Duizendmaal dank, lieve Mama, voor de eer, die gy my hebt aangedaan van my te schryven. Ik hebbe uw Brief aan Mevrouw Grandisson laaten leezen: welk eene uitmuntende Moeder hebt gy, Willem! zeide zy: gy zyt den Hemel wel dank verschuldigt. Ja, Mevrouw, antwoorde ik, myne Moeder is eene andere gy zelve: hier op omhelsde zy my: hoor, vervolgde zy, dewyl uwe Mama u toestaat, haar te schryven, en dat ze u beveelt om haar uwe uitspanningen mede te deelen zoo moet
gy niets vergeeten: spreek haar van alle uwe bezigheden: spreek haar van uwe redeneeringen met myne zoons en dochter, dat zal haar het verdriet van uw afzyn vergoeden. Maar, Mevrouw, zeide ik, myne Moeder heeft my dikwyls verboden van te spreeken van het geene 'er in eens anders huis omgaat; dit zegt ze is eene groote ondeugt; zy wil zekerlyk, dat ik haar alleen van my zelve spreeke: - Men mag alles aan eene Moeder toe vertrouwen, Willem hernam zy: een zoon moet geene geheimen voor zyne Moeder hebben; ten anderen ik zelve verzoek het u, en dat is genoeg. - O! hoe bly was ik, want gy weet, lieve Mama: dat ik veel van schryven houde, - wat zal ik veel te vertellen hebben van den kleinen Karel; ja 't is van hem, dat ik het meest zal spreeken. Wist gy hoe veel verstand hy heeft, hoe beminnelyk hy is: hoe zeer ik hem lief hebbe. Wy zyn altyd by elkander, want zyn broeder Eduard, die twee jaaren ouder is als hy, is ondeugent, en daarom houde ik zoo veel niet van hem als van Kareltje en van Emilia; Emilia is een lief Meisje.
Mevrouw Grandisson heeft ook aan u geschreeven, Mamaatje; zy vraagt om myn brief, om dien in den haaren in te sluiten. Het spyt my, dat ik u niet meerder zeggen kan; maar al schreef ik noch den geheelen dag het zou het zelfde weezen, geloof ik; want ik worde nooit moê van aan u te schryven. Vaar wel myne, lieve myne goede Mama, Vereer my altoos met uwe wyze lessen, en dan zal ik welhaast zoo goed, zoo deugtsaam zyn als de kleine Karel.