Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal


auteur: I.M. Calisch en N.S. Calisch


bron: I.M. Calisch en N.S. Calisch, Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal. H.C.A. Campagne, Tiel z.j. [1864]  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

G.

[G]

G, v. 7e letter van het alfabet; (muz.) de toon sol; (rom. get.) 460; op recepten duidt G. of GG., gummi, gom, aan; illustratie, insgelijks op recepten, beteekent grein; G.M., of Glor. Mem., gloriosae memoriae, roemrijker gedachtenis; Gl. of Gld., gulden; Ggld., goudgulden; Gr., groot (eertijds geldswaarde).

[Gâ, Gade]

Gâ, Gade, v. echtgenoot, vrouw, wederhelft.

[Gaaf, Gave]

Gaaf, Gave, v. (gaven), gift, geschenk, schenking; (fig.) bekwaamheid, talent. *-, bn. (gaver, -st), geheel, ongeschonden; - en goed, - en gezond. *-, bijw. - (van alles) rekening doen. *-HEID, v. gmv. toestand van volkomenheid.

[Gaai]

Gaai, v. *-KEN, o. mannetje, (ook) wijfje (van vogels). *-JEN, bw. ow. gel. (ik gaaide, heb of ben gegaaid), paren, bij elk. plaatsen

[p. 378]

of stellen, vereenigen (twee gelijksoortige dingen); gepaard worden, zich vereenigen. *-JING, (B. -ING), v. gmv. paring, zamenkoppeling. *-TJEN, o. (B.) (-s), wijfje.

[Gaal]

Gaal, v. (galen), kale streep in laken.

[Gaan]

Gaan, ow. onr. (ik ging, heb of ben gegaan), zich voortbewegen, loopen; reizen, trekken; heengaan; gelukken; passen; gangbaar zijn; kunnen bevatten; doorgaan voor, gehouden worden voor; (zeew.) voor anker -, het anker werpen, - laten vallen; dit schip gaat vijftien voet diep; langs de huizen - met, te koop aanbieden, venten; dat gaat (gelukt) niet; tien onsen - in een pond; zoo gaat het, zoo gebeuren de dingen; het gaat om tien gulden, om tien gulden wordt gewed, - gespeeld; het water ging (kwam) hem tot aan de middel; deze sleutel gaat (past) niet op het slot; hij gaat (wordt gehouden) voor een Engelschman; het horologie gaat (loopt) te langzaam; deze weg gaat (leidt) naar Amsterdam; te boven -, overtreffen; zich te buiten -, meer doen dan vergund is; hoe gaat het met u? hoe bevindt gij u? hoe is het met den staat uwer gezondheid? *-, bw. zijnen gang -; zich moede -; zijns wegs of zijnen weg gaan. *-, o. de daad van gaan; het - en komen; ik ken hem aan zijn - (aan zijnen gang); een uur gaans. *-DE, bn. - maken, beginnen, aanleggen, opwekken; het schip raakt -; iem. - (toornig) maken; den winkel - houden, de winkelnering voortzetten; wat is er -? wat gebeurt er? de ballast raakt - (aan het rollen); hij is op - beenen, hij is - en staande, hij is ongesteld doch niet bedlegerig; het - werk, (van een uurwerk, eenen molen enz.); de -n en komenden, de - en komende man. *-ERIJ, v. (-en), zie GALERIJ.

[Gaapster]

Gaapster, v. (-s), zij die gaapt of geeuwt.

[Gaar]

Gaar, bn. en bijw. (-der, B. garer, -st), genoeg gekookt of gebraden; (zeew.) een schip - maken, zengen, braden. *-BOORD, o. (zeew.) naaste plank aan de kiel.

[Gaard]

Gaard, m. (B.v.) (-en), lusthof, afgesloten ruimte. *-E, v. rij, reeks (b.v. kramen of tenten); diergaarde, verzameling roofdieren. *-ENAAR, *-ENIER, m. (-s). *-ER, m. (-s), ontvanger.

[Gaarheid]

Gaarheid, v. gmv. toestand van iets dat genoeg gekookt of gebraden is. *...KEUKEN, v. (-s), open tafel, huis waar men kan middagmalen. *...KOK, m. (-s), *...KOOKSTER, v. (-s), houder-, houdster van zulk een huis. *...MAKEN, bw. gel. (ik maakte gaar, heb gaar gemaakt).

[Gaarne]

Gaarne, bijw. met genoegen, met lust, gewilliglijk. *-N, (beter GAREN), bn. van garen.

[Gaas]

Gaas, o. (gazen), zeker doorschijnend weefsel; een gazen kleed, een kleed van gaas. *-MAKER, m. (-s). *-WERKER, m. (-s). *-WEVER, m. (-s). *-WINKEL, m. (-s).

[Gaats]

Gaats, bijw. (zeew.) binnen-, buiten-, voor-, binnen -, buiten -, voor de haven.

[Gaauw]

Gaauw, bn. en bijw. (-er, -st), schielijk, haastig, vlug; schrander. *-DIEF, m. (...ven), schurk, bedrieger. *-DIEVERIJ, v. (-en). *-ERD, (B. *-AART, *-ERT), m. (-s), vlug mensch. *-HEID, *-IGHEID, v. gmv. vlugheid, snelheid; behendigheid, bekwaamheid.

[p. 379]

[† Gabaar, Gabare]

Gabaar, Gabare, v. (...baren), soort schuit, praam, plat roeivaartuig. *...BARRE, v. oploop, volksrumoer.

[† Gabbro]

Gabbro, v. korrelachtige rotssoort.

[Gabel]

Gabel, v. (-s), tol; tolhek; zoutpakhuis. *-LE, v. belasting, impost (op het zout).

[Gade]

Gade, m. en v. gmv. echtgenoot, man, vrouw. *-LIJK, bn. gemakkelijk, ligt. *-LOOS, bn. zonder gade; (fig.) zonder weêrga, onvergelijkelijk.

[Gader]

Gader, TE -, bijw. te zamen, met elkander. *-EN, bw. gel. (ik gaderde, heb gegaderd), verzamelen, te zamen -, bijeenbrengen. *-GELD, o. (-en), bedrag eener inzameling, kollekte. *-MEESTER, m. (-s), ontvanger, gaarder.

[Gadeslaan]

Gadeslaan, bw. onr. (ik sloeg gade, heb gadegeslagen), waarnemen, oppassen; letten op, het oog gevestigd houden op, waken.

[Gading]

Gading, v. gmv. lust -, geneigdheid om iets te koopen of te huren; is dit van uwe -? alles is van zijne -, alles staat hem aan.

[Gaffel]

Gaffel, v. (B.m.), (-s), tweetandige hooivork. *-, (zeew.) spriet. *-STUK, o. (-ken), (zeew.). *-KRUIS, o. (...zen), deel van een wapenschild. *-VAL, m. (-len), talie waarmede de gaffel geheschen wordt.

[Gagaath]

Gagaath, v. steenkolen; zwarte barnsteen, git.

[† Gage]

Gage, v. onderpand. *-, GAGIE, v. dienstloon, soldij; jaarwedde; pensioen. *-MENT, o. (-en), soort pensioen, wachtgeld.

[Gagel]

Gagel, m. (-s), zekere sterk riekende heester; (in Groningen) tandvleesch. *-BOOM, m. (-en). *-EN, GAGGELEN, ow. gel. (ik gagelde, heb gegageld), kakelen (van ganzen).

[Gaillarde]

Gaillarde, v. (boekdr.) zekere lettersoort.

[Gal]

Gal, (B. *-LE), v. gmv. vloeistof in het ligchaam van menschen en dieren; overloop van -, soort huiduitslag. *-, (fig.) boosheid, toorn; een duifje zonder -, iem. (inz. een meisje) die alles zonder erg of list doet; de pen in - doopen, scherp en bits (tegen iets of iem.) schrijven; zijne - uitbraken, aan zijnen toorn lucht geven. *-, v. (-len), knubbel of gezwel aan de beenen der paarden. *-, v. kale streep in laken.

[Gala]

Gala, o. hofstaatsie; in -, in feestgewaad, in staatsiekleeding; - voorstelling, tooneelvoorstelling waarbij in men hofkleeding verschijnt.

[Galachtig]

Galachtig, bn. als gal, naar gal gelijkende; (fig.) oploopend, toornig, driftig. *...AFSCHEIDING, v. gmv.

[† Galactiet]

Galactiet, m. melksteen, melkjaspis (delfstof). *...TOMETER, m. (-s), melkmeter.

[Galant]

Galant, m. (-s), minnaar, vrijer, verliefde, cour-maker. *-, bn. (-er, -st), smaakvol gekleed; lief, aardig, hoffelijk, voorkomend; -e ziekte, venerische ziekte. *-ERIE, v. gmv. uiterst beleefd gedrag jegens vrouwen; boelering, minnehandel; geheime ziekte. *-ERIËN, v. mv. allerlei kramerijen, snuisterijen. *-ERIEHANDELAAR, m. (-s). *-ERIEWAREN, v. mv. *-ERIEWINKEL, m. (-s).

[Galappel]

Galappel, m. (-s), zie GALNOOT. *...BLAAS, v. (...azen). *...BUIS, (...zen), (ontl.).

[† Galathea]

Galathea, v. (-as), (fig.) schoon -, melkwit meisje. *...TINE, o. wrongel, stremsel.

[p. 380]

[† Galbanum]

Galbanum, o. gmv. soort gomhars.

[† Galeas]

Galeas, GALJAS, v. (-sen), soort vaartuig, galei, roeischip.

[Galei]

Galei, v. (-jen, B. -en), (oudt.) oorlogschip; groot roeischip (oudtijds met misdadigers bemand); (letterz.) zetplankje; tot de -jen veroordeeld. *-BANK, v. (-en). *-BOEF, m. (...ven), misdadiger tot de galeijen veroordeeld. *-ROEIJER, m. (-s). *-SLAAF, m. (...aven). *-SLOEP, v. (-en). *-STRAF, v. gmv. *-TAKEL, m. (-s), (zeew.). *-WACHTER, m. (-s), opziener -, bewaker van galeislaven. *-ZEIL, o. (-en).

[Galerij]

Galerij, (B. GALLERIJ), v. (-ën), gedeelte eener (schouwburg- of concert-)zaal, gaanderij, zaal met zuilen; traliegang, gang met hekken; overdekte wandelplaats; (fig.) kabinet schilderijen; onderaardsche gang (in mijnen). *-TJE, (B. -N), o. (-s).

[Galg]

Galg, v. (-en), strafwerktuig tot het ophangen van misdadigers, draagband, broekhouder; (boekdr.) zeker deel der pers; hout of ijzerwerk boven eenen katrolput; § loop naar de -! loop heen! maak dat je weg komt! daar staat - en rad op, dit wordt met den dood gestraft; (spr.) dat is boter aan de - gesmeerd, daar helpt niets aan; de - bekomt haar regt, vroeg of laat wordt de misdaad gestraft; eene - in het oog hebben, achterdocht -, kwaad vermoeden hebben; naar de - dingen, zich aan grove misdaden schuldig maken.

[Galgen]

Galgen, ow. gel. alleen gebr. in het spreekwoord: het galgt beter dan het burgemeestert, daar ligt meer gevaar dan voordeel in. *-AAS, o. (...azen). *-BROK, m. (-ken). *-LAPPER, m. (-s). *-SCHELM, m. (-en), iem. die de galg (of den dood) verdiend heeft, maar haar (hem) ontloopen is; (fig.) grappenmaker. *-STUK, o. (-ken), snood bedrijf. *-VELD, o. (-en), (oudt.) strafplaats.

[Galgladder]

Galgladder, v. (-s). *...PAAL, m. (...alen).

[Galig]

Galig, bn. (-er, -st), vol galen of strepen (van laken enz.).

[Galijk]

Galijk, bn. gemakkelijk. *-HEID, v. gmv. gemakkelijkheid.

[† Galimatias, Gallimathias]

Galimatias, Gallimathias, o. brabbeltaal, wartaal, onzin.

[† Galipot]

Galipot, o. soort fransche witte pijnhars.

[Galjas]

Galjas, v. zie GALEAS. *...JOEN, o. (-en), snuit van een zeeschip; spaansch koopvaardij- of oorlogschip. -BORDEN, o. mv. (zeew.) *...JOOT, v. (-en), (B. ...oten), kleine galei; bombardeer-.

[Galkoorts]

Galkoorts, v. (-en), zekere ziekte.

[† Gallego]

Gallego, m. (-os), Galliciër, bewoner der spaansche provincie Gallicië; warme oostenwind.

[Galleiders]

Galleiders, m. mv. (ontl.) pijpjes of buizen tot afleiding van de gal.

[Gallen]

Gallen, bw. gel. (ik galde, heb gegald), de gal uit (visch) nemen. *...LIG, bn. (-er, -st), galachtig; galig, met galen of kale strepen.

[† Gallicisme]

Gallicisme, *...MUS, m. fransch taaleigen. *...LIKAANSCH, bn. de -e kerk, naam der r.k. kerk in Prankrijk (in tegenstelling van de ultramontaansche).

[† Gallitzensteen]

Gallitzensteen, m. witte of blaauwe vitriool.

[† Gallomaan]

Gallomaan, m. (...anen), hartstogtelijk bewonderaar van al wat fransch is. *...MANIE, v. gmv. overdreven zucht voor al wat fransch is.

[† Gallon]

Gallon, o. (-s), engelsche inhoudsmaat (= ruim 4.5 ned. kannen).

[p. 381]

[Galm]

Galm, -m. gmv. voortdurend geluid; vreugde-. *-EN, ow. gel. (ik galmde, heb gegalmd), eenen - (een geluid) geven; deze zaal galmt vreeselijk. -, *-ING, v. *-GAT, o. (-en), geluidgat in eenen klokketoren.

[Galmei]

Galmei, v. (nat.) kalamijnsteen, cadmia.

[Galnoot]

Galnoot, v. (...oten), uitwas door den steek der galwespen (op de jonge takken, bloemen of bladeren van boomen) veroorzaakt. *...NOTENZUUR, o. gmv.

[† Galon]

Galon, o. (-s), passementwerk, goud- of zilverboordsel. *-NEREN, bw. gel. (ik galonneerde, heb gegalonneerd), met goud- of zilverboordsel -, met franje -, met borduurwerk beleggen, boorden.

[† Galop]

Galop, m. (B.m. en o.) het rennen, snelste loop van een paard enz. *-ADE, v. zekere engelsche dans. *-PEN, *-PEREN, (B. *-PEEREN), ow. gel. (ik galopte of galoppeerde, hebt gegalopt of gegaloppeerd), de galopade dansen; springende dansen, springende loopen, rennen; in galop rijden.

[Galpen]

Galpen, ow. gel. (ik galpte, hebt gegalpt), schreeuwen.*-, o. *...PING, v. gmv. het galpen (geluid geven) van den vos.

[Galraatje]

Galraatje, (B. -N), o. (-s), (ontl.).

[Galvanisch]

Galvanisch, bn. door de galvanische batterij voortgebragt; -e -e ontleding; -e polarisatie; -e schok; -e stroom; -e toestel; -e batterij; -e electriciteit; -e kolom; -e licht- en warmte-verschijnselen; -e vergulding en verzilvering; -e vonk; -e werking. *...NISEREN, bw. ow. gel. (ik galvaniseerde, heb of ben gegalvaniseerd), (gen.) een ligchaam aan den galvanischen stroom onderwerpen, metaalprikkels aanwenden. *...NISMUS, o. gmv. electriciteit (door Galvani ontdekt), die door de werking van twee verschillende metalen wordt opgewekt. *...NODURE, v. het vergulden op galvanischen weg. *...NOGRAPHIE, v. gmv. zekere wijze om teekeningen op metalen platen te brengen en vervolgens te copiëren. *...NOMETER, m. (-s), of *...NOSCOOP, v. (...open), toestel om het aanwezig zijn van galvanische stroomen en hunne sterkte te onderzoeken. *...NOPLASTIEK, of *...NOTECHNIEK, v. gmv. de (door Jacobi uitgevonden) kunst om voorwerpen door de chemische werking van den galvanischen stroom na te bootsen of te vormen.

[Galvet]

Galvet, o. gmv. cholestearine. *...WESP, v. (-en), zeker insekt. *...ZIEK, bn. aan galziekte lijdende; (fig.) droefgeestig, melankoliek, hypochonder. *...ZIEKE, m. en v. (-n). *...ZIEKTE, v. (-n). *...ZUCHTIG, bn. (-er, -st).

[† Gambe]

Gambe, v. (-n), (muz.) knieviool, soort bas. *...BIR, o. gmv. afkooksel van zeker heestergewas (dienende tot geneesmiddel en in de looijerijen). *...BIT, *...BIET, v. zek. openingszet (in het schaakspel).

[† Gamme]

Gamme, v. (-n), (muz.) toonladder, toonschaal.

[Gang]

Gang, m. gmv. beweging van iem. die gaat of loopt, het gaan; hij heeft een deftigen -; rigt gij uwen - derwaarts? *-, loop van zaken; dit alles gaat den geregelden -; ga uwen -, ga voort; hij kan niet aan den - komen, hij kan er geen begin mede maken. *-, m. (B. gang, als laan of streek, v.) (-en), weg, tred; doorgang, doorloop, laan; (zeew.) streek, wending (in het laveren); vaart, loop; naauwe straat, steeg; gedeelte eener mijn; bedrijf, daad, han-

[p. 382]

deling; (wev.) streng van twintig draden; (ontl.) kanaal; iemands gangen (daden) nagaan; aan den - zijn, in beweging zijn; (toon.) is het stuk reeds aan den -? heeft men reeds begonnen te spelen? gangen, (zeew.) doorgangen, molengangen. *-BAAR, bn. en bijw. (-der, -st), in omloop, koers hebbende (van munten); aftrek vindende (van koopwaren); begaanbaar. *-BOORD, o. (-en), (zeew.) doorloop (op schepen). *-JE, *-ETJE, (B. -N), o. (-s), ik heb nog maar een - te doen, ik moet nog maar weinig plaatsen bezoeken, ik heb nog maar weinig boodschappen te verrigten; dat gaat een -, dat schikt uitnemend; een - met iem. gaan, iem. streng behandelen. *-ER, m. (-s), voetganger. *-STER, v. (-s), voetgangster.

[Gangliënkogels]

Gangliënkogels, m. mv. (ontl.) zenuwcellen, microscopische ligchaampjes.

[Gangpad]

Gangpad, o. (-en), voetpad. *...SPIL, v. (-len), (zeew.) soort windas. *...STEEN, m. (-en), (mijnw).

[† Ganoïden]

Ganoïden, v. mv. zekere visschen uit de voorwereld.

[Gans]

Gans, v. (...zen), zekere watervogel; (fig.) maak dat aan de ganzen wijs, hiermede kunt gij mij niet foppen.

[Gansch]

Gansch, (B. GANTSCH), bn. en bijw. geheel; alle; -en al, ten eenenmale, zonder eenige uitzondering, zonder dat er iets aan ontbreekt; van -er harte, met al mijn hart; een -e kerel, een braaf-, een rondborstig man; - niet, volstrekt niet. *-ELIJK, bijw.

[Ganzedistel]

Ganzedistel, v. (-s), zekere plant.

[Ganzenbloem]

Ganzenbloem, v. (-en). *...BORD, o. (-en), zeker gezelschapsspel. *...BOUT, m. (-en). *...DREK, o. gmv. *...HOK, o. (-ken). *...KIEKEN, *...KUIKEN, o. (-s). *...KRUID, o. gmv. zeker gewas, zilverkruid; (ook) zekere bloem. *...LEPEL, m. (-s), zeker heelmeesterswerktuig. *...MARKT, v. (-en). *...PEN, v. (-nen). *...PEPER, v. gmv. spijs uit ganzenvleesch bereid. *...POEL, m. (-en). *...POOT, m. (-en). *...SCHACHT, v. (-en). *...SMOUT, o. gmv. ganzenvet. *...SPEL, o. gmv. *...VEDER, v. (en). *...VEL, o. (-len). *...VELD, o. (-en). *...VET, o. gmv. *...VOET, m. (-en), ganzenpoot. -, gmv. zekere plant.

[Ganzerik]

Ganzerik, v. gmv. zilverkruid (zeker gewas).

[Gapen]

Gapen, ow. gel. (ik gaapte, heb gegaapt), den mond wijd openzetten, geeuwen; (fig.) niet wel sluiten; hij gaapt wijd, hij vraagt veel, zijne eischen zijn hoog; staan te -, met open mond stipt op iets staren; (spr.) tegen eenen oven staan te -, nutteloozen arbeid verrigten; monnikenwerk doen; eene -de wond, eene wond die wijd open staat; dat gaapt als een oven, dat is ontwijfelbaar valsch. *...PER, m. (-s), die gaapt. *...PING, v. gmv. het gapen. -, (-en), leemte, opening, gebrek.

[Gaps]

Gaps, v. (-en), eene dubbele handvol.

[† Garanceren]

Garanceren, bw. gel. (ik garanceerde, heb gegaranceerd), met meekrap verwen. *...CINE, v. gmv. verfstof uit meekrap bereid. *...DEREN, bw. gel. (ik garandeerde, heb gegarandeerd), borg blijven, -staan (voor), waarborgen.

[† Garant]

Garant, m. (-en), borg, waarborg.

[† Garçon]

Garçon, m. (-s), koffijhuisknecht.

[p. 383]

[Garde]

Garde, v. (-n), (B. GARD), roede, tuchtroede, hij moet de - nog hebben, hij gedraagt zich nog als een kind. GARDJE, (B. -N), o. (-s), kleine roede.

[† Garde]

Garde, v. (-s), wacht, lijfwacht; - de corps, lijfwacht; zie KORTEGAARD; -robe, kleederkamer, kleêrenkast; voorraad kleedingstukken.

[† Gardiaan]

Gardiaan, m. (...anen), opperste van een klooster; soldaat der garde.

[Gareel]

Gareel, o. (-en), de touwen waarin de paarden (voor een rijtuig) bespannen zijn, greel, haam; (fig.) huwelijksband; (fig.) in hetzelfde - loopen, altijd te zamen zijn. *-TUIGMAKER, m. (-s).

[Garen]

Garen, o. (-s), gesponnen draden (van vlas, hennep, zijde enz.); net (inz. om hazen en konijnen te vangen); in - en band doen, naaibenoodigdheden verkoopen; (fig.) voor het - zijn, op het punt zijn gevangen te worden genomen. *-, bn. van garen. *-KLOPPER, m. (-s). *-KLOS, m. (-sen). *-KOOPER, m. (-s). *-KOOPSTER, v. (-s). *-TWIJNDER, m. (-s). ...STER, v. (-s). *-WIEL, o. (-en). *-WINKEL, m. (-s). *-ZAK, m. (-ken).

[Garf, Garve]

Garf, Garve, v. (garven), (koren)schoof, afgesneden en zaâmgebonden halmen.

[Garmond]

Garmond, v. (boekdr.) zekere lettersoort.

[Garnaal]

Garnaal, v. (B.m.) (...alen), zekere kleine zeevisch. *-MAND, v. (-en). *-MARKT, v. (-en). *-WIJF, o. (...ven), verkoopster van garnalen.

[† Garneren]

Garneren, bw. gel. (ik garneerde, heb gegarneerd), omzoomen, boorden, beleggen (met band enz.); voeren (kleedingstukken); optooijen. *...NISAIR, m. (-en), soldaat bij eenen belastingschuldige ingelegerd, om dezen tot het voldoen van het achterstallige te dwingen. *...NITUUR, o. (...uren), boordsel, omzooming, borduursel; volledig stel (diamanten enz., kleedingstukken, tafelgoed enz.).

[† Garnizoen]

Garnizoen, o. (-en), bezetting (eener stad of vesting), ingelegerd krijgsvolk. *-SDIENST, v. (-en). *-SKERK, v. (-en), kerk waarin godsdienstoefening voor de militairen wordt gehouden. *-S-INFIRMERIE, v. (...ën), ziekenhuis -, ziekenzaal voor de militairen, hospitaal.

[† Garou-bast]

Garou-bast, m. gmv. zeker vergiftig heestergewas, dat meestal als openhoudend middel gebezigd wordt.

[Garst]

Garst, v. gerst, zeker graangewas. *-IG, bn. - spek, -e boter, spek of boter met een bedorven of sterken smaak. *-IGHEID, v. gmv.

[Garven]

Garven, bw. gel. (ik garfde, heb gegarfd), (landb.) het koren in garven binden; de garven van het land voeren. *...VER, m. (-s), die de garven van het land voert; die de korenschoven in de schuur optast. *...VING, v. gmv. het garven.

[† Gas, Gaz]

Gas, Gaz, o. gmv. (doch gassen in den zin van gassoorten), kunstlucht, zekere brandbare luchtvormige vloeistof. *-AARDIG, bn. (-er, -st). *-BATTERIJ, v. zekere inrigting van de galvanische batterij. *-BEK, m. (-ken), toestel waaruit brandend gas als lichtstof vloeit. *-COMPAGNIE, v. (...ën), maatschappij tot het leveren van

[p. 384]

gaslicht. *-FABRIEK, v. (-en), fabriek waarin gas tot de verlichting bereid wordt. *-KAGCHEL, v. (-s), kagchel die met gas verwarmd wordt. *-HOUDER, m. (-s), gasmeter, gazometer. *-KRAAN, v. (...anen), kraan van eenen gasmeter. *-LICHT, o. gmv. *-METER, *-(Z)OMETER, m. (-s) toestel aanwijzende de hoeveelheid verbrand gas. *-ORNAMENT, o. (-en), fraaije gaslamp of gaskroon. *-OSPYRION, o. lucht-vuurtuig, werktuig om snel gas te ontwikkelen. *-PIJP, v. (-en), buis waardoor het gas geleid wordt. *-SOORTIG, bn. (-er, -st).

[† Gascogner]

Gascogner, m. (-s), (fig.) praalhans, snoeshaan, pogcher. *...CONNADE, v. (-s), pralerij, snoeverij, grootspraak.

[Gast]

Gast, m. en v. (-en), genoodigde; vreemdeling die in een logement zijnen intrek komt nemen, - aan eene open tafel komt eten; dischgenoot; gezel, ambachtsman; vrolijke kwant, snaak; slimme vos; tooneelspeler die optreedt in eenen schouwburg waarbij hij niet vast verbonden is; hoop schoven; te - gaan, ergens gaan eten; -en zetten, open tafel houden; (fig.) slecht te - komen, onvriendelijk ontvangen worden; aan iets te - gaan, bijzonder vermaak in iets scheppen; dat is een - van een visch, een ontzaggelijk groote visch. *-EREREN, *-EREN, ow. gel. (ik gastereerde of gasteerde, heb gegastereerd of gegasteerd), smulpartij -, gastmaal houden. *-EREN, ow. (toon.) gastrollen geven, als acteur optreden op een tooneel waarbij men geene vaste verbindtenis heeft. *-ERIJ, v. (-en), gastmaal, smulpartij.

[† Gasteromyctes]

Gasteromyctes, mv. (nat.) buikzwammen. *...PODA, mv. buik-pootigen, (zekere afdeeling van de weekdieren).

[Gastheer]

Gastheer, m. (-en), die vrienden aan zijnen disch onthaalt. *...HOUDER, m. (-s), herbergier. *...HOUDSTER, v. (-s), herbergierster.

[Gasthuis]

Gasthuis, o. (...zen), godshuis, huis tot verpleging van oude lieden of zieken; hospitaal, proveniershuis; (fig.) het is daar geheel een -, zij liggen daar allen ziek; (fig.) ik heb ook in dat - ziek gelegen, ik heb ook die dwaasheid begaan, ik heb er ook van geproefd, ik weet er ook van meê te spreken; (fig.) dat is de weg naar het -, zoo doende wordt men arm. *-KERK, v. (-en). *-KNECHT, m. (-en). *-LIEDEN, m. mv. personen die in een godshuis verpleegd worden. *-MAND, v. (-en), mand waarmede men lijders en lijken van en naar een gasthuis brengt. *-MEESTER, m. (-s), opzigter-, bestuurder van een gasthuis. *-MEID, v. (-en). *-MOEDER, v. (-s). *-VADER, m. (-s).

[Gastmaal]

Gastmaal, o. (...alen), feestdisch, maaltijd, banket. *...REGT, o. gmv. wederzijdsche gastvrijheid. *...VRIJ, bn. herbergzaam, bereid om bekenden en vreemden te onthalen. -HEID, v. gmv. herbergzaamheid. *...VROUW, v. (-en), vrouw des huizes.

[† Gastriloog]

Gastriloog, m. (...ogen), buikspreker.

[† Gastrisch]

Gastrisch, bn. het onderlijf-, de buik-, de maag betreffende.

[Gastrol]

Gastrol, v. (-len), (toon.) -len vervullen, zie GASTEREN.

[† Gastromanie]

Gastromanie, v. gmv. het leiden van een wellustig leven, smullen. *...NOMIE, v. gmv. verfijnde kookkunst, lekkerbekkerij. *...NOOM, m. (...omen), kunstkok; lekkerbek.

[Gasvulkaan]

Gasvulkaan, m. (...anen), zekere plek op de aarde waar zich

[p. 385]

waterstofgas uit den bodem ontwikkelt en dien ten gevolge brandende lichten en vuren gezien worden.

[Gat]

Gat, o. (-en), opening; holte; § aarsgat, aars; ingang (eener haven); opene wond; hol (van eenig dier); slechte -, bouwvallige -, ongezonde woning, krot; (fig.) § iem. eenen voet onder het - geven, iem. wegjagen; een - in den dag slapen, zeer laat opstaan; een - stoppen; eene schuld betalen; in het - zitten, in de gevangenis zitten, in angst verkeeren; ik zie er geen - in, ik weet er niet uit te komen, ik weet het niet klaar te spelen; voor iederen spijker een - weten, voor alles eene uitvlugt bij de hand hebben; door eene plank zonder - zien, op alles wat te zeggen of te vitten hebben; de nering zit op haar -, de nering vermindert, het debiet neemt af; iem. achter het - loopen, iem. overal volgen; § zijn - vol zuipen, zich dronken drinken; iem. in het - kruipen, op lafhartige en al te onderdanige wijze vleijen; op zijn - liggen, ten gronde zijn gegaan of gebragt; een schip op zijn - zetten, den achtersteven op het drooge zetten; iem. het vierkante - (d.i. de deur) wijzen, iem. de deur uitjagen; het is met hem uit mijn - in mijn -, hij is altijd bij mij over den vloer; die zijn - brandt, moet op de blaren zitten, wie eene fout begaat, moet er voor boeten; een gatje, klein achterste, kleine billen; een gaatje, eene kleine opening.

[Gaten]

Gaten, bw. gel. (ik gaatte, heb gegaat), gaten maken, - boren. *-PLATTEEL, of GATEPETIEL, o. (-en), doorslag, vergiettest (keukengereedschap). *...TIG, bn. (-er, -st), vol gaten, vol openingen.

[§ Gatlikken]

§ Gatlikken, bw. gel. (ik gatlikte, heb gegatlikt), laag -, kruipend vleijen. *...LIKKER, m. (-s), *...LIKSTER, v. (-s), lage vleijer, - vleister. *...LIKKERIJ, *...LIKKING, v. gmv.

[† Gaucherie]

Gaucherie, v. linkschheid, lompe manieren, gebrek aan goede manieren.

[Gave]

Gave, v. (-n), zie GAAF.

[Gazelle]

Gazelle, v. (-n), zeker viervoetig dier.

[Gazen]

Gazen, bn. van gaas.

[† Gazometer]

Gazometer, m. gasmeter, toestel ter aanwijzing van de verbruikte hoeveelheid gas.

[Geaard]

Geaard,1) dw. en bn. wel -, kwalijk -, met eene goede of kwade inborst. *-HEID, v. gmv. natuurlijke gesteldheid, inborst.

[† Geabonneerd]

Geabonneerd, bn. verbonden door inteekening, ingeteekend. *-E, m. en v. (-n), die zich verbonden heeft door inteekening. *...ACCEPTEERD, bn. aangenomen; een -e wissel, wissel door den betrokkene geteekend (aangenomen te betalen). *...ACCORDEERD, bn. overeengekomen; toegestaan, vergund. *...ACCREDITEERD, bn.

[p. 386]

toegelaten; de bij het nederlandsche hof -e gezanten. *...ACHARNEERD, bn. verbitterd, verwoed, gramstorig; verzot, sterk gezet (op). *...ACHEVEERD, bn. voltooid, geëindigd; (fig.) volkomen, uitmuntend; eene -e opvoeding, waaraan niets ontbreekt. *...ADOPTEERD, bn. aangenomen (als kind). *...AFFECTEERD, bn. gemaakt, gekunsteld, onopregt, -E, m. (-n), de -en bij het brandwezen, brandspuitgasten. *...AGGREGEERDE, m. (-n), toegevoegd ambtenaar. *...ALIMENTEERD, bn. bedeeld, ondersteund; de -en, de bedeelden (uit eene armenkas). *...ALLIËERDEN, m. mv. bondgenooten. *...ALTEREERD, bn. ontroerd, ontsteld. *...ASPHYXIËERD, bn. schijndood; gestikt. *...ASSORTEERD, bn. ruim voorzien (van koopwaren); (ook) bij elk. passende. *...ASSUREERD, bn. verzekerd (tegen brandschade enz.). *...AUTORISEERD, bn. van volmagt voorzien, gemagtigd, bevoegd. *...AVANCEERD, bn. vooruit gekomen, - geplaatst, gevorderd, bevorderd; geopperd, te berde gebragt; de -e partij, die krachtig handelt en niet met weinig tevreden is.

[Gearmd]

Gearmd, bn. van armen voorzien; arm in arm gaande.

[Gebaar]

Gebaar, v. (...aren), beweging van het ligchaam of van een of meer ligchaamsdeelen; leven, gedruisch, misbaar. *-MAKING, v. gesticulatie. *-D, bn. van eenen baard voorzien. -, dw. ter wereld gebragt.

[† Gebadineerd]

Gebadineerd, bn. geschertst; daar is niet meê -, dat is ernst.

[Gebabbel]

Gebabbel, o. gmv. het babbelen1) *...BAF, o. gmv. *...BAK, o. gmv. lekkernij, (koek, taart, banket enz.); zoo veel brood als op éénmaal gebakken wordt; het bakken. -JE, (B. -N), o. (-s). *...BAKEND, bn. van bakens voorziens; (fig.) het is daar anders -, de zaak staat daar anders. *...BALANCEERD, bn. in evenwigt gehouden, wederzijds opgewogen; afgesloten (van rekeningen). *...BALDER, o. gmv. *...BALK, o. gmv. *...BALLAST, bn. van ballast voorzien.

[Gebarenkunst]

Gebarenkunst, v. kunst om door middel van bewegingen der handen enz. zijne gedachten of gemoedsaandoeningen kenbaar te maken. *...MAKER, m. (-s). *...MAAKSTER, v. (-s). *...SPEL, o. gmv., *...SPRAAK, v. gmv., *...TAAL, v. gmv. gesticulatie.

[Gebas]

Gebas, o. gmv. *...BASEERD, bn. gegrond (op), steunende (op).

[Gebbe]

Gebbe, v. (-n), zeker vischnet.

[Gebed]

Gebed, o. (-en), lofspraak tot God, bede, smeeking; zijn - doen; in het - zijn; het - des Heeren, het Onze Vader; een dronkemans-, (als een dronkaard zijn geld telt).

[Gebedel]

Gebedel, o. gmv. het bedelen.

[Gebeden]

Gebeden, dw. *-BOEK, o. (-en). *-HUISJE, o. (-s), bidkapel.

[Gebeef]

Gebeef, o. het beven; rilling. *...BEEND, bn. beenen -, beenderen hebbende. *...BEENTE, o. gmv. beenderen (van eenen mensch of

[p. 387]

een dier); doodsbeenderen; (fig.) stoffelijk overschot; graf; tot in het -, diep ingeworteld; schielijk in het - leggen (eenen haas) geheel en opeten. *...BEFT, bn. eene bef om den hals hebbende. *...BEKT, bn. van eenen bek voorzien; (fig.) stijf -, moeijelijk te overtuigen; spits - zijn, scherp van tong zijn, scherpe taal spreken; ieder vogel zingt zoo als hij - is, ieder doet volgens zijne gewoonte. *...BELGD, dw. beleedigd. *...BERGTE, o. bergreeks, bergketen; bergachtige landstreek. *...BETEN, dw. zie BIJTEN. -, bn. (fig.) boos, vertoornd; * zijn op iem. *...BEUK, o. het beuken; aanhoudende slagen.

[Gebeuren]

Gebeuren, onp. w. gel. (het gebeurde, is gebeurd), voorvallen, geschieden, zich voordoen. *...BEURLIJK, bn. (-er, -st), kunnende gebeuren. -HEID, v. gmv. *...BEURTENIS, v. (-sen), voorval.

[Gebied]

Gebied, o. gmv. heerschappij, magt, gezag; uitgestrektheid eener heerschappij; grondgebied, regtsgebied; terrein; (fig.) het - der historie, alles wat tot de geschiedenis en hare beoefening behoort. *-EN, bw. ow. ong. (ik gebood, heb geboden), bevelen, zijnen wil doen kennen (om dezen te doen uitvoeren), last geven; - over, heerschappij uitoefenen; (taalk.) de -de wijze. *-ENDERWIJS, bijw. op bevelenden toon. *-ENIS, v. (-sen), groet, kompliment; mijne - aan uwe vrouw, breng mijne groetenis aan uwe vrouw over. *-ER, m. (-s), bevelvoerder, regeerder, lastgever. *-STER, v. (s), bevelvoerster, beheerscheres; (fig.) de - van mijn hart, mijne aangebedene, uitverkorene. *-ING, v. gmv. het gebieden. *-VOERDER, m. (-s). *-VOERSTER, v. (-s). *-ZUCHTIG, bn. (-er, -st).

[Gebild]

Gebild, bn. dik van billen. *...BIND, *...BINDTE, *...BINT, o. (-en), (timm.) balkwerk. *...BIT, o. gmv. het vermogen om te bijten; al de tanden in den mond; bit, mondstuk van een paard. *...BLAARD, bn. van blaren voorzien; met eene vlak voor den kop, gespikkeld (van paarden enz.). *...BLAAS, o. gmv. *...BLAAT, o. gmv. gelnid der schapen. *...BLADERD, bn. (kruidk.) uit bladeren zamengesteld. *...BLADERTE, o. al de bladen van een of meer boomen. *...BLAF, o. gmv. *...BLAMEERD, bn. belasterd, gelasterd; in opspraak gebragt. *...BLASEERD, bn. ongevoelig (voor genot door overmatig gebruik). *...BLESSEERD, bn. gekwetst, bezeerd; geraakt, gekrenkt, beleedigd. *...BLIK, o. gmv. het aanhoudend blikken met de oogen. *...BLINDEERD, bn. -e schepen. *...BLOEMD, bn. met bloemen versierd; als bloemen bewerkt (stoffen enz.). *...BLOEMTE, o. gmv. allerlei bloemen te zamen. *...BLOKKEERD, bn. ingesloten (van havens), omsingeld (van vestingen).

[Gebod]

Gebod, o. (-en), bevel; de tien -en. *-, huwelijksafkondiging; onder de -en zijn of staan. *...BOEFTE, o. gmv. gespuis, janhagel, gemeen volk. *...BOEGD, bn. van eenen boeg voorzien. *...BOERT, -E, o. gmv. (dichtk.) de boeren, landlieden, boerenstand. *...BOGCHELD, bn. met eene bult op den rug; boogswijze gebogen (als een scheepskiel); een -e, een bultenaar. *...BOM, o. gmv. *...BOMBAM, o. gmv. *...BONDEN, dw. zie BINDEN. -, bn. eene -e saus, die niet te vloeibaar is; (nat.) -e warmtestof; - stijl, poëzij (tegenstelling van ongebonden stijl, proza). *...BONS, o. gmv. *...BOOMTE, o. gmv. vele boomen bij elkander staande, boschaadje.

[p. 388]

[Geboorte]

Geboorte, v. gmv. het ter wereld komen; (fig.) aanvang, begin; een man van -, iem. van aanzienlijke afkomst; een man zonder - of van geene -, iem. van onbekenden oorsprong; een oproer in zijne - smoren, dempen of bedwingen pas nadat het is uitgebarsten. *-DAG, m. (-en). *-DICHT, o. (-en). *-GROET, m. (-en). *-JAAR, o. (...aren). *-LAND, o. *-LIED, o. (-eren). *-PLAATS, v. (-en). *-PUNT, o. (-en), horoscoop. *-REGISTER, o. (-s), boek waarin de geborenen worden opgeschreven. *-STAD, v. (...eden). *-STER, v. ster waaronder men is geboren. *-STOND, m. (-en). *-TIJD, m. (-en). *-UUR, o. (...uren). *-VLIES, o. (...zen). *-WENSCH, m. (-en). *...BOORTIG, bn. van waar is hij -? waar is hij geboren? *...BOREN, dw. ter wereld gekomen; hij is dichter -, reeds in zijne jeugd toonde hij veel aanleg om dichter te worden; een - Franschman, iem. die in Frankrijk is geboren; een stom- en doof-e.

[† Geborneerd]

Geborneerd, bn. beperkt, begrensd; (fig.) bekrompen, kleingeestig; niet genoeg ontwikkeld.

[Geborrekik]

Geborrekik, o. het kwaken der kikvorschen.

[Geborst]

Geborst, bn. van borsten voorzien. *...BOSSELEERD, bn. gedreven (van goud- of zilverwerk). *...BOTS, o. gmv. *...BOUW, o. (-en), bouwwerk, gesticht, woonhuis.

[Gebraad]

Gebraad, o. gmv. gebraden vleesch. *...BRABBEL, o. gmv. *...BRANDMERKT, bn. *...BRAS, o. gmv.

[Gebrek]

Gebrek, o. (-en), behoefte, schaarschheid, mangel; ontstentenis; ligchamelijk ongemak; onvolledigheid, leemte; bij gebreke van, aangezien (iets of iem.) ontbreekt; in gebreke blijven, niet nakomen wat men beloofd heeft, niet doen wat men behoort te doen. *-ELOOS, *-KELOOS, bn. zonder gebreken. *-KELIJK, bn. en bijw. (-er, -st), met gebreken, onvolmaakt. -HEID, v. gebrek aan de ledematen, zintuigen enz. *-KIG, bn. waaraan iets ontbreekt; onvolmaakt. -HEID, v. *...BRIESCH, o. gmv.

[Gebroed]

Gebroed, o. gmv. uitgebroeide kiekens van een nest. *-, *-SEL, o. gmv. (fig.) slecht -, gemeen volk; tirannen-; monniken-. *-ERLINGEN, mv. broederskinderen, neven. *-ERS, mv. twee of meer broeders. *-ERSCHAP, v. (-pen), vereeniging, genootschap.

[Gebroekt]

Gebroekt, bn. eene broek aan hebbende; (fig.) § beslapen. *...BROKEN, dw. zie BREKEN. -, bn. - zijn, eene breuk hebben; hij spreekt - (gebrekkig) Fransch. -, o. (rek.) gebroken getal. *...BROM, o. gmv. het geluid van dieren; ook gemor. *...BROUILLEERD, bn. in onmin. *...BRUL, o. gmv. geraas, getier, geweld.

[Gebruik]

Gebruik, o. (-en), aanwending, beschikking; gewoonte; -maken van; dit is niet meer in -; de zeden en -en van een land; het - wil het zoo. *-ELIJK, (B. *-LIJK), bn. (-er, -st), in algemeen gebruik. *-EN, bw. gel. (ik gebruikte, heb gebruikt), aanwenden, besteden, (zich iets) ten nutte maken; zich bedienen van; § beslapen; zich laten - (tot onbehoorlijke dingen). *-ER, m. (-s), die gebruik van iets maakt.

[Gebruis]

Gebruis, o. gmv. *...BRUL, o. gmv. *...BULDER, o. gmv. *...BULK, o. gmv. *...BUUR, m. en v. (...uren), buurman, buurvrouw. *...BUUR-

[p. 389]

SCHAP, o. (B.v.) (-pen), buurt; omgang van buren. *...BUURTE, v. (-n), onderafdeeling eener stadswijk.

[† Gecacheerd]

Gecacheerd, bn. verborgen, bedekt, geheim. *...CALANGEERD, bn. aangehaald, beboet. *...CALQUEERD, bn. doorgeteekend, nagetrokken (van teekeningen). *...CAMPEERD, bn. gelegerd, te veld liggende. *...CITEERD, bn. gedagvaard; aangehaald (eene plaats uit een boek enz.). *...COMMITTEERDE, m. (-n), lasthebber, gevolmagtigde; (ook) lid van een dijk- of polderbestuur. *...COMPLICEERD, ...QUEERD, bn. ingewikkeld. *...COMPROMITTEERD, bn. in opspraak -, in verlegenheid gebragt. *...CONSERVEERD, bn. bewaard, onderhouden; deze dame is goed -, men kan het haar niet aanzien dat zij reeds bejaard is. *...CONCESSIONNEERD, bn. bewilligd, ingeruimd, toegestaan, vergund; -e lijnen, spoorwegen aan bijzondere maatschappijen toebehoorende (in tegenstelling van staatsspoorwegen). *...CONDITIONNEERD, bn. goed -, in goeden toestand onderhouden (van boeken, andere voorwerpen enz.). *...CONFISQUEERD, bn. verbeurd verklaard, benaderd. *...CONSOLIDEERDEN, mv. fondsen op schulden voor welker rentebedrag zekere staatsinkomsten zijn aangewezen, gevestigde schuld (inz. in Engeland). *...CONSTATEERD, bn. gestaafd, bekrachtigd. *...CONSTERNEERD, bn. ontsteld, onthutst, verbaasd, uit het veld geslagen. *...CONSULTEERD, bn. geraadpleegd. *...CONSUMEERD, bn. verteerd, opgebruikt. *...CONTINUEERD, bn. voortgezet, vervolgd. *...CONTRARIEERD, bn. tegengewerkt, gedwarsboomd. *...CONTRASIGNEERD, bn. mede-onderteekend. *...CORRIGEERD, bn. verbeterd. *...COSTUMEERD, bn. naar behooren gekleed; (ook) in zekere kleederdragt (van ouden tijd) gedost; een - bal; een -e optogt. *...CULTIVEERD, bn. aangekweekt, beschaafd.

[Gedaagde]

Gedaagde, m. en v. (-n), die voor de regtbank geroepen is.

[Gedaan]

Gedaan, vd. zie DOEN; verrigt; volbragt; (fig.) geëindigd, afgeloopen; uit; het is met hem -, hij is dood, hij ligt op het uiterste; (ook) hij is ten gronde gerigt; er wel - uitzien, zich goed voordoen.

[Gedaante]

Gedaante, v. (-n), uiterlijk voorkomen; gelaatstrekken; (fig.) toedragt van zaken. *-VERANDERING, v. (-en). *-VERWISSELING, v. (-en).

[Gedachte]

Gedachte, v. (-n), (B. GEDACHT, o.) het denken; denkbeeld, begrip, opvatting, meening, gevoelen, oordeel; overleg, ontwerp, plan; herinnering; wat zijn uwe -n hierover? hoe denkt gij hierover? van - zijn, van meening zijn; in -n, denkend, peinzend, afgetrokken; dat is mij uit de - gegaan, dat heb ik vergeten. *-LOOS, bn. en bijw. onoplettend. *-ELOOSHEID, v. gmv. onoplettendheid. *-N-BEELD, o. (-en), denkbeeld. *-NIS, v. gmv. herinnering; (ook) geschenk tot aandenken; zaliger -, glorierijker -, vloekwaarder -. *...DACHTIG, bn. zich herinnerende, denkende aan.

[Gedans]

Gedans, o. gmv. *...DARMTE, o. gmv. al de darmen in het ligchaam (van menschen en dieren). *...DARTEL, o. gmv. *...DAVER, o. gmv.

[† Gedebaucheerd]

Gedebaucheerd, bn. uitspattend, verdierlijkt. *...DECIDEERD, bn. besloten, vastberaden; stout, koen. *...DECOREERD, bn. met een ordelint versierd, getooid; versierd (van eene zaal enz. bij feestelijke gelegenheden). *...DECRETEERD, bn. bij besluit vastgesteld en afgekondigd.

[p. 390]

[Gedeelte]

Gedeelte, o. (-n), deel van een geheel. *-LIJK, bn. en bijw. voor een deel; niet alles; deels.

[† Gedegageerd]

Gedegageerd, bn. ongedwongen, los, vrijmoedig.

[Gedegen]

Gedegen, bn. echt, fijn, massief; - goud, - zilver.

[† Gedegradeerd]

Gedegradeerd, bn. verlaagd, uit een ambt -, van eene waardigheid ontzet; uit de (krijgs-) dienst gejaagd. *...DELEGEERDEN, m. mv. afgevaardigden; regters bijzonder aangewezen ter beoordeeling van eene zaak; - (verkoopers in het klein) der staatsloterij. *...DELIBEREERD, bn. overwogen, beraadslaagd over.

[Gedenkblad]

Gedenkblad, o. (-en), *...BOEK, o. (-en), blad waarop -, boek waarin feiten tot duurzame herinnering vermeld staan; (ook) agenda, zakboekje, notitie-, aanteekenboekje. *...CEÊL, v. (-en), lijst ter herinnering; cedel waarop (bij de oude Israelieten) de tien geboden stonden geschreven.

[Gedenken]

Gedenken, bw. onr. (ik gedacht, heb gedacht), denken aan; iets in de gedachte houden; zich herinneren; melding maken -, gewagen van; zich voornemen; gedenk den armen; gedenk mijner, denk aan mij; gedachte (bovenbedoelde, bovengenoemde) persoon.

[Gedenkpenning]

Gedenkpenning, m. (-en), medaille. *...ROL, v. (-len). *...SCHRIFT, o. (-en). *...SPREUK, v. (-en). *...TEEKEN, o. (-en), monument. *...WAARDIG, bn. en bijw. (-er, -st), verdienende in herinnering te blijven. *...ZUIL, v. (-en), eerezuil, pyramide, obelisk.

[† Gedeponeerd]

Gedeponeerd, bn. nedergelegd, overgelegd; in bewaring gegeven; afgeleverd bij de overheid (een bepaald getal exemplaren b.v. platen enz.). *...DEPORTEERD, bn. naar eene (overzeesche) strafkolonie overgebragt; de -en. *...DEPUTEERDE, m. (-n), volksafgevaardigde, lid eener wetgevende vergadering; (ook) lid van een dijk- of polderbestuur. *...DERANGEERD, bn. niet wel bij het hoofd, verbijsterd van zinnen; in ongunstige financiële omstandigheden. *...DESIGNEERD, bn. benoemd, aangewezen. *...DESILLUSIONNEERD, bn. uit den waan gebragt, - geholpen, beter ingelicht. *...DESTILLEERD, bn. overgehaald, gestookt; -e wateren, sterke dranken. -, o. geestrijke vochten. *...DESTINEERD, bn. bestemd. *...DETACHEERD, bn. losgemaakt; (mil.) afgezonderd en uitgaande. *...DETINEERD, bn. opgesloten, gevangen, in arrest. *...DETAILLEERD, bn. breedvoerig, omstandig, in bijzonderheden. *...DEVELOPPEERD, bn. ontwikkeld. *...DEVOLVEERD, bn. toegevallen, aangevallen (eene erfenis enz.).

[Gedicht]

GEDICHT, o. (-en), dichtstuk, opstel in gebonden stijl. *-JE, (B. -N), o. (-s). *-SEL, o. (-en, -s), verdichtsel, onwaar verhaal, verzonnen geschiedenis.

[Gedienstig]

Gedienstig, bn. en bijw. (-er, -st), *-LIJK, bijw. dienstvaardig, behulpzaam. *-HEID, v. (...heden), dienstvaardigheid; dienstbetoon; behulpzaamheid.

[Gedierte]

Gedierte, o. de dieren, de redelooze schepselen.

[Gedijen]

Gedijen, ow. gel. (ik gedijde, heb gedijd), goed -, voorspoedig voortkomen, groeijen; goed uitvallen; toenemen; verstrekken; onregt goed gedijt niet, wat men op oneerlijke wijze verkregen heeft brengt geen geluk aan.

[p. 391]

[Geding]

Geding, o. (-en), regtszaak, regtshandel, proces. *-BEZORGER, m. (-s), procureur. *-SCHRIJVER, m. (-s), griffier. *-STUK, o. (-ken), processtuk. *- ZAAL, v. (...alen), pleitzaal, geregtszaal.

[† Gedirigeerd]

Gedirigeerd, bn. bestuurd, geregeld; in de rigting gebragt. *...DISCIPLINEERD, bn. aan orde en tucht gewend. *...DISCUTEERD, bn. overwogen, naauwkeurig onderzocht, behandeld. *...DISPENSEERD, bn. vrijgesteld, ontheven, verschoond. *...DISPERSEERD, bn. verstrooid, verspreid. *...DISPONEERD, bn. beschikt (over iem., over geldsommen; (fig.) hoe zijt gij -? zijt gij goed of kwaad geluimd? *...DISPUTEERD, bn. getwist, bestreden. *...DISTILLEERD, bn. zie GEDESTILLEERD. *...DISTINGEERD, bn. onderscheiden; aanzienlijk, voornaam, zeer fatsoenlijk; een -publiek; eene -e plaats. *...DIVERTEERD, bn. vermaakt, verlustigd. *...DIVIDEERD, bn. (rek.) gedeeld.

[Gedoe]

Gedoe, *-N, *-NTE, o. gmv. getier, leven; bezitting; omslag; wat een -! welk een leven en beweging! in een goed - zijn, zeer bemiddeld zijn; wat heb ik met al dat - (met al die lastige dingen) te maken! *-N (ZICH), ww. onr. (ik gedeed mij, heb mij gedaan), zich behelpen.

[Gedommel]

Gedommel, o. gmv. het gegons (b.v. der bijen), het zacht spreken, fluisteren. *...DONDER, o. gmv. *...DOOGEN, (B. GEDOGEN), bw. gel. (ik gedoogde, heb gedoogd), toelaten, vergunnen, gehengen, dulden. *...DOOGZAAM, bn. (...amer, -st), verdraagzaam. -HEID, v. verdraagzaamheid.

[† Gedomiciliëerd]

Gedomiciliëerd, bn. gehuisvest, woonachtig (te), eene bepaalde woonplaats hebbende. *...DOTEERD, bn. begiftigd.

[Gedrag]

Gedrag, o. gmv. leefwijze, handelwijze; doen en laten. *-EN (ZICH), ww. ong. (ik gedroeg mij, heb mij gedragen); zich goed -, zijnen pligt doen; zich slecht -, zijnen pligt niet doen; zich - aan, zich beroepen op, verwijzen naar; ons gedragende aan onze missive van ...., met herinnering aan en bevestiging van hetgeen wij toen schreven. *-ING, v. (-en), gedrag. *...DRANG, o. gmv. het aanhoudend dringen; digt opeengepakte volksmenigte; (fig.) in het - komen, in groote verlegenheid gebragt worden. *...DREIG, o. gmv. bedreigingen. *...DREUN, o. gmv.

[† Gedresseerd]

Gedresseerd, bn. afgerigt (van dieren); gedrild, goed geoefend (van soldaten).

[Gedrogt]

Gedrogt, (B. GEDROCHT), o. (-en), wanschepsel, monster; groot -, schrikwekkend dier. *-ELIJK, bn. en bijw. (-er, -st), wanschapen, misvormd. *-ELIJKHEID, v. wanschapenheid, monsterachtigheid. *...DRONGEN, dw. zie DRINGEN. -, bn. digt opeengepakt. *...DRUISCH, o. gmv. groot geraas, getier, leven, geweld.

[Geducht]

Geducht, bn. en bijw. (-er, -st), vreeswekkend.

[Geduld]

Geduld, o. gmv. lijdzaamheid, gelatenheid, toegeeflijkheid. *-IG, bn. en bijw. (-er, -st). *-IGLIJK, bijw.

[Geduren]

Geduren, ow. gel. zie DUREN. *-DE, vz. terwijl, tijdens, zoo lang iets duurt. *...RIG, bn. (-er, -st), -LIJK, bijw. aanhoudend, telkens geschiedende, steeds, altoos, zonder ophouden. *...RIGHEID v. gmv.

[p. 392]

[Geduurzaam]

Geduurzaam, bn. (...amer, -st), gedurig. -HEID, v. gmv.

[Gedwee]

Gedwee, bn. (-ër, -st), buigzaam, handelbaar; (fig.) onderworpen, zachtzinnig, gehoorzaam. *-HEID, v. gmv. buigzaamheid, handelbaarheid. *...DWEIL, o. gmv. *...DWONGEN, dw. zie DWINGEN. -, bn. gemaakt, geveinsd, gekunsteld. -HEID, v. gmv. dwang, het noodzaken; (fig.) gemaaktheid, gekunsteldheid.

[† Geëchappeerd]

Geëchappeerd, bn. ontsnapt, ontkomen; ontgaan, ontvallen. *...ECHAUFFEERD, bn. verhit, warm geworden; (fig.) driftig, boos.

[Geef]

Geef, TE -, bijw. voor niet, bijna om niet; men krijgt het te -, de voorraad is zoo ruim dat men er bijna geen geld voor behoeft te geven. *-s, bijw. goedgeefs, milddadig. *-STER, v. (-s), zij die geeft.

[Geel]

Geel, bn. (geler, B. -er, -st), *-, o. zekere kleur; de gele zucht, zekere ziekte. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), naar het gele overhellende, min of meer geel. *-ACHTIGHEID, v. gmv. *-BESSEN, v. mv. Avignon-bessen. *-BORSTJE, (B. -N), o. (-s), zeker vogeltje. *-GIETER, m. (-s), kopergieter. *-HEID, v. gmv. het gele, de gele kleur. *-HOOFDIG, bn. -e bijeneter, zekere vogel. *-KOPER, o. gmv. messing, zeker metaal. *-VINK, m. (-en), zekere vogel. *-WORTEL, m. curcuma. *-ZUCHT, o. gmv. zekere ziekte. *-ZUCHTIG, bn. (-er, -st).

[† Geëmancipeerd]

Geëmancipeerd, bn. vrij gelaten, vrij gemaakt, vrij verklaard; gelijk gesteld (voor de wet); (fig.) hij heeft zich -, hij handelt reeds zelfstandig. *...EMIGREERD, bn. uitgeweken, naar een ander land vertrokken. *...EMPORTEERD, bn. oploopend, driftig. *...EMPRESSEERD, bn. haast hebbende, drok bezig.

[Geen]

Geen, *-E, bn. niet een, geen enkele; ik heb - geld; hij is - kind meer, hij is niet meer een kind; - mensch, niemand; in -en deele. *-, GENE, vnw. deze en gene; aan gene (die, de over-) zijde van den berg, van de rivier. *- ERHANDE, *-ERLEI, bn. op - wijze, volstrekt niet. *-SZINS, bijw. niet, volstrekt niet.

[† Geëngageerd]

Geëngageerd, bn. verloofd, verzegd; verbonden, aangenomen.

[Geep]

Geep, v. (-en), zekere visch.

[Geer]

Geer, v. (B.m.) (-en), schuin gesneden strookje om de wijdte (in een hemd enz.) te krijgen; schuin gesneden stuk doek om de zeilen aan het eene einde breeder te krijgen. *-EN, ow. gel. (ik geerde, heb gegeerd), schuins loopen; (zeew.) afhouden. *-SE, v. (-n), (oudt.) zekere nederlandsche vlaktemaat.

[Geesel]

Geesel, (B. GEESSEL), m. (-en, -s), zweep, roede; (fig.) ramp, onheil, plaag, bezoeking; verwoesting; (ook) verwoester, vernieler. *-AAR, m. (-s), die geeselt. *-BROEDER, m. (-s), zekere dweeper, monnik. *-EN, bw. gel. (ik geeselde, heb gegeeseld), met roeden -, met eene zweep kastijden. *-ING, v. (-en), kastijding met roede- of zweepslagen. *-MONNIK, m. (-en). *-PAAL, m. (...alen), paal waaraan de tot geeseling veroordeelde misdadigers gebonden worden. *-ROEDE, v. (-n).

[Geest]

Geest, m. (-en), wezen zonder ligchaam, denkbeeldig voorwerp; genie; ziel, leven; zielsgesteldheid; verstand, vernuft; begrip; spook, schim; door gisting of overhaling verkregen vlugtig gedeelte van iets, spiritus; den - geven, sterven, overlijden; een groote -, een man van

[p. 393]

buitengemeen veel verstand; een sterke -, een vrijdenker; (fig.) de kwade -en, de schuldeischers; tegenwoordigheid van -, beradenheid in gevaar, vlugheid in het geven van gepaste antwoorden; de - der wet, de ware meening der wet (in tegenstelling van de letter, of de bewoordingen); de - (heerschende meening) der vergadering; de - (de zin, de voornaamste inhoud) van het boek; - van wijn, - van zwavel, - van zout, - van vitriool, enz.; (H.S.) de heilige -; de bediening van den nieuwen -, de godsdienst van het Nieuwe Verbond. *-, v. zandige strook land. *-ACHTIG, bn. met veel geest of spiritus (van vochten). *-ACHTIGHEID, v. gmv. *-DRIFT, v. gmv. sterke-, blakende ijver, vuur. *-DRIJVER, m. (-s), *-DRIJFSTER, v. (-s), dweeper, dweepster. *-DRIJVERIJ, (B. ...YVERIJ), v. gmv. dweepzucht, dweeperij, valsche ijver. *-ELIJK, bn. niet ligchamelijk; (fig.) godvruchtig; kerkelijk, tot de kerk of godsdienst behoorende; God is een - wezen; een - (kerkelijk) ambt; -e goederen; een - gewaad, priestergewaad; eene -e orde, kerkelijke broederschap; eene -e dochter, non; het - (kanonieke) regt; het - gezag (in tegenstelling van het wereldlijke) van den paus; -e rangorde, kerkelijke hierarchie. *-ELIJKE, m. (-n), kerkleeraar, bedienaar der godsdienst. *-ELIJKHEID, v. gmv. al de geestelijken te zamen (als één ligchaam). *-ELOOS, bn. zonder geest.

[Geestenbezweerder]

Geestenbezweerder, m. (-s), *...BEZWEERSTER, v. (-s), *...BEZWERING, v. (-en), oproeper -, oproepster -, het oproepen der geesten of schimmen van afgestorvenen. *...DOM, o. gmv. de intellectuele wereld. *...LEER, v. gmv. *...RIJK, o. gmv. rijk der schimmen. *...WERELD, v. gmv. *...ZIENER, m. (-s), soort dweeper.

[Geestig]

Geestig, bn. en bijw. (-er, -st), *-LIJK, bijw. geestachtig; vernuft -, geest aantoonende; een - antwoord, een - gezegde; dit boek is - geschreven. *-HEID, v. gmv. vernuftigheid.

[Geestkracht]

Geestkracht, v. gmv. kracht -, sterkte van den geest. *...KUNDE, v. gmv. geestenleer. *...MAKING, v. gmv. (scheik.) overhaling van een vast ligchaam tot geest, spiritualisatie. *...RIJK, bn. (-er, -st), veel geest of vernuft hebbende; met veel spiritus (in vochten); -e dranken. *...VERMOGEN, o. gmv. vermogen van het verstand.

[Geët]

Geët, o. gmv. hertenvleesch.

[Geeuwen]

Geeuwen, ow. gel. (ik geeuwde, heb gegeeuwd), gapen, onwillekeurig den mond opsperren. *...ER, *...ERD, *...AARD, m. (-s), *...HONGER, m. gmv. zenuwtoeval ten gevolge van het langdurig ontberen van voedsel. *...ING, v. gmv. het geeuwen.

[† Geëvaporeerd]

Geëvaporeerd, bn. uitgedampt; (fig.) vol grillen en inbeeldingen. *...EXALTEERD, bn. overspannen. *...EXPIREERD, bn. overleden, ontzield; afgeloopen, vervallen, verschenen, verstreken (van eenen termijn). *...FARCEERD, bn. opgevuld (van worst enz.).

[Gefemel]

Gefemel, (B. *...FEEMEL, *...FIJMEL), o. gmv. *...FLEEM, (B. *...VLEEM), o. gmv. *...FLIKKER, o. gmv. *...FLONKER, o. gmv. *...FLUIT, o. gmv. *...FROMMEL, o. gmv.

[† Gefigureerd]

Gefigureerd, bn. versierd; -e letters. *...FORCEERD, bn. gedwongen, genoodzaakt; met geweld of met bovenmatige inspanning

[p. 394]

volbragt of verrigt. *...FORMALISEERD, bn. stijf aan vormen gehecht; ontevreden over een gebrek in den vorm, beleedigd. *...FORTUNEERD, bn. met vermogen, rijk. *...GENEERD, bn. belemmerd, gehinderd, verlegen (om geld enz.).

[Gegadigde]

Gegadigde, m. en v. (-en), die gading of lust in iets heeft (bij eene aanbesteding, verkooping, verpachting enz.). *...GEEUW, o. gmv. *...GIJBEL, o. gmv. *...GIL, o. gmv. *...GLIM, o. gmv. *...GLINSTER, o. gmv. *...GLUUR, o. gmv. *...GOED, bn. bemiddeld. *...GOLF, o. gmv. *...GONS, o. gmv. *...GOOI, o. gmv. *...GRIJNS, o. gmv. *...GRIM, o. gmv.

[† Gegradueerd]

Gegradueerd, bn. met een akademischen graad; een -e, iem. die tot een akademischen graad is bevorderd.

[Gehaard]

Gehaard, bn. behaard, harig. *...HAKKEL, o. gmv. *...HAKT, dw. zie HAKKEN. -, o. gehakt vleesch; ossen-, kalfs-. *...HALTE, o. en v. gmv. allooi, innerlijke waarde van metalen; wedde, bezoldiging. *...HARD, dw. zie HARDEN. -, bn. (-er, -st), verhard. -HEID, v. gmv. *...HARNAST, bn. met een harnas of kuras bedekt; een - schip. *...HASSEBAS, o. gmv.

[† Gehazardeerd]

Gehazardeerd, bn. gewaagd, gevaarlijk, vermetel.

[Gehecht]

Gehecht, bn. en bijw. (-er, -st), verbonden (aan), liefhebbend, getrouw. *-HEID, v. gmv.

[Geheel]

Geheel, bn. en bijw. zonder gebrek, zonder dat (er) iets (aan) ontbreekt; gaaf, ongeschonden; heel, zonder breuk, niet gedeeld, niet verdeeld, niet gesplitst; in het - niet of - niet, geenszins, volstrekt niet; een - (vol) uur. *-, o. gmv. het - is grooter dan zijne deelen; het - (totaal) van die sommen; de zaak is nog in haar -, er is nog niets in veranderd of van afgenomen; wij zijn nog in ons -; over het -, kortom, met één woord. *-AL, o. (beter heelal). *-LIJK, bw. ten volle, volkomen.

[Geheim]

Geheim, o. iets dat slechts aan één persoon of aan weinigen bekend is, verborgenheid; - houden; het - bewaren; er geen - van maken; in het -; achter het - komen; er steekt een - achter; de -en (mysteriën) der godsdienst. *-, bn. en bijw. (-er, -st), slechts aan één of weinigen bekend; bedekt; de -e deelen van het menschelijk ligchaam, de schaamdeelen; een -e (verborgen) trap. *-BEWAARDER, m. (-s), ...STER, v. (-s), vertrouwde, vertrouweling. *-ENIS, v. (B.v. en o.), (-sen), verborgenheid. *-HOUDEND, bn. niet veel vertellende. *-HOUDING, v. gmv. het niet vertellen van iets. *-KAMER, v. (-s), secretarie. *-RAAD, m. (...aden), lid van den den geheimen raad, (ook eenvoudig eeretitel). *-SCHRIJVER, m. (-s), secretaris, griffier. *-SCHRIJVERSCHAP, o. (-pen), secretariaat. *-SCHRIFT, o. gmv. geheime wijze van schrijven, cijfer-, beeldschrift. *-ZINNIG, bn. en bijw. (-er, -st), -LIJK, bijw. niet te doorgronden, met bedekte bedoelingen. *-ZINNIGHEID, v. gmv.

[Gehekel]

Gehekel, o. gmv. *...HELMD, bn. van eenen helm voorzien, met eenen helm bedekt. *...HEMELTE, o. (-n), bovenste deel binnen den mond; hemel (van een ledekant); -letter, letter die met behulp van het gehemelte wordt uitgesproken. *...HENGEN, bw. gel. (ik gehengde, heb gehengd), gedoogen, toestaan.

[p. 395]

[† Gehenna]

Gehenna, v. gmv. de hel, de helsche poel, het verblijf der goddeloozen.

[Geheugen]

Geheugen, o. gmv. herinneringsvermogen; een goed, gelukkig, sterk, zwak -; (fig.) herinnering; ik heb daar geen - van, dit herinner ik mij niet; bij menschen -. *-, bw. en onp. w. (het geheugde, heeft geheugd), herinneren. *-IS, v. (B.v. en o.) herinnering. *-KUNST, *-LEER, v. gmv. mnemotechnie.

[Geheveld]

Geheveld, bn. gezuurd (van broodbakkersdeeg). *...HINNIK, *...HINNEK, o. gmv. geluid van paarden. *...HOEKT, bn. hoekig; een of meer hoeken hebben; van eenen vischhoek voorzien. *...HOETEL, o. gmv. getalm; gefutsel. †*...HONOREERD, bn. vereerd; aangenomen te betaald (van eenen wissel).

[Gehoor]

Gehoor, o. gmv. een der vijf zinnen; het hooren; (muz.) vermogen om de toonen wel te onderscheiden; ontvangst (ten hove, bij eenen minister enz.), audientie; oplettendheid, aandacht; toehoorders; gemeente (die eene predikatie aanhoort); auditorium; - geven, luisteren naar; - verleenen, iem. bij zich ontvangen tot het voordragen van diens belangen; geen - hebben, niet vatbaar voor onderwijs in de toonkunst; zijn - is weg, hij is doof geworden; hard van - zijn, niet goed hooren. *-BUIS, v. (...zen), (ontl.). *-GANG, m. gmv. (ontl.). *-GEVING, v. (-en), audientie. *-IG, bn. (-er, -st), eene -e kamer, waar men ligt kan hooren. *-KUNDE, *-LEER, v. gmv. kennis van de eigenschappen der geluiden. *-PLAATS, v. (-sen), auditorium. *-VLIES, o. (...zen), (ontl.). *-ZAAL, v. (...alen), audientie-zaal; aula, groote zaal (eener hoogeschool). *-ZENUW, v. (-en), (ontl.).

[Gehoornd]

Gehoornd, bn. van een of meer hoornen voorzien.

[Gehoorzaam]

Gehoorzaam, bn. en bijw. (...amer, -st), volgzaam, gezeggelijk; uw gehoorzame dienaar, (uitdrukking van beleefdheid aan het slot van eenen brief). *-HEID, v. gmv. volgzaamheid, gezeggelijkheid. *-LIJK, bijw. met gehoorzaamheid. *...ZAMEN, ow. gel. (ik gehoorzaamde, heb gehoorzaamd aan....), doen wat iem. bevolen of gelast wordt, volgzaam zijn. *...ZAMING, v. gmv.

[Gehouden]

Gehouden, bn. verpligt. *-HEID, v. gmv. verpligting; onder - van. *...HUCHT, o. (-en), een klein aantal huizen bij elkander, buurschap (zonder kerk). *...HUIL, o. gmv. kindergeschreeuw; geluid van sommige dieren (b.v. wolven enz.). *...HUISD, bn. van eene woning voorzien; naauw, ruim - zijn, eene bekrompene -, eene ruime woning hebben; de vijand heeft hier erg -, heeft hier veel verwoestingen aangerigt. *...HUISVEST, bn. woonachtig. *...HUNKER, o. gmv. begeerte, zucht. *...HUPPEL, o. gmv.

[Gei]

Gei, v. (zeew.) zeil in de -. *-BLOK, o. (-ken), (zeew.) blok tot het opgeijen. *-JEN, (B. GEIEN), bw. gel. (zeew.) (ik geide, heb gegeid), trekken (de zeilen).

[Geijkt]

Geijkt, bn. van een ijkmerk voorzien; (fig.) echt, waar, deugdelijk.

[Geil]

Geil, bn. (-er, -st), walgend vet (van vleesch en andere spijzen); overvloedig gemest (van den grond); weelderig groeijende (van boomen); (fig.) onkuisch; (heelk.) - vleesch, vleesch van wonden dat te welig groeit; - bier, bier dat niet opgehouden heeft te gesten.

[p. 396]

*-HEID, v. gmv. overtollige vetheid; (fig.) onkuischheid. *-KUIP, v. (-en), kuip waarin men het bier laat bekoelen.

[† Geïllimiteerd]

Geïllimiteerd, bn. onbeperkt. *...ÏLLUSTREERD, bn. met platen enz. voorzien; een - werk. *...ÏMPEGNEERD, bn. ik ben -, verpligt, verantwoordelijk. *...ÏMPLICEERD, bn. mede (in iets) betrokken. *...ÏNCENSEERD, bn. bewierookt. *...ÏNCRIMINEERD, bn. het -e artikel, een dagblad-artikel dat aanleiding heeft gegeven tot eene geregtelijke vervolging. *...ÏNDIGNEERD, bn. verontwaardigd, boos. *...ÏNDISCIPLINEERD, bn. zonder tucht; niet geoefend; ongeregeld. *...ÏNDISPONEERD, bn. ongenegen; ontstemd, in kwade luim; ongesteld. *...ÏNTERESSEERD, bn. ik ben er bij -, ik heb er belang bij. *...ÏSOLEERD, bn. op zich zelf staande.

[Geinster]

Geinster, m. (-s), glimmende vonk.

[Geiser]

Geiser, m. (-s), algemeene benaming van reusachtige springbronnen op het eiland IJsland.

[Geïstiek]

Geïstiek, v. gmv. aardkunde.

[Geit]

Geit, v. (-en), viervoetig dier, wijfje van den bok. *-ENBAARD, m. zekere plant. *-ENBLAD, o. gmv. zekere plant, drieblad, kamperfoelie. *-ENHAAR, (B. ...HAIR), o. geitenharen, van geitenhaar (vervaardigd). *-ENHOEDER, m. (-s). *-ENHOEDSTER, v. (-s). *-ENLEDER, *-ENLEÊR, o. gmv. geitenlederen, van geitenleêr (vervaardigd). *-ENMELK, v. gmv. *-ENMELKER, m. (-s), zekere nachtvogel. *-ENOOG, o. (-en), (gen.) oog met eene witte vlak. *-ENREGT, o. gmv. *-ENSTAL, m. (-len). *-JE, (B. -N), o. (-s), kleine geit.

[Geitouw]

Geitouw, o. (-en), (zeew.) touw waarmede het zeil van de ra gehaald wordt.

[Gejaag]

Gejaag, o. gmv. vervolging; aanhoudende jagt; het heftig slaan van den pols. *...JAGT, o. het aanhoudend jagten of haasten. *...JAMMER, o. gmv. *...JANK, o. gmv. het huilen van honden. *...JEUK, o. gmv. *...JOK, o. gmv. *...JUICH, o. gmv. vreugdekreten, toejuichingen. *...JUWEELD, bn. met juweelen getooid.

[Gek]

Gek, bn. en bijw. (-er, -st), dwaas, zot, onverstandig, mal; (fig.) verwaand; verzot (op); dol verliefd; (fig.) dat is een - stuk, dat is eene leelijke geschiedenis. *-, m. (-ken), onverstandige, dwaas, zot; zinnelooze; verwaand mensch; (fig.) hansworst, potsenmaker; met iem. den - scheren of steken, iem. voor den - houden, foppen, verschalken. *-, m. (-ken), knie, wrik (van eene pomp); draaikap (op eenen schoorsteen), windwijzer.

[Gekakel]

Gekakel, o. gmv. *...KAL, o. gmv. *...KAMD, dw. zie KAMMEN. -, bn. van eenen kam voorzien (van vogels). *...KAMERD, bn. eene -e juffer, die eene kamer bewoont (voor de kosten van den minnaar). *...KAST, bn. gezet (van diamanten). *...KEF, o. gmv. *...KEPERD, bn. (van stoffen). *...KERM, o. gmv. *...KEUVEL, o. gmv.

[Gekheid]

Gekheid, v. (...heden), dwaasheid, zotheid, onverstand, zinneloosheid; gekke handeling, grap. *-, tw. kom! kom! praatjes!

[Gekibbel]

Gekibbel, o. gmv. *...KIJF, o. gmv. *...KIJK, o. gmv. *...KIR, o. gmv. geluid der duiven. *...KITTEL, o. gmv.

[Gekkelijk]

Gekkelijk, bn. en bijw. zie GEK. *...KEN, ow. gel. (ik gekte,

[p. 397]

heb gegekt), schertsen, spotten; zonder -, in vollen ernst. *...KENHUIS, o. (...zen), krankzinnigengesticht. *...KER, m. (-s), spotter, grappenmaker. *...KERIJ, v. (-en), grap, boert. *...KIN, v. (-nen), gekke vrouw.

[Geklag]

Geklag, o. gmv. *...KLANK, o. gmv. het klinken. *...KLAP, o. gmv. *...KLAPPER, o. gmv. *...KLATER, o. gmv. het - van den donder. *...KLEP, o. gmv. het kleppen van een klokje; het geluid eens ooijevaars. *...KLETS, o. gmv. het slaan met eene zweep; (fig.) zotte praat, vervelend gebabbel. *...KLETTER, o. gmv. *...KLIKKLAK, o. gmv. het geluid der wapenen. *...KLINK, o. gmv. *...KLOK, o. gmv. het geluid der kippen. *...KLOP, o. gmv. *...KLOTS, o. gmv. het geluid der golven. *...KNAP, o. gmv. het geluid van brandende voorwerpen. *...KNARS, o. gmv. het tandenknarsen; het geluid van krakende of brekende beenderen. *...KNIBBEL, o. gmv. *...KNIJS, o. gmv. *...KNIK, o. gmv. *...KNOEI, o. gmv. het knoeijen, broddelen; (fig.) kwade praktijken, kuiperij. *...KNOR, o. gmv. *...KOPPELD, bn. twee aan twee; zaâm verbonden; een - huwelijk, dat niet uit wederzijdsche liefde ontstaan is. *...KOOK, o. gmv. het koken; (ook) kooksel. *...KORVEN, bn. ingesneden; -e dieren, insekten. *...KOUT, o. gmv. *...KRAAI, o. gmv. het geluid van den haan; (fig.) gebabbel, gesnap. *...KRAB, o. gmv. *...KRABBEL, o. gmv. het krabbelen; (fig.) onleesbaar schrift. *...KRAS, o. gmv. het geluid van de raaf. *...KRIEL, o. gmv. *...KRIEWEL, o. gmv. *...KRIJSCH, o. gmv. *...KRIJT, o. gmv. *...KRIOEL, o. gmv. het krioelen; (fig.) menigte, groote volkshoop. *...KRISTEND, *...CHRISTEND, bn. gedoopt. *...KROESD, bn. - haar.

[Gekscheren]

Gekscheren, (B. ...EEREN), ow. gel. (ik gekscheerde, heb gegekscheerd), (met iem.) den spot drijven, (iem.) voor het lapje houden. *...SCHEERDER, m. (-s), grappenmaker, pretmaker.

[Gekskap]

Gekskap, v. (-pen), zotskap, narrenmuts. *-, m. dwaas, onnoozele, domoor.

[Gekuch]

Gekuch, o. gmv. *...KUIFD, bn. eene kuif hebbende. *...KUISCHT, bn. sierlijk, gezuiverd; een -e stijl. *...KUNSTELD, bn. niet natuurlijk, gemaakt. *...KUS, o. gmv. *...KWAAK, o. gmv. het geluid der kikvorschen en eendvogels; (fig.) gebabbel, gesnap. *...KWAK, o. gmv. *...KWEEL, o. gmv. *...KWEEST, o. gmv. *...KWEL, o. gmv. *...KWIJL, o. gmv. *...KWIJN, o. gmv.

[Gelaarsd]

Gelaarsd, bn. laarzen aanhebbende.

[Gelaat]

Gelaat, o. gmv. aangezigt, voorkomen. *-KENNER, m. (-s). *-KUNDE, v. gmv. kunst om uit iemands gelaat zijn karakter en zijnen aanleg op te maken. *-KUNDIGE, m. (-n), physionomist. *-s-HOEK, m. gmv. hoek van het aangezigt ten aanzien van den schedel. *-SKLEUR, v. gmv. kleur van het aangezigt. *-STREK, m. (-ken).

[Gelach]

Gelach, o. gmv. het lagchen. *...LADEN, dw. zie LADEN; (fig.) het op iem. - (gemunt) hebben, boos op iem. zijn. *...LAG, o. (-en), vertering in eene herberg; het - betalen, (fig.) voor zich en anderen boeten, er voor opdraaijen; een hard -, (fig.) eene zware beproeving, eene netelige zaak; -en zetten, sterken drank tappen; spreek in uw eigen -, bemoei u met uwe eigene zaken.

[Gelaleïsch jaar]

Gelaleïsch jaar, bestendig zonnejaar bij de Perzen.

[p. 398]

[Gelang]

Gelang, naar - (naar mate) der omstandigheden, al naar dat de zaken zich voordoen. *...LASTEN, bw. gel. (ik gelastte, heb gelast), gebieden, bevelen, last geven. *...LASTIGDE, m. (-n), gevolmagtigde, zaakwaarnemer. *...LATEN, bn. kalm, bedaard, onderworpen. - (ZICH), ww. ong. (ik geliet mij, heb mij gelaten), zich voordoen als, zich houden als, veinzen. *...LATENHEID, v. gmv. kalmte, bedaardheid, onderwerping, berusting (in).

[† Gelatine]

Gelatine, v. gmv. geleistof.

[Geld]

Geld, o. (-en), gemunt metaal, muntstukken; (fig.) rijkdom, middelen, fortuin; goud-, zilver-, koper-, gouden-, zilveren-, koperen munt; pot-, munten die bewaard worden; klein -, pasmunt; ligt -, kleine muntstukken; hard -, grof -, de zwaarste of grootste geldstukken; afgezet -, dat buiten omloop is gebragt; papieren -, muntpapier, bankpapier; - opnemen, leenen; zijn - uitzetten, er zoodanig gebruik van maken dat het rente geeft; - op hand geven, voorloopig een zeker bedrag betalen (als waarborg van een gesloten koop enz.); ligt - ligte waar, of koperen - koperen zielmissen, voor weinig geld kan men niet veel hebben; goed - bij kwaad - gooijen, (misschien) vruchtelooze kosten maken om kwade schulden te innen; geen - geen zwitsers, zonder geld kan men nergens te regt; alle waar naar zijn -, hoe meer men betaalt hoe betere waar men krijgt. *-AFPERSER, m. (-s), knevelaar. *-AFPERSING, v. (-en), knevelarij. *-BANK, v. (-en), bankiersinstelling. *-BEURS, v. (...zen). *-BEZORGER, m. (-s), wisselmakelaar. *-BOETE, v. (-n), straf bestaande in het betalen eener geldsom. *-ELOOS, bn. zonder geld; het zijn geldelooze tijden, het geld is tegenwoordig schaarsch. *-ELOOSHEID, v. gmv. *-GEBREK, o. gmv. *-EN, ow. ong. (ik gold, heb gegolden), waard zijn, kosten; dienen tot, doorgaan voor; betreffen, raken; veel -, veel invloed hebben, een persoon van gewigt zijn; de meeste stemmen -, de meerderheid beslist; het geldt zijne eer, zijn leven, zijne eer -, zijn leven is er mede gemoeid, staat er bij op het spel. *-GEVEN, o. het - neemt geen einde, de uitgaven (aalmoezen) houden niet op. *-GIERIG, bn. (-er, -st), schrokkig, inhalig. *-GIERIGHEID, v. gmv. *-HANDELAAR, m. (-s), bankier. *-IG, bn. (-er, -st), hoog in prijs, veel kostende, duur; deugdelijk, echt. *-IGHEID, v. gmv. deugdelijkheid, echtheid; de - van een besluit enz. *-KAS, v. (-sen). *-KAST, v. (-en). *-KIST, v. (-en). *-LAST, m. (-en), belasting die in geld wordt opgebragt. *-MAKELAAR, m. (-s). *-MANDJE, (B -N), o. (-s). *-MIDDEL, o. de -en, de financiën. *-PLAKKAAT, o. (...aten). *-RIJK, bn. (-er, -st). *-SCHAALTJE, (B. -N), o. (-s), schaaltje om de muntstukken te wegen. *-SCHAARSCHTE, v. gmv. *-SNOEIJEN, o. het verminken van muntstukken. *-SNOEIJER, m. (-s). *-SNOEIJERIJ, v. gmv. *-SOORT, v. (-en), specie. *-STRAF, v. (-fen), geldboete. *-SWAARDE, v. *-VERKWISTER, m. (-s). *-ZAAK, v. (...aken). *-ZAK, m. (-ken), zak waarin geld wordt gedaan; (fig.) rijkaard, rijke vrek. *-ZUCHT, v. gmv. geldgierigheid. *-ZUCHTIG, bn. (-er, -st).

[Geleed]

Geleed, bn. gelede dieren, eene der vier groote afdeelingen van

[p. 399]

het dierenrijk. *...LEDEN, dw. zie LIJDEN. -, bn. verloopen, voorbij; het is lang -. *...LEDEREN, (mv. van GELID), rijen, rangen; de - van het bataillon. *...DING, v. (-en), gewricht.

[Geleerd]

Geleerd, dw. zie LEEREN. *-, bn. en bijw. bekwaam, kunstig, ervaren, onderrigt. *-E, m. (-n), iem. die in de wetenschappen ervaren is. *-ELIJK, bijw. *-HEID, v. gmv. groote kunde.

[Gelegen]

Gelegen, dw. zie LIGGEN. *-, bn. liggende, te vinden (op eene aangeduide plaats); geschikt (van tijd); belangrijk, gewigtig; Amsterdam is - aan het Y; een huis staande en - op de Keizersgracht; zoo is het met de zaak - (gesteld); dit huis is zeer goed -, heeft eene aangename ligging; eene -e (geschikte) plaats; komt het u morgen -? schikt het u morgen? ter -er tijd; mij is daaraan veel -, ik heb veel belang daarbij; daarvan hangt voor mij veel af. *-HEID, v. (...heden), ligging; toestand; aanleiding; weg, middel; omstandigheid; de - maakt den dief. -SPREDIKATIE, v. (...ën), -SGEDICHT, o. (-en), predikatie -, gedicht bij eene bijzondere gebeurtenis of gelegenheid vervaardigd. -SROK, m. (-ken), rok dien men alleen bij feestvieringen enz. draagt.

[† Gelei]

Gelei, o. (B.v.) (-jen), gestold nat, vlade. *-, gmv. zie GELEIDE. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), als gelei; -e stoffen, algemeene bestanddeelen der planten.

[Geleibrief]

Geleibrief, m. (...ven), brief-, bewijs van vrijgeleide.

[Geleidbaarheid]

Geleidbaarheid, v. gmv. geschiktheid van warmte om voortgeleid te worden; (ook) geleidingsvermogen.

[Geleide]

Geleide, o. gmv. personen enz. die iem. (of iets) bij het vervoer vergezellen, als eerbewijzing of als maatregel van veiligheid of voorzorg, convooi, escorte; (ook) leiding. *-LIJK, bn. en bijw. (-er, -st), naar orde, geregeld, regelmatig. *-N, bw. gel. (ik geleidde, heb geleid), vergezellen. *-R, m. (-s), vergezeller; geleiders en niet-geleiders, (nat.) conductoren en isolatoren (der electriciteit). *...DING, v. gmv. - SVERMOGEN, o. gmv.

[Geleidsman]

Geleidsman, m. (-nen). *...VROUW, v. (-en). *...STER, v. (-s).

[Geleigeest]

Geleigeest, m. (-en), beschermengel. *...GELDEN, o. mv. loon voor het geleide, convooiloon. *...WIEREN, o. mv. soort wier, duinplant.

[Gelel]

Gelel, o. gmv. het veel en luid praten.

[Gelen]

Gelen, ow. bw. gel. (ik geelde, ben of heb gegeeld), geel worden, geel maken.

[Geletterd]

Geletterd, bn. letterkundig, bedreven in de letteren; een - man. *-HEID, v. gmv. bedrevenheid in de letteren.

[Gelid]

Gelid, o. (gelederen), beenderen-zamenvoeging; rij, rang (van soldaten); uit het -, verstuikt (b.v. van den arm). *-KNOOP, m. (-en), *-WERVEL, v. (-s), (ontl.) beenachtig uitsteeksel aan een gelid. *-SLUITER, m. (mil.) laatste man van een gelid.

[Geliefd]

Geliefd, bn. bemind. *-E, m. en v. (-n), beminde, vrijer, vrijster, aanstaande. *...LIEVEN, mv. een minnend paar. -, ow. onp. w. (het geliefde, heeft geliefd), behagen; het gelieve u enz.; gelieve te betalen, (gebruikelijke vorm op eenen wissel).

[Gelijk]

Gelijk, bn. eenerlei, zonder verschil, zonder onderscheid: het-

[p. 400]

zelfde; regt, effen; even; (in de reken- en stelkunde aangeduid door het teeken =;) (hand.) pari; een - huwelijk, man en vrouw die bij elk. passen; -e monniken -e kappen, zoo heer zoo knecht; ik sta met hem op -en voet, er is geen verschil tusschen hem en mij in de behandeling. *-, bijw. op gelijke wijze, zonder onderscheid; te -, te zamen, gezamenlijk; - op spelen, niets winnen en niets verliezen; zich altijd - blijven, altoos dezelfde zijn; met den grond -, zonder verhevenheid; met den grond - maken, sloopen (een gebouw). *-, vw. als; - gezegd is, zoo als gezegd is. *-, o. regt; gij hebt -; - met - vergelden, met dezelfde munt betalen; zijns -e, haars -e. *-AARDIG, bn. (-er, -st), van dezelfde soort of natuur. *-AARDIGHEID, v. gmv. *-BEDUIDEND, *-BETEEKENEND, bn. synonyme of sinoniem (van woorden). *-BEDUIDENDHEID, v. gmv. (taalk.). *-BEENIG, bn. (meetk.) een -e driehoek. *-ELIJK, bijw. op gelijke wijze, op dezelfde wijze, zonder onderscheid. *-EN, ow. (B. bw.) gel. (ik geleek, heb geleken), gelijk zijn aan, overeenkomen met; gelijkenis hebben met; lijken; het gelijkt mij, ik heb er wel lust in; van -, hetzelfde, eveneens. *-ENIS, v. (-sen), het gelijken; beeldtenis, afbeeldsel, evenbeeld; vergelijking, beeldspraak; verdicht verhaal, leerrijke fabel, parabel. *-ERHANDE, bijw. allen tegelijk. *-erwijs, ...WIJZE, bijw. alsof. *-HEID, v. gmv. overeenstemming; eenvormigheid; evenredigheid van waarde; effenheid, vlakheid; - voor de wet; (gesch.) vrijheid, -, broederschap. -HOEKIG, bn. (meetk.). *-JARIG, bn. van denzelfden ouderdom. *-LUIDEND, bn. (-er, -st), eensluidend; een - woord, een homonyme. *-LUIDENDHEID, *-LUIDING, v. gmv. overeenkomst in geluid; overeenstemming in inhoud (van een kontrakt enz.). *-MAKEN, bw. gel. (ik maakte gelijk, heb gelijk gemaakt), effenen, evenen. *-MAKER, m. (-s), waterpasser. *-MAKING, v. (-en), effenmaking; afkanting (van hout, steen, metaal). *-MATIG, bn. (-er, -st), van dezelfde maat; (fig.) overeenkomstig, bij elkander passende. *-MATIGHEID, v. gmv. *-MOEDIG, bn. en bijw. (-er, -st), steeds van dezelfde inborst. *-MOEDIGHEID, v. gmv. *-NAMIG, bn. van denzelfden naam; (meetk.) evenredig. *-NAMIGHEID, v. gmv. *-SLACHTIG, bn. gelijksoortig, gelijkaardig, homogeen. *-SLACHTIGHEID, v. gmv. *-SOORTIG, bn. van dezelfde soort; -e grootheden. *-STALTIG, bn. van dezelfde gestalte. *-STANDIG, bn. in denzelfden stand of toestand. *-STATIG, bn. even statig of deftig. *-STEMMIG, bn. (muz.) consonnant. *-STRAATS, bijw. gelijk met de straat, rezde-chaussée. *-TIJDIG, bn. op denzelfden tijd. *-TIJDIGHEID, v. gmv. *-VLOEIJEND, bn. te zamen vloeijende; (taalk.) een - werkwoord, dat in de vervoeging niet van wortelklank verandert. *-VLOERS, bijw. geen trap op, gelijk met den grond. *-VORMIG, bn. en bijw. van denzelfden vorm; overeenstemmend; gelijke en gelijkvormige grootheden, (wisk.) figuren die zoowel in gedaante als in inhoud overeenkomen. *-VORMIGHEID, bijw. *-WAARDIG, bn. gelijk in waarde, - in kracht, - in heerlijkheid. *-WAARDIGHEID, v. gmv. *-WIJDIG, bn. evenwijdig. *- WIJDIGHEID, v. gmv. *-ZIJDIG,

[p. 401]

bn. aan alle kanten gelijk. *-ZIJDIGHEID. v. gmv. *-ZINNIG, bn. van dezelfde beteekenis. *-ZINNIGHEID, v. gmv.

[† Geliniëerd]

Geliniëerd, bn. - papier, papier met lijnen betrokken; het -e, getrokken lijnen.

[§ Gelletje]

§ Gelletje, (B. -N), o. (-s), gekkernij; iem. tot een - maken, iem. voor het lapje houden.

[Gellig]

Gellig, bn. gallig; een - schaap, schaap welks gal bedorven is. *-HEID, v. gmv.

[Gelling]

Gelling, v. hennep zonder zaad.

[Geloei]

Geloei, o. gmv. het geluid der runderen enz.; - der golven, - van den wind. *...LOFTE, v. (-n), belofte aan het Opperwezen; vrijwillige verbindtenis; eene -gift, (r.k.) ex. voto. *...LOL, o. gmv. het geluid van katten; vervelend gezang.

[Geloof, Geloove]

Geloof, Geloove, o. gmv. vertrouwen op de waarheid van iets; godsdienst-waarheid, trouw; de geloofsartikelen; (r.k.) credo; - slaan, - hechten (aan iets); het - bidden, het credo opzeggen; op goed -, op vertrouwen. *-BAAR, bn. (-der, B. ...arer, -st), geloof verdienende. -HEID, v. gmv. *-ELIJK, (B. *-LIJK), bn. (-er, -st), te gelooven, geloofd kunnende worden. -HEID, v. gmv.

[Geloofsartikel]

Geloofsartikel, o. (-en), grondstelling des geloofs. *...BEKENTENIS, v. (-sen). *...BELIJDENIS, v. (-sen). *...BRIEF, m. (...ven), bewijs van aanstelling of benoeming (b.v. tot gezant aan een hof, tot lid eener vertegenwoordigende vergadering); kredietbrief. *...DWANG, m. gmv. onderdrukking, vervolging ter zake van het geloof. *...GENOOT, m. en v. (-en), die dezelfde godsdienst belijdt. *...GESCHIL, o. (-len), twist over een punt des geloofs. *...LEER, v. gmv. leerstuk. *...LEUS, v. symbool der apostelen. *...ONDERWIJS, o. gmv. onderwijs in de godsdienst. *...ONDERWIJZER, m. (-s), katechiseermeester. -ES, v. (-sen). *...ONDERZOEK, o. inquisitie. *...ONDERZOEKER, m. (-s), inquisiteur. *...PUNT, o. (-en), *...STUK, o. (-ken), artikel -, grondstelling des geloofs. *...REGTBANK, v. (-en), inquisitie. *...REGTER, m. (-s), inquisiteur. *...TEEKEN, o. (-en). *...VERWANT, m. (-en), medechristen van eene andere belijdenis. *...VRIJHEID, v. gmv. vrijheid van godsdienst, gewetensvrijheid.

[Geloofwaardig]

Geloofwaardig, bn. (-er, -st), geloof verdienende. *-HEID, v. gmv.

[Geloogd]

Geloogd, bn. door loog gehaald, met loog doortrokken.

[Geloop]

Geloop, o. gmv. het loopen; dat huis heeft veel -, het is daar zeer druk, er komen veel menschen.

[Gelooven]

Gelooven, bw. gel. (ik geloofde, heb geloofd), voor waar houden; denken; meenen; vertrouwen. *...VIG, bn. (-er, -st), godsdienst-geloof hebbende; de -en, de godvruchtigen.

[Gelt]

Gelt, bn. een - snoek, een mannetjes-snoek; een - varken, een ongesneden mannetjes-zwijn; eene -e koe, eene niet dragtige of onvruchtbare koe. *-, onvruchtbaar (van de zaadhuisjes der bloemen).

[Gelubd]

Gelubd, bn. gesneden (van de teeldeelen beroofd); een -e, gesnedene, kastraat.

[Gelui]

Gelui, o. gmv. het luiden der klokken.

[Geluid]

Geluid, o. (-en), gewaarwording die door het gehoor ondervon-

[p. 402]

den wordt; hetgeen gehoord wordt; geklank; geschreeuw. *-BREKER, m. (-s) klein werktuig tot demping van het geluid van sommige snaar- en blaasspeeltuigen. *-KUNDE, v. gmv. gehoorkunde. *-S-TRILLING, v. (-en).

[Geluk]

Geluk, o. gmv. toestand van volkomene tevredenheid; fortuin; voorspoed, welvaart, tevredenheid; onzekere uitkomst, kans; goede uitslag; bij -, gelukkigerwijze; - er mede! het ga u wel, wel bekome het u; - zeggen, waarzeggen. *-KEN, ow. gel. (het gelukte, is gelukt), wel uitvallen, goed afloopen. *-KIG, bn. (-er, -st), volkomen tevreden, zeer vergenoegd; wel uitgevallen, goed afgeloopen. -, -LIJK, bijw. *-SBODE, m. (-n), *-SBODES, v. (-sen), die eene gelukkige tijding brengt. *-SGODIN, v. (fab.) Fortuna. *-SGOEDEREN, o. mv. *-SKANS, v. (-en), kans der fortuin. *-SKIND, o. (-eren), iem. wien alles medeloopt, troetelkind der fortuin. *-SRAD, o. rad der fortuin. *-SSTER, v. (-ren), gesternte dat iemands voor- of tegenspoed bestemt *-SVOGEL, m. (-s), iem. die in alles gelukkig is. *-WENSCH, m. (-en), heilwensch, felicitatie. *-WENSCHING, v. (-en). *-WENSCHEN, bw. gel, (ik wenschte geluk, heb geluk gewenscht), feliciteren, komplimenteren. *-ZALIG, bn. (-er, -st), het loon hier namaals genietende; (fig.) voorspoedig. *-ZALIGHEID, v. gmv. *-ZALIGMAKEND, bn. *-ZEGGER, m. (-s), *-ZEGSTER, v. (-s), voorspeller -, voorspelster van iets goeds. *-ZOEKER, m. (-s), *-ZOEKSTER, v. (-s), avonturier, -ster. *-ZON, *-SZON, v. gmv. (fig.) zijne - is opgegaan, zijn geluk heeft een aanvang genomen.

[§ Gelul]

§ Gelul, o. gmv. nutteloos gepraat, zotteklap.

[Gelusten]

Gelusten, onp. w. gel. (het gelustte, heeft gelust), behagen, believen, genoegen vinden in.

[Gemaakt]

Gemaakt, vd. zie MAKEN. *-, bn. af, gereed, voltooid; gedaan; (fig.) geveinsd, gedwongen, geaffecteerd, onnatuurlijk; -e bloemen, kunstbloemen. *-HEID, v. gmv. gekunsteldheid.

[Gemaal]

Gemaal, m. man, echtgenoot. *-, o. het malen; wat gemalen wordt of is; belasting op het -, op de meelsoorten. *...MAAUW, o. het maauwen der katten. *...MACHT, o. teeldeelen (inz. de mannelijke). -BEEN, o. (ont.) schaambeen. *...MAGTIGDE, m. (-n), zaakgelastigde.

[Gemak]

Gemak, o. (-ken), toestand van rust; rust; het zitten; geschikte gelegenheid; genoegzame tijd; kamertje, vertrekje; geheim -, sekreet; neem uw -, ga zitten, rust wat uit; al met -, zachtjes aan. *-KELIJK, bn. en bijw. (-er, -st), veel van gemak houdende; niet moeijelijk, ligt; ligtelijk, zonder inspanning; toegeeflijk, inschikkelijk; maak het u -, geef u niet veel moeite, (ook) trek uw huisgewaad aan. *-KELIJKHEID, v. (...heden).

[Gemal]

Gemal, o. gmv. het dartelen, pretmaken; houd op met uw - of gemaal, staak dien zotteklap, wees zoo lastig niet.

[Gemalin]

Gemalin, v. (-nen), vrouw, echtgenoot.

[Gemanierd]

Gemanierd, bn. (-er, -st), wellevend, beschaafd, wel opgevoed. *-HEID, v. gmv. wellevendheid. *...MANTELD, bn. van eenen mantel voorzien, eenen mantel omhebbende; - en gebeft. *...MAR, o. gmv. getalm. *...MARTEL, o. gmv. het folteren. *...MASKEERD, bn. bedekt, onzigtbaar. *...MASKERD, bn. een masker voorhebbende, verkleed,

[p. 403]

vermomd; een - bal. *...MATIGD, dw. zie MATIGEN. -, bn. en bijw. (-er, -st), niet overdreven, ingetogen; (muz.) andante; een - man; de -e luchtstreek. -HEID, v. gmv.

[Gember]

Gember, v. gmv. zeker indisch gewas. *-BIER, o, *-POT, m. (-ten). *-WATER, o.

[Gemediatiseerd]

Gemediatiseerd, bn. schadeloos gesteld (voor verlies van grondgebied); de -e duitsche vorsten.

[Gemeen]

Gemeen, bn. en bijw. aan meer dan één persoon toebehoorende; openbaar, gewoon, alledaagsch; eenvoudig; gering, slecht, onfatsoenlijk, laag; al te vertrouwelijk; op -e kosten, op gezamenlijke kosten; niets - hebben met ..., niets hebben uit te staan met..., in geene betrekking staan tot...; een -e muur, muur tusschen twee perceelen voor beide tegelijk dienende; de -e weiden, weiden waarop de bewoners van eene of meer gemeenten het regt hebben hunne kudden te laten grazen; zich - maken, vertrouwelijken omgang hebben; zich te - maken, zijne achting verliezen door een te gemeenzamen omgang; door den druk - maken, in het licht geven, openbaar verspreiden; de -e haard, de groote gelagkamer (in eene herberg); - soldaat, eenvoudig soldaat (zonder eenigen rang); -e (onfatsoenlijke) uitdrukking; de -e man, het volk, de geringe burgerstand; een - (slecht) huis; aardbevingen zijn in Italië zeer - (geen zeldzaamheid); dit zegt men zoo in het -e leven, dit is eene volksuitdrukking; in het -, gewoonlijk, gemeenlijk. *-, o. de lage volksklasse. *-LANDSHUIS, o. waar voorheen de provinciale besturen vergaderden. *-LIJK, bijw. gewoonlijk, in den regel.

[Gemeenebest]

Gemeenebest, o. (-en), staat waar de regering bij eenige der aanzienlijkste personen berust, republiek. *-ELIJK, bn. en bijw. republiekeinsch. *-GEZINDE, m. en v. (-n), republiekein, voorstander-, voorstandster van den gemeenebestelijken regeringsvorm. *-GEZINDHEID, v. gmv.

[Gemeenschap]

Gemeenschap, v. (-pen), gezamenlijk bezit; vereeniging, verbindtenis; betrekking; verkeer; omgang; overeenkomst; de - Gods, der geloovigen, der kerk, der heiligen; in -, gezamenlijk. *-PELIJK, bn. en bijw. (-er, -st), aan meer dan één behoorende; waarin door meer dan één persoon wordt voorzien; op -e kosten; -e pogingen.

[Gemeensman]

Gemeensman, m. (-nen, ...lieden), (rom. gesch.) volkstribuun.

[Gemeente]

Gemeente, v. (-n), stad, dorp; burgerij; kerkgenootschap; gehoor (toehoorders) van eenen predikant; gemeene weide; de -n of het huis der -n, Lagerhuis van het engelsche Parlement. *-BEGROOTING, v. (-en), raming van de ontvangsten en uitgaven der gemeente. *-BESTUUR, o. (...uren). *-BLAD, o. (-en), verzameling van alle gemeente-verordeningen. *-GROND, m. (-en), grond aan de gemeente toebehoorende. *-HUIS, o. (...zen), raadhuis, stadhuis. *-HUISHOUDING, v. beheer der gemeente. *-KAS, v. (-sen), geldmiddelen der gemeente. *-ONTVANGER, m. (-s). *-RAAD, m. (...aden), bestuur der gemeente. *-SECRETARIS, m. (-sen). *-VERORDENING, v. (-en), plaatselijke wet. *-WEIDE, v. (-n), weide tot gemeenschappelijk gebruik voor de burgers van een of meer gemeenten. *-WET, v. (-ten), wet regelende de bevoegdheid en den werkkring der ge-

[p. 404]

meentebesturen. *-WEZEN, o. al wat de gemeenten en haar bestuur treft. *-WATER, o. (-en), water aan de gemeente toebehoorende.

[Gemeenzaam]

Gemeenzaam, bn. en bijw. (...amer, -st), aan de zamenleving eigenaardig; welwillend, minzaam, niet trotsch; gemeenzame (alledaagsche) spreekwijze, uitdrukking; (ook) populair. *-LIJK, bijw. *-HEID, v. gmv.

[Gemeld]

Gemeld, dw. zie MELDEN. *-, bn. bovengenoemd, gezegd, bedoeld; -e persoon, -e zaak.

[Gemelijk]

Gemelijk, bn. en bijw. (-er, -st), verdrietig, knorrig, in eene kwade luim, verstoord, ontevreden, boos. *-HEID, v. gmv.

[Gemergd]

Gemergd, bn. merg hebbende. *...MERKT, dw. zie MERKEN. -, vw. naardien, vermits, daar.

[Gemet]

Gemet, o. (-ten), (oudt.) zekere vlaktemaat in Nederland. *-SEL, o. het metselen; metselwerk. *...MIDDELD, bn. in doorsnede, door-eengenomen. -E, o. (rek.) quotient van de som der produkten gedeeld door die der factoren. *...MIJMER, o. gmv. *...MIJTERD, bn. eenen mijter dragende. *...MIS, o. gmv. het ontbreken van iets, ontbering, gebrek.

[† Gemodereerd]

Gemodereerd, bn. gematigd.

[Gemoed]

Gemoed, o. gmv. ziel, inborst, karakter; verstand, geweten. *-, (-eren), gezindheid; gevoelen; (fig.) mensch; de -eren zijn geschokt; de -eren zijn aan het gisten; in -e, opregtelijk, op (mijne) eer en (mijn) geweten; iem. iets te - voeren, iem, iets voorhouden, -onder het oog brengen. *-, bn. welgemoed. *-ELIJK, bn. en bijw. (-er, -st), hij is een - mensch, een mensch die overeenkomstig pligt en geweten handelt. *-ELIJKHEID, v. gmv. goedheid des harten; opregtheid; hartelijkheid. *-ELOOS, bn. en bijw. (...zer, -st), gewetenloos. *-IG, bn. (-er, -st), vreedzaam, zachtmoedig, bedaard, stil; - (zacht) leder.

[Gemoedsaard]

Gemoedsaard, m, gmv. inborst, karakter. *...BEWEGING, v. (-en), zielsaandoening. *...GESTELDHEID, v. gmv. toestand der ziel. *...KALMTE, *...RUST, v. gmv. *...KRANKHEID, v. (...heden), *...KRANKTE, v. (-n), zielsziekte.

[Gemoeid]

Gemoeid, bn. deze zaak is er mede -, is er bij betrokken; hangt er van af.

[Gemoet]

Gemoet, bijw. te - gaan, te - komen, tot iem. gaan of komen, hem naderen; (fig.) te - komen, iem. helpen, bijstaan; iemands eischen voor een deel inwilligen; te - zien, afwachten, verbeiden.

[Gemoffel]

Gemoffel, o. gmv. *...MOK, o. gmv. *...MOMPEL, o. gmv. *...MOR, o. gmv. *...MORS, o. gmv.

[Gems]

Gems, v. (...zen), wilde geit (inz. op de Alpen). *-BALLEN, m. mv. zeker vergif in de maag der gemzen, duitsche bezoar.

[Gemuit]

Gemuit, o. gmv. muiterij. *...MUNT, vd. zie MUNTEN; het is op u -, men wil u, het oog is op u gevestigd, men moet u hebben. *...MURMEL, o. gmv. *...MUTST, bn. eene muts op het hoofd hebbende; (fig.) wel of kwalijk - zijn, in goede of slechte luim zijn.

[Gemzenjager]

Gemzenjager, m. (-s). *...JAGT, o. (-en). *...LEÊR, *...LEDER, o. gmv. *...LEDEREN, bn. van gemzenleder (vervaardigd).

[p. 405]

[Genaakbaar]

Genaakbaar, bn. (-der, B. ...barer, ...brer, -st), toegankelijk, te naderen; (fig.) niet trotsch, minzaam, spraakzaam, vriendelijk. *-HEID, v. gmv.

[Genaamd]

Genaamd, bn. heetende, van zekeren naam; zoo -, beweerd; voorgewend; dus -, van dien naam.

[Genade]

Genade, v. gmv. onverpligt bewezene gunst; onverdiende weldaad; vergeving, barmhartigheid; verschooning, vergiffenis; kwijtschelding (van straf); zich op - en ongenade overgeven, zonder voorwaarde zich in 's vijands handen overleveren; op - laten drijven, (een schip) aan de golven ter prooi laten; om - (het leven) vragen; bij Gods -, (deze woorden behooren tot den titel van sommige keizers en koningen); uwe -, titel waarmede voorname heeren in Duitschland worden aangesproken. *-BRIEF, m. (...ven), besluit tot kwijtschelding eener straf. *-BROOD, o. gmv. kost dien men uit barmhartigheid ontvangt zonder er eenige dienst voor te doen. *-GIFT, v. (-en), geschenk uit barmhartigheid. *-LEER, v. gmv. (godg.) leer der goddelijke genade. *-LIJK, bijw. vol genade. *-SLAG, m. laatste slag; (fig.) dat was de - voor hem, dat was het laatste kwaad dat hem nog kon worden gedaan; nu is hij geheel verloren; iem. den - geven, iem. ombrengen. *-STOEL, m. gmv. (godg.) Gods regterstoel. *-TROON, m. gmv. (godg.). *-RIJK, o. gmv. (godg.) rijk der genade. -, bn. (-er, -st), vol genade, zeer genadig, zeer barmhartig. *-WOORD, o. gmv. *...DIG, bn. (-er, -st), barmhartig, ontfermend, niet streng, welwillend; -e heer, aller -ste heer en koning (titels). *...DIGLIJK, bijw.

[Genaken]

Genaken, bw. ow. gel. (ik genaakte, heb of ben genaakt), naderen, nabij komen; (fig.) hij is niet te -, hij is zoo trotsch dat niemand hem naderen kan.

[Genant]

Genant, m. en v. (-en), naamgenoot (van den voor- of doopnaam).

[† Gendarme]

Gendarme, m. (-n), politie-agent (inz. ten platten lande). *-RIE, v. politie, veldwacht.

[Gene]

Gene, vnw. die; deze en -; aan - zijde, aan den overkant; aan - zijde des grafs, hier namaals, in een beter leven.

[† Gêne]

Gêne, v. dwang, belemmering; sans -, zonder komplimenten.

[† Genealogie]

Genealogie, v. gmv. geslachtsrekenkunde; stamboom. *...LOGISCH, bn. *...LOOG, m. (...ogen). *...LOGIST, m. (-en), geslachtkundige; vervaardiger van stamboomen, *...NOMIE, v. gmv. leer van het overerven van eigenschappen des ligchaams en des geestes.

[Genebd, Genebt]

Genebd, Genebt, bn. eene neb (lange, spitse en scherpe punt) hebbende.

[Geneesbaar]

Geneesbaar, bn. (-der, B. ...arer, -st), te genezen. *...DRANK, m. (-en). *...ELIJK, *...LIJK, bn. (-er, -st), te genezen, vatbaar voor genezing. *...HEER, m. (-en), doctor in de medicijnen, arts. *...KRACHT, v. gmv. *...KRACHTIG, bn. (-er, -st). *...KRUID, o. (-en), geneeskrachtige planten en gewassen. *...KUNDE, *...KUNST, v. gmv. *...KUNDIG, bn. *...KUNDIGE, m. (-n), die de wetenschap der geneeskunde heeft bestudeerd. *...KUNSTOEFENAAR, m. (...aren), praktiserend doctor. *...MEESTER, m. (-s), doctor. *...MIDDEL, o. (-en), artsenij. *...MIDDELLEER, v. gmv. kennis der medicijnen. *...POEDER, o. (-s).

[p. 406]

[Genegen]

Genegen, dw. zie NIJGEN. *-, bn. (-er, -st), geneigd, gunstig gezind. *-HEID, v. gmv. geneigdheid, gunstige gezindheid.

[† Genegotiëerd]

Genegotiëerd, bn. (geldw.) verhandeld, verkocht.

[Geneigd]

Geneigd, bn. (-er, -st), gereed, overhellende tot; zie GENEGEN. *-HEID, v.

[Generaal]

Generaal, m. (-s), eerste hoofdofficier, bevelhebber, veldheer, krijgsoverste; (r.k.) opperste eener geestelijke orde; adjudant -, luitenant -; - majoor; intendant -. *-, bn. algemeen; opper..., hoofd..., voornaamste; de Staten-, de algemeene staten; - conto, hoofdberekening; generale kaart, kaart van een geheel werelddeel; generale staf, de hoofdofficieren van een regement; (muz.) de generale bas. *-SCHAP, o. gmv. generaalsrang, waardigheid van generaal. *...RALISATIE, v. gmv. algemeenmaking. *...RALISSIMUS, m. opperveldheer. *...RALITEIT, v. gmv. algemeenheid. -SLANDEN, o. mv. grondgebied dat niet aan eene bijzondere provincie, maar aan de geheele republiek der vereenigde nederlandsche gewesten behoorde. *...RATIE, v. (...ën), teling, voortbrenging; menschengeslacht; tijd-genooten. *...RATOR, m. (-s), stoomketel. *...REREN, bw. gel. (ik genereerde, heb gegenereerd), telen, voortbrengen, verwekken.

[† Generen]

Generen (ZICH), ww. gel. (ik geneerde mij, heb mij gegeneerd), den kost winnen (met); zich behelpen; (fig.) geneer u niet, handel naar welgevallen. *...REUS, bn. edel-, grootmoedig, mild, vrijgevig, onbekrompen. *...RISCH, *...RIEK, bn. geslachts....

[† Genesis]

Genesis, naam van het eerste der vijf boeken Mozes, het ontstaan, de wording, scheppingsverhaal.

[Genet]

Genet, m. (-te), vlug spaansch paardje.

[Geneugelijk]

Geneugelijk, (B. ...CHELIJK), bn. en bijw. (-er, -st), behagelijk, aangenaam; vrolijk, opgesierd. *-HEID, GENEUGTE, v. (B. GENEUCHTE), vermaak, genoegen, genot.

[Genever]

Genever, m. beter JENEVER, zie dit woord.

[Genezen]

Genezen, bw. ow. ong. (ik genas, heb of ben genezen), herstellen, beter maken, - worden; heelen (eene wond). *...ZING, v. (-en).

[Geniaal]

Geniaal, bn. (...aler, -st), scheppend, vindingrijk, vernuftig, vol geest. *...ALITEIT, v. gmv. vindingskracht.

[Genie]

Genie, v. gmv. krijgsbouwkunst; het wapen der -; officier der -; -school. *-, o. en v. gmv. geschiktheid, bekwaamheid van natuur, aanleg. *-, m. (...ën), (fig.) iem. die grooten aanleg bezit.

[§ Geniepig]

§ Geniepig, bn. en bw. (-er, -st), norsch, morrend, in het geheim kwaad doende.

[Genies]

Genies, o. gmv. het niezen.

[Genieten]

Genieten, bw. ong. (ik genoot, heb genoten), genot hebben van, smaken, gevoelen, eene aangename gewaarwording ondervinden; ontvangen, verkrijgen; voedsel nemen; bezitten (in eigendom); vrucht trekken (van iets). *...ER, m. (-s). *...STER, v. (-s). *...ING, v. (-en).

[† Genitaliën]

Genitaliën, mv. (ont.) teeldeelen. *...TANEEËN, mv. zekere familie van heesterachtige gewassen.

[† Genius]

Genius, m. (-sen), beschermgeest, schutsengel; hij is mijn goede -, mijn beschermer.

[p. 407]

[Genoeg]

Genoeg, bijw. ik heb -, ik heb wat mij toekomt; zoo veel ik behoef; dat is -, meer is niet noodig; (fig.) ik heb er - van, ik verlang er niets meer van te hooren. *-DOENING, v. gm. voldoening, herstel (van eer), schadeloosstelling (voor geleden onregt); (godg.) de - van Jezus Christus. *-ELIJK, (B. *-LIJK of *...CHELIJK), bn. en bijw. (-er, -st), aangenaam, uitspanning -, genot verschaffende. *-ELIJKHEID, v. (...heden). *-EN, o. (-s), vermaak, uitspanning. -, o. gmv. tevredenheid, voldoening; - nemen in iets, met iets tevreden zijn, er in berusten; - vinden of scheppen, behagen vinden (in iets), (iets) mooi of aangenaam vinden; neem hiervan naar uw -, zoo veel gij lust, verlangt of begeert. *-EN, bw. ZICH -, ww. gel. (ik genoegde [mij], heb [mij] genoegd), bevredigen, tevreden stellen; tevreden zijn, zich tevreden stellen. *-TE, v. (B.). *-ZAAM, bn. en bijw. (...amer, -st), toereikend, voldoende; bijna geheel. *-ZAAMHEID, v. gmv.

[Genomen]

Genomen, dw. zie NEMEN. *-, vw. - dat, gesteld -, aangenomen dat.

[Genoot]

Genoot, m. en v. (-en), medgezel, -lin; (ambt-, bed-, deel-, disch-, eed-, en in andere zamenst.). *-SCHAP, o. (-pen), vereeniging van personen met een bepaald doel; letteroefenend -, historisch -.

[Genot]

Genot, o. gmv. genieting, het genieten; voordeel; vruchtgebruik; gebruik (van spijs of drank).

[† Gentil]

Gentil, bn. (-er, -st), aardig, lief, keurig; wellevend, innemend.

[Gent]

Gent, m. (-en), mannetjesgans.

[Genuttigen]

Genuttigen, bw. zie NUTTIGEN.

[† Gentleman]

Gentleman, m. (...men), voornaam heer; (fig.) edelmoedig -, vrijggevig mensch.

[† Geocentrisch]

Geocentrisch, bn. (sterr.) bepalende de plaats van een hemelligchaam in betrekking tot het middelpunt der aarde. *...CYCLISCH, bn. de -e machine, toestel tot het aanschouwelijk maken van de omwentelingen der aarde, de afwisseling der jaargetijden, het lengen en korten der dagen enz.

[† Geoccupeerd]

Geoccupeerd, bn. druk bezig; zeer -, met werk overladen.

[† Geodaesie]

Geodaesie, v. gmv. landmeetkunde. *...GNOSIE, *...GNOSTIEK, v. gmv. kennis van de zamenstelling der vaste aardkorst. *...GNOST, m. (-en), beoefenaar der geognosie. *...GONIE, v. gmv. leer van het orgaan en de vorming der aarde. *...GRAAPH(F), m. (...afen), aardrijkskundige. *...GRAPHIE, v. gmv. aardrijkskunde, aardrijksbeschrijving. *...GRAPHISCH, bn. *...LOGIE, v. gmv. aardkunde. *...LOGISCH, bn. *...METRIE, v. gmv. meetkunst. *...PHAGIE, v. gmv. het aard-eten door menschen.

[Geoogd]

Geoogd, bn. oogen hebbende.

[Geoord]

Geoord, bn. van ooren voorzien; een -e pot, een - kopje.

[Geoorloofd]

Geoorloofd, bn. vergund, toegestaan. *-HEID, v. gmv. vergunning.

[† Georganiseerd]

Georganiseerd, bn. ingerigt; geordend; bewerktuigd.

[† George]

George, orde van St. -, naam van drie ridderorden: in Hannover, Rusland en (voormaals) Toskane.

[† Geostrophometer]

Geostrophometer, m. (-s), aard-draai-meter (werktuig). *...THERMOMETER, m. (-s), aardwarmte-meter.

[p. 408]

[Gepaard]

Gepaard, bn. zij zijn -, zij behooren bij elk., maken met hun beide één; (fig.) gehuwd. *...PAARLD, bn. met paarlen versierd, - omzet; als paarlen; -e garst.

[† Geparenteerd]

Geparenteerd, bn. vermaagschapt. *...PARFUMEERD, bn. geurig, welriekend. *...PARODIËERD, bn. (iets ernstigs) in een boertig kleed. *...PASPORTEERD, bn. een - militair, een militair die na volbragten diensttijd eervol is ontslagen. *...PASSIONNEERD, bn. bij uitstek -, hartstogtelijk ingenomen (met), zeer verzot (op).

[Gepast]

Gepast, bn. (-er, -st), betamelijk, voegzaam, behoorlijk, geschikt; eene -e toespraak; een - woordje; -e redenen; dit is juist -, dit is juist zoo veel geld als ik (gij, hij) hebben moet. *-HEID, v. gmv. welvoegelijkheid, voegzaamheid, betamelijkheid; juistheid, overeenkomst.

[† Gepatenteerd]

Gepatenteerd, bn. van patent voorzien (tot het uitoefenen van eenig beroep of bedrijf).

[Gepeesd]

Gepeesd, bn. van pezen voorzien. *...PEINS, o. gmv. *...PELD, dw. zie PELLEN. -, bn. -e garst.

[† Gepetrifiëerd]

Gepetrifiëerd, bn. versteend.

[Gepeupel]

Gepeupel, o. gmv. het gemeene volk, de heffe des volks, janhagel. *...PEUTER, o gmv. *...PEUZEL, o. gmv. *...PIER, o. gmv. *...PIJND, dw. zie PIJNEN. -, bn. -e (geperste) honig.

[† Gepiqueerd]

Gepiqueerd, bn. gebelgd, beleedigd, § ongehouden.

[Geplaag]

Geplaag, o. gmv. *...PLAS, o. gmv. *...PLEIT, o. gmv. dat eeuwige -, die onophoudelijke processen. *...POCH, o. gmv. *...POORTERD, bn. het burgerregt eener stad hebbende. *...POPEL, o. gmv. snellere hartklopping (uit vrees enz.). *...POR, o. gmv.

[† Gepolitoerd]

Gepolitoerd, bn. geglansd, gepolijst. *...PORTEERD, bijw. - zijn voor iem., zich iemands zaak zeer aantrekken, trachten iem. op allerlei wijze te bevoordeelen. *...POSEERD, bn. gezeten; gezet; bedaard. *...POUSSEERD, bn. voortgedreven, aangezet; voortgeholpen.

[Gepraal]

Gepraal, o. gmv. *...PRAAT, o. gmv. *...PRACH, o. gmv.

[† Gepraemediteerd]

Gepraemediteerd, bn. voorbedachtelijk, opzettelijk; met geleider lage. *...PRAEOCCUPEERD, bn. vooringenomen; hij is hiermede te - om...., deze ééne zaak houdt hem te veel bezig enz. *...PRAESCRIBEERD, bn. verjaard; verstorven. *...PRESSEERD, bn. - zijn, haast hebben.

[Gepreutel]

Gepreutel, o. gmv. *...PREVEL, o. gmv. *...PRIKKEL, o. gmv.

[† Geprolongeerd]

Geprolongeerd, bn. verlengd; een -e wissel, waarvan de betaling is uitgesteld. *...PROMOVEERD, bn. bevorderd, tot den doctorsgraad verheven; een -e, iem. die den graad van doctor heeft gekregen. *...PROPORTIONNEERD, bn. geëvenredigd, naar juiste verhouding. *...PROTECTEERD, bn. beschermd. *...PROTESTEERD, bn. een -e wissel, die wegens niet-betaling wettig afgewezen is; ik heb daartegen -, ik heb mij wettiglijk daartegen verzet.

[Gepruikt]

Gepruikt, bn. eene paruik dragende. *...PRUIL, o. gmv. *...PURPERD, bn. in purper gedost, - gekleed; met purper bekleed; purperachtig gevlekt.

[† Gequalificeerd]

Gequalificeerd, of *...IËERD, bn. bevoegd, door de bevoegde

[p. 409]

magt aangesteld; -e diefstal, diefstal met verzwarende omstandigheden gepaard.

[Geraakt]

Geraakt, dw. zie RAKEN. *-, bn. (-er, -st), beroerd, door beroerte verlamd; (fig.) verstoord, boos, beleedigd; over iets - zijn. *-HEID, v. verlamming door beroerte; verstoordheid.

[Geraamte]

Geraamte, o. (-n), het geheele zamenstel der beenderen van het ligchaam (eens menschen of van een dier); (fig.) zeer mager mensch. *...RAAS, o. gmv. sterk aanhoudend geluid, gedruisch. *...RABBEL, o. gmv. *...RADEN, dw. zie RADEN. -, bn. dienstig; geschikt, gepast; ik acht het -. § *...RAK, o. gmv. dienst, dienstbetoon; hulp, bijstand.

[† Geraffineerd]

Geraffineerd, bn. gelouterd, verfijnd; -e suiker, (fig.) doorkneed, doortrapt; een -e kerel. *...RAMASSEERD, bn. kort, kloek en sterk, stevig gebouwd, gespierd.

[Geraken]

Geraken, ow. gel. (ik geraakte, ben geraakt), tot iets -, aan iets komen, iets verkrijgen; komen; vervallen; hij geraakt in ongenade; uit zijn doen of zijne bezitting -, arm worden, verliezen wat men heeft; aan den drank -, zich aan het misbruik van sterken drank overgeven. *...RAMMEL, o. gmv. het rammelen; gebabbel, gepraat; geraas.

[† Geraniaceeën]

Geraniaceeën, mv. ooijevaarsbekken (soort kruiden of halve heesters).

[† Gerant]

Gerant, m. (-en), beheerder; verantwoordelijke uitgever van een dagblad enz.

[† Gerecommandeerd]

Gerecommandeerd, bn. aanbevolen; een -e brief, aangeteekende brief (voor welken aan den afzender door het postkantoor een bewijs van afzending is afgegeven).

[Gereed]

Gereed, dw. zie REEDEN. *-, bn. en bijw. (-er, -st), klaar gemaakt, vaardig; voltooid; afgeteld en voorhanden; - geld; zijt gij -? *-ELIJK, bijw. bereidwillig; dadelijk, aanstonds. *-HEID, v. gmv. toestand van iets dat klaar gemaakt is; in - brengen, voorbereiden; bereidwilligheid. *-MAKING, v. gmv. *-SCHAP, o. (-pen), werktuigen, toestel; huisraad, meubelen. -SKIST, -SMAND, v. (-en). -SZAK, m. (-ken).

[Gereformeerd]

Gereformeerd, bn. hervormd; de -en, de hervormden (aanhangers der leer van Zwinglius en Calvijn).

[Geregeld]

Geregeld, dw. zie REGELEN. *-, bn. (-er, -st), ordelijk; in zijnen loop; gerangschikt; aan bepaling onderworpen; -e troepen, een behoorlijk georganiseerd leger. *-HEID, v. gmv. regelmatigheid; orde.

[Geregt]

Geregt, (B. GERECHT), o. (-en), opgedischte spijs; aanregting, opdissching; vier -en, vier schotels met spijzen. *-, o. gmv. regtbank, vierschaar; regterlijke ambtenaren, justitie, regtswezen; regtsgebied. *-, bn. de -e (juiste) helft; het -e vierde deel; het -e deel, het deel dat iem. van regtswege toekomt. *-ELIJK, bn. en bijw. (-er, -st), in regten, door middel van het regt; iem. - vervolgen. *-IGD, bn. gewettigd, bevoegd, gemagtigd; wettig, -lijk. *-IGHEID, v. gmv. regt en wet; regtvaardigheid, billijkheid; iem. - laten wedervaren. *-SBODE, m. (-n), deurwaarder. *-SDIENAAR, m. (-s). *-SHEER, m. (-en). *-SHOF, o. (...ven), regtbank van hoo-

[p. 410]

geren rang; hoog -. *-SKOSTEN, m. mv. kosten van een geding; vacatiegelden. *-SPLAATS, v. (-en), plaats der (lijf-) strafvoltrekking. *-SSCHRIJVER, m. (-s), griffier.

[Gerei]

Gerei, *-DE, o. gmv. allerlei gereedschap. *-T, o. (-en), (bouwk.) *...REL, o. gmv. het aanhoudend babbelen, § snateren. *...REUTEL, o. gmv. keelgeluid eens stervenden; het grommen.

[† Geremplaceerd]

Geremplaceerd, bn. vervangen door een ander. *...RENOMMEERD, bn. vermaard, befaamd; berucht. *..REREN, bw. ZICH -, ww. gel. (ik gereerde [mij], heb [mij] gereerd), besturen; zich gedragen. *...RESERVEERD, bn. voorbehouden. *...RESOLVEERD, bn. besloten; (fig.) koen, moedig, onverschrokken, vastberaden. *...RETIREERD, bn. ingetogen, eenzaam; hij leeft geheel -. *...RÉUSSEERD, bn. goed uitgevallen, geslaagd, gelukt.

[Gerezen]

Gerezen, dw. zie RIJZEN. *-, bn. gegist, hooger geworden, gestegen; - brood, gedeesemd brood; een geschil is - (ontstaan); het koren is - (in prijs gestegen); de effecten zijn -, hebben een hoogeren koers.

[Gerf]

Gerf, v. (...ven), zie GARF. *-KAMER, o. (-s), sakristij eener kerk; (eert.) kleedkamer der geestelijken. *-SCHAAF, v. (...aven), zeker gereedschap.

[Gergel, Girgel]

Gergel, Girgel, v. (-s), (kuip.) keep, inkerving (in eene vatduig). *-MES, o. (-sen), kuipersgereedschap.

[Geribd]

Geribd, bn. met ribben voorzien; een - blad, een blad met strepen. *...RIGT, dw. zie RIGTEN. -, bn. het oog op mij - (gevestigd, geslagen); zijne pogingen zijn daarheen - (hebben dit ten doel). *...RIJ, o. gmv. het rijden; in deze straat is veel -, wordt druk gereden. -, rijtuig.

[Gerijf, Gerief]

Gerijf, Gerief, o. gmv. gemakkelijkheid; dienst; gemakkelijk gebruik (van iets). *-ELIJK, bn. (-er, -st), gemakkelijk, gedienstig. *-ELIJKHEID, v. (...heden), (ook) dienstvaardigheid.

[Gerijm]

Gerijm, o. gmv. het rijmen; rijmelarij, slechte verzen. *...RIJVEN, bw. gel. (ik gerijfde, heb gerijfd), dienst bewijzen; iem. met iets -, van dienst zijn; zich met iets -, vergenoegen, tevreden stellen. *...RIKKEKIK, o. gmv. het kwaken der kikvorschen.

[Gering]

Gering, bn. en bijw. (-er, -st), klein; nietig; onbelangrijk, van weinig waarde; slecht, laag, gemeen; arm; onaanzienlijk; min; - achten, weinig achting hebben (voor iets of iem.); de - stand, klasse, de lage burgerstand; in het -ste niet, volstrekt niet; eene - (ligte) ongesteldheid. *-ELIJK, bijw. *-HEID, v. gmv.

[Geringd]

Geringd, bn. van eenen ring -, van ringen voorzien; met eenen ring vastgehecht. *...RINKEL, o. gmv. wapengekletter. *...RINKINK, o. gmv. geluid van glazen. *...RIST, bn. aan eene rist gebonden, (b.v. uijen). *...RITSEL, o. gmv. zacht geluid.

[† Germaansch]

Germaansch, bn. oud-duitsch; van duitschen stam. *....MANISMUS, o. duitsch taaleigen. *...MANOMANIE, v. gmv. voorliefde tot alles wat duitsch is. *...MINATIE, v. (kruidk.) kiemingstijdperk. *...MINEREN, ow. gel. (ik germineerde, heb gegermineerd), ontkiemen, uitspruiten.

[p. 411]

[Geroep]

Geroep, o. gmv. *...ROERD, dw. zie ROEREN. -, bn. ondereengemengd; -e eijeren. *...ROFFEL, o. gmv. *...ROGCHEL, (B. ...ROCHEL), o. gmv. *...ROMMEL, o. gmv. *...RONK, o. gmv. *...RONNEN, bn. dik geworden, gestold; (spr.) zoo gewonnen, zoo -, zoo verdiend, zoo verteerd. *...ROOST, -ERD, bn. op den rooster gebraden.

[† Geroutineerd]

Geroutineerd, bn. geoefend, bedreven, vlug, doorkneed, met ondervinding.

[Gerst]

Gerst, v. soort graan. *-E-AAR, v. (...aren). *-E-AKKER, m. (-s). *-EBIER, o. bier uit gerst gebrouwen. *-EBROOD, o. gmv. *-EDRANK, m. gerstewater. *-EGORT, v. *-EKORREL, v. (-s). *-EMEEL, o. *-EMOUT, o. *-EMELK, v. gmv. *-EPAP, v. (-pen). *-ESTROO, o. gmv. *-ESUIKER, v. *-ETER, m. (-s). *-EETSTER, v. (-s). *-EWATER, o. gmv. *-EZEMELEN, m. mv. *-GRASSEN, o. mv. zekere grassoort. *-SOORT, v. (-en).

[Gerucht]

Gerucht, o. gmv. geraas, gedruisch; die zaak maakt veel -, baart veel opzien. *-, o. (-en), onzekere tijding, los berigt; er loopt een -; een - is verspreid of in omloop; in een kwaad - zijn, ongunstig bekend staan; wee den wolf die in een kwaad - is, wie eens gelogen heeft wordt nooit geloofd; wie een kwaden naam heeft geniet geen vertrouwen.

[Geruim]

Geruim, bn. (-er, -st), langdurig; veel; een -e tijd. *-, o. gmv. het ruimen. *...RUISCH, o. gmv. sterk gedruisch; het - eener beek, van den wind, der bladeren. *...RUIT, bn. met ruitjes gewerkt, ruitswijze.

[Gerust]

Gerust, bn. en bijw. (-er, -st), stil, ongestoord, in rust, vreedzaam, kalm; iem. - stellen, iemands vrees of bezorgdheid wegnemen. *-, *-ELIJK, bijw. (als GERUST); (ook) onbevreesd, zonder schroom; gij kunt het - doen. *-HEID, v. gmv. *-STELLEND, bn. (-er, -st). *-STELLING, v. gmv.

[Gerw]

Gerw, v. duizendblad (zeker kruid).

[Gesammel]

Gesammel, o. gmv. † *...SATINEERD, bn. satijnachtig; - papier, zeer fijn geglansd papier. *...SCHAARD, dw. zie SCHAREN; zij stonden -, op eene rij. -, bn. met schaarden of tanden. *...SCHADUWD, bn. (schild.). *...SCHAGCHER, (B. ...CHER), o. gmv. *...SCHAL, o. gmv. *...SCHAPEN, dw. zie SCHEPPEN. -, zoo staat het met de zaak - (gesteld). -HEID, v. gmv. gesteldheid, toestand. *...SCHARREL, o. gmv. *...SCHATER, o. gmv. *...SCHEEPT, bn. aan boord (gebragt, genomen) geladen. *...SCHENK, o. (-en), vrijwillige gift, gave, cadeau, present. *...SCHERM, o. gmv. het schermen; - met woorden, nuttelooze praat; (ook) grootsprekerij. *...SCHERMUTSEL, o. gmv. *...SCHERTS, o. gmv. *...SCHEURD, dw. zie SCHEUREN. -, bn. (heelk.) eene breuk hebbende. -HEID, v. gmv. ↑ *...SCHICHTE, v. (-n), geschiedenis.

[Geschiedboek, Geschichtboek]

Geschiedboek, Geschichtboek, o. (-en), verhaal van gebeurtenissen, kronijk, jaarboeken. *...EN, onp. w. gel. (het geschiedde, is geschied), voorvallen, gebeuren; wedervaren. *...ENIS, v. (-sen), geloofwaardig verhaal van gebeurde zaken, historie. *...KUNDE, v. gmv. kennis der geschiedenis. *...KUNDIG, bn. historisch; met de geschiedenis bekend. *...KUNDIGE, m. (-n). *...SCHRIJVER, m. (-s).

[Geschiet]

Geschiet, o. gmv. het schieten. *...SCHIK, o. lot, noodlot.

[p. 412]

[Geschikt]

Geschikt, bn. (-er, -st), bekwaam; gepast, dienstig (tot), bruikbaar; passend, voegend, overeenkomende (met); geregeld, geordend; zedig, ordelijk. *-, *-ELIJK, bijw. zediglijk, ordelijk. *-HEID, v. gmv. bekwaamheid; gepastheid; zedigheid, bedaardheid.

[Geschil]

Geschil, o. (-len), verschil, oneenigheid, twist. *-LIG, bn. (-er, -st), oneenig. *-PUNT, o. (-en), iets waarover getwist wordt.

[Geschimmeld]

Geschimmeld, dw. zie SCHIMMELEN. *-, bn. schimmelkleurig (van paarden). *...SCHIMP, o. gmv. *...SCHOK, o. gmv. *...SCHOMMEL, o. gmv. *..SCHONGEL, o. gmv. *...SCHOOR, o. gmv. gespuis, laag volk. *...SCHOREN, dw. zie SCHEREN. -, bn. verlegen, in de klem; ik zit er meê -, ik ben er mede opgescheept. *...SCHORST, dw. zie SCHORSEN. -, bn. een - ambtenaar, aan wien voor zekeren tijd de uitoefening zijner betrekking is ontzegd. *...SCHREEUW, o. gmv. het schreeuwen; kreten, geraas, rumoer, leven; ophef; misbaar; veel - en weinig wol, veel beweging om niets. *...SCHREI, o. gmv. het schreijen, weeklagen, weenen. *...SCHRIFT, o. (-en), een geschreven stuk; (fig.) een uitgegeven werkje. *...SCHRIJF, o. gmv. *...SCHROEID, dw. zie SCHROEIJEN. -, bn. (heelk.) gebrand; - koren, koren waar de brand in is. *...SCHROK, o. gmv. *...SCHROL, o. gmv. *...SCHUBD, dw. zie SCHUBBEN. -, bn. en bijw. met schubben bedekt. *...SCHUIFEL, o. gmv.

[Geschut]

Geschut, dw. zie SCHUTTEN. *-, o. gmv. kanonnen en al wat er toe behoort; het - planten, in gereedheid stellen; het - vernagelen, onbruikbaar maken. *-BOOR, v. (...oren). *-GANG, m. (-en), (zeew.). *-GIETER, m. (-s), maker van kanonnen enz. *-GIETERIJ, v. (-en), fabriek waar geschut vervaardigd wordt. *-JIJN, v. (-en), (zeew.). *-KAAG, v. (...agen), vaartuig waarop geschut wordt vervoerd. *-LENG, v. (-en). *-MEESTER, m. (-s). *-PERK, o. (-en), artilleriepark. *-POORT, v. (-en), (op schepen). *-PROP, m. (-pen). *-ROLLE, v. (-n), (zeew.). *-TALIE, v. (...ën), (zeew.). *-VULLING, v. (-en). *-WAGEN, m. (-s). *-WERF, v. (...ven), artilleriepark.

[† Gesignaleerd]

Gesignaleerd, bn. geseind, door middel van teekens berigt; een -e misdadiger, wiens persoonsbeschrijving overal is rondgezonden; hij heeft zich boven alle anderen -, hij heeft boven hen uitgemunt. *...SITUEERD, bn. gelegen, liggende; hoe is hij daar -? hoe woont hij daar? hoe is hij daar gevestigd? in welken toestand bevindt hij zich daar?

[Gesis]

Gesis, o. gmv. *...SLAAF, o. gmv. *...SLAB, o. gmv.

[Geslacht]

Geslacht, o. (-en), verzameling van alle soorten die in de voornaamste kenmerken hunner onderdeelen overeenkomen; stam, afkomst; familie, stamhuis; kunne, sekse; het schoone -, de vrouwen; (taalk.) mannelijk -, vrouwelijk -, onzijdig -; het tegenwoordige -, al de tijdgenooten. *-BOOM, m. (-en), aanwijzing der afstamming, stamboom. *-BRIEF, m. (...ven), bewijsstuk der afkomst. *-ELOOS, bn. zonder geslacht (van planten en gewassen). *-KUNDE, v. kennis van den oorsprong en de volgreeks in afstamming der voorname geslachten. *-KUNDIGE, m. (-n). *-LIJST, v. (-en), genealogische tafel; (taalk.) lijst van woorden met aanwijzing van hunne geslachten. *-NAAM, m. (...amen), familienaam, van. *-REGISTER, o. (-s). *-REKENAAR,

[p. 413]

m. (-s). *-REKENING, v. (-en). *-RIJ, v. (-en), reeks voorvaderen. *-RIJK, bn. (-er, -st), rijk aan voorzaten, - aan afstammelingen. *-SKENMERKEN, o. mv. bijzonderheden van het uiterlijk waardoor eenig voorwerp der natuur zich onderscheidt. *-SSTELSEL, o. (-s), (kruidk.) sexueel stelsel. *-TAFEL, v. (-s). *-WAPEN, o. (-s).

[Geslagen]

Geslagen, bw. zie SLAAN. *-, bn. - goud, - koper, bladgoud, bladkoper; tot ridder -, met plegtigheid als lid eener ridderorde opgenomen, (oudt.) - tot den ridderstand verheven; - vijand, doodsvijand, onverzoenlijke vijand. *...SLAGT, (B. *...SLACHT), o. gmv. geslagt vee. -, belasting op het vleesch. *...SLEEP, o. gmv. *...SLEPEN, dw. zie SLIJPEN. -, bn. listig, loos, doortrapt, slim. -HEID, v. gmv. *...SLINGERD, dw. zie SLINGEREN. -, bn. spiraal-vormig; (fig.) onzeker, ongerust; - tusschen hoop en vrees. *...SLOF, o. gmv. *...SLOTEN, dw. zie SLUITEN. -, bn. met - deuren, niet in het openbaar (vergaderd enz.); elk. met - beurzen betalen, weder-zijdsche schulden van gelijk bedrag vereffenen; door wederkeerig dienstbetoon elk. niets schuldig blijven; hij is als -, hij vertelt niets, men kan niets uit hem krijgen. *...SMAAL, o. gmv. *...SMEEK, o. gmv. *...SMIJDE, o. gmv. sieraad, tooisel. *...SNAARD, bn. met snaren voorzien; (fig.) bereid, in gereedheid gebragt. *...SNAAUW, o. gmv. *...SNAP, o. gmv. *...SNEDENE, m. (-n), ontmande, opziener van het serail (in Turkije enz.). *...SNIPPER, o. gmv. *...SNOR, o. gmv. *...SNORK, o. gmv. het snorken; (fig.) gepoch, grootsprekerij.

[† Gesorteerd]

Gesorteerd, bn. in soorten bijeengevoegd; goed voorzien.

[Gesp]

Gesp, m. (B.m. en v.) (-en), werktuig tot vasthechting van het eene voorwerp aan het andere; sieraad (op schoenen, aan eene broek enz.).

[Gespalk]

Gespalk, o. gmv. *...SPAN, o. gmv. voor een rijtuig gespannen paarden; (bouwk.) spanwerk van een dak. *-, m. (-nen), (boekdr.) kameraad; - of ober-, overheidspersoon in Hongarije. *-SCHAP, o. (-pen), kreits, distrikt. *...SPARTEL, o. het spartelen; (fig.) uiterste pogingen. *...SPEEL, m. (...elen), speelgenoot, speelmakker. -, o. gmv. het spelen.

[Gespen]

Gespen, bw. gel. (ik gespte, heb gegespt), met eenen gesp -, met gespen vastmaken. *-ENMAKER, m. (-s).

[↑ Gespens]

Gespens, o. (-en), spook. *...SPIERD, bn. met sterke spieren, krachtig, sterk. -HEID, v. gmv. sterke spierkracht. *...SPIN, o. gmv. *...SPOOK, o. gmv. het spoken; (fig.) leven, gedruisch, beweging; valsche drokte. *...SPOORD, dw. zie SPOREN. -, bn. sporen aan hebbende (van eenen ruiter); van sporen voorzien (van eenen haan); gelaarsd en -, kant en klaar. *...SPOT, o. gmv. *...SPREEUW, o. gmv. het spotten; boert, jokkernij. *...SPREK, o. (-ken), zamenspreking, onderhoud; kout, zamenspraak. *...SPRENKEL, o. gmv. -D, bn. gespikkeld; hij is de -e vogel. *...SPUIS, o. gmv. heffe des volks, janhagel.

[Gest, Gist]

Gest, Gist, o. grondsel van bier (bij brood- en banketbakkers en koks in gebruik); (fig.) prikkel.

[Gestaafd]

Gestaafd, bn. bevestigd, bekrachtigd. *...STAALD, bn. eene stalen punt hebbende. *...STAART, bn. (wap.) met eenen staart. *...STADIG, bn. (-er, -st), standvastig, duurzaam, bestendig; eene

[p. 414]

-e markt, zonder verandering in de prijzen. -, -LIJK, bijw. gedurig. *...STADIGHEID, v. gmv. standvastigheid, duurzaamheid. *...STALTE, v. (-n), -NIS, v. (-sen), gedaante, houding, postuur (van het ligchaam). -WISSELING, v. (-en), gedaanteverandering. *...STAND, bijw. zijn woord, zijne belofte - doen, (houden, nakomen). *...STARND, *...STERND, bn. de -e hemel, de hemel vol sterren. *...STARNTE, o. zie GESTERNTE. *...STEEK, o. gmv. *...STEEN, o. gmv. *...STEENTE, o. (-n), alle vaste delfstoffelijke zelfstandigheden waaruit de aardkorst is zamengesteld; fijne -, edele steensoort; (dichtk.) grafteeken, tombe.

[Gestel]

Gestel, o. (-len), zamenstelling, bouw; zamenvoeging der deelen tot een geheel; geaardheid, gesteldheid (des ligchaams). *-D, dw. zie STELLEN. -, vw. ondersteld, verondersteld; aangenomen dat.... *-DHEID, v. (...heden). *-TENIS, v. staat, toestand; omstandigheid; temperatuur.

[Gestemd]

Gestemd, dw. zie STEMMEN. *-, bn. goed -, kwalijk -, in eene goede of kwade luim.

[Gesten, Gisten]

Gesten, Gisten, ow. gel. (het gestte, heeft gegest), opbruisen, in beweging zijn (van bier, wijn enz.); (fig.) de gemoederen zijn aan het gisten, er heerscht beweging of misnoegen onder het volk.

[† Gestes]

Gestes, mv. gebaren.

[Gesternte]

Gesternte, o. gmv. de sterren. *-, (-n), sterrenbeeld, verzameling van sterren; (sterrew.) stand der sterren op zeker tijdstip; onder een gelukkig - geboren zijn.

[Gesticht]

Gesticht, dw. zie STICHTEN. *-, o. (-en), gebouw; instelling; stichting; liefdadig -, godshuis.

[† Gesticulatie]

Gesticulatie, v. gebarentaal, gebarenspel.

[† Gestie]

Gestie, v. (...ën), beheer, bewindvoering; bestuur, verrigting.

[Gestig]

Gestig, bn. (-er, -st), onklaar (van vochten). *...TING, v. het gesten of gisten.

[† Gestipuleerd]

Gestipuleerd, bn. vastgesteld, afgesproken, bepaald.

[Gestoei]

Gestoei, o. gmv. *...STOELTE, o. (-n), verhevene zitplaats, eereplaats; de stoelen in het ruim eener kerk; spreek-, katheder. *...STOF, o. gmv. het stoffen; (fig.) grootspraak, pogcherij, pralerij. *...STOFFEERD, bn. van huisraad voorzien; -e kamers, (schild.) met bijwerk. *...STOMMEL, o. gmv. *...STOORD, dw. zie STOREN. -, bn. verstoord, ontevreden. -HEID, v. gmv. *...STOOT, o. gmv. *...STRATIFICEERD, bn. (delfst.) laagsgewijze. *...STREEL, o. gmv. *...STREEPT, dw. zie STREPEN. -, bn. met strepen; -e stoffen. *...STRENG, bn. (er, -st), sterk gespannen; (fig.) straf, niet ligt te bewegen, niet vergevensgezind; een - regter; een - (naauwkeurig) onderzoek; een -e (felle, harde) winter; wel of hoog edel -, (titel). -, -ELIJK, bijw. *...STRENGHEID, v. gmv. *...STRIKT, dw. zie STRIKKEN. -, bn. met strikken versierd. *...STROOK, o. gmv. gestreel.

[† Gesubordineerd]

Gesubordineerd, bn. ondergeschikt.

[Gesuis]

Gesuis, o. gmv. *...SUKKEL, o. gmv. *...TAAND, dw. zie TANEN. -, bn. (fig.) verduisterd, afgenomen, verminderd. *...TABBERD, bn. met eenen tabbaard. *...TAKT, bn. takken hebbende.

[Getal]

Getal, o. (-len, B. -en), bepaalde of onbepaalde menigte; hoofd-;

[p. 415]

effen -; oneffen -; zamengesteld -; gemengd -; wortel -; wortelloos -; benoemd -; onbenoemd -; deelbaar -; ondeelbaar -; geheel -; gebroken; het gulden -, (in de tijdrekenkunde). *-, (taalk.) enkelvoud of meervoud. *-LEER, v. gmv. wetenschap die de getallen leert zamenstellen en ontbinden. *-LETTER, v. (-s), letter die (als een cijfer) een zeker getal aanduidt. *-LIG, bn. op getallen of cijfers betrekking hebbende; telbaar. *-MERK, o. (-en), cijferletter. *-WOORD, o. (-en), (taalk.) telwoord.

[Getalm]

Getalm, o. gmv. *...TAND, bn. met tanden of kiezen voorzien. *...TAPT, dw. zie TAPPEN. -, bn. -e melk, melk waarvan de room is afgetapt. *...TEEM, o. gmv. *...TEMPERD, dw. zie TEMPEREN. -, bn. bedaard, verminderd. -HEID, v. gmv. *...TIER, o. gmv. † *...TIÊRCEERD, bn. tot op een derde teruggebragt; eene -e schuld.

[Getij, Tij]

Getij, Tij, o. gmv. het vallen en wassen van het water op den geregelden tijd; dood -, de zwakste vloed; het - waarnemen, bij gunstigen waterstand uitzeilen. *-, (fig.) gelegenheid; belang; elk vischt op zijn -, ieder neemt de gelegenheid waar (om zich te bevoordeelen) als zij zich opdoet. *-, (-den), (r.k.) inhoud van het getijboek, zekere gebeden. *-BOEK, o. (-en), (r.k.) gebedenboek. *-DE, o. (-n), jaargetijde, saizoen. *-GEBED, o. (-en).

[Getijgerd]

Getijgerd, bn. gevlakt als een tijger, gespikkeld. *...TIMMER, o. gmv. -TE, o. (-n), timmerwerk. *...TJEUTER, o. gmv. het geluid van zekere vogeltjes. *...TJILP, o. gmv. het geluid der musschen. *...TOB, o. gmv. tobberij, last, moeijelijkheden. *...TOET, o. het blazen op den hoorn. *...TOKKEL, o. gmv. het snaren-. *...TOMMEL, o. gmv. gedommel, gedruisch, rumoer. *...TONGD, bn. van eene tong voorzien. *...TOUW, o. (-en), weverswerktuig. *...TRAAN, o. gmv. het tranen storten, weenen, schreijen. † *...TRAINEERD, bn. getalmd; steeds uitgesteld; op de lange baan geschoven. *...TRALIED, dw. zie TRALIÊN. -, bn. van traliën voorzien; een - venster, *...TRAPPEL, o. gmv. † *...TRAVAILLEERD, bn. afgemat, gekweld. † *...TRAVESTEERD, bn. belagchelijk -, boertig ingekleed, - nagevolgd. *...TRIPPEL, o. gmv. *...TREUR, o. gmv. *...TROMMEL, o. gmv.

[Getrouw]

Getrouw, bn. (-er, -st), volkomen met de waarheid overeenkomende; opregt, eerlijk; aan onze lieven en -en, (oudt.) met deze woorden werden de onderdanen door hunne koningen in de openbare brieven aangesproken; zijne zeer -e majesteit, titel van den koning van Portugal. *-, *-ELIJK, bijw. *-HEID, v. gmv. de (badensche) huisorde der -.

[Getuigd]

Getuigd, dw. zie TUIGEN en GETUIGEN. *-, bn. van een tuig of toom voorzien; van tuigaadje voorzien. *...TUIGE, m. en v. (-n), die ingevolge bekomen last verhaalt wat hij (zij) gezien of gehoord heeft; iem. of iets waarop men zich beroepen kan; (bijb.) martelaar, bloedgetuige; - zijn, bij iets tegenwoordig zijn; tot - nemen, roepen; een - wraken (afkeuren). *...TUIGEN, bw. gel. (ik getuigde, heb getuigd), getuigenis der waarheid afleggen, op bekomen last verhalen wat men gezien of geboord heeft. -, ow. verklaren, betuigen. *...TUIGENIS, v. (-sen), verhaal -, verslag -, verklaring van

[p. 416]

een getuige; getuigschrift, bewijsstuk. *...SCHRIFT, o. (-en), schriftelijk bewijs van tevredenheid, attest. *...TUIMEL, o. gmv. *...TUIT, o. gmv. gedruisch in de ooren. *...TULBAND, bn. met eenen tulband op het hoofd.

[Geul]

Geul, v. (B.v. en o.) (-en), naauwe invaart, enge haveningang.

[Geur]

Geur, m. (-en), aangename reuk; (fig.) er is een -tje aan, het riekt (niet) zuiver. *-IG, bn. (-er, -st), welriekend. *-IGHEID, v. gmv.

[Geus]

Geus, m. (...zen), bedelaar, landlooper; (ned. gesch.) scheldnaam der protestanten in den oorlog tegen Spanje. *-, v. (zeew.) kleine boegstengvlag.

[Gevaar]

Gevaar, o. (...aren), waarschijnlijkheid van naderend onheil; - loopen; aan - blootstaan; er is - bij. *-, gmv. het varen of rijden; rijtuig; met -, per as. *-LIJK, bn. (-er, -st), met gevaar, gewaagd. *-LIJKHEID, v. gmv. *-TE, o. (B.v. en o.) (-n), iets dat buitengemeen groot en zwaar is, kolossus.

[† Gevaccineerd]

Gevaccineerd, bn. ingeënt met koepokstof.

[Gevader]

Gevader, m. (-s), doopvader, peet, peter, peetoom. *-SCHAP, o. gmv. betrekking van peter.

[Geval]

Geval, o. (-len), toevalligheid; gebeurtenis, zaak; toeval; voorkomende omstandigheid; (taalk.) casus, naamval; bij -, toevallig; in alle - of in allen -le, wat er ook gebeure, hoe ook; in -, wanneer, bijaldien, indien. *-LEN, ow. ong. (ik geviel, heb gevallen), behagen, aanstaan, bevallen, aangenaam zijn; zich iets laten-, zich met iets tevreden stellen. -, o. gmv. genoegen, behagen; - in iets vinden. -, dw. zie VALLEN. *-LIG, bn. en bijw. (-er, -st), -LIJK, bijw. toevallig, bij geval gebeurende; aangenaam, welgevallig.

[Gevangen]

Gevangen, dw. zie VANGEN. *-, bn. gevat, in hechtenis, in verzekerde bewaring, van de vrijheid beroofd; - nemen, - zetten; zich - geven, zich zelven aangeven om naar de gevangenis gebragt te worden; (fig.) bekennen dat men ongelijk heeft. *-BEWAARDER, m. (-s), ...STER, v. (-s). *-E, m. en v. (-n), die in verzekerde bewaring is gebragt, gedetineerde. *-HOK, o. (-ken). *-HOUDING, v. gmv. *-HUIS, v. (...zen), *-IS, v. (-sen), gebouw waar de gevangenen zijn gehuisvest. -, gmv. verzekerde bewaring, detentie, opsluiting. *-NEMING, v. (-en), in-hechtenis-neming. *-SCHAP, v. gmv. *-ZETTING, v. (-en). *...KELIJK, (B. *...KLIJK), bijw. van zijne vrijheid beroofd, onder geleide van geregtsdienaren; hij werd - binnengebragt. -HEID, v. gmv.

[Gevecht]

Gevecht, o. gmv. het vechten. *-, o. (-en), strijd, worsteling, schermutseling, treffen, slag. *...VEDERD, bn. vederen hebbende. *...VEDERTE, o. gmv. al de vederen (eens vogels enz.). *...VEINS, o. gmv. *...VEINSD, dw. zie VEINZEN. -, bn. (-er, -st), veinzend, valsch, niet opregt, gehuicheld. -E, m. en v. (-n), veinsaard. *...VEINSDELIJK, bijw. met veinzerij. *...VEINSDHEID, v. gmv.

[Gevel]

Gevel, m. (-s), (voor- of achter-) muur van een gebouw, spits van eenen voormuur; (fig.) titelplaat (van een boek); (fig.) § neus; voor-, achter- (van een huis). *-DAK, o. (-en). *-LIJST, v. (-en). *-TOP, m. (-pen). *-VORMIG, bn.

[p. 417]

[Geveld]

Geveld, dw. zie VELLEN. *-, bn. neêrgehouwen, omvergerukt; met - geweer, met het geweer vooruit; het vonnis is -, uitgesproken, gewezen.

[Geven]

Geven, bw. ong. (ik gaf, heb gegeven), ter hand stellen, toe-, overreiken; schenken, een geschenk aanbieden; opleveren, voortbrengen; gehoor -, ontvangen, bij zich toelaten; gehoor - aan, letten op, aan eenig verlangen voldoen; geloof - (hechten, slaan); eenen zucht - (slaken); den geest -, sterven, den laatsten adem uitblazen; raad -, raden; rekenschap -, verslag uitbrengen (van eene gebeurtenis, van het gebruik van gelden enz.); acht -, letten op, in acht nemen; vuur -, schieten (met vuurwapenen); de kaart - (ronddeelen); in het licht -, openbaar maken (een geschrift, een boekwerk); in bedenking -, laten overwegen; prijs -, opofferen, blootstellen; om niets -, zich om niets bekommeren, zich aan niets storen, voor alles onverschillig zijn; dat geeft niets, brengt geen nut aan; zich of iets gewonnen -, toegeven, zijne dwaling erkennen, zich voor geslagen houden; men moet weten te - en te nemen, men moet weten zich naar de omstandigheden te schikken; dat geeft niet en neemt niet, dit oefent volstrekt geen invloed uit; ik geef het er aan, ik houd er mede op; (ook) ik getroost mij die opoffering; te geef, tot zeer lagen prijs, bijna om niet; goedgeefs, mild, milddadig; God geve...., het behage aan God; gave God, mogt het Gode behagen. *...VER, m. (-s), die geeft; schenker; (taalk.) derde naamval. GEEFSTER, v. (-s), zij die geeft.

[† Geverseerd]

Geverseerd, bn. geoefend, bedreven, ervaren.

[Gevest]

Gevest, o. (-en), degenhandvatsel. *-, *-IGD, bn. woonachtig; bestaande; duurzaam. *...VIND, bn. met vinnen voorzien. *...VLAMD, dw. zie VLAMMEN. -, bn. met vlammen; - hout. *...VLEESCHD, bn. met vleesch bekleed; mijn -e god, de -e duivel. *...VLEI, o. gmv. het vleijen. *...VLEKT, dw. zie VLEKKEN. -, bn. met vlekken, gestipt, gespikkeld; een zwart en wit -e hond; een -e tijger. *...VLERKT, bn. vlerken hebbende. *...VLEUGELD, dw. zie VLEUGELEN. -, bn. van vleugelen voorzien; een - dier, een vogel. *...VLIEG, o. gmv. het vliegen. *...VLOEK, o. gmv. het vloeken. *...VLOEKT, dw. zie VLOEKEN. -, bn. verfoeid, vervloekt. -, tw. voor den drommel! *...VOED, -STERD, bn. groot-gebragt, van voedsel voorzien. *...VOEDHEID, v. gmv. sterkte, kracht. *...VOEG, o. gmv. natuurlijke buikontlasting; zijn - doen. *...VOEGELIJK, (B. *...VOEGLIJK), bn. en bijw. (-er, -st), gepast, geschikt, passend, betamend; inschikkelijk. -HEID, v. gmv. betamelijkheid, inschikkelijkheid.

[Gevoel]

Gevoel, o. gmv. een der vijf zinnen; het voelen; aandoening, gewaarwording; smart. *-EN, o. gmv. het gewaar worden door voelen. -, (-s), oordeel, meening; overtuiging. -, bw. gel. (ik gevoelde, heb gevoeld), gevoel van iets hebben, eene gewaarwording hebben; bemerken; vatten, begrijpen. -, ow. denken, oordeelen, zich een begrip van iets vormen. ZICH -, ww. bewustheid hebben van den toestand waarin men verkeert; ik gevoel mij gelukkig, on-

[p. 418]

gelukkig, wel, onwel. *-IG, bn. en bijw. (-er, -st), gevoel verwekkende; eene -e (scherpe) koude; vatbaar voor gevoel; het oog is het gevoeligste deel des ligchaams; (fig.) geraakt, verstoord; dankbaar, ingenomen, hij is zeer - over. *-IGHEID, v. gmv. aandoenlijkheid (van ligchaam en geest); (fig.) verstoordheid, geraaktheid; gij hebt zijne - opgewekt. *-IGLIJK, bijw. met gevoeligheid. *-LOOS, bn. en bijw. (...zer, -st), zonder gevoel, ongevoelig. *-LOOSHEID, v. gmv. gebrek aan gevoel; ongevoeligheid.

[Gevogelte]

Gevogelte, o. allerlei vogelen.

[Gevolg]

Gevolg, o. (-en), wat uit eene zaak voortvloeit; gebeurtenis ontstaan door eene vroegere. *-, gmv. bijhebbend gezelschap, (hof)stoet; (red.) besluit (uit een of meer voorstellen getrokken); ten -e van dien, bij -, alzoo, daarom, derhalve; in -e, krachtens, uithoofde, als gevolg van. *-ELIJK, bijw. ten gevolge van dien, bij gevolg. *-TREKKING, v. (-en), besluit, slotsom (eener redenering).

[Gevolmagtigde]

Gevolmagtigde, m. (-n), zaakgelastigde die voor een ander (eene regering of partikulieren) handelt, procuratiehouder.

[Gevraag]

Gevraag, o. gmv. het aanhoudend vragen; (kooph.) zie VRAAG. *...VRIJ, o. gmv. het vrijen. -DE, m. (-n), onder-korporaal.

[Gewaad]

Gewaad, o. (...aden), deftig kleed, kostuum. *...WAAGD, dw. zie WAGEN en GEWAGEN. *-, bn. hagchelijk, gevaarlijk, netelig; zij zijn aan elkander -, zij staan in krachten gelijk, zij zijn tegen elk. opgewassen. -HEID, v. gmv. hagchelijkheid; gevaar. *...WAAND, bn. dw. zie WANEN. -, bn. voorgegeven, voorgewend, valsch.

[Gewaar]

Gewaar, bijw. - worden, ontdekken, bespeuren, kennis van iets bekomen. *-WORDELIJK, bn. (-er, -st), voor zelfgewaarwording vatbaar; (fig.) sentimenteel. *-WORDING, v. (-en), zielsaandoening door middel van een der zintuigen; (ook) ligchamelijk gevoel.

[Gewag]

Gewag, o. gmv. melding; - maken van.... *-EN, bw. gel. (ik gewaagde, heb gewaagd), melding maken van; de wereld zal er van -, het zal overal opzien of verbazing verwekken. *...WAGGEL, o. gmv. *...WANGD, bn. dikke wangen hebbende. *...WAPEND, dw. zie WAPENEN. -, bn. van wapens voorzien; van top tot teen -; (fig.) op iets - (voorbereid) zijn. -ERHAND, bijw. met de wapens in de hand, vijandelijk.

[Gewas]

Gewas, o. (-sen), oogst; plant, kruid; uitwas aan het ligchaam. *...WATERD, dw. zie WATEREN. -, bn. watersgewijze; - (gemoireerd) lint; een schoon -e diamant, van een schoon water, van een helderen glans. *...WEEF, o. gmv. het weven. *...WEEN, o. gmv. het weenen.

[Geweer]

Geweer, o. (...eren, B. -en), snaphaan, buks, karabijn; allerlei wapentuig; in het geweer, onder de wapens. *-FABRIEK, v. (-en). *-HUIS, o. (...zen), wapenhuis. *-MAKER, m. (-s), zwaardveger. *-RAK, *-REK, o. (-ken), plank met vakken tegen eenen muur aangebragt om er de geweren in te plaatsen. *-SCHOT, o. (-en). *-STOK, m. (-ken), geweerrek.

[Gewei]

Gewei, *-DE, o. gmv. hoornen der herten; (jag.) ingewand van wilde dieren.

[Geweld]

Geweld, o. gmv. onregtvaardig gebruik van kracht of magt, over-

[p. 419]

magt, (fig.) leven, geraas, rumoer, getier, opschudding; zeer groote hoeveelheid; een land onder zijn - (onder zijne heerschappij) brengen; iem. - aandoen, gewelddadig tegen iem. handelen; een meisje - aandoen, haar verkrachten; zich - aandoen, zich zelven tot iets dwingen; zich beheerschen, zijne driften beteugelen; wat heeft die koe een - van (bovenmatige hoeveelheid) vet afgelegd. *-BRIEF, m. (...ven), brandbrief. *-DADIG, bn. (-er, -st), -LIJK, bijw. met geweld. *-DADIGHEID, v. (...heden), daad van geweld. *-ELIJK, bijw. met geweld. *-ENAAR, m. (-s), dwingeland, tiran. *-ENARIJ, (B. ...RY), v. (-en), dwingelandij, tirannij. *-IG, bn. en bijw. (-er, -st), -LIJK, bijw. zeer magtig, met veel kracht; hevig; groot, sterk. *-IGE, (-n). -R, (-s), m. kapitein -, provoost -, opziener eener militaire gevangenis. *-IGERHAND, bijw. met geweld. *-MAKER, m. (-s), levenmaker, rumoermaker.

[Gewelf]

Gewelf, o. (...ven), boogvormige muur; boogsgewijs aangebragte bedekking, steenen zoldering; gewelfd vertrek; (fig.) de hemel, het hemelgewelf. *-BOOG, m. (...ogen). *-D, dw. zie WELVEN. -, bn. boogsgewijze gevormd.

[Gewemel]

Gewemel, o. gmv. het wemelen; groote menigte menschen. *...WENNEN, bw. ow. gel. (ik gewende, heb gewende), gewend of gewoon maken, - raken, - worden. ZICH -, ww. zich schikken (naar). *...WERVELD, bn. de -e dieren, dieren die een inwendig geraamte bezitten.

[Gewest]

Gewest, o. (-en), landstreek, provincie, oord, gedeelte van een rijk. *-ELIJK, bn. van een gewest, provinciaal; het - bestuur. *...WET, bn. geslepen, scherp gemaakt.

[Geweten]

Geweten, o. gmv. innerlijk, besef van goed en kwaad; de vierschaar van het -; een goed -; een kwaad -. *-, dw. zie WETEN, WIJTEN. *-, bn. bekend; toegeschreven, toegedicht (aan). *-LOOS, bn. zonder geweten. *-LOOSHEID, v. gmv. *-SANGST, m. (-en), wroeging. *-SDWANG, m. gmv. godsdienst-onderdrukking. *-SKNAGING, v. (-en), wroeging. *-STWIJFEL, m. gmv. gemoedsbezwaar. *-SVRAAG, v. (...agen). *-SVRIJHEID, v. gmv. godsdienstvrijheid. *-SZAAK, v. (...aken). *-SZWARIGHEID, v. (...heden).

[Gewezen]

Gewezen, dw. zie WIJZEN. *-, bn. voormalig, vorig, mijn - leermeester; de - minister; uitgesproken, een - vonnis. *...WIEKT, bn. wieken hebbende.

[Gewigt]

Gewigt, (B. GEWICHT), o. grootte der drukking van het eene ligchaam op het daaronder liggend andere; afweging, bij het- verkoopen; zwaarte, er is veel - aan; geld dat zijn - (de vereischte zwaarte) heeft; stuk of stukken van bepaalde zwaarte, waarmede men weegt, geijkt -; medicinaal -; goud-; specifiek of soortelijk -; relatief of betrekkelijk -; lood (aan eene huisklok, aan een spit); toestel aan eene deur (om ze van zelve te doen sluiten); horens van een hert; (fig.) belang, belangrijkheid, aangelegenheid, eene zaak van -. *-IG, bn. (-er, -st), zijn gewigt hebbende, wigtig; belangrijk; een man van -, een voornaam -, invloedrijk persoon. *-IGHEID, v. gmv. belangrijkheid. *-S-EENHEID, v. (in het decimale stelsel), het wigtje, de gramme. *-S-THERMOMETER, m. (-s), (nat.) zekere toestel.

[p. 420]

[§ Gewijd]

§ Gewijd, bn. gezegend, ingezegend, geheiligd. *...WIJFD, bn. gehuwd. *...WIJSDE, o. (-n), regterlijk-, vonnis, uitspraak; in kracht van -, voor uitvoering vatbaar. *...WIJZE, bijw. als, (in den vorm van uitgang voorkomende in eenige zamenstellingen, zoo als: trapsgewijze, boogsgewijze enz.). *...WIJZIGD, bn. veranderd; een - voorstel. *...WILD, dw. zie WILLEN. -, bn. de koffij is thans niet -, ter markt is thans niet veel vraag naar koffij; (fig.) hij is in gezelschappen nog al -, men verlangt (houdt veel van) zijne tegenwoordigheid. *...WILLIG, bn. (-er, -st), -LIJK, bijw. dienstvaardig; buigzaam, gehoorzaam, gezeggelijk. *...WILLIGHEID, v. gmv. *...WIMPEL, o. gmv.

[Gewin]

Gewin, o. gmv. winst, voordeel; opbrengst; die bijen hebben dit jaar een goed - gehad, hebben veel honig opgeleverd. *-NEN, bw. ong. (ik gewon, heb gewonnen), winnen, winst doen, - maken, - hebben (bij); (bijb.) telen, voortbrengen, Abraham gewan Isaak. *-ZOEKER, m. (-s), baatzuchtig mensch. *-ZUCHT, v. gmv. buitensporige zucht naar winst. -IG, bn. (-er, -st).

[Gewis]

Gewis, bn. en bijw. (-ser, -st), zeker, stellig; juist; een - man, iem. waarop men zich verlaten kan. *-HEID, v. gmv. zekerheid. *-SE, o. gmv. geweten. *-SELIJK, bijw. zekerlijk, met zekerheid, voorzeker.

[Gewoel]

Gewoel, o. gmv. het woelen; gedrang; gedruisch, drokte. *...WOLD, bn. wol hebbende, wollig. *...WOLKT, bn. met wolken bedekt. *...WONNEN, dw. zie WINNEN. -, bn. behaald; geoogst; voortgebragt, geteeld.

[Gewoon]

Gewoon, bn. (...oner, B. -er, -st), dagelijks gebeurende, algemeen; gewend; alledaagsch; iets - worden; aan iets - raken. *-LIJK, bijw. als naar gewoonte. *-TE, v. (-n), hebbelijkheid; gebruik; aanwensel; de - wordt tot (of is) eene tweede natuur.

[Geworden]

Geworden, ow. ong. bekomen, ontvangen, verkrijgen; uw brief is mij -; laat hem - (begaan, met rust). *...WORMTE, o. gmv. allerlei wormen. *...WRICHT, o. (-en), (ontl., heelk.) bewegelijke been-derenvereeniging, zamenvoeging der ledematen; opperdeel der hand bij den pols; tijds-, belangrijk tijdstip in de geschiedenis. -SHOLTE, -SVLAKTE, v. (-n). -SVOCHT, o. (-en). *...WROCHT, o. (-en), uitwerksel; (fig.) groot werk, iets grootsch dat tot stand gebragt is. *..WROET, o. gmv. *...WULF, o. (...ven), gewelf. *...WURM, o. gmv.

[Gezaai]

Gezaai, o. gmv. het zaaijen. *-DE, o. gmv. wat gezaaid is; uitgesproten koren. *...ZABBER, o. gmv.

[Gezag]

Gezag, o. gmv. aanzien, magt, vermogen; bevel; overmagt; autoriteit; (fig.) ik heb het - van vele goede schrijvers in mijn voordeel, ik kan mij tot staving van mijn regt op hen beroepen. *-HEBBER, m. (-s). *-HEBSTER, v. (-s). *-TIGEN, bw. gel. (ik gezagtigde, heb gezagtigd), door gezag ondersteunen. *-VOERDER, m. (-s), die gezag of magt over iets heeft; bevelhebber van een koopvaardijschip.

[Gezamenderhand]

Gezamenderhand, (B. GEZAMENDER HAND), *...LIJK, *...TLIJK, (B. *...DLIJK), bijw. alles te zamen, allen tegelijk, met elkander. *...LIJK, bn. de -e burgerij, al de burgers; de -e adel, de adel als ligchaam.

[Gezang]

Gezang, o. gmv. het zingen. *-, o. (-en), zangstuk, lied; gees-

[p. 421]

telijke -en; (ook) zang (afdeeling van een heldendicht of ander dichtstuk). *-BOEK, o. (-en), kerkboek waar de gezangen in staan.

[Gezant]

Gezant, m. (-en), afgezant, afgezondene of afgevaardigde van eenen vorst of eene regering; dienaar van het Evangelie (in de eerste tijden van het christendom). *-SCHAP, o. (-pen), waardigheid van gezant; de gezant met al de hem toegevoegde personen, ambassade, legatie. *-SCHAPSHÔTEL, o. (-s), woning van den gezant. *-SCHAPSRAAD, m. (-en), aanzienlijke staatsbetrekking. *-SSECRETARIS, m. (-sen). *...ZEELD, bn. met een zeel voorzien, - verbonden.

[Gezeet]

Gezeet, (B.) o. gmv. gewaad.

[Gezeg]

Gezeg, o. gmv. gepraat; daarover valt veel -s, er wordt veel over gesproken; zie ook GEZEGDE. *-D, dw. zie ZEGGEN. -, bn. bovengenoemd, bovenvermeld, bedoeld. *-DE, o. wat gezegd is; uitdrukking; (taalk.) de hoedanigheid aanduidende. *-GELIJK, bn. (-er, -st), volgzaam, inschikkelijk. *-GELIJKHEID, v. gmv. *-GEN, ow. zich laten -, naar raad -, naar goede woorden luisteren; zich aten overtuigen.

[Gezegeld]

Gezegeld, dw. zie ZEGELEN. *-, bn. - papier, van 's rijks stempel voorzien.

[Gezel]

Gezel, m. (-len), begeleider, medgezel, reisgezel; ambachtsknecht; jongman; boots-, matroos; vrij-, ongehuwd man. *-LIG, bn. (-er, -st), gezelschappelijk; een - mensch, iem. die van verkeer met anderen houdt; (ook) iem. die aangenaam of onderhoudend in gezelschap is; het -e leven, de zamenleving, het onderling verkeer. *-LIGHEID, v. gmv. *-LIN, v. (-nen), begeleidster.

[Gezelschap]

Gezelschap, o. (-pen), gezellig zamenzijn; vereeniging van menschen (om te praten, om te spelen enz.); de personen die men ergens aantreft; besloten -, kransje; geleerd -, vereeniging van geleerden of letterkundigen; wilt gij van het - zijn? wilt ge meê doen? reis-, tooneel-, speel-. *-ACHTIG, bn. (-er, -st). *-HOUDER, m. (-s), *-HOUDSTER, v. (-s), die bij iem. blijft opdat hij niet alleen zij. *-PELIJK, bn. (-er, -st). *-SSPEL, o. (-en). *-SREKENING, v. (rek.).

[Gezet]

Gezet, dw. zie ZETTEN. *-, bn. (-ter, -st), dik, zwaarlijvig; geneigd, genegen, overhellende tot; vast, bepaald; de vrucht is -, de vruchtenknopjes vertoonen zich (na het afvallen der bloesems). *-HEID, v. gmv. dikte, zwaarlijvigheid; verzotheid (op iets), sterke begeerte (naar iets), hang.

[Gezeten]

Gezeten, dw. zie ZITTEN. *-, bn. gevestigd, eene vaste woonplaats hebbende; (fig.) bemiddeld; een - burger.

[Gezeur]

Gezeur, o. gmv. geraas, gedommel. *...ZIEN, dw. zie ZIEN. -, bn. (fig.) geacht, geëerd; hij is hier zeer -.

[Gezigt]

Gezigt, o. gmv. het zien; een der vijf zinnen; zintuig waardoor men de voorwerpen leert kennen door ze te aanschouwen. *-, o. (-en), uitzigt; aanblik; schouwspel, tafereel, vertooning; verschijning; voorkomen, gelaat, aangezigt; gelaatstrekken; vizioen (eene in de verbeelding verwekte levendige voorstelling); een goed, doordringend, scherp, zwak, slecht -; kort van - (bijziende); hij heeft het - verloren, hij is blind geworden; uit het - verliezen, iets niet meer

[p. 422]

zien; (fig.) niet weten waar iets of iem. gebleven is; ik ken hem enkel van -, ik ben niet persoonlijk met hem bekend; § snede in het -, beleediging; -en maken, trekken, kuren maken (door het verdraaijen van lippen, neus, oogen enz.); (fig.) ik vind hier veel vreemde -en, veel menschen die ik niet ken; dat is een lief -je, een mooi meisje. *-EINDER, m. gmv. (aardr., sterr.) gezigtskring, cirkelvlak dat den hemel in twee gelijke deelen splitst; horizon, uitgestrektheid over welke het gezigt (gezigtsvermogen) reikt; (fig.) dat is buiten mijnen -, dit gaat voor mij te ver. *-KUNDE, *-KUNST, v. gmv. wetenschap die leert naar welke natuurwetten mensch en dier zien. *-KUNDIG, bn. *-KUNDIGE, m. (-n). *-S-AS, v. denkbeeldige regte lijn in het oog. *-SHOEK, m. (-en), hoek waaronder een voorwerp wordt gezien en waarvan zijne schijnbare grootte afhangt. *-SKRING, m. omtrek waarin de voorwerpen kunnen gezien worden. *-SLIJN, v. collimatielijn. *-SPUNT, o. (-en), standpunt, punt van waar het oog zich op een voorwerp rigt; (fig.) uit welk - men de zaak ook beschouwe. *-SSTRAAL, m. (...alen). *-SVELD, o. (-en), het gedeelte van den hemel dat het oog door eenen kijker, of de oppervlakte welke het door een microscoop tegelijk overziet. *-ZENUW, v. (-en).

[Gezin]

Gezin, o. gmv. de gezamenlijke dienstboden in een huis. *-, o. (-nen), de huisgenooten, familie.

[Gezind]

Gezind, bn. geneigd, genegen; hij is mij wel -, hij houdt veel van mij; zij is u kwalijk -, zij vindt geen behagen in u; anders - zijn, een ander gevoelen toegedaan zijn, anders over iets oordeelen; wat is hij - (voornemens) te doen? Ook in zamenst. gebruikt, als: doops-, roomsch-, konings-, republiekeinsch- enz. *-E, o. (B.) de huisgenooten. *-HEID, v. gmv. geneigdheid; genegenheid; het overhellen tot. -, (...heden), (beter GEZINDTE), geloof, kerkgenootschap; sekte, partij (van geleerden, wijsgeeren). *-TE, (B. GEZINTE), v. (-n), geloof, godsdienst, leer, kerkgenootschap.

[Gezocht]

Gezocht, dw. zie zoeken. *-, bn. (-er, -st), (fig.) ver gehaald; -e gelijkenis, die er met de haren bijgesleept is. *...ZOEK, o. gmv. *...ZOEN, o. gmv.

[Gezond]

Gezond, bn. en bijw. (-er, -st), welvarend, niet ziek, in onverdorven natuurlijken toestand, een - mensch; een -e boom; de gezondheid bevorderende, voor de gezondheid niet schadelijk, eene -e lucht, -e kost; de gezondheid bevorderende, heilzaam, geneeskrachtig, de kina is - tegen de koorts; - worden, herstellen van eene ziekte; in mijne -e dagen, toen ik nog niet sukkelde; - (frisch) vleesch (van eene wond); - wonen, eene woning hebben die niet schadelijk is voor de gezondheid; - verstand, oordeelskracht, bevattingsvermogen; de -e rede, het menschelijk verstand; - in de leer, in het geloof, regtzinnig, orthodox; (fig.) de zaak is -, staat goed, is in orde; § een -e broeder, een goede slikker; - over eene zaak spreken, met oordeel redeneren. *-ELIJK, bijw. in gezonden toestand. *-HEID, v. gmv. gezonde toestand, welvaren; officier van -, geneesheer of heelmeester bij het leger of de schutterij of op de

[p. 423]

vloot. -, (...heden), heildronk, toast, gezondheidsdronk, conditie; breede baaijen lijfgordel, gezondheidsband (kleedingstuk); de - der spijzen, de eigenschap der spijzen aan de gezondheid bevorderlijk te zijn. *-HEIDSBAD, o. (-en), geneeskrachtig bad. *-HEIDSBRON, v. (-nen), geneeskrachtige bron, minerale wateren. *-HEIDSLEER, v. gmv. leer om de gezondheid te bewaren, hygiène. *-HEIDSREGEL, m. (-en), leefregel, diëet, (tot het onderhouden of bevorderen der gezondheid).

[Gezucht]

Gezucht, o. gmv. *...ZUIP, o. gmv. *...ZULT, o. gmv. gepekelde -, gezouten spijzen. *...ZUSTERS, v. mv. twee of meer zusters. *...ZWABBER, o. gmv. *...ZWADDER, o. gmv. *...ZWAGERS, m. mv. schoon-broeders. *...ZWAGERTE, v.o. (B.). *...ZWEER, o. gmv. het zweren, vloeken. -, (...eren), zie ZWEER. *...ZWEET, o. gmv. *...ZWEL, o. (-len), uitzetting aan een dierlijk ligchaam, buil. *...ZWERM, o. gmv. *...ZWETS, o. gmv. het zwetsen, snorkerij, grootspraak. *...ZWIND, bn. (-er, -st), -ELIJK, bijw. vlug, snel, haastig. *...ZWINDHEID, v. gmv. vlugheid, snelheid, haast, spoed. *...ZWOLLEN, dw. zie ZWELLEN. -, bn. een - (overdreven) stijl. *...ZWOLLENHEID, v. het dik zijn; (fig.) gezwollenheden in den stijl. *...ZWOREN, dw. zie ZWEREN. -, bn. beëedigd; een - makelaar; (fig.) een - vijand, doods-, onverzoenlijke vijand. -, m. (-en), lid van een dijk- of polderbestuur. *...ZWORENE, m. (-n), beëedigde, de -n, regtbank der -n, de jury.

[† Giaur, Giaour]

Giaur, Giaour, m. (-s), ongeloovige (scheldnaam dien de Turken aan de niet-muzelmannen geven).

[Gids]

Gids, m. en v. (-en), leidsman, leidsvrouw; wegwijzer; handboek voor vreemdelingen (bij het bezoeken van eene stad, een land, eene inrigting). *-SCHELP, v. (-en), zeker versteend dierlijk omkleedsel.

[Giegagen]

Giegagen, ow. gel. (ik giegaagde, heb gegiegaagd), schreeuwen als een ezel.

[Giek]

Giek, v. (-en), zekere snelvarende boot.

[Gier]

Gier, m. (-en), zekere roofvogel; draf, spoeling voor de varkens; vloeibare uitwerpselen der dieren; geer, plooi; zwaai, zwenking; koeuijer. *-AREND, m. (-en), zekere roofvogel. *-BRUG, v. (-gen), drijvende brug, vlotbrug, schipbrug. *-EN, ow. gel. (ik gierde, heb gegierd), (zeew.) heen en weder wenden (van een schip); (fig.) slingerende gaan zwaaijen (b.v. van beschonkenen); een zeer scherp geluid maken, fel schreeuwen (van kinderen). -, bw. met alle magt bijeenschrapen; - naar, begeeren, een begeerig oog werpen op. -, *-ING, v. (-en), geschreeuw, waggeling; afwijking.

[Gierig]

Gierig, bn. (-er, -st), *-LIJK, bijw. vrekkig, schrokkig, inhalig, vasthoudend, schraap-, geldzuchtig. *-AARD, (B. *-AART), m. (-s), gierig mensch. *-HEID, v. gmv. geldzucht, vrekkigheid.

[Gierput]

Gierput, m. (-en), put voor het water der mestvaalt.

[Gierst]

Gierst, v. gmv. zeker graangewas. *-AKKER, m. (-s), veld met gierst bezaaid. *-EN, bn. van gierst; -brood, -brij, -pap, -meel, -soep. *-GRAS, o. gmv. *-VORMIG, bn. de gedaante van gierst hebbende.

[p. 424]

[Giervalk]

Giervalk, m. (-en), zekere roofvogel. *...WOLF, m. (...ven), zeker roofdier. *...ZWALUW, v. (-en), vogel.

[Gietbad]

Gietbad, o. (-en), stortbad. *...ELING, m. (-en), zekere zingvogel. *...EMMER, m. (-s), gieter, emmer met eene van gaatjes voorziene tuit.

[Gieten]

Gieten, bw. ong. (ik goot, heb gegoten), uitstorten, overstorten (water of eenige andere vloestof), besproeijen, bevochtigen; aan metalen door het smelten een anderen vorm geven; (zeew.) het zeil - nat maken, hozen; (fig.) het regent dat het giet, er valt een stortregen; eene gegoten kagchel; kagchel van gegoten ijzer; gegoten kaarsen, (in tegenoverstelling van getrokken kaarsen); (fig.) die rok zit u als aan het lijf gegoten, past u precies. *...ER, m. (-s), werkman die giet; gietemmer; (spr.) hij ziet er uit alsof hij uit eenen - gedronken had, hij ziet er uit als de dood. *...ERIJ, v. (-en), *...HUIS, o. (...zen), werkplaats waar gegoten wordt; geschut-, klokgieterij. *...ING, v. het gieten.

[Gietklomp]

Gietklomp, m. (-en), houten werktuig der bleekers om het waschgoed te bevochtigen; (ook) zeker werktuig der wassmelters. *...KUNST, v. gmv. de kunst van gieten. *...LEPEL, m. (-s), werktuig der gieters. *...LOGEN, m. en v. (-s), verstokte leugenaar, -ster. *...STER, v. (-s), vrouw die giet. *...TRECHTER, m. (-s). *...VAT, o. (-en), besproeijingsvat. *...VORM, m. (-en), vorm waarin (het gesmolten metaal enz.) gegoten wordt; matrijs; (ook) mijnwerkersgereedschap.

[Gif, Gift]

Gif, Gift, o. gmv. vergift, iets dat schadelijk of doodend is voor het ligchaam; (fig.) iets nadeeligs voor de ziel. *-TIG, bn. (-er, -st), vergiftig; (fig.) -e tong, kwaadsprekend mensch, lastertong. *-BEKER, m. beker gevuld met een vergiftigen drank; (fig.) den - drinken, doodstraf door middel van vergiftiging. *-WEREND, bn. een - middel, om de uitwerking van ingenomen vergift tegen te gaan.

[Gift]

Gift, v. (-en), gave, geschenk, begiftiging, beschenking.

[† Gig]

Gig, v. (-s), zeker voertuig.

[Gigantesk]

Gigantesk, *...TISCH, bn. reusachtig.

[Gij]

Gij, pers. vnw. 2e pers. enk. en meerv. (mv. GIJLIEDEN, niet meer gebruikelijk). *-BELEN, ow. gel. (ik gijbelde, heb gegijbeld), bedwongen lagchen. *-BLOK, o. (-ken), (zeew.). *-EN, bw. gel. (ik gijde, heb gegijd), (zeew.) trekken (de zeilen).

[Gijk]

Gijk, v. (B. GIEK, m. (-en), (zeew.) spriet tot het uitzetten der bijzeilen; stok tot het uitzetten van het schooverzeil. *-IJZER, o. (-s), (zeew.) ijzer aan de gijken.

[Gijl]

Gijl, o. zie CHIJL. *-, bier dat nog niet uitgegist is; gisting van versch bier in vaten. *-BIER, o. gmv. *-EN, ow. gel. (ik gijlde, heb gegijld), gisten; (fig.) eene bovenmatige begeerte naar iets hebben; elk. liefkozen (van duiven). *-ING, v. het gijlen. *-KUIP, v. (-en), gistkuip.

[Gijn]

Gijn, m. (zeew.) takeltouw. *-BALK, m. (-en), (zeew.) *-TOUW, o. (-en), (zeew.), zwaar -, ongeteerd touwwerk.

[Gijp]

Gijp, v. (-en), (zeew.). *-EN, ow. gel. (ik gijpte, heb gegijpt), ademhalen; (zeew.) plotseling wenden (van de zeilen); § op het -, liggen, op sterven liggen; (fig.) pas op de -, wacht u voor de wisselvalligheden der fortuin.

[Gijtouwen]

Gijtouwen, o. mv. (zeew.).

[p. 425]

[Gijzelaar]

Gijzelaar, m. (-s), *-STER, v. (-s), *...LARES, v. (-sen), persoon als onderpand. *...BRIEF, m. (...ven), brief inhoudende de beloften tot wier vervulling de gijzelaars tot onderpand strekken; bevel tot gijzeling. *...EN, bw. gel. (ik gijzelde, heb gegijzeld), iem. gevangen zetten voor schulden; (fig.) verbergen, verhelen. *...ING, v. (-en), lijfsdwang, het gevangen nemen voor schulden; (ook) de voor gegijzelden bestemde gevangenis; in de - zitten, gevangen zitten voor schulden. *...KAMER, *...PLAATS, v. (-s), verblijf der gegijzelden. *...REGT, o. gmv. regt van den schuldeischer om zijnen schuldenaar tijdelijk van diens vrijheid te berooven, regt van lijfsdwang.

[Gil]

Gil, m. (-len), hevige, doordringende kreet, smartkreet.

[Gilde]

Gilde, o. (-n), GILD, o. (-en), vereeniging van koop- of ambachtslieden, die hetzelfde beroep uitoefenen, tot één ligchaam, met een bestuur en zijne eigene wetten; het hoedenmakers-, slagers-, enz.; (eert.) het - winnen, het meesterregt verwerven, als gildebroeder opgenomen worden. *-BIER, o. feestmaal der gildebroeders bij de aanneming van een nieuw lid. *-BODE, m. (-n). *-BOEK, o. (-en), register der namen van de gildebroeders; verslag der verrigtingen van het gilde. *-BRIEF, m. (...ven), bewijs van lidmaatschap eens gildebroeders; reglement van het geld; akte van meesterregt. *-HEER, m. (-en), oudste -, eerste bestuurder van een gild. *-HUIS, o. (...zen). *-KAMER, v. (-s), plaats van bijeenkomst van het gild. *-KNECHT, m. (-en). *-MEESTER, m. (-s), voorzitter van het gild. *-MEESTERSCHAP, o. gmv. meesterregt. *-PENNING, m. (-en), penning der gildebroeders als bewijs van lidmaatschap. *-REGT, o. (-en), wetten -, privilegiën van het gilde.

[Gildos]

Gildos, m. (-sen), zeer vette os, die, met linten versierd, door de stad wordt geleid alvorens men hem slagt.

[Gillen]

Gillen, ow. gel. (ik gilde, heb gegild), eenen gil geven, hard schreeuwen; schuin afsnijden (bij scheepstimmerlieden). *...LER, m. (-s), *...STER, v. (-s), die gilt. *...LING, v. het gillen. -HOUT, o. schuin gezaagd of afgesneden hout.

[Ginder]

Ginder, bijw. daar (aanwijzing van plaats of ligging). *-HEEN, bijw. derwaarts.

[Ginds]

Ginds, bijw. zie GINDER; - en weêr, een oogenblikje, (ik ben) onmiddellijk terug; - en her, hier en daar. *-CH, bn. het -e huis, het huis (dat) daar (staat). *-HEEN, *-CHWAARTS, bijw. derwaarts, naar dien kant, dien kant uit.

[† Gingan]

Gingan, *-G, *...GAS, o. gmv. zekere oostindische katoenen stof.

[Ginnegabben]

Ginnegabben, *...GAPPEN, ow. gel. (ik ginnegabte, heb geginnegabt), onbeschaamd lagchen. *...GABBER, *...GAPPER, m. (-s). *...GABSTER, *...GAPSTER, v. (-s). *...GABBING, *...GAPPING, v.

[Ginniken]

Ginniken, ow. gel. (ik ginnikte, heb geginnikt), hinneken (van paarden); spottende lagchen.

[† Ginseng-wortel]

Ginseng-wortel, m. zeker chineesch geneesmiddel.

[† Giocose]

Giocose, bijw. (muz.) schertsend, beuzelend.

[† Giovine Italia]

Giovine Italia, het jonge Italië (naam eener politieke partij van den vooruitgang).

[p. 426]

[Gips]

Gips, o. (-en), zwavelzure kalk, witte kalkaarde; pleister; vezel-, korrel-, digt-, gebrande-, schuim-. *-AARDE, v. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), gips bevattende. *-BEELD, o. (-en), beeld van gips. *-EN, bn. van gips (vervaardigd), uit gips (zamengesteld). *-EN, bw. gel. (ik gipste, heb gegipst), met gips bestrijken. *-GROEF, v. (...ven). *-KOOPER, m. (-s). *-MEEL, o. fijne gips. *-MIJN, v. (-en). *-SPATH, o. gekristalliseerd gips. *-STEEN, m. (-en). *-WERK, o. gmv. *-WERKER, m. (-s).

[† Gipsy]

Gipsy, m. en v. heiden, heidin, landloopster.

[Giraffe]

Giraffe, m. (-n), zeker afrikaansch viervoetig dier; naam van zeker sterrebeeld.

[† Girandole]

Girandole, v. (-n), armblaker, luchter, kandelaar met armen; vuurrad (bij kunstvuurwerk).

[† Girasole]

Girasole, v. zekere edele steen, adular.

[† Gireren]

Gireren, bw. gel. (ik gireerde, heb gegireerd), eenen wissel aan een ander overdragen. *...RO, v. wisseloverdragt, endossement; giro-bank, disconto-bank.

[Girgel]

Girgel, m. (kuip.) gergel, inkerving, keep (in de duigen).

[Girondisten]

Girondisten, *...DIJNEN, m. mv. (fr. gesch.) aanhangers der gematigde republiekeinsche partij (1792).

[Gis]

Gis, v. (B.m.) gmv. gissing, vermoeden, onderstelling; bij de - gerekend; bij de - doen; op de - af.

[Gisp]

Gisp, v. (B.m.) (-en), dunne roede, smalle riem (strafwerktuig). *-EN, bw. gel. (ik gispte, heb gegispt), met eene gisp slaan; (fig.) afkeuren, laken; een ongunstig oordeel vellen (over); doorstrijken, doorhalen, hekelen. *-ER, m. (-s), *-STER, v. (-s), hij of zij die gispt. *-ING, v. het gispen.

[Gissen]

Gissen, bw. ow. gel. (ik giste, heb gegist), vermoeden, veronderstellen, raden; naar iets -, een vermoeden uiten; (spr.) - doet missen, vermoeden zonder zekerheid doet dwalen. *...SE, m. (-s), die gist. *...SING, v. (-en), het gissen; vermoeden, onderstelling.

[Gist]

Gist, v. zie GEST. *-EN, ow. zie GESTEN.

[Gisteren]

Gisteren, bijw. de dag voorafgaande dien van heden; (fig.) hij is niet van -, hij heeft de wereld gezien, hij weet meê te praten.

[Gisting]

Gisting, v. het gisten of gesten. *...METER, m. (-s), (scheik.) zeker werktuig. *...KUIP, v. zie GESTKUIP.

[Git]

Git, o. zekere schoonblinkende zwarte delfstof. *-TEN, bn. van git (vervaardigd). *-TEGOM, v. (heelk., schild.), zekere harsachtige indische gom. *-ZWART, bn. zoo zwart als git.

[† Gitanos]

Gitanos, m. mv. heidens, bohemers, zigeuners.

[Glaasje]

Glaasje, (B. *-N), o. (-s), klein drink- of kijkglas; (fig.) het - ligten, veel sterken drank gebruiken, wakker bekeren; een liefhebber van het - zijn, veel van sterken drank houden; onder het - zitten, eene flesch zamen ledigen; eene - tot afscheid (op den valreep); hij heeft wat te diep in het - gekeken, hij is beschonken.

[† Glace]

Glace, v. kunst-, banketbakkers-ijs.

[† Glacé]

Glacé, bn. geglansd. *-HANDSCHOENEN, m. mv. geglansd-

[p. 427]

lederen handschoenen. *...CEREN, bw. gel. (ik glaceerde, heb geglaceerd), doen bevriezen, kunst-ijs bereiden; blinkend maken, doen blinken. *...CIS, o. (-sen), (vest.) buitenborstwering; zachte afhelling.

[Glad]

Glad, bn. en bijw. (-der, -st), effen, niet ruw; vlak; glibberig; vloeijend (van stijl, dichtwerken enz.), ten eenenmale, zonder dat er iets overblijft; -de woorden, honigzoete taal, vleitaal, bedriegelijke woorden; eene -e tong; welbespraaktheid; (ook) een valsch -, listig mensch; op - ijs staan, zich op eene helling bevinden, gevaar loopen ongelukkig te worden, - zijnen post te verliezen; ik ben zoo - als een aal, ik bezit geen cent meer; (ook) men kan mij niet vangen; - afslaan, onbewimpeld weigeren; ik ben er - af, ik heb er volstrekt niets meer mede te maken; ik heb het - (ten eenenmale) vergeten; die wijn gaat er - in, laat zich gemakkelijk drinken. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), een weinig glad. *-BEK, m. (-ken), vlasbaard, jongeling die nog geen baard heeft; valsche diamant. *-DIGHEID, v. gladheid. *-HOUT, o. (-en), schoenmakersgereedschap; zekere oost-indische boom. *-HEID, v. gmv. gladde -, effene hoedanigheid. *-IJS, o. gmv. bevroren dauw, ijzel. *-SLAGER, m. (-s), werkman; blikslager. *-TAND, m. (-en), boekbindersgereedschap.

[† Gladiator]

Gladiator, m. (-es, -en), (rom. gesch.) zwaardvechter, kampvechter.

[Glans]

Glans, m. (B.m. en v.) gmv. indruk der lichtuitstrooming van het ligchaam op het oog; (fig.) luister, schoonheid, pracht, schittering, roem, praal; hooge waardigheid. *-BORSTEL, m. (-s), polijsthout. *-RIJK, bn. en bijw. (-er, -st), schitterend, vol luister, prachtig; vol roem, roemrijk. *-RIJKHEID, v. gmv. groote luister, pracht. *-STEEN, m. (-en), zeker werktuig.

[Glanzen]

Glanzen, bw. ow. gel. (ik glansde, heb geglansd), eenen glans (aan iets) geven, - bijzetten; glans van zich geven, -verspreiden. *...ZER, m. (-s), die glanst. *...ZIG, bn. glansachtig, schitterend.

[Glas]

Glas, o. gmv. mengsel van kiezelzuur met eenige delfstoffelijke preparaten, doorschijnende en brooze zelfstandigheid. *-, o. (...zen), voorwerp waardoor men ziet, zoo als: brillen-, venster-, rijtuig-, spiegel-, enz.; glazen voorwerp waaruit men drinkt, drink-, wijn-, bier-, jenever-, enz.; (tuin.) glazen blok om meloenen enz. te trekken of tegen koude te beschutten; ruit, vensterruit; kijker, verrekijker; (zeew.) uurglas, zandlooper; - blazen, glas vervaardigen; (fig.) zijn - is afgeloopen, hij heeft zijne loopbaan volbragt; (fig.) het huis door de glazen gooijen, alles tegelijk verteren; (fig.) zijne eigene glazen ingooijen, zijn eigen spel bederven, zich zelven benadeelen; (fig.) te diep in het - kijken, zie op GLAASJE; moskovisch -, glimmer, zekere ertssoort. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), als glas, op glas gelijkende. *-BLAZER, m. (-s), maker van glas. *-BLAZERIJ, v. (-en), het maken van glas; plaats waar glas gemaakt wordt. *-DIAMANT, m. (-en), valsche diamant. *-ERTS, m. zilverglans. *-GAL, v. gmv. onzuiverheden die bij het glassmelten afgescheiden worden. *-GORDIJN, v. (-en), gordijn voor een glas. *-GROEN, bn. glas-

[p. 428]

kleurig, zoo groen als glas. *-HANDEL, m. gmv. *-HANDELAAR, m. (-s). *-HUIS, o. (...zen), plaats waar planten kunstmatig opgekweekt worden, wintertuin. *-HUT, v. (-ten), glasblazerij. *-KLEUR, v. gmv. *-KLEURIG, bn. *-KLOMP, m. (-en), (bij de glasblazers). *-KOOPER, m. (-s). *-KORAAL, o. en v. (...alen), holle glazen bolletjes (die aangeregen worden). *-KORF, m. (...ven), mand om er glas in te verzenden; mand om er glaswerk in te bewaren; glas met mandwerk omvlochten. *-KRAAM, v. (...amen). *-KRAMER, m. (-s). *-KRUID, o. muurkruid, (zekere plant). *-LANTAARN, v. (-en, -s), straatlantaarn. *-LIJM, o. *-MAKER, m. (-s). *-MAND, v. (-en), zie GLASKORF. *-OOG, o. (van een paard). *-OOGIG, bn. met een glasoog. *-OVEN, m. (-s), oven in eene glasblazerij. *-PAREL, v. (-en), valsche parel. *-PIJPEN, v. mv. zeker in zee levend dierengeslacht. *-PORSELEIN, o. valsch porselein. *-RAAM, o. (...amen), ruit, vensterruit. *-ROEDE, v. (-n), vensterroede. *-SCHIJF, v. (...ven), *-TAFEL, v. (-s), stuk glas om er uit te snijden zooveel men noodig heeft. *-SCHILDER, m. (-s), kunstenaar die op glas duurzaam schilderwerk vervaardigt. *-SCHILDEREN, o. gmv. *-SCHILDERKUNST, v. gmv. *-SCHRIJVER, m. die op glas schrijft of teekent. *-SCHUIM, o. gmv. *-SLAK, v. (nat. hist.). *-SLIJPER, m. (-s), vervaardiger van brillenglazen, - van spiegelglas. *-SMELTER, m. (-s). *-SPINNEN, o. het uittrekken van het nog vloeibare glas. *-STEEN, m. zekere doorzigtige italiaansche steen. *-TAFEL, v. (-en), groot vierkant stuk glas. *-TRANEN, m. mv. snel afgekoelde zeer brooze glasdroppeltjes. *-VOCHT, o. (ontl.) doorschijnende vloeistof in het oog. *-WAREN, o. mv. allerlei glazen voorwerpen. *-WERK, o. glazen, karaffen en andere voorwerpen; al de ruiten van een gebouw. *-WERKER, m. (-s), vervaardiger van glazen voorwerpen; graveerder op glas.. *-WINKEL, m. (-s). *-WORDEN, o. *-WORDING, v. gmv. *-ZAND, o. zand dat in de glasblazerij gebruikt wordt.

[† Glauberzout]

Glauberzout, o. gmv. zekere kristalachtige zelfstandigheid, (bestaande uit zwavelzuur, soda en kristalwater).

[Glazen]

Glazen, bn. van glas; - kast, - deur, kast -, deur met glasruiten. *-MAKER, m. (-s), werkman die ruiten inzet. *-SPUIT, v. (-en), spuit tot het wasschen van glazen. *-WASSCHER, m. (-s), bezem of boender aan een langen stok. *...ZIG, bn. (-er, -st), (scheik.) glasachtig. † *...ZUREN, bw. gel. (ik glazuurde, heb geglazuurd), verglazen, (aardewerk) met glazuur bedekken. *...ZUUR, o., -SEL, o. gmv. glasachtige glinsterende laag, verglaassel (waarmede aardewerk overtogen wordt); vernis; verglaassel (der tanden).

[Gleis]

Gleis, bn. verglaasd, verlood. *-EN, bw. gel. (ik gleiste, heb gegleist), verglazen. ↑ -, ow. schijnen, blinken. *-WERK, o. verglaasd werk.

[† Gletscher]

Gletscher, m. (-s), bergijs, ijsachtige vlakte of streep (in het gebergte), ijstop.

[† Gliadine]

Gliadine, v. zekere eiwitachtige stof die uit het graan verkregen wordt.

[Glibberen]

Glibberen, ow. gel. (ik glibberde, heb geglibberd), uitglijden

[p. 429]

(der voeten). *...RIG, bn. (-er, -st), glad; smerig. -HEID, v. gmv.

[Glidkruid]

Glidkruid, o. duizendblad, gerw, (zekere plant).

[Glijbaan, Glijdbaan]

Glijbaan, Glijdbaan, v. (...anen), baan (op het ijs of op de gladde straat.

[Glijden, Glijen]

Glijden, Glijen, ow. ong. (ik gleed, heb of ben gegleden), sullen, zich door eene forsche beweging van zelven laten vooruit komen; ik heb gegleden, wanneer de voortduring der beweging, en ik ben gegleden, wanneer de plaatsverandering bedoeld wordt; op de billen -, postwagen rijden (kinderspel). *-, o. *...DING, v.

[Glimlach, Glimplach]

Glimlach, Glimplach, m. zie GRIMLACH.

[Glimmen]

Glimmen, ow. ong. (ik glom, heb of ben geglommen), een zwakken of flaauwen glans van zich geven; zwak branden (zonder vlam); doorgloeijen, aangloeijen; eene glimmende of geglommen kool, die geheel uitgebrand is.

[Glimmer]

Glimmer, m. zekere delfstof, moskovisch glas.

[Glimp]

Glimp, m. gmv. bedriegelijke schijn; onder den - (het masker) van vriendschap; aan iets eenen - geven, iets voorstellen of doen voorkomen niet zoo als het werkelijk is. *-EN, ow. gel. (ik glimpte, heb geglimpt), blinken, schijnen. *-IG, bn. en bijw. (-er, -st), schoonschijnend; -e bewijsredenen.

[Glimworm]

Glimworm, m. (B.v.), (-en), zekere worm die in het duister glinstert.

[Glinster]

Glinster, m. (-s), glinsterende vonk, glinster. *-EN, ow. gel. (ik glinsterde, heb geglinsterd), een schitterenden glans van zich geven, schitteren. *-END, *-IG, bn. (-er, -st). *-ING, v. gmv. *-WORM, m. (B.v.) (-en), glimworm.

[Glinting]

Glinting, v. (-en), latwerk (in eenen tuin tot ondersteuning van de takken der vruchtboomen).

[Glip]

Glip, m. (-pen), spleet in eene pen. *-PEN, bw. ow. gel. (ik glipte, heb of ben geglipt), eene spleet in eene pen maken; door het gladde ontsnappen (aan de hand enz.); (fig.) hij is gaan -, hij heeft zich uit de voeten gemaakt; losjes over iets heen -, er maar vlugtig of ter loops van gewagen. *-PER, m. (-s), vlugteling; voort-vlugtige. *-PERIG, bn. zie GLIBBERIG. *-PING, v. het glippen; het glijden; (fig.) ontsnapping.

[† Glissade]

Glissade, v. (-n), het uitglijden van den voet; (ook) zekere danspas, pas glissé.

[Glissen]

Glissen, ow. gel. (ik gliste, heb geglist), glijden.

[† Glissicato]

Glissicato, (muz.) zacht glijdende, slepende.

[Glit]

Glit, o. (scheik.) verbinding van lood met zuurstof, metaalschuim; lood-, zilver-, goud-.

[† Globaal]

Globaal, bn. en bijw. over het geheel genomen; bij raming, bij overslag. *...BE, m. aard-, hemelkloot; aardbol; wereldrond. *...BULEUS, bn. kogel-, bolvormig. *...BULINE, v. (scheik.) zeker eiwitachtig ligchaam in de bloedbolletjes.

[Gloed]

Gloed, m. gmv. fel brandend vuur; hitte en schijn van zulk een vuur; (fig.) sterke hitte; buitengewone ijver; hevigheid en drift der hartstogten; het schitterende der diamanten.

[p. 430]

[Gloeihitte]

Gloeihitte, v. sterktegraad van hitte; de rood- begint bij 274o Celsius; de wit- begint bij 704o Celsius.

[Gloeijen]

Gloeijen, (B. GLOEIEN), ow. bw. gel. (ik gloeide, heb gegloeid), door verhitting in eene warmte- en lichtontwikkeling geraken; gloeijend maken, - worden; branden met een sterken graad van hitte; (fig.) helder schijnen; vurig -, zeer levendig -, vol ijver zijn; het ijzer gloeit, is rood (of wit) van de hitte; hij gloeit over het gansche lijf, zijn geheele ligchaam is brandend heet; zijne oogen gloeijen van toorn, hij is zoo driftig dat zijne oogen vol vuur staan; elks boezem gloeit (klopt warm) voor het vaderland. *-D, dw. en bn. (-er, -st), brandend heet, vurig; (fig.) op -e kolen staan, branden van ongeduld; eene -e (vurige) liefde; -e kogels, vuurkogels; een -e (brandend heete) wind. *...JING, v. het gloeijen. *...OVEN, m. (-s), oven waarin de metalen tot gloeihitte gebragt worden. *...PAN, v. (-nen), toestel om zilver tot gloeihitte te brengen.

[Glooijen]

Glooijen, (B. GLOOIEN), ow. gel. (het glooide, heeft geglooid), schuin afloopen, hellen. *...JING, v. (-en), schuinte, schuine afloop (van eenen muur, berg enz.); steenen -en aan de zeedijken, zeeweringen.

[Gloor]

Gloor, m. (B.m. en v.), gmv. glans; (fig.) roem, eer, luister.

[Glop]

Glop, o. (-pen), slop, smal straatje, gang; keerweêr; bergengte; (fig.) gat, vermindering; dit maakt een - (eene leêgte) in mijne kas.

[Gloren]

Gloren, ow. gel. (ik gloorde, heb gegloord), glimmen; (fig.) beginnen te glanzen; de ochtend (dageraad) gloort.

[Glorie]

Glorie, v. gmv luister, heerlijkheid; roem; stralenkrans der heiligen (op afdeeldingen); (fig.) trotschheid, ingebeeldheid. *-RIJK, bn. en bijw. (-er, -st); -er gedachtenis, (van overledenen sprekende). *-ZUCHT, v. gmv. dorst naar roem. *...RIEUS, bn. (...zer, -st), roemrijk, heerlijk; (fig.) trotsch, verwaand, ingebeeld.

[Glos]

Glos, v. (-sen), ook GLOSSE, kantteekening, aanteekening naast den tekst (op eene bladzijde); uitlegging, opheldering; verklaring; (fig.) -sen (aanmerkingen, ook spotternijen) op iets maken. *-SARIUM, o. lijst van glossen in alfabetische volgorde. *-SEREN, ow. gel. (ik glosseerde, heb geglosseerd), bedillen.

[↑ Gluip]

Gluip, v. (-en), vogelknip; de deur staat op een -, is een weinig geopend; ter -s, (B. ter -), ter sluik, ongezien, ongemerkt. *-EN, ow. gel. (ik gluipte, heb gegluipt), trachten iem. in het geheim en listig te benadeelen; bespieden, loeren, begluren; den hoed of pet diep op de oogen dragen; op een ambt -, een ambt bejagen. *-END, bn. en bijw. verraderlijk. *-ER, *-ERD, m. (-s), die den hoed of pet diep op de oogen draagt; begluurder; die aan iem. lagen legt. *-S, bijw. zie GLUIP. *-SCH, bn. en bijw. een - mensch, die iem. in het geheim en verraderlijk benadeeld heeft.

[Gluren]

Gluren, ow. gel. (ik gluurde, heb gegluurd), loeren, bespieden, heimelijk letten op. *...RING, v. gmv.

[Gluurder]

Gluurder, m. (-s), *...STER, v. (-s), die gluurt of loert.

[† Glycerine]

Glycerine, o. (scheik.) oliezoet. *...CYRRHIZINE, o. hoofdbestanddeel van het zoethoutsap.

[p. 431]

[† Glyphiek, Glyptiek]

Glyphiek, Glyptiek, v. steensnijkunst, het beeldsnijden.

[† Glyphographie]

Glyphographie, v. gmv. het nabootsen van houtsneêfiguren door middel van de galvanoplastiek.

[Gnap]

Gnap, bn. zie KNAP.

[† Gneis]

Gneis, o. zekere rotssoort.

[Gniffelen]

Gniffelen, ow. gel. (ik gniffelde, heb gegniffeld), in de vuist lagchen, zijn lagchen verbergen.

[Gnoe]

Gnoe, m. zeker zoogdier, soort antilope.

[† Gnomen]

Gnomen, mv. aard-, berggeesten, aardmannetjes, kabouters; leer-, zin-, hemelspreuken. *...MISCH, bn. in spreuken. *...MON, m. zonnewijzer. *...SIS, v. (godg.) openbaring. *...STIEKEN, m. mv. kennis van de geheimen der godsdienst.

[† Gnorren]

Gnorren, ow. zie KNORREN.

[† Gobelins]

Gobelins, m. mv. fraai fransch tapijtwerk.

[God]

God, m. gmv. naam van het Opperwezen; (fab.) (r.k.) het heilige, de hostie; (fig.) iem. die op last van God handelt of werkt; b.v. Mozes was de - van Aaron; hij is een man -s, een door God gezondene; zoo waarlijk helpe mij - Almagtig! (slot van een eedformulier), (ook) de eed zelf; om -s wil of wille, in -s naam, (gebr. om sterken aandrang te voegen bij een verzoek), belangloos, ter liefde van God; in -s naam, zijns ondanks; op -s genade drijven, aan de stormen en golven ter prooi zijn. *-, m. (-en), de -en der heidenen, valsche goden; (fig.) iets waaraan men zeer gehecht is; het geld is zijn - of afgod; hij maakt een - van zijnen buik. *-DELIJK, (B. *-LIJK), bn. en bijw. (-er, -st), aan de Godheid eigen; tot het wezen der Godheid behoorende; (fig.) voortreffelijk, uitmuntend; eene -e schoonheid; zij zingt -. *-DELIJKHEID, (B. *-LIJKHEID), v. gmv. goddelijke eigenschap. *-DELOOS, (B. *-LOOS), bn. en bijw. (...zer, -st), -LIJK, bijw. ongodsdienstig; zedeloos, slecht, ondeugend; de goddeloozen, de boozen, slechtaards. *-DELOOSHEID, (B. *-LOOSHEID), v. ongodsdienstigheid; zedeloosheid.

[Godendienst]

Godendienst, v. gmv. godsdienst der heidenen. *...DOM, o. al de goden der heidensche volken. *...DRANK, m. gmv. (fab.) nectar. *...LEER, v. fabelleer, mythologie, kennis der goden en godinnen van de oudheid. *...MAAL, o. (...alen), (fab.); (fig.) bijzondere lekkere spijs. *...SPIJS, o. gmv. (fab.) ambrosia; (fig.) bijzonder lekkere spijs. *...TIJD, m. gmv. tijd toen men de heidensche godheden vereerde *...TAAL, v. gmv. (fig.) dichtregelen, poëzij.

[Godes]

Godes, v. godin; Diana de jagt-.

[Godgeleerd]

Godgeleerd, bn. en bijw. bekend met alles wat op de godsdienst betrekking heeft; tot de godgeleerdheid behoorende; theologisch. *-E, m. (-n), beoefenaar -, onderwijzer der godgeleerdheid, die daarin ervaren is; theoloog. *-ELIJK, bijw. *-HEID, v. gmv. theologie; natuurlijke -, bovennatuurlijke -, bespiegelende -, beoefenende -, stellige -, schoolsche -. *...GEWIJD, bn. aan God gewijd, geheiligd. *...GEZANT, m. (-en), (bijb.) afgezondene van God, profeet. *...HEID, v. gmv. het Opperwezen; goddelijkheid. -, (...heden), heidensche god of godin.

[p. 432]

[Godin]

Godin, v. (-nen), (fab.) goddelijk wezen van het vrouwelijk geslacht. *-NENDOM, o. gmv. al de godinnen.

[Godist]

Godist, m. (-en), die aan het bestaan van een Opperwezen, maar niet aan eene openbaring gelooft, deïst. *-ERIJ, v.

[Godlievend]

Godlievend, bn. (-er, -st), God liefhebbende, -vreezende. *...LOOCHENAAR, m. (-s), -STER, v. (-s), die het bestaan van het Opperwezen ontkent. *...LOOCHENARIJ, ...NING, v. gmv. *...MENSCH, m. gmv. Christus (God en mensch).

[Godsakker]

Godsakker, m. (-s), kerkhof, begraafplaats.

[Godsdienst]

Godsdienst, v. (-en), eeredienst der godheid; (ook) godsdienst-oefening; geloof, belijdenis, leer; kerkgenootschap. *-IG, bn. (-er, -st), tot de godsdienst behoorende; godvruchtig, de voorschriften der kerkleer getrouw nakomende. *-IGLIJK, bijw. *-VRIJHEID, v. gmv. regt tot onbeperkte uitoefening der eeredienst, vrijheid van geweten. *-OEFENING, v. (-en), kerkdienst; stichtelijk onderhoud. *-VERZAKER, m. (-s), *-VERZAAKSTER, v. (-s), afvallige. *-VERZAKING, v. (-en), afvalligheid.

[Godsdragt]

Godsdragt, v. gmv. (r.k.) het omdragen van het heilige, hostieprocessie. *...GAVE, v. (-n), geschenk van God, gave des hemels. *...GENADE, v. de genade -, barmhartigheid van God; (plant.) klein vingerhoedkruid. *...GEREGT, o. (-en), (eert.) tweegevecht of andere proef, waarbij verondersteld werd dat God ten voordeele der onschuld besliste. *...GEZANT, m. voorlooper, Johannes (de apostel). *...HUIS, o. (...zen), liefdadig gesticht; gasthuis; kerk. *...KUNDE, v. kennis der godheid; godgeleerdheid. *...LASTERAAR, m. (-s), -STER, v. (-s). *...LASTERING, v. (-en). *...LASTERLIJK, bn. en bijw. (-er, -st). *...MOORD, m. (fig.) het ter dood brengen van Jezus Christus. *...PENNING, m. (-en), handgeld, handgift (als teeken dat eene aangegane verbindtenis ernstig gemeend is, b.v. bij het huren van dienstboden).

[Godspraak]

Godspraak, v. (...aken), uitspraak der godheid, orakel; (fig.) beslissing die als gezag geldt.

[Godsregering]

Godsregering, v. gmv. staatsbestuur onder de onmiddellijke bevelen van God, theocratie (zoo als bij het oude israelietische volk). *...REGT, o. zie GODSGEREGT. *...VEREERING, v. gmv. vereering alleen aan God toekomende. *...VRUCHT, v. gmv. eerbiedig ontzag voor het Opperwezen, godsdienstigheid, vroomheid.

[Godvergeten]

Godvergeten, bn. en bijw. goddeloos, zeer slecht, verstokt in het kwaad. *...VERLOOCHENAAR, m. (-s), -STER, v. (-s), zie GODLOOCHENAAR. *...VERZAKER, m. (-s), *...VERZAAKSTER, v. (-s), zie GODLOOCHENAAR. *...VERZAKING, v. gmv. *...VREEZEND, bn. (-er, -st). -HEID, v. gmv. *...VRUCHTIG, bn. (-er, -st). -LIJK, bijw. in de vreeze Gods (levende, handelende). *...ZALIG, bn. (-er, -st). -LIJK, bijw. vroom, godvreezend. -HEID, v. gmv.

[Goed]

Goed, bn. en bijw. (beter, best), tegenstelling van slecht; heilzaam; voordeelig; deugdzaam, braaf; welwillend, toegenegen; zacht, goedaardig; goedgunstig; geschikt, bekwaam; (kooph.) soliede, in vertrouwen; een - (vruchtbaar) jaar; - (mooi) weêr; -e Vrijdag, de Vrijdag vóór Paschen; de -e week, de week vóór Paschen; -e

[p. 433]

mannen, scheidsregters, arbiters; te -er trouw, opregt, zonder omwegen, zonder kwade - of nevenbedoeling; te -er ure, op den juisten tijd, op het geschikte oogenblik; - rond, - zeeuwsch, openhartig, rondborstig; -e dagen hebben, in overvloed -, onbezorgd leven; - maken, schadeloos stellen; herstellen wat men bedorven of misdaan heeft; ik acht mij te -, ik vind het beneden mij om....; hij is er mij - voor, ik zal het wel van hem krijgen; weder - worden, tot bedaren komen (na eene driftvervoering); zij zijn met elk. - (weder goede vrienden) geworden; ik kon daar geen - meer doen, ik had daar al mijnen invloed verloren; ik heb het hier -, ik bevind mij hier op mijn gemak, ik ben hier tevreden; er -uitzien, de kleur der gezondheid hebben; een -e honderd gulden, ruim honderd gulden; -spreken, instaan (voor iem. of iets); waar is dat - voor? waartoe dient het? een - (dapper) soldaat; van -en huize, van deftigen stand, van eene voorname familie; de wind is - (gunstig); met iem. op een -en voet zijn, vriendschappelijk met iem. omgaan; ten -e houden, niet kwalijk nemen, niet euvel duiden; te - (of -e, -s) houden, borgen; te - hebben, nog moeten ontvangen; te - doen, schadeloos stellen; (ook) goed van alles voorzien; ik zal mij daar te - doen; gij hebt - praten, gij kunt er over spreken zonder dat het u bepaald raakt; in -en (vollen) ernst. *-, o. gmv. al wat goed is; het goede. *-, o. (-eren), bezitting; koopwaren, meubelen, kleederen; landgoed, landhuis met landerijen, boerderij, hofstede; vaste, roerende, onroerende goederen. *-AARDIG, bn. (-er, -st), goed van aard, zacht van inborst. -LIJK, bijw. *-AARDIGHEID, v. gmv. *-BEZITTER, m. (-s), (regt.) die de goederen eener erfenis in zijn bezit heeft. *-DADIG, bn. en bijw. goed doende, weldadig. -HEID, v. weldadigheid. *-DOEN, bw. onr. (ik deed goed, heb goedgedaan), vergoeden. -, o. het verrigten van goede zaken, het bewijzen van weldaden. *-DOENDE, bn. weldoende. *-DUNKEN, onp. w. (het dacht goed, heeft goedgedacht), gepast voorkomen; doe zoo als het u goeddunkt. -, o. welbehagen, meening, gevoelen.

[Goede]

Goede, o. al wat goed is; ik dank u voor al het -.

[Goederhand]

Goederhand, bijw. van -, uit eene goede bron, van eene wel onderrigte zijde. *...TIEREN, bw. en bijw. barmhartig, lankmoedig. -HEID, v. gmv. de - Gods.

[Goedgunner]

Goedgunner, m. (-s), iem. die in eens anderen geluk belang stelt, beschermer. *...GUNSTIG, bn. (-er, -st), -LIJK, bijw. toegenegen, welwillend. -HEID, v. gmv. *...HARTIG, bn. (-er, -st), -LIJK, bijw. goedaardig; Lodewijk de -e (of de vrome), koning van Frankrijk. -HEID, v. gmv. *...HEID, v. gmv. braafheid, regtschapenheid; (fig.) heb de -, gelieve.... -, (...heden), dienstbetooning, bewijs van welwillendheid.

[Goedig]

Goedig, bn. (-er, -st). *-LIJK, bijw. *-HEID, v. gmv. goedhartig, -heid.

[Goedkeurder]

Goedkeurder, m. (-s), *...KEURSTER, v. (-s), hij of zij die een gunstig oordeel over iets uitbrengt. *...KEUREN, bw. gel. (ik keurde

[p. 434]

goed, heb goedgekeurd), tevreden zijn over iets, tevredenheid over iets of iem. te kennen geven. *...KEURING, v. (-en), bewijs van tevredenheid; (ook) goedkeuringsteeken (op de scholen enz.); zijne - aan iets geven; het zegel zijner - aan iets hechten. *...KOOP, bn. en bijw. (-er, -st), voor een geringen prijs (met betrekking tot de waarde van het voorwerp); (ook) kostende; het is hier - leven, men heeft hier weinig geld noodig voor zijn onderhoud; er - afkomen, er weinig bij verliezen; hij zal er zoo - niet afkomen, dat zal met hem zoo gemakkelijk niet gaan; - is duurkoop, aan iets wat veel kost heeft men langer dan aan iets waarvoor men weinig betaalde. *...KOOPHEID, v. gmv. *...MAKEN, bw. gel. (ik maakte goed, heb goedgemaakt), verbeteren; schadeloosstellen. *...MAKING, v. gmv. schadeloosstelling. *...SCHIKS, bijw. niet gedwongen, met genoegen, gaarne; - of kwaadschiks, met of zonder toestemming.

[Goedsmoeds]

Goedsmoeds, bijw. met overleg, in koelen bloede; vrolijk; opgeruimd.

[Goedspreken]

Goedspreken, bw. ong. (ik sprak goed, heb goedgesproken), borg zijn, borg staan (voor iem. of iets).

[Goedtijds]

Goedtijds, bijw. vroegtijdig.

[Goedvinden]

Goedvinden, bw. ong. (ik vond goed, heb goedgevonden), nuttig -, gepast -, oorbaar -, noodig achten. *-, o. welmeenen; met uw -, als gij er niets tegen hebt; naar uw -, zoo als gij verkiest. *...WILLIG, bn. (-er, -st), -LIJK, bijw. vrijwillig, zonder tegenzin. *...WILLIGHEID, v. gmv.

[Goêlijk]

Goêlijk, bn. (-er, -st), aanvallig, lief, beminnelijk. *-HEID, v. gmv. *...MAN, m. (-nen), scheidsman, arbiter.

[Goldberger ketting]

Goldberger ketting, m. magnetische keten van koperen en zinken schakels, bekend als zoogenaamd geheim middel.

[Golf]

Golf, v. (...ven), waterbaai; zeeboezem; (fig.) de golven, de zee. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), als eene golf; met golven (van de zee); met golven gemaakt (van eene geweven stof). *-BEWEGING, v. (-en). *-GEKLOTS, o. gmv. het geluid der tegen en op elkander slaande golven. *-STROOM, m. een vermaarde zeestroom.

[Golven]

Golven, ow. gel. (ik golfde, heb gegolfd), zwellend rollen (van de baren der zee), met golven drijven; als golven hangen of zich bewegen (b.v. van haarlokken); eene -de beweging. *...VING, v. (-en), het golven; golfvormige beweging. *-STILLEND, bn. het - vermogen, eigenschap (der olie enz.) om de onstuimige beweging van de golven der zee te doen ophouden.

[† Goliath]

Goliath, m. (fig.) reus, reusachtig mensch.

[Gom]

Gom, v. (-men), lijmachtige zelfstandigheid die uit zekere plantgewassen druipt. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), als gom, naar gom gelijkende. *-BOOM, m. (-en). *-ELASTIEK, v. veerkrachtige gom, caoutchouc. *-HARS, v. (-en), uitgedroogd melksap van planten dat hars en gom bevat. *-LAK, o. (-ken), zekere hars. *-MEN, bw. gel. (ik gomde, heb gegomd), met gom bestrijken, - glanzig maken; gegomde etiquetten, brieven-enveloppes; gegomd lint, linnen. *-MER, m. (-s), *-STER, v. (-s), hij of zij die gomt. *-MING, v. het gommen.

[p. 435]

*-RIJK, bn. veel gom bevattende. *-STEEN, m. zekere delfstof. *-WATER, o. water met gom vermengd.

[Gonde]

Gonde, v. (-en), (B.) kram waarop iets draait.

[Gondel]

Gondel, m. (-s), (B.) grendel. *-, v. (-s), plat, overdekt (venetiaansch) vaartuig. *-IER, m. (-s), gondelschipper.

[† Gong-gong]

Gong-gong, v. tam-tam, (chineesch muziek-instrument).

[† Goniometer]

Goniometer, m. (-s), (nat.) hoekmeter voor de kristallen (werktuig). *...METRIE, v. meetkunst der hoeken.

[Gonjen]

Gonjen, o. grof doek (waarvan (inz. koffij-) zakken gemaakt worden).

[Gons]

Gons, m. dof geluid, gebrom. *-TOL, m. (-len), bromtol

[Gonst]

Gonst, v. mest.

[Gonzen]

Gonzen, ow. gel. (ik gonsde, heb gegonsd), een dommelend of suizend geluid maken; het - der bijen; het - (razen) van kokend water. *...ZER, m. (-s), GONSSTER, v. (-s), hij of zij die gonst. *...ZING, v. gmv. het gonzen.

[Goochelaar]

Goochelaar, m. (-s), *-STER, v. (-s), *...LARES, v. (-sen), hij of zij die door vaardige handgrepen het oog bedriegt. *-SPOPJE, o. (B. -N), (-s). *...LARIJ, v. de kunst van goochelen; (fig.) zinsbedrog. *...LEN, ow. bw. gel. (ik goochelde, heb gegoocheld). *...LING, v. gmv. het goochelen.

[Goochelbal]

Goochelbal, m. (-len). *...KUNST, v. gmv. *...KUNSTJE, o. (B. -N), (-s). *...SPEL, o. gmv. goochelarij, goocheling. *...STUK, o. (-ken), goochelkunstje. *...TASCH, v. (...tasschen), zak of tasch waarvan de goochelaars zich bedienen. *...TOER, m. (-en).

[Gooi]

Gooi, v. (B.m.), (-jen, B. -en), worp, smak; de eerste - hebben, het eerst de dobbelsteenen werpen; (fig.) hij heeft eene gelukkige - gedaan, dit is gelukkig voor hem uitgevallen. *-, o. (B.) het Gooiland (streek in Noord-Holland). *-JEN, (B. *-EN), bw. gel. (ik gooide, heb gegooid), werpen, smijten, smakken. *-JER, m. (-s), *-STER, v. (-s), hij of zij die gooit. *-JING, v. het gooijen.

[Goôn]

Goôn, (mv. van GOD), goden, (bij dichters in gebruik).

[Goor]

Goor, bn. en bijw. (-der, B. -er, -st), zuur (ten gevolge van bederf); -e melk; - (ranzig) spek; - (slijkerig) land; -e (vuile, gemeene, lage) taal; § een -e (vieze, ook slechte) vent. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), een weinig goor. *-EN, ow. gel. (ik goorde, heb gegoord), zuur -, ranzig worden. *-LAND, o. (-en), akker die zonder bemesting of bebouwing vruchten voortbrengt. *-NAT, o. gmv. wei.

[Goot]

Goot, v. (goten), houten -, looden -, zinken buis tot doorlating van water enz.; waterleiding; hang-, dak-, water-. *-, plaats waar men de vaten wascht en ander huiselijk werk verrigt; grachtje (in zoutwerken); (spr.) zoo loopen de goten als het regent, het een is een natuurlijk gevolg van het ander. *-GAT, o. (-en). *-JE, o. (B. -N), (-s), kleine goot. *-PLANK, v. (-en), plank die over eene goot ligt. *-STEEN, m. (-en), steenen bak (in eene keuken) waardoor het water afloopt. *-VORMIG, bn. (-er, -st), als eene goot. *-WATER, o. gmv.

[Gord]

Gord, v. (-en), *-E, v. (-n), rib van een schip; band, riem.

[Gordel]

Gordel, m. (-s), fraaije riem (om de middel); (aardr.) breedtecirkel, zone; (fig.) iem. een hart onder den - steken, iem. moed in-

[p. 436]

boezemen. *-DIEREN, o. mv. armadillen, geslacht van tandelooze zoogdieren. *-GESP, m. (-en). *-MAKER, m. (-s). *-MAAKSTER, v. (-s). *-RIEM, m. (-en), lederen middelband.

[Gorden]

Gorden, bw. gel. (ik gordde, heb gegord), met eenen gordel vastmaken, aan eenen gordel vasthechten; (zeew.) stroppen leggen; (fig.) zich ten strijde -, zich ten strijde rusten. *...DING, v. het gorden.

[Gordiaansche knoop]

Gordiaansche knoop, m. zekere kunstig gelegde knoop; (fig.) zeer ingewikkelde -, netelige zaak, zwarigheid schijnbaar niet te overwinnen; den gordiaanschen knoop doorhakken.

[Gordijn]

Gordijn, v. (B.v. en o.), (-en), voorhangsel dat weggeschoven of opgetrokken wordt; tooneelvoorhangsel; zeker vestingwerk; (fig.) voor deze zaak moet eene - geschoven worden, men moet er niet meer van spreken; reeds achter de -en zijn, reeds te bed zijn. *-LES, v. (-sen), *-MIS, v. (-sen), *-PREEK, v. (-en), bedsermoen, berisping van echtgenooten onderling. *-RING, m. (-en). *-ROEDE, v. (-n).

[Gording]

Gording, v. (-en, -s), (zeew.) gijtouw; (bouwk.) gedeelte van een dak; paal-, rij palen (b.v. in het water tot afsluiting eener haven); gordings of gordingen, (zeew.) barkhouten; (vest.) om palissaden aan elkander te verbinden.

[Gorgel]

Gorgel, m. (-s), strot. *-DRANK, m. (-en), geneesmiddel dat door de keel moet gespoeld worden. *-EN, ow. gel. (ik gorgelde, heb gegorgeld), water enz. door de keel spoelen. *-GEZWEL, o. (-len). *-ING, v. het gorgelen. *-KLEP, v. (-pen), (ontl.). *-KNOP, m. (-en), keelknobbel. *-WATER, o. zie GORGELDRANK. *-PIJP, v. (-en).

[† Gorgonisch]

Gorgonisch, bn. vreeselijk, verschrikkelijk, gedrogtelijk.

[† Gorilla]

Gorilla, m. (-as), aap van de grootste soort.

[Gors]

Gors, v. (-sen), zee-kleiland, aangeslibd land bij eene rivier.

[Gort]

Gort, v. gmv. grut, zeker graan; boekweiten-, haver-. *-BEULING, m. (-en), gortworst. *-ENBRIJ, m. gmv. *-ENTELDER, m. (-s), gierigaard, vrek. *-IG, bn. (-er, -st), een - varken, een varken door zekere ziekte aangetast. -, bijw. (fig.) hij maakt het - (slecht). *-IGHEID, v. gmv. zekere varkensziekte. *-MOLEN, m. (-s). *-WORM, m. (B.v.) (-en). *-WORST, v. (-en).

[Goteling]

Goteling, m. (B.m. en v.) (-en), klein stuk geschut.

[Gothisch]

Gothisch, bn. uit het tijdvak der Gothen, oud-duitsch; (fig.) ouderwetsch; (bouwk.) de -e stijl.

[Goud]

Goud, o. gmv. een edel metaal; fijn -, massief -, gedegen of zuiver -, geslagen -, stof-, getrokken -; in - werken, gouden voorwerpen vervaardigen; een ton (of tonne) -s, honderd duizend gulden; zoo trouw als -, van beproefde eerlijkheid; (spr.) het is al geen - wat er blinkt, schijn bedriegt dikwijls; (spr.) de morgenstond heeft - in den mond, in den vroegen morgen kan men het best arbeiden; gemunt -, goudgeld; dit is met geen - te betalen, is onbetaalbaar; het is een man van -, zijne diensten zijn onwaardeerbaar. *-, (dichtk.) voorwerp dat eene gele kleur heeft, b.v. het - zijner haren; (ook) rijp graan; de stralen der zon; de glans der sterren. *-, (wap.) gele kleur (op afbeeldingen door stipjes aangeduid). *-ACHTIG, bn. (-er, -st), als goud, op goud gelij-

[p. 437]

kende. *-ADELAAR, m. (-s), roofvogel. *-ADER, v. (-s), mijngang die gouderts bevat. *-AREND, m. (-en), roofvogel. *-BERG, m. (-en), berg die goudmijnen bevat; (fig.) eene aanzienlijke hoeveelheid goud. *-BEURS, v. (...zen), beurs met goudgeld gevuld. *-BLAADJE, (B. -N), o. (-s), loovertje. *-(S)BLOEM, v. (-en), zekere bloem. *-BRASEM, m. (-s), zekere visch. *-CHLORIDE, o. chemische goudoplossing. *-DELVER, m. (-s), goudzoeker. *-DELVING, v. *-DORST, m. gmv. onmatige begeerte naar rijkdom. *-DRAAD, m. en o. gmv. -TREKKER, m. (-s), vervaardiger van gouddraad. *-EN, bn. van -, in -, uit goud; - bergen beloven, vele schoone beloften doen, eene schitterende toekomst voorspiegelen; de - eeuw; de - (of gulden) ader, (ontl.) zekere ader in het menschelijke ligchaam; eene - tor, zeker insekt; -regen, zekere plant; (ook) zeker vuurwerk; ergens - dagen doorbrengen, een gelukkig leven slijten; de - bul (of bulle), (gesch.); het - (of gulden) vlies; eene - bruiloft, feestviering bij de vijftigste verjaring van een huwelijk. *-ERTS, m. gmv. grondstof, onbewerkte delfstof. *-GEEL, bn. goudkleurig. *-GELD, o. gmv. gouden muntstukken. *-GEWIGT, o. (-en), gewigt om er goud mede te wegen. *-GLIT, o. (scheik.) zeker metaaalschuim. *-GRAVER, m. (-s), goudzoeker. *-GRAVING, v. *-GROEF, v. (...ven), *-GROEVE, v. (-n), goudmijn. *-GULDEN, m. (-s), (eert.) nederlandsch zilveren muntstuk (= ƒ1.40). *-HAANTJE, (B. -N), o. (-s), zeker insekt en zekere vogel. *-HAAR, o. gmv. zeker plant. *-KEVER, m. (-s), zeker insekt. -KLEUR, v. gmv. *-KLEURIG, bn. *-KLOMP, m. (-en), groot stuk goud. *-KUST, v. een deel der kust van Guinea. *-LAKEN, o. laken met goud doorweven; (ook) zeker insekt; -sche fazant, zek. vogel. *-LEDER, *-LEÊR, o. gmv. verguld leder; goudlederen schoenen. *-LIJM, v. en o. gmv. lijm met goud vermengd, goudsoldeersel. *-MAKER, m. (-s), alchimist. *-MAKERIJ, v. gmv. (eert.) zekere beweerde geheime kunst. *-MEERLE, v. (-n), zekere vogel. *-MIJN, v. (-en), mijn die gouderts oplevert; (fig.) iets dat veel geld of voordeel oplevert; dat is eene - voor hem. *-MUNT, v. (beter) gouden munt. *-OXYDE, *-OXYDULE, o. (scheik.) verbindingen van goud met zuurstof. *-PEER, v. (...peren), zekere boomvrucht. *-POEDER, o. goudzand; (scheik.) projectie-poeder. *-PURPER, o. (ook purper van Cassius genoemd), verbinding van eene goudoplossing met eene tinoplossing. *-SCHAAL, v. (...alen), schaal om goud te wegen; (fig.) elk woord op de - wegen, uiterst voorzigtig zijn in het spreken. *-SCHUIM, o. gmv. schuim van goud; valsch bladgoud. *-SLAGER, m. (-s), vervaardiger van dunne blaadjes goud. *-SMID, m. (...eden), vervaardiger van gouden voorwerpen. -SGEZEL, m. (-len), -SJONGEN, m. (-s), -SKNECHT, m. (-en), -SOVEN, m. (-s), -SWERKPLAATS, v. (-en), -SWINKEL, m. (-s). *-STEEN, m. (-en), toetssteen; zekere edele steen. *-TREKKER, m. (-s), gouddraadtrekker. *-VERNIS, o. gmv. *-VERF, v. (...wen), of *-VERW, v. (-en). *-VINGER, m. (-s), vinger waaraan men den ring draagt. *-VINK, m. (-en), zekere vogel. *-VISCH, m. (...visschen), zekere goudkleurige visch. *-VISCHKOM, v. (-men), glazen kom waarin goudvischjes gehouden worden. *-VISSCHER, m.

[p. 438]

(-s), die in het zand eener rivier goud zoekt. *-VLIEG, v. (-en), goudkleurige vlieg. *-VLIES, o. *-WERK, o. gouden voorwerpen. *-WERKER, m. (-s), arbeider in goud. *-WORM, m. (B.v.), (-en), zeker insekt. *-WORTEL, m. (-s), zekere plant. *-ZAND, o. *-ZOEKER, m. (-s). *-ZUCHT, v. dorst naar goud. *-ZUIGER, m. (-s), (fig.) bloedzuiger, iem. die tegen gering loon zeer hard laat werken. *-ZWAVEL, v. zeker antimonium.

[† Goût]

Goût, m. smaak. *-EREN, bw. gel. (ik goûteerde, heb gegoûteerd), smaken; ingenomen zijn met ....; goedkeuren.

[† Gouvernante]

Gouvernante, v. (-s), bestuurderes; landvoogdes; onderwijzeres, leermeesteres, opvoedster. *...NEMENT, o. (-en), bestuur, beheer, landsregering; stadhouderschap, landvoogdij; provincie, gewest; Rusland is verdeeld in -en; het -sgebouw, waar de zetel van het provinciaal bestuur gevestigd is; -sorgaan, blad (courant) waarin de regering hare denkbeelden laat ontwikkelen of waaraan zij hare berigten zendt; -s-secretaris, secretaris van het algemeen bestuur in Oost- of West-Indië; -s-solliciteur, procureur die voor den Staat optreedt. *...NEREN, bw. gel. (ik gouverneerde, heb gegouverneerd), besturen, beheeren, regelen. *...NEUR, m. (-s), bestuurder, landvoogd; hoofd van een provinciaal bestuur; huisonderwijzer, leermeester; (nat.) zeker werktuig, centrifugaal-regulator. *...NO, à -, tot berigt.

[↑ Gouw]

Gouw, *-E, v. (-en), landschap, landstreek. *-, v. gmv. zekere plant; stinkende -.

[Graad]

Graad, m. (graden), zeker gedeelte eener hoegrootheid; (wisk.) het 360ste deel van eenen cirkel, (aangeduid door het teeken o, b.v. 3o); zekere mate van hitte of koude; de thermometer wijst op 90 graden; trap van afstamming, bloedverwanten in den derden -; (fig.) trap, hij is in den hoogsten - onbeschaamd; eenen akademischen - hebben, de studiën aan de hoogeschool met goed gevolg volbragt hebben; hij heeft alle graden doorgeloopen, hij is van laag tot hoog opgeklommen. *-BOEK, o. (-en), (zeew.) boek met zeekaarten. *-BOOG, m. (...ogen), (ook St. Jacobsstaf genoemd), werktuig op zee gebezigd om de hoogte der zon, maan en sterren te meten; (ook) landmeterswerktuig. *-METING, v. het meten der lengte van eenen graad op den meridiaan.

[Graaf]

Graaf, v. (graven), werktuig om te graven, spit, houweel. *-, m. adellijke titel; regeerder van een graafschap. *-IJZER, o. (-s), (-s), spit, houweel. *-SCHAP, o. (-pen), landschap waarover een graaf het bestuur heeft. *-WERK, o. arbeid die met het houweel verrigt wordt. *-STER, v. (-s), zij die graaft.

[Graag]

Graag, bn. en bijw. (...ager, -st), lust hebbende in voedsel; gezocht; gewild (van handelsartikelen); gaarne, met veel genoegen; zich eene grage maag maken, zijnen eetlust opwekken. *-HEID, *-TE, v. gmv. eetlust; sterke begeerte.

[Graan]

Graan, o. (granen), allerlei koren; (fig.) een -tje pikken, een slokje (sterken drank) drinken. *-GEWASSEN, o. mv. *-HANDEL, m. gmv. *-HANDELAAR, m. (-s). *-KAR, v. (-ren). *-KOOPER, m. (-s). *-MARKT, v. (-en). *-PRIJZEN, m. mv. *-SCHUUR, v. (...uren).

[p. 439]

*-VERKOOPER, m. (-s). *-VLOOT, v. (...oten), een aantal schepen met graan geladen. *-VRUCHT, v. (-en). *-ZOLDER, m. (-s), pakhuis of zolder waar koren bewaard wordt.

[Graat]

Graat, v. (...graten), vischbeen; (fig.) er is visch noch - aan hem, hij is tot niets geschikt; § van de - vallen, erg vermageren.

[Graauw]

Graauw, bn. (-er, -st), grijs, aschkleurig; eene -e (bedekte, bewolkte) lucht; (fig.) des nachts zijn alle katten -, in den nacht is eene schoone vrouw niet van eene leelijke te onderscheiden; (gen.) de -e loop, soort ziekte. *-, o. gmv. heffe des volks, gemeen, gepeupel, janhagel. *-, m. (-en), snaauw, scherp verwijt, hard woord. *-ACHTIG, bn. (-er, -st). *-ACHTIGHEID, v. gmv. *-BROEDER, m. (-s), zekere monnik. *-EN, ow. gel. (ik graauwde, heb gegraauwd), norsch-, onvriendelijk spreken. *-ER, m. (-s), *-STER, v. (-s). *-HEID, v. gmv. graauwe kleur. *-KEELTJE, (B. -N), o. (-s), zekere vogel. *-TJE, (B. -N), o. (-s), grijs paardje; ezel, ezeltje; graauw schilderwerk; (fig.) dat kan - niet trekken, dat valt mij te zwaar, (ook) dat kost te veel geld.

[Grabbel]

Grabbel, v. gmv. te - gooijen, iets op den grond neêrwerpen om het te laten opnemen door verscheidene menschen die elk. het bezit betwisten; (ook fig.) zijn geld te - gooijen, zeer verkwistend leven. *-EN, ow. gel. (ik grabbelde, heb gegrabbeld), in het wild grijpen naar door elk. liggende voorwerpen om te trachten ze te bemagtigen. *-AAR, m. (-s). *-AARSTER, v. (-s). *-ING, v. gmv. het grabbelen.

[† Grâce]

Grâce, v. gmv. welvoegelijkheid. *...CIE, *...TIE, v. gmv. gunst, genade, bevalligheid. *...CIEUS, bn. (...zer, -st), bevallig, innemend, liefelijk.

[Gracht]

Gracht, v. (-en), gegraven waterleiding; bewoonde kade; (fig.) de geheele -, al de bewoners eener kade of haven. * -WATER, o. gmv.

[† Gradatie]

Gradatie, v. (...ën), trapswijze opklimming. *...DEERHUIS, o. (...zen), verdampingshuis. *...DEERIJZER, o. (beeldh.) zeker werktuig. *...DEREN, o. het gedeeltelijk doen verdampen van zeewater zonder opzettelijke warmte; louteren, veredelen. *...DUEEL, bn. en bijw. trapsgewijze, bij opklimming. *...DUEREN, bw. gel. (ik gradueerde, heb gegradueerd), in graden afdeelen (b.v. eene buis); eene waardigheid verleenen (aan iem.).

[† Graecomanie]

Graecomanie, v. overdreven zucht voor al wat grieksch is.

[Graf]

Graf, o. (graven), bergplaats voor lijken; grafteeken, graftombe; (fig.) de dood, het overlijden; met den eenen voet in het - staan, stokoud zijn; aan den rand des -s zijn of staan, digt bij den dood zijn; dat heeft hem in het - gebragt, heeft zijnen dood veroorzaakt; het heilige -, het graf van Christus; orde van het Heilige - van Jeruzalem, pauselijke ridderorde. *-DICHT, o. (-en), treur-, lijkdicht. *-DIEF, m. (...ven), grafschender. *-DOEK, m. (-en), doodkleed.

[Grafelijk]

Grafelijk, bn. en bijw. eenen graaf betreffende, - toebehoorende; van een graafschap; eene -e kroon; de -e waardigheid; -e goederen. *-HEID, v. gmv. waardigheid van graaf.

[Grafgesteente]

Grafgesteente, o. (-n), grafzerk. *...GEWELF, o. (...ven). *...HEUVEL,

[p. 440]

m. (-s), verhevenheid van aarde boven een graf. *...KELDER, m. (-s). *...KUIL, m. (-en). *...LIED, o. (-eren). *...MAKER, m. (-s), die het graf delft. *...NAALD, v. (-en), spits toeloopend grafteeken. *...PLAATS, v. (-en), begraafplaats. *...SCHOP, v. (-pen), werktuig om het graf te delven. *...SCHRIFT, o. (-en), opschrift op eene grafzerk. *...SPELONK, v. (-en), catacombe. *...SPADE, v. (-n), zie GRAFSCHOP. *...STEDE, v. (-n), grafkuil; grafplaats; grafsteen; grafgesticht. *...STEEN, m. (-en). *...TOMBE, v. (-n). *...ZERK, v. (-en), steen die het graf dekt of voor het graf staat.

[Gram]

Gram, bn. en bijw. (-mer, -st), toornig. *-MELIJK, bijw. met -, in toorn. *-MOEDIG, bn. (-er, -st), -LIJK, bijw. toornig, vergramd. *-MOEDIGHEID, v. gmv. toorn, vergramdheid. *-SCHAP, v. gmv. toornigheid, toorn. *-STORIG, bn. (-er, -st), -LIJK, bijw. driftig, toornig; knorrig, verdrietig. *-STORIGHEID, v. gmv. toorn, drift, kwade luim.

[† Grammaire]

Grammaire, *...MATICA, v. spraakkunst, spraakleer. *...MATICAAL, bn. hij schrijft -, overeenkomstig de taalregelen. *...MATICUS, m. (...ci), taalgeleerde.

[† Gramme]

Gramme, v. fransch gewigt, wigtje (1/1000 van een ned. pond).

[Granaat]

Granaat, v. (...aten), granaatappel, zekere vrucht; (ook) zeker oorlogstuig. *-, m. edele steen. *-, o. gmv. edelgesteente. *-, m. granaatboom. *-APPEL, m. (-en). *-BLOEM, v. (-en). *-BOOM, m. (-en). *-KERN, v. (-en). *-PIJP, v. (-en), (bij de kanonniers). *-SCHIL, v. bast van den granaatboom. *-TASCH, v. (...tasschen), bergplaats der granaten (bij de kanonniers). *...NADIER, m. zie GRENADIER.

[† Grande]

Grande, m. (-s), edelman van den hoogsten rang in Spanje. *-SCHAP, o. waardigheid van grande.

[† Grandioso]

Grandioso, bijw. groot, grootsch, verheven, uitnemend.

[Graniet]

Graniet, m. en o. zekere steensoort. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), als graniet. *-BERG, m. (-en). *-EN, bn. van graniet. *-ROTS, v. (-en). *-STEEN, m. (-en).

[Granuleren]

Granuleren, bw. gel. (ik granuleerde, heb gegranuleerd), een metaal tot korreltjes brengen; het -, zekere zieke werking in de long.

[Grap]

Grap, v. (B.m.) (-pen), klucht, aardigheid; uit de -, voor de -; (fig.) dat is lang geene -, dat is eene vrij ernstige zaak. *-PENMAKER, m. (-s). ...MAAKSTER, v. (-s). *-PIG, bn. en bijw. (-er, -st), kluchtig, aardig. *-PIGHEID, v. gmv.

[† Graphiek]

Graphiek, *...PHICA, v. gmv. schrijf-, teekenkunst. *...PHIET, o. koolstof, potlooderts; zwart teekenkrijt. *...PHISCH, bn. schriftelijk; beschrijvend, teekenend. *...PHOMETER, m. (-s), hoogtemeter (werktuig).

[Gras]

Gras, o. gmv. (doch grassen voor grassoorten), veldgewas; bij hooi en bij -, zeer zelden, zeldzaam; (fig.) het - hooren groeijen, waanwijs zijn, den geleerde uithangen; daar is al lang - over gegroeid, dit is reeds lang vergeten; iem. het - voor de voeten wegmaaijen, iem. onderkruipen; men laat daar - over groeijen, men stelt dit uit, laat het ongemerkt voorbijgaan. *-, of GRASE, (mv. grazen) oudnederlandsche vlaktemaat. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), als gras; (ook)

[p. 441]

met gras begroeid. *-ANJELIER, m. (-en), zekere bloem. *-BLOEM, v. (-en). -PJE, (B. -N), o. (-s). *-BOTER, v. gmv. lenteboter. *-DUINEN, v. mv. duinen met gras bewassen; (fig.) in - gaan, goede sier maken, een vrolijk leven leiden. *-GROEN, bn. graskleurig. *-HARING, m. (-en), haring digt bij de kust gevangen. *-HUPPER, m. (-s), soort sprinkhaan. *-JE, (B. -N), o. (-s), grasspiertje, grasscheutje. *-KAMP, o. (-en), weiland. *-LAND, o. (-en). *-LEDER, o. zeker gewas. *-LOOK, o. bieslook, zeker gewas. *-MAAIJER, m. (-s), de persoon die gras maait, (ook) het werktuig waarvan hij zich bedient. *-MAAND, v. de maand April. *-MOSCH, *-MUSCH, m. (...sschen), zekere vogel. *-PERK, o. (-en), *-PLAATS, v. (-en), met gras begroeide plek grond. *-PLANT, v. (-en). *-SOORT, v. (-en). *-SOORTIG, bn. als gras. *-VELLIG, bn. dit is -, dit moet voor schulden verkocht worden. *-VLAKTE, v. (-n), savane (in Noord-Amerika), onvruchtbare weide. *-VRETEND, bn. zich met gras voedende. *-WORM, m. (B.v.), (-en). *-WORTEL, m. (-s). *-ZODE, v. (-en), kluit aarde met gras bewassen.

[† Grasseren]

Grasseren, ow. gel. de koorts grasseert (heerscht, woedt).

[† Gratias]

Gratias, bijw. dank! ik dank u! *...TIE, v. bevalligheid; genade, kwijtschelding of vermindering van straf; het regt van -; de raad van -; de drie gratiën, (fab.) Aglaja, Thalia en Euphrosine.

[† Gratificatie]

Gratificatie, v. (...ën), geschenk, vereering, toelage. *...FIËREN, *...FICEREN, bw. gel. (ik gratifiëerde of gratificeerde, heb gegratifiëerd of gegratificeerd), genade schenken; vereeren (met iets).

[Gratig]

Gratig, bn. (-er, -st), vol graten.

[† Gratis]

Gratis, bijw. om niet, kosteloos, zonder betaling.

[† Gratuit]

Gratuit, bijw. vrijwillig; don -, vrijwillige gift.

[† Grauwacke]

Grauwacke, v. zekere rotssoort.

[† Gravamen]

Gravamen, o. (...mina), bezwaar, zwarigheid.

[↑ Grave]

Grave, m. (-n), graaf. *-, bijw. (muz.) ernstig, deftig.

[Graveel]

Graveel, o. gmv. zekere ziekte, nierwee, ongemak in de blaas. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), aan het graveel lijdende. *-IG, bn. (-er, -st), (fig.) kostbaar, duur. *-IGHEID, v. gmv. toestand van iem. die het graveel heeft; (fig.) kostbaarheid, duurte. *-STEEN, m. (-en).

[Graveerder]

Graveerder, m. (-s), plaatsnijder, graveur. *...IJZER, o. (-s), graveerdersgereedschap; (ook) zeker sterrebeeld. *...KUNST, v. gmv. de kunst in metalen platen voorstellingen te griffelen om ze daarna door middel van den druk te kunnen vermenigvuldigen. *...NAALD, v. (-en). *...PRIEM, m. (-en). *...SEL, o. het gegraveerde. *...STAAL, o. gmv. *...STIFT, o. (-en), *...WERK, o. (-en).

[Graven]

Graven, bw. ow. ong. (ik groef, heb gegraven), delven; graafwerk verrigten. *...VER, m. (-s), die graaft. *...VING, v. het graven.

[† Graveren]

Graveren, (B. ...VEEREN), bw. gel. (ik graveerde, heb gegraveerd), met de graveernaald werken. *...VEUR, m. (-s), plaatsnijder.

[Gravin]

Gravin, v. (-nen), adellijke vrouw, echtgenoot van eenen graaf.

[† Gravimeter]

Gravimeter, m. (-s), luchtmeter (werktuig). *...TATIE, v. gmv. zwaartekracht, algemeene aantrekkingskracht. *...TEIT, v. gmv. ernst, ernsthaftigheid, deftigheid. *...TEREN, ow. gel. (ik graviteerde, heb

[p. 442]

gegraviteerd), zwaar zijn, zwaartekracht toonen, door zijne zwaarte naar een ander ligchaam neigen.

[† Gravure]

Gravure, v. gmv. plaatsnij-, erts-, graveerkunst. *-, v. (-s), koperplaat, afdruksel van eene gegraveerde voorstelling.

[Grazen]

Grazen, ow. gel. (ik graasde, heb gegraasd), in het gras weiden; het vee laten -; in eens anderen land -, zich ruim bedienen van iets dat aan een ander toebehoort. *...ZIG, bn. (-er, -st), grasachtig; vol gras; naar gras smakende; -e boter.

[Greb]

Greb, v. (-ben), greppel, kleine sloot in het veld.

[Greel]

Greel, o. (-en), haar om den hals eens paards.

[Green]

Green, m. (-en), greenenboom. *-EN, bn. van greenenhout. *-ENBOOM, m. (-en), soort pijnboom. *-ENHOUT, o. gmv.

[Greep]

Greep, m. (...epen), het grijpen; een blinden - naar iets doen, in het wilde schermen om iets te verkrijgen; (fig.) slag, behendigheid, vaardigheid; het is maar een -. *-, v. wat aangegrepen wordt; zoo veel tegelijk gegrepen is; de - (gevest) van eenen degen; eene - (handvol) geld. *-, mestvork.

[Gregoriaansch]

Gregoriaansch, bn. -jaar, -e kalender -e of nieuwe stijl, jaar volgens de tijdberekening zoo als zij in 1582 door paus Gregorius XIII werd ingevoerd.

[Gregorius]

Gregorius, orde van den heiligen - den groote, pauselijke ridderorde.

[Greidland]

Greidland, o. benaming voor grond in Friesland gebruikelijk.

[Grein]

Grein, o. (-en), medicinaal gewigt, (op recepten enz. aangewezen door het teeken illustratie ). *-, o. zekere stof, kamelot; (ook) kleine geneeskrachtige peper. *-TJE, (B. -N), o. (-s), (fig.) zeer weinig; hij heeft geen - verstand. *-EN, bn. van grein, van kamelot.

[Greling]

Greling, m. (-en), (zeew.).

[Grenadier]

Grenadier, m. (-s), keursoldaat der infanterie. *-SMUTS, v. (-en). *-SUNIFORM, v. (-en). *...DINO, o. zekere geweven fijne stof.

[Grendel]

Grendel, m. (-s, -en), ijzeren schuif ter sluiting van eene poort of deur of van een venster. *-BOOM, m. (-en). *-EN, bw. gel. (ik grendelde, heb gegrendeld), met eenen grendel sluiten. *-GAT, o. (-en). *-KRAMMEN, v. mv. *-SLOT, o. (-en).

[Greniken]

Greniken, ow. gel. zie GRINNIKEN.

[Grens]

Grens, v. (...zen), scheiding, scheidpaal; einde, eindpaal; de grenzen van een land. *-BEPALING, v. (-en). *-BEWAARDER, m. (-s). *-BEWAKER, m. (-s). *-BEWAKING, v. gmv. *-BEWONER, m. (-s). *-BOOM, m. (-en). *-GOD, m. (-en), (fab.) godheid die de grenzen beschermde, Thermus. *-HOEK, m. (nat.). *-LIJN, v. (-en), afbakening der grenzen tusschen twee staten; (fig.) eene - trekken, iem. perken stellen voor zijne handelingen. *-PAAL, m. (...alen), (ook fig.). *-PLAATS, v. (-en), stad -, dorp aan of op de grenzen gelegen. *-SCHEIDING, v. (-en). *-SLOOT, v. (-en). *-STEEN, m. (-en). *-STAD, v. (...eden). *-TEEKEN, o. (-s). *-VESTING, v. (-en). *-VOLK, o. (-en). *-WEG, m. (-en). *-ZUIL, v. (-en), zuil aanwijzende de grenzen.

[Grenzen]

Grenzen, ow. gel. (ik grensde, heb gegrensd), palen aan, slui-

[p. 443]

ten aan, met eene grens afgescheiden zijn; (fig.) zeer digt bij komen of zijn; zijne smart grenst aan wanhoop. *-LOOS, bn. en bijw. zonder grenzen.

[Greppel]

Greppel, (B. GREBBEL), v. (-s), smal slootje in landerijen (tot waterafleiding).

[Gretig]

Gretig, bn. (-er, -st), begeerig, happig. *-HEID, v. gmv. *-LIJK, bijw.

[Grief]

Grief, v. (...ven), smart, hartzeer; bezwaar, reden van beklag.

[Griek]

Griek, m. (-en), (fig.) een oude -, schalk; een regte -, wonderlijk mensch, rare snaak. *-SCH, bn. -e spreekwijze, hellenisme; - vuur, zeker kunstvuur brandende onder water; -e kalender, tijdrekening met het maanjaar.

[Griel]

Griel, v. (B.m.), *-EN, bw. zie GRABBEL, GRABBELEN. *-PENNING, m. (-en), geld dat te grabbel gegooid wordt.

[Griend]

Griend, (B. GRIENT), v. (-en), strook grond met wilgenboomen beplant. *-LAND, o. (-en), moerassig land met wilgengaarden.

[Griep, Grippe]

Griep, Grippe, v. zekere ziekte.

[Gries]

Gries, v. eene zeer geringe hoeveelheid. *-MEEL, o. korrelig meel (van tarwe of spelt).

[Griet]

Griet, v. (B.m.) (-en), zekere visch. *-, v. verkorte vrouwennaam (Margaretha). *-ENIJ, (B. *-ENY), v. (-en), (eert.) strook land in de provincie Friesland onder het bestuur van eenen grietman. *-MAN, m. (-nen), (eert.) hoofd eener grietenij.

[Grieve]

Grieve, v. zie GRIEF. *-N, bw. gel. (ik griefde, heb of ben gegriefd), zeer diep in iets steken; (fig.) beleedigen, kwetsen, onaangenaam aandoen; dit heeft mij zeer gegriefd. *...VING, v. het grieven.

[Griezel]

Griezel, v. (-s), *-TJE, (B. -N), o. (-s), een weinigje, ziertje. *-EN, ow. gel. (ik griezelde, heb gegriezeld), eene huivering gevoelen. *-ING, v. het griezelen; huivering, rilling.

[Grif]

Grif, bn. (-fer, -st), vlug, vaardig, vlot. *-FEL, m. en v. (-en, -s), (ook GRIFT, GRIFTJE, GRIFFIE), leijen stiftje om op eene lei te schrijven. -, boom-ent; ent-rijs. *-FELEN, *-FEN, bw. gel. (ik griffelde of grifte, heb gegriffeld of gegrift), enten; (fig.) indrukken, inprenten. *-FIE, v. kanselarij, secretarie (of schrijfkamer) van eene regtbank of een geregtshof, (ook) van de provinciale staten en van de kamers der Staten-Generaal; ter - deponeren, nederleggen (een stuk) ter inzage van de leden; (fig.) iets op de lange baan schuiven. *-FIER, m. (-s), schrijver (secretaris van eene regtbank enz.); substituut (plaatsvervangend) -. *-FIERSCHAP, o. betrekking van griffier. *-FOEN, (B. *-FIOEN), m. (-en), zekere roofvogel. *-T, v. (-en), gracht; griffel om op de lei te schrijven.

[Grijn]

Grijn, m. (-en), knorrepot, pruiler. *-EN, ow. gel. en ong. (ik grijnde of green, heb gegrijnd of gegrenen), schreijen (inz. van knorrige kinderen), pruilen, verdrietig zijn. *-IG, bn. (-er, -st), knorrig, verdrietig.

[Grijns]

Grijns, (B. GRINS), v. (-en), mom, masker, momaangezigt. *-AARD, (B. *-AART, GRIJNZAART), m. (-s), knorrepot.

[Grijnzen]

Grijnzen, ow. gel. (ik grijnsde, heb gegrijnsd), fronzen (het voor-

[p. 444]

hoofd); knorrig zijn, pruilen; met een vertrokken mond lagchen. *...ZING, v. het grijnzen; fronzing.

[Grijp]

Grijp, m. (-en), *-VOGEL, m. (-s), zekere roofvogel. *-, v. gmv. griep (zekere ziekte). *-ACHTIG, bn. (-er, -st), begeerig (naar). *-EN, bw. ow. ong. (ik greep, heb gegrepen), vatten, aantasten, pakken; de hand uitstrekken om iets te vatten. *-VOGEL, m. (-s), (fig.) gierigaard, vrek.

[Grijs]

Grijs, bn. (...zer, -st), lichtgraauw, wit-zwart; (fig.) oud van jaren; de grijze oudheid, lang verloopen eeuwen; (fig.) hij laat zich daarover geen grijze haren wassen, hij stoort er zich weinig aan, het baart hem geen zorg. *-AARD, (B. GRIJZAART), m. (-s), oud man. *-ACHTIG, bn. een weinig grijs, naar het grijze trekkende. *-HEID, v. gmv. hooge ouderdom. *-KOP, m. (-pen), oud man met een wit hoofd. *-KRUID, o. gmv. zekere welriekende plant.

[Grijzelen]

Grijzelen, ow. zie GRIEZELEN.

[Grijzen]

Grijzen, ow. gel. (ik grijsde, ben gegrijsd), grijs worden, grijze haren krijgen. *...ZIGHEID, v. zie GRIJSHEID.

[Gril]

Gril, v. (B.m.), (-len), huivering, rilling; kuur, nuk, bui; beuzeling, kleinigheid; poets, grap. *-LEN, ow. gel. (ik grilde, heb gegrild), rillen, huiveren. *-LIG, bn. en bijw. (-er, -st), huiverig; wonderlijk, met nukken; eigenzinnig, lastig in den omgang; grappig, snaaksch. *-LIGHEID, v. (...heden), huivering; eigenzinnigheid. *-LING, v. (-en), huivering. *-WERK, o. (-en), (schild.) onnatuurlijke -, groteske voorstellingen. *-ZIEK, bn. (-er, -st), lastig, vol nukken en kuren.

[Grim]

Grim, v. (B.m.) gmv. woede, toorn.

[Grimas]

Grimas, v. (-sen), (B. *-SE, *...MATSE), vertrokken gelaatstrek, leelijk gebaar, kuur; -sen maken. *-SENMAKER, m. (-s). *-SENMAAKSTER, v. (-s).

[Grimbek]

Grimbek, m. en v. (-ken), knorrig -, korzelig mensch. *-KEN, ow. gel. (ik grimbekte, heb gegrimbekt), de tanden laten zien. *...LACH, m. flaauw lachje. *...LAGCHEN, (B. *...LACHEN), ow. gel. (ik grimlachte, heb gegrimlacht), stil lagchen, den mond tot een lachje vertrekken. *...MELEN, ow. gel. (het grimmelde, heeft gegrimmeld), wriemelen, krielen, wemelen. *...MEN, ow. gel. (ik grimde, heb gegrimd), op de tanden knarsen (van woede); brullen (als de leeuw); huilen, pruilen (van kinderen). *...MIG, bn. (-er, -st), -LIJK, bijw. verbitterd, toornig, in woede. *...MIGHEID, v. gmv. woede, verbittering.

[Grinniken]

Grinniken, (B. *...NEKEN), ow. gel. (ik grinnikte, heb gegrinnikt), hinneken (van paarden); spottend lagchen.

[Grint, Grind]

Grint, Grind, v. gmv. het tweede meel van boekweit; grof meel; steengruis. *-PAD, o. (-en), *-WEG, m. (-en), pad -, weg met steengruis belegd.

[† Grisette]

Grisette, v. (-s), naaistertje; handwerkster; meisje los van zeden.

[† Grisou]

Grisou, o. ontvlambaar gas in de kolenmijnen.

[Grissen]

Grissen, bw. gel. (ik griste, heb gegrist), stelen, ontfutselen, kapen. *...SER, m. (-s), *...STER, v. (-s), hij of zij die grist, dief, diefegge.

[p. 445]

[Groef]

Groef, v. (...ven), greppel; kuil; graf, grafplaats, grafkelder; langwerpige holligheid in eenen pilaar; te groeve (ter begrafenis) noodigen. *-BIDDER, m. (-s), aanspreker. *-IJZER, o. (-s), steekpriem. *-JE, (B. -N), o. (-s), kuiltje, inkeping. *-WERK, o. gecanneleerd werk.

[Groei]

Groei, m. gmv. het groeijen. *-BAAR, bn. (-der, B. ...arer, -st), kunnende groeijen. *-JEN, (B. -EN), ow. gel. (ik groeide, heb gegroeid), wassen, opschieten, grooter worden, vooruitkomen; iem. over het hoofd -, grooter (langer) worden dan een ander; in eens anderen leed -, leedvermaak hebben, zich over het ongeluk van anderen verheugen; er tegen in -, ondanks het verdriet dat men heeft er goed uitzien en dik worden. *-JING, v. gmv. het groeijen. *-KRACHT, v. gmv. *-SEL, o. het gegroeide. *-ZAAM, bn. (...zamer, -st), den groei bevorderende; - weêr, een groeizame regen. -HEID, v. gmv. eigenschap den groei te bevorderen, vruchtbaarmaking.

[Groen]

Groen, o. en bn. (-er, -st), een der hoofdkleuren; onrijp; (fig.) jong, onervaren; linksch, ongemanierd; (fig.) het -, de boomen en velden; -e zode, graszode; -e (versche) haring; hij is nog -, (van studenten) hij heeft zijnen proeftijd nog niet doorstaan; iem. - op het lijf vallen, twist zoeken; iem. - op het lijf zijn, iem. haten; een -e vrijer, een baardelooze jongen; § een - zaâl krijgen, in eene sloot vallen (paard en ruiter); - en rijp, alles door elkander; het wordt mij - en geel voor de oogen, alles draait voor mij in het rond, ik word duizelig; spaansch -, zekere verfstof. *-, m. (-en), nieuweling onder de studenten; als - loopen. *-AARDE, v. zekere delfstoffelijke zelfstandigheid. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), een weinig groen, naar het groene trekkende. *-BOER, m. (-en), -IN, v. (-nen), warmoezier, -ster, boer -, boerin die groenten kweekt en verkoopt. *-EN, ow. gel. (ik groende, heb gegroend), groen worden, - zijn. -, bw. groen verwen. *-HARING, m. (-en), versche haring, panharing. *-HEID, v. gmv. het groene, de groene kleur; wrangheid, zuurheid. *-IG, bn. groenachtig. *-IGHEID, v. gmv. *-KELDER, m. (-s), kelder waar groenten verkocht worden. *-KOOPER, m. (-s), *-KOOPSTER, v. (-s). *-LANDSVAARDER, m. (-s), schip (of gezagvoerder van een schip) dat ter walvisch- of robbenvangst naar Groenland vaart. *-LING, m. (-en), zekere vogel. *-MAN, m. (-nen), groenteverkooper. *-MAND, v. (-en), mand waarin groenten bewaard of vervoerd worden. *-MARKT, v. (-en), openbare verkoopplaats voor groenten. *-MEISJE, (B. -N), o. (-s). *-MESTING, v. gmv. zekere soort bemesting. *-MOES, o. gmv. keukengroenten. *-STEEN, m. zekere steensoort. *-TE, v. gmv. het groen (der boomen, velden). -, (-n), keukengroenten, moesgroenten. *-SOEP, v. gmv. *-TJE, (B. -N), o. (-s), zekere peer, sappig of sapperig - (§ sapper-de-groentje); (fig.) onervaren mensch; student die nog niet ontgroend is. *-TUIN, m. (-en), moestuin. *-VERKOOPER, m. (-s). *-VERKOOPSTER, v. (-s). *-VINK, m. (-en), zekere vogel. *-VLIEG, v. (-en). *-VROUW, v. (-en). *-WIJF, o. (...ven).

[Groep]

Groep, v. (-en), gracht, sloot; goot (in eenen koestal); (schild), teek., beeldh.), vereeniging van beelden, figuren enz.; (nat. hist..

[p. 446]

familie, formatie, afdeeling, klasse. *-EREN, bw. gel. (ik groepeerde, heb gegroepeerd), bijeenplaatsen, tot een geheel verzamelen.

[Groet]

Groet, m. gmv. groeting, begroeting; beleefdheidsbetuiging, eerbewijzing; salut. *-EN, bw. gel. (ik groette, heb gegroet), met eenen groet eer bewijzen, - afscheid nemen; geluk wenschen; (fig.) § afrossen, een pak slaag geven. *-ENIS, v. (-sen), groet aan iem. die afwezig is; doe hem mijne -.

[Groeve]

Groeve, v. (-n), zie GROEF. *-N, bw. gel. (ik groefde, heb gegroefd), groeven (uithollingen) maken (in eenen pilaar enz.).

[Groeze]

Groeze, v. gmv. het eerste groen (van boomen enz.).

[Grof]

Grof, bn. en bijw. (grover, grofst), niet fijn; hard; groot, zwaar, lomp; ruw; onedel; onbeleefd, onhoffelijk; - schrijven, zware -, dikke letters maken; - spelen, om veel geld spelen; - (onbeschaamd) liegen; gij maakt het te -, gij gaat te ver. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), een weinig grof. *-FELIJK, (B. *-LIJK), GROVELIJK, bijw. op grove wijze. *-HEID, v. (...heden), eigenschap van iets dat niet fijn is; lompheid; onwellevendheid. *-LIJVIG, bn. (-er, -st), dik van lijf. *-LIJVIGHEID, v. gmv. *-SMID, m. (...eden).

[† Grog]

Grog, m. gmv. drank bestaande uit eenigen sterken drank met water en suiker.

[Grol]

Grol, v. (-len), beuzeling; zotternij, gekheid. *-, m. (-len), (B.) vertelling. *-, gmv. (B.) wrok. *-LEN, ow. gel. (ik grolde, heb gegrold), pruilen, knorrig zijn; lollen (van de katten). *-LENMAKER, m. (-s), ...MAAKSTER, v. (-s), grappenmaker, ...maakster. *-LIG, bn. en bijw. (-er, -st), geestig, boertig, grappig.

[Grom]

Grom, o. gmv. ingewand (van visch, van offerdieren); vuiligheid, iets onreins. *-MELEN, ow. gel. (ik grommelde, heb gegrommeld), zich in iets wentelen; in zijn bloed -; in het slijk -. *-MELIG, bn. (-er, -st), vuil, leelijk, morsig. *-MELING, v. gmv. het grommelen. *-MEN, ow. bw. gel. (ik gromde, heb gegromd), knorren, brommen (van beeren); (fig.) knorrig zijn (op iemand); het ingewand uit visch nemen. *-MIG, bn. (-er, -st), knorrig; onzuiver;-e visch, die nog niet schoongemaakt is. *-MIGHEID, v. gmv. knorrigheid, kwade luim. *-POT, m. en v. (-ten), knorrig mensch.

[† Groom]

Groom, m. (-s), bediende, rijknecht.

[Grond]

Grond, m. (-en), delfstoffelijke massa waaruit de korst der aarde bestaat; oppervlakte van den aardbodem of van eenig land, aarde; grondvlakte, grondgebied; land, landerijen; bodem (der zee, van rivieren); bodem (van andere voorwerpen); vloer (in eene kamer enz.); schets; plan, ontwerp; beginsel, grondslag; neiging; geschiktheid, aanleg; aanleiding, beweegreden, oorzaak; gevoelen, begrip, meening; (schild.) laag; aan den - raken (van schepen), op eene ondiepte komen; naar den - zinken; aan den - zitten, vastzitten (ook fig.); - voelen, den bodem raken; (fig.) verzadigd zijn; uit den - raken, den bodem verliezen; in den -, geheel en al, ten eenenmale, door en door, volkomen; in den - boren, doen zinken (een schip); (fig.) in den - boren of helpen, iem, ten val -, ten ondergang brengen; te - of ten -e gaan, zinken; (fig.) arm worden; de -en (grond-

[p. 447]

stellingen) des geloofs; platte -, schetsteekening (van een gebouw, eene stad enz); (fig.) uit den - des harten, opregtelijk gemeend. *-AARDE, v. gmv. *-BALK, m. (-en), (bouwk.) steunbalk; damplank (bij eene waterleiding). *-BEGINSEL, o. (-en), beginsel waarop iets berust. *-BEGRIP, o. (-pen), eerste begrip. *-BELASTING, v. (-en), belasting die van grondeigendom geheven wordt. *-BEWIJS, o. (...zen). *-BOOR, v. (B.m.) (...oren), zeker werktuig. *-BRAAK, v. (...aken), *-BREUK, v. (-en), breuk -, scheur in eenen dijk. *-BRIEF, m. (...ven), hypotheek; de grondbrieven, bewijzen van eigendom (onroerend goed). *-CIJNS, m. (-en), m. (-en), grondrente, grondbelasting. *-EIGENAAR, m. (-s), *-EIGENARES, v. (-sen), die landerijen bezit. *-EIGENDOM, m. (-men).

[Grondel]

Grondel, m. (-s), *-ING, m. (-en), zekere visch.

[Grondelig]

Grondelig, bn. grondig. *...LOOS, bn. zonder grond, ongegrond.

[Gronden]

Gronden, bw. gel. (ik grondde, heb gegrond), grondvesten, den grond leggen (van of tot iets); (schild.) de grondverf leggen; ik grond hierop mijne meening, zij berust hierop. ↑ *-, ow. grond voelen.

[Grondgebied]

Grondgebied, o. gmv. uitgestrektheid land waarover bewind wordt gevoerd; stadsgebied, jurisdictie. *...GEBOUW, o. (-en), funderingswerk. *...GETAL, o. (-len), (rek.) hoofdgetal. *...GOLVEN, v. mv. beweging der zee, zeker onderzeesch verschijnsel. *...HAAK, m. (...haken), schuitenvoerdershaak. *...HEER, m. (-en), landheer, grondeigenaar.

[Grondig]

Grondig, bn. (-er, -st), gegrond, op goeden (vasten) grond steunende; hecht, stevig; diep -, wel doordacht; drabbig, onklaar; -e visch, die naar den grond smaakt. *-HEID, v. gmv. *-LIJK, bijw.

[Gronding]

Gronding, v. gmv. het gronden, grondvesting, stichting, oprigting; het bestrijken met grondwerf.

[Grondijs]

Grondijs, o. gmv. ijs dat blijkbaar op den bodem der rivier gelegen heeft. *...KLEUREN, v. mv. oorspronkelijke -, prismatische kleuren. *...KRACHTEN, v. mv. (nat.) krachten aan de stof in het algemeen eigen (b.v. de aantrekkingskracht). *...KREDIET, o. leening tegen onderpand van landerijen. *...KUNDIG, bn. zeer kundig. *...LASTEN, m. mv. opbrengsten wegens grondeigendommen. *...LEEN, o. (-en), leengoed. *...LEER, v. leer die aan iets ten grondslag ligt. *...LEGGER, m. (-s), *...LEGSTER, v. (-s), oprigter, stichter; oprigtster, stichtster. *...LEGGING, v. (-en), stichting, oprigting. *...LES, v. (-sen), grondstelling. *...MUUR, m. (...uren), (bouwk.). *...OORZAAK, v. (...aken), eerste oorzaak. *...PAAL, m. (...alen). *...REGEL, m. (-en, -s), grondstelling, stelregel. *...REGT, o. regt van grondeigendom. *...RENTE, v. (-n), grondcijns. *...SAP, o. gmv. droesem, bezinksel. *...SCHATTING, v. gmv. grondbelasting. *...SCHEIDING, v. (-en), afscheiding van landerijen. *...SLAG, m. (-en), metselwerk in den grond waarop een gebouw moet rusten; (fig.) den - leggen tot iets, de eerste werkzaamheden verrigten om iets tot stand te brengen. *...SOP, o. zie GRONDSAP. *...STEEN, m. (-en), eerste steen; sluitsteen. *...STELLING, v. (-en), grondregel, grondbeginsel. *...STEM, v. (-men), (zangk.) doorgaande bas. *...STOF, v. (-fen), hoofdstof, element. *...TAAL, v. (...alen), oorspronkelijke taal. *...TEEKENING, v. (-en), (bouwk.) schets, plan;

[p. 448]

plattegrond. *...TEKST, m. (-en), oorspronkelijke tekst. *...TOON, m. (-en), (muz.) voornaamste toon. *...VAST, bn. (-er, -st), stevig, hecht, goed in den grond gebouwd. *...VERF, v. (...wen), eerste verf. *...VERGADERING, v. (-en), eerste vergadering van burgers tot het kiezen (van de kiezers) der volksvertegenwoordigers. *...VEST, v. (B.m. en v.) (-en), zie GRONDSLAG. *...VESTEN, bw. gel. (ik grondvestte, heb gegrondvest), stichten, oprigten, de grondslagen van of tot iets leggen. *...VESTING, v. gmv. *....VLAKTE, v. (-n), oppervlakte van den aardbodem; vlak waarop eenig ligchaam verondersteld wordt te rusten. *...VORM, m. (-en), type, typus. *...WATER, o. gmv. water onder den grond. *...WET, v. (-ten), wet die tot grondslag dient; algemeene staatswet, staatsregeling, constitutie. *...WETTIG, bn. (-er, -st), overeenkomstig met de grondwet, door haar voorgeschreven. *...WETTELIJK, bn. (-er, -st), een - (uit de grondwet geput) bezwaar. *...WETSHERZIENING, v. (-en). *...WOORD, o. (-en), stamwoord, oorspronkelijk woord. *...WORTEL, m. (-s), (taalk.) oorspronkelijk bestanddeel van een woord; heidebloem (plant).

[Groot]

Groot, bn. en bijw. (-er, -st), niet klein; hoog; uitgestrekt; lang; ruim; zwaar, dik; aanzienlijk, voornaam; belangrijk, gewigtig; prachtig, heerlijk; een - man, een verdienstelijk man; een -e (lange) man; eene -e letter, hoofd- of kapitale letter; de -e Heer, de Sultan van Turkije; Alexander de -; Frederik de -; de -en, aanzienlijken, rijken; - gaan, zwanger zijn; een - uur, ruim een uur; een wissel ƒ1000 - (bedragende); grooter wordt aangewezen door het teeken >. *-, o. (-en), halve stuiver (= ƒ0.025), (eert.) een pond - (of vlaamsch), = ƒ6. *-AALMOEZENIER, m. (-s). *-ACHTBAAR, bn. zekere titel. *-ACHTBAARHEID, v. § *-BEK, m. en v. (-ken), die een grooten of breeden mond heeft. *-BOEK, o. (-en), een der boeken bij het boekhouden in gebruik; het - der nationale schuld. *-DADIG, bn. (-er, -st), prachtig, heldhaftig. *-DADIGHEID, v. *-ELIJKS, bijw. zeer, in hooge mate; voornamelijk. *-HARTIG, bn. (-er, -st), edelmoedig; (ook) trotsch, fier. *-HARTIGHEID, v. gmv. *-HARTIGLIJK, bijw. *-HEID, v. eigenschap van iets dat groot is; groote gestalte; uitgestrektheid; hoeveelheid; magt; -, v. (...heden), iedere eenheid; (wisk.) alles wat voor vermeerdering of vermindering vatbaar is; zamengestelde -, tweevoudige -, gegevene -, bekende -. *-HERTOG, m. (-en), vorstelijk persoon; souverein van een groothertogdom. *-HERTOGDOM, o. (-men). *-HERTOGELIJK, bn. van eenen groothertog. *-HERTOGIN, v. (-nen). *-JE, (B. -N), o. (-s), vele kleintjes maken één -. -, § oude vrouw, besje. *-KAMERHEER, m. (-en), zekere waardigheid ten hove. *-KANSELIER, m. (-s), zekere waardigheid. *-KEUKENMEESTER, m. (-s), opperkok (ten hove). *-KOP, m. (-pen), goudsche pijp met een langen en breeden kop. *-KRUIS, o. (...zen), rang of klasse eener ridderorde. *-MAARSCHALK, m. (-en). *-MAGTIG, bn. (-er, -st), zeer magtig. *-MAGTIGHEID, v. gmv. *-MAKING, v. gmv. uitbreiding; verheffing, verheerlijking. *-MEESTER, m. (-s), zekere waardigheid; - eener ridderorde, - der vrijmetselaarsorde, - der artillerie. *-MEESTERSCHAP, o. gmv. *-MOE-

[p. 449]

DER, v. (-s), vaders-, moeders-moeder. *-MOEDIG, bn. (-er, -st), edelmoedig, edelaardig. *-MOEDIGHEID, v. gmv. *-MOEDIGLIJK, bijw. *-MOGENDE, bn. zekere titel. *-MOEI, v. (-jen), oud-tante. *-MOND, m. en v. (-en), zie GROOTBEK.. *-NEUS, m. en v. (...zen), die een grooten neus heeft. *-NEUZIG, bn. met een grooten neus. *-OFFICIER, m. (-en), zek. rang of waardigheid (bij ridderorden enz.). *-OOM, m. (-en), oudoom. *-OOR, m. en v. (-en), die groote ooren heeft. *-OUDERS, m. mv. grootvader en grootmoeder.

[Grootsch]

Grootsch, bn. (-er, -st), hoovaardig, trotsch, fier; edel, majestueus; prachtig, heerlijk. *-HEID, v. gmv. hoogmoed; heerlijkheid.

[Grootspraak]

Grootspraak, v. gmv. snoeverij; (fig.) overdrijving. *...SPREKER, m. (-s), *...SPREEKSTER, v. (-s), snoever, pogcher; snoefster, pochster. *...SPREKERIJ, *...SPREKING, v. gmv. snoeverij. *...STALMEESTER, m. (-s), zekere waardigheid ten hove.

[Grootte]

Grootte, v. gmv. lengte, gestalte; uitgebreidheid; (fig.) aan de - is het niet altijd gelegen, naar de uiterlijke gedaante kan men niet oordeelen.

[Grootvader]

Grootvader, m. (-s), vaders-vader, moeders-vader. *...VORST, m. (-en), *...VORSTIN, v. (-nen), titel der prinsen en prinsessen van de keizerlijk-russische familie; (ook) souverein van een groot-vorstendom. *...VORSTENDOM, o. (-men). *...ZEGELBEWAARDER, m. (-s), zekere waardigheid ten hove, ambtenaar die het zegel van den Staat bewaart, (in Frankrijk en elders ook titel van den minister van justitie).

[↑ Grop]

Grop, v. (-pen), groef, greppel.

[Gros]

Gros, o. twaalf dozijn; een - stalen pennen; (fig.) de menigte, massa, het grootste gedeelte, het - der menschen, het - van het leger. *-, o. (B.m.) (-sen), groschen, duitsch muntstuk (1 silbergroschen = ƒ0.06, 1 guter groschen ƒ0.075). *-, *-SE, v. afschrift eener minuut, - van een oorspronkelijk stuk; de grosse dezer akte. *-SEREN, bw. gel. (ik grosseerde, heb gegrosseerd), wijd uit elkander schrijven (een afschrift van eene akte of een vonnis). *-SIER, m. (-s), *-SIST, m. (-en), koopman in het groot.

[† Gros]

Gros, en -, in het groot. *-DE-NAPLES, *-DE-TOURS, o. zware zijden stoffen (naar die steden genoemd).

[† Grossulaar]

Grossulaar, m. een groenachtige granaatsoort.

[Grot]

Grot, v. (-ten), hol (hetzij door de natuur gevormd, of door kunst aangelegd). *-WERK, o. gmv. *-WERKER, m. (-s).

[† Grotesk]

Grotesk, *...TESQUE, bn. wonderlijk, vreemdsoortig, grillig, zeer avontuurlijk. *-EN, o. mv. onnatuurlijke wonderlijke gedaanten; vreemdsoortig beeldwerk (menschen en dieren voorstellende).

[Grouwel]

Grouwel, m. zie GRUWEL.

[Grovelijk]

Grovelijk, bijw. op grove -, lompe wijze; hard, zwaar, ruw.

[Gruis]

Gruis, o. gmv. verbrijzeld puin, keizand; fijne steenkool; alle vaste stoffen in verbrijzelden of verbrokkelden toestand. *-, o. (...zen), glazenmakerswerktuig. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), als gruis. *-DROOG, bn. zeer droog, beendroog. *-IJZER, o. (-s), glazenmakerswerktuig. *-KOOPER, m. (-s). *-ZAND, o. gmv. grof zand.

[Gruit]

Gruit, (B. *-TE), v. gmv. droesem; (fig.) de - in iets brengen, iets bederven.

[p. 450]

[Gruizen]

Gruizen, bw. gel. zie VERGRUIZEN. *...ZIG, bn. (-er, -st), gruisachtig. *...ZIGHEID, v. gmv.

[Grut]

Grut, v. (B.o.), (ook *-TEN), (fig.) kleingoed, nietige waar; uitschot. *-JES, o. mv. gortspijs. *-MOLEN, *-TENMOLEN, m. (-s). *-TE, v. garst. *-TEN, ow. gel. (ik grutte, heb gegrut), grut maken, graan malen; gort pellen. *-TENBRIJ, m. gmv. *-TENMEEL, o. gmv.

[Grutter]

Grutter, m. (-s), die meel, gort, boonen, erwten enz. verkoopt. *-IJ, v. (-en), grutterswinkel; plaats waar garst gepeld wordt. *-SKAR, v. (-ren). *-SKNECHT, m. (-s). *-SMOLEN, m. (-s). *-SPAARD, o. (-en). *-SWINKEL, m. (-s). *-SWAREN, v. mv.

[Gruwel]

Gruwel, m. (-en), hoogste afkeer (van iets), snoodheid; afgrijzen; afschuwelijke daad; eenen - van iets hebben; (fig.) dat is een - voor God. *-, o. (B.m.) broodwater, garstewater. *-DAAD, v. (...daden), verfoeijelijke misdaad. *-EN, ow. gel. zie GRUWEN. *-IG, bn. (-er, -st), bang voor spoken. *-IJK, bn. (-er, -st), en bijw. afgrijselijk, schrikkelijk; geweldig. *-IJKHEID, v. (...heden). *-STUK, o. (-ken), gruweldaad.

[Gruwen]

Gruwen, ow. gel. (ik gruwde, heb gegruwd), eenen afschuw hebben van; verfoeijen.

[Gruwzaam]

Gruwzaam, bn. (... zamer, -st), zie GRUWELIJK. *-HEID, v. zie GRUWELIJKHEID.

[† Guacharo]

Guacharo, m. (-os), zekere groote zuid-amerikaansche nachtvogel.

[† Guadeloupe]

Guadeloupe, de orde van onze Lieve Vrouwe van -, eene mexikaansche ridderorde.

[† Guano, Huano]

Guano, Huano, v. gmv. vogelmest, peruaansche meststof.

[† Guaranine]

Guaranine, v. gmv. zeker alkaloïde in de koffij of thee.

[† Guaves]

Guaves, v. mv. zekere saprijke vruchten (in Oost- en West-Indië).

[Guds]

Guds, v. (-en), steekbeitel (gereedschap); zekere vogel. *-EN, bw. ow. gel. (ik gudste, heb gegudst), met eene guds uitsteken; tappelings uitloopen, het bloed gudste uit de wond.

[Guelphenorde]

Guelphenorde, v. eene hannoversche ridderorde.

[† Gueridon]

Gueridon, m. (-s), soort hooge kandelaar, lichtknaap; hoektafeltje. *...RILLAS, m. mv. ligtgewapende ongeregelde troepen (in de spaansche bergstreken); een guerilla-oorlog, van tijd tot tijd geleverde gevechten tusschen geregelde troepen en stroopende benden.

[Guf]

Guf, bn. en bijw. (-fer, -st), verkwistend, verspillend; (fig.) openhartig.

[Guichelen]

Guichelen, bw. gel. zie GOOCHELEN.

[† Guide]

Guide, m. (-s), gids, wegwijzer; reiswijzer; handwijzer; (mil.) rigtman; de -s, naam van een regement bij het leger.

[Guig]

Guig, v. (-en), bespotting, grimas, kuur; iem. de - nasteken, iem. bespotten. *-ELHEIL, GUICHELHEIL, o. gmv. muurkruid, zekere pijnstillende plant. *-EN, ow. gel. (ik guigde, heb geguigd), kuren maken.

[Guil]

Guil, v. (-en), merrie die nog niet gedragen heeft. *-, m. (-en), lafaard, bloodaard; domkop. *-, bn. en bijw. (-er, -st), laf, bloohartig.

[† Guillemets]

Guillemets, m. mv. aanhalingsteekens, dubbele kommaas, (‘ ’).

[p. 451]

[† Guillocheren]

Guillocheren, bw. gel. (ik guillocheerde, heb geguillocheerd), met dooreengevlochten lijnen versieren.

[↑ Guillotine]

Guillotine, v. valbijl (werktuig door dr. Guillotin uitgevonden ter voltrekking van de doodstraf).

[† Guinee, Guinie, Guinje]

Guinee, Guinie, Guinje, v. (-s), engelsche goudmunt (= ƒ11 à ƒ12).

[† Guirlande]

Guirlande, v. (-s), bloemkrans, bloemslinger, festoen.

[Guit]

Guit, m. (-en), spotboef, grappenmaker; deugniet; kleine -, schalksche jongen. *-ACHTIG, bn. (-er, -st). *-ENSTUK, o. (-ken). *-ENSTREEK, m. (...eken). *-ENWERK, o. gmv. *-ERIJ, v. (-en).

[† Guitar]

Guitar, v. (-en), rinkelbom, zeker snarenspeeltuig.

[Gul]

Gul, bn. en bijw. (-ler, -st), zacht, dun (b.v. van zand); openhartig; mededeelzaam, gastvrij; -le brij, dunne pap; -weg, ronduit, zonder omwegen. *-, v. (B.m.) (-len), zeker vischje. *-AARDIG, bn. (-er, -st), gulhartig. *-DELING, m. (-en), zekere appel.

[Gulden]

Gulden, m. (-s), muntstuk (in Nederland = 100 centen). *-, bn. gouden; de - eeuw; de - les, les die veel waard is; de - regel, regel van drieën; (ook fig.); de - middelstand; het - vlies; ridderorde van het - vlies. *-GETAL, o. (tijdr.) maancirkel. *-STUK, o. (-ken).

[Gulhartig]

Gulhartig, bn. (-er, -st), *-LIJK, bijw. zie GUL. *-HEID, v. gmv. eigenschap van zand dat los en week is; zachtheid; schraalheid, derheid; hartelijkheid.

[Gulp]

Gulp, v. (-en), watergolf; slok; opening (van eene broek enz.). *-EN, bw. gel. (ik gulpte, heb gegulpt), met groote teugen drinken; openstaan.

[Gulzig]

Gulzig, bn. (-er, -st), bijw. gretig, happig, met graagte; vraatzuchtig. *-AARD, (B. ...T), m. (-s), die gaauw en onbeschoft eet; vraat, slokop. *-HEID, v. gem.

[Gummi]

Gummi, o. gmv. plantenslijm, slijmhars; - elasticum, elastieke gom; - guttae, gittegom, geelhars.

[Gunnen]

Gunnen, bw. gel. (ik gunde, heb gegund), niet benijden, gaarne zien dat een ander iets bezit of geniet; toestaan; eene aanbesteding -; de levering is hem gegund (opgedragen). *-NER, m. (-s). *...NING, v. het gunnen, vergunnen; concessie.

[Gunst]

Gunst, v. (-en), toegenegenheid; voorkeur; bescherming; bewijs mij deze -; ik beveel mij in uwe -; om de - (kalandizie) verzoeken; hij staat bij mij in -. *-BEJAG, o. gmv. het aanwenden van (niet altoos eerlijke) middelen om in iem. gunst te geraken. *-BETOON, o. gmv. *-BEWIJS, o. (...zen). *-BLIK, m. (-ken), gunstige-, welwillende blik. *-BRIEF, m. (...ven), oktrooi, privilegie, open (of openbare) brief (eens vorsten). *-ELING, m. en v. (-en), die begunstigd wordt; (fig.) kreatuur, werktuig. *-ELOOS, bn. zonder gunst; uit de gunst. *-GODINNEN, v. mv. (fab.) de drie gratiën *-IG, bn. (-er, -st), *-IGLIJK, bijw. welwillend; voordeelig; aangenaam (gelegen); geschikt. *-JAGT, v. zie GUNSTBEJAG. *-RIJK, bn. (-er, -st). *-WAARDIG, bn. (-er, -st), de gunst verdienende. *-WOORD, o. (-en).

[↑ Gunt (Het)]

Gunt (Het), vnw. hetgeen.

[Gurkje]

Gurkje, (B. -N), o. (-s), zie AGURKJE.

[p. 452]

[Gust]

Gust, bn. niet dragtig; eene -e koe. *-, dat is -e (schrale, magere) kost, zonder vleesch.

[† Gustus]

Gustus, m. smaak; de - non est disputandum, over den smaak valt niet te twisten.

[† Gutta percha]

Gutta percha, v. gmv. zekere veerkrachtige gom.

[Guttegom]

Guttegom, v. gmv. zekere slijmhars.

[† Guttiferae]

Guttiferae, mv. guttegomboomen.

[†Gutturaal]

Gutturaal, bn. tot de keel behoorende, van de keel, keel....

[†Guur]

Guur, bn. (-der, -st), koud, winderig (van het weder); (fig.) stuursch, onvriendelijk. *-HEID, v. (...heden).

[† Gyges]

Gyges, de ring van -, middel om iets onzigtbaar te maken, - om al zijne wenschen vervuld te zien.

[† Gymnasiarch]

Gymnasiarch, m. (-en), schoolopziener. *...SIUM, o. (...ia), middelbare school, latijnsche school.

[† Gymnastiek]

Gymnastiek, v. kunst en leer der kunstmatige ligchaams-oefeningen. *...TIESCHOOL, v. (...olen), ..TISCH, bn. ligchaamsoefenend.

[† Gymnopoden]

Gymnopoden, m. mv. barrevoeters, zekere monniken. *...SOPHISTEN, m. mv. indische wijsgeeren die naakt liepen en zich alle genoegens ontzeiden.

[† Gyps]

Gyps, o. zie GIPS.

[† Gyromantie]

Gyromantie, v. waarzeggerij uit getrokken kringen.

[† Gyroscoop]

Gyroscoop, v. (...open), draaikijker (werktuig).

[† Gynaecocratie]

Gynaecocratie, v. vrouwenregering.