terug  begin  verder

IV. Brief.
Mevrouw D..... aan Willem, den 18. Mey.

Ik wensche u geluk myn zoon! met zulk een Vriend als de kleine Karel, ieder spreekt van hem als van een zeer beminnelyk jong heer. - Zie daar het gevolg van deugtsaam te weezen en zyn pligt te betrachten: men wordt bemint en geroemt van al de waereld. - Eduard is van zyne eerste jaaren af een ongehoorzaame wildzang ge-

[p. 8]origineel

weest, dat weet ik, en 't behaagt my dat gy onderscheid weet te maaken tusschen de twee broeders; maar, myn Vriendje bemerk altoos zyne gebreeken alleen om die zelf te vermyden, en geef in uw hart geen de minste plaats aan den haat; hy verdient uw medelyden als hy ondeugent is.

 

Mevrouw Grandisson pryst u zeer: doe uw best om haare lofspraak te verdienen, en gy zult altoos de beminde van myn hart weezen. - Vaar wel Willem!

terug  begin  verder