|
|
|
| |
| | | |
P.
| |
[P]
P, v. 16e letter van het alfabet; als rom. getalmerk beteekent P 400; p., pag., pagina, bladzijde; p., père, vader; p., pars, deel; po., primo, de eerste (der maand); P.A., post annum, na een jaar; p.a., par ami, -e, met vriend of vriendin; pCt., per cent, ten honderd; P.C., par of per couvert, ingesloten (van eenen brief); (ook) pour condoler rouwbeklag; p.d., pro deo, om niet, gratis; p.f., par faveur, uit gunst (op ingesloten brieven); (ook) pour féliciter, tot gelukwensching; p.f.v., pour faire visite, om een bezoek af te leggen; Phil. D., philosophiae doctor, meester in de wijsbegeerte (akademische graad); pl., plaat; P.M., pro memoria, om niet te vergeten, ter herinnering; (ook) plus minus, min of meer; (ook) pro of per mille, pour mille, voor of per duizend; (ook) piae memoriae, zaliger gedachtenis; P.O., per order, op bevel, op last; p. occ., per occasionem, met -, bij gelegenheid; p.p., par procuration, bij volmagt, als lasthebbende; p.p., praemisses praemittendis; p.p.c., pour pendre congé, tot afscheid (op visite-kaartjes); P.S., post-scriptum, naschrift (onder eenen brief); Ps., psalm; pr., praec., praecedens, de voorgaande; p.t., pro tempore, ten tijde; praes., praesens, tegenwoordig; praef., praefatio, voorrede; prof., professor, hoogleeraar.
| |
[Pa]
Pa, m. gmv. papa, vader.
| |
[Paadje]
Paadje, (B. *-N), o. (-s), klein pad. *-, page, edelknaap.
| |
[Paai]
Paai, m. (-jen, B. -en), oud man, bestevaâr; termijn (van betaling); (zeew.) die belast is met het beheer en de afgifte van sommige benoodigdheden tot het scheepswerk. *-JEMENT, o. (-en), klein geld, bijsom (om eene grootere vol te maken; termijn van betaling; hij heeft mijn in -en betaald. *-JEN, (B. *-EN), bw. gel. (ik paaide, heb gepaaid), tevreden stellen, in slaap wiegen (met mooije woorden, met beloften); (zeew.) harpuizen (een schip van onderen). *-KIST, v. (-en), kist nabij de mast.
| |
[Paal]
Paal, m. (...alen), langwerpig hout tot opzetten of inslaan bestemd; (ook) steenen stut of afscheiding; eenen - inheijen of inslaan; op palen bouwen; met palen omringen; stijl, staak; aan of voor den - zetten, brengen (ter strafoefening); (wap.) een witte - in een blaauw veld; (fig.) - en perk (aan iets) stellen, iets te keer gaan; dat gaat de palen te buiten, dat gaat te ver; dat staat als een - boven water, het is onbetwistbaar. *-GELD, o. (-en), kaai-, liggeld. *-GORDING, v. (-en), rij meerpalen in het water, afsluiting (soort boom). *-HOOFD, o. (-en), hoofd uit aan elk. verbonden palen zamengesteld. *-HOUDER, m. (-s), (waterw.) dekbalk om de palen regtop te houden. *-KIST, v. (-en), verzameling van palen eene kisting van zand of steenen omsluitende en dienende om het geweld van den golfslag te
| | | |
keeren. *-MEESTER, m. (-s), gaarder van het paalgeld; (ook) opzigter van het paalwerk. *-MOLEN, m. (-s), molen die op palen staat. *-MOSSELEN, v. mv. mosselen die binnen een ompaalde kreek worden gevangen. *-STEEK, m. (...eken), (zeew.) soort knoop. *-STEEN, m. (-en), grens, opstaande steenen paal. *-TJE, (B. -N), o. (-s), kleine paal. *-VAST, bn. (fig.) onbetwistbaar, zeker; standvastig. *-WERK, o. (-en), omheining -, afschutting van palen; heiwerk; palissadering; met - omsluiten. *-WORM, m. (B.v.) (-en), insekt dat de palen doorknaagt.
| |
[Paander]
Paander, m. (-s), teenen korf.
| |
[§ Paap]
§ Paap, m. (...apen), r.k. geestelijke (bij wijze van minachting). *-JE, (B. -N), o. (-s), zek. vogeltje; tonnetje van eenen zijdeworm of eene rups. § *-SCH, bn. pausgezind, roomsch-katholiek (minachtend).
| |
[Paar]
Paar, o. (...aren), tweetal; een - schoenen, -kousen; verloofden, jonggetrouwden; bruid en bruidegom; (fig.) eenige; geef mij een - (eenige) kersen; bij paren (twee aan twee) gaan.
| |
[Paard]
Paard, o. (-en), sterk en fraai viervoetig last- en trekdier; wild -, dampig -, mak -, stijf -; bevangen (verkouden) -; te - stijgen, klimmen, zitten, rijden; te - komen; een optogt te -, cavalcade; een - bij den toom houden, - leiden; -en mennen, besturen door leidsels en zweep; -en afrijden, er mede voor het eerst rijden als zij nieuwe hoefijzers hebben gekregen; - onder den man, rijpaard; koets en -en houden; hij houdt er een - op na, hij bezit een rijpaard; een houten -, hobbelpaard; (timm.) soort schraag om de onderlagen in eene bedstede te dragen; (spr.) het - achter den wagen spannen, te laat met iets komen, de zaak verkeerd aangrijpen; het - dat den haver verdient krijgt hem niet, de waardigsten ziet men over het hoofd; het oog van den meester maakt het - vet, die zelf zijne zaken bestuurt vaart er het beste bij; het hinkende - komt achteraan, de bezwaren toonen zich aan het einde; iem. over het - tillen, iem. te veel roemen, opvijzelen, iem. grooteren dunk van zich geven dan hij verdient; het beste - struikelt wel, de beste en verstandigste kan soms dwalen; iem. op het - helpen, hem begunstigen, hem voorthelpen; eene ziekte komt te - en gaat te voet, eene zware ziekte komt meestal spoedig aan maar men herstelt er langzaam van; ik noem u man en -, ik zeg u alles, verzwijg niets. § *-, (fig.) zwaar en log vrouwmensch; (ook) ontuchtig vrouwspersoon. *-, (zeew.) rij balken onder het dek; (zek.) touw. *-, (sterr.) het groote -, Equus, Pegasus; het kleine -, Equuleus, Cyllaris, namen van twee sterrebeelden.
| |
[Paarden]
Paarden, bw. gel. (ik paardde, heb gepaard), (een vaartuig) door paarden laten voorttrekken. *-ARBEID, m., *-WERK, o. gmv. het werk van een paard; (fig.) hij doet -, hij werkt hard, slooft zich af. *-ARTS, *-DOCTOR, m. (-en), veearts. *-ARTSENIJ, v. (-en), middel tegen paardenziekte. -KUNDE, v. gmv. -SCHOOL, v. (...olen). *-BEK, m. (-ken). *-BERIJDER, m., *-BERIJDSTER, v. (-s), afrigter-, afrigtster van paarden. *-BLOEM, v. (-en), soort bloem. *-BOER, m. (-en), die paarden fokt, ze verhuurt en verkoopt. *-BOON, v. (-en), groote boon, wikke. *-DEK, o. (-ken), (rijsch.) dekkleed der paarden.
| | | |
*-DIEF, m. (...ven). *-DIEVERIJ, v. (-en). *-DOODER, m. (-s). *-DOODSTER, v. (-s). *-DREK, m. gmv. *-GELD, o. (-en), belasting op de paarden; (ook) wat men voor het rijden op een paard betaalt. *-GESLACHT, o. (-en). *-HAAM, m. (...amen), halster. *-HAAR, o. (...aren), - koken, het bereiden. *-HAREN, bn. van paardenhaar. *-HALS, m. (...zen). *-HALSTER, m. (-s), juk van een lastpaard. *-HANDEL, m. gmv. *-HOEF, m. (...ven). *-KAM, m. (-men), kam waarmede de paarden gereinigd worden. *-KASTANJE, v. (-s), zek. gewas. *-KENNER, m. (-s). *-KLAAUW, m. (-en), paardenhoef; (ook) soort bloem, hoefblad. *-KLEED, o. (-en), paardendek. *-KOOPER, m. (-s). *-KOP, m. (-pen). *-KRACHT, v. (-en), maat voor de kracht der stoomwerktuigen; een stoommachine van 80 - (niet: paardenkrachten). *-LIJN, v. (-en), treklijn (aan vaartuigen). *-LOOP, m. gmv. *-MARKT, v. (-en). *-MEESTER, m. (-s), veearts. *-MEST, m. gmv. *-ONTLEDING, v. (-en). *-SCHEET, m. (...eten). *-POOT, m. (-en). *-SCHOUW, -ING, v. (-en), inspectie der paarden. *-SMID, m. (...smeden), hoefsmid. *-STAART, m. (-en), staart van een paard; onderscheidingsteeken in Turkije; pacha met drie -en; (plant.) zek. bloem. *-STAARTIG, bn. -e gewassen. *-STAL, m. (-len). *-STEEN, m. (-en), zek. delfstof. *-STOET, m. (-en). -ERIJ, v. (-en), plaats -, inrigting tot het aanfokken van paarden. *-STRONT, m. gmv. *-STROO, o. gmv. *-TEELT, m. (-en), paardenfokkerij. *-TUIG, o. (-en), toom, zadel enz. van paarden. *-TUISCHER, m. (-s), paardenhandelaar. ...ING, v. gmv. handel in paarden. *-VIJG, v. (-en), paardendrek. *-VLIEG, v. (-en), groote -, gonzende vlieg. *-VOEDER, o. gmv. *-VOLK, o. gmv. (mil.) ruiterij. *-VRACHT, v. (-en), wat een paard trekken kan. *-WED, o. (-den). *-WERK, o. gmv. *-WIK, v. (-ken), paardenboon. *-ZADEL, m. (-s). *-ZALF, v. (...ven). *-ZOEN, m. (-en), slag met den hoef; (fig.) harde oorveeg.
| |
[Paardje]
Paardje, (B. *-N), o. (-s), hit; (fig.) - rijden, zek. kinderspel; (fig.) hij eet zooveel als een - trekken kan, hij eet zeer veel.
| |
[Paardmensch]
Paardmensch, m. (-en), (fab.) centaur. *...RIJDER, m. (-s), ruiter, ...STER, v. (-s), vrouw die kunstmatig te paard rijdt, † écuyère.
| |
[Paarlemoer]
Paarlemoer, o. gmv. binnen- of gladde zijde der oester- en andere schelpen. *-EN, bn. van paarlemoer.
| |
[Paarling]
Paarling, v. (-s), (scheik.) stof waarmede een zuur verbonden is.
| |
[Paarsch]
Paarsch, bn. (ook PAARS, B. PAARSCHEN), grijsachtige kleur, violet.
| |
[Paarsgewijze]
Paarsgewijze, bijw. bij paren, twee aan twee.
| |
[Paaschachter]
Paaschachter, o. (r.k.) laatste paaschdag. *...AVOND, m. (-en), avond vóór Paschen. *...BEST, o. gmv. mooiste zondagskleederen; zijn - aantrekken; zich - aankleeden. *...BLOEM, v. (-en). *...BROOD, o- (-en), groot krentenbrood dat op Paschen soms door de bakkers aan hunne klanten ten geschenke wordt gezonden; (bij de israelieten) ongezuurd brood; (bijb.) brood der armoede. *...DAG, m. (-en). *...EI, o. (-jeren). *...FEEST, o. gmv. *...LAM, o. gmv. lam dat op Paschen geslagt moet worden; (fig.) Jezus Christus. *...TIJD, m. (-en). *...WEEK, v. gmv. week vóór Paschen; (ook) het paaschfeest der israelieten.
| |
[Paaschen]
Paaschen, v. en o. gmv. paaschfeest.
| | | |
| |
[Paauw]
Paauw, m. (-en), zek. fraaije tamme vogel; (fig.) vrouw die zich gaarne opschikt en een trotschen gang heeft; zij stapt als een -*. *-ENEI, o. (-jeren), *-ENHOK, o. (-ken). *-ENNEST, o. (-en). *-ENOOG, o. (-en). *-ENPEN, v. (-nen). *-ENSTAART, m. (-en). *-ENVEÊR, v. (-en). *-ENVOET, m. (-en). *-INNETJE, (B. -N), o. (-s), (fig.) ijdel meisje. *-IN, v. (-nen), wijfje van den paauw. *-, zek. sterrebeeld. *-TJE, (B. N), o. (-s), kleine paauw.
| |
[† Pachometer]
† Pachometer, m. (-s), diktemeter, werktuig om de dikte van belegd spiegelglas te meten.
| |
[Pacht]
Pacht, v. (B.m. en v.), (-en), huur (van land, hoeven, mijnen enz., ook van zekere diensten); iets in - nemen, hebben, geven. *-EN, bw. gel. (ik pachtte, heb gepacht), huren, in pacht nemen, (ook zek. diensten); het zout -, voor de opbrengst van het zout zekere som in eens aan het land betalen. *-ER, m., *-STER, v. (-s), huurder, huurster (van landerijen, hoeven, van zek. belastingen, tellen enz.). *-ERSDOCHTER, v. (s). ...VROUW, v. (-en). ...ZOON, m. (...onen). *-GELD, o. (-en), huurprijs, huurpenningen. *-HOEVE, v. (-n), hoeve die verpacht of verhuurd is. *-HUUR, v. (...uren), prijs waarvoor iets verpacht is; (ook) de penningen daarvan. *-JAAR, o. (...aren), jaar van den tijd eener pacht. *-SPEL, o. (leenst.) verpachting met behoud van zekere heerendiensten. *-TIJD, m. (-en).
| |
[† Packet]
† Packet, v. en o. zie PAKKET.
| |
[† Pacificeren, Pacifiëren]
† Pacificeren, Pacifiëren, bw. gel. (ik pacificeerde of pacifiëerde, heb gepacificeerd of gepacifiëerd), bevredigen, vrede maken, de rust herstellen, tot bedaren brengen. *...CIFICATIE, v. (...ën), bevrediging; (ned. gesch.) de - van Gent, (in 1576). *...COTILLE, v. gmv. vrachtgoed, passagiersgoed; pak, pak en zak.
| |
[† Paco]
† Paco v. dier waarvan de Alpaca-wol afkomstig is.
| |
[† Pactum, pact]
† Pactum, pact, o. (pacta), verdrag; familie-verbond; (ook) verbond met den booze.
| |
[Pad]
Pad, o. (-en), weg, baan, voet-, jaagpad; (fig.) het - der deugd; vlied de - en der boozen. *-, *-DE, v. (-n), zek. viervoetig dier met zeer korte naauw merkbare pooten. *-DEBLOEM, v. (-en), (plant.) stinkende kamille. *-DENEST, o. (-en), (fig.) morsig oord. *-DESTEEN, m. (-en). *-DESTOEL, m. (-en), zek. plant en moesvrucht; vergiftigde -, kampernoelje.
| |
[† Paddan]
† Paddan, m. bedrag van 1000 millioen ropijen (in Indië).
| |
[† Paddi]
† Paddi, o. zek. oost-indische spijs.
| |
[† Padisjah]
† Padisjah, m. opperheer, (ceretitel van den sultan).
| |
[† Paedagogie]
† Paedagogie, v. zie PEDAGOGIE.
| |
[† Paean]
† Paean, o. (-s), lofzang op Apollo; io -! der Godheid lof!
| |
[Paf!]
Paf! tw. bons! *-, m. gmv. slag, oorveeg. -, bn. (-fer, -st), opgeblazen, opgezet (van veel eten of drinken). *-FEN, ow. gel. (ik pafte, heb gepaft), opzetten; het eten paft mij (blaast mij op); schieten, afvuren. -, bw. afrossen. *-ZAK, m. (-ken), lomperd, vlegel.
| |
[† Pagaai]
† Pagaai v. (-jen, -en), (zeew.) roeiriem (der wilden). *...GADET, v. (-ten), soort duif.
| |
[† Page]
† Page v. bladzijde. *-, *...GIE, m. (s), edelknaap, hofjonker.
| | | |
*...GINA, v. (-as), bladzijde. *...GINEREN, bw. gel. (ik pagineerde, heb gepagineerd), bladzijden nommeren.
| |
[† Pagode]
† Pagode v. (-n), afgodstempel (in China, Japan en Hindostan); afgodsbeeld; zek. indische goudmunt.
| |
[† Pailletten]
† Pailletten, v. mv. loovertjes.
| |
[† Pair]
† Pair, m. (-s), (oudt.) gelijke in geboorte en rang; lid van het engelsche Hoogerhuis; (vroeger) lid der eerste kamer in Frankrijk. *-SCHAP, o. gmv. hoedanigheid -, rang van pair. *-ESSE, v. (-n), vrouw van eenen prior.
| |
[↑ Pais]
↑ Pais v. gmv. vrede.
| |
[† Pajement]
† Pajement, zie PAAIJEMENT.
| |
[Pak]
Pak, o. (-ken), eenige gelijke of verschillende voorwerpen bij elk. gevoegd; bundel, last, kleedingstukken; een nieuw - kleêren, broek, jas en vest; een - papieren; (fig.) met zak en - (met al zijne have) vertrekken; een - slaag, een dragt slagen; (fig.) een lastig -, een moeijelijke taak. *-DOEK, o. gmv. grof linnen. *-DRAGER, *-KEDRAGER, m. (-s), sjouwerman, zakkedrager. *-EZEL, m. (-s). † *-FONG, o. wit koper (zek. metaalmengsel). *-GAREN, o. (-s). *-GELD, o. (-en). *-HAAK, m. (...aken). *-HUIS, o. (...zen). -HUUR, v. (...uren). -MEESTER, m. (-s), opzigter van pakhuizen. *-JE, (B. -N), o. (-s), klein pak; (spr.) ieder draagt zijn -, elk mensch moet zijn lot ondergaan; zij heeft haar - afgelegd, zij is bevallen.
| |
[Paket]
Paket, o. en v. zie PAKKET.
| |
[Pak-ijs]
Pak-ijs, o. gmv. hoeveelheid drijfijs die eene groote uitgestrektheid beslaat.
| |
[Pakkaadje]
Pakkaadje, v. (-n), bagaadje, (reis)goederen. *...KAST, v. (-en). *...KELDER, m. (-s). *...KEN, bw. gel. (ik pakte, heb gepakt), grijpen, aan-, omvatten; vangen; eenen dief -, aanhouden, opbrengen; in eenen koffer -, in een valies doen; omwikkelen; tot een pak maken; iets in een papier -; haring -, in tonnen doen; ineendringen, zamenpersen; dat is te veel in malkander gepakt; (fig.) zijne biezen -, vlugten, aan den haal gaan.
| |
[Pakker]
Pakker, m., *...STER, v. (-s), die pakt; de schotsche, de fransche pakkers, enz. (oudt.) zek. gilden van goederenbestellers te Amsterdam.
| |
[Pakket]
Pakket, o. (ten), klein pak. *-, v., *-BOOT, v. (-en), beurtschip, postschip (inz. naar Engeland). *-VAART, v. pakketbootendienst.
| |
[Pakking]
Pakking, v. (-en), het pakken. *...KIST, v. (-en). *...LINNEN, o. (-s), pakdoek. *...MAND, v. (-en). *...NAALD, v. (-en), zeer groote ijzeren naald met wijd oog. *...PAARD, o. (-en). *...PAPIER, o. (-en), zeer grof graauw papier, stroopapier. *...RIEM, m. (-en), lederen riem om eenen koffer enz. *...SCHUIT, v. (-en), vrachtschuit op binnenwateren. *...STOK, m. (-ken), stok om wasschen enz. in te pakken. *...TOUW, o. (-en), bindtouw, dik pakgaren. *...WAGEN, m. (-s). *...ZADEL, m. (-s). *...ZOLDER, m. (-s).
| |
[Pal]
Pal, m. (-len), pen tot het tegenhouden van eene spil of een rad. *-, bijw. onbewegelijk, stilstaand; - staan in het gevaar, niet terugdeinzen; iem. - zetten, iem. door redenering den mond snoeren.
| |
[† Paladada]
† Paladada, v. soort italiaansche zegelaarde.
| | | |
| |
[† Paladijn]
† Paladijn, m. (-en), ridder; vrouwenverdediger (uit de middeleeuwen).
| |
[† Palaeographie]
† Palaeographie, v. gmv. kennis van de schrijfkunst en het schrift der ouden. *...LOGIE, v. gmv. oudheidkunde.
| |
[† Palaeontographie]
† Palaeontographie, v. gmv. beschrijving en afbeelding der fossiele overblijfselen uit de voorwereldlijke schepping. *...TOLOGIE, v. gmv. leer der voorwereldlijke dieren en gewassen.
| |
[† Palaeophytographie]
† Palaeophytographie, v. gmv. leer van de planten der voorwereld. *...PHYTOLOGIE, v. gmv. leer betreffende de fossiele overblijfselen van voorwereldlijke planten.
| |
[† Palagoniet]
† Palagoniet, m. zek. gesteente (op IJsland en in Limburg).
| |
[† Palank]
† Palank, v. (-en), verschansing (in Turkije). *-IJN, v. (en), draagstoel (in Azië). *...LATINA, v. (-n), pels-, halskraag, manteltje. *...LATIJN, m. paltsgraaf. *...LATINAAT, o. gmv. de Paltz; paltsgraafschap.
| |
[Paleerder]
Paleerder, m., *...STER, v. (-s), versierder, ...ster. *...NAALD, v. (-en). *...PRIEM, m. (-en). *...SEL, o. (-s), versiering.
| |
[Palei]
Palei, v. (-jen, B. -en), katrol; (oudt.) folterfuig; iem. aan de - (of paleije) slaan.
| |
[Paleis]
Paleis, v. (...zen), koningshuis, hof; (ook) uitgestrekt en fraai ingerigt gebouw; - van justitie; nijverheids-, - van volksvlijt; (fig) zijn huis is een -, het ziet er zeer rijk bij hem uit.
| |
[Palen]
Palen, ow. gel. (ik paalde, heb gepaald), grenzen, raken aan...
| |
[† Paleren]
† Paleren, bw. gel. (ik paleerde, heb gepaleerd), opschikken, versieren.
| |
[† Paleo]
† Paleo..., zie PALAEO...
| |
[Palet]
Palet, o. (-ten), (schild.) verfbordje, -plankje; (fig.) de schilderstrant; kaatsplankje. *-TEN, ow. gel. (ik palette, heb gepalet), met den bal spelen, raketten.
| |
[† Paletot]
† Paletot, m. (-s), korte overjas (met zakken op zijde).
| |
[Palfrenier]
Palfrenier, m. (-s), tweede koetsier, koetsbediende.
| |
[† Pali]
† Pali, v. heilige taal van den Ganges. *-KAAR, m. (...aren), nieuw-grieksch soldaat.
| |
[Paling]
Paling, m. (-en), dikke aal (visch); - steken, paling vangen. *-NET, o. (-ten). *-STEKEN, *-TREKKEN, o. gmv. het paling vangen; (ook) zek. volksspel. *-STEKER, m. (-s), werktuig, aalgeer.
| |
[† Palingenesie]
† Palingenesie, v. wedergeboorte. *...LINODIE, v. gmv. herhaling (van een refrein); (fig.) herroeping van eene lasterlijke aantijging. *...LINUUR, m. (...uren), (dicht.) stuurman.
| |
[† Palissade]
† Palissade, v. (-n), paalwerk. *...DEREN, bw. gel. (ik palissadeerde, heb gepalissadeerd), met paalwerk om- of afsluiten, omringen. *...DERING, v. het palissaderen; paalwerk.
| |
[† Palisander, Palixander]
† Palisander, Palixander, o. gmv. zek. fijne houtsoort; purperhout.
| |
[† Paljas]
† Paljas, m. (-sen), hansworst, potsenmaker; clown.
| |
[Palklamp]
Palklamp, m. (-en), (zeew.) klamp die een pal van achteren steunt.
| |
[Palladium]
Palladium, o. (-s), beeld der beschermgodin Minerva; (fig.) schild, heiligdom, heiligst kleinood; de vrijheid is het - der volken. *-, zek. metaal.
| | | |
| |
[Pallas]
Pallas, v. naam van Minerva; naam nener planeet, aangeduid door het teeken . *-, m. (-sen), ruitersabel.
| |
[† Palliatief]
† Palliatief, o. (...ven), verzachtend geneesmiddel; tijdelijke hulp. *...LIËREN, bw. gel. (ik palliëerde, heb gepalliëerd), verzachten; vergoêlijken, bemantelen.
| |
[† Pallium]
† Pallium, o. (-s), (r.k.) priestermantel.
| |
[† Palle]
† Palle, v. (-n), zek. amerikaansch vaartuig.
| |
[Palm]
Palm, v. (-en), vlak der hand; zek. lengtemaat (= 1/10 der ned. el = 10 duimen of decimeters); een vierkante -; een kubieke - (=1 nederl. kan, kop, liter). *-, m. zek. boom; kokos-; (ook) takje van den palmboom; hulst; de huizen waren met - versierd.
| |
[† Palma]
† Palma, v. (-as), oost-indisch vaartuig. *-CHRISTI, v. kruisboom, wonderboom. *-CITEN, m. mv. versteende palmtronken. *-TUS, bn. (plant.) handvormig.
| |
[Palmboom]
Palmboom, m. (-en). *-EN, bn. palmhout. *...EEKHOREN, -TJE, (B. -N), o. (-s), west-indische meerle. *...HOUT, o. gmv. -EN, bn. van palmhout.
| |
[Palmiet]
Palmiet, o. palmmeel, palmmerg.
| |
[Palmkermis]
Palmkermis, v. (-sen), voorjaarsmarkt. *...KOOL, v. (-en). *...MARKT, v. markt vóór Paschen. *...MERG, o. gmv. splint van den palmboom. *...OLIE, v. (-ën). *...RIET, o (-en), -EN, bn. van palmriet. *...STRUIK, v. (-en). *...TAK, m. (-ken). *...WIJN, m. *...WORTEL, m. (-s). *...ZONDAG, m. Zondag vóór Paschen.
| |
[Palmotten]
Palmotten, ow. zie PLAMOTTEN.
| |
[† Palpabel]
† Palpabel, bu. en bijw. (-er, -st), voel-, tastbaar (van bewijzen); zonneklaar. *...PITATIE, v. (...ën), hartklopping, pols-, aderslag. *...PITEREN, ow. gel. (ik palpiteerde, heb gepalpiteerd), kloppen, jagen (van den pols of het hart) van angst of aandoening.
| |
[Palsterstok]
Palsterstok, m. (-ken), *...STAF, m. (...ven), pelgrimsstok.
| |
[Paltsrok]
Paltsrok, m. (-ken), pelgrimsrok, -tabbaard; (ook) soort zaagmolen.
| |
[Paltsgraaf]
Paltsgraaf, m. (...aven), naam eener vorstelijke waardigheid. -SCHAP, o. (-gen). *...GRAFELIJK, bn. en bijw. *...GRAVIN, v. (-nen).
| |
[† Pampas]
† Pampas, v. mv. grasvlakte; prairie (in Zuid-Amerika). *-F(PH)LET, o. (-ten), schotschrift; blaauwboekje; (oudt.) vlugschrift. -IST, m. (-en), schotschriftschrijver, lasteraar (in geschriften).
| |
[Pampelmoes]
Pampelmoes, m. (...zen), zek. vruchtboom (in Indië). *...PERNOELJE, v. (-n), soort paddestoel.
| |
[† Pampera]
† Pampera, v. (zeew.) snel opkomende wind op de zuid-amerikaansche kust.
| |
[Pan]
Pan, v. (-nen), bekkenvormig keukengereedschap (bij het koken enz.); heiligheid van een geweerslot; kruid op de - doen; (fig.) in de - hakken, geheel vernielen (een leger); aan de - blijven kleven of hangen, zich om bestwil met iets bemoeijen en er slecht afkomen. *-AAL, m. (...alen), aal geschikt om gebraden te worden. *-AARZEN, bw. gel. (ik panaarsde, heb gepanaarsd), geeselen. ...ING, v. (-en), geeseling. *-APPEL, m. (-s, -en), braadappel. *-BOOR, v. (...oren), (wondh.) trepaneerboor.
| |
[† Panacea]
† Panacea, v. mv. algemeene geneesmiddelen.
| | | |
| |
[Panache]
† Panache, v. (-n), vederbos, helmbos.
| |
[† Pancarte]
† Pancarte, v. bordpapieren omslag; groote uitslaande lijst van artikelen. *...CHRESTUM, o. (-s), algemeen geneesmiddel. *...CRATESIE, v. alleenbezit, alleenmagt. *...CRATIUM, o. werktuig tot verklaring van krachtsinspanning.
| |
[Pand]
Pand, o. (-en), zijstuk (van eenen jas of rok); waarborg, onderpand; op - leenen, in of te - geven; een - lossen; (fig.) het - der huwelijksmin, een kind; mijn woord zij u tot -; mijn hoofd tot -; weddingschap; gebouw, perceel; erf, (oudt.) pakhuis; kistemakers-; magazijn. *-BEZITTER, m., *-BEZITSTER, v. (-s), die iets ten onderpand heeft, beleener, beleenster; hypotheekhouder, -houdster.
| |
[† Pandekten]
† Pandekten, v. mv. verzameling van werken over het oudromeinsche regt, wet van keizer Justinianus. *...DEMISCH, bn. algemeen (van ziekten).
| |
[Pandelingschap]
Pandelingschap, o. zek. instelling tot verpligte heerendiensten in Oost-Indië.)
| |
[Panden]
Panden, bw. gel. (ik pandde, heb gepand), beslag leggen op goederen; goederen geregtelijk laten verkoopen ter voldoening van schuld; in pand geven, beleenen. *...DER, m. (-s), deurwaarder, geregtelijk pandverkooper. *...DING, v. (-en), het panden; verkoop bij executie. *-SPEL, o. (-en), zek. gezelschapsspel.
| |
[Pandjeshuis]
Pandjeshuis, o. (...zen), bank van leening voor zeer kleine panden, kleine lombard.
| |
[Pandhouder]
Pandhouder, m.(-s), pandbezitter. *...LIEDEN, m. mv. gijzelaars.
| |
[† Pandoer]
† Pandoer, m. (-en), hongaarsche voetsoldaat. *-EN, ow. gel. (ik pandoerde, heb gepandoerd), zek. kaartspel spelen; het -, dit kaartspel.
| |
[† Pandora]
† Pandora, v. (fab.) meisje dat naar den hemel werd gevoerd; naam eener planeet; de doos van -, doos die alle kwalen en rampen bevatte, welke door Pandora tegen Jupiters bevel werd geopend.
| |
[Pandregt]
Pandregt, o. gmv. regt van hypotheek, - van schepenkennis. *...SCHULD, v. (-en), hypotheekschuld. -ENAAR, m. (...aren), -STER, v. (-s), die schuldig is wegens hypotheek. *...SPEL, *...ENSPEL, o. (-en), zek. gezelschapsspel.
| |
[Paneel]
Paneel, o. (-en), houten beschot, deel van eenen wand; eene kamer met beschilderde -en. *-HOUT, o. gmv. wagenschot. *-RAAM, o. (...amen), raam waarin een paneel wordt gezet. *-SCHILDER, m. (-s), die zich bijzonder toelegt op het beschilderen van paneelen. *-WERK, o, (-en).
| |
[† Panegyricus]
† Panegyricus, m., *...RIEK, v. (-en), lofrede, lofdicht.
| |
[† Panelle]
† Panelle, v. gele ruwe suiker in schijfvormige stukken.
| |
[Panharing]
Panharing, m. (-en), versche -, groene haring. *...LIKKEN, bw. gel. (ik panlikte, heb gepanlikt), smarotsen, op de klap loopen. *...LIKKER, m., *...LIKSTER, v. (-s), klaplooper, smarotser, smarotster. *...LIKKERIJ, v. (-en).
| |
[† Panharmonicon]
† Panharmonicon, o. (-s), zek. zamengesteld blaasinstrument. *...HELLENION, m. (-s), opperste staatsraad in Nieuw-Griekenland.
| |
[† Paniek]
† Paniek, v. gmv. algemeene angst; er heerschte heden eene - aan de beurs, (inz. in den fondsenhandel), ieder zocht te verkoopen.
| | | |
*...NISCH, bn. vreeswakkend; -e schrik, algemeene doch ongegronde angst (inz. onder een vechtend leger).
| |
[† Pankong]
† Pankong, v. (-en), chineesch vaartuig.
| |
[† Pankratisch]
† Pankratisch, bn. zeer krachtig; een - (zeer sterk vergrootend) mikroskoop.
| |
[Pannekoek]
Pannekoek, m. (-en), soort gebak. *-EN, ow. gel. (ik pannekoekte, heb gepannekoekt), leuteren, lanterfanten; lang staan te wachten. *...LIKKER, m. (s), zie PANLIKKER.
| |
[Pannenbakker]
Pannenbakker, m. (-s), vervaardiger van dakpannen. *-IJ, v. (-en), fabriek van dakpannen. *...DAK, o. (-en), dak met pannen belegd. *...DEKKER, m. (s), leidekker. *...DEKSEL, o. (-s).
| |
[Pannesteen]
Pannesteen, m. (-en), ketelsteen.
| |
[Pannetje]
Pannetje, (B. *-N), o. (-s), kleine pan (in alle bet.).
| |
[† Panorama]
† Panorama, o. (-as), algezigt, voorstelling (eener stad enz.) in eene ronde tent in welker midden zich de beschouwer bevindt.
| |
[Pansfluit]
Pansfluit, v. (-en), rieten fluit, herdersfluit (uit zeven aaneengebonden pijpjes bestaande).
| |
[† Panslavismus]
† Panslavismus, o. gmv. zucht of poging van alle slavonische volken (het noorden van Turkije, de Wallachijers, Serviërs, Dalmatiërs, Croaten, Zevenbergers enz.) om zich tot ééne natie te vereenigen. *...SOPHIE, v. gmv. Alwijsheid.
| |
[Pantalon]
Pantalon, m. (-s), hansworst -, (ook) de bedrogen vader in de italiaansche blijspelen en in het ballet; lange broek (waarvan de pijpen tot op de hielen afdalen; (muz.) opstaande pen (in het klavier).
| |
[Panter]
Panter, m. (-s), *-DIER, o. (-en), soort tijger. *-HOK, o. (-ken). *-HUID, v. (-en). *-JAGT, v. (-en). *-VEL, o. (-len).
| |
[† Pantheïsmus]
† Pantheïsmus, o. gmv. algeloof, geloof dat de wereld zelve God is. *...THEÏST, m. (-en), aanhanger van het algeloof. *...THEON, o. (-s), altempel (aan alle goden te zamen gewijd); eeregebouw voor al de beroemde mannen van een land.
| |
[† Pantocratie]
† Pantocratie, v. gmv. alheerschappij, het bestaan van één heerscher over allen. *...GRAAF, m. (...afen), teekenaap (zeker kunstmatig werktuig). *...METER, m. (-s), hoekmeter (werktuig). *...MIME, v. gmv. gebarenspel (zonder woorden); ballet. *...MIMIEK, v. gmv. gebarenkunde. *...MIMISCH, bn. door gebaren aangeduid. *...MIMIST, m. en v. (-en), gebarenspeler, ...speelster. *...PHAAG, bn. met alles zich voedende. -, m. veelvraat.
| |
[Pantoffel]
Pantoffel, v. (-s), soort schoeisel, huisschoen; muil; (fig.) hij staat onder de -, hij laat zich, door zijne vrouw beheerschen). *-PROMENADE, v. het wandelen van den voornamen stand op eene bepaalde plaats en een bepaalden tijd.
| |
[Pantser]
Pantser, o. (-s), kuras, harnas, ijzeren bekleedsel. *-EN, bw. gel. (ik pantserde, heb gepantserd), met een kuras of harnas bekleeden; een gepantserd schip, vaartuig geheel met ijzer beslagen (zoodanig dat de vijandelijke kogels het niet beschadigen kunnen). *-MAKER, m. (-s). *...SIER, o. pantser.
| |
[† Panurgie]
† Panurgie, v. gmv. arglist.
| |
[Panvisch]
Panvisch, m. (...sschen), visch om te bakken; gebakken -, ge- | | | | braden
visch. *...VLIES, o. (...zen), (ontl.) vlies boven de hersenpan. *...VOL, v. gmv.
| |
[Pap]
Pap, v. (-pen), brij, kooksel van meel, brood enz.; (heelk.) verzachtend middel op zweren enz; alles wat tot eenen brij gekookt of geworden is; (spr.) wien de - geboden wordt moet gapen, men behoort van de gelegenheid gebruik te maken; mijn hoed is als - (doornat).
| |
[Papa]
Papa, m. (-as), vader; paus. *...PAAL, bn. pauselijk. *...PAATJE, (B. -N) o. (-s), vadertje.
| |
[Papachtig]
Papachtig, bn. als pap.
| |
[Papaver]
Papaver, m. (-s), slaapbol. *-ACHTIG, bn. -e planten.
| |
[Papbaard]
Papbaard, m. en v. (-en), die verzot is op pap; (ook) die pap morsig eet. *...ETER m. (-s). *...EETSTER, v. (-s).
| |
[Papegaai]
Papegaai, m. (-jen, B. -en), zek. fraaije tropische vogel; hij is een ware -, hij spreekt of baauwt alles na; den - of naar den - schieten, zek. schuttersspel; (fig.) den - geschoten hebben een goeden slag hebben gedaan. *-DUIKER, m. (-s), zek. groenlandsche vogel. *-JEKRUID, o. zek. fraaije bloem. *-SBEK, m. (-ken), soort tulp. *-s-KOOI, v. (-jen, B. -en). *-SNEUS, m. (...zen), kromme neus. *-STOK, m. (-ken), (zeew.) zek. houtwerk.
| |
[Papenaad]
Papenaad, m. (...aden), (zeew.) naad tusschen de zeilen.
| |
[Papenbloem]
Papenbloem, v. (-en), zek. plant. *...GEBROED, -SEL, o. gmv. (fig.), minachtende naam voor priesters (inz. r.k.). *...HOED, m. (-en), priesterhoed; (ook) zek. plant. *...HOUT, o. gmv. wagenschot. *...SCHOEN, m. (-en), zek. kruid.
| |
[† Paperassen]
† Paperassen, v. mv. oud papier, scheurpapier.
| |
[Papier]
Papier, o. (-en), eene uit vodden vervaardigde zelfstandigheid geschikt om er op te schrijven, te teekenen enz.; een boek -, een riem -; vloei-, post-, schrijf-, kaart-, bord-, kas-, stroo-, pak-; scheur-, oude papieren; teeken-, machinaal -, door machines vervaardigd en niet op de oud-hollandsche wijze in een molen. *-, wissels; duizend gulden in goed -, in wissels op goede huizen; munt-, bank-, geldswaardig -. *-, dagblad; de fransche -en. *-, het - vloeit of slaat door (van den inkt); op het - brengen, in schrift zetten. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), als papier, naar papier gelijkende. *-BEDERVER, m. (-s), slechte schrijver, knoeijer. *-BLOEM, v. (-en), (plant.). *-BLAD, o. (-eren). *-BOOM, m. (-en), (oudt.) papyrus (welke tot beschrijven diende). *-DRAGEND, bn. bestanddeelen bevattende waarvan men papier kan maken. *-EN, bn. van papier; - geld, papier dat een wettigen koers of geldswaarde heeft; de - wereld, geldwereld, fondsen. *-FABRIEK, v. (-en). -ANT, m. (-en). *-HANDEL, m. gmv. handel in papier; (ook) effekten-, fondsenhandel. *-HANDELAAR, m. (-s). -STER, v. (-s). *-KAST, v. (-en). *-LADE, v. (-n). *-KNIPPER, m., ...STER, v. (-s), die allerlei figuren enz. kunstig uit papier weet te knippen. *-KNIPSEL, o. (-s), uit papier geknipte figuren. *-KRAAM, v. gmv. kraam waar papier verkocht wordt; (ook fig.) effektenhandel, -beurs. *-KOLEN, v. mv. soort bruinkolen. *-KOOPER, m. (-s). *-KRAMER, m. (-s). *-KUIP, v. (-en). *-KUNST, v. gmv. prenten; kunst van den papierknipper. *-LUIS,
| | | |
v. (...zen), (nat. gesch.). *-MAKER, m. (-s). *-MAAKSTER, v. (-s). *-MOLEN, m. (-s), papierfabriek. *-OLIE, v. (...ën). *-PLANT, v. (-en). *-RIET, o. (-en), papyrus. *-SCHAAR, v. (...aren), schaar geschikt tot papier knippen; schaar om coupons van rente af te knippen. *-STAMPER, m. (-s), zek. werktuig in den papiermolen. *-TJE, (B. -N), o. (-s), stukje papier; bewijsje, briefje, notitie; papillot. *-VERKOOPER, m. (-s). ...STER, v. (-s). *-WINKEL, m. (-s), winkel waar men papier verkoopt; (ook fig.) effekten; fondsen. *-WORM, m. (B.v.), (-en), soort mot (die het papier verteert); (fig.) arme klerk, kantoorschrijver.
| |
[† Papier-mâché]
† Papier-mâché, o. gmv. deeg, digt ineen gewerkte papierstof tot doozen enz.
| |
[† Papier sans fin]
† Papier sans fin, o. doorloopend bewerkt papier (zonder afscheiding van ramen (inz. tot behangsel dienende).
| |
[† Papillotte]
† Papillotte, v. (-n), (meestal) driehoekig papiertje tot het oprollen der haren; karbonnaden in -n, (die, in papier gewikkeld, worden gebraden); maak van uw opstel -n, verscheur het (daar het niet deugt). *...TEREN, bw. gel. (ik papilloteerde, heb gepapilloteerd), in papillotten wikkelen; (fig.) overdreven -, bloemrijk spreken.
| |
[† Papiniaansche pot]
† Papiniaansche pot, m. (nat.) soort hermetisch gesloten pot, (naar Papin, den uitvinder, aldus genoemd.
| |
[Papist]
Papist, m. en v. (-en), pausgezinde; blinde aanhanger van het r.k. geloof *...PISMUS, o. gmv. pausdom, leer der orthodoxe r.k. kerk. *...PISTERIJ, v. (-en), bespottelijke pausgezindheid.
| |
[Papje]
Papje, (B. *-N), o. (-s), kleine dunne pap; een - opleggen.
| |
[Papkind]
Papkind, o. (...eren), kind dat met pap wordt gevoed. *...KOMMETJE, (B. -N), o. (-s). *...LEPEL, m. (-s). *...PEN, bw. gel. (ik papte, heb gepapt), met of door pap weeken (eene zweer enz.); (zeew.) het haar of papier onder het koper leggen; stoffen -, appreteren. *...PIG, bn. (-er, -st), vol pap, niet stevig geappreteerd (van stoffen); eene -e (weekachtige) vrucht. *...PING, v. gmv. het pappen. *...PLEISTER, v. (-s). *...POT, m. (-ten), een kind met den - groot brengen, met pap voeden. *...SEL, o. (-e), pap, lijm.
| |
[† Papyrographie]
† Papyrographie, v. beschrijving van het papier. *...RUS, m. papierplant.
| |
[† Paraat]
† Paraat, bn. en bijw. dadelijk onmiddellijk; † parate executie, (regt.) voltrekking van een vonnis op staanden voet.
| |
[† Parabel]
† Parabel, v. (-s), gelijkenis. *...BOOL, v. (wisk.) kegelsnede, brandsnede. *...BOLISCH, bn. en bijw. bij wijze van gelijkenis; (wisk.) in de gedaante eener kegelsnede. *...BOLOÏDE, v. parabolische kegel. *...BOLISEREN, ow. gel. (ik paraboliseerde, heb geparaboliseerd), door gelijkenissen spreken (op de wijze der oosterlingen). *...CENTISCH, bn. ongelijkmiddelpuntig. *...CHUTE, v. (-s), valscherm (bij luchtballen). *...CLEET, m. (...eten), rader, bemiddelaar (in de wijsbegeerte). *...CHROMASIA, v. kleurenbedrog. *...CHRONISMUS, m. (..mi), tijdfout, misslag in de tijdrekenkunde.
| |
[Parade]
Parade, v. (-s), optogt (inz, bijeenkomst van krijgsvolk tot opluistering van een feest) op zekere bepaalde dagen; wapenschouwing;
| | | |
- houden; ijdele vertooning, hij moest zooveel - niet maken met; (schermk.) het afweren (van eenen stoot). *-BED, o. (-den), praalbed waarop het lijk van een aanzienlijken persoon wordt ten toon gesteld. *-KLEED, o. (...eren), staatsiekleed. *-MARSCH, m. (-en.) *-PAARD, o. (-en), pronkpaard. *...DEREN, ow. gel. (ik paradeerde, heb geparadeerd), pralen, pronken; parade houden (ter inspectie, ter monstering); de troepen hebben heden geparadeerd; de matrozen paradeerden in het want, werden op het verdek gemonsterd (bij eene feestelijke gelegenheid).
| |
[† Paradigma]
† Paradigma, o. (-as), voorbeeld, toonbeeld.
| |
[Paradijs]
Paradijs, o. (...zen), lusthof, verblijf der gelukzaligen; Eden; (fig.) bekoorlijk verblijf. *-APPEL, m. (-en), soort stoofappel. *-HOUT, o. gmv. aloë. *-LAURIER, m. (-en). *-KOREN, *-ZAAD, o. (plant.) soort cardamom. *-KORREL, v. (-s), soort peper. *-VOGEL, m. (-s), zek. fraaije indische vogel; (ook) zek. sterrebeeld. *-VREUGDE, v. gmv. (fig.) zalige vreugde.
| |
[† Paradox]
† Paradox, bn (-er, meest -), *-AAL, (...aler, -st), wonderspreukig, gezocht, gedwongen. *-E, v. (-en), wonderspreuk, strijdigheid, gedwongene wijsgeerige stelling. *-IE, v. gmv. voorstelling van parodoxen.
| |
[† Paraffine]
† Paraffine, o. (scheik.) zek. wasachtige stof in houtteer.
| |
[Paragon, Parangon]
Paragon, Parangon, v. (boekdr.) zek. lettersoort; (ook) voortreffelijke diamant.
| |
[† Parafoudre]
† Parafoudre, m. (-s), bliksemafleider.
| |
[† Paragraaf]
† Paragraaf, v. (...afen), afdeeling van een geschrift (aangeduid door het teeken §).
| |
[† Paragrêle]
† Paragrêle, m. (-s), hagelafleider.
| |
[† Paralpomena]
† Paralpomena, v. bijbelsche kronijkboeken.
| |
[† Parrallax]
† Parrallax, v. (-en), (sterr.) verschilzigt, verschillicht (in den waren en schijnbaren stand eener ster of van een gesternte). *...ACTISCH, bn. tot de parallax behoorende. *...ATISCH, bn. op de parallel betrekking hebbende.
| |
[† Parallel]
† Parallel, v. (-len), evenwijdte, plaatsing of stand van twee lijnen of vlakken die overal op gelijken afstand van elkander zijn; (aardr.) berekening der graden ter noorder- of zuider-breedte; (fig.) vergelijking; er is geen - te maken tusschen deze twee personen. *-, bn. en bijw. evenwijdig. *-EPIPEDUM, o. (meetk.) figuur van zes gelijkhoekige zijden. *-OGRAM, o. (-men), langwerpig vierkant of vierhoek.
| |
[† Paramat]
† Paramat, o. zek. geweven stof.
| |
[† Paralogiseren]
† Paralogiseren, bw. gel. (ik paralogiseerde, heb geparalogiseerd), valsche sluitredenen maken. *...LYSEREN, bw. gel. (ik paralyseerde, heb geparalyseerd), verlammen; ontzenuwen. *...LYSIE, v. (...ën), verlamming; beroerte. *...LYTISCH, bn. lam, verlamd; eener beroerte nabij.
| |
[† Parameter]
† Parameter, m. (-s), (meetk.) constante of onveranderlijke grootheid tot vergelijking van andere dienende (b.v. de nederl. el in onze maten en gewigten).
| |
[† Paranoten]
† Paranoten, v. mv. braziliaansche kastanjes; kokeleko-noten.
| | | |
| |
[† Paranymph]
† Paranymph, *...NIMF, m. (-en), bruidgeleider, -jonker; speelnoot; candidaatsgeleider (bij eene promotie).
| |
[† Parapet]
† Parapet, o. (-ten), borstwering.
| |
[† Paraphe]
† Paraphe, v. (-n), naamtrek, krul. *...PHEREN, bw. gel. (ik parapheerde, heb geparapheerd), van de handteekening voorzien, teekenen, merken met den naamtrek.
| |
[† Paraphrase]
† Paraphrase, v. (-n), omschrijving, breede verklaring; (fig.) wijdloopigheid. -REN, bw. gel. (ik paraphraseerde, heb geparaphraseerd), in het breede omschrijven. *...PHRAST, m. (en), omschrijver, kantteekenaar (van klassieke werken). *...PLUIE, v. (n), regenscherm. *...SIET, m. (-en), pannelikker, smarotser; tafelvriend; woekerplant; insekt. *...SITISCH, bn. woekerend (van planten of insekten). *...SOL, m. (-s), zonnescherm, ombrella. *...STATEN, m. mv. zijpilaren, zijkolommen. *...TONNERRE, m. (-s), bliksemafleider. *...VENT, m. (-s), spaansche wand, windscherm.
| |
[† Parcimonie]
† Parcimonie, v. gmv. knibbelarij, gierigheid, vrekkigheid.
| |
[† Parceel]
† Parceel, o. (...elen), gedeelte, deeltje; zie ook PERCEEL.
| |
[Pardel]
Pardel, m. (-len), viervoetig dier; panter. *...DOEN, v. (-en), zek. touwwerk.
| |
[† Pardon]
† Pardon, o. gmv. vergiffenis, genade. *-NEZ, tw. vergeef mij! *-NABEL, bn. vergeeflijk, verschoonbaar. *-NEREN, bw. gel. (ik pardonneerde, heb gepardonneerd), vergeven, vergiffenis schenken.
| |
[† Pareggeren]
† Pareggeren, bw. gel. (ik pareggeerde, heb gepareggeerd), sluiten, vergelijken (rekeningen).
| |
[Parel, Paarl]
Parel, Paarl, v. (-s, (-en), zelfstandigheid in de schelpen uit het paarlemoer gevormd; -rijgen (rangschikken); (fig.) dat zijn -en voor de zwijnen, men beseft de waarde hiervan niet; een - van schoon water, fijn, zuiver; (heelk.) een - op het oog, zek. zickelijke stof). *-, knoopje in kant; (fig.) het uitnemendste; een - aan de kroon. *-BANK, v. (-en), plek waar veel pareloesters zich bevinden. *-BOOR, v. (...oren), boor om gaatjes in paarlen te boren. *-DRUIF, v. (...ven). *-DUIKER, m. (-s), visscher van paarlen; (ook) werktuig tot de parelvisscherij gebezigd. *-EN, ow. gel. (ik parelde, heb gepareld), opgeven (blaasjes); de wijn parelt (vonkelt) in het glas; geparelde (zeer fijne) garst. *-GARST, v. gmv. *-GRUIS, o. gmv. *-ZAAD, o. (...aden). *-HANDEL, m. gmv. *-HANDELAAR, m. (-s). -STER, v. (-s). *-KLEUR, v. gmv. *-KROON, v. (-en). *-KRUID, o. gmv. (plant.). *-KUST, v. (-en), kust waar men parelen vischt. *-MOER, v. gmv. *-MOS, m. (plant.). *-MOSSEL, v. (-en), parelschelp. *-NAALD, v. (-en), naald met parelen bezet. *-OESTER, m. (-s, -en). *-OLIE, v. gmv. (scheik.) olie uit de parelen gehaald. *-PEER, v. (...eren), soort peer. *-SCHELP, *-SCHULP, v. (-en). *-SCHRIFT, o. gmv. zek. klein schrift. *-SLAK, v. (ken). *-SNOER, o. (-en), een aantal aaneengeregen parelen. *-SPELD, v. (en). *-STEEN, m. (-en), (mijnw.), soort delfstof. *-STIKKER, m., ...STER, v. (-s), die in of met parelen werkt, - borduurt. *-VANGER, *-VISSCHER, m. (-s). *-VANGST, *-VISSCHERIJ, v. (-en). *-WATER, o. gmv. (apoth.). *-ZAND, o. gmv.
| |
[† Parementen]
† Parementen, o. mv. belegsels; belegstukken; optooisels.
| | | |
| |
[Paren]
Paren, bw. ow. gel. (ik paarde, heb of ben gepaard), tot een paar of tot paren maken, koppelen; huwen; zij zijn yepaard (gehuwd); (ook) zij zijn twee aan twee gerangschikt; (fig.) laten verzeld gaan, voegen bij.
| |
[† Parentage]
† Parentage, m. gmv. bloedverwantschap, familie. *...TEREN, ow. bw. gel. (ik parenteerde, heb geparenteerd), verwant zijn aan; eene lijkrede houden op. *...THÈSE, *...THESIS, v. tusschenzin; bij -, als inlassching; teksthaakjes, ( ).
| |
[† Pareren]
† Pareren, bw. ow. gel. (ik pareerde, heb gepareerd), sieren, tooijen, opsmukken; parade maken; vertoon maken, schitteren; (schermk.) afwenden, keeren.
| |
[† Parforce-jagt]
† Parforce-jagt, v. (-en), drijfjagt (met brakken).
| |
[† Parfum]
† Parfum, m. (-s), heerlijke geur; reukwerk. *-EREN, bw. gel. (ik parfumeerde, heb geparfumeerd), welriekend maken, geur verspreiden. *-ERIËN, v. mv. reukwerken, welriekende waren.
| |
[† Parhelium]
† Parhelium, o. (sterr.) bijzon.
| |
[† Pari]
† Pari, al pari, van gelijke waarde, honderd ten honderd; de wissel staat -, de koersen wegen elkander op; de fondsen staan op (al) - (staan op 100 pCt.); boven -, onder of beneden -. *-, o. (-s), weddingschap. *-ËREN, bw. gel. (ik pariëerde, heb gepariëerd), wedden. *-SCH MARMER, o. marmer van het eiland Paros.
| |
[† Paria]
† Paria, m. en v. (-as), uitgestootene, verworpeling (in Hindostan).
| |
[Parijsch blaauw]
Parijsch blaauw, o. berlijnsch blaauw.
| |
[† Parisienne]
† Parisienne, v. gmv. volkslied te Parijs gezongen (na de Julijomwenteling van 1830).
| |
[† Pariteit]
† Pariteit, v. gmv. (regt.) gelijkheid. *...RIES, v. wand.
| |
[Park]
Park, o. (-en), perk, door een hek afgesloten ruimte (inz. voor wandelaars); diergaarde; slottuin; artillerie-, ruimte waar het geschut en al zijn toebehooren staat; volledig stel kanonnen.
| |
[Parkement of Perkament]
Parkement of Perkament, o. gmv. bereide schapen- of ezelshuid geschikt om er op te schrijven. *-EN, bn. van perkament. *-BEREIDER, m. (-s). *-BEREIDSTER, v. (-s). *-MAKER, m. (s). *-MAAKSTER, v. (-s). *-MAKERIJ, v. (-en). *-FABRIEK, v. (-en).
| |
[Parket]
Parket, o. (-ten), afgesloten ruimte, vertrek; (fig.) iem. in het - (in het naauw) brengen; (regt.) schrijfkamer, kabinet van den officier van justitie, (wordt somtijds ook voor dien ambtenaar zelven gebezigd, b.v. en wat beweert nu het -?) *-EREN, bw. gel. (ik parketeerde, heb geparketeerd), inleggen met fijn hout (eenen vloer); eene geparketeerde zaal.
| |
[Parkiet]
Parkiet, m. (-en), soort tropische vogel; papegaai.
| |
[Parlement]
Parlement, o. (-en), regeringsraad; vergadering der volksvertegenwoordigers, (inz. in Groot-Brittanië) het Hooger- en Lagerhuis; (oudt. in Frankrijk) geregtshof; het lange -, (ten tijde van Cromwell, dat Karel I van Engeland ter dood veroordeelde). *-AIR, m. (-s, -en), onderhandelaar (tusschen twee legers of uit eene belegerde vesting). -, bn. en bijw. naar de wijze van een parlement; de -e vormen in acht nemen; - spreken. *-EREN, ow. gel. (ik parlementeerde, heb geparlementeerd), onderhandelen door eenen parlemen- | | | | tair;
(fig.) lang en breed redekavelen en tegenspreken. *-SGEZINDE, m. (-n). *-SHEER, m. (-en), lid van het parlement. *- SGEBOUW, o. (-en), *-SHUIS, o. (...zen), paleis waar het parlement (inz. in Engeland) vergadert; (ook) het parlement zelf.
| |
[† Parmant]
† Parmant, bn. (-er, -st), prat, fiksch.
| |
[Parmezaan]
Parmezaan, m. (...anen), inboorling van Parma (in Italië). *-KAAS, v. (...azen), kaas uit Parma.
| |
[Parnas]
Parnas, *-SUS, m. gmv. (fab.) berg der dichters, - der muzen of zanggodinnen; den - beklimmen, op den - stijgen. *-, m. (-sim), of *-SIJN, m. (-s), isr. kerkmeester, bestuurder eener isr. gemeente.
| |
[† Parochie]
† Parochie, v. (...ën), katholieke -, episkopale kerkgemeente; kerspel. *...AAL, bn. tot eene parochie behoorende. *...AAN, m. en v. (...anen), bewoner -, bewoonster -, lid eener parochie. *-KERK, v. (-en). *-PRIESTER, m. (-s).
| |
[Parodie]
Parodie, v. (...ën), boertige vorm aan een ernstig stuk gegeven, omwerking in boert; bespotting, klucht, spotternij. *...ËREN, bw. gel. (ik parodiëerde, heb geparodiëerd), boertig navolgen; in boert omwerken; bespotten; iets ernstigs kluchtig voordragen.
| |
[† Paroniem]
† Paroniem, bn. stamverwant.
| |
[† Parool]
† Parool, o. (...olen), (oorl.) wachtwoord.
| |
[† Paroxysmus]
† Paroxysmus, m. hoogste spanning (van pijn, koorts enz.).
| |
[Part]
Part, o. (-en), deel, aandeel; ik heb er deel noch - aan. *-, (ook) listige trek; iemand -en spelen, iem. belagen, zoeken te foppen. *-, v. (-en), (zeew.) loshangend touw.
| |
[† Partageren]
† Partageren, bw. gel. (ik partageerde, heb gepartageerd), deelen, verdeelen onder...
| |
[† Parterre]
† Parterre, o. (-s), bak, gelijkvloers (in schouwburg- of concertzalen); bloembed. *...THENON, o. (-s), tempel aan Minerva gewijd (op den burg van het oude Athene); (fig.) kunsttempel.
| |
[† Partiaal]
† Partiaal, bn. en bijw. partijdig; deelswijze; -loten, soort oostenrijksche loten. *...TIALITEIT, v. gmv. partijdigheid. *...TICIPANT, m. en v. (-en), deelhebber, deelnemer. *...TICIPATIE, v. (-n), deelneming. *...TICIPEREN, ow. gel. (ik participeerde, heb geparticipeerd), deel nemen (aan), deel hebben (in). *...TIËEL, bn. en bijw. deelwijze, bij gedeelten.
| |
[Partikulier]
Partikulier, m. (-en), ambteloos burger, (inz.) die geen soldaat is. *-, bn. (-der, -st), bijzonder, afzonderlijk; iem. in het - spreken; eigenaardig, wonderlijk, dat is al zeer -; iemands -e (eigene, familie-) zaken; eene -e woning (huis dat geen stads- of publiek gebouw is). *...TIKULARITEITEN, v. mv. bijzonderheden; eigenaardigheden.
| |
[Partij]
Partij, v. (-en), ligchaam -, drom van aanhangers (van meeningen, zaken of personen); zich voor of tot eene - verklaren; staatspartij; de - van het behoud; de - van den vooruitgang; groot bezoek, eene - geven, daar is -; togt; uitspanning (van velen te zamen), eene pleizier-, jagt- enz.; gezelschap, ik ben van de -; (regt.) tegenkanter, bestrijder; (ook) belanghebbende; men kan niet regter en - tevens zijn; -en kwamen overeen (voor eenen notaris enz.); laat -en binnen (om te trouwen); eene goede - doen, een gepast (ook rijk) huwelijk aangaan; spel; eene - biljart, dam, schaak;
| | | |
(kooph.) eene - (hoeveelheid) goederen; (muz.) zijne - zingen, spelen; menigte, veel, er is een gansche - van. *-DIG, bn. en bijw. (-er, -st), eenzijdig. -HEID, v. gmv. eenzijdigheid. -LIJK, bijw. *-GANGER, m. (-s), (oorl.) volgeling, aanhanger. *-GEEST, m. gmv. ijver, blinde drift voor eene staatspartij. *-GELD, o. zek. ongelden bij het afschrijven van kapitalen van het grootboek der nationale schuld. *-HAAT, m. gmv. haat dien de aanhangers der verschillende partijen elk. toedragen. *-HOOFD, o. (-en), aanvoerder eener partij. *-SCHAP, v. (-pen), verdeeldheid; woeling; kuiperij, kabaal. *-ZUCHT, v. gmv. partijschap. -IG, bn. (-er, -st).
| |
[† Partisan]
† Partisan, m. (-s), partijganger. *...TITIE, v. (...ën), in-, verdeeling; (ook) partituur. *...TITUUR, v. (...uren), volledig muziekwerk (eener opera enz.).
| |
[† Partner]
† Partner, *...TUUR, m. (-s), medespeler, maat (in het kaartspel); dansgenoot; medehandelaar.
| |
[Paruik, Pruik]
Paruik, Pruik, v. (-en), haren hoofdbedeksel, valsch hoofdhaar. Zie ook PRUIK.
| |
[† Parvenu]
† Parvenu, m. (-s), nieuweling, opkomeling (uit geringen stand tot aanzien of rijkdom).
| |
[Pas]
Pas, m. (-sen), trede, tred; schrede, stap; de -sen (van het dansen) leeren; (rijsch.) telgang; smalle doorgang; bergengte; zeeengte; iem. den - afsnijden, den doorgang -, den weg belemmeren. *-, zie PASPOORT. *-, o. maal, keer, gelegenheid; op dit -, dezen keer; dat geeft geen -, dat is niet welvoegelijk, niet gepast; (spr.) op zijn -, juist genoeg, niet te veel of te weinig; (gooch.) hokus pokus -! een woordje op zijn - is zoo goed als geld in de tasch, weten te spreken waar het behoort is van groote waarde. *-, bijw. geschikt; te - brengen; te - komen, welkom zijn, op het geschikte oogenblik komen. *-, het kleed is -, is niet te wijd of te naauw; hij is - (zoo even) aangekomen; ik heb - (nu eerst) gedaan; kwalijk te - (onwel) zijn.
| |
[Paschen, Pascha]
Paschen, Pascha, o. zie PAASCHEN.
| |
[Pasgang]
Pasgang, m. (-en), (rijsch.) telgang. *-ER, m. (-s), (rijsch.) telganger, hakkenei.
| |
[† Pasigraphie]
† Pasigraphie, v. gmv. algemeen -, wereldschrift.
| |
[Pasje]
Pasje, (B. *-N), o. (-s), (letterz.) staafje dat zich niet laat drukken en alzoo de noodige ruimte tusschen de woorden aangeeft.
| |
[Paskaart]
Paskaart, v. (-en), soort zeekaart; (kaartsp.) kaart om te passen, - om het spel niet aan te nemen.
| |
[Paskwil]
Paskwil, o. (-len), schotschrift, pamflet. *-MAKER, *-SCHRIJVER, m. (-s).
| |
[Paslood]
Paslood, o. (-en), loodlijn, meetsnoer, peillood. *...MUNT, v. gmv. klein geld; kopergeld. *...POORT, v. (-en), vrijgeleide-brief; bewijs om te mogen reizen; bewijs van ontslag (uit de krijgsdienst enz.); (fig.) iem. zijn - (ontslag uit de dienst) geven.
| |
[Passaat]
Passaat, *-WIND, m. (-en), wind die gedurende een zekeren tijd uit éénen hoek waait (inz. tusschen de keerkringen); mousson.
| |
[† Passage]
† Passage, v. (-s), over-, doorvaart; - nemen, plaats bestellen
| | | |
(op een schip). *-, plaats, volzin (in een werk). *-GELD, o. passagiergeld, vracht, vervoerloon. *-INSTRUMENT, o. (-en), meridiaankijker. *-PUNT, o. (sterr.) het punt in den meridiaan waar door het middelpunt eene ster heengaat.
| |
[Passagier]
Passagier, m. en v. (-s), reiziger, medevarende of rijdende. *-EN, ow. (zeew.) voor een dag aan wal gaan.
| |
[† Passant]
† Passant, m. (-s), doorreizende.
| |
[† Passato]
† Passato, bijw. verleden; den 3den - (der vorige maand); anno -, verleden jaar.
| |
[† Passe]
† Passe, v. (-n), (schermk.) uitval, gang. *-LIJK, bn. en bijw. redelijk, tamelijk.
| |
[Passement]
Passement, o. (-en), boordsel, omboordsel; dragon. *-WERK, o. (-en). *-WERKER, m. (-s). ...STER, v. (-s). *-WERKERIJ, v. (-en). *-WINKEL, m. (-s).
| |
[Passen]
Passen, bw. ow. gel. (ik paste, heb gepast), pas maken; evenen, meten; van pas zitten of staan (van kleederen); goed sluiten; eenen hoed, schoenen, eenen rok - (opzetten of aantrekken, om te zien of zij goed zijn); deze jas past mij niet (is te naauw of te wijd); met - en meten wordt de tijd gesleten, de tijd gaat te loor door nuttelooze voorbereidingen; de sleutel past op dit slot, het kan er mede geopend of gesloten worden; de planken - (sluiten) goed ineen; zijne vracht - (aftellen); (spr.) effen is kwaad -, het is moeijelijk het juiste punt te treffen; (fig.) welstaan, welvoegelijk zijn; het past u niet dus te spreken; acht slaan, - geven op; ik zal wel op hem -; pas op uwe zakken, neem u in acht voor de zakkerollers; op zijne woorden -, wel bedenken wat men zegt. *-, (kaarts.) niet aannemen, niet vragen. *-D, bn. en bijw. (-er, -st), gepast, welvoegelijk.
| |
[Passe-droit]
Passe-droit, m. verongelijking, het voorbijgaan (bij eene ambtsbegeving) van iemand die meer regten had dan de benoemde. *...-PARTOUT, m. looper, hoofdsleutel; horologiesleutel met verscheidene pijpjes.
| |
[Passer]
Passer, m. (-s), tweebeenig werktuig, meter. *...SEREN, bw. ow. gel. (ik passeerde, heb gepasseerd), doorbrengen, slijten (den tijd); voorbijgaan, overtrekken, overvaren; de linie -; (sterr.) doorgaan, bij eene maansverduistering passeert de aarde de zon; hij is gepasseerd, men heeft ean ander (die minder aanspraak had) benoemd; (regt.) opmaken, verlijden (eene akte voor of door eenen notaris); gebeuren, voorvallen; wanneer is dat gepasseerd? (gooch.) passeer! ga over, vertrek!
| |
[† Passibel]
† Passibel, bn. lijdelijk; onderhevig aan. *...BILITEIT, o. gmv. lijdzaamheid; vatbaarheid voor.
| |
[† Passie]
† Passie, v. gmv. lijden (van Christus). *-, v. (-s, ...ën), drift, hartstogt; in - (toorn) geraken. *-BLOEM, of PASSIFLOREN, v. mv. zek. noord-amerikaansche plant. *-BOEK, o. (-en), gebedenboek voor de lijdensweek. *-PREEK, v. (-en). *-WEEK, v. lijdensweek. *-ZONDAG, m. (-en), zondag der lijdensweek.
| |
[† Passief]
† Passief, bn. (...ver, -st), lijdend, lijdelijk. *-, o. (...siva), het verschuldigde, de uitschuld; het aktief en - van eenen boedel.
| | | |
| |
[Pastei]
Pastei, v. (-jen, B. -en), zek. gebak; (spr.) bij gebrek aan brood eet men korstjes van -jen, men verkwist vaak in beuzelingen het geld dat men voor nuttige zaken behoeft. *-, gmv. (letterz.) door elk. gevallen zetsel. *-BAKKER, m. (-s). ...STER, v. (-s). *-BAKKERIJ, v. (-en). *-DEEG, o. gmv. *-KORST, v. (-en).
| |
[† Pastel]
† Pastel, o. (-len), verfdeeg; weede; gemeen teekenkrijt. *-OUWEL, v. (-s). *-SCHILDER, *-TEEKENAAR, m. (-s). -STER, v. (-s). *-WERK, o. (-en). *-VERF, v. (...wen), lak- en metaalverf vermengd met porseleinaarde enz.
| |
[Pasten]
Pasten, v. mv. afdruksels van gesneden steenen, - van oude munten enz. (inz. in glas of zegelaarde); afgietsels (in zwavel, gips of metaal).
| |
[† Pastilles]
† Pastilles, v. mv. meelballetjes; reukballetjes, reukdopjes, reukkaarsen.
| |
[Pastinak, Pinksternak]
Pastinak, Pinksternak, v. (-ken), witte wortel of peen. *-KENZAAD, o. (...aden).
| |
[Pastoor]
Pastoor, m. (-s, ...oren), herder; (r.k.) kerkvoogd, priester (onder den vikaris). *-SHUIS, o. (...zen). *-SWONING, v. (-en). *...TORAAL, bn. tot den pastoor behoorende; herderlijk. *...TORALE, v. (-en), herderszang; herderskout, herderlijk tooneelstuk; - (herderlijke) brief (van eenen geestelijke). *...TORIJ, v. (-en), woning van den pastoor. -GOEDEREN, o. mv.
| |
[Pat]
Pat, bijw. stand van den koning in het schaakspel, die hem noodzaakt zich zelven schaak te zetten, waardoor de partij remise is.
| |
[† Patacon]
† Patacon, m. (-s), kroondaalder (spaansche munt).
| |
[† Patas]
† Patas, v. (-sen), uitlegger, zek. klein vaartuig.
| |
[† Pattaten, Bataten]
† Pattaten, Bataten, m. mv. zoete aardappelen.
| |
[† Patchouly]
† Patchouly, v. zek. sterk riekende kamferachtige stof.
| |
[Patent]
Patent, o. (-en), (oudt.) open brief, giftbrief, vrijheidsbrief; (thans) vergunning tot -, bewijs van beroepsuitoefening. *-, bn. en bijw. opperbest. *-EREN, bw. gel. (ik patenteerde, heb gepatenteerd), een patent geven, - uitreiken; behoorlijk gepatenteerd, van een patent voorzien; een gepatenteerde, patenthouder. *-OLIE, v. bereide olie voor lampen, gezuiverde raapolie. *-PLIGTIG, bn. gehouden om patent te nemen; de -en. *-REGT, o. (-en), patent-belasting, geld dat men voor zijn patent aan den Staat moet betalen. *-WET, v. (-ten), wet houdende voorschriften betreffende het patent.
| |
[† Pater]
† Pater, m. (-s), vader; (r.k.) priester, (titel); uit -s vaatje tappen, van den besten wijn schenken. *-SBIER, o. (en), het beste bier. *-NITEIT, v. gmv. vaderschap. *-NOSTER, o. (-s), (r.k.) onze vader (gebed), rozenkrans; handboei. -EN, bw. gel. (ik paternosterde, heb gepaternosterd), de handboeijen aanleggen. *-NOSTERSWERK, o. zek. putwerk. *-STUK, o. (-ken), tusschenrib (van een rund). *-VLEESCH, o. gmv. gerookte ossenrib.
| |
[† Pathetisch]
† Pathetisch, bn. hoogdravend, treffend, roerend. *...THOLOOG, m. (...ogen), ziektekundige. *...THOLOGIE, v. gmv. ziekteleer. *...THOLOGISCH, bn. tot de ziekteleer behoorende.
| |
[† Pathos]
† Pathos, o. gmv. vuur, hoogdravendheid (van stijl).
| | | |
| |
[Patich, Patientie]
Patich, Patientie, v. (plant). zek. kruid.
| |
[† Patient]
† Patient, m. en v. (-en), zieke, lijder, -es; ter dood veroordeelde. *...TIE, v. gmv. geduld; zek. spel met houtjes.
| |
[† Patina]
† Patina, o. roest op bronzen voorwerpen, - op munten enz.; kunstmatig verwekte roest.
| |
[† Patois]
† Patois, o. ongevormde volkstaal (aan enkele landstreken eigen).
| |
[† Patres]
† Patres, m. mv. vaderen; eeretitel der oud-romeinsche raadsheeren; ad - gaan, overlijden. *...TRIA, v. vaderland; pro -, soort hollandsch papier. *...TRIARCH, m. (-en), aartsvader, stamheer; titel van het hoofd der christenen (in Turkije, Griekenland enz.). -AAL, bn. en bijw. (-der, -st), aartsvaderlijk. *...TRICIËR, m. (-s), adellijk burger in het oude Rome; afstammeling van eenen raadsheer te Venetie; (fig.) aanzienlijke, groote. *...TRICISCH, bn. en bijw. raadsheerlijk, adellijk; rijk. *...TRIMONIUM, o. (-s), vaderlijk erfdeel, aangeërfd goed; - Petri, het pauselijk gebied. *...TRIMONIAAL, bn. tot het vaderlijk erfgoed behoorende.
| |
[Patrick (St.)]
Patrick (St.), orde van -, iersche ridderorde.
| |
[Patrijs]
Patrijs, m. (...zen), veldhoen. *-BALK, m. (-en), (zeew.) zek. houtwerk. *-JAGT, *...TRIJZENJAGT, v. (-en). *-JE, (B. *-N), o. (-s). *-HOND, m. (-en). *-NET, o. (-ten), sleepnet. *-POORT, v. (-en), (zeew.) poortje in de batterijpoort. *...TRIJZENVANGER, m. (-s).
| |
[† Patriot]
† Patriot, m. (-ten), vaderlander; naam der voormalige tegenstanders van het huis van Oranje hier te lande. *-ISCH, bn. vaderlandschgezind. *-ISMUS, o. gmv. vaderlandschgezindheid, burgerzin.
| |
[† Patrocinatie]
† Patrocinatie, v. gmv. bescherming. *...NEREN, bw. gel. (ik patrocineerde, heb gepatrocineerd), beschermen, hoeden. *...NAAT, o. gmv. ambt van schutsheer; beschutting, toezigt; behartiging der stoffelijke en zedelijke belangen van iem.; een - uitoefenen; het - aannemen over.
| |
[Patroon]
Patroon, m. (...onen), beschermer; beschermheilige, schutsheer; heer, meester (over klerken); titel door makelaars, boekdrukkers enz. aan hunne begunstigers gegeven. *-, v. papieren rolletje buskruid; laadkruid; al zijne patronen verschieten. *-, o. voorbeeld, model, vorm (om na te maken); borduur-. *...ONES, v. (-sen), -SE, v. (-n), beschermvrouw, -heilige; schutsvrouw. *-KOKER, m. (-s). *-MAKER, m. (-s). *-MAAKSTER, v. (-s). *-ROLDER, m. (-s), of *-STOK, m. (-ken), (vuurw.) stokje om patronen te rollen. *-SCHAP, o. gmv. zie PATRONAAT. *-TASCH, v. (...sschen), lederen tasch waarin de soldaat zijne patronen bergt. -RIEM, m. (-en).
| |
[† Patrouille]
† Patrouille, v. (-s), ronde, dienstdoende wacht (door de stad, in eene vesting enz.). *-REN, ow. gel. (wij patrouilleerden, hebben gepatrouilleerd), door de stad trekken (van gewapenden).
| |
[Pauk]
Pauk, v. (-en), keteltrom. *-EN, bw. gel (ik paukte, heb gepaukt), op de pauk slaan. *-ER, m. (s), paukslager. *-GESCHAL, o. gmv.
| |
[† Pauperismus]
† Pauperismus, o. gmv. armwezen; staat -, toestand der armen.
| |
[Paus]
Paus, m. gmv. geestelijk opperhoofd der r.k. kerk, heilige vader. *-ELIJK, bn. en bijw. tot den paus behoorende, van den paus; het - gebied, de Kerkelijke Staat; de -e kroon, de driekroon of tiare.
| | | |
*-DOM, *-SCHAP, o. gmv. waardigheid -, ambt van paus. *-JE, (B. -N), o. (-s), kleine paus; (fig.) geestelijke die zich veel aanmatigt. *-GEZIND, bn. *-IN, v. (-nen), vrouwelijke paus.
| |
[Pauwiezen]
Pauwiezen, m. mv. zek. hoenderachtige vogels. Zie PAAUW.
| |
[Pauze]
Pauze, v. (-n), rustpoos, -punt; zwijgen; stilstand, verpoozing; eene - maken; (muz.) rust; een vierde -, een achtste -. *...ZEREN, ow. gel. (ik pauzeerde, heb gepauzeerd), rusten, stil houden. *...ZERING, v. (-en), (toon.) rust (tusschen twee bedrijven enz.).
| |
[† Pavana]
† Pavana, v. (-as), oude spaansche dans.
| |
[† Pavaneren]
† Pavaneren (ZICH), ww. gel. (ik pavaneerde mij, heb mij gepavaneerd), pronken (als een paauw).
| |
[† Pavadette]
† Pavadette, v. (-n), brievenduif, postduif; geleerde duif.
| |
[Paveijen]
Paveijen, bw. gel. zie PLAVEIJEN.
| |
[Paviljoen]
Paviljoen, o. (-en), zomerhuisje; tuinhuis; daktentje; (zeew.) achterdek; eerste kajuit in een vaartuig; veldleger; soort ledekant; vlag.
| |
[† Pax]
† Pax, vrede; - nobiscum! vrede zij met u; - intrantibus, vrede den binnentredenden.
| |
[Peauter]
Peauter, o. gmv. lood- en tinmengsel.
| |
[† Peccadilje]
† Peccadilje, v. (-n), kleine zonde. *...CAVI! ik heb gezondigd. *...CEREN, ow. gel. (ik pecceerde, heb gepecceerd), zondigen.
| |
[† Pecco]
† Pecco, v. zeer fijne en geurige chinesche theesoort.
| |
[† Pectine, Pectose]
† Pectine, Pectose, v. (scheik.) zek. geleiachtige stoffen.
| |
[† Peculaat]
† Peculaat, o. gmv. geldverduistering. *...CUNIA, v. gmv. geld; penningen; vermogen. *...CUNIAIR, *...CUNIËEL, bn. geld betreffende; - (geldelijk) belang.
| |
[† Pedaal]
† Pedaal, o. (...alen), voetklavier (van een orgel of piano).
| |
[† Pedagoog]
† Pedagoog, m. (...ogen), huisonderwijzer; leermeester, opvoeder. *...DAGOGIEK, v. gmv. onderwijskunst. *...DAGOGISCH, bn. en bijw. onderwijzend, leerend; naar de regels der onderwijskunst. *...DANT, m. (-en), schoolvos, wijsneus, waanwijze. -ISCH, bn. en bijw. waanwijs, ingebeeld, pralende met kennis. *...DANTERIE, v. (-en), schoolvosserij, waanwijsheid, pralerij met kennis. *...DEL, m. (-len), bediende, bode (bij wetenschappelijke inrigtingen, collegiën enz.). *...DESTAL, m. (-len), voetstuk. *...DERAST, m. (-en), die zich aan onnatuurlijke drift overgeeft. -IE, v. gmv. onnatuurlijke drift, - omgang, mannen-ontucht. *...DOMETER, m. (-s), schredenteller (werktuig).
| |
[Pedro I]
Pedro I, orde van -, braziliaansche ridderorde.
| |
[Peel]
Peel, v. (pelen), breede haarband, wrong. *-, moerassig -, drassig land. *-LAND, o. (-en), streek bij 's Hertogenbosch.
| |
[Peen]
Peen, v. (penen), wortel; (spr.) dat is andere -, dat is wat anders. *-BED, o. (-den). *-LOOF, o. gmv. *-ZAAD, o. (...aden). *-TJE, (B. -N), o. (-s).
| |
[Peer]
Peer, v. (peren), zekere sappige vrucht; parel in den vorm eener peer. *-SMAAK, m. gmv. *-SPIER, v. (-en), (ontl.). *-TJE, (B. -N), o. (-s), kleine peer. *-VORMIG, bn. (ontl.) de -e spier. *-ZOET, bn. -, o. gmv. de suikerachtige deelen eener peer.
| |
[Pees]
Pees, v. (pezen), zenuw; snoer; de pijl vliegt van de -; boog van een snarenspeeituig; (spr.) aan de - (den arbeid) moeten. *-ACH-
| | | |
TIG,
bn. (-er, -st). *-KNOOP, m. (-en), (heelk.) soort vetklier. -ACHTIG, bn. (-er, -st). *-VLEUGELIGEN, m. mv. zek. klasse insekten.
| |
[Peet]
Peet, m. en v. (peten), peetoom, -tante, gevader, petemoei. *-DOCHTER, v. (-s). *-KIND, o. (-eren), kind dat ten doop gehouden wordt of is. *-LAP, m. en v. (-pen), plaatsvervangende peet. *-OOM, m. (-s). *-TANTE, v. (-s). *-ZOON, m. (-s).
| |
[† Pegasus]
† Pegasus, m. (-sen), (fab.) gevleugeld paard (der dichters); op zijnen - stijgen; zek. sterrebeeld; het groote paard.
| |
[Pegel]
Pegel, m. (-s), merk (van vochtmaten), ijk. *-EN, bw. gel. (ik pegelde, heb gepegeld), merken, ijken; (fig.) veel drinken. *-ER, m. (-s), ijker (van vochtmaten); (fig.) drinkebroêr. *-STOK, m. (-ken), maatstok, ijkstok.
| |
[Peil]
Peil, o. gmv. watermerk, hoogtemerk (van den waterstand); boven -, beneden of onder -; amsterdamsch -, gewone hoogte van het water te Amsterdam; - van een schip, diepgang; (fig.) het - te boven gaan, de palen overschrijden. *-EN, bw. gel. (ik peilde, heb gepeild), hoogte -, diepte meten (van water en andere vloeistoffen); eene haven -; het land -, meten hoe hoog het boven de bedding van het water zich verheft; iemands grond -, achter iemands meening of geheim komen. *-ER, m. (-s), die peilt, (van wijn enz.). *-ING, v. (-en), het peilen; diepgang. *-KETEN, v. (-en), *-KETTING, v. (-en), (wijn)roeijersketting, (werkt.). *-KOMPAS, o. (-sen), zek. werktuig om de zonshoogte te meten. *-KRAAN, v. (...anen), zek. kraan aan eenen stoomketel. *-LOOD, o. (-en), zie DIEPLOOD. *-STOK, m. (-ken). *...SCHAAL, v. (...alen), pegel, middel om den waterstand der rivieren te bepalen.
| |
[† Peine]
† Peine, v. gmv. moeite; het is niet de - waard.
| |
[Peinzen]
Peinzen, ow. gel. (ik peinsde, heb gepeinsd), na-, overdenken; mijmeren. *-D, bn. nadenkend; een - gelaat, hetwelk aanduidt dat men over iets nadenkt. *...ZER, m. (-s). *...STER, v. (-s). *...ZING, v. (-en).
| |
[↑ Peis]
↑ Peis, v. gmv. vrede.
| |
[↑ Pejeratie]
↑ Pejeratie, v. (...ën) meineed. *...JEREREN, ow. gel. (ik pejereerde, heb gepejereerd), valsch zweren. *...JORATIE, v. (...ën), verslimmering.
| |
[Pek, Pik]
Pek, Pik, o. gmv. harsachtige zelfstandigheid uit dennen- of pijnboomhout afkomstig; (spr.) wie met - omgaat wordt er mede besmet, wie met slechte menschen omgaat wordt zelf slecht. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), als -, van pik. *-BOOM, m. (-en), pijn -, harsboom. *-BROEK, PIKBROEK, m. (-en), (fig.) matroos, zeeman. *-DRAAD, m. (...aden), bepekt garen, schoenmakersgaren.
| |
[† Pekari]
† Pekari, o. soort stekelvarken.
| |
[Pekel]
Pekel, v. gmv. zoutig vocht, water waarin zout opgelost is; in de - leggen, doen; een haring uit de -, pas uit het vat; (fig.) in de - (verlegenheid) zitten, laten. *-, o. (fig.) de zee. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), zoutig. *-EN, bw. ow. gel. (ik pekelde, heb gepekeld), in de pekel leggen, met zout besprenkelen; tot pekel worden. *-BRON, v. (-nen), zoutbron. *-HARING, m. (-en), gepekelde haring; (fig.) grappenmaker; snoeshaan. *-HOER, v. (-en), oud liederlijk vrouwspersoon. *-NAT, o. zoutvocht; (fig.) de zee, oceaan.
| | | |
*-SAUS, v. (-en). *-SCHUIM, o. gmv. (fig.) het schuim der baren. *-SPEK, o. gmv. *-VELD, o. gmv. (fig.) de zee. *-VLEESCH, o. gmv. *-WORST, v. (-en). *-ZONDE, v. (-n), verouderde zonde.
| |
[Pekken]
Pekken, bw. gel. (ik pekte, heb gepekt), met pek of pik besmeren. *...KLEED, o. (-en), *...DOEK, m. (-en), bepekt linnen of doek (om den mast enz.). *...KIG, bn. (-er, -st), als pek, met pek besmet. *...KOOL, v. (...olen), soort steenkool. *...KRANS, m. (en), soort flambouw (bij vreugdebedrijven, ook bij brand in gebruik). *...OVEN, m. (-s). *...PAN, v. (-nen). *...PLEISTER, v. (-s), (gen.). *...STEEN, m. (-en). *...TON, v. (-nen). *..WIJN, m. (-en). *...ZWART, bn.
| |
[Pel]
Pel, *-LE, v. gmv. dop, vlies (van boonen, eijeren enz.)
| |
[† Pelaginen]
† Pelaginen, m. mv. aanhangers van Pelagius (een geestelijke uit de 5e eeuw, loochenaar der erfzonde). *...GOSCOOP, v. (...open), zeedieptekijker (werktuig).
| |
[† Pelerine]
† Pelerine, v. (-en), damesmanteltje.
| |
[Pelerwten]
Pelerwten, v. mv. doperwten.
| |
[Pelgrim]
Pelgrim, m. (-s), bedevaartganger. *-AADJE, v. (-n), bedevaart.
| |
[Pelgrimsflesch]
Pelgrimsflesch, v. (...esschen), omwoelde flesch. *...GEWAAD, o. (...aden), kleeding van eenen bedevaartganger. *...HOED, m. (-en). *...KAP, v. (-pen). *...KLEED, o. (...eren). *...MANTEL, m. (-s). *...STAF, m. (...aven). *...STOK, m. (-ken). *...TASCH, v. (...asschen).
| |
[Pelikaan, Pellikaan]
Pelikaan, Pellikaan, m. (...anen), zek. vogel, kropgans; (tandm.) kromme tang; soort geschut; destilleerkolf.
| |
[Pellen]
Pellen, bw. gel. (ik pelde, heb gepeld), doppen, schillen; gepelde garst. *-WEVER, m. (-s), die bewerkt linnen weeft.
| |
[Pellies]
Pellies, v. (...zen), pelsmantel.
| |
[Pelmolen]
Pelmolen, m. (-s), molen waar garst of rijst gepeld wordt.
| |
[† Pelopium]
† Pelopium, o. gmv. zek. metaal.
| |
[† Peloton]
† Peloton, o. (-s), kluwen; rot, hoop (soldaten). *-SGEWIJZE, bijw. (mil.) bij rotten. *-SVUUR, o. (...uren), gelijktijdige losbranding der geweren van een peloton.
| |
[Pels]
Pels, m. (...zen), lange sluitende jas of mantel met bont gevoerd; (spr.) iem. den - uitkloppen, afrossen; (ook) harde verwijtingen doen hooren. *-JAS, m. (-sen). *-MAKER, m. (-s). *-MAAKSTER, v. (-s). *-ROK, m. (-ken). *-WERKER, m. (-s). ...STER, v. (-s).
| |
[Pelterij]
Pelterij, v. (-en), bontwerk. *-FABRIEK, v. (-en). *-HANDEL, m. gmv. *-KOOPER, m. (-s). *-KOOPMAN, m. (...lieden). *-WINKEL, m. (-s).
| |
[Peluw]
Peluw, v. (-en), langwerpig dwarskussen (onder de lenden); (dicht.) bed, rustkoets.
| |
[Pelzen]
Pelzen, bn. van pels; bonten.
| |
[Pen]
Pen, v. (-nen), veer, veder (van vogels); schrijfpen; eene - snijden, versnijden, vermaken; -nen bereiden, ze geschikt maken om er mede te schrijven; de - indoopen (in den inkt); de - opvatten, gaan schrijven; de - nederleggen, (fig.) niet meer in het openbaar schrijven; (fig.) eene wel versnedene -, een fraaije stijl, goede schrijftrant; bitse -, een hekelende -, scherpe stijl; zijne - scherpen, bitse woorden bezigen in geschrift; (fig.) het is in de -, het zal geschieden; met de - (in geschrifte); dit is met de - gedaan,
| | | |
niet gedrukt. *-, (timm.) houten nagel, stop; (horol. en smed.), dunne nagel.
| |
[† Penaal]
† Penaal, bn. lijfstraffelijk, de penale wetten. *...NALITEIT, v. strafbepaling; lijfstraffelijkheid.
| |
[Penant]
Penant, m. (-en), breede muurstijl, ruimte tusschen twee vensters. *-SPIEGEL, m. (-s), langwerpig smalle spiegel. *-TAFEL, v. (-s).
| |
[† Penaten]
† Penaten, m. mv. (rom. gesch.) huisgoden; (fig.) eigen haard.
| |
[† Penchant]
† Penchant, o. (-s), neiging, lust; verslaafdheid (aan). *...DANT, o. (-s), tegenhanger, tegenstuk (van eene schilderij; (ook fig.). *...DULE, v. (-s, -n), slinger; staand horologie; slingeruurwerk.
| |
[† Penetrant]
† Penetrant, bn. (-er, -st), doordringend; eene -e koude. *...TREREN, bw. ow. gel. doordringen; in-, doorzien.
| |
[† Peniel]
† Peniel, bn. (-er, -st), pijnlijk, moeijelijk, smartelijk.
| |
[† Penitent]
† Penitent, m. (-en), boeteling. *-IE, v. (...ën), boete, straf; boetedoening; dit is eene harde -. *-IARIUS, m. (-sen), boeteregter.
| |
[† Pennaal]
† Pennaal, m. (...alen), groen, nieuwe aankomeling (onder de duitsche studenten).
| |
[Pennebak]
Pennebak, m. (-ken). *-JE, (B. -N), o. (-s). *...KUNST, v. gmv. kunst -, vaardigheid om met de pen te teekenen; schoonschrijfkunst. *...LIKKER, m., ...STER, v. (-s), kladschrijver, -schrijfster; tafelschuimer. *...MES, o. (-sen), mes om pennen te versnijden.
| |
[Pennen]
Pennen, ow. gel. (ik pende, heb gepend), gedurig -, al door schrijven, papier bekladden; met eene pen (of pin) doorsteken; het vleesch is nog niet gepend. *-BEREIDER, m. (-s). *-BEREIDSTER, v. (-s). *-KOKER, m. (-s). *-KOOPER, *-VERKOOPER, m. (-s). ...STER, v. (-s). *-WINKEL, m. (-s).
| |
[Penneschacht]
Penneschacht, v. (-en), gedeelte eener pen dat geschikt is om er mede te schrijven. *...STRIJD, m. gmv. twist (over eenig punt) in openbare geschriften, dagbladen enz.; polemiek. *...TREK, m. (-ken), trek -, krul met de pen; paraphe onder eenen naam; (fig.) uitspraak, beslissing; met één - was het vonnis geveld. *...TJE, (B. -N), o. (-s), kleine pen (of pin) van hout of ijzer enz.
| |
[Penning]
Penning, m. (-en), gemunt -, gestempeld (meest rond) plat stuk metaal; medaille; eere-, gedenkpenning; (oudt.) oud-friesche vlaktemaat; holl. muntstukje (waard 1/16 stuiver); (fig.) zek. waarde-bepaling; de 5e - (d.i. van de vijf penningen één, dus 20 ten honderd); de 10e de 20e -; (fig.) geld; de schatkist; bewaarder van 's lands -en; geen - waard; geen - rijk. *-BLOEM, v. (-en). *-KABINET, o. (-ten), verzameling van oude munten en penningen, medailles enz. *-KRUID, o. gmv. (plant.). *-KUNDE, v. gmv. *-MEESTER, m. (-s), schatbewaarder, thesaurier; (rom. gesch.) quaestor. -SCHAP, o. gmv. *-STEEN, m. (-en), nummulieth. *-SWAARDE, v. juiste waarde.
| |
[† Penny]
† Penny, v. (pence), engelsche stuiver; -magazijn, weekblaadje dat een penny kost. *-POST, v. de stuiverspost (brievenposterij binnen de stad); -boot, stoomboot op den Theems tot vervoer op de rivier.
| |
[Penrad]
Penrad, o. (-eren), (zeew.).
| |
[§ Pens]
§ Pens, v. (-en), zek. ingewand; (fig.) buik; zijne - vol eten; eene dikke -. *-BUIK, m. (-en), dik -, zwaarlijvig man; dikbuik.
| | | |
| |
[Penséebloem]
Penséebloem, v. (-en), zek. bloem.
| |
[Penseel]
Penseel, (B. PENCEEL), o. (-en), fijn -, zeer dun kwastje om te schilderen; (fig.) trant -, wijze van schilderen; het - van Rubbens, van Rembrandt; een stout -. *-BAKJE, (B. -N), o. (-s). *-KUNST, v. gmv. *-LAPJE, (B. -N), o. (-s). *-MAKER, m. (-s). *-SCHRIJVER, m., *-SCHRIJFSTER, v. (-s), die met het penseel weet te schrijven (opschriften, namen enz.). *-HAARTJE, (B. -N), o. (-s). *-SBEHANDELING, v. gmv. kunstvaardigheid in de behandeling van het penseel. *-STEEL, m. (...elen). *-STREEK, m. (...eken). *-TREK, m. (-ken). *-VORMIG, bn. *-ZWIJN, o. (-en), zek. dier.
| |
[Pensenaris]
Pensenaris, m. (-sen), pensverkooper.
| |
[† Pensief]
† Pensief, bn. (...ver, -st), nadenkend, mijmerend.
| |
[Pensioen]
Pensioen, o. (-en), jaarwedde, wedde; jaargeld; - krijgen, op - gesteld worden. *-FONDS, o. (-en), gelden (ook stichting) waaruit pensioenen betaald worden. *-REGLEMENT, o. (-en), *-WET, v. (-ten), bepalingen betreffende het toekennen van pensioen.
| |
[Pensionaris]
Pensionaris, m. (-sen), (ned. gesch.) loontrekkend (doorgaans zeer invloedrijk) hoofdambtenaar in burgerlijke zaken.
| |
[Pensmarkt]
Pensmarkt, v. (-en). *...HAL, v. (-len). *...MES, o. (-s). *...NAT, o. gmv. *...ROLLEN, v. mv. soort worst, † andouilles. *...VERKOOPER, m. (-s). *...VERKOOPSTER, v. (-s). *...WIJF, o. (...ven), vrouw die pens rondbrengt. *...ZAK, m. (ontl.) buikvlies. -, m. en v. (-ken), (fig.) dikbuik.
| |
[† Pensum]
† Pensum, o. (-s), opgegeven taak (in eene school).
| |
[† Penta]
† Penta, vijfledig. *-GOON, m. (meetk.) vijfhoek. *-METER, m. (-s), vijfvoetig vers. *-RCHIE, v. (...ën), regering -, oppermagt van vijf vorsten. *-TEUCHUS, m. gmv. de vijf boeken van Mozes.
| |
[† Pentaura]
† Pentaura, m. zek. steen.
| |
[† Pente]
† Pente, v. (-n), zek. venetiaansch ligt vaartuig.
| |
[Penterhaak]
Penterhaak, m. (...aken), (zeew.) zware ijzeren haak. *...TALIE, v. (...ën), (zeew.) talie om ankers te verwerken.
| |
[† Penurie]
† Penurie, v. groot gebrek aan; ellende, groote behoefte.
| |
[Peper]
Peper, v. (B.m.) zek. prikkelende specerij-korrels; spaansche -, piment; (fig.) waart gij waar de - groeit (hier van daan); - halen, naar de Oost varen. *-ACHTIG, bn. naar peper gelijkende, - smakende. *...BAAL, v. (...alen). *-BOOM, m. (-en). *-BOS, *-BUS, v. (-sen). *-DOOS, v. (...ozen), (oudt.) oost-indievaarder. *-DUUR, bn. zeer -, uitermate duur. *-EN, bw. gel. (ik peperde, heb gepeperd), met peper bestrooijen; (fig.) duur verkoopen. *-HUISJE, (B. -N), o. (-s), puntig papieren zakje. *-INO, m. zek. romeinsche steensoort. *-KOEK, m. (-en). *-KOEKBAKKER, m. (-s). *-KORREL, v. (-en, -s). *-KRUID, o. gmv. (plant.). *-LAND, o. Oost-Indië; de Specerij-eilanden. *-LING, m. zek. geel gekleurd boomzwam. *-MOLEN, m. (-s). *-MUNT, v. (plant.) *-MUNTOLIE, v. *-NOOT, v. (-en), kleine stukjes peperkoek in den vorm van dobbelsteentjes; om of met pepernoten spelen. *-PLANT, v. (-en), *-SAUS, v. (-en). *-STRUIK, m. (-en). *-VOGEL, m. (-s), toucan. *-WORTEL, m. (-s), mierikswortel. *-ZAK, m. (-ken).
| |
[† Per]
† Per, vz. door; - cent, ten honderd; - pas et nefas, met ja
| | | |
en neen, bij alles wat heilig is; - couvert, onder omslag; - ami, met vriend (op een adres); - saldo, bij slot van rekening; - as, in een rij- of voertuig; - schip, te water; - post, met (door) de post.
| |
[Perceel]
Perceel, o. (...elen), stuk land; vast goed; gebouw, huis met erf. *...CEPTEUR, m. (-s), ontvanger, inner (van belastingen). *...CEPTIBEL, bn. (-er, -st), bemerkbaar. *...CEPTIE, v. (...ën), inning, ontvangst, heffing; (wijsb.) doorschouwing, waarneming (door het begrip); -kosten, kosten aan het innen (van belastingen) verbonden. *...CUSSIE, v. (-en), slag, stoot; (gen.) aanklopping. -GEWEER, o. (...eren), geweer dat door den slag van een hamertje op een busje met knalkruid afgaat. *...CUTEREN, bw. gel. (ik percuteerde, heb gepercuteerd), (gen.) aankloppen (tot onderzoek van de borst enz.). *...DITIE, v. (r.k.) verdoemenis, verderf.
| |
[Perdoen]
Perdoen, o. (-s), soort touwwerk, takelaadje.
| |
[† Peregrinatie]
† Peregrinatie, v. (...ën), omzwerving, omdoling. *...REMPTORISCH, bn. kort, afdoend, beslissend. *...RENNEREND, bn. het geheele jaar doorblijvend, - bestaande.
| |
[† Perelle]
† Perelle, v. zek. graauwe kalkachtige aardsoort.
| |
[Perenbloesem]
Perenbloesem, m. (-s). *...BOOM, m. (-en). *...HOUT, o. gmv. *...DRANK, m. (-en). *...WIJN, m. gmv. Zie PEER.
| |
[† Perfect]
† Perfect, bn. en bijw. volmaakt, volkomen, geheel. *-IE, v. gmv. volmaaktheid, volkomenheid; iets in de - weten, kennen, *-IBILITEIT, v. gmv. volmaakbaarheid, vatbaarheid voor volmaking.
| |
[† Perfidie]
† Perfidie, v. trouweloosheid.
| |
[Pergament]
Pergament, *...KAMENT, o. zie PARKEMENT.
| |
[† Periculeus]
† Periculeus, bn. en bijw. gevaarlijk, hagehelijk.
| |
[† Perihelium]
† Perihelium, o. (sterr.) zonsnabijheid.
| |
[† Perikel]
† Perikel, o. gevaar; periculum in mora, gevaar door uitstel.
| |
[† Perimeter]
† Perimeter, m. (-s), (meetk.) omtrek eener kromlijnige figuur, som van al de zijden eener regtlijnige figuur.
| |
[† Periode]
† Periode, v. (-n), tijdruimte, tijdvak; volzin, zinsnede. *...ODICITEIT, v. gmv. regelmatige afwisseling, omloop -, terugkeer binnen bepaalde tijdruimten. *...ODIEK, bn. op zekere bepaalde tijden terug-keerende; een - geschrift, maandwerk, weekblad, almanak enz.; de -e (periodische) winden, die op gezette tijden waaijen; de -e aftreding, van bestuurders, regeringspersonen enz. wier diensttijd op een bepaald tijdstip eindigt. *...OPHERIE, v. (meetk.) cirkelomtrek. *...OPHRASE, v. (-n), omschrijving.
| |
[† Perioptrica]
† Perioptrica, v. leer der straalbreking of terugkaatsing aan de oppervlakte der ligchamen.
| |
[† Peripherie]
† Peripherie, v. omtrek, omvang. *...POLYGONUS, bn. veelhoe-hoekig, veelvlakkig. *...SCH, m. mv. (aardr.) omschaduwigen. *...SCOPISCH, bn. -e glazen, hol-bolle lenzen.
| |
[† Peristyle]
† Peristyle, v. (-n), zuilengang, zuilenrij; voorportaal.
| |
[Perk]
Perk, o. zie PARK; paal en -, zie PAAL. *-EN, bw. gel. (ik perkte, heb geperkt), met een perk omsluiten; beperken.
| |
[Perkal, Percale]
Perkal, Percale, o. (-s), soort fijn linnen. *-EN, bn. van perkal.
| |
[† Perm]
† Perm, v. (-en), klein turksch vaartuig.
| | | |
| |
[† Permanent]
† Permanent, bn. en bijw. voortdurend, aanhoudend; zich - verklaren, niet uiteengaan (inz. van land-, gewestelijke- of gemeente-vergaderingen). *...MEABEL, bn. doordringbaar (van stoffen die vocht doorlaten). *...MIS, o. verlof, geleibriefje; est-il -? is het veroorloofd? *...MISSIE, v. verlof, vergunning. *...MITTEREN, bw. gel. (ik permitteerde, heb gepermitteerd), veroorloven, vergunnen, toestaan; permitteer! met uw verlof (als men iemand in de rede valt). *...MUTATIE, v. om-, verplaatsing; de leer der permutatiën. *...NICIEUS, bn. en bijw. (...zer, -st). *...PENDICULAIR, bn. loodregt, regtstandig. *...PETUEEL, bn. en bijw. altijddurend; levenslang; perpetuelen, vroegere naam van zekere spaansche effecten. *...PETUUM MOBILE, o. (werkt.) voorwerp met eeuwigdurende beweging; (fig.) het onmogelijke. *...PLEX, bn. en bijw. onthutst, verstomd. -ITEIT, v. gmv. onthutstheid, verstomming. *...QUISITIE, v. (...ën), geregtelijk onderzoek.
| |
[Pers]
Pers, v. (-en), werktuig om te persen, - te drukken, - te glanzen; drukpers; het werk is ter -e (wordt gedrukt); (fig.) dagbladen, openbare geschriften; schrijvers. *-BAAR, bn. voor zamendrukking vatbaar. -HEID, v. gmv. *-BALK, m. (-en), balkplank in eenen molen. *-BOOM, m. (-en), werktuig der wijngaardeniers. *-BORD, o. (-en). *-DEKSEL, o. (-s). *-PLANK, v. (-en.)
| |
[† Persecutie]
† Persecutie, v. (...ën), vervolging (inz. om staatkunde en geloof). *...SECUTEREN, bw. gel. (ik persecuteerde, heb gepersecuteerd), vervolgen.
| |
[Persen]
Persen, bw. gel. (ik perste, heb geperst), drukken (in eene pers); aanzetten; laken -, ontglanzen; druiven -, olie -; (fig.) dwingen. *-, o. *...ING, v. (-en), drukking. *...ER, m. (-s), *...STER, v. (-s), die perst.
| |
[† Perseus]
† Perseus, m. zek. sterrebeeld.
| |
[† Persevereren]
† Persevereren, ow. gel.(ik persevereerde, heb gepersevereerd), volharden; volhouden.
| |
[Persgeld]
Persgeld, o. (-en), geld dat voor het persen betaald wordt. *...GESTEL, o. (-len), werktuig der wijnpersers. *...HUIS, o. (...zen). *...HUT, v. (-ten). *...KUIP, v. (-en). *...IJZER, o. (-s), glans-, strijkijzer.
| |
[† Persienne]
† Persienne, v. (-s), zonneblind.
| |
[† Persico]
† Persico, v. gmv. likeur uit perzikpitten. *...SIFFLAGE, v. (-n), overdreven lof op bespotting doelende; geveinsde lof. *...SIFFLEREN, bw. gel. (ik persiffleerde, heb gepersiffleerd), honende prijzen. *...SISTEREN, ow. gel. (ik persisteerde, heb gepersisteerd), volhouden, staan op...
| |
[† Personaliteit]
† Personaliteit, v. (-en), persoonlijkheid; iem. -en zeggen, iem. op den persoon af beleedigen. *...SONEEL, bn. persoonlijk; personele belasting, belasting welke van eene woning, een ambt enz. wordt geheven, hoofdgeld; (regt.) personele crediteur, die geen onderpand voor zijne schuldvordering heeft. -, o. personele belasting; al de personen die eenen tooneeltroep, een orkest, een bureau enz. zamenstellen; corps ambtenaren. *...SONNIFICATIE, v. (...ën), verpersoonlijking. *...SONNAGE, m. (-s), *...SONAADJE, m. (-n), persoon, schepsel; een rare -, een wonderlijk mensch; (toon.) medespelende; de hooge personaadjen, de aanzienlijke personen.
| |
[Persoon]
Persoon, m. en v. (...onen), mensch; in eigen -; ieder; een
| | | |
gulden de - (per hoofd); de personen (medespelers) van een tooneelstuk; (taalk.) 1e, 2e en 3e-. *-LIJK, bn. en bijw. den persoon betreffende; eene -e beleediging; een - feit; (taalk.) - voornaamwoord; iem. - (in eigen persoon) kennen. -HEID, v. (...heden), eigenaardigheid van den persoon; de persoon zelf. *-SVERBEELDING, v. (-en), voorstelling van den persoon, toekenning van leven en handeling aan onbezielde voorwerpen.
| |
[Persplank]
Persplank, v. (-en). *...POMP, v. (-en), verdigtingspomp, werktuig om de lucht of eenig ander gas in eene ruimte te verdigten of wel lucht daarin te brengen. *...SCHROEF, v. (...ven). *...VRIJHEID, v. gmv. vrijheid der drukpers.
| |
[† Perspectief]
† Perspectief, o. (...ven), vergezigt; leer der vergezigtkunde; een -schilder; een fraai -; (fig.) toekomst. *...SPICACITEIT, v. gmv. scherpzinnigheid. *...SUADEREN, bw. gel. (ik persuadeerde, heb gepersuadeerd), overreden, overhalen. *...SUASIE, v. overreding. *...TINENT, bn. tot de zaak behoorende, vast.
| |
[Pertisaan]
Pertisaan, v. (...anen), hellebaard. *...DRAGER, m. (-s).
| |
[† Perturbatie]
† Perturbatie, v. (...ën), storing, stoornis, verwarring.
| |
[† Péruvienne]
† Péruvienne, v. gmv. zek. gebloemde stof.
| |
[† Perversiteit]
† Perversiteit, v. gmv. verdorvenheid.
| |
[Perzik]
Perzik, v. (-ken), zek. fijne zomervrucht. *-BLAD, o. (-en, -eren). *...BOOM, m. (-en). *...BRANDEWIJN, m. persico. *...KRUID, o. gmv. *...PIT, m. (-ten). *-STEEN, m. (-en).
| |
[† Peso]
† Peso, o. gewigt, last. *-, bn. (kooph.) al -, naar het gewigt; - de plata, - duro, zek. spaansche munt (= 1 piaster).
| |
[† Pessimist]
† Pessimist, m. (-en), die alles en allen voor slecht houdt, die alles slecht inziet.
| |
[Pest]
Pest, v. gmv. besmettelijke ziekte (van den gevaarlijksten aard); de - mededeelen, met de pest besmetten; (fig.) zedebedervend misbruik; de jenever is de - der maatschappij; (fig.) gevaarlijk -, onverdragelijk mensch; dat is een ware - in huis. *-ACHTIG, bn. naar de pest gelijkende, er eenig kenmerk van bezittende. *-BLAAR, *-BUIL, *-KOOL, v. (-en), kwaadaardig (meestal doodelijk) gezwel. *-HUIS, o. (...zen), gasthuis voor pestlijders; lazareth. *-ILENTIE, m. pest. -WORTEL, m. (plant.). *-KNOOP, m. (-en), pestkool. *-KOORTS, v. (-en). *-LUCHT, v. (-en), verpeste lucht; (ook fig.) ondragelijke stank. *-MANNEN, m. mv. dienaren in de pesthuizen, lijkdragers. *-MEESTER, *-DOKTER, m. (-s), geneesheer in een pesthuis. *-POKKEN, v. mv. kwaadaardige pokken. *-TIJD, m. (-en), saizoen waarin meest pest heerscht (in het oosten). *-VOGEL, m. (-s), zek. vogel.
| |
[Pet]
Pet, m. (-ten), *-JE, (B. -N), o. (-s), hoofdkap, muts met klep; (ook) soort put, poel in eene lage veenachtige weide.
| |
[† Pétarde]
† Pétarde, v. (-en), (vuurw.) springbus; zwermer.
| |
[Petegift]
Petegift, v. (-en), geschenk van eenen peetoom of eene peettante. *...KIND, o. (-eren). *...MOEI, v. (-jen, B. -en), peettante.
| |
[Peter Frederik]
Peter Frederik, orde van verdienste van -, oldenburgsche ridderorde.
| | | |
| |
[Peter]
Peter, m. (-s), peetoom, gevader. *-SCHAP, o. gmv. hoedanigheid -, betrekking van peetoom; het - aanvaarden of bekleeden.
| |
[Peter (of Pieter)selie]
Peter (of Pieter)selie, v. (-n), zek. toekruid. *-ACHTIG, bn. *-BED, o. (-den), perk met peterselie beplant. *-BLAD, o. (-en). *-KAAS, v. (...azen). *-GEUR, (-en). *-REUK, m. gmv. *-SAUS, v. (-en). *-SMAAK, m. gmv. *-WORTEL, m. (-s). *-ZAAD, o. (...aden).
| |
[† Petilleren]
† Petilleren, ow. gel. (ik petilleerde, heb gepetilleerd), vonkelen; knappen; de wijn petilleert in het glas; (fig.) blinken, schitteren; hij petilleert van geest, hij is vol geest.
| |
[† Petit-maître]
† Petit-maître, m. pronker, saletjonkertje, windbuil.
| |
[† Petitie]
† Petitie, v. (...ën), verzoekschrift, rekwest. *...ONNEREN ow. gel. (ik petitionneerde, heb gepetitionneerd), verzoekschriften indienen (inz. door velen tegelijk). *...ONNERING, v., *...ONNEMENT, o. het indienen van verzoekschriften; petitio principii, (leerst.) bewijsgrond die zelf eerst bewezen dient te worden.
| |
[† Petreficatie]
† Petreficatie, v. (...ën), versteening, steenwording.
| |
[† Petrificatie]
† Petrificatie, v. (...ën), het doen versteenen. *...FICEREN, bw. gel. versteenen, in steen veranderen.
| |
[† Petrographie]
† Petrographie, v. gmv. beschrijving der steensoorten. *...GRAPHISCH, bn. -e kaarten, landkaarten waarop de bergsoorten en hare grenzen zijn aangewezen.
| |
[† Petroleum]
† Petroleum, o., *-OLIE, v. zek. steen- of bergolie.
| |
[† Petto]
† Petto, v. borst; (fig.) in - houden, bewaren tot gelegener tijd, voor zich houden.
| |
[Perubalsem]
Perubalsem, m. zek. aromatische balsem.
| |
[Peukel, Pukkel]
Peukel, Pukkel, v. (-s), puistje.
| |
[Peul]
Peul, v. (-en), zek. keukengewas in dop; -en afhalen, ze van de vezeldraden ontdoen. Zie ook PELUW. *-DOP, m. (-pen). *-VRUCHT, v. (-en). -DRAGEND, bn.
| |
[Peupel]
Peupel, o. zie GEPEUPEL.
| |
[Peuren]
Peuren, ow. gel. (ik peurde, heb gepeurd), aal -, paling met wormen vangen. *...WORMEN, m. (B.v.) mv.
| |
[Peuter]
Peuter, m. (-s), pijpuithaler. *-EN, ow. gel. (ik peuterde, heb gepeuterd), wroeten, insteken (den vinger enz.) om iets uit te halen; aan den neus -, in de tanden -; aan iets -, er aan werken (met de vingers of kleine werktuigen); (ook fig.) aanraken. *-ING, v. gmv.
| |
[Peuzelen]
Peuzelen, bw. ow. gel. (ik peuzelde, heb gepeuzeld), langzaam -, temende eten; kieskaauwen; zie OPPEUZELEN. *...AAR, m. (-s). -STER, v. (-s). *...ING, v. gmv. langzame wijze van eten; (fig.) wisjewasje, zotteklap. *...WERK, o. gmv. kleingoed, suikertjes (bij het nageregt); treuzelwerk.
| |
[† Pewter]
† Pewter, o. zek. gemengd metaal (tin, antimonium, bismuth en koper).
| |
[Pezerik]
Pezerik, m. (-ken), bullepees.
| |
[† Phaenomen]
† Phaenomen,1). *...MEEN, o. (...ena), luchtverschijnsel; (fig.) wonder. *...GE(O)NIE, v. gmv. het ontstaan of het voortbrengen
| | | |
van verschijnselen. *...OGONOLOGIE, v. gmv. leer van het ontstaan der verschijnselen. *...OGRAPHIE, v. gmv. beschrijving der natuurverschijnselen. *...OSCOPIE, v. gmv. waarneming -, onderzoek der verschijnselen.
| |
[† Phaëton]
† Phaëton, m. naam van den zoon van Apollo; soort rijtuigje op twee wielen.
| |
[† Phalanstère]
† Phalanstère, v. (-s), algemeene volkswerkplaats; volkskeuken (als bij de Spartanen). *...LANX, FALANKS, v. (-en), ineengesloten linie, - slagorde (naar een eigenaardigen vorm).
| |
[† Phantascoop]
† Phantascoop, v. (...open), tooverlantaarn.
| |
[† Phantoma]
† Phantoma, v. schijnbeeld; (gen.) kunstmatig nagebootst ligchaamsorgaan.
| |
[† Phantasie]
† Phantasie, v. (...ën), inbeelding, verbeelding; gril, kuur; soort muziekwerk; -kleur, kleur die niet effen is. *...TASEREN, ow. gel. (ik phantaseerde, heb gephantaseerd), zich aan ijdele voorstellingen overgeven; allerlei grillen voeden; ijlen (in de koorts); (muz.) op een speeltuig improviseren; naar de ingeving van het oogenblik spelen. *...TASMAGORIE, v. (...ën), geestenverschijning; tooverij. *...TAST, m. (-en), dweeper, overdreven denker. -ISCH, bn. dweepend; tooverachtig. *...TOOM, o. (...omen), spook, geestverschijning, droombeeld.
| |
[† Pharao, Farao]
† Pharao, Farao, m. naam der oud-egyptische koningen. Zie FARO.
| |
[† Pharmaceut]
† Pharmaceut, m. (-en), artsenijbereider, -kenner. *...CEUTISCH, bn. artsenijkundig. *...CIE, v. kennis der geneesmiddelen en van hunne bereidingen. *...CON, o. geneesmiddel; tooverdrank; vergif. *...COPOEA, v. handboek der artsenijbereiding; wat de artsenijkunde omvat; - pauperum, voorschriften betreffende de armen-apotheken (zoo als de berekening van de prijzen der geneesmiddelen, enz.)
| |
[† Pharus]
† Pharus, m. vuurtoren, baak.
| |
[† Phase]
† Phase, v. (-n), lichtgestalte (der maan enz.); verandering; standpunt; de ziekte is eene nieuwe - ingetreden; (ook fig.).
| |
[† Phebus]
† Phebus, m. zonnegod; gezwollen stijl. *...NOMEEN, o. zie PHAENOMEEN.
| |
[† Philantroop]
† Philantroop, m. en v. (...open), menschenminnaar, -vriend. *...TROPIE, v. gmv. menschlievendheid. *...TROPISCH, bn. menschlievend.
| |
[† Philharmonisch]
† Philharmonisch, bn. de toonkunst beminnende. *...HELLEEN, m. (...enen), griekenvriend.
| |
[† Philippica]
† Philippica, v. (gesch.) redevoering door Demosthenes tegen Philippus van Macedonië uitgesproken; (fig.) straf- of boetrede tegen...
| |
[Philippus]
Philippus, orde van - den grootmoedige, ridderorde in het groothertogdom Hessen.
| |
[† Philister]
† Philister, m. (-s), groen, niet-student.
| |
[† Philoloog]
† Philoloog, m. (...ogen), taalvriend, -beoefenaar. *...LOGIE, v. taalwetenschappen.
| |
[† Philomele]
† Philomele, v. (-n), nachtegaal.
| |
[† Philosophie]
† Philosophie, v. wijsbegeerte. *...SOPHISCH, bn. wijsgeerig; -e wol, (bij de oude scheikundigen) het langs den droogen weg verkregene zinkoxyde; -e teekens, (sterrew.) de Steenbok en de Waterman; - ei, (nat.) zek. toestel.
| | | |
| |
[† Philtrum]
† Philtrum, o. (...ra), liefde-, minne-, tooverdrank.
| |
[† Phiool]
† Phiool, v. (...olen), buikvormig glas of fleschje.
| |
[† Phlegma]
† Phlegma, o. het verbrande; waterig vocht dat na de destillatie van geestrijke stoffen overblijft; het slijm. *-TISCH, bn. bedaard, kalm; het - temperament; (sterrew.) -e teekens, de Kreeft, de Schorpioen en de Visschen.
| |
[† Phlogoscoop]
† Phlogoscoop, v. (...open), werktuig dat den graad van hitte aanwijst; zek. rookverterende spaarkagchel.
| |
[† Phoenix]
† Phoenix, m. zie FENIKS.
| |
[† Phonolith]
† Phonolith, m. (-en), klinksteen. *...OMETER, m. (-s), klankmeter (werktuig). *...OSOPHIE, v. gmv. klankleer.
| |
[† Phonorgan]
† Phonorgan, o. (-en), zek. spreekwerktuig.
| |
[† Phorometer]
† Phorometer, m. (-s), draagkrachtmeter (werktuig). *...METRIE, v. gmv. wetenschap die den graad der beweging leert bepalen. *...NOMIE, v. gmv. bewegingsleer, leer der beweging van vaste en vloeibare ligchamen.
| |
[† Phosphorus]
† Phosphorus, m. lichtstof, voorwerp dat in het duister licht geeft.
| |
[† Photadyl]
† Photadyl, o. zek. vloeibare brandstof.
| |
[† Photochromatisch]
† Photochromatisch, bn. -e beelden, gekleurde lichtbeelden. *...GALVANOGRAPHIE, v. gmv. kunst om lichtbeelden langs den galvanoplastischen weg te copiëren. *...GEEN, o. lichtstof. *...GRAPHIE, v. (...ën), lichtteekening, lichtbeeld; lichtteekenkunst, (eene verbetering in de daguerréotypie). *...GRAAF, ...PH, m. (...afen), die photographiën maakt. *...GRAFISCH, bn. volgens de photographie; een - portret; een - album, album (in den vorm van een boek) bestemd om er photographische portretten in te bewaren. *...LOGIE, v. leer van het licht. *...MAGNETISME, o. magnetisme door de werking van het licht voortgebragt. *...METEOREN, v. mv. lichtgevende luchtverschijnselen. *...METER, m. (-s), lichtmeter (werktuig). *...SCOOP, v. (...open), lichtkijker, lichtmeter (werktuig). *...SPHEER, v. (...eren), lichthulsel om de zon, lichtkring *...TECHNIEK, v. gmv. verlichtingskunst. *...TYPIE, v. gmv. kunst om lichtbeelden te vervaardigen.
| |
[† Phrase]
† Phrase, v. (-n, -s), spreekwijs, volzin. *...SÉOLOGIE, v. (...ën), verzameling van spreekwijzen.
| |
[† Phrenologie]
† Phrenologie, v. gmv. schedelleer, hersenleer. *...LOGISCH, bn. volgens de hersenleer.
| |
[† Phrygische muts]
† Phrygische muts, v. (-en), roode muts (der vrijheid, der republiekeinen).
| |
[† Philacterion]
† Philacterion, m. (-s), wachtpost; schutswacht.
| |
[† Phylliten]
† Phylliten, m. mv. versteende plantenbladeren; afdruksels van bladeren in steen.
| |
[† Physalith]
† Physalith, m. (-en), blaassteen, soort topaas. *-EN, m. mv. slakkenversteenselen.
| |
[† Physica]
† Physica, v. gmv. natuurleer, natuurkunde. *-LISCH, bn. tot de natuurleer behoorende. *...CO-MATHEMATISCH, bn. de natuur- en de wiskunde tegelijk betreffende, natuurkundig met wiskunstige berekeningen. *...OANTYPIE, v. natuurzelfdruk. *...OCRATIE, v. natuurkracht. *...OGENIE, *...OGONIE, v. geschiedenis der natuur, leer van het ont- | | | | staan
der natuur. *...OGNOMIE, v. (...ën), gelaatstrekken; uiterlijk voorkomen van dier of plant. -, *...OGNOMIEK, *...ONOMIE, v. gmv. gelaatkunde. *...OGRAPHIE, v. (...ën), natuurbeschrijving. *...ONOMIST, m. (-en), gelaatkenner, gelaatkundige. *...OLOGIE, v. gmv. natuurleer; leer van de verrigtingen der dieren en planten; (fig.) schets, beschrijving. *...OLOGISCH, bn. natuurkundig, natuurlijk. *...ONOMIE, v. gmv. leer -, kennis der natuurwetten. *...OTHETICA, v. gmv. de eigenlijke natuurleer.
| |
[† Physiphilosophie]
† Physiphilosophie, v. gmv. wijsbegeerte der natuur.
| |
[† Physis]
† Physis, v. de natuur; schepping, voortbrenging. *-CH, bn. natuurlijk, zinnelijk, ligchamelijk, dierlijk, uiterlijk.
| |
[† Phytobiblia]
† Phytobiblia, v. mv. versteende plantenbladeren; bladeren-afdruksels. *...GLYPHEN, m. mv. steenen met planten-afdruksels. *...GNOSIE, v. plantenkennis. *...GRAPHIE, v. beschrijving der gewassen, beschrijvende plantenkunde. *...LITHEN, m. mv. plantenversteenselen. *...LOGIE, v. plantenkunde. *...NECTAR, m. de zuiverste honig uit de plantenbloesems. *...NOMIE, v. leer betreffende het plantenleven en zijne wetten; plantenbenoeming. *...PHAAG, m. (...agen), plantenetend dier. *...THERAPIE, v. plantenheelkunde. *...TOMIE, v. praktische ontleedkunde der planten.
| |
[† Pi]
† Pi, v. het getal -, dat aanduidt hoe groot de omtrek van den cirkel is, wanneer de middellijn gelijk aan 1 gesteld wordt.
| |
[† Piadet]
† Piadet, v. (-ten), turksche sloep.
| |
[† Piakiep]
† Piakiep, v. (-en), groot oost-indisch rooversvaartuig.
| |
[† Piano]
† Piano, bn. en bijw. zacht. *-, o. (-os), - forte, klavier. *...NINO, v. opstaande piano. *...NIST, m. -E, v. pianospeler, -speelster.
| |
[Piaster]
Piaster, m. (-s), zek. spaansche, ook turksche zilvermunt (de spaansche = ƒ2.35; de turksche = ƒ0.12).
| |
[† Pic, Pico]
† Pic, Pico, m. spits; hooge zeer spits toeloopende berg. *-, el (lengtemaat in het Oosten).
| |
[† Pickles]
† Pickles, mv. in azijn ingemaakte en sterk gekruide plantenspijzen.
| |
[† Piëdestal]
† Piëdestal, m. (-len), voetstuk.
| |
[Piek]
Piek, v. (-en), lans; (spr.) de - schuren, vlugten, deserteren. *-DRAGER, m. (-s), *-ENIER, m. (-s), die met eene piek gewapend is. *-ENIEK, v. gemeenschappelijk maal waartoe ieder eenige spijzen geeft. *-STUK, o. (-ken), lansensteel. *-EVAL, m. (-len), (zeew.) zek. touw.
| |
[Piel]
Piel, m. (-en), jonge eend.
| |
[Piepen]
Piepen, ow. gel. (ik piepte, heb gepiept), een dun scherp geluid geven (als muizen of mosschen), schreeuwen; (spr.) zoo als de ouden zongen - de jongen, wat de ouden (goed) deden volgen de jongen (gebrekkig) na. *-D, bn. eene -e stem. *...ER, m. (s), rieten fluitje, - pijpje. -, m., *...STER, v. (-s), die piept. *...ERTJE, (B. -N), o. (-s), herdersfluit. *...JONG, bn. zeer jong.
| |
[Pier]
Pier, v. (B.m.), (-en), aardworm; (spr.) hij is zoo dood als een -. *-EN, bw. gel. (ik pierde, heb gepierd), foppen, bedriegen. § *-ENWAAIJEN, ow. gel. (ik pierenwaaide, heb gepierenwaaid), gemeene huizen bezoeken.
| |
[† Pierrot]
† Pierrot, m. (-s), hansworst, clown in de balletten.
| |
[Pieterman]
Pieterman, m. (-nen), zek. zeevisch.
| | | |
| |
[† Piëtist]
† Piëtist, m. (-en), overdreven vrome. *-ERIJ, v. ijverige schijnvroomheid. *...TISMUS, o. overdrevene vroomheid, schijnvroomheid.
| |
[† Pieus]
† Pieus, bn. godvruchtig, vroom; -e instellingen; eene -e gift.
| |
[† Pigment]
† Pigment, o. gmv. kleursel, verfstof.
| |
[Pij]
Pij, v. (-en), kleed van grove stof; de stof zelve; trijp; eene monniks-; (fig.) op zijne - krijgen, afgeranseld worden.
| |
[Pijl]
Pijl, m. (-en), dun in eene scherpe punt uitloopend wapentuig; schicht; met - en boog vechten; (sterr.) zek. sterrebeeld; als een - van den boog, zeer snel; al zijne -en zijn verschoten, hij weet niets meer te zeggen. *-, jonge eend. *-BOOG, m. (...ogen). *-ENMAKER, m. (-s). *-ER, m. (-s), zuil, pilaar. *-KAST, v. (-en). *-KOKER, m. (-s). *-KRUID, o. gmv. zek. plant. *-NAAD, v. (...aden), (heelk.). *-SCHOT, o. (-en), schot met eenen pijl gedaan. *-STAART, m. (-en), achtereind van den pijl; zek. visch; soort eend; schip of vaartuig breed van voren en smal van achteren. *-STEENEN, m. mv. belemnieten, versteende overblijfselen van een uitgestorven diergeslacht. *-STOK, m. (-ken). *-STORMVOGEL, m. (-s), zek. vogel. *-VERGIFTEN, o. mv. soorten vergif waarmede de pijlen worden bestreken. *-VORMIG, bn. *-WORTELMEEL, o. gmv. arrowroot.
| |
[Pijn]
Pijn, v. (-en), smartelijke gewaarwording; smart, wee, zielelijden; moeite. *-APPEL, m. (-s, -en), vrucht van den pijnboom. -KERN, v. (-en), pit. *-APPELKLIER, v. (-en), (gen.). *-BANK, v. (-en), folterbank; (fig.) hevige marteling. *-BOOM, m. (-en), denneboom. *-HARS, v. gmv. hars van den pijnboom. *-EN, bw. gel. (ik pijnde, heb gepijnd), drukken, persen; gepijnde honig. *-IGEN, bw. gel. (ik pijnigde, heb gepijnigd), pijn veroorzaken; folteren, martelen. *-IGING, v. (-en), foltering, marteling. *-IGER, m. (-s), beul, folteraar. *-KAMER, v. (-s), kamer waar een beschuldigde op de pijnbank werd gelegd. *-LIJK, bn. en bijw. (-er, -st), smart veroorzakende, ziekelijk, lijdende. -HEID, v. gmv. ziektegevoel, smartgevoel. *-LOOS, bn. geene smart veroorzakende, zonder pijn. *-NOOT, v. (...oten). *-RAAM, o. zek. werktuig bij de pijnbank in gebruik. *-STILLEND, bn. verzachtend. *-WOUD, o. (-en), bosch van denneboomen.
| |
[Pijp]
Pijp, v. (-en), buis (van hout, aarde, metaal enz.), cylinder; fluit; staaf; been; steel met kop (tot tabak rooken); eene - (langwerpig stuk) lak; de - eener broek (dat gedeelte waarin het been zit); de - van een orgel; - eener goot; - eener brandspuit; eene - stoppen (vullen met tabak); (fig.) naar iemands -en (fluit) dansen, alles doen wat hij begeert; de -en stellen, tieren, razen; daar kan hij een leelijke - aan rooken, dat kan hem zuur opbreken. *-, soort (wijn)vat; eene - madera. *-AARDE, v. gmv. zek. kleisoort.
| |
[Pijpen]
Pijpen, ow. ong. (ik peep, heb gepepen), fluiten, op de fluit blazen; (ook) piepen. *-BAKKER, m. (-s). *-BLOEMIG, bn. -e gewassen. *-BOOR, v. (...oren). *-DOP, m. (-pen), *-DOPJE, o. (B. -N), (-s), dekseltje (van draadwerk) op eenen pijpenkop. *-FABRIEK, v. (-en). *-KETEL, m. (-s), soort stoomketel. *-KOP, m. (-pen), dat gedeelte der pijp waarin de tabak wordt gestopt. *-MAKER, m. (-s). *-LADE, v. (-n). *-MANDJE, (B. -N), o. (-s), langwerpig smal
| | | |
mandje. *-PLANK, v. (-en), plank met gaten door welke de orgel-pijpen gaan; (ook) plank waarop doorgaans de tabakspijpen liggen. *-ROER, o. (-en). *-STANDER, m. (-s), zek. huisraad bestemd om er pijpen in te stellen. *-STEEL, m. (...elen), langst en naauwst gedeelte der pijp. *-STELLER, m., ...STER, v. (-s), (fig.) deugniet. *-UITHALER, m. (-s). -TJE, (B. -N), o. (-s). *-VORM, m. (-en). *-WROETER, m. (-s).
| |
[Pijper]
Pijper, m. (-s), fluitspeler.
| |
[Pijpgast]
Pijpgast, m. (-en), die de brandspuit bedient, brandblusscher. *...GAT, o. (-en), deel van een orgel. *...JE, (B. -N), o. (-s), kleine pijp. *...KAN, v. (-nen), kan met zuigpijpje, lurkkan. *...KANEEL, o. gmv. kaneel in bast. *...KORAAL, o. (...alen), valsche koraal. *...KRUID, o. (plant.) dolle kervel. *...MAKER, m. (-s). -IJ, v. (-en), pijpenfabriek. *...RIET, o. (-en), riet waarvan men herdersfluitjes snijdt. *...UITHALER, m. (-s). *...WERK, o. (-en), toestel van buizen (bij waterwerken enz.). *...ZAK, m. (-ken), doedelzak. *...VOERDER, m. (-s), brandspuitbedienaar.
| |
[Pijrok]
Pijrok, m. (-ken), zek. kleedingstuk (van grove stof).
| |
[Pik]
Pik, v. zie PEK. *-, m. het pikken van eenen vogel; wrok, haat; eenen - op iem. hebben.
| |
[† Pikant]
† Pikant, bn. en bijw. (-er, -st), scherp; eene -e saus; (fig.) bits, vinnig; prikkelend; die geschiedenis is zeer -, zij prikkelt zeer de belangstelling. *-ERIE, v. (...ën), bitsheid, scherpte (van toon); verholene vijandschap; iem. pikanteriën (gevoelige beleedigingen) zeggen.
| |
[Pikbroek]
Pikbroek, v. (-en), (fig.) matroos.
| |
[Pikdonker]
Pikdonker, bn. en bijw. stik donker, duister.
| |
[† Piket]
† Piket, o. (-ten), wacht (soldaten); het brand- hebben, (bij de schutterij) aangewezen zijn (beurtelings) om bij het uitbarsten van brand op te komen ten einde de orde te handhaven; soort kaartspel. *-TEN, ow. gel. (ik pikette, heb gepiket), piket spelen.
| |
[Pikeren]
Pikeren, bw. gel. (ik pikeerde, heb gepikeerd), prikken; kantoorboeken onderling vergelijken, posten aanteekenen; (fig.) iem. bedektelijk honen; gepikeerd zijn, zich beleedigd achten. *...KEUR, m. (-s), (rijsch.) tweede meester.
| |
[† Pikkedillen]
† Pikkedillen, v. mv. kleinigheden, kleine zonden (der jeugd).
| |
[Pikken]
Pikken, ow. en bw. (ik pikte, heb gepikt), met pek of pik insmeren, - bestrijken; met den bek slaan tegen... (van vogels); trekkebekken; (fig.) op bedekte wijze honen, beleedigingen toevoegen.
| |
[† Pikol]
† Pikol, o. handelsgewigt in Oost-Indië (= ruim 62 ned. pond).
| |
[Pikzwart]
Pikzwart, bn. zoo zwart als pik; (fig.) pikdonker.
| |
[Pil]
Pil, v. (-len), medicijnballetje; -len draaijen (maken); -len slikken; (fig.) dit is eene harde - om te slikken, die zaak is pijnlijk om te volbrengen; (ook) die tijding is hard te vernemen; de - vergulden, eene onaangename zaak fraai of aannemelijk voorstellen; met zoete woordjes iets zeer pijnlijks zeggen.
| |
[Pilaar]
Pilaar, m. (...aren), pijler, zuil (rond of vierkant); (fig.) steun; een - der kerk. *-BIJTER, m. (-s), ...STER, v. (-s), femelaar, -ster; schijnheilige. *-BIJTERIJ, v. (-en), femelarij, schijnheiligheid. *-HOOFD,
| | | |
o. (-en), (bouwk.) kapiteel. *-LIJST, v. (-en). *-SCHACHT, *-SCHAFT, v. (-en), zuil zonder den voet of den kop. *-VOET, m. (-en), basis der zuil.
| |
[† Pilaster]
† Pilaster, m. (-s), vierkante -, platte zuil; steunsel van eenen, schoorsteenmantel.
| |
[Pillegift]
Pillegift, v. (-en), doopgeschenk.
| |
[Pillendoos]
Pillendoos, v. (...ozen). *-JE, (B. -N), o. (-s). *...DRAAIJER, m. (-s), apotheker (scheldnaam). *...SLIKKER, m., ...STER, v. (-s), (fig.) die zeer aan medicijnen gehecht is.
| |
[† Piloot]
† Piloot, m. (...oten), stuurman, loods. *...LOTARIS, m. (-sen), havenmeester.
| |
[Piment]
Piment, PIMENTO, o. gmv. spaansche peper.
| |
[Pimpel]
Pimpel, m. (-s), soort mees (zek. vogel); (fig.) onnoozele bloed, botterik. *-AAR, m. (-s), -STER, v. (-s), drinkebroêr, zuipster. *-EN, ow. gel. (ik pimpelde, heb gepimpeld), drinken, de kan vaak aanspreken. *-MEES, v. (...zen), soort vogel; het is een -, het is een drinkebroêr. *-PAARSCH, bn. donkerpaarsch; hij is - van de koû. *-TJE, (B. -N), o. (-s), likeurglaasje.
| |
[Pimperboom]
Pimperboom, m. (-en), pistaciënboom.
| |
[Pimpernel]
Pimpernel, v. zek. kruid of plant. *...NOOT, v. (...oten), pistacie. -ROOS, v. (...ozen). *-WORTEL, m. (s).
| |
[Pin]
Pin, v. (-nen), zwik, pen (meest van hout, om touwen, ook bekleedsels vaneen te houden); soort spiering. *-NEN, bw. gel. (ik pinde, heb gepind), met of door pinnen aaneen houden.
| |
[† Pinacotheek]
† Pinacotheek, v. (...eken), groote (lands)kunstverzameling, (inz. schilderijen).
| |
[Pinas]
Pinas, v. (-sen), soort klein en smal vaartuig.
| |
[† Pindus]
† Pindus, m. gmv. zangberg.
| |
[Pingelen]
Pingelen, v. mv. zaadjes van den pijnappel.
| |
[Pink]
Pink, m. (B.m. en v.), (-en), kleinste vinger. *-, v. soort vischersvaartuig; hij is bij de -en, hij is slim, - snedig, - werkzaam. *-, m. en v. eenjarig kalf. *-EN, ow. gel. (ik pinkte, heb gepinkt), met de oogen knippen; eenen traan -, met den pink eenen traan uit het oog wisschen. *-ER, m. (-s), springstokje. *-JE, (B. -N), o. (-s), kleinste vinger (naaist.) langwerpige naairing.
| |
[† Pinkops]
† Pinkops, v. (wev.) overgebleven katoen dat niet verwerkt kan worden; poetskatoen.
| |
[Pinkster]
Pinkster, *-EN, o. (B. PINGSTER), v. gmv. herinneringsfeest aan de nederdaling van den Heiligen Geest op de apostelen; (isr.) feest der eerstelingen, wekenfeest; - één, - twee, eerste -, tweede dag van Pinkster. *-AVOND, m. (-en), avond van den ingang van Pinksteren. *-BLOEM, v. (-en), zek. bloem; (fig.) meisje of kind zot uitgedost. *-DAG, m. (-en). *-FEEST, o. gmv. *-LIED, o. (...eren). *-MAANDAG, m. (-en). *-MORGEN, m. gmv. *-NACHT, m. gmv. nacht van den ingang van Pinksteren. *-NAKEL, m. gmv. soort brood; soort zoete moesplant. *-TIJD, m. (-en). *-VREUGDE, v. gmv. *-WEEK, v. (...eken). *-ZANG, m. (-en). *-ZONDAG, m. (-en).
| |
[† Pinnacidiën]
† Pinnacidiën, o. mv. (meetk.) meetvizieren.
| |
[Pinsbek]
Pinsbek, o. zie SPINSBEK.
| | | |
| |
[Pint]
Pint, v. (-en), kan; oude vochtmaat (zeer verschillend van inhoud, ongeveer = 6 nederl. maatjes). *-ER, v. (-s), (zeew.) zek. touwwerk. *-FLESCH, v. (...sschen). *-GLAS, o. (...azen). *-KAN, v. (-nen). *-SROEMER, m. (-s).
| |
[† Pinxit]
† Pinxit, (hij heeft het) geschilderd.
| |
[Pioene]
Pioene, v. (-n), soort fraaije bloem.
| |
[Pion]
Pion, (-nen), m. boer (in het schaakspel); een - nemen; zijn - tot koningin brengen; met een - coiffê spelen, met een bepaalden pion mat zetten. *-NETJE, (B. -N), o. (-s). *-NIER, m. (-s), schansgraver.
| |
[Pip]
Pip, v. gmv. zek. vogelziekte. *-PELING, v. (-en), reinet (appel).
| |
[Pips]
Pips, bn. en bijw. met de pip behebt; (fig.) niet fiksch, ongesteld; zij ziet er - uit, zij schijnt zwanger te zijn.
| |
[† Pipris]
† Pipris, v. (-sen), sloep van de negers.
| |
[† Piqué]
† Piqué, o. soort katoenen stof; een - vestje.
| |
[† Piraat]
† Piraat, m. (...aten), zeeroover. *...RATERIE, v. zeerooverij.
| |
[† Piramiede]
† Piramiede, *...MIDE, v. (-n), vier- of meerzijdig spits toeloopend gebouw met ééne gemeene basis; de -n van Egypte. *...MIEDAAL, bn. en bijw. als -, in den vorm eener piramiede.
| |
[† Pirouette]
† Pirouette, v. (-n), draai, wending (in de dans- en rijkunst). *-REN, ow. gel. (ik pirouetteerde, heb gepirouetteerd), zwenken, draaisprongen maken.
| |
[Pis]
Pis, v. gmv. wateruitwerpsel (van menschen en dieren); - hebben, zijne - niet kunnen houden. *-, § (fig.) slechte -, slappe drank. *-ACHTIG, bn. als pis.
| |
[† Pisang]
† Pisang, *-BOOM, m. (-en), soort banaan. *-VRUCHT, v. gmv.
| |
[Pisbak]
Pisbak, m. (-ken), urinoir. *...BLAAS, v. (...azen). *...BROEK, m. (-en), jongentje dat nog in zijne broek watert.
| |
[† Piscicultuur]
† Piscicultuur, v. gmv. kunstmatige vischteelt. *...CINE, v. (-n), vijver voor die teelt.
| |
[† Pisé]
† Pisé, m. ineengestampte aarde (bouwstof voor de muren van huizen).
| |
[Pisdoek]
Pisdoek, m. (-en). *...DRIJVEND, bn. (gen.) een - middel. *...GANG, m. (en), (ontl.) uretrus. *...GLAS, o. (...azen), soort flesch waarin het door zieken geloosde water wordt bewaard. *...HOEK, m. (-en), plaats waar gewaterd wordt. *...KIJKER, m. (-s), arts die voorgeeft uit de pis de ziekte te kennen. -IJ, v. gmv. het piskijken. *...KOUS, v. (-en), jong meisje, nufje. *...KROEG, v. (-en), gemeen bordeel. *...LEIDER, m. (ontl.). *...LOOZING, v. (-en). *...LUIJER, v. (-s). *...LUUR, v. (...uren). *...POT, m. (-ten), waterpot; (zeew.) bras van de bezaansroede. *...PRAATJE, (B. -N), o. (-s), nietig -, zot geklap.
| |
[Pissebed]
Pissebed, o. (-den), (nat. gesch.) zek. insekt, duizendbeen. *-, m. en v. die in bed watert. *...SELINGS, bijw. druipende.
| |
[Pissen]
Pissen, ow. gel. (ik piste, heb gepist), zijn water loozen; wateren. *...SER, m., *...STER, v. (-s), die pist. *...SERTJE, (B. -N), o. (-s), kind dat pist; mannelijk deel van een kind; kraantje. *...STOF, v. (scheik.). *...SUIKER, v. druivensuiker.
| |
[† Pistacie, Pistachie]
† Pistacie, Pistachie, (...ën), v. pimpernoot.
| |
[† Piston]
† Piston, m. (-s), zuiger; luchtklepje; cornet-à- -, soort blaashoorn. § *-, v. (-nen), ton waarin men watert.
| | | |
| |
[Pistool]
Pistool, v. (...olen), zek. oude spaansche goudmunt (= ƒ12 ongeveer); soort wapentuig met korten loop; op de - vechten, duelleren; met de - schieten; (fig.) met de - op de borst iets vragen, dreigende eischen, iemand in het naauw brengen. *-, gehuurde kamer in eene gevangenis. *-CAMERA, v. soort photographisch werktuig. *-HOLSTER, *-KOKER, m. (-s). *-MAKER, m. (-s). *-SCHOOT, *-SCHEUT, v. (-en), verheid van een pistoolschot, dragt van eene pistool. *-SCHOT, o. (-en), losbranding eener pistool. *-TJE, (B. -N), o. (-s), kleine pistool.
| |
[Pisvloed]
Pisvloed, m. (-en), (gen.) ziekelijke ontvloeijing van het water. *...WEG, m. (-en), (ontl.).
| |
[Pit]
Pit, v. (-ten), kern, amandel (van vruchten); katoen (eener lamp of kaars), kousje. *-, v. en o. merg, kracht; het - van eenen boom; (fig.) innerlijke waarde, zelfstandigheid, het beste, kern; daar zit - in dat laken; er steekt niet veel - in die redenering. *-JE, (B. -N), o. (-s), kleine kern, zaadje (van vruchten, inz. rozijnen). *-OOR, m. (-en), roerdomp (zek. vogel). *-TIG, bn. en bijw. (-er, -st), vol pitten; (fig.) vol merg en kracht; -laken; -e wijn; geestig, snedig.
| |
[Pitsjaar]
Pitsjaar, v. (...aren), *-VLAG, v. (-gen), (zeew.) soort kommando-vlag tot sein dat men zich aan boord moet begeven. *...AREN, bw. gel. (ik pitsjaarde, heb gepitsjaard), de pitsjaarvlag uitsteken; (ook) zich voor een dag aan land begeven.
| |
[† Pittoresk]
† Pittoresk, bn. en bijw. (-er, -st), schilderachtig, treffend (voor het gezigt), (fig., ook voor het verstand).
| |
[Pitvrucht]
Pitvrucht, v. (-en), soort schijnvrucht.
| |
[Pius]
Pius, orde van - IX, pauselijke ridderorde.
| |
[† Pizzicato]
† Pizzicato, bn. en bijw. (muz.) knippende, geknipt (met de vingers op de snaren).
| |
[Plaag]
Plaag, v. (plagen), kwelling, verdriet; geesel; kastijding, straf; onheil, ramp; (bijb.) de tien plagen van Egypte. *-GEEST, m. (-en), kwelduivel, demon; (fig.) die onophoudelijk plaagt en lastig is. *-STER, v. (-s), plaaggeest. *-ZIEK, bn. (-er, -st), vol zucht tot plagen, - tot kwellen, lastig.
| |
[Plaanboom]
Plaanboom, m. (-en), plataanboom.
| |
[Plaat]
Plaat, v. (platen), geplet stuk metaal; gereedschap om iets in den oven te bakken; haardvloer onder den schoorsteen; plat en breed stuk marmer; dekstuk van een slot; achter- of onderstuk eener drukpers; wijzerbord; groot en plat houten belegstuk of plank; (aardr.) zandbank; (grav.) koper -, staal -, steen waarop gegraveerd of geteekend is; afdruk, prent, afbeelding; § de - poetsen, aan den haal gaan, deserteren; (ook) wegblijven van het gevecht. *-DRUKKEN, ow. gel. (ik plaatdrukte, heb geplaatdrukt), koperen platen afdrukken, trekken. *-DRUKKER, m. (-s), graveur, drukker van plaatwerken. -IJ, v. (-en), werkplaats -, (ook) kunst des plaatdrukkers. *-ETSER, m., *-ETSTER, v. (-s), die met sterk water op koper etst. *-GRENDEL, m. (-s). *-JE, (B. -N), o. (-s), kleine plaat; centen-s, stukjes koper nog ongemunt en tot centen bestemd. *-IJZER, o. gmv. geslagen (in tegenst. van gegoten) ijzer. *-KIEU-
| | | |
WIGEN,
m. mv. zek. orde der schelpdieren. *-KNIE, v. (-ën), (zeew.) zek. ijzeren plaat. *-KOEK, m. (-en), soort pannekoek (van zeer grof meel). -KRAAM, v. (...amen), kermiskraam waarin plaatkoek gebakken wordt. *-PAPIER, o. papier dat tot plaatdrukken geschikt is. *-PERS, v. (-en), drukpers van den plaatdrukker.
| |
[Plaats]
Plaats, v. (-en), opene plek; voor-, achter-, binnen-; buitengoed, villa; betrekking, ambt; naar eene - dingen of staan; volzin; gedeelte uit een werk; aanhaling; zie den schrijver t.a.p. (ter aangehaalde plaatse); deze - uit Cicero luidt aldus; punt; op die - - doet het mij zeer; sterkte; vesting; stad, vlek, dorp; ik ken geen schooner - dan...; welk eene vervelende - is hier; ruimte, omtrek; zitplaats; er is hier geen - meer; eene besprokene -, vooruit besteld en betaald (in eenen schouwburg enz.); hij bleef op de - (op de plek waar hij zich bevond) dood; (ook) hij sneuvelde; - vinden, grijpen, hebben, gebeuren, voorvallen, geschieden; - maken voor; in (de) - van een ander, iets anders; in - dat iets geschiede; in de eerste -, het allereerst, vooreerst; -! (fig.) uit den weg! - rust! kommando bij de exercitiën. *-BEGEVER, m., *-BEGEEFSTER, v. (-s), die plaatsen of ambten uitdeelt. *-BEKLEEDER, m., ...STER, v. (-s), zie PLAATSVERVANGER. *-BESCHRIJVEND, bn. *-BESCHRIJVER, m. *-BESCHRIJFSTER, v. (-s). *-BESCHRIJVING, v. (-en), † topographie. *-BESTEMMING, v. (-en). *-BEWAARDER, m. (-s). ...STER, v. (-s). *-BRIEFJE, (B. -N), o. (-s), bewijs eener besprokene plaats. *-ELIJK, bn. en bijw. dat tot eene zekere plaats behoort, - zich daarbij bepaalt; de -e of stedelijke bevelhebber; (gen.) een - gebrek; -e gesteldheid. *-EN, bw. gel. (ik plaatste, heb geplaatst), stellen, zetten; eene plaats geven aan; (fig.) zijn hart is wel geplaatst, hij heeft eene goede inborst; zijn geld goed - (beleggen); men moet wel toezien waar men zijne vriendschap plaatst (aan wien men haar schenkt). ZICH -, ww. ik weet niet waar ik mij - moet. *-HOND, m. (-en), ketting-, bulhond. *-HOUDER, m. (-s). ...STER, v. (-s). *-ING, v. het plaatsen. *-JE, (B. -N), o. (-s), kleine plaats. *-KOMMANDANT, m. (-en), militaire opperbevelhebber in eene stad.
| |
[Plaatslijper]
Plaatslijper, m. (-s), *...SLIJPSTER, v. (-s), lediglooper, -loopster. *...SNIJDER, m. (-s), ...STER, v. (-s), graveur, graveerder, ...ster. *...SNIJDEN, o. *...SNIJKUNST, v. gmv. de graveerkunst.
| |
[Plaatsmajoor]
Plaatsmajoor, m. (-s). *...VERVANGER, m., ...STER, v. (-s), die eens anderen plaats inneemt, hem of haar vertegenwoordigt; (mil.) remplaçant. *...VERVANGING, v. gmv. het innemen van eens anderen plaats; (mil.) remplacement. *...VULLING, v. (-en), opvulling van eene plaats of ruimte; bladvulling.
| |
[Plaatwerk]
Plaatwerk, o. (-en), werk -, boek met koperplaten of met teekeningen enz.; geïllustreerd werk.
| |
[† Placenta]
† Placenta, v. (vroedk.) moederkoek, nageboorte. *...CET, o. (-ten), verzoekschrift; koninklijk oktrooi; ordonnantie op een kerkelijk besluit; stoeltje zonder leuning, kruk; regt van -, (r.k.) regt om de bisschoppelijke besluiten af te kondigen. *...FOND, o. (-s), zoldering. *...FONNEREN, bw. gel. (ik plafonneerde, heb gepla- | | | | fonneerd),
eene zoldering kunstmatig evenen; - met stukadoorsel beleggen.
| |
[Plagen]
Plagen, bw. gel. (ik plaagde, heb geplaagd), kwellen, lastig vallen. *...GER, m. (-s), die kwelt; onderdrukker, dwingeland. *...GERIJ, v. (-en), het plagen, kwellen.
| |
[Plagge]
Plagge, v. (-n), kluit, zode; -n, losse turf, heideturf.
| |
[† Plagiaat]
† Plagiaat, o. (...aten), letterdieverij; gedachtenroof; (ook) menschenroof. *...GIARIUS, m. (...rii), letterdief; (ook) menschenroover.
| |
[† Plaid]
† Plaid, v. (-s), geruite wollen mantel der bergschotten; (oud fransche) geregtszitting.
| |
[† Plainte]
† Plainte, v. (-s), geregtelijke aanklagt.
| |
[† Plait-il?]
† Plait-il? wat belieft u? *-, PLAITIE, v. heimelijk gemak.
| |
[Plak]
Plak, v. (-ken), plat, dik stuk klophout; (oudt.) strafwerktuig in de scholen gebruikelijk; (fig.) er de - op leggen, kastijden; iem. onder de - (in bedwang) houden. *-ALMANAK, m. (-ken), almanak om aan den wand opgehangen te worden. *-BRIEF, m. (...ven), plakkaat, affiche, bekendmaking. *-KAAT, o. (...aten), bevelschrift (van wege de regering), bekendmaking, edikt; aanplakbiljet; het groot -, verzameling van alle (oud-nederlandsche) plakkaten. *-KEN, bw. gel. (ik plakte, heb geplakt), doen kleven op (door stijfsel, lijm enz.); vastzetten, neêrploffen; (fig.) zij hebben hem in de gevangenis geplakt; lang ergens blijven; het beviel mij daar wel, ik bleef er -, *-KER, m., ...STER, v. (-s), die iets beplakt of aanplakt. *-KAART, v. (-en). *-KERIJ, v. (-en). *-SCHRIFT, o. (-en), plakkaat. *-WERK, o. (-en), het plakken; (fig.) knoeiwerk. *-ZODE, v. (-n), tuinzode.
| |
[Plammoten]
Plammoten, bw. gel. (ik plammootte, heb geplammoot), bevlekken, met vuile handen bezoedelen.
| |
[Plan]
Plan, o. (-nen), schets, ontwerp, platte grond; een - teekenen of schetsen; (fig.) ontwerp, voornemen; een - vormen.
| |
[† Planchet]
† Planchet, o. (-ten), platte balein in een rijglijfje. *-SCHUIF, v. (...ven).
| |
[Planeet]
Planeet, v. (...eten), dwaalster, donkere bol; (fig.) lot, noodlot, voorbeschikking; iem. zijne - stellen of lezen, hem zijn toekomstig lot voorspellen; hij is onder eene ongelukkige - geboren; het planeten-stelsel, stelsel in het heelal gevormd door de aarde met de planeten in haren zamenhang onderling en met de zon; planetentafel, zek. sterrekundig boek. *-BOEK, o. (-en), tooverboek. *-JAAR, o. (...aren). *-KENNER, m. (-s). *-KENNIS, v. gmv. *-KIJKER, m. (-s), sterrekundige; (ook) werktuig. *-LEZER, m. (-s), *-LEESSTER, v. (-s), waarzegger, waarzegster. *-METER, m. (-s), (sterr.) werktuig.
| |
[† Planeren]
† Planeren, bw. gel. (ik planeerde, heb geplaneerd), effenen, evenen, glad maken. *...NETARIUM, o. (-s), planetenlijst; kunstmatige toestel die den loop der planeten aanwijst. *...TARISCH, bn. ronddwalend; -e dieren, die op de laagste trappen van het dierlijk leven staan en wier uitwendige ligchamen niet veel verschillen van delfstoffen. *...TOÏDEN, v. mv. kleine planeten. *...TOLABIUM, o. werktuig tot het waarnemen der planeten.
| |
[† Planimetrie]
† Planimetrie, v. gmv. vlaktemeetkunst. *...SPHEER, o. (...eren), of *...GLOBE, v. (-n), voorstelling der aarde of van den sterrenhemel op een vlak.
| | | |
| |
[Plank]
Plank, v. (-en), plat gezaagd betrekkelijk breed hout; deel; eene - leggen (van den wal naar een schip); met -en (iets) beschoeijen; (fig.) de - mis zijn, zich vergissen; die is als eene -, die is stevig of sterk; goed bij de - kunnen, gegoed zijn; (fig.) de -en betreden, tooneelspelen. *-EN, bn. van planken; een - vloer. *-ER, m. (-s), (zeew.) leverancier van losplanken. *-IER, o. (-s), vloer; plat. *-JE, (B. -N), o. (-s), kleine plank; verhuurbordje aan een huis. *-WERK, o. (-en), getimmerde toestel van planken.
| |
[Plannenmaker]
Plannenmaker, m., *...MAAKSTER, v. (-s), warhoofd, gelukzoeker.
| |
[Plant]
Plant, v. (-en), gewas. *-AADJE, (-n), *-AGIE, v. (...ën), aanleg van plantsoen; grond waarop (in Oost- of West-Indië) meest rijst, koffij, suiker enz. wordt geteeld. *-AARDE, v. gmv. tuinaarde. *-BESCHRIJVER, m. (-s). ...VING, v. (-en). *-DIER, o. (-en), zoöphiet (koraal enz.). *-EN, bw. gel. (ik plantte, heb geplant), in aarde -, in den grond zetten (inz. om te doen groeijen); poten (aardappelen); (fig.) de vaan des opstands -; het geschut -; den standaard -.
| |
[Plantenbed]
Plantenbed, o. (-den), stuk grond met planten bezet. *...GIF, o. (-ten). *...GROEI, m. gmv. *...KALENDER, m. zamenstelling van gewassen, die zoodanig is geordend dat de bloei der planten de maand aanduidt waarin men zich bevindt. *...KENNER, m. (-s). *...KIEM, v. (-en). *...KUNDE, v. gmv. *...KWEEKER, m. (-s). ...STER, v. (-s). *...KWEEKERIJ, v. (-en). *...LEER, v. gmv. *...LEVEN, o. gmv. een - leiden, als eene plant leven, † vegeteren. *...OLIE, v. (...ën). *...RIJK, o. gmv. een van de drie rijken der natuur. *...SAP, o. (-pen). *...SLIJM, o. zek. stoffen van plantaardigen oorsprong. *...STEEN, m. (-en). *...STELSEL, o. (-s), eene op bepaalde beginselen gegronde verdeeling van het plantenrijk. *...TUIN, m. (-en), kruidtuin. *...ZOUT, o. (-en). *...ZUIGER, m. (-s). *...ZUUR, o. (...uren).
| |
[Planter]
Planter, m. (-s), die plant; eigenaar eener plantaadje; kolonist. *-IJ, v. (-en).
| |
[Plantgewas]
Plantgewas, o. (-sen). *...HOF, m. (...ven), kweekerij. *...IJZER, o. (-s), werktuig der tuinlieden. *...ING, v. (-en), het planten. *...JE, (B. -N), o. (-s). *...SOEN, o. (-en), aanplanting; grond met planten bezet. -BOSCH, o. (...sschen). *...WORDING, v. gmv.
| |
[Plas]
Plas, m. (-sen), (B. PLASCH, ...sschen), ruimte met water of ander nat bedekt; een - water, bloed, regen; (fig.) de wijde -, de zee. *-DANK, m. (-en), dank met bijoogmerken betuigd; hij deed het om een - te behalen. *-REGEN, m. (-s), stort-, slagregen. -EN, onp. w. gel. (het plasregende, heeft geplasregend). *-SEN, ow. gel. (ik plaste, heb geplast), plompen, ploeteren door of in het water; een -de (kletterende) regen. *-SERIJ, v. (-en), het geplas, geploeter. *-WATER, o. gmv. wasch-, morswater.
| |
[† Plastiek]
† Plastiek, v. gmv. aanschouwelijke kunst, kunst der edele vormen (b.v. beeldhouw-, tooneel-, ook danskunst). *...TISCH, bn. aanschouwelijk door vormen; de -e kunsten. *...TOGRAPHIE, v. gmv. nagebootst schrift.
| |
[Plat]
Plat, bn. en bijw. (-ter, -st), vlak, zonder diepte, effen; een - vlak, zonder bogt; de -te grond, teekening eener stad, - van een
| | | |
gebouw; het -te land, de gemeenten in de provinciën (in tegenstelling van de groote steden); (meetk.) een -te driehoek; - maken, - slaan; zich - op den buik leggen; gemeen, zouteloos, † triviaal, laf; eene -te uitdrukking; hij zeide het - weg (ronduit). *-, o. (-ten), effene ruimte buiten eene verdieping (gewoonlijk met lood of zink bedekt); terras; op zijn - zitten, staan; op het - klimmen; vlak, platte zijde; het - van den degen, van het liniaal; (fig.) op zijn - vallen, bekennen; door het mat vallen.
| |
[Plataan]
Plataan, m. (...anen), *-BOOM, m. (-en), fraaije zuidelijke boom.
| |
[Platachtig]
Platachtig, bn. en bijw. (-er, -st), eenigzins plat. *...BOOMD, bn. (zeew.) plat van bodem. *...BROEK, m. (-en), gesnedene, gelubde. *...DAK, o. (-en), (bouwk.) gebroken dak. *...DIJS, m. (...zen), soort blei (visch). *...DUITSCH, o. gmv. taal der Westfalers, - der duitsche veldbewoners.
| |
[Plated, Pleet]
Plated, Pleet, bn. met goud of zilverblaadjes overtrokken. *-, o. verguld -, verzilverd metaal.
| |
[† Plateren]
† Plateren, bw. gel. (ik plateerde, heb geplateerd), (ook plaqueren), vergulden, verzilveren (met goud of zilverblad).
| |
[§ Platgat]
§ Platgat, m. (-ten), snijder, knoeijer. *...HEID, v. (...eden), lafheid, gemeene taal.
| |
[† Platina]
† Platina, v. gmv. wit goud; het fijnste metaal. *...NEREN, bw. gel. met een laagje platina overdekken. *...TUDE, v. (-s), gemeenheid, laagheid.
| |
[Platje]
Platje, (B. *-N), o. (-s), klein plat; rond open plekje; (fig.) kwantje, slimmerdje. *...KEVERS, m. mv. soort insekten. *...KOPPEN, m. mv. soort groote scheepsspijkers. *...LOOD, o. (zeew.) deklood voor het zinkgat van het kanon; geplet lood. *...LUIS, o. (...zen), zek. ongedierte; (zeew.) laag friesch turfschip. † *...-MENAGE, v. (-s), tafelstel (voor zout, peper enz.). *...MAKING, v. (-en), het pletten. *...METING, v. (-en), vlakmeting. *...NEUS, m. en v. (...zen).
| |
[† Platonisch]
† Platonisch, bn. en bijw. (-er, meest platonisch), naar Plato, naar de leer van Plato; eene -e liefde, liefde van ziel tot ziel; de -e republiek, wijsgeerige inrigting van eenen Staat doch praktisch onbestaanbaar; - zonnejaar, (sterr.).
| |
[Platschieten]
Platschieten, bw. gel. door middel van kanonschoten wegschieten.
| |
[Platteband]
Platteband, m. (-en), bovenband eener broek.
| |
[Platteel]
Platteel, o. gmv. nagemaakt porselein. *-BAKKER, m. (-s). -IJ, v. (-en).
| |
[Plattegrond]
Plattegrond, m. (-en), *...LAND, o. zie op PLAT.
| |
[Platterd]
Platterd, m. (-s), weetniet, domoor. *...TING, v. (-s), (zeew.) soort touwknoop, zek. platte streng. *...VISCH, m. (...sschen), b.v. blei, schol enz. *...VOET, m. (-en), breede onbevallige voet. -, m. en v. die zood. voeten heeft. -, -WACHT, v. (zeew.) wacht aan boord van 's namiddags 4 tot 6 uur. *-VOETEN, ow. gel. (ik platvoette, heb geplatvoet), lang staan te wachten (op iem.); (zeew.) op en neder gaan. *...VOETIG, bn. (nat. gesch.) -e vogels of de -en. *...ZETTER, m. (-s), (letterz.) zetter die altijd aan boekwerk bezig is.
| |
[† Plausibel]
† Plausibel, bn. en bijw. aannemelijk, schijnschoon; onder -e redenen. *...SIPILITEIT, v. (-en), aannemelijkheid; het schijnschoon.
| |
[Plavei]
Plavei, v. (-jen, B. -en), vloer-, straatsteen. *-JEN, (B. *...VE-
| | | |
REN),
bw. gel. (ik plaveide, heb geplaveid), bestraten, vloeren (met steenen). *-BLOK, o. (-ken), werktuig om de straatsteenen vast te slaan. *-JER, m. (-s), bevloerder, straatmaker. *-JING, v. (-en), het plaveijen. *-SEL, o. (-s), bestrating, bevloering, vloer-, straatsteenen. *-STEEN, m. (-en).
| |
[† Plebejer]
† Plebejer, m. (-s), onadellijke (bij de Romeinen, in tegenst. der Patriciérs); (fig.) burgerman. *...JISCH, bn. niet-adellijk, niet patricisch; burgerlijk. *...JISMUS, o. gmv. gemeen gedrag.
| |
[† Plebs]
† Plebs, o. gmv. gemeene volksklasse, graauw.
| |
[Plecht]
Plecht, v. (-en), (zeew.) voor- of achterhalfdek, bovendeel; (fig.) van de - rollen, zijnen post verliezen. *-ANKER, o. (-s), noodanker; (fig.) behoud, uiterst middel; hij was mijn - in den nood. -TOUW, o. (-en). *-GAARD, v. (-en), roede of boom waarmede de bodem gepeild wordt.
| |
[Pleegvader]
Pleegvader, m. (-s, -en), *...MOEDER, v. (-s), bij wien of wie men aangenomen kind is; verzorger, verzorgster.
| |
[† Pleet]
† Pleet, o, zie PLATED. *-ZILVER, o.
| |
[Plegen]
Plegen, ow. onr. (ik plagt, heb gepleegd), gewoon zijn; zoo plagt ik altijd te doen; kind! plagt hij te zeggen. *-, bw. gel. (ik pleegde, heb gepleegd), begaan, bedrijven (iets kwaads); eene misdaad -; raad -, bij iem. te rade gaan. *...ING, v. gmv. het plegen, bedrijf.
| |
[↑ Plegt]
↑ Plegt, v. (-en), kusting, schepenkennis, hypotheek. *-GEWAAD, o. (...aden), feestelijke kleedij. *-IG, bn. en bijw. (-er, -st), aanzienlijk, statig, feestelijk, op feestelijke wijze; ik verklaar u - (heilig). -LIJK, bijw. *-IGHEID, v. (...heden), statigheid; feestelijkheid.
| |
[Plei]
Plei, v. (-jen, B. -en), (zeew.) vooruitstekende landpunt tusschen de twee armen eener rivier.
| |
[† Pleïaden]
† Pleïaden, v. mv. het zevengesternte, zek. sterregroep.
| |
[Pleidooi]
Pleidooi, o. (-jen, B. -en), pleitrede (van eenen advokaat), verdediging, pleit.
| |
[Plein]
Plein, o. (-en), markt, opene ruimte binnen eene stad; - voor een kasteel, esplanade.
| |
[Pleister]
Pleister, v. (heelk.) met zalf of iets anders bestreken stukje doek om op wonden te leggen; (fig.) verzachting, troost; dit was eene - op zijne wond. *-, o. (mets.) fijne kalk, gips; een beeld in -. *-AAR, m. (-s), stukadoor, werker in fijnen kalk. *-ACHTIG, bn. kalk-, gipsachtig; (ook) kleverig (als eene pleister). *-EN, bw. gel. (ik pleisterde, heb gepleisterd), met pleisters beleggen; met fijnen kalk of gips (ook met klei) bestrijken. -, ow. korte rust houden (op reis); hier zullen wij -; de paarden laten -, hun voeder geven. *-GEWELF, o. (...ven), (bouwk.) gestukadoord plafond. *-ING, v. (-en), het pleisteren (in alle bet.). *-KALK, m. gmv. *-KAST, v. (-en), (apoth.) zalfkas. *-KUIL, m. (-en), *-GROEVE, v. (-n), kuil waaruit fijne kalk gedolven wordt. *-PLAATS, v. (-en), tusschenplaats, halt op eenen weg (waar men de paarden drenkt of zelf uitrust en zich ververscht). *-WERK, o. (-en), stukadoorsel. -ER, m. (-s).
| |
[Pleit]
Pleit, v. (-en), (zeew.) plat vaartuig, bijlander. *-, o. gmv. regtsgeding; (dicht) het - (de twist) is beslist. *-BEZORGER, m.
| | | |
(-s), advokaat, praktizijn. *-DAG, m. (-en), dag waarop gepleit wordt (voor de regtbank). *-EN, ow. gel. (ik pleitte, heb gepleit), voor eene regtbank eene zaak voeren, behandelen, bepleiten; de advokaat heeft gepleit (beweerd) dat...; over, om, wegens iets -; (fig.) dat pleit voor hem, spreekt ten zijnen voordeele. *-END, bn. twistend, procesvoerend. *-ER, m. (-s), die pleit, die eene regtszaak voert; -beweerde dat..., de advokaat zeide dat.... *-GEDING, o. (-en). *-HANDEL, m. proces, pleit. *-HOF, o. (...ven), geregtshof. *-KAMER, v. (-s), kamer der teregtzittingen. *-KUNST, v. gmv. welsprekendheid der balie. *-REDE, v. (-n), pleidooi, verdediging (ook in geschrifte). *-STER, v. (-s), die pleit, proceszieke vrouw. *-VOGEL, m. (-s), die gedurig procedeert, twistzoeker, chicaneur. *-ZAAK, v. (...aken). *-ZAAL, v. (...alen). *-ZAK, m. (-ken), stadhuis-, procureurs (linnen) zak waarin de processtukken zijn. *-ZIEK, *-ZUCHTIG, bn. (-er, -st), steeds willende procederen. *-ZIEKTE, *-ZUCHT, v. gmv. zucht om altijd te procederen.
| |
[Pleizier]
Pleizier, o. (-en), vermaak, uitspanning; genoegen. *-TJE, (B. -N), o. (-s), kleine uitspanning, uitstapje. *-IG, bn. (-er, -st), genoegelijk, vermakelijk. *-PARTIJ, v. (-en), -TJE, (B. -N), o. (-s), uitspanning, bezoek; togtje (tot vermaak). *-REIS, v. (...zen), -JE, (B. -N), o. (-s), *-TOGT, m. (-en). -JE, (B. -N), o. (-s). *-TREIN, m. (-en), trein waarmede men bij enkele gelegenheden (doorgaans tot verminderde vracht) over den spoorweg kan reizen. *-VAART, v. (-en), spelevaart, watertogtje tot uitspanning; (ook) reis op eene stoomboot (tot verminderde vracht).
| |
[Plek]
Plek, v. (B.m.) (-ken), plaats; vlek; een gladde - op het hoofd.
| |
[Plemp]
Plemp, v. (-en), soort vischschuit. *-EN, bw. gel. (ik plempte, heb geplempt), modder -, slijk opwerpen (tegen dijken enz.).
| |
[Plengen]
Plengen, bw. gel. (ik plengde, heb geplengd), gieten, vergieten, storten; wijn - (ten offer); tranen -; bloed -. *...ING, v. (-en), het plengen; offerande (van wijn enz.) op een altaar. *...OFFER, o. (-s), wijnplenging ter eere der Godheid. *...WIJN, m. gmv.
| |
[† Plenum]
† Plenum, o. volle vergadering; in -, ten volle.
| |
[† Pleonasmus]
† Pleonasmus, o. woordovertolligheid; (als oude grijsaard, zwarte moor enz.). *...NASTISCH, bn. en bijw. overtollig, -lijk (in woorden).
| |
[† Pleorama]
† Pleorama, o. (-as), scheepvaart-tafereel, oeverbeeld.
| |
[Plethamer]
Plethamer, m. (-s), zware -, platte hamer. *...MOLEN, m. (-s), molen waarin koper, lood enz. geplet wordt.
| |
[Plets]
Plets, o. (-en), stuk grove stof.
| |
[Pletsteen]
Pletsteen, m. (-en), zware rolsteen om metaal te pletten of om keijen te verbrijzelen.
| |
[Pletten]
Pletten, bw. gel. (ik plette, heb geplet), plat maken; verbrijzelen, vergruizen. *...TEREN, bw. gel. stuk slaan, verbreken.
| |
[† Pleureuse]
† Pleureuse, v. (-n), rouw-opslag, -band; (oudt.) gehuurde klaagster bij lijkstaatsiën. *...RIS, *...RITIS, v. (gen.) zijdewee, borstontsteking.
| |
[Plevier]
Plevier, m. (-en), zek. vogel.
| |
[† Pliëren]
† Pliëren, ow. gel. (ik pliëerde, heb gepliëerd), buigen, nijgen (in den dans); (fig.) achteruit deinzen.
| | | |
| |
[Pligt]
Pligt, m. (-en), hetgeen iemand zedelijk gehouden is te doen, - te volbrengen, - te toonen; verpligting, taak; de kinderlijke -; de - des onderdaans; zijnen - volbrengen, - verzaken, - schenden; tot zijnen - teragkeeren. *-ELIJK, (beter) *-MATIG, bn. en bijw. verbindend, volgens den pligt. *-GEBOD, o. (-en), hoogst gebod. *-IG, bn. schuldig; overtuigd van misdaad. *-LEER, v. gmv. stelsel der pligten. *-PLEGER, m. (-s), *-PLEEGSTER, v. (-s), die vol pligtplegingen is. *-PLEGING, v. (-en), overdrevene hoffelijkheid; maak geene -en; het is geene ijdele -. *-SCHULDIG, bn. en bijw. verpligt, volgens pligt. *-SHALVE, bijw. uit hoofde van den pligt. *-VAARDIG, bn. en bijw. gereed om zijnen pligt te doen. *-VERGETEN, bn. en bijw. *-VERGETER, m. (-s). *-VERGEETSTER, v. (-s). *-VERZUIM, o. gmv. *-VRIJ, bn. en bijw.
| |
[Plint]
Plint, v. (-en), (bouwk.) beschot, beschotwerk.
| |
[Ploeg]
Ploeg, m. (-en), landbouwwerktuig; achter den - loopen; (spr.) de ossen achter den - spannen, eene zaak verkeerdelijk aanvatten. *-, v. (timm.) lange schaaf. *-, verzameling, afdeeling; eene - werklieden, verzameling of afdeeling werklieden onder hetzelfde opzigt en tot denzelfden arbeid gebezigd. *-, v. vore. *-EN, bw. ow. gel. (ik ploegde, heb geploegd), voren in de aarde maken (om te zaaijen); (fig.) zwaar werk verrigten; (beter) zwoegen; (timm.) met den ploeg (lange schaaf) bewerken; (boekb.) de bladen afranden; (fig.) de zee -, bevaren, doorklieven. *-, o. gmv. *-ER, m. (-s), *-STER, v. (-s), die ploegt. *-HAK, v. (-ken), werktuig om het ploegijzer te reinigen, veegstok. *-HOUT, o. (-en), hout waaraan het ploegijzer vast zit. *-IJZER, o. (-s), kouter. -BEEN, o. (-en), (ontl.). *-ING, v. gmv. het ploegen. *-LAND, o. (-en), bouwland. *-MES, o. (-sen), (boekb.). *-MACHINE, v. (-n), werktuig om zonder ossen of paarden den ploeg te drijven. *-OS, m. (-sen). *-PAARD, o. (-en), (ook fig.) iem. die hard en ijverig werkt. *-RAD, o. (...eren). *-SCHAAF, v. (...aven), (timm.). *-SCHIJF, v. (...ven), (boekb.) ijzer van het ploegmes. *-STAART, m. (-en), steel -, achtereinde van den ploeg. *-STREEK, v. (...eken), diepte van de voor. *...VOOR, v. (...oren), zek. versteensel (in de schotsche mijnen).
| |
[Ploert]
Ploert, m. (-en), lichtmis; smakelooze pronker, grootspreker. *-ACHTIG, *-IG, bn. en bijw. als een ploert. *-ERIJ, v. (-en), lichtmisserij, grootspraak.
| |
[Plof]
Plof, m. (-fen), slag, smak (op het drooge); eenen - doen. *-, tw. - daar lag hij. *-FEN, ow. gel. (ik plofte, heb of ben geploft), hard nedervallen, smakken (op het drooge).
| |
[Plok]
Plok, m. (-ken), handvol, pluk. *-, *-PENNING, m. (-en), premie aan den meestbiedende bij eene afmijning (van huizen, schepen enz.) uitgereikt. *-JE, (B. -N), kleine handvol; kleine plokpenning.
| |
[† Plomberen]
† Plomberen, bw. gel. (ik plombeerde, heb geplombeerd), looden -, loodjes (merken) aanhangen; (tandm.) vullen (van holle kiezen met lood of creosoot). *-BEERDER, m. (-s), ...STER, v. (-s), die plombeert.
| |
[Plomp]
Plomp, bn. en bijw. (-er, -s), *-ELIJK, bijw. dik; een -e kerel;
| | | |
(fig.) lomp, onbeleefd; welk een -e taal! hij zeide het - weg. *-! tw. -! daar viel hij er in. *-AARD, *-ERD, m. (-s), lomperd. *-EN, ow. gel. (ik plompte, heb of ben geplompt), vallen, neêrstorten (in water enz.). *-HEID, v. (...heden), lompheid, grofheid. *-VERLOREN, bijw. onverwachts.
| |
[Plonderen]
Plonderen, bw. gel. zie PLUNDEREN.
| |
[† Plongeren]
† Plongeren, ow. gel. (ik plongeerde, heb of ben geplongeerd), duiken, dompelen.
| |
[† Ployeren]
† Ployeren, bw. ow. gel. (ik ployeerde, heb of ben geployeerd), buigen, vouwen.
| |
[Plonzen]
Plonzen, bw. ow. gel. (ik plonsde, heb of ben geplonsd), zie PLOMPEN.
| |
[Plooi]
Plooi, v. (B.m.), (-jen, B. -en), vouw; eene valsche -; de -en uitstrijken of uitdoen; uit de - gaan, zijne vouwen verliezen; (fig.) wending; eene goede - aan iets geven; zijn aangezigt in -jen zetten, een ernstig voorkomen aannemen. *-TJE, (B. -N), o. (-s), kleine vouw; rimpeltje; er was geen - in zijn gelaat te zien, hij zag er zeer ernstig uit. *-JEN, (B. *-EN), bw. ow. gel. (ik plooide, heb geplooid), vouwen, plooijen inleggen; - krijgen, - aannemen; in plooijen leggen; (fig.) wenden; vergoêlijken; schikken; zij zullen die zaak wel -. *-JER, m., ...STER, v. (-s), die plooit. *-ING, v. (-en), het plooijen. *-VLEUGELIGEN, m. mv. soort zespootige insekten.
| |
[Ploten]
Ploten, bw. gel. (ik plootte, heb geploot), schapenvellen scheren. *...TER, m. (-s), die ploot. *...TERIJ, v. het afhalen of afscheren van haar of ruigte.
| |
[↑ Plots]
↑ Plots, *-ELIJK, *-ELING, bn. en bijw. onverwacht, -s, op -, in eens, in eenen, eensklaps; een -en dood sterven.
| |
[† Pluche]
† Pluche, v. gmv. wolfluweel. *-N, bn. van pluche.
| |
[Plug]
Plug, v. (-gen), bom, stop, mondstuk; wig. *-, m. losbol.
| |
[Pluim]
Pluim, v. (-en), veder, vederbos; (plant.) zek. bloeiwijze; varenbladeren; een hoed met -en. *-AADJE, v. (-n), gevederte. *-ACHTIG, bn. (-er, st), als eene pluim. *-ALUIN, o. zek. delfstof. *-BAL, m. (-len), vederbal. *-BEREIDER, m. (-s). ...STER, v. (-s). *-BOS, m. (-sen), vederbos. *-ELOOS, bn. zonder pluimen of vederen. *-EN, bw. gel. (ik pluimde, heb gepluimd), van pluimen of vederen berooven; plukken; (ook) van eene pluim voorzien; een gepluimde hoed. *-GEDIERTE, o. gmv. gevogelte. *-GRAAF, m. (...aven), opzigter van het gevogelte, (ook aan boord); groot-valkenier. *-GRAS, o. gmv. laag gras (tusschen muren). *-PJE, (B. -N), o. (-s), kleine pluim, vederbosje; (fig.) kompliment, lof; hij kreeg een -. *-STRIJKEN, bw. gel. (ik pluimstrijkte, heb gepluimstrijkt); vleijen; (iem.) laffe komplimenten maken. *-STRIJKER, m., ...STER, v. (-s), vleijer, kruiper, vleister, kruipster. -IJ, v. (-en), vleijerij, kruiperij.
| |
[Pluis]
Pluis, v. gmv. pluche, harige trijp; halffluweel. *-, o. gepluisd touw, werk; de ruwe -, wollige zijde. *-, bn. en bijw. onklaar; niet versch; onbehoorlijk; (fig.) het is daar niet -, daar zit wat achter, er schuilt iets kwaads; in dat huis is het niet -, het spookt er; die visch is niet - (is een weinig bedorven). *-JE, (B. -N),
| | | |
o. (-s), vlokje, draadje. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), als pluis. *-ROK, m. (-ken), halffluweelen -, groffluweelen rok. *-STER, v. die pluist. *-TOUW, o. (-en), (zeew.) hernieuwd touw.
| |
[Pluizen]
Pluizen, bw. gel. ong. (ik pluisde of ploos, heb gepluisd of geplozen), uit-, afhalen (vezelen, draden, vederen), uitrafelen; (fig.) peuzelen; langzaam voorteten; afeten; naauwkeurig navorschen. *...ZER, m. die pluist. -IJ, v. (-en), het pluizen, plukken. *...ZERIG, bn. pluisachtig, vol pluisjes.
| |
[Pluk]
Pluk, m. gmv. inzameling der boomvruchten; (fig.) eene goede som. *-HAREN, (B. *-HAIREN), ow. gel. (ik plukhaarde, heb geplukhaard), vechten, handgemeen zijn. *-KEN, bw. gel. (ik plukte, heb geplukt), aftrekken (van eenen tak of stam); inzamelen; vruchten, bloemen -; uitpluizen, afhalen (vederen); een kip, een kalkoen -; (fig.) trekken, verwerven; welke vruchten kunt gij daarvan -? wat hebt gij daarvan te verwachten? -, afhalen, aftroggelen; zij hebben hem geducht geplukt, zij hebben hem al zijn geld afgenomen (met kleine beetjes). *-KER, m., *-STER, v. (-s), die plukt. *-KING, v. gmv. pluk, het plukken. *-KORF, m. (...ven). *-MAND, v. (-en). *-SEL, o. (-s), linnen of katoen tot draden uitgehaald (voor wonden). *-TIJD, m. (-en), tijd der vruchten-inzameling. *-VET, o. gmv. darmvet. *-VOGEL, m. (-s), schuimlooper, afhaler (van geld). *-VRUCHT, v. (-en), rijpe vrucht. *-WOL, v. gmv. (leêrl.) afval van huiden.
| |
[Plunderen]
Plunderen, bw. gel. (ik plunderde, heb geplunderd), rooven, stelen, alles weghalen; buit maken. *...AAR, m. (-s), roover, dief. -STER, v. (-s). *...KAMER, v. (-s), voddenkamer. *...MARKT, v. (-en), voddenmarkt. *...ZIEK, bn. roofzuchtig. *...ZOLDER, m. (-s), zolder waar oud goed, vodden enz. bewaard worden.
| |
[Plunje]
Plunje, v. gmv. kleeding (inz. van zeelieden); hij zit goed in de -, hij gaat goed gekleed. *-KIST, v. (-en), matrozenkoffer.
| |
[† Pluralis]
† Pluralis, o. mv. meervoud. *...RALITEIT, v. gmv. meerderheid, grootst getal.
| |
[Plus]
Plus, bijw. (wisk.) meer, aangeduid door het teeken +, positief. *- MINUS, bijw. min of meer, aangeduid door het teeken ±. *-MAKERIJ, v. te hooge opvoering der belastingen; oneerlijke praktijken.
| |
[† Plutocratie]
† Plutocratie, v. gmv. geldheerschappij. *...NISCH, bn. in het binnenste der aarde ontstaan en daaruit opgerezen. *...NIST, m. (-en), voorstander der leer die de vorming der aarde aan het vuur toeschrijft.
| |
[Pluvier]
Pluvier, m. (-s, -en), soort kleine trekvogel.
| |
[† Pluviometer]
† Pluviometer, m. (-s), regenmeter (werkt.).
| |
[† Pneuma]
† Pneuma, v. geest, adem. *-TIEK, v. leer der luchtbeweging; geestenleer. *-TISCH, bn. tot de leer der luchtbeweging behoorende; de -e pomp, luchtpomp. *-TOLOGIE, v. leer der lucht en der gassoorten.
| |
[† Pneumonie]
† Pneumonie, v. longtering.
| |
[† Pocetta]
† Pocetta, v (-as), (muz.) zakviooltje.
| |
[Pochhans]
Pochhans, m. (-en), praler, grootspreker. *...WERK, o. (-en), (mijnw.) stampmolen.
| |
[† Poco]
† Poco, bijw. (muz.) weinig. *...CULUM, m. (-s), beker, bokaal. *...CULEREN, ow. gel. (ik poculeerde, heb gepoculeerd), bekeren, drinken.
| | | |
| |
[Podagra]
Podagra, o. (B.v. en o.), gmv. pootje (zek. ziekte), voeteuvel, jicht. *...GREUS, bn. met het pootje of voeteuvel behebt. *...GRIST, m. (-en), jichtlijder.
| |
[Poddebaard]
Poddebaard, m. (-en), vlasbaard. *...HAAR, (B. *...HAIR), o. vlas om de kin, vlashaar.
| |
[† Podding]
† Podding, v. zie PUDDING. *-ZAK, m. (-ken), (zeew.) zak met kabelgaren gevuld.
| |
[† Podometer]
† Podometer, m. (-s), schredenmeter (werkt.). *...DESTAAT, m. (...aten), magtbekleeder, landvoogd (oudt. in Friesland).
| |
[Poedelhond]
Poedelhond, m. (-en), soort hond.
| |
[Poeder, Poeijer]
Poeder, Poeijer, (B. POEIER), o. (-s), fijn gruis, stof, zeer fijne korreltjes; (tuin.) drooge mist; geneesmiddel in fijn gemalen of gestampten toestand. *-BUS, v. (-sen). *-DOOS, v. (...ozen). *-EN, bw. gel. (ik poederde of poeijerde, heb gepoederd of gepoeijerd), met poeder bestrooijen; het haar -; een gepoederd hoofd. *-HEMD, o. (-en). *-IG, bn. (-er, -st), vol -, met poeder. *-KAMER, v. (-s). *-KLEED, o. (-en). *-KWAST, m. (-en). *-MAKER, m. (-s). *-MAAKSTER, v. (s). *-MANTEL, m. (-s), kaphemd, kapmantel. *-SUIKER, v. gmv. geraspte of gestooten broodsuiker. *-VERKOOPER, m. (-s). ...STER, v. (-s). *-ZAK, m. (-ken).
| |
[Poëet]
Poëet, m. (...eten), dichter. *...ËTISCH, bn. en bijw. (-er, meest poëtisch), dichterlijk. *...ËTISEREN, bw. gel. (ik poëtiseerde, heb gepoëtiseerd), in dichtmaat brengen, (iets) dichterlijk behandelen. *...ËMA, o. (-ta), dichtstuk.
| |
[Poel]
Poel, m. (-en), moeras, stilstaand water, diepte; (fig.) afgrond, onheil; een - van jammeren. *-IER, m. (-s, -en), vogel -, hoenderverkooper. *-JE, (B. -N), v. (-s), kip. *-SNIP, v. (-pen), zek. vogel. *-VOGEL, m. (-s). *-WATER, o. (-en), moeras, modderwater.
| |
[† Poenitet]
† Poenitet, o. (-s), boetedrank, (bij maaltijden als straf opgelegd).
| |
[↑ Poep]
↑ Poep, m. (-en), Westfaler (schimpnaam). *-, o. wind, veest; eenen - laten. *-EN, ow. gel. (ik poepte, heb gepoept), winden -, veesten laten (van achteren); zijn gevoeg doen. *-ERLAND, o. gmv. Westfalen (schimpnaam). *-ER, m., *-STER, v. (-s), die poept.
| |
[Poeren]
Poeren, bw. gel. (ik poerde, heb gepoerd), aal vangen. *...LOOD, o. (-en), toestel om paling te vangen.
| |
[Poes]
Poes, v. (-en), naam voor kat; bont, pelswerk; (fig.) liefje. *-TEN, ow. gel. (ik poestte, heb gepoest), blazen. *-TER, m. (-s), blaasbalg. *-JE, (B. -N), (-s), katje; (fig.) bontje; een - om den hals; (fig.) liefje, kinderlief. *-PAS, m. dooreengekookte spijs; (fig.) rommelzoô.
| |
[Poets]
Poets, v. (-en), trek, snakerij; klucht; iem. een - spelen; zwart (van de kaars); spinrag, stof, vuil (in eenen hoek); de - zit er dik op. *-EN, bw. gel. (ik poetste, heb gepoetst), schoonmaken, reinigen; een geweer -; zijne schoenen -; (fig.) de plaat -, vlugten, deserteren; zich schuil houden. *-IG, bn. en bijw. (-er, -st), grappig, koddig; wat ziet dat kind er - (lief) uit. *-KATOEN, o. pinkops.
| |
[Poezelig]
Poezelig, bn. (-er, -st), mollig, zachtvleezig. *-HEID, v. gmv. molligheid, zachtvleezigheid.
| | | |
| |
[† Poëzy, Poëzie]
† Poëzy, Poëzie, v. gmv. dichtkunst; gedichten.
| |
[Pof]
Pof, m. (-fen), slag, stoot. *-, tw. geluidnabootsing van een geweer- of pistoolschot; (fig.) op den - (op krediet) koopen. *-FEN, ow. gel. (ik pofte, heb gepoft), kloppen, duwen; borgen, op krediet nemen. *-FER, m. (-s), zakpistool; zwetser, pogcher. -TJE, (B. -N), o. (-s), klein kermisgebak. *-FERTJESKRAAM, v. (...amen). *-FERTJESPAN, v. (-nen). *-HANS, m. (-en), pogcher. *-KLEED, o. (-en), kleed met opgezette stukken. *-MOUW, v. (-en), zeer wijde en opgezette mouw.
| |
[§ Pogchel]
§ Pogchel, m. (-s), hooge rug, bogchel.
| |
[Pogchen]
Pogchen, ow. gel. (ik pochte, heb gepocht), zwetsen, grootspreken; - op (iets). *...ER, m., POCHSTER, v. (-s), snoever, zwetser, grootspreker, -spreekster. *...ERIJ, v. (-en), grootsprekerij, snoeverij.
| |
[Pogen]
Pogen, bw. gel. (ik poogde, heb gepoogd), trachten, middelen in het werk stellen om (iets te doen, te verkrijgen enz.). *-, o. *...GING, v. (-en), gebruikmaking van middelen tot -, om (iets te doen of te verkrijgen), het streven naar iets.
| |
[† Point]
† Point, o. (-en), punt (in het biljart- of ander spel); - d'honneur, punt van eer, eergevoel. *-EREN, bw. gel. (ik pointeerde, heb gepointeerd), aanteekenen, aanstippen; rigten (kanonnen); vergelijken (boeken op kantoren); toonen; zetten, wagen (op eene kaart). -, o. het plaatsen, rigten (van geschut). *-EUR, m. (-s), rigter (van geschut); die op kaarten zet. *-ILLEREN, bw. gel. (ik pointilleerde, heb gepointilleerd), bezetten; bestippen; beuzelen; op fijne wijze gispen. *-ILLEUS, bn. (...zer, -st), ligt geraakt, ligtgevoelig (op het punt van eer). *-UREN, v. mv. (boekdr.) voorwerpen welke aan weêrszijden der timpaan bij den weêrdruk het vel houden. *-UURSLEUTEL, m. (-s), *-UURIJZER, o. (-s), werktuig tot het vastzetten der pointuren.
| |
[Pok]
Pok, v. (-ken), puist, zweer; de -ken, kinderziekte; de -ken inenten; de -ken gaan om (heerschen). *-, schurft der schapen. *-ACHTIG, *-KIG, bn. (-er, -st), als pokken; schurftig (van schapen). *-DAAL, v. (...alen), teeken der kinderpokken. *-DALIG, bn. (-er, -st), geteekend door de kinderpokken.
| |
[Poken]
Poken, bw. gel. (ik pookte, heb gepookt), met eenen pook in den kagchel of het vuur roeren.
| |
[Pokhout]
Pokhout, o. gmv. soort (ook geneeskrachtig) hout. *...JES, (B. *...JENS), o. mv. kinderpokken (ziekte). *...KEN, ow. gel. (ik pokte, heb gepokt), de pokken (kinderpokken) hebben. *...STOF, v. gmv. uitgeënte stof der pokken (inz. der koepokken).
| |
[Pol]
Pol, m. (-len), die in ontucht met eene (inz. gehuwde) vrouw leeft.
| |
[† Polair]
† Polair, bn. de pool betreffende.
| |
[Polak]
Polak, m. (-ken), Pool. *-KER, m. (-s), soort vaartuig.
| |
[† Polarisatie]
† Polarisatie, v. het mededeelen of aannemen der polariteit. *...TEIT, v. (-en), neiging van de magneet naar de pool. *...SEREN, bw. gel. (ik polariseerde, heb gepolariseerd), naar de pool neigen of doen neigen.
| |
[Polder]
Polder, m. (-s), aangespoeld eu omdijkt land. *-BESTUUR, o.
| | | |
(...uren), dijkstoel. *-DIJK, m. (-en). *-MEESTER, m. (-s). *-MOLEN, m. (-s). *-REGLEMENT, o. (-en). *-SLUIS, v. (...zen).
| |
[Poleerbeitel]
Poleerbeitel, *...HAMER, m. (-s), (loodg.) werkt. om te pletten.
| |
[Polei]
Polei, o. gmv. zek. kruid.
| |
[† Polemiek]
† Polemiek, v. gmv. pennestrijd, twistgeschrijf. *...MISEREN, ow. gel. (ik polemiseerde, heb gepolemiseerd), eenen pennestrijd voeren. *...MIST, m. (-en), twistvoerder door eenen pennestrijd.
| |
[† Poliet]
† Poliet, bn. (-er, -st), beleefd, wellevend.
| |
[† Polichinel]
† Polichinel, m. (-len), hansworst, Jan Klaasen.
| |
[† Policie]
† Policie, v. zie POLITIE.
| |
[Polijstaarde]
Polijstaarde, v. zek. aardlaag. *...EN, bw. gel. (ik polijstte, heb gepolijst), glanzen, glans geven, bruineren. *...ER, m., POLIJSSTER, v. (-s), die polijst, glanzer, glansster. *...HOUT, o. (-en), glanshout, -borstel. *...IJZER, o. (-s). *...ING, v. (-en), het polijsten. *...STEEN, m. (-en). *...VIJL, v. (-en).
| |
[† Polis]
† Polis, v. (-sen), verzekerbrief; akte van verzekering of assurantie.
| |
[† Politie]
† Politie, v. gmv. openbare orde; toezigt op de openbare orde, burgerlijke stadsbewaking; volkstucht; ambtenaren en beambten met dit toezigt belast. *-AGENT, m. (-en), dienaar van politie. *-BUREAU, o. (-x), kantoor van politie. *-COMMISSARIS, m. (-sen), hoofdambtenaar van politie. *-DIENAAR, m. (...aren). *-MAATREGEL, m. (-en), maatregel in het belang der openbare orde of veiligheid. *-MAGT, v. magt -, bevoegdheid der politie; (ook) groot aantal politie-agenten. *-MUTS, v. (-en), soldatenkapje, (hoofddeksel). *-VERORDENING, v. (-en), verordening in het belang der openbare orde of veiligheid. *-WACHT, v. (-en), wacht van politie-beambten. *-WET, v. (-ten).
| |
[† Politiek]
† Politiek, v. gmv. staatkunde, staatswetenschap; (fig.) sluwheid, snedigheid. *-, *...TISCH, bn. en bijw. staatkundig; listig, sluw, snedig; daarin heeft hij zeer - gehandeld. *...TISEREN, ow. gel. (ik politiseerde, heb gepolitiseerd), over staats- en regeringsbeleid redeneren. *...TOER, *...TUUR, v. gladheid, glans; (fig.) fijnheid, beschaafdheid.
| |
[Polixanderhout]
Polixanderhout, o. zie PALISANDERHOUT.
| |
[Pollepel, (beter) Potlepel]
Pollepel, (beter) Potlepel, m. (-s), groote houten keukenlepel (voor de soep).
| |
[Pollevij, Polvij]
Pollevij, Polvij, v. (-en), (schoenm.) hieltje; achterlap.
| |
[† Polliciteren]
† Polliciteren, bw. gel. beloven.
| |
[† Polonaise]
† Polonaise, v. (-n), poolsche dans; damespels.
| |
[Pols]
Pols, m. (-en), uiteinde der slagader; aanslag dien men op de slagader gevoelt; iem. den - voelen, (ook fig.) uithooren; de - slaat, klopt, jaagt; een luije (zwakke) -. *-, springstok; met eenen - over de sloot springen. *-ADER, v. (-s, -en). -GEZWEL, o. (-len). *-EN, bw. gel. (ik polste, heb gepolst), (meest fig.) uithooren, iemands meening onderzoeken; het water -, met eenen stok op het water slaan. *-HAMER, m. (nat.) zek. kooktoestel. *-MOFJE, (B. -N), o. (-s), bont om de hand. *-METER, m. (-s), glazen buis waardoor men de polsslagen kan meten. *-PLEISTER, v. (-s), (gen.). *-SLAG, m. (-en). *-STOK, m. (-ken), springstok. *-WAAR-
| | | |
ZEGGERIJ,
v. (-en). *-ZAK, m. (-ken), -JE, (B. -N), o. (-s), soort vischnet.
| |
[Poltergeest]
Poltergeest, m. (-en), woelgeest, warhoofd.
| |
[† Poltron]
† Poltron, m. (-s), lafaard. *-NERIE, v. gmv. lafhartigheid, blooheid, versaagdheid.
| |
[† Polutie]
† Polutie, v. gmv. bevlekking; onwillekeurige zelfbevlekking.
| |
[† Polyandrie]
† Polyandrie, v. gmv. veelmannerij. *...ANTISCH, bn. bloemrijk. *...ARCHIE, *...CRATIE, v. regering van velen. *...BASIET, o. soort zilvererts. *...CHRONISCH, bn. en bijw. langdurig, aanhoudend. *...EDER, o. veelvlak. *...EDRISCH, bn. veelvlakkig, veelzijdig. *...GAMIE, v. veelwijverij. *...GLOTTE, v. (-n), boek in -, (inz.) woordenboek van veel talen. *...GOON, m. (...onen), veelhoek. *...GONAALGETALLEN, o. mv. zek. sommen van rekenkundige reeksen. *...GRAPHIE, v. veelschrijverij; raadselschrift. *...GYMIE, v. veelvijverij. *...HISTOR, m. (-s), veelweter. *...OPTER, o. veelzigtig glas, vermenigvuldigingsglas.
| |
[† Polyp, Poliep]
† Polyp, Poliep, m. (-en), (nat. gesch.) veelvoet, plantdier.
| |
[† Polyphaag]
† Polyphaag, m. (...agen), veelvraat, veeleter. *...TECHNIEK v. leer der gezamenlijke kunsten, (inz.) der nijverheid en mechanische kunsten. *...TECHNISCH, bn. tot de polytechniek behoorende; de -e school, school voor ambachten en kunsten; (te Parijs, de krijgsschool). *...THEÏSMUS, o. gmv. veelgoderij, veelgodendom. *...THEÏST, m. (-en), aanbidder van veel goden, heiden. *...TOPISCH, bn. - uurwerk, tijdwijzer die den tijd van verschillende plaatsen doet zien.
| |
[† Pomade, Pommade]
† Pomade, Pommade, v. (-n), haarzalf. *...MADEREN, bw. gel. (ik pomadeerde, heb gepomadeerd), met pomade insmeren (meest spottend).
| |
[† Pommerans]
† Pommerans, m. (-en), knopje -, stooteinde aan den biljartstok. *-EN, bw. gel. den (biljart-) bal met één stoot maken.
| |
[† Pomologie]
† Pomologie, v. gmv. vruchtenkunde.
| |
[Pomp]
Pomp, v. (-en), werktuig tot ophaling van vocht; de - is overvoed, laf, lens, onklaar (werkt niet); § brui naar de -! loop heen en doe uw werk. *-BAK, m. (-ken). *-BOOR, v. (...oren). *-BOUT, m. (-en), houten pen, sleutel der pomp. *-BUS, v. (-sen). *-DAAL, (zeew.) kleine buis op het dek die het water ontvangt. *-EMMER, m. (-s), brandspuitemmer. *-EN, bw. ow. gel. (ik pompte, heb gepompt), de pomp doen werken; (fig.) arbeiden, werken; lens -, de pomp afmatten; (fig.) - of verzuipen, zijne laatste krachten inspannen, alles op het spel zetten om zich te redden; geld -, van alle kanten geld zoeken te leenen. *-ER, m., ...STER, v. (-s), die pompt.
| |
[Pompelmoes]
Pompelmoes, v. zek. oranjeachtige plant.
| |
[Pompernikkel]
Pompernikkel, m. (-s), groot zwart brood der Westfalers.
| |
[Pompgat]
Pompgat, o. (-en). *...GEK, m. (-ken), hefboom die de pomp doet werken. *...HAAK, m. (...aken). *...HART, o. (-en), zuiger der pomp.
| |
[† Pompier]
† Pompier, m. (-s), brandgast, soldaat der brandweer.
| |
[Pompijzer]
Pompijzer, o. (-s). *...ING, v. het pompen. *...KLEED, o. (-en), bekleeding der pomp. *...KAST, v. (-en). *...KETEL, m. (-s). *...KLEP, v. (-pen). *..KNIE, v. (-ën), (zeew.) *...KOKER, m. (-s), (zeew.). *...KRAAN, v. (...anen). *...KRABBER, m. (-s), werktuig om eene pomp schoon te maken. *-MAKER, m. (-s).
| | | |
| |
[Pompoen]
Pompoen, v. (-en), kalebas (vrucht). *...PON, (-s), kuifje op een soldaten-chakot; (ook) overtreksel.
| |
[† Pompona]
† Pompona, v. vanilla van mindere soort.
| |
[Pompput]
Pompput, m. (-ten). *...SCHOEN, m. (-en). *...SCHRAPER, m. (-s), pompkrabber. *...SLAG, m. (-en), het water dat bij elken slag uit de pomp loopt. *...SLINGER, m. (-s), zwengel. *...STANG, v. (-en). *...STEEL, m. (...elen). *...STOK, m. (-ken). *...WATER, m. gmv. water door eene pomp opgebragt (meest in tegenst. van put-, wel- of duinwater). *-WERK, o. (-en), kunstwerk tot opvoering van water. *...ZOODE, v. (-n), (zeew.) zek. houten schotwerk. *...ZUIGER, m. (-s). *...ZWENGEL, m. (-s).
| |
[† Ponctueel]
† Ponctueel, bn. en bijw. stipt, stiptelijk, naauwkeurig.
| |
[† Ponceau]
† Ponceau, bn. hoogrood (kleur).
| |
[Pond]
Pond, o. (-en), zek. gewigt; een oud amsterdamsch - (= 494 ned. wigtjes); een nederlandsch - (= 1000 wigtjes); een medicinaal - wordt aangewezen door het teeken . *-, zek. wisselwaarde, een - vlaamsch (= ƒ6.00), aangeduid door het teeken ; een - sterling, (engelsche munt = ƒ12.00 ongeveer), aangeduid door het teeken £. *-SGEWIJS, bijw. bij het pond. *-PONDSGEWIJS, bijw. naar evenredigheid; het overschot zal - worden verdeeld, elk naar zijnen inleg.
| |
[Pondemaat]
Pondemaat, v. zek. oud-friesche vlaktemaat.
| |
[Ponder]
Ponder, bn. kogelzwaarte; kaliber; een zes-, een twaalf-.
| |
[† Ponderabel]
† Ponderabel, bn. weegbaar. *...ABILIËN, v. mv. weegbare ligchamen. *...ABILITEIT, v. gmv. weegbaarheid. *...EUS, bn. wigtig, zwaar; (fig.) gewigtig, van belang.
| |
[Pondgaarder]
Pondgaarder, m. (-s), korenmakelaar. *...GAREN, o. (-s), grof garen dat men bij het gewigt verkoopt. *...GELD, o. (-en), zeker regt (in Engeland). *...PAPIER, o. (-en), papier dat bij het pond wordt verkocht. *...PEER, v. (...eren), zware -, groote peer.
| |
[† Pongo]
† Pongo, m. (-os), soort aap.
| |
[Ponjaard]
Ponjaard, (B. *...AART), m. (-s, -en), korte degen, dolk. *-EREN, bw. gel. (ik ponjaardeerde, heb geponjaardeerd), doorsteken met eenen dolk.
| |
[† Ponny]
† Ponny, v. zek. indische wisselmunt.
| |
[† Pons]
† Pons, v. zie PUNSCH.
| |
[† Pons asinorum]
† Pons asinorum, m. gmv. (fig.) ezelsbrug.
| |
[Pont]
Pont, v. (-en), zek. platboomd vaartuig (tot vervoer over eene rivier). *-EVEER, o. (-en), aanlegplaats van eene pont. *-GAST, m. (-en), die tot de dienst van eene pont behoort. *-GELD, o. (-en), vracht.
| |
[† Pontifex]
† Pontifex, m. gmv. opperpriester. *...FICAAL, bn. priesterlijk, pauselijk. -, o. gmv. priestergewaad. *...FICAAT, o. opperpriesterschap.
| |
[Pontman]
Pontman, m. (...lieden), veerschipper.
| |
[† Ponton]
† Ponton, m. (-s), bruggeschip, vlotbrug; de -s, akelige scheepsgevangenissen waarin de Engelschen de fransche krijgsgevangenen (onder Napoleon I) opsloten. *...NIER, m. (-s), schipbruglegger.
| |
[Pontvoerder]
Pontvoerder, *...SCHIPPER, m. (-s), veerschipper. *...ZEIL, o. (-en).
| |
[Pooijen]
Pooijen, (B. *...IEN), bw. gel. (ik pooide, heb gepooid), drinken, zuipen, zwelgen. *...JER, (B. ...IER), m. (-s), drinkebroêr.
| |
[Pook]
Pook, m. (B.v.), (poken), dolk; puntig ijzer om vuur te roeren.
| | | |
| |
[Pool]
Pool, m. (polen), inboorling van Polen. *-, v. aspunt; trekpunt van den magneet. *-CIRKEL, (-s). *-DRAAD, m. (...aden), (nat.) metalen draad bij eene galvanische kolom. *-KRING, m. (-en). *-LANDEN, o. mv. landen om de pool. *-LICHT, o. noorderlicht. *-SHOOGTE, v. de boog van den meridiaan begrepen tusschen de naaste hemelpool en den horizon der plaats waar men zich bevindt; (zeew.) - nemen, het bestek opmaken. -METER, m. (-s), kwadrant, (werkt.). *-SCH, bn. van -, uit Polen; -e tarwe; eene -e (vrouw uit Polen); het -, de poolsche taal. *-STAR, *-STER, v. (-ren), noordstar; (fig.) gids, toeverlaat; orde van de Poolster, zweedsche ridderorde. *-ZEE, v. (-en), noordelijke of zuidelijke ijszee.
| |
[Poort]
Poort, v. (-en), doorgang, ingang; (ook) groote deur; (zeew.) opening waarin de mond van het geschut ligt; (fig.) toegang; dit opent de - voor alle kwaad. *-AARDE, v. gmv. sekreetvuil. *-ADER, v. (-s, -en), (ontl.). *-BESLAG, o. (-en), (zeew.) ijzeren beslag der geschutpoorten. *-DREMPEL, m. (-s).
| |
[Poorter]
Poorter, m. (-s), (oudt.) burger. *-EN, bw. gel. (ik poorterde, heb gepoorterd), het burgerregt verleenen. *-IJ, v. (-en), burgerij. *-MEESTER, m. (-s), burgemeester. *-REGT, o. (-en), burgerregt. *-SCHAP, o. gmv. hoedanigheid van burger.
| |
[Poortgat]
Poortgat, o. (-en), (zeew.) geschutpoort. *...GELD, o. (-en), (oudt.) geld dat men na het sluiten der poorten moest betalen om door te gaan. *...HAAK, m. (...aken), (zeew.). *...HENGSEL, o. (-s). *...IER, m. (-s), poortwachter, ontsluiter en sluiter der poort.
| |
[Poortje]
Poortje, (B. *-N), o. (-s), kleine poort, valdeurtje.
| |
[Poortkamer]
Poortkamer, v. (-s), kamer boven of bij eene poort. *...KLAMP, m. (-en), (timm.). *...KLEP, v. (-pen), (zeew.) klep tot afsluiting eener geschutpoort. *...KLOK, v. (-ken), klok boven eene poort. *...KRANS, m. (zeew.). *...LAKEN, o. gmv. (zeew.) friesch of duffelsch goed (tot kalefaten). *...LEGGER, m. (-s), (zeew.). *...LUIK, o. (-en), (zeew.). *...RING, m. (-en), (zeew.). *...SCHINKEL, m. (-s), (zeew.). *...SCHRIJVER, m. (-s), stads poortwachter, ambtenaar der accijnsen. *...SLUITEN, o. gmv. *...TALIE, v. (...ën), (zeew.). *...TOUWEN, o. mv. (zeew.). *...VLEUGEL, m. (-s). *...WACHTER, m. (-s).
| |
[Poos]
Poos, v. gmv. tusschentijd, rusttijd, wijl, pauze; ik wachtte eene goede (lange) -. *-JE, (B. -N), o. (-s), kleine poos.
| |
[Poot]
Poot, m. (-en), voet (van een dier, tafel, stoel, passer enz.); (fig.) § hand of voet van eenen mensch; blijf er af met je -en, (straattaal); den - op iets leggen of zetten, zich meester van iets maken; § hij schrijft een leelijken -, hij schrijft slecht. *-, v. (plant.) stekje, loot. *-IG, bn. van pooten voorzien; sterk, gespierd. *-JE, (B. -N), o. (-s), kleine voet of hand (in alle bet.); podagra, jicht, voeteuvel; iem. een - draaijen of zetten, door zekere beweging van den voet doen vallen, (ook fig.). *-VISCH, m. (...sschen), vischbroedsel. *-VIJVER, m. (-s). *-ZEER, o. gmv. zek. schapenziekte.
| |
[Poozen]
Poozen, ow. gel. (ik poosde, heb gepoosd), verwijlen, blijven, zich ophouden.
| |
[Pop]
Pop, v. (-pen), ieder ruw nagebootst menschenhoofd of beeld van
| | | |
hout of steen; met eene of met de - spelen (van kinderen); (fig.) de -pen zijn aan het dansen, de twist is uitgebarsten; een - op de kast, een lui of vadzig meisje. *-, lief kind, lief meisje. *-, kompres, doekje gevuld met geneeskruiden; wijfje der vogelen; ingewikkelde vlinder of rups; rupsennest; propje (aan het uiteinde van eenen schermdegen). *-ACHTIG, bn. en bijw. als eene pop; (fig.) gemaakt, gezocht.
| |
[† Popans]
† Popans, m. (-en), bullebak, vogelverschrikker.
| |
[† Pope]
† Pope, m. (-en), priester der grieksch-katholieke kerk.
| |
[Popel]
Popel, m. (-s), populier. *-BLAD, o. (-en, -eren), blad van den populierboom. *-EN, ow. gel. (ik popelde, heb gepopeld), kloppen van het hart; (ook) in stilte schransen, peuzelen. *-ING, v. gmv. het popelen. † *-EIJE, *-SIJ, v. gmv. beroerte.
| |
[Popje]
Popje, (B. *-N), o. (-s), kleine pop (in alle bet.).
| |
[Poplijn]
Poplijn, v. (-en), (zeew.) lijn tot het ophalen van een zeil.
| |
[Poppen]
Poppen, ow. gel. (ik popte, heb gepopt), met eene pop spelen; mallen (met een meisje). *-GEK, m. (-ken). *-JONKER, m. (-s), ingebeelde zot, pronker, snoeshaan. *-GOED, o. (-eren), kinderspeelgoed. *-KLEÊREN, o. mv. *-KOP, m. (-pen), vorm voor hoeden of mutsen. *-KRAAM, v. (...amen), *...KRAMER, m. (-s), -IJ, v. (-en), winkel -, magazijn -, verkooper van kinderspeelgoed. *-LEGGER, m. (-s), zek. insekt. *-MAKER, m. (-s). *-SCHOOL, v. (...olen), kleinkinderschool. *-SPEL, o. (-en), (ook fig.) kinderspel. *-SPELER, m. (-s). *-SPEELSTER, v. (-s). *-WERK, o. (-en), kinderspel, wisjewasje; toestel om poppen te laten dansen. *-WINKEL, m. (-s).
| |
[† Populair]
† Populair, bn. (-er, -st), volklievend, bemind bij of door het volk, een - vorst; verstaanbaar voor het volk, -e voordragten. *...LARISEREN, bw. gel. (ik populariseerde, heb gepopulariseerd), op de hoogte der volksbegrippen brengen; zich -, zich bij het volk bemind -, zich voor het volk verstaanbaar maken. *...LATIE, v. (...ën), bevolking. *...LARITEIT, v. gmv. algemeene volksliefde (die men geniet); minzaamheid jegens het volk; verstaanbaarheid voor het volk. *...LEUS, bn. bevolkt, volkrijk.
| |
[Populier]
Populier, m. (-en), soort boom. *-BLAD, o. (-en, -eren). *-BOSCH, o. (...sschen). *-LAAN, v. (...anen). *-TAK, m. (-ken). *-TWIJG, m. (-en). *-WORTEL, m. (-s). *-WOUD, o. (-en). *-ZALF, m. (...ven), (apoth.).
| |
[Por]
Por, v. (-ren), steek met eenen dolk enz. *-DER, m., *-STER, v. (-s), die port, die iem. vroeg wekt; (ook fig.) die aanzet tot.
| |
[† Poreus]
† Poreus, bn. (...zer, -st), vol poriën. *-HEID, *...ROSITEIT, v. gmv. een der eigenschappen van alle vaste ligchamen. *...RIËN, v. mv. ijle doch onmerkbare ruimten tusschen de vaste deelen der ligchamen; (ontl.) zweetgaten.
| |
[Porijzer]
Porijzer, o. (-s), ijzeren werktuig waarmede men port.
| |
[Porphier, Porphyr]
Porphier, Porphyr, *-STEEN, o. (-en), soort graniet, eene rotssoort, purpersteen.
| |
[Porren]
Porren, bw. gel. (ik porde, heb gepord), wekken (door kloppen op de deur; (fig.) aanzetten, drijven; steken (met een scherp wapen); (zeew.) de wacht oproepen. *-RING, v. (-en), het porren (in alle bet.).
| | | |
| |
[Porselein]
Porselein, (B. PORCELEIN), o. gmv. het fijnste aardewerk. *-, v. gmv. soort keukengewas. *-AARDE, v. gmv. aardsoort waarvan het porselein gebakken wordt. *-ACHTIG, bn. als porselein. *-EN, bn. van porselein. -, bw. gel. (ik porseleinde, heb geporseleind), glad maken, bewerken als porselein, zood. beschilderen; geporseleinde visitekaartjes. *-FABRIEK, v. (-en). *-KAS, v. (-sen), *-KAST, v. (-en), (spr.) voorzigtigheid is de moeder van de -, die voorzigtig is begaat geenen misslag. *-KRAMMER, m. (-s). *-KRAMSTER, v. (-s). *-MAKER, m. (s). *-VERKOOPER, m. (-s). *-VERKOOPSTER, v. (-s). *-MOSSEL, v. (-en), (nat. gesch.). *-SCHELP, v. (-en). *-SCHILDER, m. (-s). *-WINKEL, m. (-s). *-ZAAD, o. (...aden).
| |
[Port, Porto]
Port, Porto, o. (vracht (van eenen brief). *-, m. portwijn; port-à-port; port d'armes, jaagpatent, jagtacte. *-, m. haven; (fig.) toevlugtsoord.
| |
[Portaal]
Portaal, o. (...alen), hoofdingang, voorhuis. *...TATEN, v. mv. zeelijst (van ingekomen goederen). *...TATIEF, bn. (...ver, -st), draagbaar.
| |
[† Porte]
† Porte, de Verhevene -, titel van den sultan van Turkije; de Ottomanische -, het Turksche rijk, de regering van Turkije.
| |
[† Porte-crayon]
† Porte-crayon, m. (-s), teekenpen. *...-FEUILLE, v. (-s), brieven-tasch, tasch voor papieren en schrijfbehoeften; (fig.) ambt van minister; de - van binnenlandsche zaken; de - nederleggen; minister zonder - (in Frankrijk). *...-LETTRES, m. brievendrager, -hanger; zak, brieven-tasch, papier-koker. *...-MONNAIE, v. (-s), geldtaschje.
| |
[† Portée]
† Portée, o. omvang, strekking (van iets); belangrijkheid (eener zaak); drijfkracht; schotwijdte, bereik.
| |
[Portelen]
Portelen, ow. gel. (ik portelde, heb geporteld), koken, borrelen. *...BIER, o. (-en), schuimend bier. *...WEI, v. gmv. zure melk, hui.
| |
[† Porter]
† Porter, m. gmv. soort sterk engelsch bier.
| |
[† Porteren]
† Porteren, ow. (alleen gebruikelijk in) geporteerd (voor iets of iem.) zijn, (iets of iem.) sterk genegen zijn.
| |
[† Portie]
† Portie, v. (-s, ...ën), aandeel, toegekend part; zek. hoeveelheid (spijs); (fig.) pak slaag, verwijtingen.
| |
[Portier]
Portier, m. (-s, -en), deurbewaarder, bewaker; zwitser. *-, o. koetspoort, -venster. *-GLAS, o. (...azen). *-GLAASJE, (B. -N), o. (-s). *-HUISJE, (B. -N), o. (-s), kamertje van den portier. *-LUIK, o. (-en). -JE, (B. -N), o. (-s), kijk-, valluikje (in eene poort). *-SCHAP, o. gmv. post van portier. *-STER, v. (-s), deurwachtster, huisbewaarster. *-SVROUW, v. (-en). *-SWONING, v. (-en).
| |
[Portionstafel]
Portionstafel, v. (-s), gaarkeuken, opentafel, openbaar eethuis. *-HOUDER, m. (-s), die eene gaarkeuken heeft.
| |
[Portland-cement]
Portland-cement, o. zek. metselspecie.
| |
[Portret]
Portret, o. (-ten), beeldtenis, afbeelding (van een gelaat); dit - lijkt (gelijkt) wel; een welgelijkend -; (ook fig.) persoonsbeschrijving. *-TEREN, bw. gel. (ik portretteerde, heb geportretteerd), de beeldtenis (van iemand) maken. *-SCHILDER, m. (-s), die zijn hoofdvak maakt van portretteren.
| |
[Portuurlijn]
Portuurlijn, v. (-en), (zeew.) zek. lang touw.
| |
[Portvrij]
Portvrij, bn. gefrankeerd.
| | | |
| |
[Portwijn]
Portwijn, m. gmv. zek. fijne wijn (van Oporto).
| |
[Pos, Post]
Pos, Post, v. (-en), soort vischje.
| |
[† Pose]
† Pose, v. houding, stand (inz. schild. en beeldh.).
| |
[† Posé]
† Posé, bn. gezet, bedaard; een geposeerd man, een deftig -, bedaard man.
| |
[† Poseren]
† Poseren, ow. gel. (ik poseerde, heb geposeerd), zitten voor eenen schilder (om zich te laten portretteren).
| |
[† Positie]
† Positie, v. (...ën), stelling; staat; toestand; standpunt; (rek.) eene valsche - (om uit eene gefingeerde stelling tot de uitkomst te geraken); (dans- en schermk.) stand, houding. *...TIEF, bn. vast, zeker; - regt, het stellige regt (in tegenst. der hypothese). -, m. (taalk.) stellende trap. *...TO, bijw. aangenomen, gesteld (dat). *...TUUR, v. zie POSITIE.
| |
[† Possessie]
† Possessie, v. (...ën), bezit, bezitting.
| |
[† Possibel]
† Possibel, bn. mogelijk. *...BILITEIT, v. mogelijkheid.
| |
[† Post]
† Post, bn. na, later; -data, na den dag; -dateren, later dagteekenen; -scriptum, naschrift.
| |
[Post]
Post, m. (-en), deurstijl; (oorl.) standplaats; een verloren -, uiterste voorpost; - vatten, op zek. plaats gaan staan; (boekh.) artikel; ambt, bediening. *-, v. paarden- of brievenpost; eenen brief met de - verzenden; per of met de - (met postpaarden) rijden; de - (de brieven) is (zijn) aan. *-, onderdeel eener begrooting van ontvangsten en uitgaven; te betalen of betaalde geldsom. *-BAND, m. (-en), strook met een gedrukt adres. *-BEDIENDE, m. (-n). *-BODE, m. (-en), koerier. *-CHAIS, *-SJEES, v. (-en). *-DAG, m. (-en). *-DILUVIAANSCH, bn. na het tijdvak der vloedvorming gebeurd of ontstaan. *-DUIF, v. (...ven), duif afgerigt op het overbrengen van berigten. *-EREN, bw. ow. gel. (ik posteerde, heb of ben geposteerd), (oorl.) plaatsen, uitzetten (posten, wachten); op zek. plaats iets staan afwachten of gadeslaan. ZICH -, ww. *-ERIJ, v. (-en), het postwezen; postkantoor; (inz.) paardenpost. *-GELD, o. (-en), briefport. *-HOORN, *-HOREN, m. (-s), hoorn waarop de koerier of postbode blaast. *-HUIS, o. (...zen), postkantoor, gebouw der paardenposterij. *-JONGEN, m. (-s), postiljon. *-KAART, v. (-en), kaart die de onderscheidene pleisterplaatsen der postpaarden aanwijst. *-KANTOOR, o. (...oren). *-KAR, v. (-ren). *-KARRETJE, (B. -N), o. (-s), rijtuig voor het brieven-vervoer. *-KNECHT, m. (-en), koerier, postrijder. *-KOETS, v. (-en), wagen die met postpaarden rijdt; wagen die brieven overbrengt. *-LIJST, v. (-en), aanteekenlijst der brieven. *-LOOPER, m. (-s), koerier. *-MEESTER, m. (-s). -ES, v. (-sen). -SCHAP, o. gmv. ambt van postmeester. *-MERK, o. (-en), stempel -, zegel op eenen brief gedrukt. *-PAARD, o. (-en), (fig.) hij loopt als een - (zeer snel). *-PAKKET, o. (-ten). *-PAPIER, o. gmv. papier tot brieven geschikt (in tegenst. van schrijfpapier dat langer van formaat is). *-REGT, o. gmv. regt om postpaarden te houden; (ook) regt -, belasting op de postpaarden. *-REIS, v. (...zen). *-RIJDER, m. (-s), koerier. *-SCHIJN, m. (-en), bewijs van een aangeteekenden brief- *-SCHIP, o. (-schepen), pakketboot. *-SCHRIJVER, m. (-s), beambte
| | | |
bij het postwezen. *-STAL, m. (-len), stal voor de postpaarden. *-TIJDING, m. (-en), per post ontvangen tijding.
| |
[† Poste-restante]
† Poste-restante, bijw. aan het postkantoor blijvende berusten (om afgehaald te worden).
| |
[† Posterieur]
† Posterieur, bn. later. *-, o. achterste; à posteriori, van achteren, later, nader; (in tegenst. van à priori, te voren).
| |
[† Postiljon]
† Postiljon, m. (-s), postrijder.
| |
[† Postponeren]
† Postponeren, bw. gel. uitstellen, achteraan zetten.
| |
[Poststation]
Poststation, m. (-s), rust-, pleisterplaats der postkar. *...STEMPEL, m. (-s), postmerk.
| |
[† Postulaat]
† Postulaat, o. (...aten), vordering (aan een bestuur), opgave van feiten. *...LANT, m. en v. (-en), verzoeker, verzoekster. *...LEREN, bw. gel. (ik postuleerde, heb gepostuleerd), aanzoeken; feiten opgeven.
| |
[† Postuur]
† Postuur, o. gmv. gestalte, houding; zich in - zetten (tot aanval of verdediging); zij heeft eene fraaije - (leest).
| |
[Postverdrag]
Postverdrag, o. (-en), overeenkomst tusschen twee of meer staten regelende het brievenvervoer. *...WAGEN, m. (-s), postkar; (ook) op bepaalde uren rijdende wagen, diligence. *...WEG, m. (-en), groote weg, heerenweg. *...WET, v. (-ten), wet regelende de posterijen, - het brievenvervoer. *...WEZEN, o. gmv. beheer der brieven- en paardenposten; alles wat daartoe behoort. *...ZEGEL, o. (-s), merkje dat men op eenen brief plakt om aan te wijzen dat het porto reeds betaald is.
| |
[Pot]
Pot, m. (-ten), vaasvormig gereedschap, (van aarde, porselein, ijzer enz.); (fig.) den hond in den - vinden, te laat -, na het eten komen, zijn eten verzuimen; (spr.) de - verwijt den ketel dat hij zwart is, de eene ondeugende mensch berispt den anderen. *-, (fig.) eten, spijs; de - is al aan het koken; dat is een lekkere -; geld, inleg (tot spelen); den - winnen; er moet zooveel in den -; spaarpenningen (door personen bijeengegaard); den - verteren (op een pleizier-togtje). *-AADJE, *-AGIE, *-AGE, v. gmv. groente-, vleeschsoep. *-AARDE, v. gmv. geschikt om potten van te bakken.
| |
[† Potamographie]
† Potamographie, v. rivierbeschrijving.
| |
[Potasch]
Potasch, v. chemisch produkt (bereid uit gezuiverden wijnsteen enz.). *-BLAAUW, o. berlijnsch blaauw, kleurstof. *-LOOG, v. zek. vloeistof. *-MAKER, m. (-s). -IJ, v. (-en).
| |
[† Potassium]
† Potassium, o. zek. metaal.
| |
[† Potatoe]
† Potatoe, v. (-s), aardappel.
| |
[Potdek]
Potdek, o. (-ken), (zeew.) schanddek. *...DEKSEL, o. (-s). *...DOEK, m. (-en), vaat-, wischdoek.
| |
[Poten]
Poten, bw. gel. (ik pootte, heb gepoot), planten; aardappelen -; visch -, broedsel in eenen vijver zetten. *-, o. *...TING, v. *...TER, m. (-s), planter. *...TERS, m. mv. plant-aardappelen.
| |
[† Potentaat]
† Potentaat, m. (...aten), mogendheid, gekroond hoofd. *...TENTIE, v. magt, vermogen. *...TERNA, v. sluippoort. *...TESTAAT, m. (...aten), (oudt.) landvoogd van Friesland.
| |
[Potgeld]
Potgeld, o. gmv. munt die men om eenige bijzondere reden bewaart. *...GIETER, m. (-s), pottenbakker. *...HENGSEL, o. (-s). *...HUIS,
| | | |
o. (...zen), laag huisje, hokje tegen een ander huis gebouwd; werkplaatsje van eenen schoenlapper enz.; (zeew.) plecht. *...JE, (B. -N), o. (-s), kleine pot (in alle bet.); (fig.) -s hebben ook ooren, kinderen luisteren scherp toe; een - te vuur hangen, iem. aanklagen (bij eenen meester of vader); een - maken, geld bijeengâren. *...JEBEULING, v. gmv. gort met rozijnen gekookt. *...KAAS, v. (...azen), versche kaas. *...KAGCHEL, v. (-s). *...KIJKER, m. (-s), lekkerbek; janhen. *...LEPEL, m. (-s). *...LOOD, o. (-en), zek. delfstof; teekenkrijt; met - teekenen; hard -, comté. *-EN, bw. gel. (ik potloodde, heb gepotlood), met potlood inwrijven (kagchels, haarden enz.). *...MISPEL, m. (-s), soort mispel. *...MUSCH, v. (...sschen). *...OVEN, m. (-s), potkagchel *..PASTEI, v. (-jen, B. -en). *...PENNING, m. (-en), potgeld.
| |
[† Potoro]
† Potoro, m. (-os), soort kanguro, zek. dier.
| |
[† Potpourri]
† Potpourri, o. (-s), mengelmoes, allegaartje; muziekstuk uit onderscheidene themaas zamengesteld.
| |
[Pots]
Pots, v. zie POETS. *-ACHTIG, bn. grappig, aardig.
| |
[Potscherf]
Potscherf, v. (...ven), stuk van een gebroken pot.
| |
[Potsenmaker]
Potsenmaker, m. (-s), hansworst. *-IJ, v. (-en). *-SDANS, m. (-en).
| |
[Potstuk]
Potstuk, o. (-ken), potgeld, potpenning.
| |
[Potsuiker]
Potsuiker, v. gmv. suiker in potten bewaard.
| |
[Potten]
Potten, bw. gel. (ik potte, heb gepot), geld -, zeldzame munt bewaren. *-BAKKER, m. (-s). -IJ, v. (-en), plaats waar potten gebakken worden; bedrijf des pottenbakkers, -SSCHIJF, v. (...ven), -SWIEL, o. (-en), waarop de potten worden bewerkt. *-BANK, v. gmv. bewaarplaats -, kast voor de potten; (fig.) het graf. *-KRAAM, v. (...amen), *-MARKT, v. (-en). *-MEID, v. (-en), die potten verkoopt. *-SCHUIT, v. (-en). *-WINKEL, m. (-s).
| |
[Potter]
Potter, m. (-s), *...STER v. (-s), die geld opspaart of pot; schraper, schraapster.
| |
[† Potto]
† Potto, m. (-os), zek. dier.
| |
[Potvisch]
Potvisch, m. (...sschen), soort groote zeevisch, cachelot.
| |
[† Poule]
† Poule, v. gmv. potspel (in het biljart); zek. dansfiguur.
| |
[Pourparler]
Pourparler, o. gesprek, redekaveling; in -s treden; een - houden.
| |
[† Poursuiveren]
† Poursuiveren, bw. gel. (ik poursuiveerde, heb gepoursuiveerd), vervolgen (in regten).
| |
[† Pousseren]
† Pousseren, bw. gel. (ik pousseerde, heb gepousseerd), drijven, dringen; bevorderen; men moet die zaak - (aanzetten); zich zelven -, zich eenen weg banen (tot rang, rijkdom enz.).
| |
[† Pover]
† Pover, bn., *-TJES, bijw. armoedig, schraal; hij ziet er - uit.
| |
[Praaibeurt]
Praaibeurt, v. (-en), (zeew.) beurt om te praaijen.
| |
[Praaijen]
Praaijen, (B. *-IEN), bw. gel. (ik praaide, heb gepraaid), (zeew.) op zee ontmoeten en toespreken (door den roeper). *...SCHUIT, v. (-en), (zeew.) schuit dienstig bij het praaijen.
| |
[Praal]
Praal, v. (B.m.), pracht, pronk, vertooning. *-BED, o. gmv. parade-bed (van een overleden vorst enz.). *-BEELD, o. (-en), standbeeld. *-BOOG, m. (...ogen), eereboog. *-GEWAAD, o. (...aden). *-GRAF, o. (...aven), mausoleum. *-HANS, m. (-en), pogcher, pronker. *-KOETS, v. (-en). *-STOEL, m. (-en). *-STOET, m. gmv.
| | | |
*-ZETEL, m. (-s). *-ZIEK, bn. *-ZUCHT, v. gmv. pronkzucht, pralerij. *-ZUCHTIG, bn. en bijw. (-er, -st).
| |
[Praam]
Praam, m. gmv. beklemming. *-, v. (...amen), platbodemd vaartuig.
| |
[Praat]
Praat, m. gmv. gesnap, gebabbel; malle -, gekke -; ik heb geen -s voor u, ik wil niets met u te doen hebben, ik hoor niet naar u; gij hebt te veel -s, gij zijt te rad in het spreken, - te brutaal. *-ACHTIG, bn. (-er, -st), babbelzuchtig. *-AL, m. en v. babbelaar, -ster. *-JE, (B. -N), o. (-s), gemeenzaam gesprek; vertelseltje, logenachtig verhaal; het is maar een -; -s vullen geen gaatjes, zotteklap dient tot niets; -s voor de vaak, zotteklap; wat een -! welk een logen! *-MOÊR, v. (-en), *-STER, v. (-s), babbelaarster. *-VAÂR, m. (-s), babbelaar. *-STOEL, m. gmv. (fig.) hij zit weder op zijnen -, hij is weder aan het babbelen, - aan het oreren. *-ZIEK, *-ZUCHTIG, bn. (-er, -st), babbelachtig. *-ZUCHT, v. gmv.
| |
[Praauw]
Praauw, v. (-en), indisch -, indiaansch -, chineesch schip; eene oorlogs-, lange roeiboot.
| |
[† Prae...]
† Prae..., voor. De zamenstellingen met PRAE zie men op PRE.
| |
[Pracht]
Pracht, v. gmv. praal, heerlijkheid, luister. *-IG, bn. en bijw. heerlijk, rijk, luisterrijk. -LIJK, bijw. *-VERTOON, o., -ING, v. (-en), praal; pronk.
| |
[↑ Pragchen]
↑ Pragchen, (B. PRACHEN), ow. gel. (ik prachte, heb gepracht), kruipen, vleijen; om een kusje -, (van kindertjes); (oudt.) bijeenschrapen (geld). *...ER, m. (-s), PRACHSTER, v. (-s), vleijer, vleister; schraper, vrek. -IJ, v. (-en), kruiperij; schraapzucht.
| |
[† Practicabel]
† Practicabel, bn. (-er, st), uitvoerbaar, bruikbaar, begaanbaar. *...TICUS, m. (-sen, practici), ervaren oefenaar.
| |
[Pragmatisch]
Pragmatisch, bn. en bijw. werkdadig; algemeen nuttig; feitelijk; de geschiedenis - (naar feiten en niet naar bespiegelingen) behandelen; eene -e (of pragmatieke) sanctie, algemeen erkende en bekrachtigde verordening.
| |
[† Prairie]
† Prairie, v. (...ën), weide, uitgestrekte graswoestijn in Noord-Amerika.
| |
[Praktijk]
Praktijk, v. gmv. oefening, uitoefening; kalandizie; die dokter heeft eene groote - (veel huizen welke hij bedient); men moet de theorie bij de - voegen, de toepassing der regelen verstaan; hij heeft -, overleg in alles wat hij doet. *-, korte wijze van rekenen. *-, v. (-en), list, slinkschheid; kwade -en, oneerlijke middelen; de -, regtskennis. *...TISCH, bn. werkdadig. *...TISEREN, bw. ow. gel. (ik praktiseerde, heb gepraktiseerd), uit-, bedenken; vinden; hoe heeft hij dat gepraktiseerd? oefenen; over iem. -, hem als arts bedienen; deze advokaat praktiseert reeds jaren, oefent reeds lang zijn vak uit. *...TISEREND, bn. (in tegenst. van rustend); een - advokaat of doctor.
| |
[† Praktizijn]
† Praktizijn, m. (-s), regtsoefenaar, procureur, zaakwaarnemer. *-SBEDIENDE, m. (-n). *-SKANTOOR, o. (...oren). *-SKLERK, m. (-en). *-SREKENING, v. (-en), (fig.) hooge rekening. *-SWERK, o. (-en).
| |
[Pralen]
Pralen, ow. gel. (ik praalde, heb gepraald), prijken, schitteren; vertoon maken. *...LER, m. (-s), snoever, pogcher, -IJ, v. (-en), snoeverij.
| | | |
| |
[§ Pram]
§ Pram, v. (-men), vrouwenborst.
| |
[Pramen]
Pramen, bw. gel. (ik praamde, heb gepraamd), drukken, persen. *...MING, v. gmv. het pramen.
| |
[Prang]
Prang, v. gmv. drukking, knelling, (ook fig.). *-EN, bw. ow. gel. (ik prangde, heb geprangd), drukken, knellen; mijne schoenen - mij; (ook fig.) dit prangde mijnen boezem; het - van den nood; -, (zeew.) den wind knijpen. *-ER, m., *...IJZER, o. (-s), (hoefsm.) neus-nijper voor paarden; (timm.) klemhaak. *-ING, v. gmv. het prangen; knelling; (fig.) benaauwdheid. *-MOLEN, m. (-s), gemeentelijke molen. *-WORTEL, m. (-s), (plant.) soort kruid.
| |
[Prat]
Prat, bn. en bijw. fier, trotsch; - zijn op.
| |
[Praten]
Praten, ow. bw. gel. (ik praatte, heb gepraat), spreken, babbelen, snappen; wat praat (zegt) hij daar? hij weet goed te -; gij hebt mooi -, uw spreken helpt u niet; (ook) gij hebt reden anders te spreken dan ik. *...TER, m., PRAATSTER, v. (-s), babbelaar; een vervelende -; een aangename - (in een gezelschap).
| |
[† Prater]
† Prater, o. naam eener openbare wandelplaats te Weenen.
| |
[Pratten]
Pratten, ow. gel. (ik pratte, heb geprat), pruilen; weifelen; prat (fier) zijn op.
| |
[Pratziekte]
Pratziekte, v. gmv. kruipende ziekte.
| |
[↑ Prauwel]
↑ Prauwel, v. (-s), wafel. *-IJZER, o. (-s), wafelijzer.
| |
[† Praxis]
† Praxis, v. gmv. uitoefenende geneeskunde; praktijk.
| |
[† Pré]
† Pré, o. voorregt, voorrang; een - hebben. *-ADAMIETEN, m. mv. vóórwereldlingen (die vóór Adam zouden geleefd hebben). *-ALABEL, bn. voorafgaande; de -e kwestie, die vroeger behandeld is of moet worden. *-ADVIES, o. (...zen), voorafgaand uitgebragt gevoelen. *-AMBULE, v. (-s), voorafspraak, inleiding; omhaal (van woorden). *-AMBULEREN, ow. gel. (ik preambuleerde, heb gepreambuleerd), eene voorafspraak houden. *-BENDE, v. (-n), kerkelijk inkomen (voor personen of gestichten). *-CAIRE, bn. onzeker, kortstondig. *-CAUTIE, v. (...ën), voorzorg. *-CAVEREN, bw. gel. (ik precaveerde, heb geprecaveerd), (regt.) voorzien, voorbehoud nemen. *-CEDENT, o. (-en), vroeger genomen besluit, vroegere maatregel; wij willen geen - scheppen, ons niet binden door een vroeger besluit. *-CEDENTIE, v. gmv. voorrang. *-CEDEREN, bw. gel. (ik precedeerde, heb geprecedeerd), voorgaan, voorafgaan. *-CEPTOR, m. (-en), leeraar (inz. aan de gymnasiën). -AAT, o. gmv. ambt van leeraar.
| |
[Precies]
Precies, bn. en bijw. juist, naauwkeurig; - ten vijf ure; gierig; naauwlettend; die man is wat -. *...CIEUS, bn. (...zer, -st), kostbaar. *...CIPITAAT, o. (...aten), (scheik.) neêrploffing; bezinksel. *...CIPITEREN, bw. gel. (ik precipiteerde, heb geprecipiteerd), neêrploffen, doen bezinken. *...CISEREN, bw. gel. (ik preciseerde, heb gepreciseerd), bepaald-, naauwkeurig omschrijven. *...CLUSIEF, bn. afwijzend. *...CONISATIE, v. (...ën), aanprijzing, lof; (r.k.) bevoegdverklaring; pauselijke -. *...CONISEREN, bw. gel. (ik preconiseerde, heb gepreconiseerd), verheffen, loven; (r.k.) bevoegd verklaren (tot een kerkelijk ambt), bekrachtigen (de benoeming van bisschoppen enz.). *...DESTINATIE, v. gmv. voorbeschikking; de leer der -. *...DESTINEREN, bw.
| | | |
gel. (ik predestineerde, heb gepredestineerd), (godg.) voorbeschikken. *...DIKAAT, o. (...aten), naam, titel, eigenschap aanduidend woord; het - van baron. *...DICTIE, v. (...ën), voorspelling.
| |
[Predikambt]
Predikambt, o. gmv. bediening van predikant; het - uitoefenen, (inz. bij de hervormden). *...ANT, m. (-en), godsdienstleeraar (inz. bij de herv.). *...ATIE, v. (...ën), preek, godsdienstige leerrede, sermoen. *...BEURT, v. (-en). *...DIENST, v. gmv. *...EN, bw. gel. (ik predikte, heb gepredikt), voor de gemeente eene leerrede uitspreken. *...ER, m. (-s), predikant, leeraar; de - van Salomo, verzameling van nuttige leerspreuken van koning Salomo.
| |
[† Predilectie]
† Predilectie, v. (...ën), voorkeur, voorliefde tot; eene - hebben voor. *...DISPONEREN, bw. gel. (ik predisponeerde, heb gepredisponeerd), vooraf beschikken (over). *...DISPOSITIE, v. gmv. (gen.) voorbeschiktheid (tot). *...DOMINATIE, v. gmv. overheersching.
| |
[Preêk]
Preêk, v. (-en), predikatie. *-EN, bw. gel. zie PREDIKEN; voor de geleerden is goed -, alleen die in het vak bedreven is verstaat u. *-STOEL, m. (-en), kansel. *-TRANT, m. gmv. wijze van prediken.
| |
[† Preëminent]
† Preëminent, bn. uitstekend. *-IE, v. gmv. uitstekendheid, voortreffelijkheid. *...EXISTENTIE, v. gmv. vooruit-bestaan.
| |
[† Prefekt]
† Prefekt, m. (-en), landvoogd; hoofd -, bestuurder van een departement (in Frankrijk). *-UUR, v. (...uren), landvoogdij; ambt -, betrekking -, (ook) paleis van den prefekt. *...FERABEL, bn. en bijw. verkieslijk (boven). *...FERENT, bn. preferabel; (regt.) voorafgaande; de -e schulden (in eene failliete massa). *...FERENTIE, v. (...ën), voorkeur, voorrang. *...FEREREN, bw. gel. (ik prefereerde, heb geprefereerd), verkiezen (boven); de voorkeur geven (aan).
| |
[Prei]
Prei, v. gmv. soort keukengewas, toekruid.
| |
[† Préjudice]
† Préjudice, v. gmv. (regt.) schade, nadeel; ter - van. *...JUDICEREN, *...JUGEREN, bw. gel. (ik prejudiceerde of prejugeerde, heb geprejudiceerd of geprejugeerd), vooraf -, vooruit -, te vroeg beslissen. *...JUDICIËREN, bw. gel. (ik prejudiciëerde, heb geprejudiciëerd), benadeelen. *...JUGÉ, o. (-s), vooroordeel.
| |
[Prelaat]
Prelaat, o. (...aten), priester (inz. van hoogen rang). *...LEVEREN, bw. gel. (ik preleveerde, heb gepreleveerd), vooraf nemen, - aftrekken van; (regt) deze som te - op of van. *...LIMINAIR, bn. inleidend, voorafgaand. *...LIMINARIËN, v. mv. voorloopig vastgestelde punten (van een verdrag). *...LUDE, v. gmv. (muz.) voorspel; (fig.) begin, aanvang. *...LUDEREN, ow. gel. (ik preludeerde, heb gepreludeerd), (muz.) als inleiding iets spelen; (fig.) een begin maken (met). *...MEDITATIE, v. (...ën), voorafgaand overleg (altijd in kwaden zin); (regt.) moord met -, met geleider lage. *...MEDITEREN, bw. gel. (ik premediteerde, heb gepremediteerd), vooraf beramen, vooroverleggen; eene gepremediteerde misdaad.
| |
[Premie]
Premie, v. (...ën), prijs; (inz.) tweede prijs; loon; inleg; - van assurantie; buitengewone toelage; een boekwerk als -; (effekt.) - trekken, - geven, soort weddingschap op rijzing of daling.
| |
[† Premier]
† Premier, m. gmv. eerste; (fig.) eerste minister, hoofd van het kabinet (in Engeland). *...MIÈRES, v. mv. (kaart.) de eerste trekken.
| | | |
*...MISSEN, v. mv. (reden.) voorafgaande -, eerste stelling (eener sluitrede); voorafgaande bepalingen.
| |
[† Prenumerando]
† Prenumerando, bijw. bij wijze. *...NUMERATIE, v. (...ën), vooruitbetaling. *...NUMEREREN, bw. gel. (ik prenumereerde, heb geprenumereerd), vooruit betalen.
| |
[Prent, Print]
Prent, Print, v. (-en), teekening -, afbeelding -, plaat in druk. *-ENBOEK, o. (-en). *-EN, bw. gel. (ik prentte, heb geprent), indrukken (in het geheugen, in den geest). *-ENKRAAM, v. (...amen). *-ENWINKEL, m. (-s). *-JE, (B. -N), o. (-s), kleine prent; -s kijken, zoeken (in een boek); iem. in - voorstellen, zijn portret uithangen; (fig.) jonkertje; hij is een waar -. *-KUNST, v. gmv. graveerkunst, etskunst. *-VERBEELDING, v. (-en). *-VERKOOPER, m. (-s). ...STER, v. (-s).
| |
[† Préoccupatie]
† Préoccupatie, o. (...ën), zorg, afgetrokkenheid; (oorl.) voorafgaande bezetting (eener plaats). *...OPINEREN, bw. gel. (ik préopineerde, heb gepréopineerd), vooraf -, het eerst zijn gevoelen uitbrengen. *...ORDINATIE, v. voorbeschikking. *...PARAAT, o. (...aten), (ontl. en apoth.) kunstmatig toebereid ligchaamsdeel, - middel. *...PARANDUS, m. (...di), kandidaat (tot een examen). *...PARATIE, v. (...ën), voorbereiding. *...PAREREN, bw. gel. (ik prepareerde, heb geprepareerd), voorbereiden. *...PONDERANT, bn. overwegend, afdoende. *...POSITIE, v. (...ën), (taalk.) voorzetsel. *...ROGATIEF, o. (...ven), voorregt; het - der kroon (van een regerenden vorst). *...SAGEREN, bw. gel.) (ik presageerde, heb gepresageerd), voorspellen.
| |
[Presbyter]
Presbyter, m. (-s), *-IAAN, m. (...anen), niet-bisschoppelijke, die tot de gestreng hervormde kerk behoort, (inz. in Schotland). *-IAANSCH, bn. tot de schotsche kerk of leer behoorende.
| |
[† Prescriberen]
† Prescriberen, bw. ow. gel. (ik prescribeerde, heb geprescribeerd), (regt.) voor verjaard verklaren; verjaren; (ook) voorschrijven. *...SCRIPTIE, v. (...ën), (regt.) verjaring; vervallenverklaring door verjaring; voorschrift. *...SENS, m. gmv. (taalk.) tegenwoordige tijd.
| |
[Presenning]
Presenning, *...ZENNING, v. (-s), (zeew.) geteerd zeildoek.
| |
[Present]
Present, bn. tegenwoordig; -! antwoord bij eene oproeping van namen. *-, helder (van geest). *-, o. (-en), geschenk, gave. *-, bij presenten concluderen, besluiten door de aanwezigen (in eene vergadering). *-ABEL, bn. (-er, -st), vertoonbaar, fatsoenlijk uitziende. *-ATIE, v. (...ën), vertooning; aanbieding; voorstelling. *-EREN, bw. gel. (ik presenteerde, heb gepresenteerd), vertoonen, aanbieden, voorstellen; (kooph.) eenen wissel -, (ter acceptatie, ter betaling); - te verkoopen; gepresenteerd zijn, de eerste intrede aan een hof gemaakt hebben. *-IE, v. gmv. tegenwoordigheid; in - van; -lijst, lijst die bij het houden eener vergadering alle binnenkomende leden moeten teekenen.
| |
[† Preservatie]
† Preservatie, v. gmv. voorbehoeding, bewaring. *...VATIEF, o. (...ven), voorbehoedmiddel. *...VEREN, bw. gel. (ik preserveerde, heb gepreserveerd), behoeden, bewaren.
| |
[† Preses]
† Preses, *...SIDENT, m. (-en), voorzitter; opperste leider van een gemeenebest. *...SIDEREN, ow. gel. (ik presideerde, heb gepresi- | | | | deerd),
voorzitten; leiden (eene vergadering). *...SIDEN, v. mv. galeistraf, strafkoloniën van Spanje. *...SIDIAAL, bn. tot het voorzitterschap behoorende. *...SIDIUM, o. gmv. voorzitterschap.
| |
[Presmeester]
Presmeester, m. (-s), opperste der aanwervers (van soldaten of matrozen in Engeland).
| |
[† Pressant]
† Pressant, bn. (-er, -st), dringend, spoedeischend.
| |
[Pressen]
Pressen, bw. gel. (ik preste, heb geprest), aanwerven (tot de krijgsdienst met geweld of list); soldaten -, schepen -. *...SING, v. (-en), het pressen. *...SER, m. (-s), werver, ligter. *...SEREN, bw. gel. (ik presseerde, heb gepresseerd), drukken; dringen; spoed maken. *...SIE, v. (...ën), drukking; (fig.) - op iem. uitoefenen, iem. door een zedelijken dwang in het naauw brengen om hem tot zekere keuze te dwingen. *...SUUR, v. gmv. bezwaar, druk.
| |
[† Prestant]
† Prestant, m. (muz.) hoofdpijp (van het orgel).
| |
[† Prestatie]
† Prestatie, v. (...ën), kwijting, afdoening; aflegging (van eenen eed). *...TEREN, bw. gel. (ik presteerde, heb gepresteerd), kwijten, verleenen, (diensten) doen; afleggen (eenen eed); wat heeft hij gepresteerd (gedaan, verrigt)? *...TIGE, o. gmv. betoovering, toovermagt; hij is zijn - (zijnen ver klinkenden invloed) kwijt. *...TIDIGITATEUR, m. (-s), goochelaar. *...TIMONIE, v. (...ën), inkomen van een kerkelijk ambt. *...TISSIMO, bijw. (muz.) zeer snel. *...TO, bijw. (muz.) gezwind, snel.
| |
[† Presumabel]
† Presumabel, bn. vermoedelijk. *...SUMEREN, bw. gel. (ik presumeerde, heb gepresumeerd), vermoeden, veronderstellen. *...SUM(P)TIE, v. (...ën), vermoeden; (regt.) verdenking; iem. op - vatten.
| |
[Pret]
Pret, v. gmv. vreugde, vermaak; grappen; - hebben, maken. *-MAKER, m., *-MAAKSTER, v. (-s), vrolijke kwant, - zus.
| |
[† Pretendent]
† Pretendent, m. (-en), die aanspraak maakt op, vorderaar; eischer; een - naar de kroon; (gesch.) de -, (Jakob II van Engeland). *...TENDEREN, bw. gel. (ik pretendeerde, heb gepretendeerd), vorderen, eischen, verlangen; beweren. *...TENTIE, v. (...ën), vordering, verlangen, voorgeven; (kooph.) schuldvordering; ik heb eene - op hem van...; (fig.) ingebeeldheid, waan; welk eene -! een man vol -, vol eigenwaan. *...TEREN, bw. gel. (ik preteerde, heb gepreteerd), medegeven, ruimer worden; deze schoenen zullen nog wel -; (fig.) geschikt zijn (tot); medegeven; het preteert niet. ZICH -, ww. zich laten gebruiken; daartoe zal ik mij nimmer -. *...TEXT, o. (-en), voorwendsel. -EREN, bw. gel. (ik protesteerde, heb gepretexteerd), voorgeven, voorwenden.
| |
[† Pretor]
† Pretor, m. (-s), (rom. gesch.) landvoogd; opperhoofd, opziener.
| |
[Prettig]
Prettig, bn. (-er, -st), boertig, grappig; vermakelijk; (fig.) aangenaam.
| |
[Preutelen]
Preutelen, ow. gel. (ik preutelde, heb gepreuteld), borrelen; knorren, mompelen, prevelen. *...AAR, m., -STER, v. (-s), mompelaar, knorder, knorster. *...GELD, o. gmv. kleingeld. *...IG, bn. knorrig, kregel. *...ING, v. gmv. het preutelen. *...WERK, o. gmv. nietigheden, beuzelingen.
| |
[Preutsch]
Preutsch, bn. en bijw. huichelachtig kuisch of eerbaar; gemaakt
| | | |
deftig (alleen van vrouwen); eene -e, eene gemaakt eerbare; fijne zus. *-HEID, v. gmv. gehuichelde kuischheid, fijnheid (van vrouwen).
| |
[† Preuve]
† Preuve, v. (-s), bewijs.
| |
[† Prevalent]
† Prevalent, bn. den voorrang hebbende, overwegend. *...VALEREN, ow. gel. (ik prevaleerde, heb geprevaleerd), het overwigt hebben, den voorrang behouden; zijn gevoelen prevaleerde (dreef boven). *...VARICATIE, v. (...ën), pligtschending; ontrouw (in een ambt).
| |
[Prevelen]
Prevelen, bw. gel. (ik prevelde, heb gepreveld), mompelen, binnensmonds brommen; gebeden -, snel -, onaandachtig bidden. *...AAR, m. (-s). -STER, v. (-s). *...MIS, v. (-sen), (r.k.) stille mis.
| |
[† Prevenant]
† Prevenant, bn. en bijw. (-er, -st), viendelijk, minzaam, voorkomend. *...VENIËREN, bw. gel. (ik preveniëerde, heb gepreveniëerd), voorkomen, beletten; berigten, onderrigten, verwittigen; waarschuwen. *...VENTIE, v. (...ën), beletsel, voorkoming; vooringenomenheid; vooroordeel. *...VENTIEF, bn. en bijw. voorkomend; voorloopig; iem. - gevangen zetten, op eene beschuldiging in hechtenis nemen (in afwachting van de regterlijke uitspraak); preventieve gevangenschap. *...VISIE, v. (...ën), vooruitzigt, verwachting (van mogelijke gebeurtenissen). *...VÔT, m. (-s), (schermk.) meester, hoofd.
| |
[Priëel]
Priëel, o. (...elen), overschaduwd en afgesloten perkje (in eenen tuin).
| |
[Priegel]
Priegel, m. (-s), knuppel, -stok. ↑ *-EN, bw. gel. (ik priegelde, heb gepriegeld), afrossen, kloppen. *-AAR, m., -STER, v. (-s), afrosser, afrosster. *-ING, v. gmv. het priegelen.
| |
[Priel]
Priel, m. (-en), (zeew.) naauwe doortogt.
| |
[Priem]
Priem, m. (-en), puntig ijzer of staal; (ook) dolk. *-EN, bw. gel. (ik priemde, heb gepriemd), doorboren, gaten maken (met eenen priem).
| |
[Priester]
Priester, m. (-s), *-ES, v. (-sen), ieder die een geestelijk ambt bekleedt; tot - wijden; den - spelen; -es van Apollo te Delphi, (oude gesch.) Pythia. *-AMBT, o. gmv. *-GEWAAD, o. (...aden). *-KLEED, o. (-en, -eren). *-LIJK, bn. en bijw. als een -, van eenen priester. *-ORDE, v. (-n). *-SCHAAR, v. (...aren), stoet van priesters. *-SCHAP, o. waardigheid van priester. -, v. al de priesters. *-WIJDING, v. (-en).
| |
[Prij]
Prij, v. (-en), aas, kreng; (fig.) boos wijf.
| |
[Prijken]
Prijken, ow. gel. (ik prijkte, heb geprijkt), pralen, pronken.
| |
[Prijs]
Prijs, m. (...zen), waarde, geldswaarde; koers; eenen - trekken (uit de loterij); buit, verovering; een schip - maken (veroveren); voor goeden - verklaren; iets - (ten beste) geven; roem, eer; loon, bekrooning; boekgeschenk (op eene school); den - behalen. *-BEDERVER, m., *-BEDERFSTER, v. (-s), die beneden de waarde verkoopt; kladder, kladster. *-BEHALER, m. (-s). *-BEHAALSTER, v. (-s). *-BEPALER, m. (-s). *-BEPAALSTER, v. (-s). *-BEPALING, v. (-en). *-COURANT, v. (-en), lijst van koop- of winkelwaren of van ververschingen met aanwijzing der prijzen. *-DICHT, o. (-en), gedicht waaraan een prijs is toegekend. *-JE, (B. -N), o. (-s), kleine prijs (in alle bet.); ik heb het voor een - (goedkoop). *-MEESTER, m. (oorl.) opziener van prijsgemaakte schepen. *-OPGAVE, v. (-n). *-REGTER, m. (-s), die de verdeeling van het prijsgeld bepaalt.
| | | |
*-SCHIP, o. (...epen), prijsgemaakt schip. *-SELIJK, (beter PRIJSELIJK), bn. loffelijk. *-STOF, v. (-fen), onderwerp ter mededinging waarvoor een prijs is uitgeloofd. *-UITDEELING, v. (-en), toekening -, overgave van prijzen aan hen die ze behaald hebben. *-VERHANDELING, v. (-en), opstel waaraan een prijs is toegekend. *-VRAAG, v. (...agen), onderwerp waarvoor bij mededinging een prijs is uitgeloofd. *-WAARDIG, bn. (-er, -st), geldswaarde hebbende.
| |
[Prijzen]
Prijzen, bw. ong. (ik prees, heb geprezen), loven, roemen; God - (verheerlijken); iem. gelukkig - (noemen). *-SWAARD, -IG, bn. (-er, -st). *...ZEREN, bw. gel. (ik prijzeerde, heb geprijzeerd), waarderen, schatten. *...ZERING, v. (-en), schatting. *...ZEERDER, m., ...STER, v. (-s), schatter, waardeerder, ...ster. *...ZING, v. gmv. lof.
| |
[Prik]
Prik, m. (-ken), steek (met een puntig voorwerp); zek. soort lamprei; zoo veel men met eene vork kan opprikken; een - of prikje, kool; noot of amandel nog in den bast; (fig.) hij weet of verstaat dit op een -, hij is er zeer in bedreven; hij gelijkt hem op een - (zeer, precies). *-JE, (B. -N), o. (-s), kleine prik (in alle bet.); de chirurgijn heeft hem een - gegeven, heeft de wond even opengestoken.
| |
[Prikkel]
Prikkel, m. (-s), angel, punt; prikstok; vervoerbare weegtoestel (voor vaten tabak enz.); (fig.) aansporing; spoorslag. *-BAAR, bn. (-der, -st), ligt gevoelig voor; (fig.) ligtgeraakt, oploopend. -HEID, v. gmv. ligtgevoeligheid (der huid enz.); (fig.) ligtgeraaktheid. *-EN, bw. gel. (ik prikkelde, heb geprikkeld), steken, branden (van vochten, van peper enz.); steken (met een puntig voorwerp); (fig.) aanzetten, aansporen. *-END, bn. stekend, bijtend; -e saus; (fig.) aansporend; tergend. *-ING, v. gmv. het prikkelen (in alle bet.).
| |
[Prikken]
Prikken, bw. gel. (ik prikte, heb geprikt), steken (met een puntig voorwerp). *...KING, v. gmv. het prikken, geprik.
| |
[Prikslede]
Prikslede, v. (-n), kleine ijsslede. *...STOK, m. (-ken), stok met eene punt of ijzeren punt. *...TOL, m. (-len), werptol (in tegenst. van drijftol).
| |
[Pril]
Pril, bn. (-ler, -st), vrolijk, vlug; vroeg, jeugdig, zeer jong.
| |
[† Prima]
† Prima, v. de hoogste klas, de eerste soort; eerste wissel (welken men trekt in tegenstelling van secunda en tertia, die van hetzelfde bedrag en voor dezelfde zaak moet betaald worden als de eerste verloren ging); - donna, eerste -, voornaamste zangeres (in een opera), hoofdrol der vrouw; - vista, (muz.) op het eerste gezigt, van het blad af (spelen of zingen); (kooph.) op zigt (van eenen wissel); - volta, voor de eerste maal.
| |
[Primaat]
Primaat, m. (...aten), voornaamste aartsbisschop. *-SCHAP, o. (-pen), opperste kerkvoogdij.
| |
[† Primair]
† Primair, bn. voornaam, eerste; de -e (eerste of ondeelbare) getallen; de -e (oorspronkelijke of graniet) bergen; de -e (lagere) scholen.
| |
[† Prime]
† Prime, v. (muz.) eerste grondtoon; (drukk.) schoondruk, (ook van platen); vroegste biduur. *...MEREN, ow. gel. (ik primeerde, heb geprimeerd), uitsteken, de eerste zijn.
| | | |
| |
[Primgetallen]
Primgetallen, o. mv. getallen die door geen getal dan door de eenheid en door zich zelven meetbaar zijn.
| |
[† Primidi]
† Primidi, m. (-s), (gesch.) de eerste dag eener decade (week van 10 dagen in de eerste fransche omwenteling).
| |
[† Primitief]
† Primitief, bn. en bijw. oorspronkelijk, eerst, vroegst.
| |
[† Primo]
† Primo, bijw. eerst, het eerste; pro -, ten eerste; - nobel, hoogadellijk, hoogedel. *-, m. de eerste dag der maand. *-GENITUS, m. eerstgeborene. *-GENITUUR, v. eerstgeboorte-regt.
| |
[† Principaal]
† Principaal, m. (...alen), opperste, hoofdpersoon; patroon, meester, lastgever; de - van eenen makelaar, van eenen, notaris. *-, bn. voornaamst, hoofdzakelijkst. *...CIPE, o. (-s), grond, bron, beginsel; grondstelling. *...PIËEL, bn. en bijw. in -, als beginsel.
| |
[Prins]
Prins, m. (-en), vorst, (regerend of den vorstentitel voerende); (fig.) voornaamste, uitstekendste; titel van tweeden voorzitter eener rederijkerskamer; (spr.) van den - geen kwaad weten, dood onschuldig zijn. *-DOM, o. (-men), regeringsgebied van eenen prins. *-ELIJK, bn. en bijw. als een -, van eenen prins; op mijn - woord; dat is echt - gehandeld. -HEID, v. gmv. *-ENHOF, o. (...ven), verblijfplaats -, woning van eenen prins.
| |
[Prinses]
Prinses, v. (-sen), vrouw van eenen prins, vrouw die tot een prinsengeslacht behoort; (fig.) zij is gekleed als eene - (bij uitstek fijn gekleed).
| |
[Prinsessenbier]
Prinsessenbier, o. gmv. soort wit bier. *...BLAAUW, o. en bn. berlijnsch blaauw. *...BOON, v. (-en), zek. peulvrucht. *...KOEKJE, (B. -N), o. (-s), zek. gebak.
| |
[Prinsmetaal]
Prinsmetaal, o. gmv. metaalmengsel van koper en zink.
| |
[Print]
Print, v. zie PRENT.
| |
[Prioor]
Prioor, m. (...oren), *...ORES, v. (-sen), proost, proostin, kloostervoogd, -es. *...ORAAT, *-SCHAP, o. gmv. waardigheid -, woning van den prioor. *...ORA, v. mv. voorafgaande feiten.
| |
[† Priori (à)]
† Priori (à), bijw. te voren, van voren aan; vooraf.
| |
[† Prioriteit]
† Prioriteit, v. gmv. voorrang. *-SLEENING, v. (-en), leening die gesloten wordt door een bestuur, als het primitieve kapitaal blijkt onvoldoende te zijn. *-SREGT, o. (-en). *-SSCHULDEN, m. mv. die het eerst moeten behaald worden uit eene failliete massa.
| |
[† Prise]
† Prise, o. (-n), snuifje; (oorl.) prijs. *...SEERTANG, v. (-en), werktuig waarmede men loodjes aan veraccijnsd vee hecht. *...SEREN, bw. gel. (ik priseerde, heb gepriseerd), schatten, taxeren. *...SEUR, m. (-s), schatter.
| |
[† Prisma]
† Prisma, o. (...as), glazen kantzuil die de zeven oorspronkelijke kleuren weêrkaatst. *-TISCH, bn. kantig, tot het prisma behoorende.
| |
[† Prison]
† Prison, v. gmv. gevangenis.
| |
[Privaat]
Privaat, o. (...aten), geheim gemak. *-, bn. geheim, afzonderlijk. *-GEBRUIK, o. gmv. *-LES, v. (-sen), les aan huis. *-ONDERWIJS, o. gmv. ...ZER, m. (-s). *...VATIEF, bn. uitsluitend, eigen. *...VATUM, bijw. afzonderlijk. *...VÉ, o. geheim gemak; in -, voor zich zelven, voor zijn eigen; privé-slaaf, slaaf die nog afzonderlijk in dienst is. *...VEREN, bw. gel. (ik priveerde, heb gepriveerd), be- | | | | rooven,
ontnemen. *...VILEGIE, o. (...ën), voorregt; vrijheidsbrief. *...VILEGIËREN, bw. gel. (ik privilegiëerde, heb geprivilegiëerd), bevoorregten; de geprivilegiëerden, de bevoorregten.
| |
[† Prix]
† Prix, m. prijs; - fixe, vastgestelde prijs (waarop niet te dingen valt); à tout -, tot iederen prijs, wat het ook koste.
| |
[† Pro]
† Pro, bijw. voor, voorwaarts; - aris et focis, voor haardsteden en altaren; - Deo, om Gods wil, om niet, gratis; - patria, voor het vaderland; (ook) naam van eene soort (hollandsch) papier. *-, o. het - en contra hooren, hooren wat voor en wat tegen (iets of iem.) te zeggen is.
| |
[† Probaat]
† Probaat, bn. en bijw. (...ater, -st), echt, beproefd, deugdelijk. *...BABEL, bn. waarschijnlijk. *...BABILITEIT, v. waarschijnlijkheid. *...BATUM EST, het is beproefd, - onfeilbaar bevonden. *...BEERKUNST, v. gmv. toetskunst. *...BEERNAALD, v. (-en), toetsnaald. *...BEERSTEEN, m. (-en), toetssteen. *...BEREN, bw. gel. (ik probeerde, heb geprobeerd), beproeven, onderzoeken. *...BITEIT, v. gmv. eerlijkheid, goede trouw. *...BLEEM, o. (...emen), *...BLEMA, o. (-ta), vraagstuk; raadsel. *...BLEMATISCH, bn. twijfel-, raadselachtig.
| |
[† Procederen]
† Procederen, ow. gel. (ik procedeerde, heb geprocedeerd), handelen, te werk gaan; een geding voeren; pleiten. *...CEDURE, v. (-s), regtsgeding, regtsvervolging, pleithandel. *...CENT, bijw. ten honderd. -, o. (-en), honderdste deel van eenig geheel. *...CERITEIT, v. gmv. slankheid, hooge wasdom.
| |
[† Proces]
† Proces, o. (-sen), regtsgeding; (gen.) voortgang eener ziekte. *- -VERBAAL, o. (...sen-verbaal), ambtelijk verslag -, acte van feiten en handelingen; een - opmaken; - maken tegen iem., die zich aan eene overtreding van wetten heeft schuldig gemaakt en betrapt wordt. *-SIE, v. (...ën), (r.k.) plegtige omgang op hoogtijden. *-ZIEK, bn. pleitzuchtig, twistzoekend (in regten).
| |
[† Proclamatie]
† Proclamatie, v. (...ën), afkondiging, bekendmaking; aflezing (der geboden bij den ondertrouw). *...CLAMEREN, bw. gel. (ik proclameerde, heb geproclameerd), afkondigen, bekend maken; uitroepen; iem. - als, tot. *...-CONSUL, o. (-s), plaatsvervangend consul of landvoogd. *...CREATIE, v. teling, voortbrenging. *...CREËREN, bw. gel. (ik procreëerde, heb geprocreëerd), telen, voortbrengen. *...CURATIE, v. (...ën), volmagt. *...CUREUR, m. (-s), zaakbezorger; praktizijn. *...DIGALITEIT, v. gmv. verkwisting. *...DIGIEUS, bn. verbazend, wonderbaar. *...DUCENT, m. (-en), voortbrenger (in tegenst. van consument, verbruiker). *...DUCEREN, bw. gel. (ik produceerde, heb geproduceerd), voortbrengen, telen; maken; overleveren; (regt.) stukken, getuigen -.
| |
[† Product]
† Product, *...DUKT, o. (-en), voortbrengsel; vrucht; (rek.) uitkomst eener vermenigvuldiging. *-IE, v. (...ën), voortbrenging; (regt.) overlegging. *-IEF, bn. (...ver, -st), voortbrengend, voordeelig, vruchtbaar. *-IVITEIT, v. werkingsvermogen, voortbrengende -, scheppende kracht, vruchtbaarheid.
| |
[Proef]
Proef, v. (...ven), onderzoek, waarneming, ondervinding; blijk, bewijs; natuurkundige -; (drukk.) eerste afdruk die nog gecorrigeerd moet worden of het reeds is; - (naar de gehalte) van goud of zilver;
| | | |
(fig.) bewijs; iemands vriendschap op de - stellen; het kan de - (het onderzoek) doorstaan. *-BLAD, o. (-en), (drukk.) gedrukt blad dat nagezien moet worden. *-BLAADJE, (B. -N), o. (-s), (nat.) gevoelig middel om te beproeven of eenig ligchaam electrische aantrekking vertoont. *-DAG, m. (-en), dag van onderzoek; -en, (zeew.) dagen gedurende welke een schip afgezonderd moet blijven liggen (wegens vermoedelijke besmettelijke ziekte), quarantaine. *-DRUK, m. gmv. (drukk.). *-GAREN, o. (-s), (wev.). *-GEWIGT, o. (-en), gewigt dat bij den ijk dient. *-GOUD, o. gmv. essaai-goud. *-HOUDEND, bn. echt, van goed gehalte; (ook fig.). *-JAAR, o. (...aren), jaar van beproeving -, van onderzoek. *-JE, (B. -N), o. (-s), kleine proef; klein (achtste) wijnfleschje; (fig.) wij zullen er een - van nemen (het eens onderzoeken). *-KRAAN, v. (...anen), peilkraan. *-KUNST, v. gmv. kunst van den essayeur. *-LEPEL, m. (-s), lepel (voor gesmolten metalen enz.). *-LEZER, m. (-s), -ES, v. (-sen), die proeven opleest, - corrigeert. *-LEZING, v. (-en), correctie der drukproeven. *-MUNT, v. (-en), model der geslagen munt. *-NEMING, v. (-en), waarneming, onderzoek, (ook fig.). *-ONDERVINDELIJK, bn. en bijw. door proeven of waarnemingen onderzocht; de -e wijsbegeerte; dit is - bewezen. *-PLAAT, v. (...aten), eerste muntplaat; koperplaat van den eersten afdruk. *-PREDIKATIE, v. (...ën), eerste preêk. *-SCHIJFJE, (B. -N), o. (-s), zek. toestel tot het overbrengen van electriciteit. *-SCHOT, o. (-en), eerst schot. *-SCHRIFT, o. (-en), schoonschrift als blijk van bekwaamheid; opstel -, verhandeling als proeve. *-SLOT, o. (-en), kunstig slot, slot met geheim werk (oudt. als blijk van kunstig smidswerk bij het gild). *-SMELTKROES, m. (...zen), (voor metalen). *-SPEL, o. gmv. voorspel. *-STEEN, m. (-en), toetssteen voor goud en zilver. *-STUK, o. (-ken), meesterstuk bij de gilden; - eener munt (ten bewijze van het gehalte). *-TEGEL, m. (-s), (steenb.). *-TIJD, m. tijd van onderzoek. *-TIN, o. gmv. gewoon tin. *-WIJN, m. gmv. wijn die tot proef dient. *-ZILVER, o. gmv. essaai-zilver.
| |
[Proesten]
Proesten, ow. gel. (ik proestte, heb geproest), snuiven (van paarden); hard niezen; (fig.) wij proestten van het lagchen..
| |
[Proeve]
Proeve, v. (-n), zie PROEF; eene - van bewerking. *-N, bw. gel. (ik proefde, heb geproefd), smaken, den smaak onderzoeken, - nemen van (wijn enz.); goud, zilver -, het gehalte onderzoeken; (fig.) ondervinden; nu proeft hij wat het is. *-R, m., PROEFSTER, v. (-s), die proeft, onderzoekt; essayeur. *...VING, v. het proeven.
| |
[† Profaan]
† Profaan, bn. en bijw. (...aner, -st), oningewijd, ongewijd, onheilig, heiligschennend; niet-bijbelsch; de profane schrijvers. *...FANATIE, v. (...ën), heiligschennis, ontheiliging. *...FANEREN, bw. gel. (ik profaneerde, heb geprofaneerd), ontheiligen, ontwijden.
| |
[Profeet]
Profeet, m. (...eten), waarzegger, voorspeller van de toekomst; ongeluks-; niemand is - in zijn land. *...FESSEREN, ow. gel. (ik professseerde, heb geprofesseerd), belijden, leeren. *...FESSIE, v. (...ën), beroep, handwerk; belijdenis. *...FESSOR, m. (-en), hoogleeraar; (in het buitenland, ieder die eenige wetenschap of kunst als beroep uit- | | | | oefent).
AAL, bn. tot het hoogleeraarsambt behoorende; (fig.) geleerd; deftig; pedantisch; op professoralen toon. *-AAT, o. gmv. hoogleeraarsambt.
| |
[Profetenkoek]
Profetenkoek, m. gmv. soort gebak.
| |
[Profeteren]
Profeteren, bw. en ow. gel. (ik profeteerde, heb geprofeteerd), voorspellen, waarzeggen. *...TES, v. (-sen), vrouw die profeteert. *...TIE, v. (...ën), voorspelling. *...TISCH, bn. en bijw. als een -, van eenen profeet; op -en toon.
| |
[† Proficiat!]
† Proficiat! tw. wel bekome het u! (bij het niezen).
| |
[Profijt]
Profijt, o. (-en), voordeel, winst. *-ELIJK, bn. en bijw. (-er, -st), voordeelig, winstgevend. *-ERTJE, (B. -N), o. (-s), standaardje om een endje kaars er op te laten uitbranden.
| |
[† Profil, Profiel]
† Profil, Profiel, o. (-en), beeld -, aangezigt aan eene zijde geteekend, half-aangezigt; (bouwk.) zijdebeeld, doorsnede, omtrekken van een gebouw (zoo als het zich doorgesneden zou voordoen); in -, half, in doorsnede. *-EREN, bw. gel. (ik profileerde, heb geprofileerd), van ter zijde -, in doorsnede schetsen of teekenen.
| |
[† Profiteren]
† Profiteren, bw. gel. (ik profiteerde, heb geprofiteerd), voordeel trekken van, winst doen met (iets); vorderingen maken, goed leeren. *...FLUEREN, ow. gel. (ik proflueerde, heb geproflueerd), ontspruiten; ontspringen; voortvloeijen (uit).
| |
[† Profundis (De)]
† Profundis (De), uit den treuren, (bij lijkgezangen). *...FUSIE, v. gmv. overvloed; overdaad.
| |
[† Prognostiek]
† Prognostiek, v. gmv. kunst der voorbeduidsels. *...ICON, o. teeken der toekomst, voorteeken, voorbode, voorspelling, kenteeken; soort weêrglas.
| |
[† Programma]
† Programma, o. (-as, -ata), berigt, inhouds-opgave, aankondiging van hetgeen in het openbaar zal worden vertoond; (fig.) openbaring -, blootlegging van beginselen (van optredende ministers enz.). *...GRESSEN, v. mv. vorderingen, vooruitgang. *...GRESSIE, v. (-s, ...ën), voortgang; (rek. en wisk.) reeks; eene arithmetische, wiskunstige -. *...GRESSIEF, bn. en bijw. trapsgewijs, toenemend. *...GRESSIST, m. (-en), voorstander -, aanhanger van den vooruitgang. -ISCH, bn. de -e partij, de partij van den vooruitgang.
| |
[† Prohiberen]
† Prohiberen, bw. gel. (ik prohibeerde, heb geprohibeerd), verbieden (den invoer van goederen); (fig.) beletten. *...HIBITIE, v. (...ën), verbod van invoer, wering. *...HIBITIEF, bn. werend; - stelsel, verbodsstelsel. *...JECT, o. (-en), ontwerp; (ook fig.). -ENMAKER, m. (-s), plannenmaker. *...JECTEREN, bw. en ow. gel. (ik projecteerde, heb geprojecteerd), ontwerpen; voornemens zijn; schieten (stralen, licht). *...JECTIE, v. (...ën), schets, kaartenteekening; uitstraling; worp, het werpen. *...JECTIEL, o. (-en), werptuig, (als kogels enz.); (ook) alles waarmede men werpt.
| |
[Prol]
Prol, v. (B.m.) gmv. appelsoep. *-LIG, bn. (-er, -st), dik, gestremd (als appelbrij).
| |
[† Proletariaat]
† Proletariaat, o. gmv. staat -, stand van daglooner, - van ieder die van zijnen handenarbeid moet leven; werkende stand. *...LETARIËN, ...IËRS, m. mv. die tot het proletariaat behooren. *...LIFIEK, bn.
| | | |
vruchtdragend. *...LOOG, v. (...ogen), voorafspraak, inleidingsrede, -vers; (toon.) voorspel.
| |
[† Prolongeren]
† Prolongeren, bw. gel. (ik prolongeerde, heb geprolongeerd), verlengen; (wiss.) den vervaltermijn verlengen. *...GANT, m. (-en), geldschieter op effecten. *...GATIE, v. (...ën), (hand.) termijnverlenging, uitstel; effecten in - geven, ze in handen eens geldschieters laten (om ze later in te lossen).
| |
[† Promenade]
† Promenade, v. (-s), wandeling; wandelweg; (mil.) eene militaire -, een oefeningsmarsch. *...MENEREN, ow. gel. (ik promeneerde, heb gepromeneerd), wandelen; (fig.) om den tuin leiden. *...MESSE, v. (-n), belofte; soort schuldbekentenis. *...MOTIE, v. (...ën), bevordering (in alle bet.); benoeming tot. *...MOVEREN, bw. en ow. gel. (ik promoveerde, heb of ben gepromoveerd), bevorderen, bevorderd zijn of worden (inz. tot akademische graden); wanneer zult gij -? (advokaat, doctor worden?).
| |
[† Prompt]
† Prompt, bn. en bijw. (-er, -st), vaardig, snel; stipt, naauwkeurig. *-ITUDE, v. gmv. vaardigheid, snelheid. *-HEID, v. gmv.
| |
[† Promulgatie]
† Promulgatie, v. (...ën), afkondiging (eener wet). *...GEREN, bw. gel. (ik promulgeerde, heb gepromulgeerd), afkondigen, uitvaardigen (wetten, besluiten).
| |
[† Proneren]
† Proneren, bw. gel. (ik proneerde, heb geproneerd), opvijzelen, uitbazuinen. *...NEUR, m. (-s), zwetser, overdreven aanprijzer.
| |
[Pronikgetal]
Pronikgetal, o. (rek.) de som van een kwadraatgetal en zijnen wortel.
| |
[Pronk]
Pronk, m. gmv. sieraad, opschik; roem, glorie; dit is mijn -; hij is de - der stad. *-, strafoefening; te - staan, stellen; (fig.) zich openlijk te - stellen, zich door min of meer berispelijke daden aan de beoordeeling der menigte bloot geven. *-AARD, *-ER, m. (-s), saletjonker, ijdel jonkman. *-BED, o. (-den), praalbed. *-BEELD, o. (-en), standbeeld; (ook) iedere beeldtenis ter eere van iemand vervaardigd. *-BEHANGSEL, o. (-s), (tot staatsie). *-DEGEN, m. (-s), eeredegen, rijk bezette degen. *-DEKEN, v. (-s), staatsiedeken over een bed, sprei. *-EN, ow. gel. (ik pronkte, heb gepronkt), pralen, staatsie maken; met, op iets -; met iem. -; hij pronkt te veel met zijn kind. *-ERIJ, v. (-en), pralerij. *-GEWAAD, o. (...aden), staatsiekleederen. *-GRAF, o. (...ven), praalgraf. *-JE, (B. -N), o. (-s), (fig.) hij is het - (sieraad) van zijn geslacht. *-JUWEEL, o. (...elen), voortreffelijk edelgesteente; (fig.) iem. die door deugd of uitstekende gaven uitmunt. *-KAMER, v. (-s), staatsiezaal, waar de fraaiste meubels staan. *-KLEED, o. (-eren). *-NAAM, m. (...amen), eerenaam, -titel. *-NAALD, v. (-en), eere-, grafnaald, obelisk. *-PAARD, o. (-en), strijdros. *-SIERAAD, o. (...aden). *-STER, v. (-s), behaagzieke vrouw. *-STUK, o. (-ken), (ook fig.). *-WERK, o. (-en), prachtwerk. *-ZETEL, m. (-s). *-ZIEKTE, *-ZUCHT, v. gmv.
| |
[† Pronomen]
† Pronomen, o. (...mina), (taalk.) voornaamwoord. *...NONCEREN, bw. gel. (ik prononceerde, heb geprononceerd), uitspreken; beslissen; sterk doen uitkomen; een geprononceerde tongval, die de woorden scherp doet klinken; geprononceerde trekken, die duidelijk een karak- | | | | ter,
of de natie waartoe men behoort doen uitkomen. *...NONCIATIE, *...NUNCIATIE, v. gmv. uitspraak eener taal.
| |
[Pronselen]
Pronselen, bw. en ow. gel. (ik pronselde, heb gepronseld), knoeijen, ruilen, kwanselen. *...AAR, m., -STER, v. (-s), die pronselt. *...WERK, o. gmv. knoei-, broddelwerk.
| |
[Pront]
Pront, bn. en bijw. (-er, -st), stipt, naauwkeurig, net.
| |
[Pronunciamento]
Pronunciamento, o. (-os), (in Spanje, Zuid-Amerika enz.) acte van verzet, protest (van eene vergadering).
| |
[Prooi]
Prooi, v. gmv. roof, buit, alles wat met geweld of list verkregen is; de wolf wierp zich op zijne -; (fig.) ter - zijn aan wroeging.
| |
[Proost]
Proost, m. (-en), *-IN, v. (-nen), kloostervoogd, -es. *-DIJ, v. (-en). *-SCHAP, v. woning -, ambt van proost of proostin.
| |
[Prop]
Prop, v. (-pen), stop om iets den doorgang te beletten (op een vat, een kanon, in den bodem van een vaartuig enz.); iem. eene - in den mond steken, (om hem het spreken te beletten); (fig.) het zit me als een - in den keel, (door een ziekelijke aandoening) of door een overkropt gevoel.
| |
[† Propaedeutiek]
† Propaedeutiek, v. voorbereidende kundigheden (tot eene wetenschap), voorbereidend onderwijs. *...PAEDEUTISCH, bn. voorbereidend; een - examen, examen dat de hoogere examina voorafgaat. *...PAGANDA, v. gmv. raad -, vereeniging tot uitbreiding van het geloof; (ook) van alle andere meeningen of stelsels; eene - organiseren, zood. vereeniging tot stand brengen. *...PAGATIE, v. gmv. voortplanting, uitbreiding. *...PAGEREN, bw. gel. (ik propageerde, heb gepropageerd), voortplanten, uitbreiden. *...PENSITEIT, v. neiging, zucht (tot).
| |
[Propdarm]
Propdarm, m. en v. (-en), veelvraat.
| |
[† Propeller-schroef]
† Propeller-schroef, v. archimedische schroef (tot het voortstuwen van vaartuigen).
| |
[† Proper]
† Proper, bn. (-der, B. -er, -st), zindelijk, rein, net. *-HEID, v. gmv. zindelijkheid, netheid.
| |
[Propheet]
Propheet, m. (-en), zie PROFEET.
| |
[Propionzuur]
Propionzuur, o. (scheik.) boterazijnznur.
| |
[† Proponent]
† Proponent, m. (-en), voorsteller; kandidaat tot eene predikantsplaats (bij de protestanten). *...NEREN, bw. gel. (ik proponeerde, heb geproponeerd), voorstellen.
| |
[↑ Propoost]
↑ Propoost, o. (-en), rede, gesprokene woorden.
| |
[Proportie]
Proportie, v. (...ën), evenredigheid; afmeting; dit is buiten alle -. *-PASSER, m. (-s), werktuig tot het overbrengen van opstanden in eene bekende verhouding (hetzij vergroot of verkleind). *...TIONEEL, bn. in evenredigheid (met), in verhouding (tot); evenmatig. *...TIONEREN, bw. gel. (ik proportioneerde, heb geproportioneerd), evenredig maken, in verhouding brengen (tot); (ook fig.) zijne krachten waren niet aan zijnen wil geproportioneerd.
| |
[† Propos (à)]
† Propos (à), tw. zeg eens! ik denk er juist om! (ook) van pas.
| |
[† Propositie]
† Propositie, v. (...ën), voorstel, voorslag, aanbod; (redek.) hoofdstelling.
| |
[† Propriëteit]
† Propriëteit, v. (-en), eigendom, eigendommelijkheid, eigenschap.
| | | |
| |
[† Proprio (Motu)]
† Proprio (Motu), uit eigene beweging, uit vrijen wil.1).
| |
[† Propulsie]
† Propulsie, v. het voortdrijven, voortstooten.
| |
[† Propyleën]
† Propyleën, v. mv. voorzaal, zuilengang (in het oude Athene). *...RECTOR, m. (-es), plaatsvervangend rector. *...ROGATIE, v. (...ën). *...ROGEREN, bw. gel. (ik prorogeerde, heb geprorogeerd), verdagen, verlengen, uitstellen; de bijeenkomst eener vergadering tot een lateren termijn opschorten; het parlement -.
| |
[† Proscriptie]
† Proscriptie, v. (...ën), vogelvrijverklaring, verbanning. *...SECUTIE, v. (...ën), vervolging. *...SELIET, m. (-en), nieuwbekeerde (inz. in het geloof). -ENMAKEN, o. gmv. het bekeeren, het werven van bekeerlingen (inz. in het geloof). -ENMAKER, m. (-s). -ENMAKERIJ, v. (-en). *...SIT! tw. wel bekome het u! *...SODIE, v. (...ën), regels voor den klemtoon, - de uitspraak enz.; toonmeting.
| |
[† Prosopographie]
† Prosopographie, v. karakterschildering, persoonsbeschrijving.
| |
[† Prosopologie]
† Prosopologie, v. gelaatkunde.
| |
[† Prospect]
† Prospect, o. (-en), aan-, uitzigt; (teek.) planteekening, opstand. *-US, m. (-sen), voorloopig plan, berigt enz. van een uit te geven boekwerk, eener te vestigen inrigting enz. *...PEREREN, ow. gel. (ik prospereerde, heb geprospereerd), vooruitkomen, slagen (in), geluk hebben in eene onderneming; bloeijen. *...PERITEIT, v. gmv. voorspoed, bloei. *...TERNEREN (ZICH), ww. gel. (ik prosterneerde mij, heb mij geprosterneerd), zich plat op de aarde werpen. *...TERNATIE, *...TRATIE, v. (...ën), ter-aarde-werping, knieling. *...TITUEREN (ZICH), ww. gel. (ik prostitueerde mij, heb mij geprostitueerd), zich der schande of der ontucht overgeven (van vrouwen); eene geprostitueerde, eene hoer; (fig.) zijnen naam, zich zelven -, zich onteeren. *...TITUTIE, v. gmv. onteering, ontucht; zedeloosheid in den hoogsten graad; veilheid van vrouwen.
| |
[† Protecteur]
† Protecteur, m., *...TRICE, v. (-s), beschermer, beschermster. *...TIE, v. (...ën), bescherming. *...TOR, m. (-en), beschermer, beschermheer; (gesch.) rijksvoogd (als Cromwell van Engeland en Napoleon I van het Rijnverbond). *...TORAAT, o. gmv. beschermheerschap.
| |
[† Protégé]
† Protégé, m. (-s), *-E, v. (-s), beschermeling. *...TEGEREN, bw. gel. (ik protegeerde, heb geprotegeerd), beschermen, begunstigen.
| |
[† Proteïne]
† Proteïne, v. (scheik.) zek. stof; - (eiwitachtige) ligchamen.
| |
[† Proterosaurus]
† Proterosaurus, m. zek. voorwereldlijk kruipend dier.
| |
[Protest]
Protest, o. (-en), tegenspraak, verzet (mondeling of bij geschrift); (kooph.) geregtelijk bewijsstuk van weigering; - van non-acceptatie, - van non-betaling (eens wissels); iem. een - beteekenen (door eenen deurwaarder); (fig.) hij is met - weggezonden, men heeft hem rondweg zijn afscheid gegeven. *-ANT, m. (-en), hervormde; die van de roomsche godsdienst is afgevallen, evangelist (hugenoot, kalvinist in Frankrijk, lutheraan, remonstrant enz.). *-ANTISMUS, o. gmv. geloofsleer der protestanten. *-ANSCH, bn. en bijw. als -, van een protestant. -GEZINDE, m. en v. (-n), hervormde. *-ATIE, v. (...ën), betuiging; -
| | | |
van vriendschap; openlijke verklaring, vrijwaring, voorbehoud van regten; zie verder PROTEST. *-EREN, ow. gel. (ik protesteerde, heb geprotesteerd), betuigen, verzekeren; verzet aanteekenen, opkomen (tegen); (regt.) protest opmaken; eenen wissel laten -; een geprotesteerde wissel.
| |
[† Proteus]
† Proteus, m. (-sen), (fab.) zek. hemelgeest; zek. kruipend dier; (fig.) zeer onbestendig -, veranderlijk mensch. *...TOCOL, o. (-len), schriftelijk berigt (van iets dat verhandeld is); akte, voorschrift; akte van besluit op een staatkundig congres gevallen enz.; ten - brengen, een - opmaken van. *...TOKOLLIG, bn. (fig.) weêrbarstig, koppig, ongehoorzaam. *...TOGRAPHIE, v. (...ën), eerste teekening, planteekening. *...TOTYPE, v. (-n), eerst -, oorspronkelijk model.
| |
[† Prouveren]
† Prouveren, bw. gel. (ik prouveerde, heb geprouveerd), bewijzen; pleiten; dit prouveert zijne (of voor zijne) onschuld.
| |
[↑ Prove]
↑ Prove, v. (-n), kerkelijk vast inkomen.
| |
[† Provençaal]
† Provençaal, m. (...alen), bewoner van het oude Provence; (ook) minnezanger. *-SCH, o. gmv. (oudt.) taal van het zuiden van Frankrijk. *-, bn. naar -, uit -, van Provence.
| |
[Provence-olie]
Provence-olie, v. olijfolie.
| |
[Provenier]
Provenier, m. (-s), die een kerkelijk inkomen geniet; die zich voor zekere som het verblijf en de verzorging in een gesticht heeft gekocht. *-SHUIS, o. (...zen), gesticht van proveniers.
| |
[† Provenu]
† Provenu, o. (-s), opbrengst, bedrag. *...VERBE, o. (-s), spreekwoord; klein tooneelstuk dat een spreekwoord ten titel of inhoud heeft. *...VERBIAAL, bn. spreekwoordelijk.
| |
[Proviand]
Proviand, o. gmv. voorraad van levensmiddelen, teerkost. *-EREN, bw. gel. (ik proviandeerde, heb geproviandeerd), van levensmiddelen -, van mondvoorraad voorzien. *-ERING, v. gmv. het provianderen. *-HUIS, o. (...zen), voorraadmagazijn. *-MEESTER, m. (-s), opzigter der levensmiddelen; (mil.) opzigter der vivres. *-WAGEN, m. (-s).
| |
[† Provinciaal]
† Provinciaal, bn. gewestelijk; - blad, verzameling van verordeningen, besluiten enz. *-, m. (...alen), opzigter van een klooster; bestuurder eener onder-afdeeling der jezuïten. *-SCHAP, o. gmv. ambt eens provinciaals. *...ALISMUS, o. (...en), woord -, uitdrukking eener enkele provincie eigen; (ook) geest -, zin voor eene enkele provincie (ten nadeele van het algemeen belang).
| |
[† Provincie]
† Provincie, v. (...ën), gewest, landschap; de zeven provinciën, de Vereenigde Nederlanden gedurende de republiek. *-ROOS, v. stamsoort van vele uitmuntende verscheidenheden der roos. *-HOUT, o. gmv. soort rood verfhout.
| |
[† Provisie]
† Provisie, v. (...ën), voorraad (mondbehoeften); loon (van makelaars, commissionairs enz.); bij -, voorshands, voorloopig. *-KAMER, v. (-s), *-KAST, v. (-en), *-KELDER, m. (-s), plaats tot berging van mondvoorraad dienende. *...SIONEEL, bn. en bijw. voorloopig, bij voorraad. *...SOR, m. (-s), opziener; waarnemer; (apoth.) eerste bediende. *...SORAAT, o. gmv. ambt van provisor.
| |
[† Provocatie]
† Provocatie, v. (...ën), terging; uitdaging; (regt.) hooger beroep. *...CEREN, bw. gel. (ik provoceerde, heb geprovoceerd), tergen; uitdagen; in het leven roepen, aanleiding geven tot.
| | | |
| |
[Provoost]
Provoost, m. (-en), (mil., zeew.) regtsbeamte; -geweldige, zek. ambtenaar (bij krijgsraden). *-, v. soldaten-gevangenis. *-LANTAREN, v. (-s), (zeew.) dievenlantaarn.
| |
[† Proximiteit]
† Proximiteit, v. gmv. nabijheid.
| |
[Proza]
Proza, o. en v. gmv. ongebonden stijl, onrijm; (fig.) ondichterlijke stijl; ik zeg u in plat - dat... *-ÏSCH, bn. en bijw. in onrijm; (fig.) ondichterlijk. *-ÏST, m. (-en), prozaschrijver.
| |
[† Prude]
† Prude, bn. preutsch, schijnzedig. *-, v. (-n), preutsche. *-RIE, v. (...ën), preutschheid.
| |
[† Prudentie]
† Prudentie, v. gmv. voorzigtigheid; (fig.) goeddunken, wijsheid, goed oordeel; dit is aan de - van den regter overgelaten.
| |
[Pruik, Paruik]
Pruik, Paruik, v. (-en), kunstmatig hoofdhaar. *-EBOL, m. (-len), houten hoofd (om er paruiken op te maken); (fig.) die veel doch verwilderd hoofdhaar heeft. *-EDOOS, v. (...ozen). *-EN, ow. gel. (ik pruikte, heb gepruikt), eene paruik dragen. *-JE, (B. -N), o. (-s), kleine paruik. *-EMAKER, m. (-s), kapper. *-ENTIJD, m. (fig.) de tijd van Lodewijk XV. *-WINKEL, m. (-s).
| |
[Pruilen]
Pruilen, ow. gel. (ik pruilde, heb gepruild), zwijgende boos zijn, moppen, in zich zelven gekeerd blijven (wegens eene vermeende verongelijking). *...ER, m. (-s). *...STER, v. (-s). *...HOEK, m. (-en). *...ING, v. (-en), het pruilen. *...MOND, m. en v. (-en), die pruilt.
| |
[Pruim]
Pruim, v. (-en), zek. fijne vrucht; een weinigje tabak om te kaauwen; (fig.) som geld; hij gaf hem een goede -; hij heeft -en, veel geld. *-EKERN, v. (-en), pit van eene pruim. *-ELLEN, of PRUMELLEN, v. mv. gekonfijte pruimpjes.
| |
[Pruimen]
Pruimen, bw. en ow. gel. (ik pruimde, heb gepruimd), tabak kaauwen; (fig.) veel en gulzig eten. *-BOOM, m. (-en). -GAARD, m. (-en). *-DRANK, m. (-en). *-CONFITUUR, v. (...uren), ingelegde pruimen. *-TUIN, m. (-en).
| |
[Pruimer]
Pruimer, m. (-s), tabakskaauwer. *-, m., *...STER, v. (-s), sterke eter, - eetster.
| |
[Pruimesap]
Pruimesap, o. (-pen), aftreksel van pruimen. *...STEEN, m. (-en). *...PIT, m. (-ten). *...MOND, m. (-en).
| |
[Pruimpje]
Pruimpje, (B. -N), o. (-s), kleine pruim (in alle bet.).
| |
[Pruimtabak]
Pruimtabak, m. tabak geschikt om gekaauwd te worden.
| |
[Pruisen]
Pruisen, ow. gel. (ik pruiste, heb gepruist), zie BRUISEN.
| |
[Pruissisch]
Pruissisch, bn. - blaauw, berlijnsch blaauw (zek. kleurstof); - zuur, blaauwzuur.
| |
[Prul]
Prul, v. (-len), vod; onding, nietigheid; (fig.) nietig mensch. *-ACHTIG, bn. en bijw. (-er, -st), nietig. *-DICHTER, m. (-s), rijmelaar.
| |
[Prullenkooper]
Prullenkooper, m. (-s). *...KOOPSTER, v. (-s). *...KRAAM, v. (...amen). *...MAKER, m. (-s). *...MAAKSTER, v. (-s). *...MAND, v. (-en). *...VAÂR, m. (-s). *...MOÊR, v. (-en).
| |
[Prullerij]
Prullerij, v. (-en), vodden, nietigheden. *...LIG, bn. en bijw. nietig, voddig. *...SCHRIFT, o. (-en). *...SCHRIJVER, m. (-s). *...SCHRIJFSTER, v. (-s).
| |
[Prunelzout]
Prunelzout, o. (scheik.) mengsel van gesmolten salpeter en zwavel.
| |
[Prut]
Prut, v. gmv. dikke karnemelk. *-, bn. en bijw. verdikt; al
| | | |
de melk is - (bedorven); (fig.) zuiver; zij is niet -, deugt niet veel. *-KOOPER, *-VERKOOPER, m. (-s). ...STER, v. (-s). *-TELEN, ow. gel. (ik pruttelde, heb geprutteld), zachtkens koken, borrelen (op het vuur); de rijst staat te -; (fig.) morren, knorren.
| |
[Psalm]
Psalm, m. (-en), lofzang, tempelzang; het boek der -en. *-BOEK, o. (-en). *-DICHTER, m. (-s). *-IST, m. (-en). *-GEZANG, o. (-en). *-ODIËREN, ow. gel. (ik psalmodiëerde, heb gepsalmodiëerd), psalmen zingen; (fig.) zangerig lezen, opdreunen. *-ZINGEN, o. gmv. *-ZINGER, m. (-s).
| |
[Psalter]
Psalter, o. (-s), soort snarenspeeltuig.
| |
[† Psarolithen]
† Psarolithen, m. mv. stersteenen, tot agaat verkiezelde varenstammen.
| |
[† Pseudo]
† Pseudo, bn. valsch; zoogenaamd. *-NIEM, m. (-en), die een valschen naam draagt en daaronder schrijft; valsche naam. -ITEIT, v. gmv. *-RIZON, m. valsche horizon (zek. werktuig tot gezigtsbedrog). *-SCOOP, v. zek. werktuig dat alles wat men er door beschouwt verkeerd voorstelt.
| |
[† Psyche]
† Psyche, v. ziel. *...CHÉ, v. groote spiegel waarin men zich ten voeten uit kan zien. *...CHISCH, bn. de ziel betreffende. *...CHOLOGIE, v. gmv. zielkunde, zieleleer. *...CHOLOGISCH, bn. zielkundig. *...CHOMANT, m. (-en), geestenbezweerder.
| |
[† Psychrometer]
† Psychrometer, m. (-s), werktuig om de betrekkelijke hoeveelheid damp in de lucht te bepalen.
| |
[† Ptolemeïsch gestarnte]
† Ptolemeïsch gestarnte, o. de 48 oude sterrebeelden die aan de oude Grieken bekend waren en door Claudius Ptolomeus beschreven zijn.
| |
[† Pu]
† Pu, v. chinesche lengtemaat (= een halve duitsche mijl).
| |
[† Puberteit]
† Puberteit, v. gmv. manbaarheid; huwbaarheid. *...BLICATIE, v. (...ën), kennisgeving, openbare aankondiging (van wege de overheid). *...BLICEREN, bw. gel. (ik publiceerde, heb gepubliceerd), bekend maken, afkondigen; in het licht geven. *...BLICIST, m. (-en), (ondt.) leeraar in het staatsregt; (thans) openbaar schrijver, dagblad-, brochurenschrijver. *...BLICITEIT, v. gmv. openbaarheid; bekendheid; - aan iets geven, iets ruchtbaar maken. *...BLIEK, bn. (-er, -st), openbaar, bekend, ruchtbaar; de -e opinie, openbare meening. -, o. gmv. vergadering, verzameling, wereld, menschen; toeschouwers, toehoorders.
| |
[† Pud]
† Pud, o. (-s), russisch gewigt (= 40 amst. of 19.76 ned. ).
| |
[† Pudding]
† Pudding, m. (-s), engelsch tafelgebak, pastei.
| |
[† Puddlen]
† Puddlen, o. het veranderen van het ruwe ijzer in smeedijzer.
| |
[† Pudiek]
† Pudiek, bn. en bijw. kuisch, eerbaar.
| |
[† Pueriel]
† Pueriel, bn. en bijw. kinderachtig. *-ITEIT, v. (-en), kinderachtigheid.
| |
[Puf]
Puf, v. gmv. (oudt.) lust; geen - op iets hebben, er geen zin in hebben, niet veel van verwachten; (fig.) bluf. *-FEN, ow. gel. (ik pufte, heb gepuft), (oudt.) blazen; (fig.) snoeven.
| |
[† Pugilaat]
† Pugilaat, o. (...aten), vuistgevecht. *...LOMETER, m. (-s), vuistkrachtmeter (werktuig).
| | | |
| |
[Pui, Puije]
Pui, Puije, v. (-n), ondergevel, benedendeel van den gevel; voor -, achter -; de - (het balkon) van het raadhuis.
| |
[Puik]
Puik, bn. (-er, -st), best, opperbest, keurig; -e (opperbeste) of -puiksche haring. *-, o. gmv. het beste, de bloem; het - of -je der jongelingen. *-JUWEEL, o. (...elen), juweel van het eerste water, (ook fig.). *-SCHILDER, m. (-s). *-STUK, o. (-ken), meesterstuk.
| |
[Puilader]
Puilader, v. (-s, -en), (ontl.) krampader. *...EN, ow. gel. (ik puilde, heb gepuild), uitsteken. *...OOG, o. (-en), vooruitstekend oog. -, m. en v. die zulke oogen heeft. -IG, bn. met vooruitstekende oogen.
| |
[Puimsteen]
Puimsteen, m. (-en), zek. wrijfsteen.
| |
[Puin]
Puin, o. gmv. afval (van metselwerk, muren enz.); in - vallen, (ook fig.). *-BAK, m. (-ken). *-GRAS, o. gmv. zek. kruid. *-HOOP, m. (-en), stapel puin (oude steenen, balken enz.); tot eenen - schieten.
| |
[Puisjesvangen]
Puisjesvangen, o. het doen van fopschellen, (straatschenderij).
| |
[† Puissant]
† Puissant, bn. (-er, -st), magtig; hij is - (zeer) rijk.
| |
[Puist]
Puist, v. (-en), gezwel, ettterzweer, blaar; (fig.) afkeer; ik heb er een - aan (afkeer van). *-ACHTIG, bn. met puisten. *-ENBIJTER, m. (-s), soort kever. *-IG, bn. -HEID, v. puistjes. *-JE, (B. -N), o. (-s), kleine puist; (fig.) een - vangen, een blaauwtje loopen. *-VORMIG, bn. (heelk.).
| |
[Puit]
Puit, m. (-en), zek. kabeljaauwachtige visch; kikker; veenboer in Zeeland. *-AAL, m. (...alen), soort visch.
| |
[Pujen]
Pujen, zeeuwsche benaming voor de groene en bruine kikvorschen.
| |
[Pul]
Pul, v. (-len), kan, kruik. *-LEBROÊR, m. (-s), drinker, zuiper. *-LEN, ow. gel. (ik pulde, heb gepuld), drinken, zuipen.
| |
[† Pulsatie]
† Pulsatie, v. (...ën), het kloppen van den pols, van het hart; polsslag. *...SIMETER, m. (-s), polsmeter (werktuig).
| |
[Pulver]
Pulver, o. (-s), buskruid; poeder, stof. *-ISEREN, bw. gel. (ik pulveriseerde, heb gepulveriseerd), tot poeder vermalen, stampen; in stof doen verkeeren. *-STOK, m. (-ken), (oudt.) snaphaan.
| |
[† Punch]
† Punch, v. gmv. zek. drank (meest rum, suiker, citroen en water); - maken (toebereiden). *-, hansworst (in Engeland); naam van een bekend humoristisch engelsch tijdschrift. *-BOWL, (-s), *-KOM, v. (-men). *-LIED, o. (-eren), lied bij het drinken van punch te zingen.
| |
[† Punctum]
† Punctum, o. gmv. punt, stip. *-! vz. gedaan! genoeg! *...TATIE, v. (...ën), ontwerp, eerst opstel. *...TEREN, bw. gel. (ik puncteerde, heb gepuncteerd), afpunten, stippen; de eerste punten (van een verdrag) opteekenen. *...TUALITEIT, v. gmv. stiptheid, naauwkeurigheid. *...TUATIE, v. het zetten -, de wetenschap der zin- en scheiteekens (kommaas, punten, vraagteekens enz.). *...TUEEL, bn. stipt, naauwkeurig. *...TUUR, v. (...uren), (heelk.) steek, prik, aftapping (van waterzucht); (drukk.) stiftje.
| |
[Punisch]
Punisch, bn. karthaagsch; de drie -e oorlogen; (fig.) -e (valsche, kwade) trouw.
| |
[Punt]
Punt, o. (-en), stip (in alle bet.); sluitteeken (.) aan het einde van eenen volzin; (meetk.) uiteinde eener lijn; deel van een onderwerp; dit - behandelde hij zeer goed; wij zullen van - tot - onderzoeken;
| | | |
op dit - was hij onverbiddelijk; (in het spel) ik tel zes - en; zaak, stof; over dit - moet gij hem onderhouden; (fig.) - van eer. *-, v. spits, uiteinde; de - van eenen degen, eener naald; de uitstekende - van een land. *-ACHTIG, bn. eenigzins puntig. *-DICHT, o. (-en), klein gedichtje welks einde of laatste regel een scherpe hekeling (van iets of iem.) bevat; epigram. -ER, m. (-s). *-DIERTJES, o. mv. monaden. *-ELOOS, bn. stomp (van een wapen). *-EN, bw. gel. (ik puntte, heb gepunt), eene punt maken (aan iets), aanscherpen. *-ER, m. (-s), soort schuit. *-EREN, bw. gel. zie PUNCTEREN; naar een punt rigten; met punten bezetten, teekenen. *-HAAK, m. (...aken), soort haak, gaffel. *-IG, bn. (-er, -st), voorzien van eene punt; (fig.) scherp, hekelend, zijn antwoord was -; net, propertjes. -LIJK, bijw. -HEID, v. gmv. spitsheid; (fig.) stiptheid, naauwkeurigheid; netheid; scherpheid, bijtende woorden. *-KORALEN, v. mv. milleporen. *-REDE, v. (-n), *-SPREUK, v. (-en), kernspreuk, bondig gezegde.
| |
[† Pupil]
† Pupil, m. en v. (-len), onmondige die eenen voogd heeft, pleegzoon, -dochter; (ontl.) oogappel.
| |
[Puren]
Puren, bw. gel. (ik puurde, heb gepuurd), zuiveren, louteren; uithalen; de bijen - (zuigen) den honig uit de bloemen.
| |
[† Purgans]
† Purgans, *...GATIE, v. (...ën), (gen.) buikzuiverend middel. *...GEERDRANK, m. (-en). -JE, (B. -N), o. (-s). *...GEERKRUID, o. (-en). *...GEERMIDDEL, o. (-en). *...GEERPOEDER, ...POEIJER, o. (-s). *...GEREN, bw. en ow. gel, (ik purgeerde, heb gepurgeerd), zuiveren (den buik). -D, bn. buikzuiverend.
| |
[† Purim]
† Purim, o. (-s), een der herdenkingsfeesten van de Israelieten, Hamansfeest, Lotenfeest. *-BAL, o. (-s). *-KLANT, m. (-en). *-FOOI, v. (-jen, B. -en). *-KRANT, v. (-en), koddige -, zotte krant bij het Purimfeest uitgegeven. *-MAAL, o. (...alen). *-PRET, v. gmv. *-STUKJE, (B. -N), o. soort blij- of kluchtspel in een bedrijf. *-ZOT, m. (-ten).
| |
[† Purist]
† Purist, m. (-en), overdreven taalzuiveraar.
| |
[† Puritein]
† Puritein, m. (-en), gestrenge protestant (der oud-engelsche hervormde, - schotsche kerk); presbyteriaan (tegenstander der episcopaalsche kerk).
| |
[Purper]
Purper, bn. donkerrood van kleur. *-, o. gmv. donkerrood; (ook) kleed dat in purper geverwd is; (fig.) koningskleed; kardinaalsmantel; met het - omhangen zijn; naar het - staan, den kardinaalshoed bejagen. *-, jongelingstabbaard der Romeinen. *-ACHTIG, bn. als -, van purper. *-EN, bn. van purper. *-KLEED, o. (-eren). *-KLEURIG, *-VERWIG, bn. *-KOORTS, v. gmv. scharlakenkoorts. *-LIP, v. (-pen). *-MOSSEL, v. (-en), *-SLAK, v. (-ken), slak die purperverf geeft. *-ROOD, bn. en o. *-VERF, v. (...wen). *-VISCH, m. (...sschen). *-WIER, o. soort zeegras.
| |
[Purpriet]
Purpriet, v. roode kleurstof in den rooden wijn.
| |
[† Pusillaniem]
† Pusillaniem, bn. en bijw. kinderachtig, onbeduidend. *-ITEIT, v. gmv. kinderachtigheid, beuzelachtigheid.
| |
[Put]
Put, m. (-ten), diepe groeve; (zeew.) oude benaming van de pompzode; (spr.) als het kalf verdronken is dempt men den -, men verhelpt het kwaad als het ongeluk gebeurd is; figuur op het gan- | | | | zebord;
in den - zitten; zie KUIL. *-DEKSEL, o. (-s). *-EMMER, m. (-s). *-GALG, v. (-en), toestel boven eenen put waaraan de emmer hangt. *-GRAVER, m. (-s). *-HAAK, m. (...aken). *-JE, (B. -N), o. (-s), groefje, kuiltje. *-KETEN, v. (-s). *-KOOI, v. kooi van eenen putter (vogel). *-OOR, m. (-en), zek. vogel, roerdomp. *-RAD, o. (-eren), wiel van eenen put. *-RUIMER, m. (-s), nachtwerker.
| |
[† Putrefactie]
† Putrefactie, v. verrotting.
| |
[Puts]
Puts, v. (-en), (zeew.) emmer met langen steel. *-EN, bw. gel. (ik putste, heb geputst), (zeew.) scheppen, putten (water).
| |
[Putten]
Putten, bw. en ow. gel. (ik putte, heb geput), (water) ophalen uit eenen put; (fig.) uithalen; trekken uit, ontleenen aan. *...TER, m. (-s), die put; (fig.) zuiper, drinkebroêr. -, -TJE, (B. -N), o. (-s), soort vogel.
| |
[Putting]
Putting, v. gmv. het putten. -, o. (-en), (zeew.) want, touwwerk. *-IJZERS, o. mv., *-WERK, o. gmv. (zeew.) platte ijzers.
| |
[Putwater]
Putwater, o. gmv. water uit eenen put. *-ZWENGEL, m. (-s), zwengel waaraan het puttouw zit.
| |
[† Putzen of Butzenwerken]
† Putzen of Butzenwerken, o. mv. ruimten of holten in kalkgesteente.
| |
[Puur]
Puur, bn. en bijw. (-der, -st), zuiver, louter; (fig.) niets dan. *-, vw. alsof.
| |
[† Puzzolane]
† Puzzolane, v. alle delfstoffen die aan den invloed van het vuur zijn onderworpen geweest.
| |
[† Pycniet]
† Pycniet, m. (-en), stangsteen, soort topaas.
| |
[† Pygmeën]
† Pygmeën, m. mv. dwergen.
| |
[† Pyramide]
† Pyramide, v. zie PIRAMIDE.
| |
[† Pyrheliometer]
† Pyrheliometer, m. (-s), toestel om de warmte te meten die jaarlijks door de zon afgegeven wordt.
| |
[† Pyriet]
† Pyriet, o. vuursteen, zwavelkies, zek. delfstof.
| |
[† Pyrobolie]
† Pyrobolie, v. vuurwerkerskunst.
| |
[† Pyrodynamica]
† Pyrodynamica, *...GENESIS, v. het ontstaan -, de voortbrenging van het vuur.
| |
[† Pyro-electriciteit]
† Pyro-electriciteit, v. electriciteit die door verwarming in het toermalijn wordt opgewekt.
| |
[† Pyroleïne]
† Pyroleïne, o. soort machine-smeer. *...LOGIE, v. vuurtheorie. *...METER, m. (-s), *...SCOOP, v. (...open), hittemeter, vuurmeter (werktuig). *...METRIE, v. kunst om de warmte te meten. *...PHAAG, m. (...agen), vuureter. *...PHAAN, m. (...anen), opaal die door inzuiging van gesmolten was doorzigtig wordt. *...PHOOR, m. (...oren), vuurdrager, zelfontbrander, (zek. aan de lucht) ontvlammende zelfstandigheid. *...SCAAPH, v. (...aphen), vuurschip, stoomboot. ...TECHNIEK, v. vuurwerkerskunst. *...TELEGRAAPH, m. werktuig om den afstand van een ontstanen brand te bepalen. *...TONOÏDE, v. papier-olie.
| |
[† Pyrrhonismus]
† Pyrrhonismus, o. stelsel der pyrrhonisten of twijfelaars.
| |
[† Pythagorisch]
† Pythagorisch, bn. zwijgend; (rek.) de -e tafel, soort tafel van vermenigvuldiging; (meetk.) het -e problema (of van Pythagoras).
| |
[† Pythia]
† Pythia, v. gmv. priesteres van het orakel te Delphi.
|
| |