Op morgen gaan wy naar de Buitenplaats, Mama! Hoe zal ik my vermaaken-Karel heeft veele boeken ingepakt om meede te neemen, want wy houden veel van leezen. Onze tekeningen en tekenkryt werden niet vergeeten, om braaf Landschapjes te kunnen maaken: de kleine Emilia heeft gezorgt voor haare Borduurwerken, want zy is nooit zonder wat te doen, en dat staat fraai voor een jonge Juffrouw,
niet waar Mama? o zy borduurt zoo wel: zy kan alle handwerken, en maakt zelf veel van haare optooisels schoon zy noch maar twaalf jaaren heeft, als ik ooit trouw wil ik voor al geene Vrouw hebben die houd van ledig zitten, en die niets kan als kaartspelen, en zoo denken, geloof, ik alle jonge Heeren. - Wy zyn alle drie blyde, dat wy naar buiten gaan; Eduard alleen spyt het; het is, dunkt my een kwaad teken, als men het buiten leeven haat. Ik ben zoo eeven tegenwoordig geweest by een gesprek, dat hy met zyn Broeder en Zuster had: Ik zal het u van woord tot woord overschryven, Mama!
Weetje wel, zeide Emilia, dat onze waarde Heer Bartlet met ons naar buiten gaat? ja antwoordde Karel, en ik ben 'er bly om, en ik niet, sprak Eduard. - En waarom Broeder, om dat hy altyd wat in my te berispen vind; de berispingen van iemant zoo wys als de Heer Bartlet zyn nutiig voor ons en maaken ons beter, zeide Karel: de geenen, die my myne gebreken zeggen, zyn myne beste Vrienen ik bemin die verre booven de geenen,
die my vleyën. Karel had wel gelyk, niet waar Mama? - Ik dacht voor 't minst, dat ik nu voor eenigen tyd bevryd zou zyn van dat elendig Latyn leeren vervolgde Eduard; maar neen wy zullen wel alle dagen een Thema moeten schryven. Ik hoop ja, zei Karel; en wees toch niet moeyelyk, om dat wy den Heer Bartlet by ons zullen hebben; hy doet ons de bloemen en planten kennen: ik worde telkens wyzer als ik met hem spreeke. - Maar, waarde Eduard! hebt gy niets in te pakken - ik zal dat door een Knecht laaten doen, antwoordde Eduard. - De Knechts zullen genoeg te doen hebben, sprak Emilia; dan kunnen zy een uur laater naar bed gaan, viel Eduard haar in. - Arme Knechts! zei Emilia! gy wilt dat zy hunnen slaap missen, dien gy hun bespaaren kost indien gy het zelf deed; dat zou beter weezen, als dat gy daar uw hondje staat te plaagen. - Maar 't is myn hond geloove ik, graauwde Eduard haar toe - ja zeide Emilia; maar de Knechts zyn uwe Knechts niet. - Hoor Juffrouw ik hebbe uwe lessen niet nodig - Karel nam hier op hun by de hand: omhels elkander, zeide hy; de minste on-
beleeftheid, tusschen Broeders en Zusters staat kwaalyk. - Kom aan ik hebbe gedaan, Eduard! geef my de taak van den Knecht, en gy zult my verplichten. - Wat is Karel een lieve jongen! sprak Emilia, ook bemin ik hem van harten. Zy heeft wel gelyk Mama! welk een onderscheid tusschen de twee Broeders! en hoe fraai staat de zachtzinnigheid, en toegeevenheid. - Vaarwel myne liever Moeder! Ik zal u schryven, zoo ras ik op de Buitenplaats zal zyn.