In tegenstelling tot de vele literaire bladen die na de bevrijding voor het eerst uitkwamen, was er bij Criterium sprake van een wederopstanding: enkele jaren eerder, tussen 1940 en' 42, was er immers bij de Amsterdamse uitgeverij J.M. Meulenhoff al een blad verschenen onder dezelfde naam.
Dat vroegere Criterium, waarvan de redactie gevormd werd door Cola Debrot, Han G. Hoekstra en Ed. Hoornik, was een opvallend tijdschrift geweest waaraan de meest getalenteerde jongeren uit die tijd hadden meegewerkt. Tot die jongeren behoorden Bertus Aafjes, Gerrit Achterberg, Anna Blaman, Gerard den Brabander, Pierre H. Dubois en Adriaan Morriën.
Wat de redactie van dat blad indertijd precies voor ogen gestaan had, viel niet zo gemakkelijk vast te stellen als bij sommige vroegere tijdschriften - zoals De Nieuwe Gids of De Beweging - het geval geweest was, ook al deed een redacteur als Ed. Hoornik in talloze essays en kritieken nog zo zijn best zijn standpunten onder woorden te brengen.
Duidelijk is wel dat er naar een synthese gestreefd werd tussen twee opvattingen die in de jaren dertig fel op elkaar gebotst waren. Aan de ene kant was dat de lyrische bevlogenheid van expressionisten als H. Marsman en Jan Engelman, die altijd weer gretig uitzagen naar een herdersuurtje kosmische erotiek, en aan de andere kant het nuchtere gevoel voor de realiteit dat zo kenmerkend was voor de groep rond Forum. De redactie van Criterium had dit streven naar een synthese proberen te vangen onder fraaie termen als ‘romantisch rationalisme’ of ook wel ‘romantisch realisme’. Termen waarin duizelingwekkend met tegenstellingen werd gejongleerd.
Hoe onduidelijk haar uitgangspunten hier en daar ook waren, Criterium bleek toch onder woorden te brengen wat er in de jonge generatie van toen leefde en zo werd het blad binnen korte tijd het meest inspirerende literaire tijdschrift dat in die eerste jaren van de Duitse bezetting verscheen.
Helaas: de oprichting van de Nederlandsche Kultuurkamer, waardoor het culturele leven langs nationaal-socialistische lijnen strak gereglementeerd werd, bleek enkele jaren later roet in het eten te gooien. In de lente van 1942 besloot de redactie van Criterium zich niet bij deze instantie aan te melden, wat aan het verschijnen van het blad een - naar later dus zou blijken: voorlopig - einde maakte.
De kaalslag in het literaire landschap waartoe de oprichting van de Kultuurkamer geleid had, vormde in de tweede helft van de bezettingstijd natuurlijk een uitdaging voor creatieve geesten van allerlei slag om alvast na te denken over de situatie die in de komende jaren na de onvermijdelijke Duitse nederlaag ontstaan zou. Een van hen was de drieëndertigjarige dichter en essayist F.W. van Heerikhuizen, die in 1940 nog heel even aan Criterium meegewerkt had.
Frederik Willem (‘Frits’) van Heerikhuizen (1910-'69), geboren in Enschede, had aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam Nederlands gestudeerd. Al in zijn studententijd bleek hij een ambitieuze man te zijn, vol idealen, iemand die er gretig naar verlangde deel te nemen aan de grote bewegingen van zijn tijd.
De poëzie die hij in die jaren schreef en die verzameld werd in de bundels Tussen twee zomers (1936) en De poort (1941), maakte een impressionistische indruk. In 1942 kwam de bloemlezing Stille opmars uit, waarin hij verzen van de nieuwe generatie in Nederland samenbracht.
Bleek uit de publicatie van deze bloemlezing al dat Van Heerikhuizen erop uit was de jonge literatuur zoveel mogelijk onder de aandacht te brengen, ook zijn tijdschriftplannen wijzen daarop. Hij kende John Meulenhoff, die in het begin van de bezettingstijd Criterium uitgegeven had, en hoopte via hem zijn ideeën te realiseren. Hij besloot met het oog daarop de bemiddeling van Adriaan Morriën in te roepen, die enkele jaren jonger dan hijzelf was en die intussen ook met John Meulenhoff in contact gekomen was. Morriëns eerste dichtbundel, Hartslag, had Van Heerikhuizen met bewondering gelezen.
Hij nodigde Morriën dus voor een bezoek bij zich thuis in Bussum uit. Deze vertelde hierover in 1992: ‘Van Heerikhuizen vroeg me toen of ik bereid was aan zijn tijdschriftplannen mee te doen. Hij dacht dat het goed zou zijn, als Criterium opnieuw zou uitkomen, maar dan moest het wel een heel ander blad dan vroeger worden. Van Heerikhuizen had allerlei kritiek op Criterium, die ik trouwens wel deelde. Dat romantisch-rationalistische programma van het blad vond ik een beetje zwammerig, dat was niet duidelijk. Bovendien was ik al niet zo'n groot bewonderaar van de poëzie van Hoornik, eigenlijk ook niet van Aafjes, hoewel ik moet toegeven dat zijn eerste bundel Het gevecht met de muze elegante poëzie bevat.’1
Van Heerikhuizen en Morriën bleken het in hun kritiek op het vroegere Criterium grotendeels met elkaar eens te zijn. Van Heerikhuizen stelde daarop voor dat Morriën, die beter met John Meulenhoff kon opschieten dan hijzelf, eens met hem zou gaan praten over een mogelijke wederopstanding
van Criterium na de bevrijding. Daarbij zou het van belang zijn ook op een verandering van de formule van het blad aan te dringen. Morriën beloofde binnenkort bij uitgeverij Meulenhoff langs te gaan.
De toen bijna vijftigjarige firma J.M. Meulenhoff ontleende haar naam aan de oprichter Johannes Marius Meulenhoff, die in 1869 te Zwolle geboren was. Na bij boekhandels in Parijs, Leipzig en Den Haag de kneepjes van het vak geleerd te hebben, richtte hij in 1895 aan de Warmoesstraat te Amsterdam een importboekhandel op. Het was daarbij zijn bedoeling vooral Franse, Duitse, Scandinavische en Italiaanse boeken te importeren. Meulenhoff, die van mooi uitgegeven boeken hield - ‘Een goed boek in een goed kleed’ werd een van zijn favoriete uitspraken -, maakte er een gewoonte van om geïmporteerde boeken waarvan het uiterlijk hem niet aanstond, in een nieuw, liefst roodleren bandje te laten steken.
Omstreeks de eeuwwisseling ging hij er ook toe over zelf vertalingen van buitenlandse werken te laten vervaardigen en aan de boekhandel aan te bieden. Vooral de uitgave van toneelstukken van de Noorse schrijver Henrik Ibsen, die in die tijd voor talloze sombere overpeinzingen in volle schouwburgzalen zorgden, bleek een schot in de commerciële roos. Hierdoor aangemoedigd, ging Meulenhoff ook boeken van andere auteurs uitgeven.
In totaal verschenen er tot in de jaren dertig in zijn fonds meer dan tweehonderd titels van buitenlandse en Nederlandse schrijvers. Daartoe behoorden werken van kopstukken als Cervantes, Charles Dickens, Honoré de Balzac, F.M. Dostojevski, Maxim Gorki, Sigrid Undset en Teixeira de Pascoaes. Nederlandstalige auteurs van wie Meulenhoff boeken uitgaf, waren Augusta de Wit, Cyriel Buysse, Jan Greshoff, Maurice Gilliams en vooral - het paradepaardje van de uitgeverij - Arthur van Schendel.
In 1920 nam de voortvarende Meulenhoff de bekende Amsterdamse boekhandel Van Heteren over, die kort daarna gevestigd werd in het statige pand Rokin 44. Op hetzelfde adres kwam toen ook de uitgeverij.
Meulenhoff, die bovendien in de loop der jaren belangen kreeg in enkele andere boekhandels en die verder een actieve rol in de branche als geheel speelde, kreeg na 1935 steeds meer problemen met zijn gezondheid, wat er toe leidde dat hij begin 1939, bijna zeventig jaar oud, als directeur moest aftreden. Zeven maanden later, in augustus, zou ‘de oude Meulenhoff’, zoals hij op de uitgeverij genoemd werd, overlijden.
Intussen was hij opgevolgd door zijn zoon Jan Rudolph (‘John’), die in 1906 geboren was. Na enkele jaren bij de Stoomvaart Maatschappij Neder-
land in dienst geweest te zijn - daarbij verbleef hij ook in Oost-Indiè -, besloot John Meulenhoff in de jaren dertig in de voetsporen van zijn vader te treden. Ook hij volgde een opleiding bij boekhandels in Parijs en Leipzig, woonde vervolgens in Londen en ging in 1933 bij Meulenhoff werken. In de zomer van 1937 werd hij er tot directeur benoemd.2
John Meulenhoff was in het algemeen een vriendelijke man, die hoge idealen koesterde over de toekomst van onze cultuur, maar die vaak een onzekere indruk maakte. Adriaan Morriën vertelde over hem: ‘Hij vond het erg moeilijk beslissingen te nemen. Hij zou zelfs nog aarzelen om de bijbel te herdrukken.’
In de loop der jaren zou ook John Meulenhoffs vrouw Jacqueline - een sterke persoonlijkheid die verscheidene jaren ouder dan haar man was - een duidelijk stempel op het fonds drukken. Zij had vooral een belangrijke, zo niet doorslaggevende stem bij de keuze van de door Meulenhoff uitgegeven dichtbundels. Ook op sommige schrijvers rond de uitgeverij maakte zij indruk. Zo schreef Anna Blaman in september 1946 in een brief aan Jeanne van Schaik-Willing: ‘Ik houd [...] veel van Jacqueline Meulenhoff, die ik intelligent vind en van een zeer aparte charme als vrouw’.3
Zoals hij met Van Heerikhuizen afgesproken had, bracht Adriaan Morriën kort daarna in een gesprek met John Meulenhoff de toekomstperspectieven van Criterium ter sprake. In 1992 vertelde hij: ‘Met wat je bijna een opdracht van Van Heerikhuizen zou kunnen noemen, ben ik toen naar Meulenhoff gegaan en heb ik met hem erover gepraat.’
John Meulenhoff, die als goed ondernemer al tijdens de bezettingsjaren talloze ijzers in het vuur gelegd had voor de periode na de bevrijding - zo gaf hij in die jaren veel schrijvers een voorschot voor toekomstige manuscripten -, hoorde de ideeën van Morriën over Criterium met interesse aan en wilde inderdaad over een andere opzet voor het tijdschrift nadenken.
Daarbij maakte hij direct duidelijk dat hij natuurlijk ook rekening zou moeten houden met de wensen van Cola Debrot, Han G. Hoekstra en Ed. Hoornik, die immers de redactie van het vroegere Criterium gevormd hadden en een zeker moreel recht op het tijdschrift konden doen gelden. Een van deze redacteuren, Ed. Hoornik, was in 1943 door de Duitsers gearresteerd en later in het concentratiekamp Dachau opgesloten. Pas als hij weer vrij zou zijn, zou over de toekomst van Criterium definitief kunnen worden beslist.
Tijdens dat gesprek met Morriën gaf John Meulenhoff ook aan dat hij

Jacqueline en John Meulenhoff

Anna Blaman
Frits van Heerikhuizen niet zo geschikt vond voor een plaats in de redactie: hij had vooral bezwaar tegen hem als literaire figuur. Ook Morriën zelf had op Van Heerikhuizen wel kritiek. In 1992 merkte hij op: ‘Ik vond sommige gedichten van hem wel mooi, maar andere verzen zaten mij te veel in het spoor van Verwey, een beetje cultuur-zorgelijke poëzie.’ Van Heerikhuizen zou later dan ook niet als dichter aan Criterium meewerken, maar als essayist.
Verder bleken zowel Meulenhoff als Morriën ervoor te voelen van Criterium een algemeen cultureel tijdschrift te maken, waarin ook aandacht besteed zou worden aan politieke ontwikkelingen, wetenschappelijke verschijnselen en andere kunstvormen dan alleen de literatuur. Ook in dat opzicht zou het vernieuwde Criterium dus afwijken van het tijdschrift dat tijdens de eerste jaren van de Duitse bezetting verschenen was en dat alleen op de literatuur gericht geweest was.
Omdat de tijd leek te dringen - de geallieerde troepen rukten al in Noord-Frankrijk op: de zomerlucht gonsde van de verwachtingen! - kwamen John Meulenhoff en Adriaan Morriën in augustus 1944 met elkaar overeen dat deze laatste zich alvast met de voorbereiding van de naoorlogse publicatie van het blad zou gaan bezighouden. Hoe alles precies in het vat gegoten zou worden en wie - behalve Morriën - deel van de redactie zouden uitmaken, zou pas na de bevrijding worden beslist. Wel werd afgesproken dat Morriën redactiesecretaris zou worden. Omdat hij een jong gezin had en als schrijver in die tijd weinig inkomsten genoot, waren de - overigens bescheiden - revenuen die hieraan verbonden waren, meer dan welkom.
Hoe Frits van Heerikhuizen erop gereageerd heeft dat hij bij de voorbereiding voor de uitgave van Criterium min of meer aan de zijlijn zou komen te staan, heb ik niet kunnen achterhalen. Hij zou overigens al aan het tweede naoorlogse nummer meewerken, zodat zijn irritatie, als daar al sprake van geweest is, slechts kort zal hebben geduurd.
Adriaan Morriën, die op deze wijze bij de heroprichting van Criterium betrokken raakte, is in 1912 te IJmuiden geboren. Zijn vader was een zeilmaker, zijn moeder de dochter van een visser. Hij groeide op als de eenna-jongste van vier kinderen in een vroom gereformeerd gezin, waarin elke dag tweemaal uit de bijbel voorgelezen werd. In zijn kinderjaren bezocht hij de Groen van Prinstererschool in zijn geboortestad.
Toen hij veertien jaar was, liep hij pleuritis op, wat hem - een geluk bij een ongeluk - de gelegenheid gaf veel te lezen. Op de hbs ontdekte hij enkele jaren later de romantische poëzie van Slauerhoff, die hem diep ontroerde.
Omstreeks zijn twintigste bleek Morriën ook tbc te hebben, waardoor hij langdurig in een sanatorium kuren moest.
Tegelijk met het ontwaken van zijn erotische verlangens verwijderde hij zich hoe langer hoe meer - als in een proces van communicerende vaten - van het geloof van zijn ouders, dat in zijn jeugd een sprookjesachtige indruk op hem gemaakt had.
Nadat Morriën het sanatorium had kunnen verlaten, ontdekte hij in de stadsbibliotheek van Haarlem het tijdschrift Forum, waarin vooral de bijdragen van Ter Braak en Du Perron grote indruk op hem maakten. Ook buitenlandse schrijvers gingen hem boeien, zoals de vaders van de moderne poëzie: Baudelaire, Rimbaud en Mallarmé en verder Rilke en de filosoof Nietzsche. Eind 1935 debuteerde Morriën nog juist in het allerlaatste nummer van Forum met een sonnet over de eenzaamheid van een priester.
Hierna werden er aan het eind van de jaren dertig verzen van hem gepubliceerd in Groot Nederland en verscheen zijn eerste dichtbundel, Hartslag (1939). In dezelfde tijd kwam Morriën in contact met enkele generatiegenoten, zoals Rudie van Lier, Fred Batten, Adriaan van der Veen en Louis Th. Lehmann. Hij maakte op velen de indruk van een vriendelijke, wat verlegen man. In latere jaren bleek hij ook over een boeiende conversatie te beschikken met een humoristische, soms licht sceptische ondertoon.
Een grote ervaring voor Morriën was begin 1939 een eerste ontmoeting met Menno ter Braak bij gelegenheid van de opening van een aan Jan Greshoff gewijde tentoonstelling in de Haagse Bijenkorf. Na afloop van deze bijeenkomst, waarop Ed. Hoornik het woord gevoerd had, begaf het gezelschap zich naar café Riche, dat met zijn weelderige entourage zijn naam eer aandeed. Daar raakte Morriën met Ter Braak in gesprek.
Over deze eerste ontmoeting schreef hij later: ‘Tijdens ons gesprek bleef Ter Braak naast mij staan, in een nomadische houding, zou je kunnen zeggen, bereid elk ogenblik op te stappen, wat hij ook spoedig deed. Zijn houding was los, niet nerveus, kwam het mij voor, met een zekere gereserveerdheid waarvan ik voelde dat ze niet met opzet tegen mij was gericht, maar bij hem hoorde. Zelfs wanneer Ter Braak tegen mij sprak, zag hij mij niet recht in het gezicht, maar keek half langs mij heen. Misschien deed hij het ook wel om de ander op zijn gemak te stellen, uit een soort respect voor de intimiteit van de ander, waarin tegelijk besloten lag dat hij zijn eigen intimiteit niet gemakkelijk prijsgaf. In elk geval stelde ik juist daardoor zijn vertrouwelijkheid, die evident was, des te meer op prijs.’4
Ruim een jaar later verscheen Morriëns eerste bijdrage in het literaire tijdschrift Criterium: een herdenkingsartikel bij de dood van de dichter H. Marsman.
Met de bedoeling om later als vertaler aan de slag te kunnen, begon Morriën, die geen universitaire studie had kunnen volgen, in het begin van de bezettingstijd mo-a Frans te studeren. Via Fred Batten kwam hij daarna in aanraking met uitgeverij Contact, waarvoor hij tijdens de oorlog een bundel met verhalen van Guy de Maupassant vertaalde, die overigens pas na de bevrijding verschijnen zou. Ook ontmoette hij uitgever Geert van Oorschot. Bovendien was hij bevriend met Cola Debrot en Charles B. Timmer, de latere vertaler van Russische literatuur.
Nadat Morriën in 1943 naar Amsterdam verhuisd was, trouwde hij in maart van het daarop volgende jaar met Guusje Oldenburg, een opvallende schoonheid, die hij al in IJmuiden had leren kennen. Ze gingen op de Nieuwe Keizersgracht wonen. In mei 1946 zou hun eerste kind, Alissa, geboren worden.
Adriaan Morriën begon kort na de afspraak die hij met John Meulenhoff over Criterium gemaakt had, de eerste contacten voor het blad te leggen. Zo sprak hij erover met Rudie van Lier, die behalve dichter ook socioloog was. Morriën zag hem daarbij niet alleen als toekomstige medewerker, maar ook als redacteur.
Rudolf Asueer Jacob van Lier (1914-'87) was te Paramaribo geboren in een milieu waarin van oudsher een sterke binding met Nederland gevoeld werd: zo werd er thuis Nederlands gesproken en bestond er voor de culturele ontwikkelingen in de Lage Landen een grote belangstelling.
Al op jonge leeftijd begon Rudie gedichten te schrijven. In 1944 zou hij hierover noteren: ‘Het hoge, witte tropenhuis en de zware mahoniebomen, die boven de daken uitgroeiden in de laan waar wij woonden, zouden kunnen vertellen hoe in de middag op het uur dat de passaat begon te waaien, een jongen in plaats van speelkameraden op te zoeken naar de hoogste, verlaten woonverdieping liep, om in de stilte van de middag het gezelschap te vinden van klank en rijm. Een geheimzinnig bedrijf van afzondering, maar zijn liefste spel. Het was een tocht naar een wereld waarin alles was zoals het moest zijn, vol oorspronkelijke zin, natuurlijk en vrij. Een wereld met onbegrensde mogelijkheden. Verzen waren de toverformules die de poorten openen konden tot dit gebied. In afzondering ontstaan, waren zij ook een middel om hem telkens aan mensen en dingen te onttrekken, als hij dit verlangde. Een enkele keer waren zij ook een middel om hem met hen te verzoenen.’5
Toen hij veertien jaar was, verhuisde hij naar Nederland, waar hij al gauw
als leerling aan het Gemeente-lyceum in Den Haag werd ingeschreven. Op die school kreeg hij grote moeilijkheden met sommige leraren, wat hem later zou inspireren tot het schrijven van woedende versregels, zoals in ‘Herinnering aan een beest’:
Een aantal van de gedichten die hij tijdens zijn middelbare-schooltijd aan zijn ervaringen wijdde, werden in Forum opgenomen: om daarbij zijn vooruitzichten op school niet verder te schaden, wist zijn vader hem tenslotte zover te krijgen dat ze onder een pseudoniem - R. van Aart - gepubliceerd werden. Van Lier verliet overigens al snel het Gemeente-lyceum om daarna aan het Vrijzinnig Christelijk Lyceum in Den Haag met spoed het einddiploma gymnasium-alfa te behalen.
Hierna ging hij in Leiden geschiedenis en niet-westerse sociologie studeren. In die periode correspondeerde hij met E. du Perron, die toen in Frankrijk verbleef. In 1937 ging hij in Parijs wonen, waar hij aan de Sorbonne colleges liep. Bij bezoeken aan Nederland kwam hij in die jaren vóór de oorlog in contact met verscheidene jonge schrijvers, zoals Adriaan van der Veen. In 1939 verscheen in de Vrije Bladen-reeks de verzenbundel Praehistorie.
Rudie van Lier had zich intussen ontwikkeld tot een persoonlijkheid met veel flair, spontaan en gul met confidenties, maar ook iemand die lang op zijn stuk kon blijven staan. Hij koesterde grote idealen, maar kon de werkelijkheid van het dagelijks leven soms maar nauwelijks verdragen.
Een van de andere auteurs die door Morriën bezocht werden, was de vijfendertigjarige dichteres M. Vasalis, die ruim drie jaar ouder dan hijzelf was. Op zondag 17 september - dezelfde dag vonden de geallieerde luchtlandingen bij Arnhem plaats - schreef hij er in zijn dagboek over: ‘Gesprek over haar werk, waarnaar ik vanwege Criterium kom informeren, over Engelse en Amerikaanse schrijvers, over Hoornik en het contact met schrijvers, dat zij bijna altijd teleurstellend heeft gevonden (dat wil zeggen met betrekking tot de voordracht uit eigen werk). Lichte spijt, later, omdat zij naar mijn werk, omstandigheden, plannen, kortom naar mijn persoonlijke dingen met geen enkel woord heeft gevraagd, mij daarmee de toegang tot haar ontzegde.’7
Morriën kwam in deze periode ook in contact met Willem Frederik Hermans, die in de zomer van 1944 verzen gepubliceerd had in het Utrechtse ondergrondse blad Parade der Profeten. In hetzelfde jaar was - in eigen
beheer, maar verzorgd door Meulenhoff - Hermans eerste boek, de dichtbundel Kussen door een rag van woorden, verschenen.
In 1955 schreef Morriën over dit eerste contact: ‘Ik was redactie-secretaris van het tijdschrift Criterium, dat zo spoedig mogelijk na de oorlog zou verschijnen en waarvoor ik alvast medewerkers probeerde aan te trekken. Hermans bezocht mij op een suggestie van John Meulenhoff, de uitgever van Criterium. Hij was toen drie-en-twintig en, ondanks de oorlog, in goede conditie. Ik herinner mij van dat eerste bezoek zijn grijze tweedjas en blauwe gebreide sjaal, die hij keurig opvouwde en over een stoelleuning hing.’8
Na de bevrijding bleek al snel dat de vroegere Criterium-redactie er weinig voor voelde opnieuw de verantwoordelijkheid voor het blad op zich te nemen. In 1992 vertelde Morriën hierover: ‘Han Hoekstra kon het niets schelen, want die werd redacteur bij Het Parool. Met Cola Debrot, waar Hermans en ik in de oorlog geregeld mee omgingen - hij was huisarts in Amsterdam-West -, moeten we er vast over gepraat hebben, maar hoe hij erover dacht weet ik niet meer. En toen Ed. Hoornik uit Dachau terugkwam, had hij ook zijn handen vol. Hij was repatriëringsofficier bij het Militair Gezag of zo iets en hij liep trots als een pauw in een uniform rond. Het zou ook een volkomen nieuw Criterium worden, een heel ander blad, een algemeen cultureel tijdschrift. Dat zij niet opnieuw redacteuren werden, heeft niet tot fricties geleid. Hoornik was trouwens een meester in het wegdenken van fricties.’
Nu er geen sprake meer van was dat de vroegere redactie terugkeren zou, kon Adriaan Morriën - weliswaar in geregeld overleg met John Meulenhoff - zijn gang gaan bij het aanzoeken van de nieuwe redacteuren. In de eerste plaats vroeg hij Rudie van Lier, met wie hij al eerder over het tijdschrift gesproken had. Van Lier bleek bereid mee te doen.
Verder opperde John Meulenhoff het idee ook iemand uit het studentenverzet als redacteur te vragen. Van Lier deelde daarop aan Morriën mee dat een van zijn vrienden, de jonge jurist Jan Drion (1915-'64), daarvoor heel geschikt zou zijn.
Deze Leidse student was in oktober 1940 begonnen samen met zijn ruim één jaar jongere broer Huib het illegale blad De Geus samen te stellen: dat initiatief hadden zij genomen nog voordat de hoogleraar Cleveringa zijn beroemde speech bij het ontslag van de joodse prof. mr. E.M. Meijers gehouden had. De Geus werd vanuit Leiden verspreid en was speciaal voor studenten bedoeld. Later in de bezettingstijd werd het geregeld gebruikt als
het orgaan waarmee vanuit de leiding van het studentenverzet (de ‘Raad van Negen’) oproepen en mededelingen verspreid werden.
Morriën bleek voor Van Liers voorstel te voelen, waarna deze laatste Jan Drion benaderde. Deze reageerde hierop met de mededeling dat zijn broer Huib veel meer in literatuur geïnteresseerd was dan hijzelf en dat het daarom verstandiger leek hem voor de redactie uit te nodigen. Rudie van Lier had Huib Drion al tijdens de oorlog leren kennen bij een gespreksgroepje in Den Haag, waar de op dat gebied kennelijk bij uitstek deskundige Van Lier een lezing over ‘De kus’ gehouden had. Huib Drion nam daarop de uitnodiging graag aan.
De jurist mr. Huibert Drion is in 1917 te 's-Gravenhage geboren. Zijn vader was lid van de Tweede Kamer voor de liberale Vrijheidsbond en later directeur van het Bureau van Documentatie over Nederland. Huib Drion zelf ging, na in 1935 het diploma gymnasium-alfa behaald te hebben, in Leiden rechten studeren. Hij deed in 1936 het kandidaatsexamen en ging kort daarna werken bij het antiquariaat Martinus Nijhoff in Den Haag.
In 1938 - Drion was toen eenentwintig jaar - publiceerde hij zijn eerste essay in De Gids over ‘Balzac en het Holland van vóór “tachtig”’. Hij was daartoe geïnspireerd door zijn vader, die de romans van deze Franse schrijver vurig bewonderde.
Kort daarna nam Huib Drion zijn studie rechten in Leiden weer op. Hij bleef daar, totdat de universiteit in de herfst van 1940 door de bezetter gesloten werd, waarna hij in 1941 te Groningen het doctoraal examen aflegde.
Na de oorlog, in augustus 1945, ging Drion halftime werken op het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. In dezelfde tijd was hij als secretaris-penningmeester verbonden aan de Nederlandse afdeling van de Stichting ‘World Student Relief’.
In deze periode ontmoette Drion, die voor zijn leeftijd al veel had meegemaakt, graag het voor en tegen van iets afwoog en daardoor een wat bedachtzame indruk maakte, voor het eerst Adriaan Morriën, die enkele keren in Drions ouderlijk huis in de Emmastraat in Den Haag zou komen logeren.
De extraverte Rudie van Lier, die over een uitgebreide vriendenkring beschikte, stelde verder nog een andere redacteur voor: de historicus Sybout Colenbrander die hij ook van de Leidse universiteit kende. Ook deze trad tot de redactie toe.
Willem Sybout Adriaan Colenbrander (1910-'93) was een zoon van de bekende historicus prof. dr. H.T. Colenbrander. Na zijn middelbare schooltijd ging ook hij geschiedenis studeren. Tijdens de Duitse bezetting werkte hij mee aan de illegale krant Het Parool.

Adriaan Morriën

Rudie van Lier

Illegaal uitgegeven persoonsbewijs van Huib Drion
Colenbrander zou zich - vriendelijk gezegd - nauwelijks tot een actief lid van de redactie ontwikkelen: van hem werd zelfs geen enkele bijdrage in het blad gepubliceerd. Adriaan Morriën merkte in 1992 over hem op: ‘Ik geloof dat ik die man één keer gezien heb.’
Met dat alles was Morriën tot dusver de enige literator die tot de redactie van Criterium toegetreden was. Hoe ‘algemeen cultureel’ het blad ook zou worden, daarmee was aan de literatuur duidelijk te kort gedaan. Op voorstel van John Meulenhoff werd toen ook aan de eenendertigjarige dichter Bertus Aafjes gevraagd redacteur te worden. Aafjes van wie al enkele boeken in het fonds van Meulenhoff gepubliceerd waren, was een van de coryfeeën van het vroegere Criterium geweest, zodat op deze wijze een band met de traditie bewaard bleef, wat in ieder geval voor John Meulenhoff een punt van belang was. Ook Aafjes bleek bereid tot de redactie toe te treden.
Lambertus Jacobus Johannes Aafjes (1914-'93) was afkomstig uit Amsterdam. Omdat hij priester wilde worden, bezocht hij de klein-seminaries in Uden en Hageveld en later het groot-seminarie in Warmond. Na deze studie te hebben afgebroken, maakte hij halverwege de jaren dertig per fiets en vanaf Basel zelfs te voet een tocht naar Rome. Later verhuisde hij naar Leuven en daarna opnieuw naar Rome om er archeologie te studeren.
In 1940 verscheen Aafjes' eerste dichtbundel Het gevecht met de muze, in 1942 gevolgd door Een laars vol rozen, een bundel met reisschetsen, en in 1943 door het essay Gerrit Achterberg, de dichter van de sarcophaag. In die tijd dook hij met zijn gezin onder in Friesland, wat hem inspireerde tot de dichtbundel Elf sonnetten op Friesland (1944).
Over Aafjes' redacteurschap vertelde Huib Drion in 1992: ‘Bertus Aafjes kwam bijna nooit op de redactievergaderingen. Hij is maar één keer op een feestelijke bijeenkomst - hogelijks aangeschoten - aanwezig geweest, maar ik geloof dat hij toen te beneveld was om erg intens aan de discussie deel te nemen.’9 De weinig invloedrijke rol van Aafjes werd door Adriaan Morriën bevestigd: ‘Bertus Aafjes hing er een beetje bij. Die deed er niet veel voor. Hij is er meer door John Meulenhoff bijgehaald vanwege zijn faam toen. Ik weet wel dat ik hem in zijn huis tegenover de ingang van Artis opzocht om hem de ingezonden gedichten te laten lezen, en vroeg of hij nog iets had. Hij heeft in het Criterium van toen voor mijn gevoel nauwelijks een rol gespeeld.’
Met het toetreden van Aafjes bestond de redactie dus uit Bertus Aafjes, W.S.A. Colenbrander, H. Drion, R. van Lier en Adriaan Morriën, waarbij de laatste als redactiesecretaris optrad. Duidelijk is wel dat Aafjes en Colenbrander vooral papieren redacteuren waren, zodat het eigenlijke werk in deze jaargang door Drion, Van Lier en in de eerste plaats Morriën gedaan moest worden.
Om tijdens de redactievergaderingen tot een snelle beoordeling van de kopij te kunnen komen, werden zogenaamde circulatie-enveloppen rondgestuurd, waarop de redacteuren hun oordeel konden neerschrijven. Huib Drion herinnert zich dat er daarbij wel sprake was van een zekere werkverdeling. Zo kreeg hijzelf in het algemeen meer de bijdragen op politiek of sociaal gebied onder ogen en minder de strikt literaire inzendingen.
Typerend voor die tijd was dat - om papier te sparen - tijdens de eerste jaargang nog overgebleven circulatie-enveloppen uit de jaren van het vroegere Criterium werden gebruikt: daarop stonden dus de namen gedrukt van Debrot, Hoekstra en Hoornik. Dergelijke enveloppen met daarop een kritische beoordeling van hun eigen werk heb ik helaas niet kunnen vinden.
De redactie vergaderde bij de redacteuren thuis of in cafés. Tijdens die bijeenkomsten werd volgens Drion koffie of thee gedronken, waarbij alcoholische versnaperingen gewoonlijk achterwege bleven.
Omdat Criterium na het voorjaar van 1942 niet meer verschenen was, had het blad volgens het Londense persbesluit van september 1944 recht op een papiertoewijzing die dan ook zonder problemen van de kant van het Militair Gezag verstrekt werd.
Intussen bleef vooral Adriaan Morriën in de zomermaanden druk bezig met het aantrekken van nieuwe medewerkers. Een goede vangst deed hij, toen hij in contact kwam met de dichter en essayist H.A. (‘Hans’) Gomperts. Deze was - na de bezettingsjaren in Engeland en de Verenigde Staten te hebben doorgebracht - kort na de bevrijding in Nederland teruggekeerd.
Morriën vertelde in 1992: ‘Ik had Hans Gomperts vóór de oorlog nog nooit ontmoet. Wel had ik zijn gedichten en essays gelezen en ik wist dat Ter Braak en Du Perron een begaafde jongeman in hem zagen. Ook had ik via Fred Batten veel over hem gehoord. Het gevolg hiervan was dat ik geweldig tegen hem opzag. Ik zag hem voor het eerst bij uitgeverij Contact op de Prinsengracht. Daar kwam hij binnen, we maakten ons aan elkaar bekend. Ik was echt, wat je noemt, een beetje verlegen: hier heb je nu dat geweldig werkende brein en ik, domme jongen uit de provincie, daartegenover. Wat kan ik nu zeggen dat die man ooit zal interesseren? Maar toen bleek dat hij vreselijk aardig was en heel gewoon tegen me deed. Later ben ik hem een van de grootste conversatietalenten gaan vinden die ik in mijn leven heb ontmoet. Het was altijd onderhoudend en geestig om met hem te praten.’
Hans Gomperts van zijn kant vertelde in 1997 over Morriën: ‘Ik vind hem een man met een heel bijzondere, persoonlijke humor, een heel ironische geest.’10 Hij gaf Morriën kort na hun eerste ontmoeting een gedicht, dat hij ter nagedachtenis van Menno ter Braak en Eddy du Perron geschreven had, en een korte kritische beschouwing ter publicatie in Criterium.
Ook in de richting van de jongste generatie schrijvers stak Morriën zijn voelhorens uit. Zo hield hij in het weekend van 6 en 7 oktober een lezing op het Noord-Hollandse kasteel de Assumburg, waar onder auspiciën van het jongerentijdschrift Columbus een groot aantal schrijvers, onder wie Willem Frederik Hermans, Paul Rodenko en Hans Warren, acte de présence gaven.
Enkele dagen later, op 11 oktober, verscheen in een bijvoegsel van het Nieuwsblad voor den Boekhandel een bericht onder de kop ‘Na een periode van gedwongen rust zal Criterium binnen eenige dagen worden voortgezet’.
Hierin werd meegedeeld: ‘De oude redactieleden hebben in vriendschappelijk overleg een nieuwe redactie, die niet meer uitsluitend uit literatoren bestaat, in de gelegenheid gesteld het tijdschrift op een breedere basis voor te zetten. Zij hebben zich echter als vaste medewerkers aan ons blad verbonden. De redactie wil een gedachtenwisseling op zoo ruim mogelijk gebied aan den gang brengen tusschen een aantal jonge menschen, die haar weerslag in het nieuwe Criterium zal vinden. De literatuur zal niet langer de eenige meesteres in het tijdschrift zijn. Wel zal zij een zeer belangrijke plaats blijven innemen, omdat zij als een van de belangrijkste en volledigste uitingen van het leven beschouwd wordt. Het nieuwe Criterium zal daarom trachten de traditie van het vroegere voort te zetten door het werk van de belangrijkste jonge auteurs te brengen. Daarnaast zal er echter veel ruimte worden besteed aan het literaire essay en aan politieke en wetenschappelijke beschouwingen.’11
Typerend voor de tijdsomstandigheden was wat in een folder stond die kort daarna verspreid werd: ‘Op grond van de beperkte oplage is het mogelijk, dat Uw abonnement door den uitgever voorloopig niet kan worden geaccepteerd. Na opgave van Uw wensch om abonné te worden, zult U in elk geval bericht ontvangen, indien U niet als abonné in de beperkte oplage kunt worden ondergebracht.’12
Intussen was halverwege oktober de eerste aflevering van het vernieuwde Criterium verschenen. Deze was gestoken in een grijs omslag, waarop in roodbruine letters de naam van het tijdschrift vermeld was. De ondertitel was ‘Algemeen cultureel maandblad’.
Op de binnenzijde van het omslag werd een lijst van medewerkers afgedrukt, waarop de namen voorkwamen van Cola Debrot, Han G. Hoekstra en Ed. Hoornik: een dunne navelstreng met het vroegere Criterium. Verder werd meegedeeld dat de eerste jaargang tot en met december 1946 zou lopen en dat de prijs voor een jaarabonnement f 17,- bedroeg; daarbij werd er wel rekening gehouden met de mogelijkheid dat de omvang van de nummers in de nabije toekomst uitgebreid zou worden, wat een verhoging van de prijs met zich mee zou brengen. De afleveringen zouden later inderdaad meer bladzijden tellen: de eerste zeven nummers - tot en met april 1946 - achtenveertig, de nummers daarna vierenzestig.
De eerste aflevering opende met een redactionele inleiding, waarvan het concept waarschijnlijk door Adriaan Morriën geschreven werd, waarna Rudie van Lier nog wat puntjes op de i zette.
In deze inleiding schreef de redactie: ‘Over de wereld is een nieuwe morgenstilte gekomen. Maar er is niet veel te bespeuren van die matinale stemming, waaruit een vernieuwde cultuur ontstaat. Er is drang naar politieke “vernieuwing” in ons land, die niet verder dan goede bedoelingen gekomen is. Maar op het zuiver cultureele terrein is er van de resultaten van een vernieuwingswil voorloopig weinig te bemerken. Uit onze eigen geschiedenis weten wij maar al te goed, dat een politieke herleving geenszins cultureele bloei met zich mee behoefte [behoeft te] brengen. Het is daarom ook niet te zeggen welk oordeel een toekomstige geschiedschrijver over de beteekenis van 1945 voor het geestelijke leven van ons land zal vellen. In ieder geval lijkt het, voorzoover het nu reeds te overzien is, of de Nederlandsche cultuur de oude paden, die zij ook in den oorlog clandestien bleef bewandelen, zal blijven volgen.’
Na deze inleidende woorden merkte de redactie op dat Criterium in die situatie in artistiek opzicht nog geen richting wilde kiezen, maar wel de discussie wilde stimuleren: ‘Het treedt niet voor het front met een programma of eenigerlei beginselverklaring. Het wil een zoo groot mogelijk aantal persoonlijkheden tot een gesprek uitnoodigen. De eenige voorwaarde is, dat de discussie op een bepaald peil wordt gevoerd. Indien deze gedachten-wisseling uit zou blijven en dit tijdschrift een maandelijksche anthologie van min of meer geslaagde gedichten, essays of ander proza zou worden, zullen wij moeten erkennen, dat wat ons voor ogen stond, niet werd verwezenlijkt. Misschien ontwikkelt zich ook uit hernieuwd contact van geesten en opvattingen een nieuwe richting in ons tijdschrift. Wij beginnen nu echter met een open toekomst.’
En verder: ‘Criterium zal zich in zijn nieuwen vorm op een wijder terrein bewegen dan het oude Criterium. Voortaan zal men er ook politieke en
wetenschappelijke beschouwingen in aantreffen. Het ligt evenwel niet in de bedoeling met bijdragen te komen, die beter in de daarvoor bestemde vaktijdschriften gepubliceerd kunnen worden. Wij willen slechts die bijdragen brengen, die de onderwerpen in hun algemeene, cultureele aspecten behandelen en een antwoord trachten te geven op onmiddellijke vragen, die de tijd stelt, of die in staat zijn het verleden weer levend te maken. Daarom bestaat de nieuwe redactie ook niet langer uitsluitend uit litteratoren. De vorige redactie, die het tijdschrift bij de oprichting van de Kultuurkamer stopzette, is om persoonlijke redenen afgetreden en heeft na vriendschappelijk overleg een uitgebreide nieuwe redactie in staat gesteld haar plannen ten uitvoer te brengen. De richting, die het oude Criterium propageerde onder den naam “romantisch realisme”, zal in het nieuwe tijdschrift haar bijdragen blijven leveren. Het tegenwoordige Criterium beweegt zich niet in tegenstelling met dezen term, het wil zich echter voorloopig op geen enkele formule vastleggen, slechts enkele bakens leiden het op zijn koers naar de onbekende toekomst. Deze bakens zijn een waarschuwing en maken vooral duidelijk wat wij niet willen. Wij zijn tegen het doode specialisme, tegen een eenzijdige litteratuur-cultus, die elk contact met het leven verliest, maar wij houden aan den anderen kant vast aan de individueele tendentie, die een van de grootste verworvenheden van de Westeuropeesche cultuur is.’
Hierna besloot de redactie: ‘Het nieuwe Criterium is een poging zich rekenschap te geven van onzen tijd. Het wil daarom in de eerste plaats de scheidsmuren tusschen de verschillende cultuurgebieden verbreken en zoo tot een synthese komen, waardoor wij misschien kunnen bijdragen tot het vormen van een intenser Nederlandsch cultuurleven.’13
Alles bij elkaar was dit een weinig verrassende inleiding, waarin de redactie op eieren leek te lopen en voorzichtigheid troef was. De mededeling dat het blad zich voorlopig ‘op geen enkele formule’ wilde vastleggen, was daarvoor typerend. Die vaagheid stond in scherp contrast met het engagement van andere literaire bladen in die tijd, zoals Podium en Het Woord, waarin de redactie zich wel uitsprak over de richting waarin de literatuur zich volgens haar zou moeten ontwikkelen.
Een reden voor de voorzichtige aanpak van de Criterium-redactie was natuurlijk dat alles in die eerste periode na de bevrijding nog zo onoverzichtelijk was, maar het was uiteraard niet verboden met iets meer overtuigingskracht voor een eigen standpunt uit te komen. De vraag is daarbij wel of de redacteuren elkaar al voldoende kenden om te weten waar iedereen voor stond.
Bleven de uitgangspunten voor de toekomst in deze verantwoording dus
rijkelijk vaag, iets duidelijker was de redactie, waar zij haar verhouding tot het verleden - dat wil zeggen: het vroegere Criterium - schetste. Het door dit blad gepropageerde ‘romantisch realisme’ zou blijven meetellen, maar het zou in het nieuwe Criterium geen beslissende rol meer spelen.
Ook andere artistieke opvattingen zouden daartoe overigens nauwelijks de kans krijgen: hooguit kan in de zinsnede ‘Wij zijn tegen het doode specialisme, tegen een eenzijdige litteratuur-cultus, die elk contact met het leven verliest [...]’ een echo van Forum beluisterd worden.
Onmiddellijk na deze inleiding werd het ontroerende gedicht ‘Het vaderland’ van Adriaan Morriën gepubliceerd, dat heel goed in de sfeer van het bevrijdingsjaar past. Het mooist in dit vers vind ik bij lezing iedere keer weer de woorden ‘welks zede ik aarzlend deel’ in de eerste strofe. Volgens mij heeft Morriën nergens in zijn hele oeuvre zijn eigen houding in het leven zo raak weergegeven:
Hierna werd het gedicht opgenomen dat H.A. Gomperts kort daarvoor aan Adriaan Morriën gegeven had en dat getiteld is ‘In memoriam Menno ter Braak en E. du Perron’. Typerend voor Gomperts' engagement met Ter Braaks geestelijke erfenis is dat in dit vers gesproken wordt over een door Ter Braak geschreven endossement, waarbij diens taak aan iemand anders, de ik-figuur, overgedragen wordt. Het in het gedicht genoemde stuk ‘Het geheim van den leeuw en het schaap’ zal slaan op de - vaak pijnlijke - waarheid dat de politiek vooral door machtsverhoudingen beheerst wordt:
Een opvallende publicatie in dit nummer - en tegelijkertijd de allereerste bijdrage met verhalend proza in Criterium - bestond uit fragmenten uit de roman Conserve, die Willem Frederik Hermans halverwege de bezettingstijd, in de zomer van 1943, geschreven had.
Over deze roman vertelde Adriaan Morriën in 1992: ‘Ik heb het manuscript gelezen en ik was heel geboeid: het was iets zo buitengewoons dat een Hollandse jongeman schreef over een broer en een zus in een milieu van mormonen in Noord-Amerika. Ik vond de stijl een beetje houterig en onbeholpen, maar ook wel heel indringend en schrijnend hier en daar. Ik heb toen de voor mijn gevoel mooiste twee fragmenten eruit gekozen om die in het eerste nummer van Criterium te publiceren.’
Het begin van een van deze fragmenten waarin het hele levensgevoel dat Hermans' latere oeuvre beheersen zou, al volop herkenbaar is, luidt: ‘De straat waar Ferdinand woonde was stil en voor het verkeer geheel onbelangrijk. Daarom was het er verboden met auto's te rijden en stonden op de hoeken borden die aankondigden dat deze straat als speelstraat voor kinderen dienstdeed. Isabel moest het laatste stuk dus loopen. Zij zag dat een paar kleine meisjes die knikkerden, om haar heen kwamen staan om te kijken wat er gebeuren zou, toen zij bij Ferdinand aanbelde. Zij werd niet opengedaan. In de portiek hing een vage schimmelige geur. Omdat het wachten haar verveelde, draaide zij zich om en vroeg aan de meisjes: “Wat willen jullie? Willen jullie een toffee?’
‘Het kleinste schudde nee en het grootste zei: “Wij mogen van moeder geen snoepgoed aannemen van vreemde dames.”
“Zoo,” zei Isabel, “dat is verstandig van jullie moeder. Als jullie altijd maar zoo braaf doet wat zij zegt, zul je later wel flink worden.”
“Het spookt daar,” zei het kleinste meisje toen. Maar Isabel luisterde meer naar het klepperen van de lip van de brievenbus, waaruit zij opmaakte dat iemand een tochtdeur opendeed en zij dus spoedig binnengelaten zou worden.
Een kleine, ronde, witglimmende meid deed open. Zij had geen kousen en schoenen aan; haar blouse, die van voren open was en bovendien nog ver opengescheurd, hing uit haar rok, die zij met één hand vasthield om volledig afzakken te voorkomen. Met haar voet schopte zij de deur met een sonoren bons in het slot, deed een paar stappen den gang in, schopte toen de deur van een kamer open. Isabel zei nog haar naam, waar de meid niet om had gevraagd. Een vleug van de zwoele zweetlucht van de meid, woei met haar mee naar binnen. De meid liep weg zonder de deur achter Isabel dicht te doen. Zij deed het toen zelf maar. Terwijl zij staande haar handschoenen uittrok, nam zij het vertrek op.
Overal lagen tijdschriften en puzzles verspreid; dit moest dus wel de wachtkamer wezen. Maar alle bladen waren minstens een half jaar oud en zaten onder stof dat zoo met rust gelaten was, dat het bijna een huid over alles heen vormde.’16
Een mooie tegenstelling met de sfeer in dit prozafragment vormen de gedichten van Bertus Aafjes die hierna in dit nummer werden opgenomen. Een daarvan is het sonnet ‘Eeuwige lente’:
In dit nummer werden ook enkele gedeelten uit een dagboek gepubliceerd, dat de dichteres M. Vasalis tijdens de oorlog bijgehouden had. Zo had zij op 6 juni 1942 genoteerd: ‘De tweede heete dag. De K. straat met mevr. P. De straat was breed en zonnig, maar al stoffig-zonnig. Langzame zware joden met sterren, dunne profeten met sterren en tenslotte spelend en naarstig zwoegend op een driewielertje twee dunne joden-jongetjes van een jaar of zes in gele badpakjes. Onder hun sleutelbeendertjes een gele ster en daarop stond jood, bijna op hun bloote gouden huid. Hun schouderbladen staken uit als dichtgevouwen vleugels. Ze hadden kostbare oogen. Het leken onaardsche wezentjes, door domme reuzen niet herkend en gemerkt met een scheldwoord.’18
Een opmerkelijke bijdrage in deze aflevering was ook het ‘Dagboek van een Indonesiër’, geschreven door Sjahrazad, waarachter zich de nationalistische voorman Sutan Sjahrir verschool. De actualiteit hiervan was groot: enkele maanden eerder, op 17 augustus, was immers door Sukarno en Hatta de Indonesische republiek uitgeroepen.
Adriaan Morriën vertelde in 1992 over de manier waarop hij en zijn vriend Fred Batten in het bezit van Sjahrirs manuscript gekomen waren: ‘Fred Batten kende Mies Duchâteau, die tijdens Sjahrirs studie in Nederland met hem samengewoond had. Later was hij naar Indonesië teruggekeerd, waar hij in Boven-Digoel geïnterneerd werd. Daarvandaan en vanuit andere plaatsen had hij haar brieven geschreven, die zij tot een dagboek heeft omgevormd. Want au fond waren het - als ik me goed herinner - brieven van hem aan haar, maar zij heeft het als een dagboek gepresenteerd. Dat manuscript bezaten Fred Batten en ik al tijdens de oorlog. We wilden het in die tijd via onze clandestiene uitgeverij, Het Zwarte Schaap, die we samen met boekhandelaar Balkema hadden, publiceren. Toen kwam de spoorwegstaking en viel de electriciteit uit en kon het niet meer gedrukt worden. We hebben het daarom Geert Lubberhuizen van De Bezige Bij aangeboden.’
De publicatie van het boek ging ook hierna nog niet op rolletjes, doordat er in de kring van de Bij bezwaar gemaakt werd tegen enkele spottende opmerkingen van Sjahrir over het koningshuis. Vooral de erepromotie van prinses Juliana was bij Sjahrir in het verkeerde keelgat geschoten, wat daar-
na bij een van de directeuren van de Bij, de indoloog Charles van Blommestein, een soortgelijk effect had... Maar - zoals Lubberhuizens biograaf Wim Wennekes in 1994 schreef - ‘Fred Batten, die het manuscript voor publicatie gereed had gemaakt, weigerde het rode potlood te hanteren en liet dat in boze brieven weten.’19 Tenslotte zou Sjahrirs boek in december 1945 onder de titel Indonesische overpeinzingen bij de Bij gepubliceerd worden. In Criterium werd hiervan een voorproefje gegeven.
De redactie schreef ter inleiding op deze publicatie, waarbij de verwijzing naar de ‘wending’ in Indonesië natuurlijk op het uitroepen van de onafhankelijkheid slaat: ‘Het fragment, dat wij hier afdrukken, was reeds in ons bezit lang voordat de toestand in Indonesië de wending had genomen, die ons allen bekend is. De publicatie van het stuk is dan ook niet bedoeld als een knieval voor de actualiteit, maar omdat het ons van belang leek onze lezers kennis te doen maken met de inzichten en overpeinzingen van een man, die in elk land tot de elite zou behooren en wien ieder volk het zich tot een eer zou rekenen hem onder zijn zonen te tellen. Het is onze overtuiging, dat zijn opmerkingen en zijn bezonnen oordeel Nederlanders en Indonesiërs alleen maar van nut kunnen zijn.’20
In zijn dagboek, daterend dus van vóór de Tweede Wereldoorlog, schreef Sjahrazad over toekomstige mogelijkheden van samenwerking tussen Nederland en Indonesië waarbij hij diverse kritische noten kraakte: ‘Er zal in dit “Nederlands-Indië” nog heel wat moeten veranderen, voordat er van een werkelijke samenwerking, ook zonder struisvogelpolitiek, sprake kan zijn. In de eerste plaats een morele omwenteling bij de Nederlanders, in de tweede plaats een mentaliteitsverandering van de Indonesiërs, een zichvrij-maken van hun wantrouwen, vrees, haat en inferioriteitscomplex.’
Sjahrazad zag dit proces niet zonder vertrouwen tegemoet, want onmiskenbaar was de afstand tussen Indonesiërs en Nederlanders de afgelopen periode al aanzienlijk kleiner geworden: ‘Er is feitelijk al geen grievendgrove rassenwaan van de Nederlanders meer en ook de overgevoeligheid van Indonesische zijde is al heel wat minder geworden. Gezien en begrepen in het licht van de driehonderdjarige aanraking tussen Nederlanders en Indonesiërs is inderdaad de mentaliteitsverandering van beide groepen de laatste jaren revolutionnair te noemen.’21
De reacties op het eerste nummer van Criterium waren in het algemeen positief. Zo schreef Het Parool op 11 december: ‘Veel goeds is er, gelukkig, te zeggen van Criterium (J.M. Meulenhoff, Amsterdam), algemeen en cultureel maandblad. Behalve de interessante en uitstekend geschreven dagboekbladen van Sjahrazad [...] bevat het voortreffelijke poëzie van de redacteuren Aafjes en Morriën en van H.A. Gomperts. Het proza van M.Va-
salis (dagboekbladen) behoort tot het beste wat wij in jaren lazen; dat van W.F. Hermans is een verrassing en doet verlangen naar nadere kennismaking met zijn werk.’22
Intussen was in november de tweede aflevering van Criterium verschenen met een opvallende bijdrage: het verhaal ‘Marja, een vrouw’, dat de jonge schrijfster Anna Blaman al in het eerste jaar van de Duitse bezetting geschreven had. Zij had het daarna aan de redactie van het vroegere Criterium aangeboden, die het verhaal inderdaad in haar blad wilde plaatsen. Daarbij had de redacteur Ed. Hoornik wel enkele wijzigingen voorgesteld, die waarschijnlijk te maken hadden met een passage over de inval van de Duitsers en het bombardement van Rotterdam. Hoewel Anna Blaman daarop haar verhaal hier en daar veranderd heeft, is het tijdens de bezettingsjaren niet meer in Criterium verschenen.23
De hoofdpersoon van ‘Marja, een vrouw’ is de nog jonge Michel, die de getrouwde Marja, bij wie hij in huis woont, met erotische fantasieën omspeelt. Het begin van het verhaal luidt: ‘Als je van uit de winkel de gang door liep de kamer in vond je een stilte daar die in de loop der jaren een overdreven vergelijking had gewekt, die met het Paradijs. Michel had, met het woord, het nieuw besef ontdekt van dralen op de drempel, van kijken met volkomen intensiteit en van het diep vertrouwd hervinden van een evenwicht. De zon scheen in die tamelijk beperkte ruimte en schiep een wonderlijk bedeesde helheid, de kleurenscala was er nuchter en toch warm, de rozen op de tafel schenen eeuwig half uitgebloeid. En meestal vond hij Marja 't laatst. Ze was er, wist hij, aan de tafel, bij 't buffet of aan het venster dat op tuinen uitzag. Ze was er, en het was niet nodig haar te zoeken. Zo vond hij haar het laatst.
De baas die in de winkel was wist als hij binnen kwam, alleen al door het feit dat hij er zitten ging, de sfeer te wijzigen. En Marja werd dan anders. Groter, vond hij, en belangrijker, meer vrouw. Maar hij vond ook dat beide Marja's, die van het Paradijs en die als echtgenote, onopvallend bleven, dat men ze lief moest hebben om ze mooi te vinden.’
Later in het verhaal volgt dan het fragment waarin de meidagen van 1940 beschreven worden: ‘Toen brak de vijfdaagse oorlog uit. Het was een overrompeling bij 't eerste ochtendgloren. Alles wat gisteren nog waarde had telde niet meer. Michel was een der velen die vochten voor het vaderland waarvoor de liefde bij het vallen van de eerste bom herboren was. Marja was vergeten. Heel het verleden was vergeten. En Michel zelf was maar gewoon
soldaat met een geleende uniform, met een geleend geweer - maar van hemzelf was toch zijn leven, dat had hij er voor over als 't moest.
De vijfde oorlogsdag vocht hij in Rotterdam, de stad die door haar lijden op die dag een tweede Golgotha geworden is. Hij en een handvol kameraden stonden in de straten en schoten met geweren omhoog. De bommenwerpers hoefden dat heldhaftig zwak verweer niet ernstig op te vatten. Ze ronkten en floten en strooiden bommen uit of 't pepernoten waren. Bommen en brandbommen. De huizen stortten fantastisch in elkaar, de branden loeiden droog en heet naar alle kanten en vraten hele straten weg. Boven dat alles straalde een onbarmhartig mooie juichende Meihemel.’24
Deze aflevering bevatte verder een reeks verzen van Gerrit Achterberg, die overigens niet door alle redacteuren bewonderd werden. Op de circulatie-envelop noteerde Huib Drion: ‘Ik durf nauwelijks over deze gedichten te oordelen: zij “raken” me niet.’25 Een van Achterbergs verzen die in dit nummer gepubliceerd werden, was ‘Teling’:
In het tweede nummer werd ook een fragment opgenomen uit een nog ongepubliceerde roman van Adriaan van der Veen, getiteld Wij hebben vleugels. Van der Veen, die al voor de oorlog met Adriaan Morriën in contact gekomen was en die tijdens de bezettingsjaren in de Verenigde Staten woonde, deelde hierover in 1993 mee: ‘Dat fragment heb ik uit Amerika opge-
stuurd. De roman Wij hebben vleugels had ik in New York geschreven en hij zou kort daarna bij Querido verschijnen.’27
Van der Veen had in dit boek herinneringen aan zijn jeugd in Schiedam verwerkt, zoals de tijd dat hij bediende in een boekwinkel was: ‘Antons eerste verantwoordelijke opdracht in de boekwinkel was het verzorgen van de leesportefeuille, waarvan Blom werd ontheven, omdat hij het te druk kreeg. In werkelijkheid, wist de Bie te vertellen, hield de baas er niet van, dat Blom fratsen met de jongens uithaalde. Anton zag tegen het nieuwe werk op, niet alleen omdat hij het ingewikkeld vond Die Woche, l'Illustration, The Graphic, Morks Magazijn en tientallen andere tijdschriften over de eerste, tweede, derde, vierde of vijfdeweeks abonné's te verdeelen, maar ook omdat hij niet goed wist hoe hij de loopjongens en den magazijnbediende, die “onder” hem stonden, moest behandelen. Hij had zichzelf zelden boven of onder, maar meestal ver van anderen gevoeld. Volgens De Bie moesten de loopjongens voortdurend op hun plaats gezet worden. Maar Anton vroeg zich af waar hun plaats was. Het hondsbrutale jochie met wie Blom zoo graag vocht, was een vreemde en soms verwarrende verschijning uit een wereld, die Anton niet kende. Hij was licht, vlug, zijn stem was rauw, zijn oogen schitterden en openden zich wijd en onschuldig, wanneer hij de grofste leugens verkondigde. Hij was anders, maar daarom niet minder.
Anton verbeeldde zich, dat niemand iets van zijn onzekerheid merkte.’28
Hierna verscheen het dubbelnummer 3-4 van Criterium, gedateerd december 1945-januari 1946 en met een omvang van zesennegentig bladzijden. Dit nummer opende met het gedicht ‘Appelboompjes’ van M. Vasalis:
Dit dubbelnummer bevatte verder een beschouwing onder de titel ‘De Jazz als cultureel symptoom’ van de in Groningen wonende dichter en essayist Hans Redeker. Hierin stelde deze vast dat de cultuur van die tijd de allure van vroegere beschavingen miste: ‘[...] dit heden heeft het verleerd en vergeten, dat cultuur en leven een eeuwige geestelijke inspanning beteekent, een geestelijke instelling van zich inhouden, openen en óptillen. De mensch van vandaag láat zich leven, hij drijft op een cultuur, die zíjn cultuur niet meer is, hij ontwikkelt zich maar heeft de ware cultureele instelling vergeten [...].’
Volgens Redeker was vooral de jazz een veelzeggend symptoom van de manier waarop de moderne mens zich tegenover de beschaving opstelde: ‘Sarabande, Menuet en ook de Weener wals, de geestelijk bezielde rhythmen, melodieën en harmonieën van Bach of Scarlatti, Mozart of Haydn, Schubert, Berlioz of Brahms, zij losten op in de dof-trommelende obsessies, de notenflarden en de verscheurde kreten der moderne levende muziek.’
En verder: ‘[...] de lijn die wij hier in de muziek namen, laat zich door alle gebieden van het leven vervolgen. In de literatuur stortte de wijde, breed-gewelfde spanning der volzin ineen doordat de innerlijk-geestelijke spanning daaraan ontbrak. Zij werd een inhoudslooze vorm in de handen van wie haar nog gebruikte en moest wijken voor de stameling, de kreet, de korte gepointilleerde zin, in uiterste instantie voor het woord.’30 Het is saillant dat Redeker, die nog geen jaar later redacteur van Het Woord zou worden, hier de dominerende positie van ‘het woord’ in veel eigentijdse literatuur vooral als een uiting van verval zag!
Een interessante kwestie stelde in dit dubbelnummer van Criterium de jurist C.H. (‘Carel’) Telders aan de orde. Deze neef van de in de oorlog omgekomen hoogleraar in het volkenrech mr. B.M. Telders schreef in zijn essay ‘Onze regeeringsvorm’ over de manier waarop bij ons kabinetten tot stand komen: ‘Het ministerie berust hier te lande [...] op een compromis, dat de kamerfracties nà de verkiezingen onderling aangaan. Regeeren is uitkomst van compromis en zal zulks blijven; doch het compromis dient door de kiezers zelf gesloten te worden gelijk met de verkiezingen. Gebeurt dit,
dan zal het parlementaire stelsel, dat ten onzent aan het doodloopen was, verlevendigd worden [...].’31
Om dit te bereiken pleitte Telders ervoor bij de samenstelling van het parlement de evenredige vertegenwoordiging af te schaffen en in plaats daarvan het districtenstelsel in te voeren: een voorstel dat eerst twintig jaar later met de opkomst van d'66 volop in de publieke belangstelling zou komen. Toen Telders' essay gepubliceerd werd, moesten de eerste naoorlogse verkiezingen voor de Tweede Kamer overigens nog gehouden worden.
In hetzelfde nummer was een bijdrage van Bertus Aafjes onder de titel ‘Capriccio Italiano’ opgenomen, waarin hij over een tocht vertelde die hij in de jaren dertig, gewapend met knapzak en Divina commedia, naar het benedictijnerklooster op de Monte Cassino gemaakt had. Hij was er erg gelukkig geweest, maar tijdens de oorlog zou het klooster grondig verwoest worden: ‘Later [...] bladert men toevallig een tijdschrift door en ziet er de trieste puinen van een gouden herinnering. De kloostermuren zijn met de grond gelijk gemaakt en waar het klooster eertijds stond, ziet men een veld van kraters. En alsof dat niet genoeg is, krijgt men plotseling een foto onder ogen, waarop nog de brokstukken der muren en het venster van een cel over zijn. Weggedoken achter het venstergat zit de altijd eendere soldaat onder zijn stalen helm en bedient het machinegeweer. En plotseling - men zou het zweren - ontdekt men achter hem op de muur het fresco, waaronder men iedere dag wakker werd en identificeert aan de rondingen der bergtumulten, die ver en vaag door het vensterstuk zichtbaar zijn, het gulden uitzicht van iedere ochtend.’32
Hierna verscheen de vijfde aflevering van Criterium, gedateerd februari 1946. In dit nummer publiceerde de drieëntwintigjarige Amsterdamse dichteres Hanny Michaelis, die in die tijd bij Meulenhoff op kantoor werkte, drie verzen, waaronder ‘Childrens corner (Debussy)’:
Een andere opvallende bijdrage in deze aflevering was het bekende essay ‘De romantische wortels van de democratie’ van de redacteur Huib Drion, die zijn beschouwing opgedragen had aan een in de oorlog omgekomen vriend, de verzetsstrijder Denis Mesritz.
Drion vertelde in 1992 over deze jurist die tijdens de bezettingsjaren de contactpersoon geweest was tussen de leiding van het studentenverzet - de ‘Raad van Negen’ - en het blad van de gebroeders Drion, De Geus: ‘Mesritz was een voortreffelijke man, die zich helemaal in het illegale werk gestort heeft. Hij is helaas in het laatste jaar van de oorlog, weggaande van ons huis, in de trein opgepakt en toen is ontdekt dat hij bovendien “half-joods” was. Hij heeft het niet overleefd. Een zeldzaam integere en fijngevoelige man, die geweldig veel voor de illegaliteit gedaan heeft.’
Het essay ‘De romantische wortels van de democratie’, dat Drion blijkens het onderschrift al in april 1944 had geschreven, was de uitwerking van een lezing die hij voor een Haags gezelschap gehouden had. Hij wilde daarin vooral het elite-denken, dat in de jaren dertig in brede kring populair was, aan de orde stellen.
In zijn beschouwing ging Drion ervan uit dat de democratie berust op de gedachte dat datgene wat alle mensen met elkaar verbindt, belangrijker is dan wat hen van elkaar onderscheidt. Drion: ‘Vooral na de Fransche revolutie en de romantiek heeft deze gedachte wortel geschoten. Zij is het levenwekkende principe van de democratie. “Ik had dadelijk het groote beginsel ontdekt”, laat Valéry Larbaud zijn cosmopolitischen millionairszoon Barnabooth zeggen, “dat alle menschen gelijk zijn, of liever dat dat onherleidbaar en verborgen iets, de ziel, in alle menschen gelijk is. En dat alles wat daarbij kan komen: het genie, de kennis, de intelligentie, de goede manieren, niets meer dan een struikje op de rug van dat Himalayagebergte vormt”.’
Drion schreef hierna over het gevaar dat het elite-denken voor de democratie vormt: ‘Wij moeten beseffen, dat de democratie, juist door haar romantische elementen, nooit in veiligheid verkeert; dat de evenwichtstoestand van de democratische maatschappij een labiele is. Wij moeten de
romantische élitestrevingen in ons beheerschen en ons voortdurend blijven doordringen van de democratische grondgedachte, dat “the things common to all men are more important than the things peculiar to any men”.’34
In 1992 merkte Drion over het thema van zijn essay op: ‘Het probleem is dat kunstenaars vaak een beetje twijfelachtige steunpilaren van de democratie zijn, omdat hen natuurlijk juist het burgerlijke in de democratie helemaal niet aantrekt.’ In 1966 zou Drion ‘De romantische wortels van de democratie’ opnemen in zijn bundel Het conservatieve hart en andere essays.
Het zesde nummer van Criterium, dat halverwege maart uitkwam, opende hierna met twee gedichten, getiteld ‘In het park’ en geschreven door Rudie van Lier. In het eerste vers hiervan wordt een innerlijke strijd, die voor Van Liers houding in het leven typerend is, via uiteenlopende personages verbeeld:
Een andere dichter die aan deze aflevering meewerkte, was de Antwerpenaar Maurice Gilliams, die in Nederland vooral met zijn poëzie en zijn roman Elias of het gevecht met de nachtegalen (1936) veel lezers geboeid had. Gilliams, wiens huwelijk kinderloos gebleven was, publiceerde hier twee verzen, waaronder ‘Tweespraak in de herfst’. Het is geschreven in de elegische toon die zo kenmerkend voor hem is. Onder deze toon blijken intense gevoelens schuil te gaan:
Daarnaast maken ook de vier gedichten van Hendrik de Vries die in deze aflevering gepubliceerd werden en waarin zich vooral liefdesverwikkelingen afspelen, een dramatische indruk. Het laatste vers waarin de storm lijkt te zijn gaan liggen, is getiteld ‘Idylle’:
Intussen had een van de meest veelbelovende schrijvers uit die eerste naoorlogse jaren, de eenendertigjarige J.J. (‘Joop’) Klant, aan de redactie van Criterium een fragment gestuurd uit zijn nog ongepubliceerde roman De geboorte van Jan Klaassen. Klant, die in Amsterdam economie gestudeerd had, was van plan binnenkort naar Zuid-Afrika te verhuizen,
Nadat Morriën hem meegedeeld had dat het door Klant opgestuurde fragment onder de titel ‘Eenzaam’ in het blad gepubliceerd zou worden, antwoordde deze hem op 8 april: ‘Het doet mij plezier dat de redactie van “Criterium” heeft besloten “Eenzaam” op te nemen.’
En - met een verwijzing naar het in het eerste hoofdstuk genoemde tijdschrift Symbool, dat Elsevier uitgeven wilde, maar dat nooit verschenen is -: ‘Ik heb er al bijna spijt van dat ik ook kopij heb gegeven aan “Het Woord” en “Symbool”, hoewel ik [me] er natuurlijk door in mijn ijdelheid gestreeld voel en het niet onbelangrijk vind dat ik daarmee wat geld verdien.’
Hierna merkte Klant op dat de verschillende literaire bladen zo weinig eigen karakter vertoonden, waaraan hij toevoegde: ‘Er is sedert de bevrijding zoveel over de kunst gepraat, het is toch veel belangrijker kunst te maken. Hoewel, hoewel - het zou toch niet zo gek zijn, als er onder ons een jonge van Deyssel was. Die heeft sommige mensen, na hun eerste optreden, eenvoudig het zwijgen opgelegd, zo bang waren zij voor een volgende critiek. Er zijn tegenwoordig vele half-intellectuelen die schrijven over kunst, die reeds de geschiedenis van de komende eeuw in hun zak hebben [...] en
die beter plan-economen hadden kunnen worden; en ook vele halfzachte jongelingen die dichtertje spelen, maar het niet verder brengen dan geitje. Geitjes zijn aandoenlijke diertjes als zij hulpeloos staan te blaten aan hun touw, maar hun gemekker is zo machteloos. Zij ontroeren door hun existentie als blatend geitje, maar bepaald niet door hun dichterschap. Het zou daarom plezieriger zijn als ze in de wei bleven. Is er geen middel om de geitjes in het klaverveld te drijven en de economen naar het plan-bureau?’38
Kort hierna verscheen de zevende aflevering van Criterium, gedateerd april 1946. Een van de medewerkers aan dit nummer was E.P. (‘Mom’) Wellenstein, met wie Huib Drion kort na de bevrijding in contact gekomen was: Wellenstein had toen de Delftse studenten vertegenwoordigd tijdens een internationale conferentie in Zwitserland, waarbij ook Drion van de partij was.
Wellenstein, die enkele maanden later een groot deel van de Verenigde Staten bereisd had, publiceerde in Criterium over allerlei aspecten die hem tijdens zijn bezoek opgevallen waren.
Een van de onderwerpen waarover hij schreef, was de verhouding tussen mannen en vrouwen, die in de Verenigde Staten op sommige punten anders was dan in Nederland, waar het verschijnsel van de buitenshuis werkende vrouw nog vrijwel onbekend was: ‘De positie der vrouw in de u.s.a. is zeer interessant. Zij is dermate aan den man gelijk geworden, dat er iets vrouwelijks verloren is gegaan. Wellicht was dit onvermijdelijk, doch naar mijn opvatting is dit verlies ernstig, daar het aan de samenleving haar stabiliteit en fundatie eenigszins ontneemt. Aan den anderen kant is zij in vele opzichten tot een ontplooiing gekomen, die bijzonder plezierig treft. Het liefdesleven maakt niet den indruk op een hoog peil te staan. (Good husbands and bad lovers.) De vrouwen zijn veelal meer geïnteresseerd in de problemen der wereld dan de mannen en leggen een groote activiteit aan den dag, ook onder studenten; zij maken soms den indruk een meerderwaardigheidsgevoel te bezitten.’
Van uiterst actueel belang was wat Wellenstein schreef over de Amerikaanse publieke opinie ten opzichte van het pas opgelaaide conflict tussen Nederland en Indonesië: ‘Nederlandsch-Indië, waarover de pers zeer veel en vrijwel zonder uitzondering fel publiceert, maar het publiek nog feller is. Hoewel de critiek van een natie, die met een negerprobleem worstelt, de kolonie Puerto Rico langen tijd aan een wanbeheer heeft overgelaten, de autochthone bevolking vrijwel heeft vernietigd en haar geen burgerr