terug  begin  verder

IX. Brief.
Willem aan zyne Moeder. Den 15 Juny.

Wy zyn op de Buitenplaats, lieve Mama! o welk een schoon Huis! welk een schoone Tuin! 'er zyn mooye wandelplaatsen, laanen, vyvers, en bloemperken. Karel heeft een klein tuintje, waar in hy poot en plant naar zyn zin; hy liep 'er naar toe, zoo ras wy waaren aangekomen, en

[p. 19]origineel

zie hier wat hy deed: 't is waarlyk een goed jongheer, hy gaf eene halve Guinea aan den Tuinman, die het tuintje voor hem in zyn afweezen onderhouden had; hy behoefde hem niets te geeven; zyn Vader betaalt den Tuinman rykelyk; maar 't is een Man die zes Kinders heeft, en die arm is, en Karel is mededoogent. Het was dan heel wel gedaan dunkt my; Eduard vond het nochtans al weêr kwaad: Ik moet u dat vertellen Mamaatje:... Ha! ik denk daar aan iets! Mevrouw Grandisson heeft my geraaden om voortaan onze gesprekken by wyze van saamenspraaken te schryven, om niet altyd te zeggen zegt hy en zegt zy; want dat is een slechte schryfstyl - Zie daar dan alles woord voor woord. - Eduard was by my; hy zach de halve Guinea in de hand van den Tuinman, en liep naar zyn Broeder.

Eduard.

Ben je gek, Karel! dat je dien Man zoo veel geld geeft? Papa betaalt hem immers voor zyn werk.

Karel.

Dat is waar, Eduard! maar zie eens hoe net myn Tuin is; dat verdient

[p. 20]origineel

wel eene kleine belooning: ten anderen, die Man is niet ryk en heeft veele Kinders, men moet medelyden hebben met de ongelukkigen.

Eduard.

Heel wel! maar ik zeg noch eens hy heeft buiten dat het geen hem toekomt.

Karel.

Och Broeder! indien God ons maar gaf 't geen ons toekomt, dan hadden wy niets.

Eduard.

Zoud gy wel durven zeggen aan Papa of aan Mama wat gy gedaan hebt.

Karel.

Ja zeker! ik hoop nooit iets te doen, dat ik niet durve zeggen.

Eduard.

Ha! Papa zou u schoon bekyven, geloove ik.

Karel.

En ik geloove dat niet; Papa geeft zelf hem dikwyls een fooi als hy wel doet.

Eduard.

Papa geeft van zyn eigen geld; en 't geen gy geeft, is het uwe niet.

Karel.

Vergeef my, Broeder! het geld

[p. 21]origineel

dat ik daar aan den Tuinman gegeeven hebbe was het myn: ik hadde dat bespaart; ik kon 'er nooit een beter gebruik van maaken.

Eduard.

Indien het van u was, dan kost gy 'er iets voor gekocht hebben, als Vuurwerkjes of iets dergelyks dat zou ons vermaakt hebben.

Karel.

Vuurwerkjes? en waar voor? de Vuurwerken duuren maar een oogenblik, en wat is het dan? rook en niet anders: ten anderen, men kan een ongeluk krygen met die Vuurwerkjes; neen, myn geld zal nu van meer nut weezen; de Tuinman kan 'er zyne Kinderen schoentjes voor koopen, en dan behoeven de arme bloedjes niet op hunne bloote voeten te loopen, gelyk gy hen ziet doen.

Eduard, lagchende.

En van wat nut is het voor u of die Kinders schoenen hebben?

Karel.

Maar, myn waarde Eduard 't is voor hun van nut dat is genoeg; men moet niet altyd zyn eigen nut zoeken, maar ook dat van anderen. Och, laat ons

[p. 22]origineel

altyd mededoogen met arme menschen hebben; zy zyn zoo wel menschen als wy.

Eduard.

sprak niets meer; hy liep van ons af om een Kat te gaan plaagen, die hy van verre op een grasbankje had zien leggen slaapen.

Wat zegt gy van dit alles, Mama? ik voor my, ik was beschaamt over Eduard, en ik bemin Karel meer dan ooit. Als ik eens ryk worde zal ik veel aan de armen geeven: 't is zoo vermaakelyk een behoeftig mensch te verblyden. Vaarwel lieve Mama! Myn vriendje roept my: wy gaan een wandeling doen met den Heer Bartlet.

terug  begin  verder