|
|
|
| |
Verklaring der teekens.
| † | vreemde woorden en bastaardwoorden. |
| ↑ | verouderd. |
| § | gemeen, alledaagsch, schimpend, hekelend. |
| * | onregelmatig werkwoord. |
| = | gelijk beteekenend met. |
| 1. | *- beteekent de herhaling van het hoofdwoord.
Voorbeeld: ATLAS, m. (-sen), hooge berg. *-, o. zek. satijnen stof. Hier vervangt *- de plaats van ATLAS.
Ander voorbeeld: ZEGEN, m. heil, voorspoed, enz. *-AAR, m. Hier staat *- in plaats van ZEGEN. |
| 2. | *... beteekent de herhaling van een gedeelte van het hoofdwoord.
Voorbeelden: DERGELIJK, bn. zoodanig. *...HALVE, bijw. Hier vervangt *... de eerste lettergreep DER. ZINNEBEELD, o. *...LIJK, bn. Hier vervangt *... de twee eerste lettergrepen ZINNE. |
| 3. | - beteekent de herhaling van een voorgaand woord, geen hoofdwoord zijnde, in het artikel begrepen.
Voorbeeld: ZIGT, o. *-BAAR, bn. - LIJK, bijw. Hier vervangt *- de plaats van ZIGT, en - de plaats van ZIGTBAAR. |
| 4. | ... beteekent de herhaling van een gedeelte van een voorgaand woord, geen hoofdwoord zijnde, in het artikel begrepen.
Voorbeeld: ZELF, bn. *-BEDROG, v. *-MOORDENAAR, m. ...ARES, v. Hier vervangt *- vóór BEDROG en vóór MOORDENAAR de plaats van ZELF, en ... voor NARES de plaats van ZELFMOORDE. |
| 5. | -, bij de voorbeelden, vervangt de plaats van het hoofdwoord; b.v. in het artikel ZENUW: geld is de - van den oorlog; zij heeft het op de -en. |
| 6. | - en ..., in het midden van den tekst, vervangen het geheele voorgaande woord of een gedeelte daarvan: b.v. vriend, -in; verzorger, ...ster. |
| 7. | (-en), (-s) enz., achter een hoofdwoord, beteekent de vorming van het meervoud; b.v. VADER, m. (-s), vaders; MENSCH, m. (-en), menschen; KIND, o. (-eren), kinderen; en in zamengestelde woorden: HAZELNOOT, v. (...oten), hazelnoten; ZILVERDRAAD, m. (...aden), zilverdraden. |
| 8. | -, achter een woord, vervangt de plaats van een of meer later voorkomende woorden: b.v. ZOÖLOGIE, v. leer -, kennis der dieren; hier leze men voor - achter leer de twee woorden der dieren, achter kennis geplaatst. |
| 9. | (-er, -st), achter een bijvoegelijk naamwoord geplaatst, duidt de vorming van den vergrootenden en den overtreffenden trap aan. |
|
|
|