terug  begin  verder
[p. 1]origineel

De kleine Grandisson.

Eerste Brief.
De kleine Willem D.... aan zyne Moeder. Londen den 17 April.

Gy hebt my toegestaan, waarde Mama! aan U te schryven: welk eene troost voor my, nu ik zoo verre van u af moet weezen.

 

Ik ben welvaarende in Londen gekomen; maar ik was droefgeestig, ja, zeer droefgeestig, dat verzeker ik u - Gy zult zeggen dat ik kinderachtig ben, ik hebbe geduurende de geheele reis geschreit: telkens dacht ik aan die laatste kus, die

[p. 2]origineel

gy my gaaft, toen ik afscheid van u nam; - maar ik zal 'er niet meer van spreeken: ik weet hoe gy my bemint, ik moet u niet bedroeven. - Wat is deeze Stad groot en fraai, en wat zyn 'er veele Menschen; wy hebben in Holland niet eene Stad, die half zoo groot is. Alles behaagt 'er my; maar ik vinde 'er myne lieve Mamaatje niet; zie daar het kwaad.

 

Gy had wel gelyk van Mevrouw Grandisson te pryzen: zy is zoo goed, zoo vriendelyk, men moet haar lief hebben, zoo ras men haar ziet. Hoe drukte zy my in haare armen toen ik aankwam, net gelyk gy doet, als gy wel te vreeden over my zyt. En myn Heer: o ik kan u niet zeggen hoe beminnelyk hy is: ik wil hem tot myn voorbeeld neemen, en dan zal ik van ieder geächt zyn, als ik groot zal weezen. Myn Vader was ook zoo, geloove ik: ja, want gy zegt my dikwyls dat hy deugtsaam was. - Ach! had ik noch dien Vader! wat zoude ik gelukkig weezen; dan zoude ik doen gelyk de kleine Grandisson: ik zoude hem gehoorzaamen: ik zoude hem lief hebben en ik zou daarom evenwel u niet

[p. 3]origineel

te minder beminnen. - Maar God heeft het niet gewilt. Hy heeft my eene Moeder gelaaten, en wel eene Moeder gelyk gy zyt; weinig Kinders zyn zoo gelukkig: ik dank ook alle avonden dien God voor dat geluk, en bidde, dat hy u noch lang bewaare. - Nu, vaarwel lieve Mama: ik sluite duizend kussen, en duizend zegen wenschen in dees Brief. Denk toch aan uwen Wimpje.

terug  begin  verder