theo van Baaren gepubliceerd worden.

Drie dagen later, op 21 september, bevestigde Geert Lubberhuizen in een brief aan Ferdinand Langen en Koos Schuur de afspraken die hij in verband met Het Woord met hen gemaakt had. Lubberhuizen schreef: ‘De redactie zal naar beste weten en kunnen het tijdschrift redigeeren. De uitgever laat de redactie volkomen vrij in haar redactioneele beslissingen.’

Hij merkte verder op: ‘De geheele financieele regeling is in handen van den uitgever. De redactie ontvangt voor haar werkzaamheden voor het 1ste nummer f 100.- de man, daarna f 50.- de man per verschenen nummer. Het honorarium voor geplaatste verzen en artikelen zal ongeveer zijn: f 4.50 per pagina gedichten en f 3.50 per pagina proza. Redactioneele artikelen en bijdragen in de rubriek: “Van eeuwigheid tot uur” van de hand van de redactie zijn begrepen in haar honorarium.’ In de rubriek ‘Van eeuwigheid tot uur’ zouden vooral korte beschouwingen en boekbesprekingen worden gepubliceerd.

[p. 54]

Lubberhuizen stelde hierna vast: ‘De Heeren Ferdinand Langen en Koos Schuur verbinden zich, niet zitting te nemen in de redactie van een ander litterair tijdschrift.’ En tenslotte: ‘Deze overeenkomst wordt aangegaan voor de tijd van één jaar, ingaande 1 October 1945, aldus eindigende 30 September 1946, waarna opnieuw zal worden beslist.’52

Met belangstelling werd er intussen in brede kring naar het eerste nummer van Het Woord uitgekeken, vooral ook omdat er allerwege sympathie bestond voor De Bezige Bij. Zo schreef het weekblad De Groene op 13 oktober: ‘De vrije uitgeverij “De Bezige Bij”, die in de onvrijheid zooveel en zoo voortreffelijk werk heeft gedaan (de namen der jonge uitgevers mogen hier eindelijk wel eens genoemd worden: Geert Lubberhuizen en Charles van Blommestein) houdt Het Woord ten doop, een letterkundig blad onder de beide Groningsche auteurs Ferdinand Langen en Koos Schuur.’53

De belangstelling voor Het Woord kreeg nog een extra stimulans door wat Martinus Nijhoff op dezelfde 13de oktober in Vrij Nederland opmerkte: ‘Er is in ons land een jong dichter, Koos Schuur genaamd. Onthoud deze naam, lezer, als gij in poëzie belang stelt. Gij zult deze naam, naar ik stellig vermoed, nog dikwijls tegenkomen, en steeds, tenzij ik mij sterk vergis, zal werk door deze naam ondertekend, u weten te boeien. Want Koos Schuur is niet slechts een jong dichter met veel talent, maar met een talent dat betekenis heeft voor ons allen, voor zover wij oor hebben voor de geheimen die poëzie verbergt en doet raden. Terwijl zijn stem, soms speels, soms pathetisch, eigen en eerlijke gevoelens tot uitdrukking zoekt te brengen, zingt er iets in mee dat men het hart van het land zou kunnen noemen. En deze toevoeging, die niet, als bij gelegenheidsdichters, opzettelijk geschiedt, verleent aan elk zijner verzen een zeker perspectief.’54

Vijf dagen later, op 18 oktober, schreef Schuur op een briefkaart aan zijn vriend Barend Rijdes: ‘[...] inderdaad is het artikeltje van Nijhoff een prachtige reclame, niet in het minst voor “Het Woord”, waarvan je dezer dagen het eerste nummer wel zult ontvangen. in het tweede nummer komt van mijn hand een essay: normen in poeticis.’55

De eerste aflevering komt uit

Kort hierna verscheen eindelijk - vooral voor wie in de illegaliteit gewend was geweest beslissingen snel te nemen, moet alles eindeloos lang geduurd hebben! - het eerste nummer van Het Woord. Deze aflevering, die 15 oktober 1945 gedateerd was en tweeëndertig bladzijden telde, was gestoken in een wit omslag dat door Jan Bons ontworpen was. Op dat omslag was in grijze letters met zwarte schaduw de naam van het tijdschrift gedrukt. Deze

[p. 55]



illustratie
Omslag van het eerste nummer van Het Woord

[p. 56]

letters zouden overigens in latere afleveringen telkens een andere kleur krijgen.

Als ondertitel werd vermeld: ‘Maandblad voor de nieuwe nederlandse letterkunde onder leiding van Ferdinand Langen en Koos Schuur.’ De abonnementsprijs bedroeg f 10,- per jaargang.

Op de binnenkant van het omslag werd met - het voor De Bezige Bij kenmerkende - optimisme meegedeeld: ‘De omvang van dit tijdschrift zal voor de eerste drie nummers 32 pagina's bedragen; vanaf Januari 1946 zal het aantal pagina's geleidelijk tot 96 worden verhoogd.’ In feite zou de omvang in deze jaargang - behalve bij de dubbelnummers - nooit groter dan veertig bladzijden zijn.

De eerste aflevering opende hierna met een redactionele inleiding, waarin geschreven werd: ‘Men kan dit tijdschrift beschouwen als een van de gevolgen, die de ingrijpende veranderingen in het literaire en in het gehele geestelijke leven in Nederland noodzakelijk met zich mee hebben gebracht, als de uiting van een nieuwe stroming die zich in de afgelopen oorlogsjaren onder de schokkende ontladingen van de actuele gebeurtenissen baan heeft gebroken. En daarmee is eigenlijk reeds gezegd, dat dit tijdschrift zeker niet zonder een duidelijk omlijnde richting en zonder een scherp bepaalde doelstelling zal zijn. Een stroming, die in de breedte vervloeit, zal immers nooit die stuwkracht en diepte bezitten, die van een beweging - en zeker van een jonge beweging wordt gevraagd.

Men heeft, wanneer men de leiding van een letterkundig tijdschrift aanvaardt, de keuze tussen twee mogelijkheden: men kan goede bijdragen verzamelen zonder meer en men kan goede bijdragen verzamelen die een uiting van een bepaalde geestelijke constellatie zijn. Na het bovenstaande zal het duidelijk zijn, dat wij voor de laatste mogelijkheid hebben gekozen. Wij zetten daarmee als tijdschrift een traditie voort, een traditie waarbij wij de namen van De Nieuwe Gids en Forum ter verduidelijking noemen; tijdschriften die voor hun tijd leidinggevend waren.’

De redactie schreef verder: ‘Ons land, dat kaal en op vele plaatsen verschroeid uit deze oorlog te voorschijn is gekomen, staat voor een nieuwe taak in zijn geschiedenis. Sinds vreemde legers de grenzen van dit land hebben opengestoten, is het met de tevreden en welvoldane rust, die isolement en afzijdigheid boden, gedaan. Ons land zal opnieuw een meer actieve rol moeten spelen in het grotere verband van volkeren, wil het onder hen een enigszins representabele plaats innemen en zo het meegeteld wil worden. En wanneer wij daarbij bedenken, dat alles wat sinds jaar en dag Europa beroerde aan Nederland voorbijging of het slechts bereikte als een kalme en ongevaarlijke na-rimpeling; wanneer wij beseffen, dat Nederland dreigde te

[p. 57]

worden een goed gevoede provincie van Europa maar ook geestelijk “provinciaal” in de slechte betekenis van het woord, en wanneer wij ons dan daarbij tevens nog een voorstelling trachten te maken van de eisen, die er nu en in de toekomst aan ons land zullen worden gesteld, dan moet men wel tot de slotsom komen, dat de geest, die ons volk beheerst, niet meer dezelfde kan zijn als die van voor de oorlog. Wij zijn ervan overtuigd, dat de literatuur in deze tijd, wil zij haar functie behouden, blijk moet geven van een grote visie. Alleen een bezielde literatuur, bezield door een doorleefde wereldbeschouwing en gedreven door een idee, achten wij daartoe in staat. Deze beide voorwaarden scheppen de mogelijkheid tot een zinvolle interpretatie van het woord en zullen den kunstenaar naast zijn artistieke, ook zijn leidinggevende (profetische) roeping doen beseffen. Het opnieuw bewust worden van de taak, die de kunstenaar heeft ten opzichte van de wereld waarin hij leeft, zal een van de gevolgen daarvan zijn.’

Hierna schreef de redactie over haar eigen literaire opvattingen: ‘Het knappe jongleren met woorden en regels, zonder achtergrond of wijder perspectief, kan ons nauwelijks nog boeien; want wij geloven, dat niet alleen het vakmanschap, maar - zoniet in de eerste plaats, dan toch: zèker óók zijn eigen inhoud, zijn wereldbeschouwing en zijn overtuiging de kunstenaar groot maken. Het verzorgde detail, van welke suggestieve kracht het ook mag zijn, wensen wij ondergeschikt te zien aan een groter geheel; want het komt in de eerste plaats aan op de compositie van het gehele kunstwerk en pas daarna op de details. Het wantrouwen, waarmee vele dichters voor deze oorlog tegenover het “grootse en meeslepende vers” meenden te moeten staan, missen wij; en evenzeer missen wij de achterdocht tegen wat niet met het verheerlijkte en toegespitste intellect te benaderen valt, tegen het irrationele, tegen de mystiek zo men wil.’

De redactie voegde hieraan toe: ‘Tenslotte moet men wel bedenken, dat wij niets kunnen en niets willen forceren. Bij het lezen van het werk, dat wij zullen publiceren, kan men zelf nagaan in hoeverre de nieuwe richting, die wij voorstaan, zich reeds heeft verwerkelijkt en in hoeverre zij nog slechts als een verlangen in ons aanwezig is.’56

De redactie van Het Woord pleitte in deze beginselverklaring dus voor een ‘grote visie’ en voor een ‘literatuur, bezield door een doorleefde wereldbeschouwing en gedreven door een idee’: hieruit sprak duidelijk verwantschap met de symbolistische kunst uit het begin van deze eeuw.

Daarbij sloot aan dat de redactie verklaarde het wantrouwen te missen tegenover het ‘grootse en meeslepende vers’ en ook tegenover het irrationalisme en de mystiek. Dat week duidelijk af van de opvattingen die vanaf het begin van de jaren dertig door Menno ter Braak, E. du Perron en hun na-

[p. 58]

volgers verkondigd waren: deze hadden immers een broertje dood gehad aan allerlei ‘dichterlijke’ pretenties en speciaal aan elke vorm van mystiek. Ferdinand Langen en Koos Schuur namen daarmee stelling tegen een kijk op de literatuur die in de jaren na de Tweede Wereldoorlog een enorme invloed had.

Na deze beginselverklaring volgden twee verzen van Koos Schuur, waaronder ‘Vuur - wind - regen - droom’, waarin een absoluut verlangen naar het toekomstige ‘droomrijk’ verbeeld wordt:

 
Wanneer eens - licht genoeg voor nieuwe sferen
 
en rijp geworden aan geluk en leed -