Oordeel, lieve Mama, of Emilia niet een beminnelyk meisje is. Wy kreegen gister namiddag verlof om in den tuin te gaan, en zie hier het gesprek.
Waar is toch Eduard, lieve zusje?
Hy is op zyne kamer: hy heeft Papa ongenoegen gegeeven. Wat doet hy kwaalyk altyd ongehoorzaam te weezen, hy heeft geen vermaak gelyk wy.
Gy hebt gelyk, en het geen noch het ergste is, dat is, dat hy daar door zyne ouders bedroeft; want niets is smartelyker als ondeugende kinders te hebben.
Och, laat ons altoos weldoen, Broeder! op dat Papa en Mama vergenoegt mogen zyn: zy zyn zoo goed.
Wel gezegt, Emilia!...., Maar laat ons om vergiffenis voor Eduard vraagen.
Ik hebbe dit al gedaan; ik hebbe Papa de hand gekust: ik hebbe gebeden, eeven of het voor my zelve waare; maar Papa heeft my bevolen te zwygen, zeggende, dat Eduard straf moest hebben.
Wy moeten dan geduld neemen; Papa weet beter als wy wat hy doen moet. - Ik ga u een ruikertje maaken.
O neen, doe dat niet, bidde ik u; wy durven immers geene bloemen plukken.
Ik zal my wel wachten de bloemen van Papa te plukken; maar ik het zelf bloemen in myn tuintje, waar over Papa my ten vollen meester laat.
Als het u dan gelieft.
Waarlyk, myn Heer! gy hebt
wel mooije bloemen, en uw Tuin is recht netjes.
Zonder die nettigheid zou ik 'er geen behaagen in hebben, myn Vriend! Ik werk 'er in met vermaak, gelyk gy weet, het is goed voor de gezontheid zich wat werk te geeven, en het doet my ook zien, hoe de bloemen en planten groeijen, iets, waar over ik my dikwyls verwondere.
En met reden.
Ja, is het niet aardig, dat een klein zaatje, dat men in de aarde werpt eene zoo schoone bloem voortbrengt? Waar zitten, zou men zeggen, in dat zaadje die fraaye koleuren en die lieve reuk.
't Is God zekerlyk, die dat alles daar aan geeft.
Dat is heel wel gedacht, Emilia! God geeft aan de aarde, en aan de lucht het vermogen om uit zoo een klein zaadje zulk eene schoone bloem te doen groeijen; maar het is daarom niet te min verwonderlyk, en wy zien daar uit hoe groot
die God is. De menschen zouden immers dat niet doen kunnen.
Wat is het mooi Mama zoo te kunnen redeneeren: dat vermaakt my beter als altyd te springen en te loopen, gelyk ik deed met den kleinen du Lis: Ik geloof, dat ik nu met dien wildzang niet meer zou kunnen omgaan; maar misschien zal hy wyzer worden, eer ik weder in Holland koome. - Weetje wel, Mama lief! dat ik de wiskunst leere? ja, en daar komt juist onze meester. Vaar wel, waarde Moeder! ik worde geroepen.