terug  begin  verder

II. Brief.
Mevrouw D ..... aan Willem. D ... den 28 April.

Uw Brief heeft my ten hoogsten vermaakt, myn waarde Zoon! - De droefheid, welke gy gehad hebt over myn, afzyn doet my zien, dat gy een gevoelig hart hebt: een Zoon, die zyne Moeder kan verlaaten, zonder aandoening, bemint niet recht. Geef nochtans de rede plaats; wy kunnen niet altoos by elkander weezen, en zich te veel aan de droefheid

[p. 4]origineel

over te geeven, is een teken van zwakheid, die u door den tyd tot schande zoude strekken: men moet zich waapenen met moed tegen de gevallen der waereld: het vergenoegste en beste leeven is gemengt met onaangenaamheden, die men van jongs af aan moet leeren verdraagen. - Bedenk, als gy droevig om my zyt, met welk een vermaak wy elkander over een jaar weder zullen zien, en gy zult terstond troost vinden: ondertusschen zullen wy elkander schryven: schryven is immers net als spreeken. Beken, dat gy wel gedaan hebt zoo naarstig die kunst te leeren; wat zou 't weezen als gy ongelukkig genoeg waart van niet te kunnen leezen of schryven? wy zouden dan nu niets tegen elkaar kunnen zeggen.

 

Gy vind den Heer Grandisson beminnelyk, en gy wilt hem tot voorbeeld neemen? Gy verblyd my, lieve Wimpje! die keuze is reeds een teken van deugt in u. - Ja, uw Vader was ook zoo, en ik ben verzekert, dat gy u waardig zult maaken zyn Zoon te heeten; dit is ook de grootste troost, die my na zyn verlies over blyft.

[p. 5]origineel

Vaar wel, myn zoon; omhels voor my Mevrouw Grandisson; deel my uwe vermaaken en uitspanningen mede; maar schryf vooral als of gy met my spreekt, een brief moet eenvoudig en natuurlyk weezen, en zonder uitgezochte woorden; let altoos wel op uwe spelling; het staat zeer leelyk zyne moedertaal niet wel te weeten.

terug  begin  verder