Ach, Mama! 'er is hier een groot ongeluk gebeurt. Eduard is in het water gevallen: hy is heel ziek: Mevrouw Grandisson is ook ziek; wy zyn altemaal bedroeft, zeer bedroeft. Gy zult zien dat het al weer door zyne ondeugenheid is, en als hy niet schielyk hulp had gekreegen, zou hy zekerlyk verdronken zyn.
't Was gister namiddag; hy had zyne Thema niet afgeschreven, en daarom had
zyn vader hem bevolen om op zyne kamer te blyven, om ze of te maaken. Hy is altyd ongehoorzaam; hy ging niet min naar beneeden en kwam by ons; maar ik moet het u alles vertellen, Mama.
Wy waaren naar de Boerdery gegaan, die digt by de buitenplaats legt, om warme melk te drinken: Eduard liep uit zyn adem om ons te achterhaalen: wy wachtten hem op, denkende, dat hy verlof had om by ons te weezen. Na eenige treden te hebben voortgegaan, ontmoetten wy een jongen met een soort van kruiwagen, waar op een tonnetje met azyn lag. Hy groette ons zeer beleeft: zyn kruiwagen viel om, en het tonnetje op den grond. Zie daar de arme jongen in groote verlegenheid, want hy was niet in staat om het tonnetje weer op den kruiwagen te leggen, en 'er was niemant omtrent om hem de hand te bieden. Karel, de beminnelyke Karel, bleef terstond staan: kon Willem! kom Eduard! zeide hy laaten wy dat vriendje helpen, wy zullen met ons vieren wel in staat zyn om dat tonnetje weer op den kruiwagen te leggen. Benje gek? riep Eduard uit: gy wilt, dat
ik my tot zulke verachtelyke dingen verlaag? 'Er is geene verachtelykheid in antwoordde Karel in eene goede daad te doen. Laat ons zien, zeide ik wy zyn met ons driën sterk genoeg, het is niet zwaar. In 't kort, Mama! de kruiwagen was wel ras recht gezet en het tonnetje 'er op, terwyl Eduard niet deed als zingen, om den gek met ons te steeken. De jongen was bly: hy bedankte ons en vervolgde zyn weg. Een schoone Myn heer, zeide Eduard: gy zult ook wel haast een azyn kruyër worden; wel nu broeder! antwoorde Karel, al lagchende, dan zal ik, als ik ook eens by ongeluk een tonnetje laat vallen verheugt zyn als iemant de goedheid heeft om my te helpen. Lach 'er maar om vervolgde Eduard; maar wat zoude uw Vader zeggen, als hy onderricht wierdt van 't geen gy gedaan hebt? Hy zou Karel pryzen, zeide Emilia: Papa is goed: hy zou net gedaan hebben als Karel. En ik, ik ben er beschaamt over hernam Eduard; wat hebben wy met dien gemeenen jongen nodig? O, viel Karel hem in, men moet niet alleen dienst bewyzen aan hun, die men nodig heeft, dat is geene deugt; maarten anderen ik kan
noch niet weeten, of ik nooit dien jongen nodig zal hebben: duizend dingen kunnen my gebeuren, waar in het geval hem tot nut voor my kan maaken Gy zult wel haast zien, Mamaatje! dat de braave Karel gelyk had.
Naauwlyks waaren wy een half kwartier in de Boerdery geweest, of Eduart sloeg voor om met het kleine roei-schuitje dat digt by het huis in een sloot lag te gaan vaaren. Karel en Emilia wilden niet, zeggende, dat hy wel wist, dat zyn Vader dit streng verboden had. Maar hy zal het niet weeten, zeide Eduard. Wy moeten nooit doen het geen Papa en Mama niet weeten mogen sprak Karel. Wel nu, antwoordde Eduard, gy hebt gelyk, en ik, ik gaa in huis, want ik hebbe hier geen vermaak. Wy dachten altemaal, dat hy waarheid sprak, maar, (zult gy het geloven Mama?) hy ging niet te min in het schuitje, zonder dat wy het merkten. Omtrent een half uur daar na, hoorden wy om hulp schreeuwen: wy liepen er naar toe met den boer en zyn zoon; maar, welk een schrik wy zagen wel haast, dat het Eduard was, die in de sloot lag,
en dat een jongen, juist dat azyn kruyërtje met hem in het water leggende, hem by een pand van zyn kleed hielt, zonder 'er hem nochtans te kunnen uithaalen, schreeuwende met al zyn magt help! help! De boer schoot toe, en had ze beiden terstond uit het water; maar Eduard was geheel buiten kennis, en zonder beweeging. - Emilia kermde geweldig, en ik kon geen woord spreeken door ontsteltenis; Karel alleen was bedaart, (en dat is wel mooi in zulke gevallen.) Hy beval dat men zyn broeder op de buitenplaats zou brengen, en bad zyne zuster stil te zyn; uw geschrei zou Papa en Mama verschrikken zeide hy, wy zullen schielyk vooruit gaan om hun zachtjes het ongeluk van Eduard bekent te maaken. Hoe schoon stond hem zulk eene tedere voorzichtigheid.
Maar welk eene ontroernis voor Mynheer en Mevrouw Grandisson! Mevrouw viel in slaaute. Mynheer deed haar hulp toe brengen, en liep daar op naar zyn zoon, die juist in huis gebragt werdt, en die yder geloofde dat dood was: hy schreide; och, hoe bemint een goede vader zyne kinders:
hy vergeet alle hunne ondeugenheden, als hyze in gevaar ziet, in 't kort, lieve Mama! Eduard kwam weer by, maar hy is noch in 't bed want hy heeft zwaare koortsen. 't Is God gewisselyk, die hem straft voor zyne ongehoorzaamheid; hy had zoo zyne ouders den dood kunnen aandoen. Och! ik wil altoos gehoorzaam weezen. - Vaar wel, lieve Mama! Ik zal u ras weder schryven.