terug  begin  verder

VI. Brief.
De kleine Grandisson aan Mevrouw D..... den 27. Mey.

Wat hebbe ik u verpligting, Mevrouw! dat gy my uw zoon hebt toegezonden. - Ik bemin hem, ja, ik bemin hem met al myn hart. - Hy is een goede zoon, hy eerbiedigt zyne moeder; al zy, die haare ouders eerbiedigen kunnen niet dan deugtsaam weezen. - O! wist gy, myne waarde Mevrouw, hoe dikwyls hy van u spreekt, en met welk eene tederheid. Hy spreek ook somtyds van zyn overleden vader; hy beschreit zyn dood, en doet my met hem schreyen. ‘Wat zyt gy gelukkig (zeide hy my gister avond) ‘een vader te hebben! Veele kinders hebben dat geluk niet; een goede Vader is een beschermer van onze jeucht, een liefderyke be-

[p. 11]origineel

hoeder. - Laas! hoe kan het weezen dat 'er kinders zyn, die ongehoorzaamheid toonen, en hunne ouders bedroeven door ondeugden? Ach indien ik de minste droefheid aan de myne hadde gegeeven, 'er zoude voor my geen enkele dag van blydschap weezen’ - Gy hebt eene Moeder, zeide ik, ‘ja (viel hy my in) ja, en haare zorgen voor my zyn verdubbelt met den dood myn's Vaders, dus, myn waarde Karel, moet ik ook myne liefde voor haar verdubbelen. Waarom ben ik reeds niet groot, ik zoude haar ondersteunen; ik zou al haare zorgen draagen! Ja, ik zal haar doen zien dat haare tederheid voor my niet kwaalyk geplaatst is geweest als ik tyd van leeven hebbe. - Maar, Kareltje! Wat zyn onze pligten groot! kunnen wy die wel ooit volbrengen?’ Ik kon niet anders dan hem omhelzen; uw zoon, Mevrouw, scheen een Engel in myn oog.

 

Wy hebben een wandeling naar buiten gedaan: hy merkt alles op; hy redeneert: ô daar houde ik van; waar toe dient het

[p. 12]origineel

wandelen, als men niet doet dan als een klein hondje, dat maar meê loopt zonder te weeten waar om. Denk echter niet, waarde Mevrouw, dat wy altoos ernstig zyn; wy vermaaken ons; wy loopen door 't veld; wy springen in het touw; wy danssen; de gezontheid eischt beweeging wy zingen in een boschje, of op een grasbank; onze lessen, onze bezigheden, onze uitspanningen, alles heeft zyn tyd.

 

Maar wat zult gy denken, Mevrouw, dat ik u zulk een langen brief durf schryven, - ik verveele u gewisselyk, - Neen, gy zult my vergeeven ik spreek u van uwen Willem; al wat hem aangaat moet u vermaak aandoen. - Ik wil echter geen kwaad gebruik maaken van uwe toegeevendheid verschoon myne schryfluit in aanmerking van de eerbied, die ik u toe draage.

terug  begin  verder