Zoals we aan het eind van het vorige hoofdstuk gezien hebben, waren de laatste nummers van de eerste naoorlogse jaargang van Criterium enkele weken later verschenen dan de bedoeling was. De nieuwe jaargang kwam daardoor wat traag op gang. Bovendien had Adriaan Morriën het druk, doordat hij in februari - in een van de strengste winters van de eeuw - met zijn gezin van de Nieuwe Keizersgracht naar de hoofdstedelijke Plantage Muidergracht zou verhuizen.
Ook al verscheen de eerste aflevering van jaargang 1947 dus niet op tijd, dat betekende niet dat de uitgever en de redactie apathisch de ontwikkelingen afwachtten, integendeel. Zo liet John Meulenhoff een typografisch fraai verzorgde reclamefolder drukken, waarin opgemerkt werd: ‘Criterium, in 1940 opgericht, publiceert werk van de beste jongere en oudere letterkundigen en dichters. Sinds de wederverschijning na de bevrijding is de basis van het tijdschrift in algemeen culturele zin verbreed. De redactie streeft er naar ook die verschijnselen en problemen te doen belichten, die van internationaal belang zijn. Dit bepaalt mede de strenge maatstaven die zij aanlegt.’1
Ook de redactie ging voortvarend aan de slag, waarbij vooral de pas benoemde redacteur Arthur van Rantwijk, die bij Groot Nederland al redactionele ervaring opgedaan had, zich actief toonde. Aan het begin van het jaar stuurde hij een ongedateerde brief over de opzet van het tijdschrift aan de rest van de redactie. Ook John Meulenhoff kreeg hiervan een afschrift.
In zijn brief, getiteld ‘Eenige opmerkingen over Criterium’ en met een omvang van maar liefst vijf volgetypte velletjes, schreef Van Rantwijk: ‘Jullie zijn het waarschijnlijk wel met mij eens, dat Criterium nog lang niet ideaal is. Allen hebben wij onze desiderata, die reeds tot allerlei plannen tot verbetering van het tijdschrift hebben geleid. Ik vrees echter dat wij met die plannen zullen vastloopen, indien wij niet voor de loop van dit jaar - wanneer er meer papier komt kunnen we verder zien - een systematische opzet maken voor de indeeling en de samenstelling van de nummers. Van zoo een schema kunnen wij, wanneer dit nuttig is, altijd nog afwijken, maar m.i. moeten wij beginnen met er een te hebben.’
Van Rantwijk merkte verder op dat de Criterium-nummers nog altijd
te weinig pagina's telden. Hij schreef met het oog hierop: ‘Om het tijdschrift zoo gevarieerd en zoo volledig mogelijk te maken, moeten we met de ruimte woekeren. Indien wij ons bij onze plannen voor buitenlandsche brieven, kroieken [kronieken], tijdschriftoverzichten, documenten, notities over actueele gebeurtenissen, bijdragen over film en beeldende kunst enzn [enz.] enz. niet de noodige beperking opleggen, krijgen we naar ik vrees een onevenwichtig en rommelig geheel.
Van de 65 pag. waarover wij beschikken, gaan er nu maandelijks 10 af voor de roman van Willem Frederik Hermans. Met alle waardeering voor dit product, lijkt het mij een niet zoo gelukkig besluit bij den beperkten huidigen omvang reeds een roman te plaatsen. Doch dit is eenmaal geschied en nakaarten heeft geen zin.’
Verder deed Van Rantwijk de suggestie dat Adriaan Morriën als redactiesecretaris vóór elke redactievergadering een voorstel voor de samenstelling van het volgende nummer zou rondsturen en tijdens de vergadering de genomen beslissingen zou notuleren.
Tenslotte merkte hij op: ‘Adriaan M. zal denken dat ik hem steeds meer werk op zijn hals wil schuiven, maar ik zou hem ook van een hoop onnoodig werk willen afhelpen. Hij maakt het zich bij de terugzending van de kopij veel te moeilijk. Ik doel hier op zijn litteraire adviezen, die hij aan de vele zwakke broeders en zusters, wier werk is afgewezen, zoo rijkelijk verschaft. Deze goed bedoelde adviezen, uit zijn vriendelijke inborst voortspruitend[,] kosten hem naar ik vermoed veel tijd; zjjn welwillende “aanmoedigingen” leiden tot steeds weer nieuwe inzendingen, die weer geweigerd worden en hem opnieuw tijd kosten. Bij vele tijdschriften is het gebruik de afgewezen bijdragen met een gedrukt kaartje, waarop de mededeeling dat de redactie de inzending tot haar spijt niet kan plaatsen enz., terug te zenden. Het geven van litteraire adviezen behoort m.i. niet tot de taak van de redactie.’2
De opmerkingen van Van Rantwijk waren in veel opzichten ter zake, want - hoe voortvarend de zaken ook aangepakt werden - de organisatie van een en ander verliep vaak niet zo vlot als wenselijk was. Vooral de toezending van recensie-exemplaren liep geregeld vertraging op, wat dan weer tot allerlei irritaties leidde.
Willem Frederik Hermans schreef hierover in een ongedateerde brief aan Adriaan Morriën, waarbij ‘'t Rokin’ naar uitgeverij Meulenhoff verwees: ‘Vanochtend ben ik naar 't Rokin geweest om te zien wat er geworden was van de boeken die ik ter recensie had gevraagd. Nog niets. Iersche nachten was uitverkocht. Is er nu werkelijk niets aan te doen dat dit wat vlotter gaat?’
En verder: ‘Wij moeten toch de hele opzet van de critische rubrieken
nog eens goed bespreken. We moeten ongeveer een aantal vaststellen van critieken die wij iedere maand willen geven. B.v. één groote kritiek over een belangrijk boek, en een aantal kleine over minder belangrijke. Maar dan moeten er meer en critische medewerkers voor komen, b.v. Sierksma en Den Haan.’3
In dezelfde tijd vatte Hermans het plan op om - na zijn toespraak ter herdenking van Arthur van Schendel en zijn roemruchte artikel ‘Snerpende critiek’ van een paar maanden eerder - een essay te schrijven waarin hij de houding van de jongeren ten opzichte van de erfenis van Forum uitgebreid aan de orde wilde stellen.
Een goede aanleiding daartoe leek hem de publicatie van een reeks brieven die de vroegere redacteur van dit blad, E. du Perron, in de jaren dertig aan Adriaan van der Veen, Rudie van Lier en andere jongeren geschreven had. Het was de bedoeling deze brieven in het januari-nummer van Criterium te publiceren. Nu leek dit allemaal wel erg kort dag - hoewel het decembernummer van de vorige jaargang nog verschijnen moest -, maar als de publicatie van Du Perrons brieven enkele maanden uitgesteld kon worden, dan zou Hermans' essay daar uitstekend bij passen.
Op 16 januari schreef hij op een briefkaart aan Adriaan Morriën: ‘Heb een plan. Ontving van de week eindelijk de gevraagde boeken van Du Perron: In deze grootse tijd en Cahiers v.e. lezer. Nu werk ik aan een essay over Du P.n.a.l.v. deze boeken [...] en wilde daarin ook z'n invloed op de “jongeren” nagaan (wèl zo belangrijk als die van v. Schendel). Nu zou dit essay niet meer in het Jan nummer kunnen, maar zou het niet beter zijn het tegelijk af te drukken met de brieven. We krijgen dan een soort speciaal nummer, net als over v. Schendel. Misschien zouden jij of A.v.V. of Batten ook nog iets kunnen schrijven. Je moet dan echter voor het Jan.nummer iets anders vinden op die 23 pag. Is er niet nog een lang essay? Denk erover na. Morgen spreek ik Dresden.’4
De volgende dag, 17 januari, ging Hermans inderdaad bij Sem Dresden langs, die bereid was een nog ongepubliceerd essay- ‘De rol der kunst bij Marcel Proust’ - voor Criterium af te staan. Daarmee leek het probleem van de lege pagina's in het januari-nummer van de baan.
Onmiddellijk na zijn bezoek schreef Hermans aan Morriën: ‘Ben zojuist bij Sem D. geweest. Heb een essay over Proust uit zijn ... gepulkt, dat hijzelf niet zo erg goed vindt weliswaar, maar we kunnen zien, als opvulling voor de brieven van Du Perron eventueel.’5
Morriën bleek het hierna met Hermans' voorstel eens te zijn, zodat de publicatie van Du Perrons brieven tot het maart-nummer uitgesteld werd. Dresdens beschouwing over Marcel Proust zou met het oog daarop al in de januari-aflevering gepubliceerd worden.
Intussen had Anna Blaman een verhaal geschreven onder de titel ‘Zonder honger, zonder medelijden’. Op 9 januari schreef ze hierover aan haar vriendin Jacqueline Meulenhoff: ‘Deze voorbije week-end heb ik een novelle voor jou geschreven, en als je die even mooi vindt als ikzelf, vraag ik of die in Criterium mag komen. Ik heb hem in klad, en zit hem nu te tikken, wat betekent dat ik me er nog tegenover verhoud alsof ik een meesterwerk aan 't schrijven ben.’6
Tien dagen later, 19 januari, schreef ze Jacqueline Meulenhoff opnieuw: ‘Hierbij stuur ik je de beloofde novelle die nogal naargeestig uitgevallen is. Ik weet helemaal niet of je hem mooi kan vinden, maar zo niet mooi, dan toch misschien wel interessant. Ik zal de doorslag naar Criterium sturen. Misschien voelt de redactie er wat voor. Maar dan zonder “voor Jacqueline” want waarom zou nu juist dit naargeestige verhaal aan jou opgedragen zijn. Hoewel ik het geschreven heb in het plezierige besef dat dat a h w bij afspraak met jou gebeurde.’7
De redactie bleek hierna weinig opgetogen over ‘Zonder honger, zonder medelijden’. Morriën schreef op de circulatie-envelop: ‘Erg goed, maar naar mijn smaak te omslachtig, en een flink beetje hysterisch; overigens voor.’ Hermans reageerde daarop met: ‘Verhaal kan wel goed zijn, ik heb het niet uitgelezen.’ Ook Van der Veen was negatief: ‘Het spijt me, maar ik kan er niks aan vinden. Aanstellerig, literair.’ Van Rantwijk was deze keer het meest uitgesproken: ‘Ik kan geen woorden vinden om mijn afgrijzen uit te drukken. Een blam(an)age!’8
Intussen was het januari-nummer niet al te ver over tijd uitgekomen. Als om net jaar goed te beginnen, telde deze aflevering tachtig pagina's, dus zestien meer dan in de afgelopen maanden de gewoonte geweest was. Zoals op het omslag vermeld werd, bedroeg de abonnementsprijs f 17,- per jaargang.
Een grote verrassing in dit nummer waren drie verzen van de vierendertigjarige Amsterdamse leraar in de Engelse handelscorrespondentie Jan Hanlo (1912-'69). Deze gedichten waren - afgezien van een publicatie in het blad van het instituut Schoevers waar Hanlo in die tijd werkte - zijn poëtisch debuut.
Hanlo had enkele maanden eerder een keuze uit zijn verzen aan de re-
dactie van Criterium ter inzage gestuurd: met het oog zowel op publicatie in het tijdschrift als op de uitgave van een afzonderlijke bundel bij Meulenhoff. Op 23 november had Adriaan Morriën hem geantwoord: ‘Uw bundel gedichten heeft bij de redactie van Criterium gecirculeerd. Met belangstelling hebben wij de verzen gelezen en graag zouden wij van U een aantal van deze gedichten afzonderlijk ingezonden krijgen, dan kan ik deze verzameling in zijn geheel aan Mevrouw Meulenhoff ter verdere beoordeling geven. Zendt U ons dus, als U wilt: “Aan de winter”, “Wij komen ter wereld”, “graven”, “een woest en ledig ideaal”, “illusies”, “Vogels”, “Wat zij bedoelen” en het laatste gedicht uit deze verzameling. Ik kan U niet verzekeren, dat al deze verzen in Criterium opgenomen worden, maar ik heb de keuze een beetje ruim genomen om zo scherp mogelijk te kunnen kiezen. Wij zullen stellig wel een of enkele verzen van U willen opnemen.
Mocht U inmiddels nog nieuwe verzen hebben geschreven, dan zouden wij die graag ook ter kennisneming ontvangen. Misschien kunt U ze eens bij mij aanreiken.’9
Nadat Jan Hanlo aan dit verzoek voldaan had, schreef Adriaan Morriën hem op 13 december opnieuw: ‘Hierbij zend ik U de gedichten, die wij niet in Criterium opnemen, weer terug. Zoals U ziet, hebben wij een drietal gehouden, dat wij graag, waarschijnlijk reeds in Januari, in het tijdschrift zullen plaatsen.’ Deze drie gedichten waren ‘Wij komen ter wereld’, ‘Graven’ en ‘Vogels’
Morriën schreef verder: ‘Wat de vertalingen van Uw verzen betreft, die U mij heeft gezonden, ze lijken mij goed. Maar ik moet zeggen, dat ik over Engels moeilijk een oordeel durf uitspreken.’10
Tot de verzen die in het januari-nummer opgenomen werden, behoorde dus het schitterende gedicht ‘Wij komen ter wereld’, dat later - met zijn ongewone weergave van het tijdsverloop in een mensenleven - een grote bekendheid zou krijgen:
Een andere dichter die aan dit nummer meewerkte, was Gerrit Achterberg, van wie liefst dertien verzen gepubliceerd werden. Een ervan was ‘Sneeuw’:
Deze aflevering bevatte verder een fragment uit De tranen der acacia's van Willem Frederik Hermans, een essay van Arthur van Rantwijk, getiteld ‘Een aestheet van het intellectualisme’ en gewijd aan de Franse schrijver Julien Benda, en een waarderende bespreking van de poëzie van Pierre Kemp door Adriaan Morriën. Daarnaast publiceerde Adriaan van der Veen in dit nummer het verhaal ‘Idylle in New York’, dat in oktober 1942 al in het tijdschrift De Stoep op Curaçao verschenen was.
Jan Hanlo, die blij was dat Criterium enkele verzen van hem geplaatst
had, stuurde hierna opnieuw gedichten in, maar de redactie voelde er niet voor nu weer verzen van hem op te nemen. Op 21 februari schreef Adriaan Morriën hem: ‘Namens de redactie van “Criterium” zend ik U hierbij Uw gedichten weer terug. Ook deze bevatten veel goeds en vooral veel fijns, maar nu wij in het Januari-nummer een drietal verzen van U opgenomen hebben, komt het ons minder geschikt voor, om reeds nu weer andere gedichten te publiceeren.
Misschien wilt U ons later nog eens een zoo groot mogelijke keuze toezenden. Wij zullen Uw inzendingen in elk geval met belangstelling lezen.’13
Kort hierna, waarschijnlijk nog in februari, kwam het tweede nummer van Criterium uit. In deze aflevering, die na het dikkere januari-nummer weer de gebruikelijke vierenzestig bladzijden telde, werden drie gedichten van Willem Frederik Hermans gepubliceerd, waaronder ‘Hölderlin’:
Hierna schreef Hermans in een kroniek onder de titel ‘De critische voorspelling’ over de roman De geboorte van Jan Klaassen van J.J. Klant, waarvan in de vorige jaargang een fragment in Criterium gepubliceerd was: ‘Ik ken nauwelijks een beter voorbeeld van een poëtische roman. Deze roman is poëtisch, niet doordat er nogal veel verzen in staan, maar door de sfeer die zo indringend is, als de geur van afgevallen bladeren langs een gracht. Alle gevaren waaraan Klant zich met dit bijna allegorische gegeven blootstelde, weet hij door zijn poëtische elegantie te overwinnen. Het boek is eerlijk tot in de eerlijkheid waarmee naar een eigen stijl wordt gezocht (het gebruiken van gemeenplaatsen die van een sneer worden voorzien) en al maakt dit soms een wat studentikoze indruk, hinderlijk is het niet. Multatuli deed het soms ook. Deze lange novelle getuigt verder van een niet gering compositietalent. Het gevecht met de schaakstukken is er de meest onvergetelijke scène in. - Als men een etiket wil voor deze kleine Amsterdamse épopée: het meest opmerkelijke prozadebuut na de bevrijding.’15
Zoals eerder werd vermeld, werden hierna in de derde aflevering van Criterium, gedateerd maart 1947, de brieven gepubliceerd die E. du Perron tussen 1931 en '40 aan sommige jongeren geschreven had. Deze publicatie onder de titel ‘Brieven aan de jongelingschap’ was door Fred Batten verzorgd. Daarbij was het essay geplaatst dat Willem Frederik Hermans in januari op een briefkaart aan Adriaan Morriën aangekondigd had en dat hij de titel ‘E. du Perron als leermeester’ meegegeven had.
Pikant was dat in dit essay ook Hermans' mederedacteuren Morriën en Van der Veen in het voorbijgaan op de korrel genomen werden: ‘Aan Du Perron's invloed, invloed in pejoratieve zin, kan men slechts ontkomen, in zoverre men zich zijn opvattingen over eerlijkheid en oorspronkelijkheid eigen maakt en op zijn eigen élan durft te vertrouwen. Van Lier, Morriën, Van der Veen en Gomperts b.v. hebben zich zeker Du Perron's opvattingen over eelijkheid en oorspronkelijkheid eigen gemaakt, zijn élan en beweeglijkheid echter nog niet.’
Adriaan Morriën merkte hierover in 1992 op: ‘Dat was mooi brutaal van hem. Hieraan kun je zien, hoe verdraagzaam wij waren.’16 En Adriaan van der Veen in 1993: ‘Ik ben nooit, in geen enkel opzicht, onder de invloed geweest van Du Perron. Noch in mijn essayistisch werk en ook niet in mijn romans.’17
Met betrekking tot Du Perrons invloed op een breder publiek constateerde Hermans: ‘Wat betekent Du Perron als leermeester voor het Nederlandse volk? Du Perron en Ter Braak worden in één adem genoemd als Goethe en Schiller. Wie van de twee de grootste is, wil ik hier niet uitmaken. Maar Ter Braak had veel meer bindingen met het Nederlandse volk dan Du Perron. Hij werd beter begrepen, hij schreef over “belangrijke vraagstukken”; en zijn invloed is veel groter. Hij had een bezwerende toon, waar Nederlandse oren op zijn ingesteld. Du Perron niet. Hij heeft Nederland gehaat en zich nooit voorgesteld iets te zullen bereiken met wat hijzelf al zijn “donquichottisme” noemde. Hij heeft gelijk gehad. De smaak van het publiek is geen haar beter geworden, Voeten, John Steinbeck, Schubart, Denis de Rougemont en Arthur Koestler worden voor genieën gehouden. Meer dan voor “de waarheid” (als Ter Braak) interesseerde Du Perron zich voor de bekoring der echtheid en er zijn maar weinig mensen die eisen stellen aan de wijze waarop zij bekoord worden. Als men het zo beziet en men vraagt zich af wat de invloed van Du Perron is, dan moet men zeggen nul comma nul. - Het vaak herhaalde woord van Churchill zou men met betrekking tot Du Perron als volgt moeten variëren: Nooit deed één man zo ontzettend veel voor zo verbazend weinigen.’18
Op 8 mei schreef M(ax) N(ord) over deze aflevering in Het Parool: ‘“Criterium” heeft in zijn nieuwe redacteur A. van Randwijk [Rantwijk] een uitnemend essayist er bij en het weet zich soms voortreffelijke bijdragen te verwerven (van L. Vroman, prof. Tammes, prof. Dresden en prof. Beerling), maar schiet ergerlijk tekort in eigen inzicht en werk. Een opstel als dat van de redacteur W.F. Hermans over Du Perron in het Maartnummer b.v. gaat niet boven het peil van een schoolblaadje uit, zoals trouwens de meeste van Hermans' critische en “polemische” (= ruzie) bijdragen. Morriën's essays (b.v. over Multatuli) zijn uitmuntend, maar te zeldzaam om het tijdschrift een gezicht te geven.’19
Juist in deze maanden maakten veel literaire tijdschriften - zo'n anderhalf jaar nadat ze voor het eerst na de bevrijding verschenen waren - een kritieke periode door. Er bleken er te veel te zijn voor de ook toen al kleine kring geïnteresseerden, waardoor voor elk van die bladen de spoeling wel erg dun werd.
Een van de tijdschriften waarvoor dat gold, was - zoals in het tweede hoofdstuk beschreven werd - Het Woord, dat in die tijd nog juist het hoofd boven water wist te houden, maar vanaf de zomer van 1947 nog slechts om de drie maanden verschijnen zou. Ook het jongerenblad Columbus en het literaire tijdschrift Proloog bleken te weinig abonnees te trekken. Aan het bestaan van beide bladen zou in die periode dan ook een einde komen: Columbus ging hierbij in Podium op, Proloog zelfs helemaal in rook.
Zoals we al eerder gezien hebben, was ook het abonnementental van Criterium teleurstellend klein. John Meulenhoff, die hoopte dat een tijdschriftenfusie de situatie verbeteren zou, sprak hierover in die tijd met Cola Debrot, die tussen 1940 en '42 redacteur van het vroegere Criterium geweest was. Debrot reageerde daarop met de opmerking dat het in de eerste plaats nodig zou zijn Criterium zelf grondig te vernieuwen, waarbij het accent meer op de literatuur moest komen te liggen. Hij meende dat daarbij een concentratie nodig zou zijn van alle veelbelovende jongeren, waarbij hij in de eerste plaats dacht aan de redacteuren van Podium en Criterium. Hij beloofde Meulenhoff daartoe de eerste stappen te zullen zetten.
Hoe Debrot dat precies in het vat gegoten heeft, is me - bij gebrek aan feitelijke gegevens - niet helemaal duidelijk geworden, maar in ieder geval besloot hij hierover contact met de Podium-redacteur Fokke Sierksma op te nemen. Deze was juist in die tijd betrokken bij fusie-besprekingen met Columbus.
Sierksma, die veel waardering voor Debrots literaire kwaliteiten had, verwachtte niet veel van diens plannen voor concentratie onder auspiciën van Criterium, maar hij had wel de illusie dat hij Debrot later misschien zou kunnen overhalen redacteur van Podium te worden.
Op 19 februari schreef Sierksma vanuit Groningen aan zijn mederedacteur Gerrit Borgers, dat hij Cola Debrot over diens initiatief een brief geschreven had. Hij voegde eraan toe: ‘Ik geloof er niets van, dat Debrots plannen kans van slagen hebben; Criterium is nu algemeen-cultureel en hij zou het eventueel alleen zuiver literair gewipt kunnen hebben bij Meulenhoff [...].’20
In de weken hierna bleek dat de door Debrot voorgestelde concentratie op niets zou uitlopen. De redactie van Podium hapte niet duidelijk toe: ze was - wat Debrot misschien nog niet wist - volop verwikkeld in fusiebesprekingen met Columbus en hoopte voor haar blad onderdak te zullen vinden bij de Amsterdamse uitgever Contact. Daarmee was een belangrijke voorwaarde voor de verwezenlijking van Debrots plannen weggevallen. Hij hoopte nu nog op het samenbrengen van een groep schrijvers, waaruit - eventueel, op den duur, ooit - een nieuw tijdschrift zou kunnen voortkomen.
Een probleem bij dit alles was wel dat Debrot in die tijd ver van Meulenhoff, in Zuid-Limburg, woonde: in het gehucht Oost aan de rand van Eijsden, waar hij met zijn vrouw, de balletdanseres Estelle, onderdak gevonden had.21
Ongeveer halverwege maart schreef Fokke Sierksma in een ongedateerde brief aan Gerrit Borgers: ‘Van Debrot antwoord gehad. Komt hier 2 April. Redactieplannen van de baan min of meer. Hij wil wel een groep, maar niet een tijdschrift. Verder wil hij praten. Dat is wel nodig ook.’
Bij Sierksma kwam hierna de aap uit de mouw: ‘Ik zal hem van Columbus vertellen en een redactiezetel aanbieden. Goed, hè?’
In een naschrift voegde hij er nog aan toe: ‘Je snapt wel, dat de brief van Debrot erg aardig, en erg onduidelijk was. Hopenlijk is zijn 2e practischer. In ieder geval behoeven we op een Criteriumrevolutie niet te rekenen. Zo veel snapte ik er wel van.’22
Sierksma zou Debrot hierna inderdaad een plaats in de Podium-redactie aanbieden, maar in april het deze hem weten dat hij tot zijn spijt van een redacteurschap moest afzien.
Adriaan Morriën deelde in 1992 over Debrots plannen met Criterium mee: ‘Ik kan me hiervan niets herinneren. Tenslotte zag ik Cola niet zo vaak. Het kan ook zijn dat ik het verdrongen heb.’
Intussen was Fokke Sierksma niet alleen door Cola Debrot benaderd, maar ook rechtstreeks door Adriaan Morriën. Deze stak zijn voelhorens in de richting van de redactie van Podium uit om over een mogelijke fusie van beide bladen te praten. Daarbij zal John Meulenhoff op de achtergrond ongetwijfeld een rol gespeeld hebben.
Maar ook Morriëns manoeuvre kwam op een verkeerd moment: we hebben gezien dat Podium juist in die tijd in onderhandelingen verwikkeld was met Columbus en met uitgeverij Contact.
Waarschijnlijk op vrijdag 28 maart23 schreef Sierksma hierover aan zijn mederedacteuren Gerrit Borgers en Anne Wadman: ‘Kreeg van Morriën ook een suikerzoet schrijven met o.a. het verzoek om over fusie met Criterium te praten. Ik zal hem maar antwoorden, dat wij het te druk hebben met de oprichting van een exclusief, pornografisch tijdschrift.’24
Enkele dagen later, toen het ernaar uit begon te zien dat uitgeverij Contact Podium toch niet zou gaan uitgeven, bleek de interesse van Fokke Sierksma in een fusie met Criterium plotseling sterk te zijn toegenomen. Het feit dat Criterium bij Meulenhoff uitkwam, zal hierbij een rol gespeeld hebben: in geval van een fusie zou het uitgeversprobleem voor de Podium-redactie opgelost zijn.
Op 5 april schreef Sierksma aan Gerrit Borgers: ‘Na de brief van Morriën kreeg ik vanmorgen een brief van Meulenhoff zelf, met het verzoek Podium en Criterium te fuseren. Mijn antwoord was, dat de enige mogelijkheid - die wel een fata morgana zou zijn - voor de redacties van C. en P. is, dat Columbus, Podium en Criterium fuseren op programmatische basis. “Naam en redactie zouden vanuit dit gezichtspunt vastgesteld moeten worden.” Dat is wel duidelijk, dunkt me. Loop eens bij Meulenhoff aan, wil je. Dan weten we meteen, of ze hierin trappen. Jij kent hem en zijn brief was uiterst vriendelijk en tegemoetkomend. Het zou me verwonderen, wanneer je bij een bezoek niet borrels en sigaretten kreeg.’25
Wat Sierksma schreef was inderdaad wel duidelijk: een tijdschrift ‘op programmatische basis’ betekende voor hem dat het gefuseerde blad Podium zou moeten heten en dat de Podium-redactie daarin een overheersende stem zou moeten krijgen. Dat was tot dusver ook in de onderhandelingen met Columbus steeds de tactiek van de Podium-redactie geweest.
Vier dagen later, op 9 april, schreef Sierksma Borgers opnieuw: ‘Wil je nog even de moeite nemen om bij Meulenhoff aan te lopen? Ik bedenk nl. dat we in dat geval Debrot nog gemakkelijker er bij krijgen. Maar trappen ze erin?’
En in een naschrift: ‘Je kunt Debrots naam bij Meulenhoff gerust noemen. Dan is er een kleine kans op een principiële fusie.’26
Intussen had Willem Frederik Hermans begin april tijdens een bezoek aan Parijs de Columbus-redacteur Paul Rodenko, die hij anderhalf jaar eerder voor het eerst ontmoet had, opgezocht. Beiden waren al sinds lange tijd geïnteresseerd in het surrealisme en hadden belangstelling voor de ideeën van Jean-Paul Sartre en andere existentie-filosofen. Ook persoonlijk bleken ze goed met elkaar op te kunnen schieten.
Enkele weken later - toen Rodenko voor een korte vakantie in Nederland was - ontmoetten ze elkaar weer en brachten toen samen een bezoek aan Adriaan Morriën. Tijdens dit gesprek kwam ook de tijdschriftensituatie ter sprake: Rodenko vertelde over de veelbelovende fusieplannen van Podium en Columbus, maar ook over de moeilijkheid om aan een uitgever te komen.
Morriën en Hermans suggereerden toen dat het misschien verstandig zou zijn tot verregaande samenwerking te komen: Criterium had immers al een uitgever. In dat geval zouden Rodenko en Sierksma een vaste rubriek in dat blad kunnen krijgen. Wellicht was zelfs een fusie mogelijk, waarbij voor Rodenko - en eventueel ook voor Sierksma - een plaats in de redactie van Criterium beschikbaar zou zijn. Morriën kreeg overigens tijdens dat gesprek de sterke indruk dat er opvallende verschillen waren tussen de opvattingen van Rodenko en van hemzelf.
Hij merkte hierover in 1992 op: ‘De literaire interesses van Paul gingen meer een kant uit waar verschijnselen als surrealisme en zo thuishoren. Hermans had dat ook wel. Als ik me goed herinner, hebben we wel eens overwogen om daar iets aan te doen met Criterium en daar was ik niet tegen, maar ik zag ook niet dat je met dat uitgangspunt een tijdschrift zou kunnen maken. Zeker in Nederland niet. Ik was eigenlijk tegen niets bij wijze van presentatie. Je kon best wel dingen uit de literatuur presenteren waar jezelf weinig voor voelde of niet op door wilde gaan. Ik heb wel een zekere overtuigdheid wat mijn eigen vermogens betreft en mijn eigen voorkeur, maar bij een tijdschrift ligt dat anders. Ik ben nooit zo verschrikkelijk principieel geweest. Dus ik ben in die dingen erg coulant. Maar dat houdt ook in dat ik me dan niet zo erg voor een zuiver principieel karretje laat spannen. Dat gaat me dan te ver.’
En verder: ‘Paul had heel duidelijke intenties en daar pasten sommige mensen en dingen niet in. Dat kon ik allemaal nog wel tot op zekere hoogte aanvaarden, maar wanneer dat ertoe zou leiden dat je bij wijze van spreken het hele tijdschrift prijsgaf, dan vond ik dat wel een beetje te ver gaan.’
Morriën voelde dus zekere reserves, maar stelde - gezien de weinig rooskleurige vooruitzichten voor Criterium - toch samenwerking voor. Rodenko liet duidelijk merken dat de kansen niet groot waren, maar hij
beloofde erover na te zullen denken en er met de redacties van Podium en Columbus over te zullen praten. Hij wees er daarbij wel op, dat het al moeilijk genoeg was tot een fusie tussen Columbus en Podium te komen. Daarbij ook nog een fusie met Criterium ter sprake brengen was wellicht een brug te ver.
Het bleek al snel dat in de kring rond Columbus het enthousiasme voor dergelijke plannen om en nabij het vriespunt lag. Op 25 april schreef de redacteur van dit blad, Hans van Straten, aan zijn vriend, de dichter en essayist Max de Jong: ‘Hermans blijkt in Parijs met Paul bevriend te zijn geraakt, maar de fusie met Criterium gaat toch lekker niet door. Stel je voor, die zakken wouen alleen Paul in de redactie overnemen, en Fokke mocht dan wel elke maand een kroniek volschrijven. Zeg nou zelf, dit had toch iets teveel van een onschadelijkmakingsmanoeuvre. Fokke heeft nu aan Morriën geschreven dat we bezig zijn een exclusief-pornografisch blad op te richten, en aan Meulenhoff, dat we wel voor fusie voelen, maar dat het dan een principiëel [principieel] tijdschrift moet worden, en dat redactie (!) en naam (!) vanuit dit oogpunt moeten worden bepaald. Je snapt wel.’27
Ook Fokke Sierksma bleek in die fase van alle tijdschriftcapriolen niets voor een fusie van Podium met Criterium te voelen. Op 26 april schreef hij aan Gerrit Borgers: ‘Criterium heeft fusie voorgesteld met Rodenko en mij als redacteuren voor onze groep. Dat is geweigerd. Laatste bericht van Morriën: ik begrijp, dat het voor jullie niet doenlijk is om met mensen als mij in een redactie te zitten, maar ik zou jullie aanraden om toch maar te komen praten, want er zijn naast “ideële, ook practische motieven”. Dat is de doorslaggevende reden om met Podium door te gaan, al zullen we het zelf met een handpersje drukken of cyclostyleren.’28
Bijna drie weken later, op 16 mei, deelde Adriaan Morriën aan Hans van Straten mee: ‘Bij zijn verblijf in Holland heb ik ook een avond met Rodenko gesproken in tegenwoordigheid van Hermans. Wij zouden er veel voor voelen, wanneer wij Rodenko, Sierksma en nog enkele anderen tot geregelde medewerking aan criterium konden overhalen. Maar uit het gesprek toen is mij wel gebleken, dat Rodenko bepaalde inzichten en verlangens heeft, waarmee ik mij desnoods nog wel zou kunnen verenigen, maar die zich moeilijk met onze bedoelingen laten overeenbrengen.’29
Adriaan Morriën en Willem Frederik Hermans besloten hierna nog één poging tot samenwerking te ondernemen. Op 27 mei reisden ze samen naar Groningen waar ze 's avonds bij Fokke Sierksma - nog altijd de beslissende figuur in Podium - langs gingen om bij hem persoonlijk een fusie te bepleiten.
Sierksma, die toen al verwachtte dat binnen enkele dagen overeenstem-
ming bereikt zou worden tussen de redactie van Podium en uitgeverij Contact over de verdere uitgave van dit blad, bleek daar niets voor te voelen. Morriën en Hermans boden hem toen een vaste rubriek in Criterium aan.
Morriën vertelde in 1998 over dit bezoek: ‘Sierksma was uitermate vriendelijk tegen Hermans en hij negeerde mij, voor zover dat mogelijk was.’30 Afgesproken werd dat er de volgende avond bij Sierksma thuis verder gepraat zou worden.
Morriën: ‘Wim en ik hebben toen in een hotel in Groningen overnacht. Doordat er nog maar één tweepersoonskamer was, hebben we samen in één bed geslapen.’
De volgende dag bleek dat Sierksma er ook niets voor voelde vaste medewerker van Criterium te worden. Daarmee waren voorlopig alle plannen tot samenwerking van de baan.
In de periode waarin al deze redactionele paardansen rond de diverse bladen werden uitgevoerd, had J.J. Klant enkele fragmenten uit zijn nog ongepubliceerde roman Wandeling door Walein aan de redactie van Criterium gestuurd. Op de circulatie-envelop schreef Arthur van Rantwijk: ‘Niet gek, over praten.’ En Willem Frederik Hermans: ‘Een flink stuk van nemen ter leniging van de kopijnood.’31 Een van die fragmenten zou in het juninummer gepubliceerd worden.
Ook Jan Hanlo had opnieuw een bijdrage ingezonden, maar zijn nieuwe verzen bleken na het verrassende debuut van januari tegen te vallen. Op de circulatie-envelop noteerde Adriaan Morriën: ‘Een beetje gek, ijl. Maar er zit toch iets in.’ Arthur van Rantwijk voegde hieraan toe: ‘Mij wat al te ijl’, en Willem Frederik Hermans: ‘Voel er weinig voor’.32
Daarop schreef Morriën op 1 mei aan Hanlo: ‘Namens de redactie van criterium zend ik U eindelijk Uw verzen terug. Over het algemeen was men van mening, dat deze kens wat ijl was en na de gedichten die wij van U hebben gepubliceerd weinig verrassends bood. Misschien kunt U het eens bij andere tijdschriften proberen en ons later nog eens een nieuwe keuze doen toekomen.’33
Intussen had de vroegere redacteur van Criterium Huib Drion, die alweer een half jaar in de Verenigde Staten woonde, aan Morriën een essay over de politieke situatie in dat land toegestuurd. Dat kwam goed uit, want Adriaan van der Veen had juist een beschouwing geschreven over de Amerikaanse literatuur, zodat beide bijdragen elkaar mooi konden aanvullen.
Op 2 mei schreef Morriën aan Drion: ‘Veel dank voor [...] het stuk over
de politiek. Ik heb het nog in het April-nummer opgenomen, waar het een waardige tegenhanger vormt van Van der Veen's beschouwing over de Amerikaanse Culturele Fabriek. Ik behoef je misschien niet te zeggen, dat wij een dergelijke beschouwing erg op prijs stellen en ik zou het prettig vinden, wanneer je ons geregeld wat zou kunnen zenden. Mij dunkt dat er genoeg te beschouwen en te schrijven is zelfs voor een zo weinig indrukbaar mens als jij voorgeeft te zijn.’ Drion zou hierna overigens niet meer aan Criterium meewerken.
Morriën schreef verder over de eerste aflevering van deze jaargang: ‘Het deed ons plezier dat je over het Januari-nummer goed te spreken was. Wij hebben het met opzet iets dikker gemaakt, zodat wij de inhoud een beetje konden variëren. De beperkte omvang is nog altijd een probleem [...].’34
Bijna twee weken later, op 13 mei, schreef Anna Blaman aan Jacqueline Meulenhoff: ‘Ik voel me de laatste tijd een beetje ziek en bijgevolg een beetje ongelukkig. En dat ongelukkig-zijn is dan eerder een gevolg van de in-activiteit, aan ziekzijn verbonden. Ik werkte dus schandelijk weinig de laatste tijd. De vorige week schreef ik wel nog een novelle die ik aan Adriaan Morriën voor Criterium zal sturen. Ik stuur die novelle opzettelijk niet aan jou. Stel dat jij er wel over te spreken bent en A Morriën niet. Hij moet, bedoel ik, volkomen onbevangen kunnen weigeren.’35 De novelle waarop Anna Blaman doelde, was ‘Rosalie’, die enkele maanden later in het juli-nummer gepubliceerd zou worden.
In dezelfde periode waarin Anna Blaman haar brief schreef, verscheen de vierde aflevering van Criterium, gedateerd april 1947. In dit nummer werden twee essays over de poëzie van Gerrit Achterberg gepubliceerd, die geschreven waren door G. Sötemann en Jan Emmens.
In zijn bijdrage had Emmens het met een - voor die tijd ongewone - openhartigheid over de thematiek van deze dichter, die in december 1937 met een pistoolschot zijn hospita gedood had en daarbij haar zestienjarige dochter had verwond. Emmens schreef over Achterberg: ‘Het probleem van zijn poëzie komt in het kort hierop neer: de geliefde vrouw heb ik gedood, ik kan niet leven zonder haar; dus moet zij bij mij komen of ik bij haar. Dus moet zij levend worden of ik sterven. Alleen in het gedicht kan dit verwezenlijkt worden, het gedicht is voor Achterberg een bezweringsformule (het Latijnse carmen!) òf een zelfmoord. Dat hij de werkelijke zelfmoord niet heeft gepleegd is te wijten aan zijn eigen verzen, die hem soms liever zijn dan wat ermee bereikt moet worden.’36
Dit nummer bevatte verder het verhaal ‘Sans peur’ van H.J. Merlijn (schuilnaam van H.J. Friedericy), negen gedichten van Adriaan Morriën en de beide essays over Amerika van Huib Drion en Adriaan van der Veen.
Intussen had de jonge schrijver Simon van het Reve eind maart een fragment uit zijn nog onvoltooide roman De avonden aan de redactie van Criterium toegestuurd. Adriaan Morriën reageerde er onmiddellijk enthousiast op. Op de circulatie-envelop noteerde hij: ‘Dit is het begin van een veel langer verhaal, dat in zijn geheel uitmuntend belooft te worden. Maar ook dit fragment is uitstekend te plaatsen. Liefst in het Meinr.’ Adriaan van der Veen was ook voor plaatsing, maar in zijn reactie duidelijk meer terughoudend: ‘Goed, hoewel je er nog niet genoeg van kunt zeggen.’37
In die tijd was - vooral door de pogingen om tot een fusie met Podium te komen - het verschijnen van de afleveringen van Criterium verder achterop geraakt. Zo had halverwege juni het mei-nummer nog altijd niet het licht gezien. Op 14 juni schreef Willem Frederik Hermans aan Adriaan Morriën: ‘Waar blijft 't Meinummer van Criterium?’ En verder: ‘Is overigens bij jou alles wel? Kom eens langs als je in de buurt bent.’38
Het mei-nummer, dat kort hierna uitikwam, opende met het sonnet ‘Zondagsmiddags...’ van Ed. Hoornik, een van de redacteuren van het vroegere Criterium:
De desolate sfeer die in dit sonnet heerst, wordt nog eens extra geaccentueerd door het ontbreken van de ‘chute’ of de wending, waardoor een dramatische omkering van de situatie achterwege blijft.
Onmiddellijk na dit sonnet werd het eerder genoemde fragment opgenomen uit de roman De avonden van Simon van het Reve. Het was voor het eerst dat een gedeelte gepubliceerd werd uit een boek, dat in de herfst van hetzelfde jaar met de Reina Prinsen Geerligsprijs bekroond zou worden en dat in de decennia daarna een legendarische reputatie zou krijgen.
De publicatie in Criterium is vooral interessant, omdat het begin van deze roman in het tijdschrift zo heel anders is dan in de boekuitgave uit het najaar van 1947. Simon van het Reve had dit fragment al aan Criterium aangeboden, voordat het boek, dat als ondertitel meekreeg: ‘een winterverhaal’, op 18 mei van hetzelfde jaar voltooid was.
Het begin van De avonden in Criterium luidt: ‘Wanneer het winter wordt in ons vaderland, ontkomt ook onze goede stad, waarin het een voorrecht is te zijn geboren, niet aan mist, vocht en schemering, die overal doordringen. Boven het glimmende plaveisel hangt reeds smiddags een blauwe nevel van de rook, die in de straten is neergeslagen en niet kan opstijgen.
De eerste weken rilt men, hoewel het nog niet koud is, maar het ontbreken van het warme zonlicht reeds is een beklemming. De ene burger ontmoet de andere en zegt: “Ik heb altijd de pest gehad aan dit vuile weer, ik heb liever flinke, gezonde vorst met een beetje zon.” De ander zegt: “Narigheid op narigheid.” Daarna vervolgt elk zijn weg.
De atmosfeer is vol bederf, als stilstaand water. Van lieverlede worden de dagen korter en onverwachts valt de vorst in, maar de hemel herkrijgt niet zijn helderheid. Het blijft donker, hoewel de lucht droog is geworden. Een kwaadaardige wind verrast de voetgangers op de straathoeken. De twee burgers, van wie daarnet al sprake was, komen elkaar opnieuw tegen en de een zegt: “Ik heb liever zacht weer, regen heb ik liever dan deze verdomde kou.” En de ander zegt: “Ellende op ellende.” Bij het afscheid tillen ze elk hun hoed nauwlijks los van het hoofd.’
Na deze inleiding begint in Criterium het eigenlijke verhaal: ‘Op de twee en twintigste December van het jaar 1946 - er is geen enkele aanleiding om de juiste datum te verzwijgen - toen in deze stad, op de eerste verdieping van een huis aan een gracht, Frits van Egters ontwaakte, was het nog donker. Het was nog nacht.
Hij keek op zijn lichtgevend horloge, dat aan een spijker hing, stelde vast dat het kwart voor zes was en trok zijn arm onder de dekens terug. “Een ellendige droom,” mompelde hij.’40
In de boekuitgave van De avonden zou de hele inleiding verdwijnen, terwijl ook in het begin van het eigenlijke verhaal nog allerlei veranderingen bleken te zijn aangebracht.
Intussen bestond er, zoals we in her vorige hoofdstuk gezien hebben, sinds het najaar van 1946 het plan een speciale aflevering van Criterium te wijden aan de toestand in Indonesië. Nu was Adriaan Morriën in die eerste naoorlogse jaren bevriend geraakt met de jonge Indonesische schrijver Joke Moeljono (1925-'98), die in Amsterdam medicijnen studeerde. Morriën vertelde in 1992 over hem: ‘We gingen praktisch dagelijks met elkaar om. Hij woonde vlakbij op de Nieuwe Keizersgracht.’
Morriën sprak met Moeljono over het plan voor het Indonesië-nummer, waarbij hij om diens medewerking vroeg. Bovendien hoopte hij dat enkele Indonesiërs die hij via Moeljono ontmoet had, ook in het nummer zouden willen publiceren. Duidelijk was dat aan een dergelijke medewerking allerlei haken en ogen zaten - tussen Nederland en de Indonesische republiek werd wel geregeld onderhandeld, maar er heerste natuurlijk ook een vijandige stemming -, maar Moeljono zegde toe zijn best te zullen doen.
Een van de Indonesiërs die daarop benaderd werden, was de jonge dichter Mohammad Akbar Djoehana. Hij behoorde tot de familie van Sutan Sjahrir en zou later een vooraanstaande positie op het Republikeinse ministerie van Voorlichting krijgen.
Djoehana, die het idee achter de speciale Indonesië-aflevering sympathiek vond, maar zich er ook van bewust was dat hij gemakkelijk in een wespennest terecht kon komen - velen van zijn landgenoten wilden in de ontstane politieke situatie niets met enig Nederlands initiatief te maken hebben -, verzamelde daarop inderdaad enkele bijdragen voor dit nummer.
Morriën, die nu wat meer concrete voorstellen kon doen, bracht het plan voor de speciale nummers en in het bijzonder het Indonesië-nummer tijdens een redactievergadering halverwege juni opnieuw ter sprake. Daarbij werd duidelijk dat de beperkte omvang van de Criterium-nummers te weinig mogelijkheden bood om een thema goed uit te spitten, zodat besloten werd twee nummers voor de speciale afleveringen te reserveren.
Op 22 juni schreef Willem Frederik Hermans hierover aan Adriaan Morriën: ‘Jammer dat de red.verg. Zaterdag zo onbevredigend was, want onze speciale nummers vormen toch nog problemen. Overigens viel A.v.d.V. mij erg mee, zo stomdronken. Dan is hij althans spontaan en hij moet toch een werkelijk vriendelijk karakter hebben. Hij zei geen een hatelijkheid, wat ik wel doe, als ik “spontaan” word (ook wel eens niet spontaan...).
Ik zal je nog wel opzoeken. Wij moeten samen maar een plan voor het spec. nummer maken en dat de volgende keer voorleggen.’41
In deze maanden speelde Hans Gomperts, die sinds ruim een jaar als correspondent voor Het Parool in Parijs werkte, met het plan samen met een paar vrienden een eigen literair tijdschrift op te richten. Dat blad zou dan geredigeerd moeten worden in de geest van de door hem bewonderde Menno ter Braak en E. du Perron.
Tot de vrienden die bij dit plan betrokken raakten, behoorde W.F. [Huyck] van Leeuwen, die Gomperts al tijdens zijn studententijd had leren kennen. Andere auteurs die hij hiervoor benaderde, waren Elisabeth de Roos - de weduwe van Du Perron -, de essayist J.H.W. Veenstra en de jonge journalist H. van Galen Last. Het was de bedoeling dat het blad dat Gomperts voor ogen stond, alleen in een kleine kring van literatuurminnaars verspreid zou worden.
In juni kwam Hans Gomperts naar Amsterdam, waar hij aan een openbaar debat over Sartre moest deelnemen, waarna hij nog enkele weken in ons land bleef. Aangenomen mag worden - concrete bewijzen heb ik niet, maar er zijn wel aanwijzingen voor - dat hij al in de eerste dagen van zijn verblijf in Nederland met John Meulenhoff gesproken heeft. Deze laatste, die juist met genoegen geconstateerd had dat er in de afgelopen periode enkele literaire bladen het loodje gelegd hadden, schrok daarbij van Gomperts' plan een nieuw tijdschrift op te richten.
Hij vroeg Gomperts daarom hoe deze dacht over een verregaande samenwerking tussen de groep vrienden met wie hij zijn tijdschrift wilde maken, en Criterium. Als een dergelijke samenwerking mogelijk zou zijn, zou daaruit een nieuw blad kunnen ontstaan, dat door Meulenhoff zou worden uitgegeven. Gomperts zou dan vanzelfsprekend redacteur van dat tijdschrift worden. John Meulenhoff, die teleurgesteld was over het peil van Criterium, hoopte op deze wijze nieuwe medewerkers bij het blad te kunnen betrekken. Afgesproken werd dat Meulenhoff dit alles op korte termijn bij Adriaan Morriën zou aankaarten.
Bij dat gesprek tussen Meulenhoff en Morriën bleek dat deze Meulenhoffs algemene mening over Criterium wel deelde. In 1992 merkte Morriën hierover op: ‘Ik was het met Meulenhoff eens: het was een blad dat niet waarmaakte wat het had beloofd of wilde. Les Temps Modernes, dat ik toen las, had - of ik het er nu mee eens was of niet - veel meer allure en poids. Het ging met Criterium ook zo verschrikkelijk moeizaam. Het was een soort kiezen trekken.’
Enkele dagen na het gesprek tussen Meulenhoff en Morriën werd op donderdag 26 juni een extra vergadering van de Criterium-redactie ingelast, waarin Morriën de andere redacteuren verslag uitbracht van dat gesprek.
Hij maakte daarbij duidelijk dat de toestand acuut was: Gomperts' eigen tijdschriftplan was al in een vergevorderd stadium.
Morriën was met het oog hierop van mening dat er voor de redactie van Criterium in deze situatie maar drie alternatieven bestonden: 1) gewoon doorgaan met de huidige redactie en met het beleid dat tot dusver gevoerd was, 2) een strijdbaar blad maken zoals in die tijd door Hermans gepropageerd werd, of 3) met Hans Gomperts en zijn vrienden in zee gaan.
Bij de eerste mogelijkheid wees hij erop dat Criterium dan te maken zou krijgen met het concurrerende blad van Gomperts & Co. en wat de tweede mogelijkheid betreft was duidelijk dat John Meulenhoff er weinig voor zou voelen met vooral Hermans verder te gaan: met name de publicatie van weer een nieuw fragment uit De tranen der acacia's en ook Hermans' kritische standpunten waren een maandelijkse beproeving voor hem. Restte dus het laatste alternatief: samenwerking met Gomperts. Daarbij lag het voor de hand dat Hermans de redactie zou moeten verlaten: Hermans, die vooral over Ter Braak uiterst kritisch dacht, en Gomperts weken in hun literaire opvattingen immers te veel van elkaar af om vruchtbaar te kunnen samenwerken. Morriën merkte daarbij op dat hij bereid was in dat geval ook zelf uit de redactie te stappen.
Tijdens de redactievergadering bleken de meningen verdeeld te zijn. De redacteur die zich het scherpst tegen elke onderhandeling met Gomperts keerde, was natuurlijk Hermans. Vooral voor hem was de situatie weinig aantrekkelijk. Als Morriën zijn redactiezetel zou opgeven, kon deze in de toekomst nog altijd zijn kopij in het nieuwe tijdschrift kwijt, maar Hermans voelde er niets voor zijn bijdragen aan het oordeel van Gomperts te onderwerpen. Daarbij kwam dat hij in die tijd financieel afhankelijk was van de publicatie van zijn bijdragen in Criterium, waardoor de pil voor hem extra bitter smaakte. De slotsom van de bijeenkomst was dat een definitief besluit uitgesteld werd, maar de besprekingen met Gomperts zouden wel worden voortgezet.
Vanzelfsprekend was de sfeer in de redactie er door dit alles met aangenamer op geworden. Vier dagen na de bijeenkomst, op maandag 30 juni, schreef Morriën aan Hermans: ‘Ik kreeg donderdag den indruk dat jij mij mijn handelwijze inzake Criterium kwalijk nam,... Ik zou graag willen dat daarover tusschen ons geen misverstand bestond. Ik ben graag bereid mijn plaats in het nieuwe tijdschrift op te geven. Ik heb jullie donderdag de drie mogelijkheden uiteengezet die ik zelf zie: Samengaan met Gomperts, doorgaan op de oude manier met de kans nog verder op den kleurloozen middenweg te geraken, of een tijdschrift te maken waarop jij jouw stempel helemaal zou zetten. Over de laatste mogelijkheid maakt [maak] ik mij geen
illusies. Meulenhoff zou het niet willen, je zou te weinig medestanders krijgen... Ik begrijp dat het voor jou het zuurst is en ik zou graag willen dat je van mijn vriendschap overtuigd bleef.’42
Intussen kwam in literair Nederland de gebruikelijke geruchtenstroom op gang. Op 14 juli - veertien dagen na Morriëns brief aan Hermans - wist Paul Rodenko, die een vakantie van enkele weken in Nederland doorbracht, zelfs aan Gerrit Borgers te berichten: ‘Heb ik je al verteld dat Criterium nu ook op de fles is? Gomperts gaat nu een blad oprichten met Morriën en H.C. [W.F.] van Leeuwen; tenminste, Gomperts geeft in ieder geval een blad uit, maar de fusie van zijn op te richten blad met Criterium (waarbij hij van de hele redactie alleen Morriën over neemt) schijnt wel zo goed als zeker te zijn.’43
Dat een drastische verandering in de redactie van Criterium zeker niet uitgesloten was, bleek uit wat Willem Frederik Hermans kort hierna deed: bij een ontmoeting met Paul Rodenko, die intussen redacteur van Podium geworden was, bood hij hem zijn verhaal ‘De lichtautomaat’ aan ter publicatie in dat blad. Dat Hermans dit verhaal, dat later ‘Het lek in de eeuwigheid’ getiteld zou worden, aan een concurrerend tijdschrift afstond, laat zien dat hij er ernstig rekening mee hield dat spoedig aan zijn redacteurschap van Criterium een einde zou komen: in een periode waarin de redacties van de literaire bladen vaak in loopgraven tegenover elkaar lagen, zette hij hiermee immers een duidelijke stap in de richting van Podium.
Op 28 juli stuurde Paul Rodenko Hermans' verhaal aan zijn mederedacteur Gerrit Borgers en schreef daarbij: ‘Van Morriën niet veel nieuws; ze moeten nog vergaderen en ook afwachten of Gomperts' eisen zich met Meulenhoff's eisen zullen kunnen dekken. Daar hangt het eigenlijk hoofdzakelijk van af.’44
Vijf dagen later, op 2 augustus, schreef Hans van Straten, die bij deze verwikkelingen niet direct betrokken was, maar in het algemeen goed op de hoogte was - en is - van het meer intieme literaire leven, aan zijn vriend Max de Jong: ‘De criterium-redactie is uit elkaar gespat, alleen Morriën is ervan over. Gomperts is bezig een nieuw tijdschrift op te richten, dat waarschijnlijk met Criterium zal fuseren. Dit tijdschrift, Gomperts en Meulenhoff zijn aan het onderhandelen, beiden hebben hun eisen gesteld, zal vermoedelijk een nieuwe naam krijgen en komen onder redactie van Gomperts, Morriën en een zekere H.C. van Leeuwen, van wie niemand iets afweet.’
Van Straten schreef verder - met een verwijzing naar zijn vriend Jan Vermeulen en ook naar De Neve, de directeur van uitgeverij Contact, die de komende jaargang van Podium zou uitgeven -: ‘Hermans is er dus uitgeflik-
kerd, maar stelt alle pogingen in het werk om er bij Podium in te flikkeren. Hij is al twee dagen bij Fokke in Groningen geweest (Jan zei dat hij heel West-Europa afreist om iedereen op te neuken), en de situatie is nu zo dat de Podiummers, die eerst niets voor hem voelden, nu zijn eventueel redacteurschap in overweging willen nemen. In elk geval zal Hermans niet direct op het omslag verschijnen, om De Neeve [Neve] niet schichtig te maken. Bovendien zal Criterium waarschijnlijk nog tot Dec. onder de huidige redactie doorgaan, vanwege de solide indruk bij het publiek en zo.’
En verder - met een aankondiging van Rodenko's geruchtmakende essay ‘Verzoening met de Soldaat’, dat kort daarna in Podium verschijnen zou -: ‘De programmatische verhouding van Podium tot Gomperts' blad [...] zal waarschijnlijk zo zijn dat Gomperts' blad zich geheel op Forum terugtrekt (op de Nieuwe Elite dan), terwijl Podium Forum toch hoogstens als vertrekpunt beschouwt (Paul heeft bijv. een critiek op Ter Braak en Du Perron in voorbereiding; overigens komt Paul [...] geheel in de hoek van een soort cultuur-marxisme terecht, wat hij mij ook mondeling toegaf). Podium gaat uit (ik citeer de inleiding) van Ter Braak en Sartre. Ter Braak is van Fokke, Sartre van Paul.’
Van Straten ging hierna nog speciaal op Hermans in: ‘Intussen blijkt dus dat ik Hermans' intrigeertalenten onderschat heb. Paul noemde hem zonder meer “een groot schrijver”, wat hij positief niet is.’
Hij voegde hier wel aan toe: ‘In elk geval, en dat ben ik natuurlijk met Paul eens, is die Hermans iemand die ver boven wat we in Nederland gewend zijn, uitsteekt.’45
Intussen had Adriaan Morriën aan Willem Frederik Hermans voorgesteld elkaar op maandagochtend 4 augustus op het terras van Américain te ontmoeten. Op 1 augustus - één dag vóór Van Stratens brief aan Max de Jong - reageerde Hermans daarop: ‘IJs en weder dienende zal ik Maandagochtend op het terras van Américain komen.
Ik heb het erg druk met mijn romans, vandaar dat je weinig van mij hebt vernomen.’
En met een verwijzing naar Morriëns vrouw en dochtertje: ‘Groet Guusje en Alissa hartelijk van mij terug.’46
Aangenomen mag worden dat Morriën en Hermans die maandagochtend de kwestie rond Criterium en Hans Gomperts hebben uitgepraat. Morriën zal daarbij verteld hebben dat van een samenwerking met de groep rond Gomperts niets zou komen: deze laatste wilde het liefst toch maar een onafhankelijke koers varen en ook John Meulenhoff van zijn kant had er geen zin meer in. Hermans bleef dus redacteur van Criterium. Toen dat in de weken hierna duidelijk werd, weigerde de Podium-redacteur Fokke
Sierksma - met de hem kenmerkende onvervalste woede - Hermans' verhaal ‘De lichtautomaat’ in zijn tijdschrift te publiceren.
Te midden van al deze redactionele manoeuvres verscheen - waarschijnlijk pas in juli - het zesde nummer van Criterium, gedateerd juni 1947. Hierin werden acht gedichten van Paul Rodenko gepubliceerd, waaronder ‘Strand’:
Deze aflevering bevatte ook een recensie van de dichtbundel Toovertuin (1946) van Hendrik de Vries, geschreven door Willem Frederik Hermans. In zijn bespreking onder de mooie titel ‘De tovertuin van het geheugen’ merkte hij op: ‘Er is geen groter bekoring dan die van het verbodene, hoe absurd verboden ook mogen zijn.
De poëzie die het meest ontroert, is poëzie die de verboden overtreedt zonder zich te laten betrappen.
De verboden der ratio overtreedt Hendrik de Vries met het meeste suc-
ces en met de eenvoud van een kind, dat in een bos verdwaald, niet gelezen heeft dat ergens op een paal “Verboden Toegang” stond.’48
Het zesde nummer bevatte verder sonnetten van S. Vestdijk en een van de fragmenten uit de roman Wandeling door Walein die J.J. Klant enige maanden eerder aan de redactie gestuurd had.
Op 10 juli - kort vóór of na het verschijnen van de zesde aflevering - schreef Adriaan Morriën aan zijn mederedacteur Maurice Gilliams in Antwerpen, waarbij hij de aanhef ‘Waarde heer Gilliams’ gebruikte: ‘Op verzoek van de heer Meulenhoff heb ik een brief aan de Belgische schrijvers opgesteld, waarin ze worden uitgenodigd bijdragen aan uw adres voor eventuele plaatsing in criterium in te zenden. De andere redacteuren gaan accoord met de bewoordingen waarin deze uitnodiging is gesteld. Wij zouden er ook gaarne uw mening over willen vernemen. Als u er mee instemt, dan kunnen wij ze hier laten stencillen in een door u gewenst aantal. U zoudt ons dan ook een dienst bewijzen, wanneer u ons een lijst zoudt kunnen opgeven van de adressen der mensen die voor deze uitnodiging in aanmerking komen.’
Morriën schreef verder: ‘Ik ben nog steeds bezig voor criterium een goede Vlaamse briefschrijver te zoeken, d.w.z. iemand die ons van tijd tot tijd een intelligent overzicht over de Vlaamse artistieke en culturele verschijnselen van de dag verstrekt, ongeveer op de manier van de buitenlandse tijdschriften. Reeds geruime tijd geleden heb ik Pierre H. Dubois die in Brussel woont gevraagd zijn aandacht in deze richting te laten gaan. Dat was misschien buiten mijn boekje, omdat ik u daarin niet heb gekend. Misschien kent u iemand die beter geschikt is? Is er niemand onder uw jonge vrienden?’
En verder: ‘Hoe staat het met uw “Winter in Antwerpen”? Is het eerste hoofdstuk al klaar voor publicatie in criterium? Wanneer mogen wij eens een bijdrage van u opnemen?’49 Eerst ruim een half jaar later - in het februari-nummer - zou in Criterium inderdaad een bijdrage van Gilliams gepubliceerd worden.
In de loop van augustus zou Adriaan Morriën naar de Franse stad Montpellier vertrekken waar hij anderhalve maand lang een cursus Frans voor buitenlanders wilde volgen. Daarbij was hij van plan op de heenreis bij Maurice Gilliams in Antwerpen langs te gaan, om opnieuw te proberen hem tot het inzenden van een bijdrage te verleiden.
Afgesproken werd dat vooral Willem Frederik Hermans in die tijd Mor-
riëns werkzaamheden als redactiesecretaris zou overnemen. In een ongedateerde brief schreef Hermans hem: ‘Wil je mij even berichten wanneer je naar het buitenland vertrekt, zodat ik nog even met je over Criterium kan komen spreken?’50
Intussen had de drieëntwintigjarige studente in de psychologie Elizabeth (‘Liesbeth’) van Vessem in mei verzen aan de redactie van Criterium gestuurd. Adriaan Morriën had haar en haar echtgenoot, de econoom Joop den Uyl, in 1944 leren kennen: ‘Ze woonden op de Nieuwe Herengracht en ik op de Nieuwe Keizersgracht. Ik ging daar wel op bezoek. De dochter van Grönloh, Nescio dus, zat daar met haar joodse man ondergedoken.’
Op de circulatie-envelop schreef Morriën: ‘Ik ben wel voor een kleine keuze. De verzen hebben iets origineels (ondanks den invloed van Emily Dickinson en Vasalis), een eigen toon, al zijn zij nog onrijp en wat onhandig hier en daar. Maar het is in elk geval iemand die iets te zeggen heeft en zich gunstig van de talloze verzenmakers onderscheidt.’ Arthur van Rantwijk voegde hieraan toe: ‘geheel acc. met A.M./ zeker iets van opnemen.’ Willem Frederik Hermans twijfelde: hij streepte in het daarvoor bestemde vakje zowel ‘voor’ als ‘tegen’ door en schreef tenslotte: ‘voor’. Hij voegde er mild aan toe: ‘Laten we een kleine keuze maken.’ En Adriaan van der Veen: ‘Kleine keuze! Heel vrouwelijk, teleurgesteld een tikje, lastig voor haar man!’51
In de periode dat Morriën in Montpellier zijn cursus Frans volgde, verscheen het zevende nummer van Criterium, gedateerd juli 1947. Deze aflevering bevatte het eerder genoemde verhaal ‘Rosalie’ van Anna Blaman en een bijdrage over nieuwe toegepaste kunst uit de Sovjet-Unie door Jan Molitor (schuilnaam van Aimé van Santen, een vriend van Paul Rodenko).
In dit nummer werden ook vier gedichten van Elizabeth van Vessem gepubliceerd. Een van deze gedichten, waaruit haar dwarse persoonlijkheid, die later ook zou blijken uit haar boek Ik ben wel gek maar niet goed (1987), mooi naar voren komt, was ‘Voila!’:
Intussen vorderden de voorbereidingen voor het speciale Indonesië-nummer gestaag. Het was de bedoeling dat deze aflevering als dubbelnummer in augustus-september verschijnen zou.
Helaas, midden tijdens deze voorbereidingen raakte de strijd in Indië in een nieuwe fase: op 21 juli begon de eerste ‘politiële actie’ van het Nederlandse leger tegen de nationalisten. Dat ging gepaard met allerlei gewelddadigheden, wat zowel in binnen- als buitenland veel beroering wekte. Tenslotte nam de Veiligheidsraad op 24 augustus met algemene stemmen een resolutie aan, waardoor aan deze ‘politiële actie’ een voortijdig einde kwam.
Zoals we gezien hebben, had de redactie, die wilde laten zien wat er in de Indische archipel op cultureel gebied aan de hand was, contact gezocht met de jonge dichter Mohammad Akbar Djoehana, die hierop enkele bijdragen wist te verzamelen. Maar duidelijk was dat de Indonesiërs door de ‘politiële actie’ nog meer kopschuw zouden worden dan ze al waren, zodat de samenstelling van het nummer nu weer grotendeels bij de Criterium-redactie zelf kwam te liggen. Daarbij kon ze nog wel een beroep doen op de hulp van Joke Moeljono en twee Indonesische vrienden van Morriën, de schrijfster Hoeroestiati Soebandrio en de tekenaar Salim.
Nog voordat Adriaan Morriën naar Montpellier vertrok, schreef hij vol verontwaardiging over de recente gebeurtenissen een inleiding voor het Indonesië-nummer, waarin hij een fel requisitoir hield over de Nederlandse politiek. In deze inleiding merkte hij op: ‘De samenstelling en de strekking van dit speciale Indonesische nummer zijn anders geworden dan wij ons bij de voorbereiding hadden gedacht. Terwijl het een blijk had moeten geven van de samenwerking tusschen Nederlanders en Indonesiërs ook op artistiek en cultureel gebied, is het nu onder indruk van de gebeurtenissen der laatste weken tevens een protest geworden tegen de geweldspolitiek der Nederlandsche regeering.’
En verder: ‘Iedere poging om de Nederlandsche regeering van de heilloosheid harer politiek te overtuigen en het Nederlandsche volk het besef
van zijn schandelijke onverschilligheid bij te brengen, dient ondernomen te worden. Wij willen graag bekennen, dat er doeltreffender dingen te doen waren geweest en nog steeds te doen blijven, maar dat mag ons niet verhinderen althans die zaken te behartigen, welke binnen ons bereik liggen, hoe weinig practisch resultaat zij wellicht ook oogsten.’53
Kort nadat Morriën zijn bijdrage geschreven had, bleek de rest van de redactie er niet helemaal gelukkig mee te zijn, waarna afgesproken werd dat de tekst door de andere redacteuren zou worden herzien. Bovendien zou Willem Frederik Hermans - in verband met Morriëns vertrek - de verdere redactionele voorbereidingen voor het Indonesië-nummer op zich nemen.
In dezelfde periode, op 6 september, verscheen er in het weekblad De Groene Amsterdammer een parodie op De tranen der acacia's onder de titel ‘De snikken van de pothoofdplant’ door W.F. Ongans. Ze werd gepubliceerd in de rubriek ‘De kleine krant’, die in die tijd door Anton Koolhaas geredigeerd werd.
In deze parodie werd het weglaten van enkele woorden in de vorige jaargang van Criterium niet over het hoofd gezien: ‘Julien stond naakt voor het venster en trok peinzend kleine plukjes haar uit zijn hoofd, die hij gedachteloos op het afdakje van Hermines uitbouwtje liet dwarrelen.
“Waarom schrijf ik dit in de Kleine Krant?” dacht hij smalend. “Heeft het zin? Is het niet beter naar beneden te gaan en met Solyna een smakelijk ei te bakken?” Hij ging voor de spiegel staan en lachte grimmig. “Met ham,” zei hij luidop en schrok van de desperadoklank in zijn eigen stem. Daarop begon hij zich krachtig op het middenrif te slaan.
De bel deed hem ineenkrimpen. “Marie!” dacht hij fel. “Niet uit liefde voor mij, maar alleen om Koos te foppen.”
Maar het was de man met “De Strijdkreet”.
“Het gaat allemaal over het Heilsleger,” verklaarde de man. “Lees het eens. Het is weer eens wat anders.”
Maar Jules smeet de deur dicht en ging haastig in bed liggen. Het laken knisperde. “Nu ligt Carolina weer pepermunt te zuigen,” zei hij moedeloos. Opeens dacht hij aan Angelica. “Ik zou haar wel eens willen z....n, die si......ie,” mompelde hij bits en begon gecompliceerd te dromen.
Toen hij wakker schrok, was het tegen zessen. Hella stond aan zijn bed in een paarse overall.
“Het dak lek,” riep ze hulpeloos. Toen Julien als enig antwoord het dek
opensloeg wierp zij het adresboek op zijn kussen en stapte onder het zingen van de Brabançonne ferm de kamer uit.
(Wordt vervolgd)’54
Twee weken na deze publicatie, op 20 of 21 september, stuurde Hermans een brief aan Adriaan Morriën, die op dat moment al in Frankrijk verbleef. Hij schreef hierin - met een verwijzing naar een reeks notities over de schilder Gustave de Smet die Maurice Gilliams in het Nieuw Vlaams Tijdschrift gepubliceerd had -: ‘Geëerd en verblijd was ik met je schrijven dat ik in spanning heb gebeid. Heb je in Vlaanderen nog iets bereikt, b.v. Gilliams tot meerdere activiteit opgezweept? Ik heb gezien dat hij een stukje in het n.v.t. heeft geschreven; gelukkig maar dat hij dàt niet naar ons heeft gestuurd... Las je het stuk van Schepens over Criterium? Tot dusverre wist ik niet dat wij de waardige opvolgers van de “literaire heroën” Marsman, Du P. en t B waren, maar 't stààt er. In Nederland zijn we niet zo populair. De Kleine Krant heeft zich vermeten een parodie op De Tranen der ac. te plaatsen. Aan één kant was ik toch wel gevleid, maar dat kan mijn ijdelheid wezen.’
Hermans vervolgde: ‘Criterium staat er blozend bij. Indonesië is ter perse. Ik heb er een week hard aan gewerkt. Sommige stukken [...] waren in die vorm werkelijk onplaatsbaar. Ik heb toen Moeljono opgetrommeld.’
Over het Indonesië-nummer merkte hij verder op: ‘Eerst heb ik een inleiding geschreven, die heeft Arthur hèrschreven, toen vond ik hem weer tè voorzichtig, heb 't eerste stuk eraf geknipt en een stuk van mij eraan geplakt, Adriaan heeft nog een paar stijlverbeteringen aangebracht, 't slot is van jou. 't Was precies 4 pagina's; 'n meesterlijk geheel, wil ik hopen.’
Hierna schreef Hermans dat hij intussen contact opgenomen had met Simon van het Reve en Jan Emmens: ‘De eerste is een hardnekkige persoonlijkheid, schoon niet erg intelligent. Je zou zo'n godvruchtig jongmens niet zoeken achter de cynische stukjes die hij schrijft. De tweede vond ik ook niet erg intelligent en [hij] heeft iets antipathieks. v.h. Reve zei dat mijn moeder suikerziekte had (wat niet waar is) en dat ik op m'n 98ste zou doodgaan. Hij gelooft aan “tekens”. Ik heb hem weer te kort gesproken om er achter te komen of het mystificatie was of niet.’
Over Criterium schreef Hermans verder: ‘Redactievergaderingen zijn tegenwoordig in een half uurtje afgelopen. Wat valt er eigenlijk te vergaderen? De meeste bijdragen waar 3 tegen zijn, stuur ik direct terug. Als nu Meulenhoff de boeken vlug stuurt die onze kroniekschrijvers nodig hebben, gaat alles op rolletjes. Alleen houd ik mijn hart vast voor 't volgend jaar. Van doorgaans welingelichte zijde heb ik vernomen dat John, alias zijn echtvriendin, van plan is met Crit. aan 't eind van dit jaar uit te scheiden. Ik zal
daar dezer dagen met hem over gaan praten. - Natuurlijk kunnen we, als 't waar is, direct naar v. Oorschot overstappen, maar financieel zit er dan niets meer aan en dan weet ik niet meer wat ik moet beginnen. Wil je 't een beetje goed doen, dan zit er veel werk aan.’ Enkele maanden eerder, in mei, had uitgever Geert van Oorschot zonder succes enkele voelsprieten uitgestoken in de richting van de Criterium-redactie: hij dacht in die tijd aan de oprichting van een tijdschrift waarin zowel aan literatuur als aan politiek aandacht zou worden besteed.
Verder schreef Hermans: ‘Heb je nog nieuwe boeken gekocht? Ik hoop dat je je goed amuseert, bruin, gezond en uitgerust terugkomt. 't Weer hier is prachtig. Daar zeker ook?’
En verder: ‘Ik ben 't nieuwe boek van Vestdijk aan 't lezen, De Vuuraanbidders, roman uit de 80jarige oorlog. 't Is net 't formaat van P.C. Louwerse of Joh. Been en de inhoud lijkt er, afgezien van sexuele perversiteiten, die 't voor mij nog smakelijk maken, ook op.’55
Een van de jonge schrijvers die in die periode aan Criterium wilden meewerken, was de twintigjarige Harry Mulisch in Haarlem, die begin september zijn verhaal ‘Mijn moordenaar’ had ingezonden. Het verhaal werd alleen door Willem Frederik Hermans en Adriaan van der Veen beoordeeld: beiden waren tegen plaatsing. Hermans schreef op de circulatie-envelop: ‘Lijkt mij beter geschikt voor Het Woord’ en Van der Veen noteerde: ‘Kunnen hem zeggen dat hij maar trouw moet doorschrijven, maar ons intussen sparen.’56
Kort daarna - nog tijdens Morriëns verblijf in Frankrijk - verscheen inderdaad het Indonesië-nummer, gedateerd augustus-september 1947 en met op het omslag een vignet van Salim. Dit dubbelnummer telde zesennegentig pagina's.
In haar ‘Ter inleiding’ merkte de redactie op: ‘Het is niet het begin der “politiële actie” geweest dat ons aanleiding heeft gegeven een bijzonder nummer van ons tijdschrift geheel met werk van Indonesiërs te vullen.
De belangstelling van het Nederlandse volk voor het Indonesische vraagstuk is herhaaldelijk ingeslapen en weer wakker geschud. Nooit echter werd deze belangstelling zo hardhandig gewekt als door de “politiële actie” en vooral door de ontnuchtering die er op is gevolgd bij het voor ons land zo beschamende ingrijpen van de Veiligheidsraad. Deze aflevering krijgt hierdoor een actualiteit die wij niet in de eerste plaats hebben bedoeld.
Met het verzamelen van de hier aangeboden beschouwingen, brieven,
novellen en gedichten, werd al vele maanden geleden door Adriaan Morriën een begin gemaakt. Er was toen misschien meer hoop dan nu, dat Indonesië, hoe dan ook, een deel van het Nederlandse Rijk zou blijven. Die kans is nu veel geringer geworden.’
De redactie schreef verder: ‘Wij hadden gehoopt dat de Nederlandse cultuur, in haar beste uitingen althans, de Indonesische zou kunnen blijven bevruchten, ja, dat er op den duur zelfs van een wisselwerking sprake zou kunnen zijn. Dat Indonesië tot dusverre, en als levenssfeer en als probleem, reeds een zeer belangrijke invloed op onze cultuur heeft uitgeoefend is duidelijk. Men denke om slechts twee sprekende voorbeelden te noemen aan het werk van Multatuli en van Du Perron. De kansen op een voortzetting van het culturele contact schijnen thans door de laatste gebeurtenissen veel geringer geworden. Wij kunnen hier niet anders dan de hoop uitspreken dat er aan dit contact geen abrupt einde zal komen, een einde dat naar onze overtuiging en voor Nederland en voor Indonesië een cultureel verlies zou betekenen.’
De redactie schreef hierna over de samenwerking die zij bij het vervaardigen van dit nummer met vooral jonge Indonesiërs gezocht had: ‘Toen wij aan het begin van dit jaar over de publicatie van een speciaal Indonesisch nummer van Criterium begonnen te corresponderen, stelden wij ons voor een zo representatief mogelijk beeld te geven van het nieuwe en belangwekkende dat in Indonesië ook op cultureel gebied aan de gang was. De redactie zou in eerste instantie berusten bij de jonge dichter en criticus Mohammad Akbar Djoehana, die ons berichtte over de aanvankelijke aarzeling bij zijn schrijvende landgenoten om aan het tot stand komen van zoiets mede te werken. [...] Op het ogenblik zal die lust wel geheel verdwenen zijn en wanneer wij desondanks, zij het niet zonder overleg met Indonesiërs hier te lande, tot publicatie van dit nummer overgaan, doen wij dat in de eerste plaats in de overtuiging dat de zaak der Indonesiërs er alleen maar mee gebaat kan zijn.’57
In deze nieuwe inleiding bleek de nadruk dus meer gelegd te worden op de culturele banden tussen Indonesië en Nederland, terwijl de door Morriën geformuleerde aanklacht tegen de Nederlandse ‘geweldspolitiek’ grotendeels geschrapt was.
Hierna werd van Sutan Sjahrir, van wie al eerder het ‘Dagboek van een Indonesiër’ gepubliceerd was, opnieuw een uiterst persoonlijk getuigenis opgenomen, getiteld ‘Brief aan een broer’. Sjahrir, die - zoals we in het vorige hoofdstuk gezien hebben - in de jaren dertig met talloze andere Indonesiërs door het koloniale bestuur in een interneringskamp in Boven-Digoel opgesloten was geweest, had deze brief geschreven aan zijn in Neder-
land wonende broer Sjahsam. De brief dateert van november 1941: dus nog vóór de Japanse aanval op Pearl Harbour.
In zijn brief merkte Sjahrir op, dat hij het afgelopen jaar gedacht had dat het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog tot een geestelijke loutering zou leiden, waardoor ook de koloniale sfeer in Indië gezuiverd zou worden: ‘Ik dacht, dat men werkelijk zou beginnen te beseffen, dat democratie en menselijkheid niet slechts holle frasen zijn of versleten instellingen, maar levenswaarden, veroverd na eeuwen strijd, en nog altijd ten volle waard om ervoor te vechten en als het moet te sterven. Ik dacht, dat de brutale immoraliteit van Hitler in staat zou zijn het nog niet geheel verdorven deel van onze wereld op te doen schrikken, tot inkeer te brengen en te doen beseffen, dat Hitler tenslotte niets anders is dan de uiterste consequentie van hun eigen bederf. Ik dacht, dat de tegen Hitler strijdende wereld nu werkelijk het wezenlijke van het Hitlerisme zou beginnen te herkennen, en wel in eigen boezem, als hetgeen verkeerd gewenst, gedacht, gedaan of nagelaten is in het verleden. Ik dacht, dat men de strijd tegen Hitler zou beginnen met een afrekening met zichzelf, met een ideologische zelfloutering, waardoor we dan werkelijk zouden krijgen een absolute tegenstelling van het Hitlerisme contra de democratie, de beestmens contra de geestmens, het vandalisme contra de cultuur. Ik dacht, dat men zich zou gaan schamen over de geschiedenis van Digoel, nu men zo boos moest zijn over Buchenwald.’58
In dit dubbelnummer werden verder vier gedichten van de beroemde Indonesische dichter Chairil Anwar gepubliceerd, vertaald door Joke Moeljono. Een van deze gedichten is getiteld ‘Een kamer’:
Ook van Mohammad Akbar Djoehana werden verzen opgenomen, waaronder het sonnet onder de actuele titel ‘Indonesia merdeka’, wat ‘Indonesië vrijheid’ (de naam van het Indonesische volkslied) betekent:
Daarnaast bevatte deze aflevering poëzie van Rivai Apin, Joke Moeljono, Mahatmanto en Waloejati, een verhaal van Soetiasoemarga en een essay van Ida Nasoetion over de Indonesische taal.
Er werd ook een bijdrage in gepubliceerd van de politicus L.N. (‘Nico’) Palar (1900-'91), die in de Minahassa in het noorden van Celebes (het tegenwoordige Sulawesi) geboren was en in 1946 tot lid van de Tweede Kamer was gekozen. In juli 1947, kort voor het Indonesië-nummer uitkwam, had hij naar aanleiding van de eerste ‘politiële actie’ voor dit lidmaatschap bedankt. Hij zou een jaar later tot gevolmachtigd minister van de Republiek Indonesië en hoofd van de Indonesische delegatie bij de Verenigde Naties benoemd worden. Palars beschouwing, die over recente ontwikkelingen in
het conflict tussen Nederland en de Republiek handelde, werd gepubliceerd onder de veelzeggende titel ‘Gezakt’.
Verder verscheen in dit dubbelnummer een fragment uit de roman Het hout van Bara van Beb Vuyk. In het najaar van 1947 zou deze roman, die grotendeels in Japanse interneringskampen op Java geschreven was, ook in boekvorm verschijnen.
Op 29 november werd over het Indonesië-nummer in De Stem van Nederland opgemerkt: ‘Een zeldzame gelegenheid de Indonesiërs zelf, op literair gebied en in meestal uitstekend Nederlands, aan het woord te horen. Enige blanda61 hier: Beb Vuyk. Van de actualiteit in Sjahrir's “Brief aan een broer” en Parlar's [Palar's] “Gezakt” tot de tijdeloosheid der gedichten van Anwar, Apin, Djoehana, Moeljono e.a. opent zich de gehele culturele afgrond tussen Oost en West, slechts overbrugbaar door onafgebroken goede wil en openheid van weerszij. Gelijk hier geschiedt.’62
Intussen had Willem Frederik Hermans aan Simon Vestdijk gevraagd binnenkort voor Criterium eens een kroniek op het gebied van de Angelsaksische literatuur te willen schrijven. Op 5 oktober antwoordde deze hem per briefkaart: ‘Voorloopig heb ik het nog erg druk, maar ik vermoed in de loop van November wel een kroniek te kunnen leveren, hetzij over Huxley, hetzij over Faulkner. Het zal inderdaad moeilijk zijn aan Faulkner's boeken te komen; ik vind echter een kroniek over hem, waarin niet eens met de publicaties na '40 rekening gehouden is, wel wat overbodig. Ook kreeg ik nog The Yogi a.th. Commissar (in vertaling). Ook dit is geschikt voor een kroniek, al behoort het eigenlijk niet tot de Eng.- Am. letteren. Ik wacht dus voorloopig nog af, of er nog wat boeken komen opdagen.’63 The yogi and the commissar van Arthur Koestler, waarin de dictatuur in de Sovjet-Unie scherp gehekeld werd, zou inderdaad in januari 1948 door Vestdijk in Criterium besproken worden.
Op 20 oktober, ruim veertien dagen na Vestdijks briefkaart, schreef Hermans aan Fred Batten: ‘Ik ben weer enigszins opgeknapt en haast mij je te danken voor de toezending van Du Perron's kritieken, die mij nog op het ziekbed verlichting hebben gebracht. Ik had namelijk alleen diep-sombere lectuur bij de hand, Heidegger en De Demonen.
Je staat altijd weer vol bewondering voor Du Perron's smaak. De hoogst enkele keren dat ik het niet met hem eens ben, slaan mij dan ook met verbazi